CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering Meesterijweg

Raadsvergadering 2 juli 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 7: Ongewijzigde vaststelling TAM-omgevingsplan Kom Etten, locatie Meesterijweg 719.772 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

Figuur 11 weergave toekomstige woningbouwlocaties te Etten

Voor de locatie Meesterijweg (locatie 1) is het volgende kader opgesteld: 1. Aantal woningen mix in typen 2. Goedkeuring provincie nodig i.v.m. wooncontour 3. Ruimte voor fasering aanbrengen 4. (Veel) openbaar groen in plan 5. Landschappelijke inpassing 6. Zichtlijnen naar buitengebied 7. Volkstuintjes 8. Grondprijs 9. Ruimte voor CPO (collectief Particulier Opdrachtgeverschap) Beoordeling initiatief 1. De ontwikkeling betreft de realisatie van 5 seniorenwoningen, 6 starterswoningen, een 4tal tweekappers en 7 vrijstaande woningen. Hiermee wordt er ruim voldaan aan de gewenste mix van verschillende betaalbare woningtypen voor met name starters en senioren.

27

2. Uitganspunt was om de mogelijke locaties ter invulling van de woonbehoefte zoveel mogelijk te vinden binnen de wooncontour van Etten. De locatie aan de Meesterijweg is aan de rand van de bebouwde kom van Etten gelegen. De provincie kan besluiten de grenzen van de bebouwde kom aan te passen als er bijvoorbeeld (binnenkort) bouwwerkzaamheden plaatsvinden of de bebouwde kom verouderd is in vergelijking met het omgevingsplan. Het initiatief tot het aanwijzen en vaststellen van bebouwde kommen ligt bij de provincie. Gemeenten kunnen een verzoek bij de provincie indienen voor het vaststellen van de bebouwde kom volgens de Wegenwet. 3. Er is in het ontwerp ruimte opgenomen voor fasering doordat de beoogde weg een doorsteek zou kunnen maken naar naastliggende terrein. 4. In het ontwerp is rekening gehouden met het bestaande groen, wat zoveel mogelijk wordt behouden, en het toevoegen van extra groen. Specifiek gaat het om het toevoegen van een haag ter hoogte van de overgang naar het buitengebied. Ook wordt er een haag nabij de toekomstige uitweg, welke aansluit op de Meesterijweg geplaatst. Uiteraard wordt hierbij rekening gehouden met de verkeersveiligheid (voldoende zicht om de weg op te rijden). 5. De locatie betreft een overgangslocatie tussen de bebouwde kom van Etten de het buitengebied. Hierdoor is een landschappelijke inpassing gewenst.

Het gaat om het toevoegen van een tweetal hagen aan de randen van het plan en een viertal solitaire bomen. Deze is opgesteld en toegevoegd onder bijlage 1. De landschappelijke inpassing wordt opgenomen als voorwaardelijke verplichting in de regels van dit plan. 6. Bij het ontwerp zijn bestaande elementen zoveel mogelijk gehandhaafd en hebben een rol gespeeld bij de uitwerking. Dit is met name vormgegeven door het in stand houden van zichtlijnen naar het buitengebied door toepassing van vrijstaande woningen en tweekappers aan de randen, wisselende nokrichtingen, variërende kaveldiepten en de toevoeging van groenelementen naast het behoud van het bestaande groen. 7. De bestaande volkstuinen en de groenstrook zijn in eigendom van de gemeente. De volkstuinen hebben de bestemming ‘Recreatie – volkstuin’ en verdwijnen volledig in dit plan. 8. De grondprijs maakt geen onderdeel uit van de ruimtelijke procedure, dus daarom wordt hier niet verder op ingegaan. 9. Er is niet gekozen voor een collectief particulier opdrachtgeverschap, maar voor particulier opdrachtgeverschap. De woningbouwkavels worden uiteindelijk verkocht aan, of zijn al in eigendom van, toekomstige eigenaren.

3.4.5 Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek Op 26 september 2019 heeft de gemeenteraad van Oude IJsselstreek de regionale 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor woningbouw' vastgesteld (inmiddels vervangen door de Regionale Woonagenda, zie paragraaf 3.3.2). In 2021 heeft de gemeenteraad vervolgens de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vastgesteld. De 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vormt samen met de 'Kwalitatieve toetsingscriteria voor Woningbouw' het kader voor nieuwe woningbouwplannen. Met het vaststellen van de Lokale kwaliteitscriteria en de (regionale) Kwalitatieve toetsingscriteria beschikt de gemeente over een compleet kader waarmee nieuwe woningbouwplannen kunnen worden getoetst en kan de gemeente sturen op gewenste ontwikkelingen op de woningmarkt. De voorkeur gaat uit naar woningbouw door transformatie van (leegstaand) vastgoed en bouwen op inbreidingslocaties binnen de kernen. Toch is er ook gezien de grote druk op de woningmarkt ook noodzaak om tot 2030 op uitleglocaties aan de randen van de grotere kernen te bouwen. Dit doet de gemeente Oude IJsselstreek op een vijftal van tevoren geselecteerde grotere uitleglocaties, deze worden door de

