CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting (1).pdf

Raadscommissie Fysieke Leefomgeving (FL) 6 mei 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 8: TAM-omgevingsplan Varsseveld, locatie Hoek Spoorstraat-Aaltenseweg18.604 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

28 alinea's met “omgevingsplan”: 1 21 26 30 63 81 111 112 130 142 145 146 164 199 204 205 207 228 229 308 312 318 320 323 324 327 328 329

Beoordeling initiatief Op basis van de klimaatatlas gemeente Oude IJsselstreek is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen op de planlocatie als gevolg van klimaatverandering. • Wateroverlast Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van plasvorming met een grote waterdiepte na korte extreem hevige buien of bij langdurige extreme regen. Deze plassen blijven vervolgens meerdere dagen op het maaiveld staan. Dit heeft alles te maken met de verlaagde ligging van het perceel ten opzichte van omliggend gebied, waardoor als het ware sprake is van een kom waarin het regenwater loopt en blijft staan. In de beoogde situatie wordt het perceel daarom opgehoogd en voorzien van een wadi als waterbuffer en retentievoorziening. Wateroverlast richting belendende percelen wordt daarbij tot een minimum beperkt (zie ook paragraaf 4.9). Tijdens een korte extreem hevige bui van 160mm regenval in 2uur is de parallelweg van de Aaltenseweg onbegaanbaar. De Aaltenseweg zelf en de Spoorstraat zijn daarbij wel begaanbaar voor calamiteitenverkeer. Bij een lange extreme bui zijn alle omliggende wegen gewoon begaanbaar. • Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur op de planlocatie nu koeler is dan ter plaatse van omliggende bebouwing.

Na realisatie van de woningen zal de temperatuur logischerwijs op een min of meer vergelijkbaar niveau met het omliggende bebouwde gebied. Ten opzichte van dit omliggende gebied is echter sprake van minder vergaande verdichting met bebouwing op de planlocatie. Bovendien zal het hier voorziene groen zorgen voor minder hittestress dan in het omliggende gebied. Het stedelijk-hitte-eiland-effect is hier minder groot dan in andere delen van de bebouwde kom van Varsseveld. Voor de beoogde woningen geldt dat deze goed geïsoleerd worden conform de huidige normen. Daarmee zijn de woningen ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. • Droogte De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 weinig verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft op de 27

•

planlocatie sprake van lagere grondwaterstanden en van beperkte droogtegevoeligheid. Door het voornemen om het hemelwater binnen de planlocatie te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater langer in het gebied zelf aanwezig. De planlocatie ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. Overstroming De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er geen dijken en watergangen in nabijheid van de planlocatie liggen. Daarbij vormt overstroming geen risico voor de planlocatie.

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico’s door klimaatverandering. Ter voorkoming van wateroverlast en tegengaan van droogte worden specifieke maatregelen getroffen in de vorm van ophoging van het terrein en het realiseren van een wadi. Voor het overige hoeven geen specifieke maatregelen te worden getroffen. 3.4.8 Welstand Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, waarin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld. Beoordeling initiatief Voor planlocatie geldt welstandsniveau 3. Het welstandsbeleid richt zich hierbij op het handhaven van de basiskwaliteit van het gebied. Bij de welstandstoets wordt vooral bekeken of het bouwplan zijn omgeving niet verstoort. Daarvan is bij voorliggende initiatief geen sprake. Bouwmassa en vorm sluiten aan bij die van de omgeving en zorgen eerder voor versterking dan voor verstoring van de basiskwaliteit van het gebied. Zie ook het in bijlage 2 opgenomen beeldkwaliteitsplan.

28

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Beoordeling initiatief In verband met de woningbouwontwikkeling is door Montferland Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde bodemonderzoeksrapport d.d. 21 juli 2023 (zie bijlage 4) kan het volgende worden opgemaakt: • Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Hierbij zijn geen indicaties waargenomen die hierop duiden. • In zowel de boven- als ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. • Het grondwater is licht verontreinigd met barium en tetrachlooretheen en plaatselijk matig verontreinigd met kobalt en sterk met nikkel. • De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden verworpen.

• Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen directe risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. • Ook bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in de nabije toekomst zullen, met het huidige beleid en de huidige normen, de aangetoonde verontreinigingen geen bezwaar vormen. • Het is echter wel aan te raden geen grondwater op te pompen. Tevens dienen (toekomstige) eigenaren en gebruikers geïnformeerd te worden over de onderhavige situatie. In verband met de gemeten nikkelgehalten in het grondwater is het aan te bevelen om aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden te verbinden: • Wanneer tijdens planrealisatie grondwater wordt onttrokken (bemaling) en wordt geloosd, moet vooraf toestemming zijn gegeven door het betreffende bevoegd gezag. • Het is af te raden om het grondwater te gebruiken voor consumptie en/of gewasbesproeiing.

