B04.1 Rapport Onderzoek gemeentelijke kwalitetisverordeningen binnen de provincie Utrecht.pdf
Tekst van het document
Onderzoek gemeentelijke kwaliteitsverordeningen binnen de provincie Utrecht Interbestuurlijk toezicht omgevingsrecht Vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht 01-07-2025
Inhoud Inhoud
2
1
3
2
Over het onderzoek 1.1
Aanleiding
3
1.2
Kwaliteitsverordeningen
3
1.3
Doel
5
1.4
Onderzoeksopzet en rapportage
5
Bevindingen
6
2.1
Hebben de gemeenteraden een kwaliteitsverordening vastgesteld?
6
2.2
Welke set kwaliteitscriteria is op grond van de kwaliteitsverordening van toepassing?
6
2.3
Dynamische verwijzing
6
2.4
Jaarlijkse mededeling aan gemeenteraad over naleving kwaliteitscriteria door de gemeentelijke organisatie (thuistaken) en de omgevingsdienst (basis- en plustaken)
6
2.5
Wordt gemonitord en/of getoetst in hoeverre de kwaliteitscriteria door de gemeentelijke organisatie (thuistaken) worden nageleefd? 7
2.6
Wordt gemonitord en/of getoetst in hoeverre de kwaliteitscriteria door de omgevingsdienst (basis- en plustaken) worden nageleefd?
7
2.7
Welke onderdelen van de kwaliteitscriteria worden getoetst?
7
2.8
Onderneemt het college actie naar aanleiding van het resultaat van de toetsing?
8
2.9
Hoe rapporteert het college aan de gemeenteraad over de resultaten van de toetsing?
8
2.10 Worden door de gemeenteraad raadsvragen gesteld naar aanleiding van de rapportage? 8 3
De hoofdpunten samengevat
9
3.1
Niet alle kwaliteitsverordeningen zijn actueel
9
3.2
Diverse sets kwaliteitscriteria
9
3.3
Beperkt inzicht op basis van monitoring en/of toetsing
9
3.4
Mededeling aan de gemeenteraad
10
Colofon
Onderzoek gemeentelijke kwaliteitsverordeningen binnen de provincie Utrecht
11
2
1 Over het onderzoek 1.1
Aanleiding In de periode september – april 2024 is onderzoek gedaan naar de uitvoering van de gemeentelijke kwaliteitsverordeningen. Het onderzoek is uitgevoerd door de provincie Utrecht vanuit het interbestuurlijk toezicht (IBT), cluster omgevingsrecht. Dit onderzoek heeft in dezelfde periode in alle twaalf provincies plaatsgevonden. Door als provincies gezamenlijk één onderzoeksthema te kiezen, kunnen de resultaten op termijn op landelijke schaal vergeleken worden.
1.2
Kwaliteitsverordeningen Onder de Omgevingswet hebben de gemeenteraad en college van burgemeester en wethouders de plicht om zorg te dragen voor een goede kwaliteit van de uitoefening van de taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. 1 Voor de basistaken 2 en de daarmee samenhangende werkzaamheden die namens de gemeente door een omgevingsdienst worden uitgevoerd, moet de gemeenteraad regels stellen in een verordening (dit is dus verplicht). Voor de thuistaken 3 kan de gemeenteraad regels stellen in een verordening (dit is dus niet verplicht). 4 Die regels moeten een goede kwaliteit van de uitoefening van de taken waarborgen. De IPO en VNG hebben een modelverordening (de ‘Modelverordening kwaliteit uitvoering en handhaving’, in dit rapport kortweg ‘Kwaliteitsverordening’ genoemd) en een set kwaliteitscriteria ontwikkeld die gemeenten hiervoor kunnen hanteren. Kwaliteitscriteria thuistaken Een manier voor gemeenten om aan de zorgplicht voor een goede kwaliteit van de uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak te voldoen, is door zich te committeren aan de voornoemde kwaliteitscriteria.