28

gemeenteraad vastgesteld. Afhankelijk van de uitleglocatie is deze goed voor 100 tot 550 woningen, in totaal is er op deze uitleglocaties ruimte voor tussen de 1400 en 1850 woningen. Deze uitleglocaties bieden ruimte voor specifieke en onderscheidende woonmilieus. De Achterhoekse maat met kleinschaligheid, geborgenheid en veel groen is hierbij leidend. Daarnaast wordt er bij uitleglocaties ook aangesloten bij andere maatschappelijke vraagstukken zoals klimaatadaptatie, water/droogte, hittestress en energietransitie. Voor de uitleglocaties wordt op hoofdlijnen vastgelegd hoeveel woningen er gebouwd kunnen worden, welke typen woningen er komen, de stedenbouwkundige opzet, inpassing in het landschap en op welke wijze participatie wordt toegepast. Deze uitwerking vormt daarmee de blauwdruk voor woningbouw op die locatie. Beoordeling initiatief De beoogde te ontwikkelen locatie betreft geen uitleglocatie en ook geen inbreidingslocatie. Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Etten en zal na realisatie wel deel gaan uitmaken van de bebouwde kom en worden ingepast in de stedenbouwkundige structuur. De ontwikkeling sluit hiermee aan op de lokale kwaliteitscriteria voor een inbreidingslocatie.

3.4.6 Visie wonen en zorg 55+/uitvoeringsplan De visie Wonen en Zorg brengt de opgave in beeld die de gemeente Oude IJsselstreek heeft voor een meer geschikte woningvoorraad voor ouderen. De gemeentelijke ambitie hierin betreft zowel woningbouw als de aanpassing van de bestaande woonvoorraad. Naast wonen gaat dit ook om een goede en voor ouderen geschikte woonomgeving, een dienstenaanbod en de mogelijkheden om elkaar te ontmoeten In de visie Wonen en Zorg zijn na analyse van de demografische ontwikkelingen en de ontwikkelingen in zorggebruik aangevuld met onderzoek onder inwoners de opgaven vertaald naar de volgende ambitie: Ouderen kunnen zo zelfstandig mogelijk hun eigen leven blijven leiden en deel uit blijven maken van de gemeenschap. De ambitie is uitgewerkt in drie thema’s: • Zorgzame buurten en wijken • Vergroten aanbod van woon(zorg)vormen voor ouderen • Versterken zelfredzaamheid en eigen regie Beoordeling initiatief Het initiatief is getoetst aan de drie thema’s uit de visie: •

•

•

Zorgzame buurten en wijken In de nabijheid van de planlocatie is sprake van een goed zorg- en dienstverleningsaanbod, zodat hiermee aan een belangrijke randvoorwaarde wordt voldaan om zelfstandig te kunnen functioneren en voluit mee te doen in de directe woonomgeving. Verder is sprake van een groene, toegankelijke en veilige woonomgeving, waar mede door het nabijgelegen parkje laagdrempelige activiteiten en ontmoetingsmogelijkheden worden gefaciliteerd. Vergroten aanbod van woon(zorg)vormen voor ouderen De te bouwen woonvariatie sluit aan bij de behoeften en wensen van senioren. Enerzijds door de realisatie van de seniorenwoningen als zodanig. Anderzijds door de menging met andere typen woningen, waarbij jong en oud in dezelfde wijk naast elkaar wonen. Versterken zelfredzaamheid en eigen regie De gemeente biedt praktische ondersteuning op het gebied van wonen en technologie, zodat inwoners actief en vitaal blijven en comfortabel en veilig kunnen wonen. Het gaat hierbij om gemeentelijke taken op het gebied van jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken

29

en ouderen, zoals die volgen uit onder meer de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het omgevingsplan als zodanig kan hier geen bijdrage aan leveren. 3.4.7 Visie op landschap, natuur en groene kernen De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) biedt een gewenst toekomstbeeld. De visie is in een interactief proces met bewoners, maar ook organisaties en verenigingen tot stand gekomen. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap voor zowel het buitengebied als de kernen. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen stimuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving. Beoordeling initiatief Met de ontwikkeling wordt op de planlocatie voorzien in extra groen in de vorm van hagen, een viertal solitaire bomen en behoud van de bestaande bomen en groen. Daarnaast wordt een parkje aangelegd, dat samen met de overige groene elementen in de beoogde opzet zorgdraagt voor een groene en gezonde leefomgeving en zorgt voor een versterking van de biodiversiteit.

Hiermee is de ontwikkeling in overeenstemming met de 'Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen'. 3.4.8 Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022 -2026 Op 18 januari 2022 is de Klimaatagenda 2022-2026 vastgesteld. Met deze Klimaatagenda wordt de visie en ambitie voor een klimaatbestendige toekomst vastgelegd. Daarnaast is een uitvoeringsagenda voor 2022 tot en met 2026 beschreven. Steeds duidelijker wordt welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen van klimaatverandering, waaronder droogte, wateroverlast, overstromingen en hittestress aan te pakken De effecten van klimaatverandering worden opgedeeld in vier hoofdthema’s: • Meer regen: wateroverlast. Neerslagpatronen veranderen door klimaatverandering. We krijgen te maken met grotere piekbuien en langere natte winterperiodes. Dit kan leiden tot meer hemelwateroverlast en grondwateroverlast. • Hoger water: overstromingen. Door het veranderende weer krijgen we in Oude IJsselstreek vaker te maken met stormen en een sterker fluctuerende rivierafvoer. Deze factoren betekenen een extra belasting op de dijken. • Meer hitte: hitte. Klimaatverandering wordt ook wel ‘global warming’ genoemd. We moeten er rekening mee houden dat we in de zomer vaker met extreme hitte te maken krijgen. • Drogere zomers: droogte. Het wordt warmer en neerslagpatronen worden grilliger.