29

Concluderend Ten aanzien van het aspect bodem is er, met in achtneming van de inhoud van het onderzoeksrapport en de aan de omgevingsvergunning te verbinden voorwaarden, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 5 maart 2015 het beleidsdocument “Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen-, en maatregelenkaart als basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Oude IJsselstreek” vastgesteld, alsmede de erfgoedverordening. De erfgoedverordening maakt momenteel onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/ of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied.

Beoordeling initiatief Uit de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) volgt dat de planlocatie ligt in een gebied met een lage archeologische verwachting en dat ter plaatse geen monumenten aanwezig zijn of anderszins sprake is van een vanuit cultuurhistorie te beschermen waarde. Op grond hiervan is geen verder onderzoek noodzakelijk. Ook in het omgevingsplan van rechtswege is geen archeologische waarde voor dit plangebied opgenomen. Indien tijdens werkzaamheden toch archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht.

Figuur 13: archeologische waardenkaart met planlocatie (rood omcirkeld)

30

Concluderend Er is geen onderzoek nodig naar archeologie en cultuurhistorie. Er worden geen archeologische of cultuurhistorische waarden aangetast met de realisatie van dit plan. Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.3 Natuur Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die voorheen waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden en Natuur Netwerk Nederland (NNN), regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moet worden bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Beoordeling initiatief De planlocatie is gelegen op een afstand van ruim 13 km van het meest nabijgelegen Nederlandse Natura 2000-gebied Korenburgerveen (zie figuur 12). Op kortere afstand (circa 8,5 km) ligt het meest nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebied. Vanwege de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen de locatie en Natura 2000-gebieden, kunnen negatieve effecten anders dan door stikstof bij voorbaat worden uitgesloten. Om te bepalen wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn voor de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zijn berekeningen uitgevoerd met het wettelijk voorgeschreven rekenmodel AERIUS Calculator. In bijlage 8 is het volledige stikstofonderzoek opgenomen. Daaruit valt op te maken dat de ontwikkeling in zowel de aanleg- als gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

De ontwikkeling leidt dus niet tot nadelige gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Ook leidt de ontwikkeling niet tot vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit.

31

Figuur 14: ligging planlocatie t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: aerius.nl)

Concluderend Het aspect gebiedsbescherming Natura 2000 vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone Gelderland heeft veel natuurgebieden. Samen vormen zij het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. De begrenzing en de regels ter bescherming van het GNN en de Groene ontwikkelingszone zijn opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Gelderland. Beoordeling initiatief De planlocatie is niet gelegen binnen of nabij de begrenzingen van het GNN of de GO, waardoor negatieve effecten hierop zijn uit te sluiten. Er is buiten deze zones namelijk geen sprake van externe werking, zoals voor Natura 2000-gebieden wel het geval is.

32

Figuur 15: ligging planlocatie t.o.v. GNN/GO

Concluderend Het aspect provinciale gebiedsbescherming (GNN/GO) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.3.3 Soortenbescherming In de Omgevingswet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Beoordeling initiatief In het kader van de beoogde ontwikkeling is er door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (“Quickscan natuurwaardenonderzoek Spoorstraat ong. Varsseveld”, d.d. 30 augustus 2024, kenmerk 6755, versie 1.0). De locatie is daarbij onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De rapportage van die quickscan is opgenomen in bijlage 7.

Uit de quickscan volgen onderstaande bevindingen en conclusies: • Het plangebied vormt geen geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en verblijfplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen en amfibieën uitsluitend benut als foerageergebied. • Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet nest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden

33

•

beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus-februari. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen of vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.

Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden uitvoeren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); • Geen beschermde grondgebonden zoogdieren doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Concluderend Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan, mits geen beschermde grondgebonden zoogdieren worden gedood.

4.4 Geluid Een planlocatie kan bij een geluidsbron zijn gelegen, zoals een drukke weg, spoorweg, industrie of een windturbine. Bekeken moet worden of het plan geen hinder voor de omgeving vormt, en of de omgeving geen hinder vormt voor het plan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen geluid van activiteiten en geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (aandachtsgebieden). Geluid van activiteiten In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels over het geluid van activiteiten (bijv. windturbines) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Op grond van deze instructieregels moet er in het omgevingsplan worden zorggedragen voor een aanvaardbaar geluidsbelasting. Er is in ieder geval sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting indien de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot het moment waarop de gemeente Oude IJsselstreek een permanent omgevingsplan heeft, gelden in de gemeente Oude IJsselstreek de regels van paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek. Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen In paragraaf 5.1.4.2a Bkl staan instructieregels over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. In paragraaf 5.1.4.2a.4 Bkl staan instructieregels voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden.

Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Op grond van artikel 5.78s Bkl moet de geluidsbelasting van een weg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtgebied aanvaardbaar zijn. De geluidsbelasting is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.78t Bkl.

34

Beoordeling initiatief Geluid van activiteiten In de directe omgeving van de planlocatie liggen vooral woningen. Ten zuidwesten van de planlocatie, op een afstand van circa 72 meter, bevindt zich een kleinschalige, islamitische slachterij. Aan de noordzijde van de planlocatie, op een afstand van circa 50 meter bevindt zich een voormalige dierenartspraktijk, die momenteel alleen in gebruik is voor woondoeleinden, maar waarop nog wel een maatschappelijke bestemming rust, met functieaanduiding voor een dierenartsprakijk.

Categorie

Werkelijke afstand

Dierenartspraktijk Islamitische Slachterij Mevlana

Gevaar

Spoorstraat 62 Spoorstraat 80

Geluid

Omschrijving

Stof

Adres

Geur

In onderstaande tabel zijn deze bedrijven vermeld. De afstanden in de tabel zijn gemeten vanuit de rand van de bestemmingsvlakken van deze bedrijven tot de grens van de planlocatie. Feitelijk zullen de woningen echter op grotere afstand van deze bedrijven worden gerealiseerd. In deze situatie is sprake van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’, zodat moet worden uitgegaan van de (ongecorrigeerde) richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009), die voor deze beoordeling ten grondslag is genomen.

0 100

0 0

10 100

0 50

1 3.2

50 72

De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen de richtafstand van de slachterij. In de bestaande situatie zijn er echter al woningen op kortere afstand van de slachterij gelegen. De ontwikkeling belemmert het bedrijf daarom niet verder in de mogelijkheden dan momenteel al het geval is. Nu het bedrijf op die bestaande woningen moet voldoen aan de milieuregelgeving (waaronder aan de geluidnormen), mag bovendien worden aangenomen dat bij de op grotere afstand te realiseren nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit een in het verleden voor de slachterij uitgevoerd akoestisch onderzoek (“Akoestisch onderzoek Slachterij Mevlana te Varsseveld”, Adviesburo Van der Boom, d.d. 10 oktober 2006) blijkt dat het bedrijf op omliggende woningen kan voldoen aan de voor geluid geldende grenswaarden. Dat betekent dat ook voor de verderop te realiseren woningen in het plangebied kan worden voldaan aan die grenswaarden en dat daarmee het woon- en leefklimaat niet in het geding is. Railverkeerslawaai In de omgeving van de planlocatie bevindt zich de spoorweg Winterswijk-Arnhem. Het geluidaandachtsgebied voor een spoorweg is maximaal 100 meter aan weerszijden van het spoor. De nieuwe woningen zullen voor een klein deel binnen deze afstand van het spoor worden gerealiseerd.

Het is echter op voorhand duidelijk dat hier ruimschoots kan worden voldaan aan de standaardwaarde van 55 dB, waarbij nog sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau. Uit informatie van Prorail blijkt namelijk dat op een dichterbij referentiepunt sprake is van een geluidproductieplafond (GPP) van 52 dB (zie figuur 14). Dit GPP is een omgevingswaarde, die moet worden gezien als de maximale reservering voor de geluidproductie vanwege deze spoorlijn op dit punt. Feitelijk is zelfs sprake van fors lagere geluidniveaus (43,7 dB in 2021).

35

Figuur 16: geluidbelasting spoor op referentiepunt (bron: maps.prorail.nl)

Verkeerslawaai De planlocatie bevindt zich binnen de geluidaandachtsgebieden van de Spoorstraat en Aaltenseweg. Voor een ontwikkeling binnen een geluidaandachtsgebied van een weg moet akoestisch onderzoek aantonen dat het verkeerslawaai op de gevel van de woning kan voldoen aan de standaardwaarden uit het Bkl. Voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone gelden volgens het Bkl standaardwaarden van 50 dB voor rijks- en provinciale wegen en 53 dB voor gemeentewegen. Volgens de Aanvullingswet geluid moet langs provinciale wegen echter vooralsnog worden getoetst aan de Wet geluidhinder, zodat hier momenteel een voorkeursgrenswaarde van 48 dB geldt. Door Akoestisch buro Van der Boom is een akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai uitgevoerd (zie bijlage 9 voor akoestisch rapport d.d. 24 juni 2025, kenmerk 24-040). Uit het onderzoek komt het volgende naar voren: • De woningen liggen binnen de bebouwde kom van Varsseveld op ten minste 28 meter uit de as van de provinciale weg N818, vooralsnog binnen de geluidzone van deze weg. • De ontwikkeling vindt tevens plaats in de nabijheid van de Spoorstraat, binnen het geluidaandachtsgebied van deze lokale weg. • De overige wegen hebben een lage verkeersintensiteit en zijn akoestisch niet relevant. • De waarde van het geluid door de lokale wegen bedraagt ten hoogste 51 dB.

