A05.1 Bijlage 1. Nota Regionale Aanpak Dakloosheid U16 2024-2030 (173748).pdf
Tekst van het document
Regionale Aanpak Dakloosheid U16
Staat als een (t)huis 2024 – 2030
Vastgesteld in de colleges van Burgemeester en Wethouders van de 16 gemeenten in de regio Utrecht: Gemeente Bunnik, [datum] Gemeente De Bilt, [datum] Gemeente De Ronde Venen, [datum] Gemeente Houten, [datum] Gemeente IJsselstein, [datum] Gemeente Lopik, [datum] Gemeente Montfoort, [datum] Gemeente Nieuwegein, [datum] Gemeente Oudewater, [datum] Gemeente Stichtse Vecht, [datum] Gemeente Utrecht, [datum] Gemeente Utrechtse Heuvelrug, [datum] Gemeente Vijfheerenlanden, [datum] Gemeente Woerden, [datum] Gemeente Wijk bij Duurstede, [datum] Gemeente Zeist, [datum]
Voorwoord Eind 2022 is het landelijke actieplan Aanpak dakloosheid voor de periode 2023-2030 gepresenteerd. Daarin zijn op basis van zes actielijnen concrete doelstellingen en resultaten benoemd. Het is een goede start, maar het echte werk moet op regionaal en lokaal niveau plaatsvinden. Met deze regionale aanpak dakloosheid wordt door de U16 gemeenten de regionale en lokale koers vastgesteld. Het vormt, net als de regionale visie Beschermd Wonen, een belangrijke stap om meer lokaal ‘in de wijk’ te organiseren. Zodat mensen, ook met een begeleidingsvraag, zoveel als mogelijk zelfstandig thuis kunnen (blijven) wonen. Om dit te bereiken, is het essentieel om lokaal een sterke basis te bieden die eenvoudig toegankelijk is. Vanuit het uitgangspunt lokaal wat kan, regionaal wat meerwaarde heeft. Deze basis bestaat onder andere uit laagdrempelige ondersteuning, zoals hulp bij financiële vraagstukken, dagbesteding of psychologische hulp. De focus ligt hierbij op normaliseren, preventie en vroegtijdige signalering. Met aandacht voor de leefbaarheid in de wijk en betrokkenheid van buren en naasten. Een andere belangrijke factor is de lokale beschikbaarheid van voldoende zelfstandige, betaalbare woonplekken. Regionale samenwerking is hierin van groot belang. Binnen de U10 en U16 wordt dan ook de komende jaren gewerkt aan een regionale woonvisie.
De gewenste verschuiving van verblijf in de maatschappelijke opvang naar lokaal en zelfstandig wonen met begeleiding als dat nodig is gaat niet vanzelf. Het vergt een goede samenwerking en vooral ook een lange adem. Stap voor stap, door middel van lerend ontwikkelen. Met als einddoel dat er “niemand meer naar de maatschappelijke opvang in Utrecht” hoeft. Dit plan is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met alle betrokken partijen, waaronder ervaringsdeskundigen, belangenbehartigers, adviesraden in de regio en samenwerkende clientorganisaties, woningcorporaties en zorg- en opvangorganisaties. Deze brede samenwerking is van groot belang; het zorgt ervoor dat we niet alleen dakloosheid aanpakken, maar ook de onderliggende oorzaken. De betrokkenheid is groot. Het geeft vertrouwen dat we er met elkaar onze schouders onder zetten. Met deze nota bekrachtigen we dan ook dat onze samenwerking staat als een (t)huis.
2
Inhoudsopgave Voorwoord..............................................................................................................................................2 Inhoudsopgave ......................................................................................................................................3 1
2
3
4
5
6
Inleiding ..........................................................................................................................................5 1.1
Introductie ................................................................................................................................5
1.2
Opvang naar Wonen................................................................................................................6
1.3
Samenhang met beleidsnota Utrecht Onderdak......................................................................6
1.4
Samenhang Beschermd Wonen ..............................................................................................7
1.5
Samenhang met andere programma’s ....................................................................................7
1.6
Gezamenlijk aan de slag .........................................................................................................8
1.7
Leeswijzer ................................................................................................................................8
Eerst een (t)huis ............................................................................................................................9 2.1
Van maatschappelijke opvang naar voorkomen dakloosheid..................................................9
2.2
Landelijke leidende principes en regionale algemene uitgangspunten ...................................9
2.3
Drie pijlers ..............................................................................................................................11
Voorkomen van dakloosheid ......................................................................................................12 3.1
Wat doen we al? ....................................................................................................................12
3.2
Wat gaan we doen? ...............................................................................................................12
3.2.1
Lokale basisset ..............................................................................................................12
3.2.2
Preventie & Vroegsignalering ........................................................................................13
3.2.3
Financiële bestaanszekerheid .......................................................................................13
3.2.4
Versterken van de uitvoeringspraktijk ............................................................................13
3.2.5
Big 5 op orde .................................................................................................................13
Wonen ...........................................................................................................................................15 4.1
Wat doen we al? ....................................................................................................................16
4.2
Waar gaan we nog mee aan de slag? ...................................................................................16
4.2.1
Sturen op beschikbaarheid woonplekken ......................................................................16
4.2.2
Opbouwen lokale tijdelijke (kleinschalige) woonvormen................................................16
4.2.3
Goed landen in de wijk ..................................................................................................16
Toegang & Opvang ......................................................................................................................17 5.1
Actieprogramma ‘Utrecht onderdak’ ......................................................................................17
5.2
Lokaal wat lokaal kan, regionaal wat meerwaarde heeft .......................................................17
5.3
Waar gaan we mee aan de slag? ..........................................................................................18
5.3.1
Inzicht in de opgave .......................................................................................................18
5.3.2
Toegang maatschappelijke opvang ...............................................................................18
Financien ......................................................................................................................................19 3
7
8
Monitoring & Sturing ...................................................................................................................21 7.1
Landelijk monitoring ...............................................................................................................21
7.2
Regionaal dashboard.............................................................................................................21
7.3
Regionale besluitvorming ......................................................................................................22
7.4
Risico's ..................................................................................................................................23
Bijlagen .........................................................................................................................................25 Bijlage 1: Procesplaat Regionale Aanpak Dakloosheid U16 .............................................................26 Bijlage 2: Verdeling budget en inhoudelijk en financieel afwegingskader..........................................27 Bijlage 3: Afwegingskader inzet van de middelen..............................................................................28
4
1 Inleiding 1.1 Introductie Mensen raken vaker en sneller dakloos dan tien jaar geleden1. Er is gewoonweg minder voor nodig. Een echtscheiding, financiële problemen, situaties die al voldoende zijn voor verlies van een dak boven je hoofd. Dat komt vooral door het gebrek aan betaalbare woonplekken, de slechtere structurele condities (bestaanszekerheid) en de moeizame toegang tot hulpbronnen2. Ook het Rijksbeleid, bijvoorbeeld de extramuralisering van de zorg en de toenemende arbeidsmigratie, zorgt voor extra druk op lokale huisvesting en zorg.