Vooral in de zomers zullen we steeds meer te maken krijgen met langdurige periodes van droogte en de effecten van (zoet) watertekorten. Beoordeling initiatief Op basis van de klimaatatlas gemeente Oude IJsselstreek is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen op de planlocatie als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van plasvorming na een korte extreem hevige buien. Bij langdurige extreme regen valt de plasvorming mee. Deze plassen verdwijnen echter binnen afzienbare tijd (< 6uur). Dit komt door de waterdoorlatendheid van de grond. Afgenomen boormonsterprofielen in de omgeving (op circa 150 meter afstand) bestaan namelijk voor een grote mate uit zand van de grove/middel categorie. (zie ook paragraaf 4.8). In de beoogde situatie wordt dit water in het

30

plangebied opgevangen in de beoogde hemelwaterbergingen op zowel openbaar terrein als op perceel niveau. Hittestress Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur op de planlocatie nu gedeeltelijk koeler is dan ter plaatse van omliggende bebouwing. Na realisatie van de woningen zal de temperatuur logischerwijs op een min of meer vergelijkbaar niveau komen met het omliggende bebouwde gebied. Door toevoeging van groen in de vorm van gras en bomen op de locatie zal de hittestress in de openbare ruimte iets minder worden ervaren. Voor de beoogde woningen geldt dat deze goed geïsoleerd worden conform de huidige eisen. Daarmee zijn de woningen ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. Droogte De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 weinig verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft op de planlocatie sprake van lagere grondwaterstanden en van beperkte droogtegevoeligheid. Door het voornemen om het hemelwater binnen de planlocatie te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater langer in het gebied zelf aanwezig. De planlocatie ligt niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte.

Overstroming De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er geen dijken en watergangen in nabijheid van de planlocatie liggen. In het geval van het breken van een dijk van de IJssel zal de waterhoogte maximaal 50cm bedragen wat kan leiden tot schade. De overstromingskans is echter klein (1x per 300 tot 3.000 jaar). Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico’s door klimaatverandering. Er hoeven geen specifieke maatregelen te worden getroffen. 3.4.8 Welstand Het gemeentelijk welstandsbeleid is vastgelegd in de Welstandsnota, waarin is opgenomen waar bij de toetsing voor een betreffend gebied of bouwwerk rekening mee moet worden gehouden. Toekomstige bouwplannen moeten wat betreft het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk getoetst worden aan het welstandsbeleid. In de nota worden algemene criteria gegeven waar bouwwerken aan moeten voldoen. Per gebied is specifiek welstandsbeleid opgesteld. Beoordeling initiatief Voor planlocatie geldt welstandsniveau 1. De kern en linten stralen namelijk een hoge ruimtelijke kwaliteit uit, er komen relatief veel historische gebouwen voor en er wordt een hoog ambitieniveau nagestreefd. Het aanzicht van het dorp vanuit het buitengebied vraagt bijzondere aandacht, waarbij wordt gestreefd naar een ingetogen en evenwichtig bebouwingsbeeld.

Bij de welstandstoets wordt vooral bekeken of het bouwplan zijn omgeving niet verstoort. Daarvan is bij voorliggende initiatief geen sprake. Bouwmassa en vorm sluiten aan bij die van de omgeving.

31

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Bodem Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. Beoordeling initiatief In verband met de woningbouwontwikkeling is door Montferland Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde bodemonderzoeksrapport d.d. 21 mei 2024 met nummer MM24040 (zie bijlage 2) kan het volgende worden opgemaakt: • Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. In de boringen A22 t/m A26 is in de laag van 0,00 tot 1,00 m -mv zijn hoogovenslakken en bakstenen waargenomen. • In de grond direct onder de hoogovenslakken/bakstenen is een licht verhoogd gehalten aan nikkel aangetoond. In de overige grondmengmonsters zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. • Na de herbemonstering is in het grondwater geen verhoogde gehalten aangetoond.

• In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden. • Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodemof grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijdt enkel de achtergrondwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen. • De tevoren gestelde hypothese ‘De gehele locatie kan op basis van het vooronderzoek als nietverdacht worden beschouwd’ dient formeel gezien te worden verworpen. De verhoging in de grond is echter gering en kan als niet significant beschouwd worden. • Op basis van de waargenomen losse vezels (<0,5 mm) in mengmonster B-ASMM02 is een SEManalyse uitgevoerd. Hieruit blijkt dat mengmonster B-ASMM02 de risiconorm van 10 mg/kg aan respirabele vezels niet overschrijdt. • De tevoren gestelde hypothese ‘De vml. volkstuinen kunnen op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ kan worden verworpen. • De tevoren gestelde hypothese ‘De druppelzones kunnen op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd’ kan worden verworpen. • De aangetroffen asbestgolfplaten dienen meegenomen te worden in een asbestinventarisatie en

32

•

•

verwijderd te worden door een gecertificeerd bedrijf. Uit milieukundig oogpunt is er geen bezwaar tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging, aangezien de vastgestelde verontreiniging geen directe risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. De hoogovenslakken dient niet gezien te worden als bodem, echter bij eventuele werkzaamheden dient er wel rekening gehouden te worden met de verwerking van deze laag.