Er wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB voor lokale wegen. De hoogste waarde van het geluid door wegverkeer op de provinciale weg N818 bedraagt 56 dB. De waarde van het geluid door wegverkeer op provinciale wegen ligt in een deel van de rekenpunten boven de standaardwaarde van 50 dB. Er wordt in alle rekenpunten voldaan aan de grenswaarde van 60 dB voor provinciale wegen. De waarde van het gezamenlijk geluid door wegverkeer bedraagt ten hoogste 56 dB. • Het nemen van maatregelingen, zoals een stiller wegdek, verlagen snelheid of toepassing van geluidschermen zijn niet voor de hand liggend. • Bij het toetsen of sprake is van een “evenwichtige toedeling van functies aan locaties” is voor de N818 aangesloten bij het toetsingskader van de Ow. Het verlagen van de waarde van het geluid door het treffen van maatregelen aan de bron stuit op financiële en civieltechnische bezwaren. Het afschermen van de locatie stuit op stedenbouwkundige bezwaren. Er wordt echter voldaan aan de

36

•

grenswaarden voor provinciale wegen waardoor voor de provinciale wegen sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De waarde van het geluid van lokale wegen ligt beneden de standaardwaarde van 53 dB. Voor de lokale wegen zal sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de geluidwering van gebouwen. Volgens het Bbl art 4.102 heeft in nieuwbouwsituaties de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied een karakteristieke geluidwering GA;k, bepaald volgens NEN 5077, van ten minste 20 dB. Daarbij is volgens het Bbl art 4.103 in nieuwbouwsituaties de uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied de karakteristieke geluidwering GA;k, bepaald volgens NEN 5077, niet kleiner dan het gezamenlijk geluid verminderd met 33 dB. Voor verblijfsruimten gelden 2 dB lagere waarden voor de karakteristieke geluidwering GA;k. Bij een niet geluidgevoelige gevel wordt uitgegaan van het gezamenlijk geluid verhoogd met 3 dB. De waarde van het gezamenlijk geluid op de gevels van de woningen bedraagt ten hoogste 56 dB door alle bronnen. De benodigde karakteristieke geluidwering GA;k bedraagt in een nieuwbouwsituatie dan 23 dB. Voor de gevels met een waarde van het gezamenlijk geluid van meer dan 53 dB zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.

Industrielawaai De planlocatie bevindt zich buiten het aandachtsgebied van een industrieterrein. Concluderend Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.5 Trillingen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en activiteiten door golfbewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. Beoordeling initiatief In de omgeving van het plangebied is alleen de zuidelijk hiervan gelegen spoorlijn een relevante bron voor mogelijke trillinghinder. Wegverkeer en industriële machines zijn vanwege de intensiteiten en afstanden niet als relevante bronnen aan te merken. Om de mogelijke trillinghinder van het spoor in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder door spoor wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor.

Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Dat binnen een zone van 100 meter tot het spoor rekening gehouden moet worden met trillingen betekent niet dat er binnen deze zone altijd maatregelen nodig zijn. Bij voorliggend plan is sprake van een ontwikkeling waarbij enkele woningen aan de zuidzijde van het plangebied net binnen een afstand van 100 meter tot het spoor liggen. Dit spoorlijntraject is echter in 37

gebruik als zogenaamde ‘light rail’ waarbij de mogelijke trillinghinder zich minder ver uitstrekt dan de 100 meter voor ‘normaal’ spoor. In dat verband kan erop worden gewezen dat ook ter plaatse van dichter bij het spoor gelegen bestaande woningen geen trillinghinder door het spoor optreedt. Voor trillinghinder bij woningen in het plangebied hoeft daarom niet te worden gevreesd. Hiervoor is geen verder onderzoek vereist. Concluderend Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden bijvoorbeeld zogeheten omgevingswaarden voor o.a. de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden luchtkwaliteit (zoals de gemeente Oude IJsselstreek) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. Beoordeling initiatief De gemeente Oude IJsselstreek ligt buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, zodat het aspect luchtkwaliteit slechts marginaal hoeft te worden getoetst. Er is immers geen sprake van de aanleg van auto(snel)wegen of tunnelbuistrajecten.