Uitstroom uit maatschappelijke opvang naar zelfstandig wonen wordt bemoeilijkt door het tekort aan woningen. Daarbij leidt hetzelfde woningtekort ertoe dat meer personen en gezinnen geen dak boven hun hoofd hebben. Ter illustratie: in vergelijking met 2022 is er een stijging van 74 procent in de U16 van het aantal urgentie-aanvragen voor sociale huurwoningen. De meeste aanvragen zijn op basis van dreigende dakloosheid, met een stijgingspercentage van 260 procent. We zien het niet alleen in de cijfers. Ook in het straatbeeld zien we steeds vaker mensen zonder een dak boven hun hoofd. En meer mensen verblijven op locaties die daar niet voor zijn bestemd. Bijvoorbeeld in auto’s, campings en vakantieparken. Doorstroom stagneert door het tekort aan woonplekken. Dit geldt niet alleen voor gemeente Utrecht. Hoewel de aard en omvang van de problematiek verschilt per gemeente, hebben alle U16 gemeenten hiermee te maken. De regio Utrecht staat de komende jaren dan ook voor grote uitdagingen: de schaarse ruimte, met het enorme tekort aan huisvesting en 1 2
Bron: Toekomst met een thuis - Gids voor preventie van dakloosheid (corpovenista.nl) Van der Ham et al., 2018; De Klerk et al., 2022)
5
de verwachte toekomstige tekorten in het sociaal domein. Een groot gedeelte van onze kwetsbare inwoners voor wie dakloosheid dreigt, is geholpen met een zelfstandige woonplek en eventuele ondersteuning thuis. Voor een deel van de mensen is, door de combinatie van (multi) problematiek, (tijdelijk) opvang nodig. Basis op orde Door hun dakloosheid komen mensen, die voorheen nog redelijk zelfredzaam waren, steeds verder in de problemen. Met als gevolg dat ook hun zelfredzaamheid afneemt en zij uiteindelijk alsnog opvang en begeleiding nodig hebben. Preventie vraagt het beter faciliteren van de bestaanscondities – gezondheid, wonen, inkomen, activiteiten en relaties – en het toegankelijk maken van ondersteuning, zorg en rechtsbescherming. Dit vraagt van alle U16 gemeenten om inwoners zo goed als mogelijk in staat te stellen hun leven te blijven leiden in hun eigen woning. Om te zorgen voor voldoende huisvesting en (financiële) bestaanszekerheid. Met andere woorden, om de basis op orde te hebben. 1.2
Opvang naar Wonen
Bestaanszekerheid begint met een dak boven je hoofd, dit is een landelijke visie die wij als U16 volledig omarmen. Ieder mens heeft recht op een veilige en betaalbare plek om te wonen. Met het verdrag van Lissabon (juni 2021) hebben de Europese lidstaten met elkaar afgesproken dat er in 2030 niemand meer onvrijwillig op straat mag slapen, door gebrek aan huisvesting of passende opvang. Het verdrag zegt verder: • Verblijf in de opvang moet zo kort als mogelijk duren en leiden tot een permanente woonoplossing; • Mensen zouden instellingen niet mogen verlaten zonder passende vervolghuisvesting; • Huisuitzettingen moeten waar mogelijk voorkomen worden; • Niemand wordt uitgezet zonder hulp naar een passende huisvestingsoplossing. In december 2022 presenteerden drie ministeries3 het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis4. Met dit actieplan wordt invulling gegeven aan het verdrag van Lissabon. Het plan zet in op een verschuiving in de manier waarop we kijken naar en omgaan met dakloosheid; onder andere op basis van het gedachtegoed van de wetenschappelijk onderbouwde methode Housing First5 en het advies van de commissie Dannenberg “Van beschermd wonen naar een beschermd thuis”6. Een aanpak gericht op het voorkomen van dakloosheid en een woonplek voor iedereen. De focus wordt verlegd van opvang naar wonen met indien nodig ondersteuning.
In bestuurlijke afspraken hebben alle partijen zich aan de integrale meerjarige aanpak van het Nationaal Actieplan Dakloosheid gecommitteerd7. Het Nationaal Actieplan Dakloosheid is direct gekoppeld aan de Nationale Woon- en Bouwagenda, de Aanpak geldzorgen, armoede en schulden en het Integraal Zorgakkoord (IZA). Ook hangt het samen met andere landelijke ontwikkelingen en programma’s, zoals Een thuis voor iedereen (BZK) en Wonen en zorg voor ouderen (BZK), de doordecentralisatie van Beschermd Wonen (‘Van Beschermd Wonen naar Beschermd Thuis’) (VWS). En is er samenhang met veranderende landelijke wetgeving zoals de komst van de Wet versterking regie op de volkshuisvesting.
1.3 Samenhang met beleidsnota Utrecht Onderdak De bestaande opvangvoorzieningen bleken de groei van het aantal dakloze mensen binnen de bestaande capaciteit niet langer aan te kunnen. Een lastige opgave gezien de schaarste in mensen,
3 Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Volkgezondheid en Sport; 4 Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis; 5 Housing First (housingfirsteurope.eu) 6 Van Beschermd Wonen naar Beschermd Thuis (vng.nl) 7 Bestuurlijke afspraken (overheid.nl)
6
middelen en vooral ruimte. Als regio zijn we dan ook nog niet zover dat we de maatschappelijke opvang al kunnen afschalen. Om te voorkomen dat mensen op straat moeten slapen heeft de gemeente Utrecht in 2023 en 2024 de capaciteit van de maatschappelijke opvang tijdelijk opgehoogd. De Utrechtse beleidsnota Utrecht Onderdak (2024) is van toepassing op de doorontwikkeling van de brede(re) opvangopgave. Dit betreft naast de zogenoemde reguliere Wmo-rechthebbenden ook EU-arbeidsmigranten en ongedocumenteerden mensen. Daarnaast wordt gekeken naar de inrichting van de maatschappelijke opvang, de voorwaarden die gesteld worden aan het verblijf in een opvangvoorziening en het toeleidings- en toegangsproces. Definitie wettelijke toegang tot Maatschappelijke Opvang In artikel 1.2.1.
Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 wordt omschreven wanneer iemand toegang heeft tot Maatschappelijke Opvang: Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.8 De regelgeving over de rechten van EU-arbeidsmigranten op toegang van maatschappelijke opvang is complex. Een aantal ministeries hebben gezamenlijk een Checklist Gelijke Behandeling EU burgers (voormalige rechtentool) ontwikkeld. Dit instrument is een overzichtelijke beslisboom van bestaande (nationale en EU) wet- en regelgeving. Met als doel om de rechten van EU burgers in Nederland te waarborgen. Afhankelijk van besluitvorming van de inzet van deze tool, wordt de groep mensen die binnen deze wettelijke definitie valt groter. 1.4 Samenhang Beschermd Wonen De regionale aanpak dakloosheid heeft veel samenhang met het regioplan9 Beschermd Wonen van de U16.
De gewenste beweging is identiek: van (intramuraal) wonen in een instelling naar zelfstandig wonen met passende ondersteuning. Zo is de inzet op sterke lokale (basis) voorzieningen, de zogenoemde ’basisset’, en de beschikbaarheid van kleine betaalbare woningen belangrijke overlappende pijlers. Mensen die op dit moment verblijven in de maatschappelijke opvang of beschermd wonen met indicatie overlappen elkaar deels en het gaat grotendeels om dezelfde kwetsbare mensen. Ongeveer 10% van de mensen in de maatschappelijke opvang binnen de Wmo wacht op een plaats in Beschermd Wonen. Voor het organiseren van een passend zorglandschap wordt dan ook aangesloten bij de afspraken die binnen de U16 zijn gemaakt in het regioplan Beschermd Wonen. Om de opgaven zoveel mogelijk integraal vorm te geven, worden de doelstellingen van zowel Beschermd Wonen als de Aanpak Dakloosheid in een gezamenlijk uitvoeringsprogramma samengebracht. 1.5 Samenhang met andere programma’s Deze beleidsnota sluit aan bij verschillende regionale en lokale programma’s: • Lokale nota WMO2015; • Lokale woonvisie en regionale woonzorgvisie; • Lokale nota Participatiewet 8 9
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 - (overheid.nl) Regioplan Beschermd Wonen U16 (utrecht.nl)
7
• •
Utrecht Onderdak; Hervormingsagenda jeugd.