Concluderend Ten aanzien van het aspect bodem is er, met in achtneming van de inhoud van het onderzoeksrapport, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 5 maart 2015 het beleidsdocument “Cultuurhistorische inventarisatie, waarden-, verwachtingen-, en maatregelenkaart als basis voor het archeologiebeleid van de gemeente Oude IJsselstreek” vastgesteld, alsmede de erfgoedverordening. De erfgoedverordening maakt momenteel onderdeel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moeten worden getoetst op het voorkomen van archeologische waarden en/ of monumenten binnen het plangebied. Tevens moet worden bepaald of deze eventueel aanwezige waarden worden geschaad door de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied.

Beoordeling initiatief Uit de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) volgt dat de planlocatie ligt in een gebied met deels een hoge archeologische verwachting en deels een gematigde archeologische verwachting. Ter plaatse zijn er geen monumenten aanwezig zijn of is anderszins sprake van een vanuit cultuurhistorie te beschermen waarde.

33

Figuur 12: archeologische waardenkaart met planlocatie (rood omcirkeld)

In het omgevingsplan van rechtswege is een archeologische waarde voor dit plangebied opgenomen. Op grond hiervan is verder onderzoek noodzakelijk. KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Meesterijweg in Etten (gemeente Oude IJsselstreek). Deze is toegevoegd onder bijlage 3 (Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek), karterende fase Meesterijweg te Etten Gemeente Oude IJsselstreek, met nummer 23147 en datum 5 april 2024, aangepast 27 januari 2025) Op basis van de aangetroffen indicatoren tijdens het booronderzoek is de kans groot dat binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is en wordt vervolgonderzoek aanbevolen. KSP Archeologie adviseert een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek om vast te stellen of in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn en zo ja, welke waardering hieraan gegeven kan worden. Voor dit gravende archeologisch onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid. In dit PvE wordt de werkwijze en de randvoorwaarden van het onderzoek vastgelegd. Het onderzoeksgebied voor het proefsleuvenonderzoek betreft in principe het hele plangebied.

Als de proefsleuven systematisch verspreid over het hele plangebied worden aangelegd, wordt inzichtelijk of, en zo ja waar, er zich eventuele archeologische resten bevinden. Het proefsleuvenonderzoek zal pas worden uitgevoerd na de sloop/verwijdering van de erfophoging in het plangebied, zodat ook hier de aan-/of afwezigheid van archeologische resten met zekerheid kan worden vastgesteld. Op basis van het verschil in bodemopbouw binnen het plangebied als gevolg van de landschappelijke gradiënt (overgang van terrasrest-rug naar terrasvlakte) en aanwezigheid van een vondstconcentratie is kan de regio-archeoloog instemmen met een alternatieve aanpak, waarbij het proefsleuvenonderzoek zich in eerste instantie concentreert op het centrale en oostelijke deel van het plangebied (Figuur 17, gele vlak, fase 1). Op het moment dat deze proefsleuven zijn aangelegd, zal overleg plaatsvinden met de regioarcheoloog. Op basis van de resultaten van de proefsleuven en de bodemopbouw kan dan besloten worden of het nodig is om het proefsleuvenonderzoek al dan niet uit te breiden naar (delen van) de rest van het plangebied (oranje vlak, fase 2). 34

De resultaten van dit onderzoek zijn namens de bevoegde overheid (gemeente Oude IJsselstreek) beoordeeld door de regio-archeoloog Achterhoek. De bevoegde overheid heeft ingestemd met de conclusie en het advies dat archeologisch vervolgonderzoek nodig is.

Figuur 13 advieskaart vervolgonderzoek d.m.v. proefsleuven

Concluderend Er is vervolgonderzoek nodig naar archeologie en cultuurhistorie. P.M.

4.3 Natuur Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die voorheen waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden en Natuur Netwerk Nederland (NNN), regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.3.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving moet worden bepaald of of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Beoordeling initiatief 35

De planlocatie is gelegen op een afstand van ruim 7 km het meest nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebied “Klevsche Landwehr, Anholt. Issel, Feldschlaggr. u. Regnieter Bach”. Het meest nabijgelegen Nederlandse Natura 2000-gebied “Rijntakken” is op grotere afstand gelegen (circa 13,9 km). Vanwege de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen de locatie en Natura 2000-gebieden, kunnen negatieve effecten anders dan door stikstof bij voorbaat worden uitgesloten. Om te bepalen wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn voor de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zijn berekeningen uitgevoerd met het wettelijk voorgeschreven rekenmodel AERIUS Calculator. In bijlage 4 is het volledige stikstofonderzoek opgenomen. Daaruit valt op te maken dat de ontwikkeling in zowel de aanleg- als gebruiksfase niet leidt tot stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling leidt dus niet tot nadelige gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000-gebieden. Ook leidt de ontwikkeling niet tot vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit.