In juni 2009 is door Rijk, IPO en VNG een ‘Packagedeal’ gesloten waarin bestuurlijk is afgesproken om kwaliteitscriteria te ontwikkelen en vast te stellen waaraan de taakuitvoering op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving in het omgevingsrecht moeten voldoen. Deze criteria zijn ontwikkeld voor de taakuitvoering door gemeenten en de omgevingsdiensten. De criteria gaan over proces, inhoud en kritieke massa (personele capaciteit (robuustheid organisatie) en deskundigheid en competenties medewerkers). Deze landelijk geldende kwaliteitscriteria dragen bij aan de kwaliteit van de uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak, én dragen bij aan de kwaliteit van de gemeentelijke organisaties. Op dit moment gelden de Kwaliteitscriteria 3.0 (zie voor meer informatie hierover: Kwaliteitscriteria 3.0). Bij het invullen van de vragenlijst voor dit onderzoek golden de Kwaliteitscriteria 2.3 (2022). In het verleden hebben de sets 2.0 (2009), 2.1 (2012), 2.2 (2019) gegolden. De sets werden om de zoveel jaar geactualiseerd. In de loop van tijd zijn er bijvoorbeeld deskundigheidsgebieden bij gekomen of samengevoegd en zijn andere eisen gaan gelden aan de deskundigheid van personeel (bij de set 2.2). Ook zijn er competentieprofielen geïntroduceerd (bij de set 2.3) en is de meest recente set 3.0 gebaseerd op de Omgevingswet.
Ook moet inhuur nu voldoen aan de kwaliteitscriteria.
1
Artikel 18.20 lid 1 Omgevingswet (algemene zorgplicht van de gemeenteraad én het college van B&W).
2 Basistaken zijn de werkzaamheden – genoemd in artikel 13.12 Ob die verplicht door een omgevingsdienst
worden verricht namens de gemeente en provincie. Dit betreffen hoofdzakelijk milieu gerelateerde VTH-taken. 3 Thuistaken zijn alle VTH-taken die geen basistaken zijn. Dit betreffen hoofdzakelijk bouw gerelateerde VTHtaken. 4 Artikel 18.20, lid 3 en artikel 18.23 lid 1 onder a Omgevingswet.
Onderzoek gemeentelijke kwaliteitsverordeningen binnen de provincie Utrecht
3
Door zich te committeren aan kwaliteitscriteria, door middel van een vastgestelde verordening voor deze criteria en door deze verordening daadwerkelijk uit te voeren, zorgt de gemeente ervoor dat ze in staat is om goede kwaliteit te leveren. Het vaststellen van een gemeentelijke verordening waarin een kwaliteitsniveau voor de thuistaken wordt vastgelegd is niet verplicht. 5 Doordat er geen wettelijke verplichting bestaat, heeft IBT formeel geen handelingsbevoegdheid ten aanzien van het al dan niet vaststellen van een verordening kwaliteitscriteria door de gemeenteraad. Als zo een verordening kwaliteitscriteria eenmaal door de gemeenteraad is vastgesteld, dan is interbestuurlijk toezicht op het naleven van die verordening door het college overigens wél mogelijk. 6 Wanneer een gemeenteraad geen verordening kwaliteitscriteria heeft vastgesteld, dan heeft IBT alsnog handelingsbevoegdheid voor zover het de algemene zorgplicht betreft voor een goede kwaliteit van de uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak. 7 Daarnaast heeft IBT handelingsbevoegdheid ten aanzien van de specifieke zorgplicht om de personeelsformatie voor de uitvoering en handhaving vast te leggen. Net als de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden die bij de functies horen.
8 Kwaliteitscriteria basistaken Voor de omgevingsdiensten (basistaken) is het vaststellen van een verordening door de gemeenteraad wettelijk verplicht. 9 Om uniformiteit van de regels die worden gesteld per omgevingsdienst 10 wordt het bevoegd gezag door de wetgever geacht gebruik te maken van de voornoemde modelverordening waarin de kwaliteitscriteria worden voorgeschreven. 11 Bevoegde gezagen mogen in de verordening kwaliteitscriteria ook andere regels stellen, maar moeten deze regels dan wel onderling afstemmen om te voorkomen dat de omgevingsdiensten met tal van uiteenlopende eisen worden geconfronteerd. De Omgevingswet biedt een mogelijkheid om andere regels te stellen, maar hier wordt in de praktijk geen gebruik van gemaakt. Omdat het vaststellen van een verordening door de gemeenteraad voor de basistaken wettelijk verplicht is, 12 heeft IBT handelingsbevoegdheid als het gaat om het al dan niet vaststellen van een kwaliteitsverordening voor de omgevingsdienst door de gemeenteraad. En wanneer de verordening kwaliteitscriteria is vastgesteld, heeft IBT handelingsbevoegdheid ten aanzien van het naleven van die verordening. 13 De kwaliteitscriteria vormen dan namelijk de toetssteen om te bepalen of kritische massa en deskundigheid toereikend zijn.