1.6 Gezamenlijk aan de slag De U16-gemeenten delen een gezamenlijke ambitie om dakloosheid aan te pakken en voelen zich samen verantwoordelijk voor een goede uitvoering van dit plan. In aansluiting op deze beleidsnota wordt een concrete actielijst opgesteld, waarin elke U16-gemeente de gemaakte prestatieafspraken en acties voor 2025 en 2026 naleeft. Dit uitvoeringsplan wordt iedere twee jaar gezamenlijk geëvalueerd. Over gemeenten, domeinen, organisaties en wetten heen samenwerken is een randvoorwaarde om het aantal (dreigend) dakloze mensen te verminderen. Dit geldt op ieder niveau; landelijk, regionaal binnen de U16 én lokaal binnen iedere eigen gemeenten; van beleid tot uitvoering. Een sterke samenwerking tussen de fysieke, sociale, medische en veiligheidsdomeinen is noodzakelijk. Maar ook binnen het sociaal domein zelf tussen jeugd, zorg, volksgezondheid, werk & inkomen en schuldhulpverlening. Door wijkgericht en integraal te werken, en binnen de U16 de ervaringen te delen en waar mogelijk samen op te trekken, kunnen we elkaars kennis en kracht versterken. De aanpak beschrijft de manier waarop we als U16-gemeenten dakloosheid in de regio gezamenlijk willen terugdringen. Als regio dragen we gezamenlijk de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat mensen in de maatschappelijke opvang van Utrecht terechtkomen.
Dit betekent niet dat we in de praktijk verwachten dat er in onze regio vanaf 2030 nooit meer iemand dakloos zal zijn. Een echt effectieve aanpak van dakloosheid vraagt om een duurzame lange termijnstrategie. Dit plan reikt qua visie dan ook verder dan één coalitieperiode namelijk tot en met 2030. Daarbij is het ook belangrijk om de huidige wooncrisis en de economische en politieke situatie te benoemen. Een gebrek aan betaalbare woningen en de stijgende woonlasten kan erin resulteren dat er juist meer mensen dakloos raken. Ook landelijke beleidsontwikkelingen (en de daarbij behorende financiën) en het gebrek aan personeel zijn hierop van invloed. Het is op dit moment lastig te bepalen hoe groot het effect van deze omstandigheden is op de ambities in dit plan.
1.7 Leeswijzer In hoofdstuk 2 lichten we toe waar we naar toe willen en in de hoofdstukken 3, 4 en 5 hoe we daar willen komen. In hoofdstuk 6 gaan we in op de financiering. Hoofdstuk 7 geeft inzicht in hoe we willen monitoren en sturen. 8
Tot slot: De regionale aanpak dakloosheid is gezamenlijk met de U16 gemeenten tot stand gebracht met nauwe betrokkenheid van zorg- en opvangorganisaties, woningcorporaties, belangenbehartigers en ervaringsdeskundigen.
2 Eerst een (t)huis Als een inwoner dakloos is, niet zelfredzaam en niet binnen eigen netwerk opgevangen kan worden, is opvang tot op heden ons antwoord op dakloosheid. Vanuit de opvang wordt ingezet op zorg. Relatief vaak stromen mensen door naar een doorstroomvoorziening of andere vorm van begeleid wonen. Als zorg, financiën en gedrag ‘op orde’ zijn, wordt besloten dat iemand klaar is om uit te stromen naar een zelfstandige woonplek met eventuele ondersteuning. Afhankelijk van de beschikbaarheid van een zelfstandige woonplek, vindt er vervolgens uitstroom plaats. Deze 'woonladder’ willen we in de toekomst zoveel mogelijk voorkomen. 2.1 Van maatschappelijke opvang naar voorkomen dakloosheid We verleggen de focus van opvang, naar wonen met, indien nodig, passende ondersteuning. Van dakloze mensen als cliënten maatschappelijke opvang’ naar mensen die in de basis in hun eigen omgeving een eigen woonplek nodig hebben. We zetten lokaal extra in op huisvesting en preventie, om te zorgen dat mensen niet dakloos raken, en wanneer dit niet af te wenden is richten we ons op zo snel mogelijk herhuisvesten binnen hun eigen omgeving, herstel van netwerk en waar nodig met passende zorg en ondersteuning vanuit de Housing First aanpak. Met corporaties en zorgorganisaties is in de U16 afgelopen jaren veel ervaring opgedaan met het succesvolle project Living Lab Eerst een Thuis.
De geleerde lessen implementeren we waar mogelijk. Daarnaast zorgen we er regionaal voor dat er opvangplekken beschikbaar zijn, zodat mensen in de tussenliggende (kortdurende) periode niet op straat hoeven te verblijven. Definitie Wonen Eerst; zoals omschreven in Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis Herstel, terugvalpreventie én het voorkomen van dakloosheid begint met stabiele huisvesting. Dat betekent dat de maatschappelijke opvang de komende jaren zoveel mogelijk wordt afgebouwd. Mensen moeten met zo min mogelijk tussenstappen een stabiele woonplek met ondersteuning kunnen krijgen. Definitie Housing First aanpak De Housing First aanpak gaat uit van een persoonsgericht benadering; keuze en eigen regie voor deelnemers. De laagdrempelige en herstelgerichte werkwijze die uitgaat van onvoorwaardelijke acceptatie en vertrouwen is wat de Housing First begeleiding succesvol maakt. Uit onderzoek10 blijkt dat inzet op Wonen Eerst, naast meer autonomie voor de inwoner, ook zorgt voor kostenbesparingen. Elke geïnvesteerde Euro in Wonen Eerst bespaart maatschappelijk op gebruik van medische zorg, veiligheid en het sociaal domein (Jeugd, Wmo, opvang, schuldhulp en uitkeringen).
2.2 Landelijke leidende principes en regionale algemene uitgangspunten Deze aanpak is gebaseerd op de landelijke leidende principes van het Nationaal Actieplan Dakloosheid: ➢ Dakloosheid voorkomen is altijd beter dan opvang of herhuisvesting
10
Maatschappelijke KBA brede aanpak dakloosheid (cebeon.nl)
9
➢ ➢ ➢ ➢ ➢
Huisvesting is een mensenrecht Respect voor keuze en eigen regie van mensen Scheiden van wonen en zorg Ondersteuning is gericht op herstel Ondersteuning is flexibel en op maat
In de beleidsvorming en concrete acties worden steeds deze leidende principes voor ogen gehouden. Naast deze landelijke principes, zijn voor deze aanpak nog een aantal regionale uitgangspunten geformuleerd. Ze gaan door alle thema's heen en geven richting en houvast. ➢ Prioriteit bij jongeren Ongeveer 25 % van het aantal dakloze mensen in de regio is jonger dan 27 jaar. Uit onderzoek blijkt dat dakloosheid onder jongeren vaak samenhangt met een verleden in de jeugdzorg11. Daarnaast blijkt dat de kans op herhaalde dakloosheid groter is voor iemand die al eens dakloos is geweest. Deze cirkel willen we doorbreken. In aansluiting op het manifest SamenThuis203012 gaan er als er keuzes gemaakt moeten worden, de jongeren voor. ➢ Inclusie en diversiteit De groep dakloze mensen is zeer divers. Vaak is aan de buitenkant niet zichtbaar dat er sprake is van (dreigende) dakloosheid. Positieve en eerlijke beeldvorming draagt bij aan het doorbreken van oude stigmatiseringen. En acceptatie dat mensen gewoonweg verschillend zijn, ‘het normaal’ lijkt steeds smaller te zijn geworden. Ondersteuning en begeleiding, zowel bij zelfstandig wonen als in de opvang, dient voor iedereen veilig en passend te zijn. Ongeacht iemands achtergrond, leeftijd, geslacht, beperking, geloofsovertuiging etniciteit of seksuele voorkeur.