Figuur 14: ligging planlocatie t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: aerius.nl)

Concluderend Het aspect gebiedsbescherming Natura 2000 vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan. 4.3.2 Gebiedsbescherming Gelders Natuurnetwerk/Groene ontwikkelingszone Gelderland heeft veel natuurgebieden. Samen vormen zij het Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de ecologische verbindingszones, de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. De begrenzing en de regels ter bescherming van het GNN en de Groene ontwikkelingszone zijn opgenomen in de Omgevingsverordening provincie Gelderland. Beoordeling initiatief

36

De planlocatie is niet gelegen binnen of nabij de begrenzingen van het GNN of de GO, waardoor negatieve effecten hierop zijn uit te sluiten. Er is buiten deze zones namelijk geen sprake van externe werking, zoals voor Natura 2000-gebieden wel het geval is.

Figuur 15: ligging planlocatie t.o.v. GNN/GO

Concluderend Het aspect provinciale gebiedsbescherming (GNN/GO) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan. 4.3.3 Soortenbescherming In de Omgevingswet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Beoordeling initiatief In het kader van de beoogde ontwikkeling is er door Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd (“Quickscan natuurwaardenonderzoek Meesterijweg”, d.d. 11 maart 2025, kenmerk 6368, versie 1.0). De locatie is daarbij onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De rapportage van die quickscan is opgenomen in bijlage 5. Uit de quickscan volgen onderstaande bevindingen en conclusies:

37

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Als gevolg van het verwijderen van beplanting en het slopen van de schuren tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari.

Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit van de Omgevingswet vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’.

Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze amfibieën op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Vleermuizen en hun vaste verblijfplaatsen zijn beschermd en mogen alleen met een ontheffing negatief beïnvloed worden. Als gevolg van het slopen van de woning wordt mogelijk een vleermuis verstoord of gedood en een vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Er dient een aanvullend onderzoek conform het vleermuisprotocol uitgevoerd te worden om de functie van de woning vast te kunnen stellen. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode half mei-half september (half oktober). Op basis van nader onderzoek kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze afname leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat:

38

• • • •

Verwijderen beplanting en slopen schuren buiten de voortplantingsperiode van vogels (of broedvogelscan uitvoeren); Geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Nader onderzoek naar functie woning voor vleermuizen; Stikstofberekening uitvoeren voor gebruiks- en ontwikkelfase;

Aanvullend onderzoek vleermuizen In de periode juni 2024 tot en met september 2024 is de woning aan Meesterijweg 7 te Etten onderzocht op verblijfplaatsen van vleermuizen. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied vastgesteld en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat andere beschermde dier- of plantensoorten in het onderzoeksgebied een vaste rust- of voortplantingsplaats bezetten. Zo is er ook geen sprake van wettelijke consequenties. Het volledige rapport (Nader onderzoek vleermuizen Meesterijweg, met nummer 6368A en datum 11 maart 2025) is toegevoegd als bijlage 5a. Concluderend Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan, mits geen beschermde grondgebonden zoogdieren worden gedood en het verwijderen van beplanting en het slopen van de schuren buiten de voortplantingsperiode van vogels wordt uitgevoerd.

4.4 Geluid Een planlocatie kan bij een geluidsbron zijn gelegen, zoals een drukke weg, spoorweg, industrie of een windturbine. Bekeken moet worden of het plan geen hinder voor de omgeving vormt, en of de omgeving geen hinder vormt voor het plan. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen geluid van activiteiten en geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen (aandachtsgebieden). Geluid van activiteiten In paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl staan instructieregels over het geluid van activiteiten (bijv. windturbines) op de gevels van geluidgevoelige gebouwen. Op grond van deze instructieregels moet er in het omgevingsplan worden zorggedragen voor een aanvaardbaar geluidsbelasting. Er is in ieder geval sprake van een aanvaardbare geluidsbelasting indien de standaard- en grenswaarden van artikel 5.65 van het Bkl worden opgenomen in het omgevingsplan. Tot het moment waarop de gemeente Oude IJsselstreek een permanent omgevingsplan heeft, gelden in de gemeente Oude IJsselstreek de regels van paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek. Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen In paragraaf 5.1.4.2a Bkl staan instructieregels over het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen. In paragraaf 5.1.4.2a.4 Bkl staan instructieregels voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden.

Een geluidaandachtsgebied is het gebied langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Op grond van artikel 5.78s Bkl moet de geluidsbelasting van een weg op een geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtgebied aanvaardbaar zijn. De geluidsbelasting is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals deze zijn opgenomen in artikel 5.78t Bkl. Beoordeling initiatief Geluid van activiteiten In de directe omgeving van de planlocatie liggen vooral woningen. Ten oosten van de planlocatie, op een afstand van circa 75 meter, bevindt zich een sportcomplex. Aan de noordzijde van de planlocatie, op een 39

Categorie

Werkelijke afstand

Sportpark de Treffer Bedrijven t/m categorie 3.1

Gevaar

Molenstraat 3a Omgeving Akkermansbeekweg

Geluid

Omschrijving

Stof

Adres

Geur

afstand van circa 420 meter bevindt zich het industrieterrein van Terborg. In onderstaande tabel zijn deze bedrijfslocaties vermeld. De afstanden in de tabel zijn gemeten vanuit de rand van de bestemmingsvlakken van deze bedrijven tot de grens van de planlocatie. Feitelijk zullen de woningen echter op grotere afstand van deze bedrijven worden gerealiseerd. In deze situatie is sprake van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’, zodat moet worden uitgegaan van de (ongecorrigeerde) richtafstanden uit bijlage 1 van de VNGpublicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009), die voor deze beoordeling ten grondslag is genomen.