Het voldoen aan die kwaliteitscriteria is een goede indicatie van het voldoende garanderen van de kwaliteit van de taakuitvoering. 14
5
Artikel 18.20, lid 3 Omgevingswet. Nota van Wijziging Wet VTH, (Kamerstukken II 2014-2015, 33872, nr. 8). 7 Artikel 18.20 lid 1 Omgevingswet. Deze algemene zorgplicht rust op de gemeenteraad en het college. 8 Artikel 13.9 lid 2 onder a Omgevingsbesluit. Deze specifieke zorgplicht rust op het college. 9 Artikel 18.23 lid 1 Omgevingswet. 10 Artikel 18.23 lid 2 Omgevingswet. 11 MvT Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2017-2018, 34986, nr. 3). 12 Artikel 18.23 lid 1 Omgevingswet. 13 Nota van Wijziging Wet VTH, (Kamerstukken II 2014-2015, 33872, nr. 8). 14 MvT Wet VTH (Kamerstukken II 2013-2014, 33 872, nr. 3, p. 5). 6
Onderzoek gemeentelijke kwaliteitsverordeningen binnen de provincie Utrecht
4
1.3
Doel Het doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in de aanwezigheid en naleving van de kwaliteitsverordeningen door gemeenten. Het onderzoek richt zich op de volgende hoofdvragen: Beschikt de gemeente over een kwaliteitsverordening die gebaseerd is op de Omgevingswet? Toetst de gemeente in hoeverre de uitvoering van VTH-taken door de gemeente (thuistaken) en de omgevingsdienst (basis- en plustaken) voldoet aan de kwaliteitscriteria? Zo niet, welke verbeteracties worden dan ingezet? In hoeverre is de gemeenteraad geïnformeerd en betrokken bij de naleving van de kwaliteitsverordening?
1.4
Onderzoeksopzet en rapportage In overleg met de interbestuurlijk toezichthouders omgevingsrecht van de twaalf provincies is ambtelijk een digitale vragenlijst ontwikkeld. De vragenlijst is medio september 2024 uitgezet onder de Utrechtse gemeenten. In de periode september tot en met november 2024 hebben alle Utrechtse gemeenten de vragenlijst ingevuld. De respons is verwerkt in dit rapport.
Onderzoek gemeentelijke kwaliteitsverordeningen binnen de provincie Utrecht
5
2 Bevindingen 2.1
Hebben de gemeenteraden een kwaliteitsverordening vastgesteld? Uit de respons blijkt dat 25 van de 26 Utrechtse gemeenteraden een kwaliteitsverordening hebben vastgesteld. Uit raadpleging van het Gemeenteblad blijkt dit echter niet te kloppen. De desbetreffende gemeenteraad heeft wel degelijk een kwaliteitsverordening vastgesteld. Kortom, alle Utrechtse gemeenten hebben een vastgestelde kwaliteitsverordening. 16 gemeenten hebben een actuele kwaliteitsverordening die is gebaseerd op artikel 18.20 van de Omgevingswet. 10 gemeenten geven aan dat hun verordening op de inmiddels vervallen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is gebaseerd. Van die 10 gemeenten geven er 8 aan dat momenteel wordt gewerkt aan de actualisatie van de kwaliteitsverordening op basis van een nieuwe VNG-modelverordening. Eén gemeente geeft aan niet op de hoogte te zijn van de nieuwe VNG-model verordening en één gemeente geeft aan onvoldoende personele capaciteit te hebben om de verordening te actualiseren. De verordeningen van deze 10 gemeenten zijn dus komen te vervallen per 1 januari 2024 omdat deze zijn gebaseerd op de inmiddels vervallen Wabo. Voor de inwerkingtreding van een verordening is vereist dat deze is gepubliceerd. Alle Utrechtse gemeenten hebben de kwaliteitsverordening gepubliceerd.