➢ Ervaringskennis en belangenbehartiging zijn waardevol Belangenbehartiging is ondersteuning van gebruikers van zorg om hun rechten en behoeften onder de aandacht te brengen. In de regio Utrecht zijn een aantal organisaties actief op het gebied van belangenbehartiging voor dak- en thuisloze mensen, Beschermd Wonen en GGZ. Medezeggenschap is het wettelijk vastgelegd recht van gebruikers van zorg om advies te geven over het aanbod- en de kwaliteit van zorg. Bij zorgaanbieders is er een cliëntenraad in het kader van de Wet Medezeggenschap en binnen de gemeenten functioneren WMO-adviesraden. We werken gezamenlijk met de mensen die eigen ervaring hebben met dakloosheid. Juist met ervaringskennis kunnen professionals, en de samenleving als geheel, zich bewust worden van aannames over wat gebruikers van zorg nodig hebben, hun stigma en hun herstelmogelijkheden. Ervaringsdeskundigen bieden waardevolle inzichten en expertise bij het ontwikkelen van beleid, maar ook in de dagelijkse praktijk, bijvoorbeeld op straat of bij opvangvoorzieningen. Er is een gestructureerde aanpak voor de participatie van zorgvragers bij de ontwikkeling van zorgbeleid, zodat samengewerkt wordt om de best mogelijke zorg te krijgen. ➢
Harm Reduction
We erkennen de complexiteit van verslaving en de uitdagingen die daarmee gepaard gaan. Er zijn gewoonweg mensen die niet willen of kunnen stoppen met het gebruik van drugs en/of alcohol. Het is essentieel dat voor deze mensen een plek (huisvesting) beschikbaar is, die hun keuzevrijheid respecteert en die tegelijkertijd bijdraagt aan het verminderen van gezondheidsschade. Daarbij blijft de leefbaarheid en veiligheid in de samenleving gewaarborgd, iets wat wij als zeer belangrijk beschouwen. 11 12
Dak- en thuisloosheid onder jongeren (hetvergetenkind.nl) Manifesto_flyer print Backk 2600 DEF (samenthuis2030.nl)
10
2.3 Drie pijlers Onze regionale inzet wordt in deze beleidsnota uitgewerkt in drie pijlers: Pijler 1: Preventie
Pijler 2: Wonen
Pijler 3: Toegang (&opvang)
Lokale Basisset
Sturen op beschikbaarheid woonplekken
Inzicht in de opgave
Preventie & Vroegsignalering
Opbouwen tijdelijke (kleinschalige) woonvormen
Toegang tot de maatschappelijke opvang
Financiële bestaanszekerheid
Zorgdragen voor goed landen in de wijk
(specifieke aanpak en maatregelen op lokaal niveau)
Versterken uitvoeringspraktijk Big 5 op orde
11
3 Voorkomen van dakloosheid Preventie vraagt het beter faciliteren van de bestaanscondities – gezondheid, wonen, inkomen, activiteiten en relaties – en het toegankelijk maken van ondersteuning, zorg en rechtsbescherming. Dit vraagt van alle U16 gemeenten om inwoners zo goed als mogelijk in staat te stellen hun leven te blijven leiden in hun eigen woning. Om te zorgen voor voldoende huisvesting en (financiële) bestaanszekerheid. Met andere woorden, om de basis op orde te hebben. 3.1
Wat doen we al? Alle U16 gemeenten zetten vroegsignalering in bij schulden, geldzorgen en armoede en bieden schuldhulpverlening. Er zijn diverse vormen van gemeentelijke inkomensondersteuning en minimaregelingen. En er zijn maatwerk of uitzonderingsclausules met betrekking tot de 4-weken-zoektermijn voor jongeren tot 27 jaar. Voor mensen in een crisissituatie of (dreigend) dakloze mensen blijft in alle gemeenten, bij tijdelijk verblijf, de kostendelersnorm buiten toepassing. • In de gemeenten zijn vindplaatsen gevestigd in de wijk. Lokale teams bieden integrale ondersteuning op alle leefgebieden en toeleiding naar specialistische zorg. Er wordt gewerkt volgens het principe van 1 loket, 1 plan en 1 regisseur voor zowel jongeren als volwassenen. • (specialistische) Ambulante Wmo-begeleiding (maatwerk) is door alle gemeenten lokaal ingekocht. Alle gemeenten beschikken over vormen van outreachende aanpak en bemoeizorg, zoals de inzet FACT-teams voor mensen met ernstige psychiatrische problematiek. • Gemeenten en woningcorporaties (en sociale diensten vanuit Vroeg Erop af) hebben afspraken gemaakt om huisuitzetting zoveel mogelijk te voorkomen. • De gemeenten besteden op verschillende manieren aandacht aan goede en vindbare informatie (fysiek en digitaal) ten behoeve van inwoners en professionals.
Onafhankelijke cliëntondersteuning en sociaal juridisch advies zijn in alle gemeenten aanwezig. • In gemeenten zijn programma’s en pilots opgezet om de samenwerking tussen instanties, formele en informele zorg, welzijn en andere partijen in de wijk te versterken. Zorgaanbieders in de regio werken samen om (tijdelijke) onderbreking van zorg en ondersteuning zoveel mogelijk te voorkomen. Ook zetten gemeenten in op meer verbinding tussen het medisch en het sociaal domein (tevens onderdeel van het Integraal Zorg Akkoord). Voorbeelden hiervan zijn welzijn op recept en praktijkondersteuners (POH-)GGZ. • Verschillende instellingen bieden trainingen voor ervaringsdeskundigheid. Ook zijn er in alle Wmo-regio’s activiteiten van peersupport en herstelacademies, gericht op ontmoeting, persoonlijke ontwikkeling en scholing voor personen met psychische problematiek en/of verslaving. •
3.2
Wat gaan we doen?
Voorkomen dat mensen in de opvang terecht komen. Als regio dragen we gezamenlijk de verantwoordelijkheid om te voorkomen dat er vanaf 2030 geen mensen meer uit de regio in de maatschappelijke opvang in Utrecht terechtkomen. Dat is het doel van deze pijler. Dit betekent sturen op lokale preventieve elementen. Dit kan per gemeente verschillen. Monitoring is hiervoor essentieel. Data geeft ons inzicht in lokale oorzaken en leert ons op welke lokale onderdelen er nog aanscherping in beleid of uitvoering nodig is. 3.2.1 Lokale basisset Aanwezigheid van een sluitend aanbod aan lokale basis onderdelen, zoals regelingen rondom schulden, dagbesteding/werk en ambulante begeleiding voorkomen dat problemen van inwoners 12
dusdanig escaleren dat mensen dakloos raken. Daarnaast ondersteunt het mensen bij uitstroom naar zelfstandig wonen. De exacte inrichting kan per gemeente verschillen. Sommige onderdelen, zoals bijvoorbeeld schuldhulpverlening, werk en inkomen, kunnen op Wmo-regioniveau of arbeidsmarktregio worden georganiseerd. Deze actie is ook terug te vinden in het Regioplan BW U16 en wordt integraal opgepakt. 3.2.2 Preventie & Vroegsignalering Bij dreigende dakloosheid voelt iedere organisatie de urgentie om alarm te slaan en vanuit de samenwerking bij te dragen aan een oplossing. Met als doel dat er niemand meer dakloos wordt, als er een partner (gemeente, zorgorganisatie, woningbouw of sociale dienst) betrokken is. Concreet gaan we met de volgende acties aan de slag: • • • • • • •
Versterken de aanpak voorkomen huisuitzettingen Doorontwikkelen gebiedsgericht werken Doorontwikkelen samenwerking zorgprofessionals en partners welzijn. Versterken inzet ervaringsdeskundigheid Implementatie/Doorontwikkeling Digicontact Versterken/behoud van netwerk Inzet jongerenconsulent
3.2.3 Financiële bestaanszekerheid Mensen die dak- of thuisloos zijn bevinden zich in een uiterst complexe situatie, waarin het regelen van de meest basale zaken een grote opgave is. Alles hangt met alles samen; geen briefadres betekent geen uitkering, geen zorgverzekering, geen DigiD aan kunnen vragen, en daardoor geen inzage in schulden. We zetten erop in dat er vanaf 2026 in alle U16 gemeenten geen mensen meer dakloos raken door vermijdbare financiële oorzaken. Concreet gaan we met de volgende acties aan de slag: • Implementatie aanbevelingen ‘Versterken uitvoering aanpak dakloosheid' • Sturing op snelheid en continuïteit van (financiële) maatwerkbudget 3.2.4 Versterken van de uitvoeringspraktijk Dakloosheid kan worden voorkomen door belemmerende regels, procedures en uitvoeringspraktijken zoveel mogelijk uit de weg te ruimen. Denk hierbij aan onnodige bureaucratie of te ingewikkelde procedures of gebrekkige samenwerking tussen instanties in de wijk. We zetten in op een integrale ondersteuning van inwoners op het gebied van wonen, werk & inkomen, zorg, jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning en maken mogelijk wat nodig is13. Concreet gaan we met de volgende acties aan de slag: • Implementatie aanbevelingen evaluatie Living Lab. • Sturen op continuïteit van ondersteuning.