0 50

0 50

50 50

0 50

3.1 3.1

75 420

De beoogde ontwikkeling vindt niet plaats binnen de richtafstand van omliggende bedrijven en functies. Hierdoor is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens worden de omliggende bedrijven en functies niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden geschaad. Railverkeerslawaai In de omgeving van de planlocatie bevindt zich geen de spoorweg. Het geluidaandachtsgebied voor een spoorweg is maximaal 100 meter aan weerszijden van het spoor. Het onderdeel railverkeerslawaai is niet van toepassing op deze ontwikkeling. Verkeerslawaai De planlocatie bevindt zich binnen de geluidaandachtsgebieden van de provinciale wegen Oude IJsselweg en Slingerparallel. De planlocatie bevindt zich binnen de geluidaandachtsgebieden van de gemeentelijke wegen Meesterijweg, Irenestraat en Margrietstraat. Voor een ontwikkeling binnen een geluidaandachtsgebied van een weg moet akoestisch onderzoek aantonen dat het verkeerslawaai op de gevel van de woning(en) kan voldoen aan de standaardwaarden uit het Bkl. Voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone gelden standaardwaarden van 50 dB voor rijks- en provinciale wegen en 53 dB voor gemeentewegen. Door Sain Milieuadvies is een akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai uitgevoerd (zie bijlage 6 voor akoestisch rapport d.d. 4 april 2024). Na uitvoering van dat onderzoek zijn voor de provinciale weg N317 zogenaamde GPP’s vastgesteld.

Daarom moest het akoestisch onderzoek worden aangepast. Ook is er op verzoek van de omgevingsdienst een kleine aanpassing gedaan aan de modellering van de Meesterijweg. Voor het overige zijn er inhoudelijk geen aanpassingen gedaan. Het geactualiseerde onderzoek is te raadplegen via bijlage 6a (Akoestisch onderzoek Meesterijweg met nummer 2024-3034-0 en datum 27 mei 2025). Uit het onderzoek komt het volgende naar voren:

40

Op advies van de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) en in overleg met de gemeente Oude IJsselstreek wordt de huidige komgrens verlegd waardoor de maximumsnelheid wordt verlaagd tot 30 km/h. Op een drietal woningen (kavel 09, 10 en 22) overschrijdt het geluid door provinciale weg N317 de standaardwaarde van 50 dB. Omdat maatregelen niet mogelijk of wenselijk zijn wordt de gecumuleerde geluidbelasting van maximaal 51 dB, op de zuidwestgevels in de regels vastgelegd. De gecumuleerde geluidbelasting op alle gevels van deze woningen voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB zodat extra geluidwerende maatregelen aan de woningen niet nodig zijn. Industrielawaai In de omgeving van de planlocatie bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein, zodat duidelijk is dat de planlocatie buiten het aandachtsgebied van een industrieterrein ligt. Concluderend Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.

4.5 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden bijvoorbeeld zogeheten 41

omgevingswaarden voor o.a. de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl.

Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden luchtkwaliteit (zoals de gemeente Oude IJsselstreek) blijft toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. Na de onderbouwing moet een conclusie getrokken worden of het aspect luchtkwaliteit een belemmering voor het plan vormt. Beoordeling initiatief De gemeente Oude IJsselstreek ligt buiten de aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit, zodat het aspect luchtkwaliteit slechts marginaal hoeft te worden getoetst. Er is immers geen sprake van de aanleg van auto(snel)wegen of tunnelbuistrajecten. Duidelijk is op dat op en rondom de planlocatie geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden.

Zo blijkt uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit dat langs de Slingerparallel sprake is van een jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 18,18 microgram/m3, terwijl voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 micogram/m3 geldt. Voor fijnstof is hier sprake van een jaargemiddelde concentratie van 16,87 terwijl ook voor deze parameter een omgevingswaarde van 40 micogram/m3 geldt. Volledigheidshalve is een berekening met de NIBM-tool uitgevoerd naar het extra verkeer dat zal worden gegenereerd door de beoogde ontwikkeling. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit kan worden vastgesteld. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of een plan niet in betekende mate bijdraagt (NIBM) aan de lokale luchtkwaliteit.

42

Daarbij is er in het kader van de “worst-case”-benadering uitgegaan van de CROW-norm dat dat per woning maximaal 8 (auto)verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. Er wordt voor de “worst-case” benadering derhalve uitgegaan van 22 x 8 = 176 (auto)verkeersbewegingen per etmaal. In de figuur hieronder is de berekening met de NIBM-tool weergegeven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de toename van het verkeer niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit en dat er geen nader onderzoek is.