Twee gemeenten hebben deze vraag niet beantwoord, maar na raadpleging van het Gemeenteblad blijkt dat zij de verordening wel hebben gepubliceerd.
2.2
Welke set kwaliteitscriteria is op grond van de kwaliteitsverordening van toepassing? 7 gemeenten geven aan dat in de verordening de set Kwaliteitscriteria 2.1 (afgekort: KC 2.1) uit 2012 van toepassing is. Drie gemeenten geven aan dat de set KC 2.2 uit 2019 van toepassing is en 16 gemeenten geven aan dat de set KC 2.3 uit 2022 van toepassing is.
2.3
Dynamische verwijzing 20 Utrechtse gemeenten hebben in de kwaliteitsverordening een dynamische verwijzing opgenomen waardoor van rechtswege altijd de meest recente set kwaliteitscriteria van toepassing is. Ten tijde van het invullen van de vragenlijst was de set KC 2.3 de meest recente set. Vanaf 1 januari 2025 geldt de set KC 3.0.
2.4
Jaarlijkse mededeling aan gemeenteraad over naleving kwaliteitscriteria door de gemeentelijke organisatie (thuistaken) en de omgevingsdienst (basis- en plustaken) Van de 26 Utrechtse gemeenten geven 24 gemeenten aan dat hun kwaliteitsverordening een artikel bevat waarin het college van burgemeester en wethouders verplicht wordt om jaarlijks mededeling te doen aan de gemeenteraad in hoeverre de kwaliteitscriteria worden nageleefd. Eén gemeente geeft aan dat de verordening deze verplichting niet bevat. Dit blijkt na raadpleging van de verordening in het Gemeenteblad te kloppen, hoewel in de toelichting bij de verordening wel staat dat het college jaarlijks mededeling aan de raad moet doen. Deze gemeente heeft overigens aangegeven dat het college de jaarlijkse mededeling aan de gemeenteraad wel degelijk doet. Eén gemeente heeft deze vraag niet beantwoord en uit raadpleging van de verordening blijkt dat deze gemeente deze bepaling wel in de verordening heeft opgenomen.
Onderzoek gemeentelijke kwaliteitsverordeningen binnen de provincie Utrecht
6
Uit het opnemen van deze verplichting in de verordening vloeit voort dat de naleving van de kwaliteitscriteria daadwerkelijk moet worden gemonitord en getoetst door het college (zie hierna). 2.5
Wordt gemonitord en/of getoetst in hoeverre de kwaliteitscriteria door de gemeentelijke organisatie (thuistaken) worden nageleefd? 19 van de 26 gemeenten geven aan dat gemonitord en/of getoetst wordt in hoeverre de kwaliteitscriteria door de gemeentelijke organisatie worden nageleefd. 6 gemeenten geven aan dat er geen monitoring en/of toetsing plaatsvindt. 15 gemeenten voeren de monitoring en/of toetsing zelf uit (‘zelfevaluatie’). 4 gemeenten laten de monitoring en/of toetsing uitvoeren door een externe (onafhankelijke) derde. 1 gemeente heeft deze vraag niet beantwoord. Van de 19 gemeenten die de gemeentelijke organisatie toetsen aan de kwaliteitscriteria, geven 13 gemeenten aan deze toets jaarlijks uit te voeren. Op de vraag wanneer de toetsing voor het laatst is uitgevoerd geven 5 gemeenten aan dat dit in 2024 heeft plaatsgevonden. De meeste gemeenten geven aan dat deze toets voor het laatst in 2023 (6 gemeenten) of eerder (1 gemeente in 2021 en 3 gemeenten vóór 2021) of zelfs helemaal niet is uitgevoerd.