• Ervaringskennis in de gehele beleidscyclus • Opzetten van structurele dialoogtafel 3.2.5 Big 5 op orde Om zelfstandig te worden hebben jongeren een stevige basis nodig op vijf leefdomeinen, ook wel de Big 514 genoemd. Deze leefdomeinen betreft support, wonen, school en werk, inkomen en welzijn. De zorg voor jongeren onder de 18 jaar wordt gefinancierd via de Jeugdwet. Met de verlengde jeugdhulp 13 14
Transitiecommissie Sociaal Domein Jongeren ondersteunen bij hun Big 5 | Nederlands Jeugdinstituut (nji.nl)
13
en de mogelijkheid de Wmo al vanaf 17 jaar in te zetten wordt er in ieder geval een financiële oplossing geboden voor ondersteuning bij een soepele overgang richting volwassenheid. In praktijk blijkt echter dat jongeren op hun 18e vooral zelf hun eigen weg willen vinden. En dit mogen ze op deze leeftijd wettelijk gezien ook. Als regio willen we deze wens naar zelfstandigheid zoveel als mogelijk faciliteren. Daarvoor is het wel belangrijk dat, voor de beëindiging van de ondersteuning vanuit de jeugdzorg, de Big 5 in ieder geval op orde is. Deze voorwaarde is essentieel om ervoor te zorgen dat jongeren de duurzame overgang kunnen maken naar zelfstandig wonen.
14
4 Wonen De overheid moet zorgen voor huisvesting15. Een deel van onze inwoners is aangewezen op het huisvestingsaanbod in het sociale segment. Binnen de context van het woning schaarste is het voor iedere gemeente een uitdaging om de huisvesting van de verschillende aandachtsgroepen ‘in balans’ te houden. De ambulantisering in de zorg (scheiden van wonen & zorg) maakt dat steeds minder mensen in een intramurale woonvoorziening verblijven. De huisvestingsopgave is dan ook veel groter en breder dan de doelgroep van dakloze mensen. Het gaat ook om mensen die uitstromen uit bijvoorbeeld Beschermd Wonen en Jeugdzorg en ouderen die steeds langer zelfstandig thuis blijven wonen. Ook is er een forse opgave in het huisvesten van statushouders, woonwagenbewoners, studenten en arbeidsmigranten. De U16 gemeenten werken hard aan het realiseren van nieuwe woningen en benoemen dit in de Woondeal U10 2022-2030 als topprioriteit16. Diversiteit aan betaalbare (on)zelfstandige woonplekken Ondanks al deze inspanningen is één van de grootste knelpunten voor mensen die geen eigen woonplek hebben, het tekort aan (on) zelfstandige woonplekken. Steeds meer mensen met enkel een woonprobleem (de zogenoemde economisch dakloze mensen) melden zich bij de maatschappelijke opvang. Mensen die dakloos zijn, blijven langer dakloos.
En in praktijk blijkt dat de mensen met enkel een woonprobleem, door het gebrek aan bestaanszekerheid, psychische problematiek ontwikkelen. Uit de evaluatie van Living Lab Eerst een Thuis blijkt dat diversiteit in woonaanbod noodzakelijk is. Voor de één is een zelfstandige woning in de wijk passend, terwijl iemand anders beter gedijt in een gemengde woonvorm. Contigentwoningen Er zijn regionale afspraken rondom contigentwoningen. Dit zijn sociale huurwoningen, speciaal gereserveerd voor mensen die uitstromen uit Beschermd Wonen en Maatschappelijke opvang. Door de enorme druk op de woningmarkt blijkt in praktijk dat de afgesproken aantallen niet worden gehaald. Recent heeft de provincie Utrecht opdracht gegeven aan bureau Companen om een woonzorgbehoefteanalyse uit te voeren. De cijfers uit het rapport zijn de basis voor verdere afspraken tussen gemeenten over de verdeling van de contingenten, beoogd wordt om deze ‘fair share’ afspraken in de tweede helft van 2024 in U10 verband vast te leggen. (beter) Benutten bestaande voorraad Er is inzet nodig op het toevoegen van woonplekken. Iedere gemeente heeft hierin lokaal iets te doen, bijvoorbeeld door aanpassingen in de lokale huisvestingsverordening.
Zo heeft de gemeente Nieuwegein het versoepelen van de regels rondom woningdelen en het stimuleren van ‘friendscontracten’ (een gezamenlijk huurcontract) opgenomen in haar Omgevingsprogramma Wonen. De gemeente Utrecht heeft in haar lokale woonvisie de ambitie opgenomen dat “in 2022 alle urgente kwetsbare cliënten binnen drie maanden een passende woonruimte met passende ondersteuning aangeboden krijgen”17 Naast nieuwbouw worden woonoplossingen ook gezocht in het beter benutten van de bestaande woningvoorraad (bijvoorbeeld via hospitaverhuur, onder de pannen en kamers met aandacht), flexwonen en tijdelijk wonen. Investeren in betaalbare woonplekken draagt bij aan het voorkomen van instroom en het verhogen van uitstroom. Het verhogen van de uitstroom zorgt ervoor dat er weer ruimte ontstaat in de opvang, maar bovenal dat de mensen zelfstandig hun leven vorm kunnen geven.
Artikel 22, lid 2 van de Nederlandse Grondwet. De 16 gemeenten sturen op realisatie van ruim 61 duizend nieuwe woningen in de periode 2022 tot en met 2030 (bron: Woondeal U 10 2022-2030); 17 Bron: Woonvisie ‘Utrecht beter in balans’ (Gemeente Utrecht, 2019); 15 16
15
4.1
4.2
Wat doen we al? Alle gemeenten in de U16 beschikken over een urgentieverordening, waarin is vastgelegd aan welke aandachtsgroepen voorrang krijgen bij het toewijzen van woonruimte. Bij de huisvesting van kwetsbare doelgroepen wordt gebruik gemaakt van verschillende woonconcepten, zoals gemengde woonvormen, geclusterd en gespikkeld wonen, Skaeve Huse en kleinschalige BW-voorzieningen. Een analyse van de woon- en zorgbehoefte van aandachtsgroepen vormt onderdeel van de ontwikkeling van lokale en regionale integrale woonzorgvisies. In gemeenten zijn er diverse initiatieven die verhuur van particuliere woonruimte aan (dreigend) daklozen bevorderen (bijvoorbeeld Onder de Pannen, Kamers met Aandacht). Waar gaan we nog mee aan de slag?