38

Duidelijk is op dat op en rondom de planlocatie geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Zo blijkt uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit dat langs de Aaltenseweg sprake is van een jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 12,89 microgram/m3, terwijl voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 micogram/m3 geldt. Voor fijn stof is hier sprake van een jaargemiddelde concentratie van 17,11 micogram/m3, terwijl ook voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 micogram/m3 geldt. Volledigheidshalve is een berekening met de NIBM-tool uitgevoerd naar het extra verkeer dat zal worden gegenereerd door de beoogde ontwikkeling (zie figuur 15). De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of een plan niet in betekende mate bijdraagt (NIBM) aan de lokale luchtkwaliteit. Daarbij is er in het kader van de “worst-case”benadering uitgegaan van de CROW-norm dat dat per woning maximaal 8 (auto)verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. Er wordt voor de “worst-case” benadering derhalve uitgegaan van 18 x 8 = 144 (auto)verkeersbewegingen per etmaal. In figuur 15 is de berekening met de NIBM-tool weergegeven.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat de toename van het verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit en dat er geen nader onderzoek is.

Concluderend Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.7 Geur De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen optreedt. Figuur 17: berekening met NIBM-tool

In hoofdstuk 5 van het Bkl, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.

39

Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek. Beoordeling initiatief In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich geen veehouderijen. De meest nabijgelegen veehouderij bevindt zich op ruim 650 meter van de planlocatie. Het betreft een melkrundveehouderij waarvoor een minimumafstand van 100 meter geldt tot woningen in de bebouwde kom. Hieraan wordt dus ruimschoots voldaan.

Categorie

Werkelijke afstand

Islamitische Slachterij Mevlana

Gevaar

Spoorstraat 80

Geluid

Omschrijving

Stof

Adres

Geur

Verder bevindt zich ten zuidwesten van de planlocatie, op een afstand van circa 72 meter, een kleinschalige, islamitische slachterij. In onderstaande tabel is dit bedrijf vermeld. De afstand in de tabel is gemeten vanuit de rand van het bestemmingsvlak van dit bedrijf tot de grens van de planlocatie. Feitelijk zullen de woningen echter op grotere afstand van het bedrijf worden gerealiseerd. In deze situatie is sprake van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’, zodat moet worden uitgegaan van de (ongecorrigeerde) richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering.

100

0

100

50

3.2

72

De planlocatie bevindt zich binnen de richtafstand van de slachterij. In de bestaande situatie zijn er echter al woningen op kortere afstand van de slachterij gelegen. De ontwikkeling belemmert het bedrijf daarom niet verder in de mogelijkheden dan momenteel al het geval is. Nu het bedrijf op die bestaande woningen moet voldoen aan de milieuregelgeving, mag bovendien worden aangenomen dat bij de op grotere afstand te realiseren nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit de op 24 april 2007 aan de slachterij verleende milieuvergunning blijkt dat sprake is van een bedrijf met een beperkte slachtcapaciteit. Hierbij is destijds door de gemeente geoordeeld dat de bepaling van de geuremissie achterwege kan blijven en dat er geen noodzaak voor een geurnorm bestaat. Wel zijn voorschriften aan de milieuvergunning verbonden ter voorkoming van geurhinder. Ook hieruit kan worden geconcludeerd dat het woon- en leefklimaat op de planlocatie niet in het geding is. Concluderend Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.8 Milieubelastende activiteiten Onder de Omgevingswet is het begrip ‘inrichting’ verdwenen en heeft het begrip ‘milieubelastende activiteit’ zijn intrede gedaan. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip want er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip.

40

In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu. De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de Nota van Toelichting van het Bkl blijkt dat daarmee mba’s worden bedoeld. Beoordeling initiatief Bij deze ontwikkeling is alleen sprake van de realisatie van woningen. Bij deze woningen worden net als elders binnen de gemeente beroepen aan huis toegestaan. Daarnaast kunnen via een omgevingsvergunning aan huis verbonden bedrijven en bed & breakfast worden mogelijk gemaakt. Het gaat hierbij om milieubelastende activiteiten met een beperkt ruimtebeslag en een beperkte milieubelasting, die in zijn algemeenheid aanvaardbaar zijn te achten binnen een woonomgeving. Voor bepaalde beroepen en bedrijven aan huis zijn regels gesteld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor andere beroepen en bedrijven aan huis zijn in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels van rechtswege opgenomen (de bruidsschat).

Die regels blijven gelden naast het voorliggende omgevingsplan voor deze locatie. Concluderend De milieubelastende activiteiten waarvan bij de nieuwe woningen sprake kan zijn vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de milieueffecten van die milieubelastende activiteiten worden regels gesteld in het omgevingsplan van rechtswege en het Besluit activiteiten leefomgeving.

4.9 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar (Kaarten | Atlas Leefomgeving). In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt in ieder geval aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen 41

en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor een aanvullende onderbouwing en eventueel extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebied gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Beoordeling initiatief Op de planlocatie worden kwetsbare objecten in de vorm van woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving zijn volgens de risicokaart (zie figuur 16) echter geen risicobronnen aanwezig, waarvan de risicocontouren of de aandachtsgebieden over de beoogde woningen liggen.