2.6
Wordt gemonitord en/of getoetst in hoeverre de kwaliteitscriteria door de omgevingsdienst (basis- en plustaken) worden nageleefd? ODRU 8 van de 15 gemeenten die bij de ODRU zijn aangesloten geven aan dat de ODRU zelf monitort en/of toetst of haar organisatie aan de kwaliteitscriteria voldoet. 6 gemeenten geven aan dat er geen monitoring en/of toetsing plaatsvindt. 1 gemeente heeft deze vraag niet beantwoord. 3 gemeenten geven aan dat de ODRU jaarlijks een toetsing uitvoert. 4 gemeenten geven aan dat de ODRU geen jaarlijkse toetsing doet. 8 gemeenten hebben niet geantwoord op deze vraag. 1 gemeente geeft aan dat de ODRU de toetsing voor het laatst vóór 2021 heeft uitgevoerd. 3 gemeenten geven aan dat dit voor het laatst in 2023 plaatsvond. 1 gemeente geeft aan dat dit voor het laatst in 2024 plaatsvond. 1 gemeente geeft aan dat er nog nooit een toetsing heeft plaatsgevonden en 2 gemeenten geven aan niet te weten wanneer de toetsing voor het laatst is uitgevoerd. 7 gemeenten hebben niet geantwoord op deze vraag. RUD 10 van de 11 gemeenten die bij de RUD zijn aangesloten geven aan dat de RUD zelf toetst of haar organisatie aan de kwaliteitscriteria voldoet. Eén gemeente heeft deze vraag niet beantwoord. 8 gemeenten geven aan dat de RUD jaarlijks een toetsing uitvoert. 2 gemeenten geven aan dat de RUD geen jaarlijkse toetsing doet. 1 gemeente heeft niet geantwoord op deze vraag.
1 gemeente geeft aan dat dit voor het laatst in 2022 plaatsvond. 6 gemeenten geven aan dat dit voor het laatst in 2023 plaatsvond. 2 gemeenten geven aan dat dit voor het laatst in 2024 plaatsvond en 1 gemeente geeft aan niet te weten wanneer de toetsing voor het laatst is uitgevoerd. 1 gemeente heeft niet geantwoord op deze vraag.
2.7
Welke onderdelen van de kwaliteitscriteria worden getoetst? De kwaliteitscriteria bestaan uit meerdere delen. Deel A geeft algemene informatie over de kwaliteitscriteria, deel B geeft criteria voor de kritieke massa, deel C gaat over de procescriteria en deel D bevat competentieprofielen. Dit onderzoek gaat alleen over deel B (kritieke massa) en deel D (competentieprofielen). Deel C is namelijk onderdeel van het systematisch toezicht door IBT omgevingsrecht. 6 gemeenten (4 ODRU-gemeenten en 2
Onderzoek gemeentelijke kwaliteitsverordeningen binnen de provincie Utrecht
7
RUD-gemeenten) geven aan dat zowel deel B als deel D wordt getoetst. 16 gemeenten (8 ODRU-gemeenten en 8 RUD-gemeenten) geven aan dat alleen deel B wordt getoetst. 4 gemeenten (3 ODRU-gemeenten en 1 RUD-gemeente) hebben deze vraag niet beantwoord. 2.8
Onderneemt het college actie naar aanleiding van het resultaat van de toetsing? Als uit de toetsing blijkt dat de organisatie niet aan kwaliteitscriteria voldoet, moet het college maatregelen treffen zodat alsnog aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan. In plaats daarvan kan het college van burgemeester en wethouders gemotiveerd aangeven waarom van de kwaliteitscriteria wordt afgeweken. Dit wordt ook wel ‘voldoe of leg uit’ genoemd. 19 gemeenten (12 ODRU-gemeenten en 7 RUD-gemeenten) geven aan maatregelen te treffen als de gemeentelijke organisatie of omgevingsdienst niet aan de kwaliteitscriteria voldoet. Van die 19 gemeenten geven 16 gemeenten (10 ODRU-gemeenten en 6 RUD-gemeenten) aan daarnaast gebruik te maken van de mogelijkheid om te motiveren waarom niet wordt voldaan en in sommige gevallen zelfs niet hoeft te worden voldaan aan de kwaliteitscriteria. 1 gemeente (RUD-gemeente) geeft daarbij aan dat het onderbrengen van bepaalde thuistaken bij de omgevingsdienst ook tot de te treffen maatregelen hoort. 4 gemeenten (2 ODRUgemeenten en 2 RUD-gemeenten) geven aan alleen gebruik te maken van de mogelijkheid om te motiveren waarom niet aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan. 3 gemeenten hebben deze vraag niet beantwoord.