Figuur 16 berekening met NIBM-tool

Concluderend Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.

4.6 Geur De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen optreedt. In hoofdstuk 5 van het Bkl, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn. Tot het moment waarop deze regels zijn opgenomen in het permanente omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke omgevingsplan gemeente Oude IJsselstreek. Beoordeling initiatief In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich geen veehouderijen. De meest nabijgelegen veehouderij bevindt zich op ruim 520 meter van de planlocatie.

Er moet worden aangetoond dat het beoogde plan enerzijds geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven, dat er anderzijds sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van het beoogde plan. Daarom is er een memo opgesteld waar wordt ingegaan op geurhinder afkomstig van individuele bedrijven, alle omliggende intensieve veehouderijen en andere veehouderijen met geuremissiedieren

43

Hieronder volgt de conclusie uit de berekening geur. Het volledige rapport is toegevoegd onder bijlage 7 (Locis Adviseurs memo geur met datum 12 april 2024). Conclusie cumulatie geur De berekende achtergrondbelasting van geur bedraagt voor punt 3 1,97 ouE/m3 ter van het nieuwe woonvlak. Het percentage geurhinder veroorzaakt door de berekende achtergrondbelasting bedraagt <5%. Het woon- en verblijfklimaat onder deze omstandigheden is als ‘zeer goed’ aan te merken. Er kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie voorgrondgeurbelasting geur Er wordt voldaan, met betrekking tot individuele geurbelasting, aan de normen die gelden voor de geurbelasting en de minimale afstandseisen tot geurgevoelige objecten. Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat binnen de beoogde woonvlakken waar de nieuw te bouwen woningen worden gerealiseerd. Daarnaast wordt, met betrekking tot de omliggende veehouderijen, voldaan aan de vaste afstanden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. De veehouderijen ter plaatse van de opgenomen adressen worden door de komst van nieuwe woningen niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Concluderend Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.

4.7 Milieubelastende activiteiten Onder de Omgevingswet is het begrip ‘inrichting’ verdwenen en heeft het begrip ‘milieubelastende activiteit’ zijn intrede gedaan. Het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (hierna: mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip want er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. In dit gedeelte worden regels over mba’s bedoeld die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld. Zie bijvoorbeeld afdeling 2.3 van de Bruidsschat, die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijke deel van elk gemeentelijk omgevingsplan wordt opgenomen. Deze afdeling 2.3 is getiteld ‘Milieubelastende activiteiten’ en bevat gemeentelijke regels over mba’s. Het Bkl bevat in hoofdstuk 5 onder andere instructieregels voor het omgevingsplan over milieu.

De Bkl-regels spreken daarbij van ‘activiteiten’. Uit de Nota van Toelichting van het Bkl blijkt dat daarmee mba’s worden bedoeld. Beoordeling initiatief Bij deze ontwikkeling is alleen sprake van de realisatie van woningen. Bij deze woningen worden net als elders binnen de gemeente beroepen aan huis toegestaan. Daarnaast kunnen via een omgevingsvergunning aan huis verbonden bedrijven en bed & breakfast worden mogelijk gemaakt. Het gaat hierbij om milieubelastende activiteiten met een beperkt ruimtebeslag en een beperkte milieubelasting, die in zijn algemeenheid aanvaardbaar zijn te achten binnen een woonomgeving. Voor bepaalde beroepen en bedrijven aan huis zijn regels gesteld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor andere beroepen en bedrijven aan huis zijn in het tijdelijke deel van het omgevingsplan regels

44

van rechtswege opgenomen (de bruidsschat). Die regels blijven gelden naast het voorliggende omgevingsplan voor deze locatie. Conclusie De milieubelastende activiteiten waarvan bij de nieuwe woningen sprake kan zijn vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de milieueffecten van die milieubelastende activiteiten worden regels gesteld in het omgevingsplan van rechtswege en het Besluit activiteiten leefomgeving.

4.8 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). De hoofdlijnen van het (Wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en het groepsrisico (de aandachtsgebieden). Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar (Kaarten | Atlas Leefomgeving). In het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt in ieder geval aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor een aanvullende onderbouwing en eventueel extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Beoordeling initiatief Op de planlocatie worden kwetsbare objecten in de vorm van woningen mogelijk gemaakt. In de omgeving zijn volgens de risicokaart echter geen risicobronnen aanwezig, waarvan de risicocontouren of de 45

aandachtsgebieden over de beoogde woningen liggen. Dat betekent dat risicovolle inrichtingen, basisnetroutes en buisleidingen op voldoende afstand van de planlocatie liggen en geen belemmeringen opwerpen voor de beoogde woningbouw.

Figuur 23: kaartuitsnede risicokaart met planlocatie blauw omcirkeld (bron: risicokaart.nl)

Concluderend Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het gewijzigde omgevingsplan.

4.9 Water Ruimtelijke ordening en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en worden sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben. Ook veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Het waterschap wil vroegtijdig meedenken over plannen en ontwikkelingen om samen met de gemeente en andere partners te zoeken naar de bijdrage die water kan leveren aan de verbetering van de leefomgeving. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. In het waterbeheerplan 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel laat het Waterschap zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten zij in de samenwerking met haar partners willen leggen. Het waterbeheerprogramma in het kort: • Beheren en onderhouden het grondwater en het water in beken, sloten en riviertjes. De zorg voor schoon water en zuiveren rioolwater. Controleren of iedereen zich aan de regels houdt.