Dat betekent dat risicovolle inrichtingen, basisnetroutes en buisleidingen op voldoende afstand van de planlocatie liggen en geen belemmeringen opwerpen voor de beoogde woningbouw.

Figuur 18: kaartuitsnede risicokaart met planlocatie blauw omcirkeld (bron: risicokaart.nl)

Concluderend Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.10 Water Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger

42

periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. In het waterbeheerplan 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel laat het Waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten zij in de samenwerking met haar partners willen leggen. Het waterbeheerprogramma in het kort: • Beheren en onderhouden het grondwater en het water in beken, sloten en riviertjes. De zorg voor schoon water en zuiveren rioolwater. Controleren of iedereen zich aan de regels houdt. Gebiedsinrichting zo uitvoeren dat het beter tegen de klimaatverandering kan. • Kijken naar omgeving en hoe deze het beste kan worden ingericht. Uitgaande van dat het gebied beter kan tegen te nat maar ook tegen te droog weer. Hulp aanbieden zodat inwoners, bedrijven en andere overheden beter kunnen omgaan met de gevolgen van extreem weer.

• Zorgen voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dijken worden zo onderhouden dat er ruimte is voor meer verschillende soorten planten en dieren. • In 2025 wekt het Waterschap alle energie die ze gebruiken zelf op. Ze gebruiken en verspillen zo min mogelijk grondstoffen en stoten veel minder broeikasgassen uit. Hiervoor worden sommige werkwijzen aangepast en wordt gebruik gemaakt van steeds meer nieuwe technieken. • Zorgen voor schoon water in beken en sloten, voor mensen en voor dieren en planten. Het rioolwater wordt steeds schoner gemaakt. Sommige plekken worden geschikt gemaakt voor bijzondere planten en dieren. De andere wateren mogen in ieder geval niet viezer worden. Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. De intensiteit van het watertoets proces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als er op een categorie 2 vraag een ‘ja’ is geantwoord, is een uitbreide watertoets noodzakelijk. Als er alleen met ‘nee’ is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden.

Beoordeling initiatief Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. De relevante waterthema’s voor de ontwikkeling worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven (wanneer de toets vraag met ‘ja’ is beantwoord). Thema Veiligheid

Toetsvraag Relevant 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een Nee waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) Nee 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?

Intensiteit 2 2

43

Riolering en Afvalwaterketen

1. 2. 3.

Wateroverlast (oppervlaktewater)

1. 2. 3. 4.

Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwateroverlast

Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer

Volksgezondheid

1. 1. 2. 3. 4. 1. 1. 2. 1. 2.

Natte natuur

1. 2. 3.

Verdroging Recreatie

4. 1. 1.

Cultuurhistorie

1.

Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2? Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? Is in het plangebied sprake van kwel? Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? Beoogt het plan aanleg van drainage? Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED-water? Bevindt het plangebied zich in

beschermingszones voor natte natuur? Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Nee Nee Nee

2 1 1

Ja

2

Ja

1

Nee

1 1

Ja Nee

1

Nee

1

Nee Nee Nee Nee

1 1 1 1

Nee

1

Nee Nee

2 1

Nee

1

Nee Nee Nee

2 2 1

Nee Nee Nee

1 1 2

Nee

1

Het verhard oppervlak zal door de voorgenomen ontwikkeling toenemen. Het gaat in totaal om een toename van 4.670 m2. Het verhard oppervlak van het openbaar gebied, rijbanen en parkeerplaatsen is gezamenlijk 1.300 m2. Bij de watertoets zijn parkeerplaatsen en wandelpaden meegenomen als volledig verhard oppervlak. Voor het bepalen van particulier verhard oppervlak is uitgegaan van een verhardingspercentage van 70% van het kaveloppervlak. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen - afvoeren behandeld. De ontwikkeling heeft geen betrekking op functies die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Afstromend hemelwater wordt volledig binnen het plangebied geborgen door middel van een wadi (dynamische en statische berging), waarbij overloop op oppervlaktewater of hemelwaterriool niet mogelijk is. Zie ook bijlage 5 voor de resultaten van de digitale watertoets. 44