2.9
Hoe rapporteert het college aan de gemeenteraad over de resultaten van de toetsing? 22 van de 26 gemeenten geven aan dat zij mededeling doen aan de gemeenteraad in hoeverre de kwaliteitscriteria worden nageleefd. De wijze waarop zij dat doen verschilt: 10 gemeenten informeren hun raad door inzicht te geven in de resultaten van de toetsing; 5 gemeenten geven de raad inzicht in de resultaten van de toetsing en lichten toe op welke onderdelen niet of niet geheel wordt voldaan en lichten daarbij toe wat de risico’s/ gevolgen daarvan zijn; 7 gemeenten geven de raad daarnaast inzicht in de verbeteracties die worden ingezet om aan de kwaliteitscriteria te kunnen gaan voldoen. 2 gemeenten geven aan dat deze vraag niet op hun van toepassing is en 2 gemeenten hebben deze vraag niet beantwoord.
2.10
Worden door de gemeenteraad raadsvragen gesteld naar aanleiding van de rapportage? 6 gemeenten geven aan dat er raadsvragen worden gesteld naar aanleiding van de rapportage. 16 gemeenten geven aan dat er geen raadsvragen worden gesteld. 2 gemeenten geven aan dat deze vraag niet op hun van toepassing is en 2 gemeenten hebben deze vraag niet beantwoord.
Onderzoek gemeentelijke kwaliteitsverordeningen binnen de provincie Utrecht
8
3 De hoofdpunten samengevat Alle Utrechtse gemeenten hebben de vragenlijst ingevuld en ingestuurd. Niet alle gemeenten hebben alle vragen beantwoord. Uit de beantwoording komen de onderstaande hoofdpunten naar voren. 3.1
Niet alle kwaliteitsverordeningen zijn actueel Alle Utrechtse gemeenten hebben een vastgestelde kwaliteitsverordening. Echter zijn van 10 gemeenten de verordeningen per 1 januari 2024 vervallen omdat deze zijn gebaseerd op de inmiddels vervallen Wabo door de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Risico: Juridisch gezien zijn de verordeningen die gebaseerd zijn op vervallen wetgeving van rechtswege ook komen te vervallen. Voor de thuistaken is dit juridisch niet zozeer problematisch aangezien de algemene zorgplichtbepaling uit art. 18.20, lid 1 van de Omgevingswet onverkort geldt (zie paragraaf 1.2). Voor de basistaken (uitgevoerd door de omgevingsdienst) is het hebben van een verordening wettelijk verplicht en aan die plicht wordt door een aantal gemeenten niet voldaan.
3.2
Diverse sets kwaliteitscriteria De Utrechtse gemeenten hanteren alle verschillende sets kwaliteitscriteria. Dit is opmerkelijk, omdat 20 gemeenten in hun kwaliteitsverordening een dynamische verwijzing naar de meest recente set kwaliteitscriteria hebben opgenomen. Ten tijde van in het invullen van de vragenlijst was de meest recente set per 2022 de kwaliteitscriteria 2.3. Dat 20 gemeenten aangeven een dynamische verwijzing te hanteren houdt in dat de overige 6 gemeenten dus uitgaan van verouderde sets kwaliteitscriteria aangezien in de verordeningen geen dynamische verwijzing is opgenomen maar wordt verwezen naar de kwaliteitscriteria 2.1 of 2.2. Van de 20 gemeenten die aangeven een dynamische verwijzing te hanteren geven 16 gemeenten aan dat de set 2.3 van toepassing is. Oftewel, 4 gemeenten handelen in strijd met hun verordening door niet de toenmalige meest recente set kwaliteitscriteria te hanteren. Risico: Het hanteren van (sterk) verouderde sets kwaliteitscriteria draagt niet bij aan een goede kwaliteit van de uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak. In elke nieuwe set zijn de eisen aan de deskundigheid aangescherpt en aangevuld en in sommige sets zijn nieuwe deskundigheidsgebieden en competenties geïntroduceerd.