4.2.1 Sturen op beschikbaarheid woonplekken Iedere gemeente zet zich lokaal in om extra woonplekken te realiseren. Dit wordt gedaan in de vorm van beter benutten van bestaande voorraad, het realiseren van flexwoningen en transformatie van gebouwen. Concrete acties: • Gezamenlijke U16 koers in iedere lokale woon(zorg)visie ter bestrijding van dakloosheid; • Het stimuleren en faciliteren van creatieve woonoplossingen; • Uitbreiden verdere inzet Kamers met Aandacht en/of Onder de Pannen; • Strakkere sturing op inzet en realisatie van contigentwoningen en herijking fair share afspraken. 4.2.2 Opbouwen lokale tijdelijke (kleinschalige) woonvormen Gemeenten binnen de U16 zijn momenteel bezig met het ontwikkelen van meer lokale tijdelijke woonmogelijkheden voor economisch dakloze mensen en mensen met een lichte ondersteuningsbehoefte. Hierdoor glijden mensen onnodig verder af en belanden in de maatschappelijke opvang. Lokale voorzieningen kunnen mensen op bepaalde momenten in hun leven nét die ondersteuning bieden waarmee zij zelf de draad weer op kunnen pakken. Ook het ondersteunen van het netwerk rond een (dreigend) dakloze mensen draagt bij aan het voorkomen van dakloosheid.
Concrete acties: • Woonvormen voor bijzondere doelgroepen • Realisatie van tijdelijke woonplekken 4.2.3 Goed landen in de wijk Juist voor mensen die vanuit een situatie van dakloosheid of verblijf in een instelling terugkeren naar een eigen woning is het belangrijk dat ze, waar nodig, goed worden ondersteund. Het onderzoek naar herhaalde dakloosheid onder U16 dakloze mensen18 biedt belangrijke aanknopingspunten. ‘Op de lange termijn zijn de continuïteit van het huurcontract en een proactieve en lange adem van zorg-, begeleiding en welzijnswerk, ook vanwege de vertrouwensband, cruciaal’, stellen de onderzoekers. Ook de aanbevelingen in de evaluatie Living lab dragen bij aan een betere landing in de wijk. Concrete acties: • Implementeren aanknopingspunten onderzoek herhaalde dakloosheid. • Implementeren de aanbevelingen evaluatie Living Lab.
18
Longitudinaal onderzoek: Voorkomen herhaalde dakloosheid Utrecht - openresearch.amsterdam
16
5 Toegang & Opvang Maatschappelijke opvang biedt tijdelijk onderdak en ondersteuning aan mensen in een kwetsbare positie die door een samenloop van problemen niet zelf een oplossing kunnen vinden. Het gaat om mensen die niet in staat zijn op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van anderen in hun sociale netwerk, zich staande te houden in de samenleving. De gemeente Utrecht organiseert als centrumgemeente voor de U16 de opvang voor dakloze mensen op grond van de Wmo19. Op basis van de visie op de daklozenopvang is afgelopen jaren stevig geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering van de opvang. Alle locaties bieden 24-uurs opvang. In totaal zijn er 13 opvanglocaties met in totaal circa 360 plekken. 5.1 Actieprogramma ‘Utrecht onderdak’ Op basis van de autonome groei van dakloosheid, het tekort aan woonruimten, krapte in budget en ruimte en de wijze waarop de huidige opvang is georganiseerd, kon er zonder aanpassingen in de huidige inhoudelijke en financiële kaders niet meer aan de wettelijke taken voldaan worden. In 2023 en in 2024 is de druk op Utrechtse noodopvangvoorzieningen dusdanig toegenomen, dat besloten is om de capaciteit in de maatschappelijke opvang tijdelijk op te schalen. De beleidsnota Utrecht Onderdak20 richt zich op de doorontwikkeling van de brede(re) opvangopgave, waarin de brede groep van mensen die gebruik maken van opvangvoorzieningen is meegenomen.
Dit betreft naast de zogenoemde reguliere Wmo-rechthebbenden ook dakloze EU-(arbeids)migranten en ongedocumenteerde mensen. Voor dakloze mensen die geen recht hebben op Wmo-voorzieningen en maatschappelijke opvang voorziet Utrecht in tenminste de humanitaire basisbehoeften zoals medische zorg, toeleiding naar hulp, repatriëring en in bepaalde situaties opvang. Hoewel een opschaling op gespannen voet staat met de gewenste afbouw van maatschappelijke opvang, is deze op korte termijn nodig om de druk op de maatschappelijke opvang terug te dringen. Vanuit Utrecht onderdak wordt daarnaast ingezet op: • Duidelijke en aangescherpte toegangscriteria op basis van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015. • Passende zorg gefinancierd uit een passend financieel kader. De ondersteuning voor mensen met Wmo- of Wlz-beschikking die in de opvang verblijven wordt gefinancierd uit bijbehorende wettelijk kader. • Efficiënte organisatie van de opvang, met het bewaken van ondergrens. Inzetten op meerpersoonskamers waar mogelijk en passend. Rekening houdend met privacy en veiligheid, waardoor mensen zich veilig en gerespecteerd voelen. • Doorstroom versnellen; sturen op voorwaardenaanpak, trajectbegeleiding, werken aan activering, toeleiden naar werk en inzet op toekomstperspectief.
• Uitstroom versnellen; met het uitgangspunt dat mensen bij voorkeur zo snel mogelijk op een vaste plek hun leven weer op kunnen pakken.
5.2 Lokaal wat lokaal kan, regionaal wat meerwaarde heeft In deze voorliggende beleidsnota wordt de lokale aanpak beschreven, op welke manier iedere U16 gemeente lokaal dakloosheid zoveel als mogelijk kan voorkomen. Door preventie, lokale voorliggende voorzieningen en door het realiseren van voldoende woonplekken werken we binnen de regio gezamenlijk aan het verminderen van dakloosheid. We werken vanuit het uitgangspunt lokaal wat kan, regionaal wat meerwaarde heeft. Met als einddoel dat we in de toekomst opvangvoorzieningen af kunnen bouwen. 19 wetten.nl - Regeling - Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 - BWBR0035362 20
Beleidsnota Utrecht Onderdak 2024
17
5.3
Waar gaan we mee aan de slag?