In verband met de woningbouwontwikkeling is door Civicon onderzoek ten behoeve van de watertoets uitgevoerd. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde rapport d.d. 17 april 2024 (zie bijlage 6) kan het volgende worden opgemaakt: • Het plangebied is gelegen aan de zuidelijke rand van Varsseveld. Het plangebied grenst aan de Spoorstraat en de Aaltenseweg; • Het maaiveld in het plangebied varieert van 18,10 tot 18,40 m + NAP; • De bodem bestaat uit matig fijne zandlagen met een silthoudend karakter; • De grond is door de samenstelling gevoelig voor structuurbederf. De grond dient na het bouwrijp/woonrijp maken te worden losgespit (gewoeld), om verdichting en dus wateroverlast te voorkomen. De infiltratievelden verdienen hierbij extra aandacht, omdat een overloop naar oppervlaktewater of een hemelwaterriool in de huidige situatie niet mogelijk is; • De waterdoorlatendheid (K-waarde) is in-situ bepaald op 1,3 tot 1,5 m/dag. Geadviseerd wordt om een K-waarde van 1 m/dag aan te houden. Daarmee is de doorlatendheid voldoende om hemelwater in de bodem te infiltreren; • De GHG en GLG bedragen respectievelijk 17,60 m en 16,5 m +NAP; • Uit de kaarten van de Klimaatatlas blijkt dat het plangebied gevoelig kan zijn voor wateroverlast.

Op basis van de globale toetsing in 3Di Watermanagement zorgt het plan voor een toename van de maximale waterdiepte in de omgeving van (slechts) 1 cm tot 2 cm; • Voor de afvoer van het afvalwater wordt vooralsnog verondersteld dat dit kan worden aangesloten op één van de gemengde stelsels rondom het plangebied; • Volgens het document “Duurzaam en veilig water” van Waterschap Rijn en IJssel geldt bij uitbreidingsplannen groter dan 1.500 m2 het volgende; o Bui 100+10% (80 mm) mag geen wateroverlast opleveren (berging tot aan maaiveld); • In het plangebied kan 80 mm geborgen worden. Het hemelwater wordt geborgen in een infiltratieveld/ wadi. De bergingseis is dynamisch ingevuld. Hierbij is uitgegaan van minimaal 50 mm statische berging (inhoud infiltratieveld) en 30 mm dynamische berging via infiltratieverliezen. Hierbij is nog geen rekening gehouden met eventuele berging op particuliere kavels, zodat de situatie worst case is gemodelleerd; • Om het risico op verdrinking te beperken worden in de wadi flauwe taluds aangebracht; • De aangetroffen verontreinigingen in het grondwater vormen geen belemmering voor de infiltratie van hemelwater in het plangebied. In verband met de woningbouwontwikkeling is door Caudatis een waterhuishoudkundig rapport opgesteld.

Bij het opstellen van dit waterhuishoudingsplan is gebruik gemaakt van de (concept) watertoets door Civicon en de daarbinnen uitgevoerde onderzoeken. Hieronder volgen de conclusies en aanbevelingen. In bijlage 12 is het volledige rapport toegevoegd (Waterhuishoudingsplan met datum 9 april 2025, nummer 2024-010 en versie def V2) • De planlocatie ligt t.o.v. zijn directe omgeving lager en zal opgehoogd moeten worden om aan de ontwateringseis te kunnen voldoen. • De hoogteligging van het toekomstige plan i.r.t. omliggende percelen maakt het onmogelijk om de rijwoningen direct aan te kunnen sluiten op het gemeentelijke riool voor wat betreft de afvoer van vuilwater. Het dwa-riool binnen het plan dient met tussenkomst van een vrijverval riool af te voeren naar het gemeentelijke riool. Gemeente Oude IJsselstreek neemt de openbare voorzieningen over waaronder het riool en in dit geval het gemaal mist dit voldoet aan de gewenste eisen en voorschriften. Geadviseerd wordt dit nader af te stemmen met de desbetreffende medewerker van de gemeente. • Het plan zoals beschreven in voorliggend waterhuishoudingsplan voldoet aan de

45

•

•

•

•

bergingsvoorschriften binnen de plangrenzen. Het gebied rondom de planlocatie is gevoelig voor wateroverlast. Het voorgenomen bouwplan draagt daarbij in negatieve zin aan bij. Desalniettemin voorziet het plan in extra berging boven op de gestelde bergingseis van het waterschap. De wet gemeentelijke watertaken schrijft voor dat hemelwater dat vrijkomt op particuliere percelen geborgen en geïnfiltreerd dienen te worden binnen de separate percelen onder voorwaarde dat de geohydrologische uitgangspunten dit toelaten. Voor dit plangebied zijn de geohydrologische uitgangspunten goed om hemelwater te kunnen bergen en infiltreren in de bodem. Gemeente Oude IJsselstreek schrijft in dergelijke gevallen een bergingseis voor van 20 mm gerelateerd aan het afstromende oppervlak. Om hemelwater op perceelsniveau te kunnen bergen en infiltreren kunnen infiltratiekratten toegepast worden. Rekening dient te worden gehouden met voldoende berging en aanleg boven de GHG. De realisatie van het plan geschiedt in fasen (bouwrijpfase, bouw woningen en woonrijpfase). Geadviseerd wordt een bestek op te stellen waarbij de werkzaamheden gekoppeld worden aan de juiste fasen. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is hoe omgegaan wordt met het vrijkomende hemelwater tijdens de bouwfase.