3.3
Beperkt inzicht op basis van monitoring en/of toetsing Het inzicht in de mate waarin de gemeenten voor de thuistaken voldoen aan de kwaliteitscriteria is zeer beperkt. Slechts 5 gemeenten beschikken over recent inzicht in de mate waarin voor de thuistaken aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan door laatstelijk in 2024 te toetsen in hoeverre de gemeentelijke VTH-organisatie voldoet aan de kwaliteitscriteria. De meeste gemeenten geven aan dat deze toets voor het laatst in 2023 of eerder of zelfs helemaal niet is uitgevoerd. Het inzicht in de mate waarin de omgevingsdiensten voor de basis- en plustaken voldoen aan de kwaliteitscriteria is nog beperkter. Slechts 3 gemeenten geven aan te beschikken over recent inzicht in de mate waarin voor de basis- en plustaken aan de kwaliteitscriteria wordt
Onderzoek gemeentelijke kwaliteitsverordeningen binnen de provincie Utrecht
9
voldaan aangezien de toetsing laatstelijk in 2024 heeft plaatsgevonden. Zeer opmerkelijk is dat de meeste gemeenten aangeven dat de evaluatie voor het laatst in 2023 of eerder heeft plaatsgevonden of zelfs in zijn geheel niet heeft plaatsgevonden. Wanneer niet aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan, wordt door de meeste gemeenten gebruik gemaakt van de mogelijkheid te motiveren waarom niet aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan en in sommige gevallen zelfs niet hoeft te worden voldaan. Daarnaast nemen de gemeenten andere maatregelen. Het onderzoek levert geen informatie op of deze maatregelen effectief zijn. Risico: Door niet jaarlijks de eigen gemeentelijke VTH-organisatie en de organisatie van de omgevingsdienst te toetsen aan de (nieuwste set) kwaliteitscriteria is er geen actuele inzicht in de mate waarin de organisatie en medewerkers voldoen aan de criteria en in hoeverre de organisatie robuust is. Dit draagt niet bij aan de goede kwaliteit van de uitoefening van de uitvoeringstaak en handhavingstaak. Een organisatie die niet aan de kwaliteitscriteria voldoet en niet robuust is, is niet in staat om de wettelijke VTH-taken naar behoren uit te voeren. 3.4
Mededeling aan de gemeenteraad Het merendeel van de gemeenten geeft aan mededeling te doen aan hun raad over de naleving van de kwaliteitscriteria. Er zijn verschillen in de uitgebreidheid van de informatie wat, gelet op het beperkte inzicht (zie paragraaf 3.3) niet verwonderlijk is. Het karakter van de informatie die aan de raad wordt verstrekt varieert van resultaten delen, inzicht geven in risico’s en aangeven welke verbeteracties worden ingezet om tot verbeterde naleving van de kwaliteitscriteria te komen. Er wordt in een beperkt aantal gevallen raadsvragen gesteld naar aanleiding van de mededeling door het college. Risico: De kwaliteitsverordening wordt vastgesteld door de gemeenteraad. In deze verordening staat dat de gemeenteraad toeziet op de kwaliteit van de uitvoering en handhaving binnen de fysieke leefomgeving. Om deze horizontale toezichtrol waar te kunnen maken is het vereist dat de raad tijdig en volledig door het college wordt geïnformeerd. Aan de hand van de mededelingen door het college aan de raad over de staat van de organisatie kan een democratisch debat plaatsvinden over de benodigde en beschikbare financiële en personele middelen. Door geen (jaarlijkse) mededeling te doen aan de raad, kan de raad haar horizontale toezichtrol niet pakken en vindt een democratisch debat niet plaats.
Onderzoek gemeentelijke kwaliteitsverordeningen binnen de provincie Utrecht
10
Colofon Uitgave Provincie Utrecht Auteurs Thomas van Walchren (interbestuurlijk toezichthouder omgevingsrecht) Jeroen van Dam (interbestuurlijk toezichthouder omgevingsrecht) Datum Juni 2025 Contact Interbestuurlijktoezicht@provincie-utrecht.nl
Onderzoek gemeentelijke kwaliteitsverordeningen binnen de provincie Utrecht
11