5.3.1 Inzicht in de opgave Het CBS publiceert jaarlijks een schatting van de omvang van de populatie feitelijk dakloze mensen in Nederland. In 2021 werd het aantal dakloze mensen geschat op 31.000. De gehanteerde CBS definitie is beperkt, waardoor de schatting aan de lage kant is. In het Nationaal Actieplan Dakloosheid is daarom aangesloten bij de ETHOS Light definitie. In onderstaande tabel zijn de verschillende categorieën volgens deze definitie opgenomen. Definitie CBS telling
ETHOS Light categorieën ETHOS Light
Mensen die leven in de openbare ruimte Mensen die verblijven in nood- of nachtopvang Mensen die verblijven in tijdelijke opvang Mensen die in een instelling wonen en klaar zijn om uit te stromen naar zelfstandig wonen. Mensen die verblijven op niet-conventionele plekken (zoals een auto) Mensen die tijdelijk verblijven bij vrienden of familie Mensen bij wie huisuitzetting dreigt
(geen deel CBS telling)
Met de ETHOS-telling worden op één moment alle mensen tegelijk geteld die voldoen aan de brede definitie van dak- en thuisloosheid. Concrete actie: • ETHOS-telling U16. 5.3.2 Toegang maatschappelijke opvang Opvang is geen verblijfsvoorziening voor mensen met enkel een huisvestingsvraag en/of lichte ondersteuningsvraag, voor mensen voor wie geen passende plek is in het zorglandschap of crisisopvang voor mensen die uit instellingen zijn gezet. Het aanbod van plekken binnen de maatschappelijke opvang is bedoeld voor kwetsbare mensen met een complexe zorgvraag en/of geschiedenis van herhaalde dakloosheid, zoals geformuleerd in de Wet WMO2015. Naast het feit dat we ernaar streven om mensen een passende plek te bieden, kunnen we gezien de schaarste aan plekken, niet anders dan strakker sturen op de toegang. Hierbij zijn de afspraken voor landelijke toegankelijkheid voor de maatschappelijke opvang en lokale afspraken rondom flexibele plekken leidend. Concrete acties: • Helder toegangsproces maatschappelijke opvang; • Duidelijke toegangscriteria maatschappelijke opvang; • Efficiënte organisatie opvang; • Extra inzet op versnellen duurzame doorstroom en uitstroom; • Onderzoeken op welke manier we EU-arbeidsmigranten in de regio lokaal ondersteunen; • Sturen op passend zorglandschap dat aansluit bij veranderende vraag
18
6 Financien Voor de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid ontvangt iedere centrumgemeente vanaf 2024 structurele middelen via de decentralisatie uitkering Nationaal Actieplan Dakloosheid. Voor Centrumgemeente Utrecht betreft dit 3,694 miljoen euro per jaar. Deze middelen zijn bedoeld om regionaal uitvoering te geven aan de beweging naar preventie en Wonen Eerst. Lokaal basisaanbod Het uitgangspunt is dat iedere gemeente financieel verantwoordelijk is specifiek voor deze doelgroep voor het eigen lokale basisaanbod, aansluitend op wat er nodig is. Wel maken we met elkaar afspraken over waar iedere lokale gemeente minimaal aan dient te voldoen en monitoren we de voortgang. De afspraken voor het eigen basisaanbod, binnen iedere U16 gemeente lokaal, worden in aansluiting op deze beleidsnota, in 2025 vastgelegd in prestatieafspraken. Afwegingskader De extra middelen zijn inzetbaar voor het realiseren van projecten die uitvoering geven aan doelen en acties of voorzien in randvoorwaarden, zoals opgenomen in deze nota. Dit kan voor iedere gemeente anders zijn. Uitgangspunt is dat het project niet uit andere middelen gefinancierd kan worden. Om te beoordelen of projecten in aanmerking komen voor financiering wordt een inhoudelijk en financieel afwegingskader gehanteerd.
Er wordt gekeken naar de beoogde maatschappelijke impact ter voorkomen van dakloosheid en het eventuele spin-off effect van een project en hoe zich dit verhoudt tot de investering. Het afwegingskader is opgenomen in bijlage 2. Verdeling middelen Tien procent van het jaarlijks beschikbare bedrag wordt gereserveerd als algemeen gezamenlijk budget. Daarnaast zijn er een aantal regionale projecten (o.a. Ethos telling) waar een regionaal budget voor is vrijgemaakt. De resterende middelen worden verdeeld onder de U16 gemeenten. Niet iedere U16 gemeente is even groot en/of heeft gelijke problematiek. Verdeling van de middelen vindt jaarlijks dan ook plaats naar inwonersaantal. De exacte verdeling van de middelen is opgenomen in bijlage 2. Uitgaven ten behoeve van woonprojecten zijn over het algemeen niet goed planbaar. Derhalve kan het voorkomen dat er in een jaar afgeweken wordt van deze evenredige verdeling. Uitgangspunt is echter dat dit dan binnen een redelijk tijdsbestek weer wordt rechtgetrokken, waardoor we over de jaren heen binnen de financiële kaders blijven. Het staat lokale gemeenten vrij om binnen dit budget met projecten te schuiven, mits de projecten voldoen aan de vastgestelde kaders. Proces besluitvorming inzet middelen Centrumgemeente Utrecht beheert de middelen.
De jaarlijkse begroting van deze middelen wordt, in aansluiting op het proces van Beschermd Wonen, afgestemd met de regiogemeenten. Dit gebeurt in het Regionaal Bestuurlijk Overleg (RBO) in de maand november vooraf aan het begrotingsjaar. De U16-gemeenten hebben een begroting opgesteld en prioriteiten vastgesteld voor 2024, waarbij rekening is gehouden met projecten die doorlopen in 2025. Het is van belang dat we voorafgaand aan de besluitvorming samen de ingediende projecten bekijken en beoordelen op basis van het afwegingskader. De goedkeuring van de middelen vindt plaats in het RBO. Halverwege 2025 zullen we opnieuw evalueren of de huidige projecten zijn afgerond of dat er behoefte is aan verlenging, aangezien de financiering beschikbaar is tot 2030. Daarnaast kan het voorkomen dat nieuwe prioriteiten de bestaande projecten vervangen.
19
Financiën (in €'000) 2025
2026
2027
2028
7.388
3.694
3.694
3.694
Structureel jaar bedrag 3.694
7.388
3.694
3.694
3.694
3.694
7.388
3.694
3.694
3.694
3.694
Bijdragen van derden (C)
0
0
0
0
0
Nog niet gedekte kosten (A-B-C) 1
0
0
0
0
0
Totaal benodigd budget (A) Reeds in begroting gedekt Programma Passende ondersteuning en opvang, doelstelling 24-uurs begeleiding Reeds in begroting gedekt (B)
Toelichting op de tabel: De aard van de inzet kan ertoe leiden dat de middelen niet gelijkmatig over de jaren worden ingezet, waarbij het totaalbudget voor de periode van deze beleidsnota kaderstellend is. Indien de kosten in een zeker jaar niet aansluiten op de begroting in dat jaar, dan zal er op de daarvoor bestemde momenten (bestuursrapportage/voorjaarsnota) een voorstel gedaan worden voor een aangepaste verdeling van het budget over de jaren.
20
7 Monitoring & Sturing Deze beleidsnota schetst de kaders en uitgangspunten met de horizon in 2030 op het niveau van de regio U16. Iedere twee jaar wordt er een uitvoeringsprogramma opgesteld waarin de concrete acties worden geprioriteerd. Inzicht in de voortgang kan alleen als we met elkaar een aantal kernwaarden afspreken; waar we de voortgang gezamenlijk op kunnen monitoren. In het uitvoeringsprogramma worden concrete prestatieafspraken met bijbehorende indicatoren opgesteld. Er wordt opgenomen wanneer er waaraan voldaan moet zijn, op welke manier er bijgestuurd kan worden en op welke manier ermee omgegaan wordt als aan afspraken niet wordt voldaan. 7.1 Landelijk monitoring Op landelijke niveau wordt er op verschillende wijzen gemonitord op dakloosheid. Als regio dragen we hieraan bij door waar nodig informatie aan te leveren. Het gaat om de volgende onderzoeken: •
• •
De CBS-schatting van dakloosheid. Geeft inzicht op basis van de landelijke registers en maakt een schatting van de personen die niet in de registers voorkomen. Deze schatting richt zich op de ETHOS categorieën CBS telling + ETHOS Light. De monitor Dakloosheid. Dit is een onderzoek op basis van de registraties bij de gemeenten en opvangorganisaties in de opvang. De monitor richt zich op de ETHOS categorieën 2 en 3. Het Dashboard Nationaal Actieplan Dakloosheid (procesmonitor). Dit is een landelijk dashboard. Met de indicatoren in het dashboard wordt de voortgang van de uitvoering van de ambitie en actielijnen van het Nationaal Actieplan Dakloosheid gemonitord. Als regio sluiten we bij het landelijke dashboard21 aan.
7.2 Regionaal dashboard In onderstaande tabel staan een aantal indicatoren waarop gedurende de periode waarop dit plan betrekking heeft (2024-2030) per gemeente wordt gemonitord. De voortgang landt in de jaarrapportage. De indicatoren geven inzicht op hoe de beweging gaat en waar eventueel nog aanpassingen nodig zijn. Het overzicht is echter nog niet compleet. Om gezamenlijk goed te kunnen sturen, is er inzicht nodig in meer indicatoren. Indicatoren Aantal dakloze mensen per Ethos categorie Aantal unieke mensen in de opvang per gemeente Jaarlijkse instroom per gemeente (gemeente van herkomst); per leeftijdscategorie Jaarlijkse uitstroom per gemeente Aantal afgesproken contigentwoningen Aantal geleverde contigentwoningen Aantal tijdelijke lokale woonplekken Cliëntervaringen via Ervaringswijzer Concrete acties: • •
21
Doorontwikkeling dashboard dakloze mensen. Opstellen regionale prestatieafspraken.