Concluderend Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.11 Mobiliteit en parkeren Bij het initiatief dient rekening gehouden te worden met de verkeersgeneratie en het parkeren. Er moet onderbouwd worden of het aantal verkeerstromen niet onaanvaardbaar gaat toenemen en er moet gekeken worden naar voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Daarbij is getoetst aan de meest recente inzichten, zoals vastgelegd in de op 5 maart 2024 vastgestelde Nota parkeernormen Oude IJsselstreek. Beoordeling initiatief Verkeer Door de komst van de nieuw te bouwen woningen zal het aantal vervoersbewegingen met lichte voertuigen toenemen. Per woning wordt uitgegaan van 5,8 (auto)verkeersbewegingen per etmaal (bron: CROWpublicatie 381 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’; type woon-milieu ‘Groen-stedelijk’). Gemiddeld komt dit neer op 18 x 5,8 (auto)verkeersbewegingen = 104,4 verkeersbewegingen van lichte voertuigen per etmaal. Ontsluiting van de planlocatie vindt plaats op de Aaltenseweg. De Aaltenseweg heeft voldoende capaciteit om deze relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen te kunnen verwerken. Parkeren De CROW-stedelijkheidscategorie van Oude IJsselstreek is ‘weinig stedelijk’ (kernen Ulft, Gendringen, Terborg, Silvolde en Varsseveld) en ‘niet stedelijk’ voor de overige kernen in de gemeente. In nieuwe situaties worden parkeernormen gebruikt als uitgangspunt bij de raming van de parkeerbehoefte.

De CROW-parkeernormen kennen een bandbreedte (een minimum- en een maximumnorm). In de Nota parkeernormen wordt het gemiddelde van deze kengetallen als parkeernorm gehanteerd. In haar principe-uitspraak van 9 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek aangegeven dat in totaal 26 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Het ontwerp van het plan is echter sindsdien enigszins gewijzigd, omdat destijds nog is uitgegaan van 1 vrijstaande woning, 2 tweekappers, 13 seniorenwoningen en 6 appartementen (dus in totaal 22 woningen).

46

Daarbij is voor de vrijstaande woningen en de tweekappers uitgegaan van het omgevingstype ‘rest bebouwde kom’ en twee parkeerplaatsen per woning. Voor de seniorenwoningen kon volgens de verkeerskundige van de gemeente worden uitgegaan van een parkeernorm van 1,4 parkeerplaatsen per woning. Dat leidt tot het overzicht in onderstaande tabel. Type woning

Aantal

Vrijstaand 1 Tweekapper 2 Seniorenwoning 13 Totaal

Parkeernorm woning 2,0 2,0 1,4

per

Aantal parkeerplaatsen 2,0 8,0 18,2 28,2

Naar boven afgerond zijn er dus 29 parkeerplaatsen benodigd in de beoogde situatie. Volgens het ontwerp worden er feitelijk 30 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt dus voorzien in voldoende parkeercapaciteit voor dit plan. Zie bijlage 1 voor een overzicht van de parkeerplaatsen. Concluderend Mobiliteit en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.12 Kabels en leidingen Planologisch relevante kabels en leidingen hebben een beschermingszone waarbinnen in beginsel geen graaf- en bouwwerkzaamheden mogen plaatsvinden. Beoordeling initiatief Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Met een zogenaamde klicmelding krijgen initiatiefnemers alle kabel- en leidinginformatie, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen. Concluderend Eventuele kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.13 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan of project met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage of een m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Een milieueffectrapportage is in dit verband bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.beoordelingsplichtig besluit of • waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is.

47

In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd. Beoordeling initiatief De beoogde ontwikkeling is te categoriseren als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven opgenomen onder categorie J11 in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bij deze categorie is geen sprake van directe m.e.r.-plicht. Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten zijn te verwachten is een m.e.r.beoordeling uitgevoerd. De door Locis Adviseurs opgestelde aanmeldingsnotitie voor deze m.e.r.beoordeling is opgenomen in bijlage 10. Uit de m.e.r.-beoordeling komt naar voren dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten, zodat op basis hiervan geen sprake is van m.e.r.-plicht.

Verder is zoals blijkt uit paragraaf 4.3.1 geen passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig, zodat ook op basis hiervan geen sprake is van m.e.r.-plicht. Concluderend Uit de opgestelde aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling blijkt dat geen milieueffectrapportage nodig is voor de beoogde woningbouw. Ook is er geen passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming nodig, zodat ook dit spoor niet leidt tot de verplichting om de milieueffectrapportage te doorlopen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5107/documents/33769