Gebiedsinrichting zo uitvoeren dat het beter tegen de klimaatverandering kan.

46

•

• •

•

Kijken naar omgeving en hoe deze het beste kan worden ingericht. Uitgaande van dat het gebied beter kan tegen te nat maar ook tegen te droog weer. Hulp aanbieden zodat inwoners, bedrijven en andere overheden beter kunnen omgaan met de gevolgen van extreem weer. Zorgen voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Dijken worden zo onderhouden dat er ruimte is voor meer verschillende soorten planten en dieren. In 2025 wekt het Waterschap alle energie die ze gebruiken zelf op. Ze gebruiken en verspillen zo min mogelijk grondstoffen en stoten veel minder broeikasgassen uit. Hiervoor worden sommige werkwijzen aangepast en wordt gebruik gemaakt van steeds meer nieuwe technieken. Zorgen voor schoon water in beken en sloten, voor mensen en voor dieren en planten. Het rioolwater wordt steeds schoner gemaakt. Sommige plekken worden geschikt gemaakt voor bijzondere planten en dieren. De andere wateren mogen in ieder geval niet viezer worden.

Waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. De intensiteit van het watertoets proces is afhankelijk van de antwoorden op de vragen. Als er op een categorie 2 vraag een ‘ja’ is geantwoord, is een uitbreide watertoets noodzakelijk. Als er alleen met ‘nee’ is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden. Beoordeling initiatief Navolgend is de watertoetstabel opgenomen. De relevante waterthema’s voor de ontwikkeling worden door middel van de watertoetstabel geselecteerd en vervolgens beschreven (wanneer de toets vraag met ‘ja’ is beantwoord). Thema Veiligheid

Toetsvraag 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? Riolering en 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? Afvalwaterketen 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? Wateroverlast 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer (oppervlaktedan 2500m2? water) 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Oppervlakte1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op waterkwaliteit oppervlaktewater geloosd? Grondwater1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de overlast ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel?

Relevant Nee

Intensiteit 2

Nee

2

Nee Nee Nee

2 1 1

Ja

2

Ja

1

Nee

1 1

Ja Nee

1

Nee

1

Nee

1

47

Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer

Volksgezondheid

3. 4. 1. 1. 2. 1. 2.

Natte natuur

1. 2. 3.

Verdroging Recreatie

4. 1. 1.

Cultuurhistorie

1.

Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? Beoogt het plan aanleg van drainage? Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Nee Nee Nee

1 1 1

Nee

1

Nee Nee

2 1

Nee

1

Nee Nee Nee

2 2 1

Nee Nee Nee

1 1 2

Nee

1

In verband met de woningbouwontwikkeling is door Caudatis onderzoek ten behoeve van de watertoets uitgevoerd. Uit het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde rapport d.d. 20 september 2024 met nummer 2024-002 (zie bijlage 8) kan het volgende worden opgemaakt: Bergingseis De verhard oppervlakte zal door de voorgenomen ontwikkeling toenemen. Het gaat om: 6.973 m2. Hierdoor is er sprake van een toename van de afvoerende oppervlakte, wat in principe versneld afgevoerd zal worden ten opzichte van de huidige situatie. Voor het plangebied houdt dit in dat (80/1000) x 6.973 m² = 558 m³ berging gerealiseerd dient te worden. Voor de planlocatie is onderzocht welke berging- en infiltratievoorzieningen er mogelijk zijn. Gekozen is voor een 2-tal wadi’s met een totale berging van 448 m³. De noodzakelijke 598 m³ kan niet gerealiseerd worden in de wadi. Voorgesteld wordt om het tekort aan berging te realiseren per individueel perceel. De voorgestelde berging op perceel niveau bedraagt 20 mm. De omvang in kuubs qua berging is afhankelijk van het aangesloten afvoerend oppervlak. De berging op perceel niveau kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden in infiltratiekratten of bij grotere percelen een verlaging in de tuin. De voorgestelde oplossing heeft tot gevolg dat hemelwater afkomstig van de percelen (dak en opritten) in eerste instantie worden opgevangen in de berging op perceel niveau.

Het niet te bergen hemelwater, bijvoorbeeld in geval van grotere buien, dient oppervlakkig afgevoerd te worden richting één van de wadi’s. Afvalwater In de directe omgeving ligt geen vrijverval riool waarop aangesloten kan worden. Wel ligt er een persleiding in de Meesterijweg waarop de geclusterde panden Meesterijweg 9 – 11 zijn aangesloten.

48

Voor het plangebied zal voor de inzameling van afvalwater een nieuwe persleiding met een gemaal ontworpen moeten worden waarbij rekening gehouden zal moeten worden met een nieuw rioolgemaal en een separate persleiding welke zal lozen op het vrijverval in de Molenstraat. Concluderend Het aspect water vormt, mede gezien de uitkomsten van de klimaatatlas waarin geen bijzonderheden omtrent het aspect water worden verwacht, zoals beschreven in paragraaf 3.2.2 en paragraaf 3.4.8, geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5070/documents/34234