Zie: ‘Het dashboard van het Nationaal Actieplan Dakloosheid’;
21
7.3 Regionale besluitvorming Sturing, monitoring en verantwoording op de uitvoering van de regionale aanpak dakloosheid vindt in regionale afstemming plaats binnen de governance MOBW U16.
22
7.4
Risico's
Risico-omschrijving
Toelichting
Maatregelen
Randvoorwaarden/ andere partners Het lukt niet om voldoende woonplekken te realiseren.
Er zijn onvoldoende woonplekken beschikbaar, waardoor mensen vanger in de opvang moeten verblijven dan noodzakelijk en dit staat herstel in de weg. Ook zien we dat meer mensen een beroep doen op de opvang door het gebrek aan zelfstandige woonplekken.
Met het landelijke programma ‘Een thuis voor iedereen’ wordt ingezet op huisvesting van aandachtsgroepen. Dakloze jongeren en volwassenen vormen één van de aandachtsgroepen. Binnen de U10 wordt gewerkt aan regie op volkshuisvesting, zodat partners in de regio sociale huurwoningen toevoegen in het segment juist voor deze doelgroep.
Landelijke beleidsmatige keuzes om instroom te beperken worden niet (volledig) uitgevoerd. Bv. In relatie tot de kostendelersnorm, percentage woningen die aan urgenten worden geleverd, bijstandsnorm jongeren. Maar ook financiële beperkingen op gebied van asiel en migratie. En bijvoorbeeld de (checklist) EU-rechtentool, waardoor meer mensen Wmo gerechtigd zijn, zonder financiële compensatie van het Rijk.
Mensen worden onvolledig (financieel) in staat gesteld om zelfstandig te kunnen wonen. Er blijft een grote druk op dezelfde schaarste aan voorzieningen.
Met de landelijke aanpak geldzorgen, Armoede en Schulden en Participatiewet n balans (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) wordt ingezet op het verstevigen van de bestaanszekerheid van mensen. Regionaal wordt gewerkt vanuit zowel beleid Beschermd Wonen, als vanuit dit beleidskader om lokaal onze inwoners te ondersteunen in bestaanszekerheid. Zowel vanuit de G4 als met en vanuit de VNG blijven we sterk inzetten op een lobby richting Rijk op gebied van beleid en financiën.
Het rijk blijft extramuraliseren, waardoor meer kwetsbare mensen zelfstandig in de wijk blijven wonen. Dit vergroot de druk op het sociaal domein.
Er is meer inzet nodig vanuit preventie om mensen te ondersteunen om zelfstandig te blijven wonen.
23
Lokale inzet op een sterke sociale basis, voldoende passend lokaal aanbod ambulante ondersteuning en 24 uur bereik en beschikbaarheid.
Inhoudelijke ontwikkelingen Het lukt onvoldoende om passende zorg lokaal te organiseren.
De inzet op preventie van dakloosheid wordt hierdoor nog niet waargemaakt.
Door het realiseren van voorzieningen in de regio, kan de bereikbaarheid van lokale ambulante ondersteuning worden versterkt.
Als mensen langer in de opvang verblijven, wordt het werken aan (sneller) herstel en perspectief bemoeilijkt.
We zien dat herstel moeilijker wordt, langer duurt en meer zorg vraagt (tegen hogere kosten). De cliënt in de opvang wordt ‘zwaarder’.
Door extra in te zetten op preventie, is de ambitie om juist te voorkomen dat mensen dakloos raken. We zetten zo goed mogelijk in op de passende lokale ondersteuning.
Om meer preventief te werken en de beweging naar voren te maken, zijn middelen nodig om dit mogelijk te maken.
We blijven met het Rijk in gesprek over de financiële druk en blijven vanuit de VNG een gezamenlijke Lobby voeren.
Financiën Er is grote financiële druk op het gehele sociale domein, specifiek op de Wmo.
Het is onduidelijk hoeveel structurele Rijksmiddelen centrumgemeenten ontvangen voor de uitvoering van het landelijk actieplan dakloosheid Eerst een thuis na 2030. Governance / regionale afspraken Het lukt niet dat er in 2030 niemand uit de regio meer gebruik maakt van de Maatschappelijke Opvangplekken in Utrecht.
Gezamenlijke regionale afspraken zijn noodzakelijk om lokaal passende ondersteuning en voldoende woonplekken te organiseren.
24
Er worden in 2025 concrete prestatieafspraken opgesteld.
8 Bijlagen Bijlage 1: Procesplaat Regionale Aanpak Dakloosheid U16 Bijlage 2: Inhoudelijk en financieel afwegingskader Bijlage 3: Afwegingskader inzet van de middelen
25
Bijlage 1: Procesplaat Regionale Aanpak Dakloosheid U16
26
Bijlage 2: Verdeling budget en inhoudelijk en financieel afwegingskader
Verdeelmodel budget PvA Dakloosheid Beschikbaar budget Wat hebben we al gekregen / besteed reeds besteed 2022-2023 over uit voorgaande jaren 2022 - 2023 Budget periode 2022 - 2023
€ 2.607.000 € 4.957.000 € 7.564.000
Welk budget krijgen we nog jaarlijks budget aantal jaren 2024-2030 Budget periode 2024 - 2030
€ 3.693.552 7 € 25.854.864
Totaal budget periode 2022 - 2030
€ 33.418.864
Verwachte kosten U16 coordinatie Reservering budget voor onvoorzien
€ 1.524.000 € 2.585.486
Beschikbaar om uit te geven in de regio's 2022-2030
€ 29.309.378
jaar
10%
100,00% Verwacht inzet regio U16 in periode 2024 - 2030 Reservering buffer (% budget 2024 - 2030) Beschikbaar voor inzet periode 2022 - 2030 Reeds besteed in 2022 - 2023
€ 1.524.000 € 2.585.486 € 29.309.378 € 2.607.000
Beschikbaar voor regio's in periode 2024 - 2030
€ 24.116.891
U16 € €
€ €
37,20% Utrecht
1.524.000 2.585.486
19,40% 22,90% 20,50% Utrecht West Lekstroom Zuid Oost Utrecht totaal € 1.524.000
€ €
10.903.088 € 2.597.000
5.686.019 €
6.711.847 € €
6.008.422 € 10.000 €
29.309.378 2.607.000
1.524.000 € 4.109.486 €
8.306.088 € 8.306.088 €
5.686.019 € 5.686.019 €
6.711.847 € 6.711.847 €
5.998.422 € 5.998.422 €
26.702.378 30.811.864
27
Bijlage 3: Afwegingskader inzet van de middelen Met dit afwegingskader willen we het beschikbare budget voor het plan van aanpak dakloosheid zo optimaal mogelijk inzetten. Bij nieuwe initiatieven en projecten houden we daarom rekening met de volgende criteria: Inhoudelijk 1. Met het project wordt voldoende impact bereikt: a. Er is maatschappelijk effect. b. Er worden meerdere inwoners bereikt. c. Er is mogelijk spin-off op andere domeinen. Financieel 2. Project moet niet bekostigd kunnen worden uit andere middelen. a. Gedeeltelijke financiering uit andere middelen is wel mogelijk. b. Project kan geen onderdeel zijn van reguliere lokale taken. Verdeling over regio 3. We beogen een zo goed mogelijke verdeling van het budget over de vier regio’s over de jaren heen. a. We houden een deel beschikbaar voor de U16 als geheel en verdelen de rest naar inwoneraantal. b. We kijken hierbij niet naar een jaar maar naar de duur van het programma 2022-2030.
28