CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering

Raadsvergadering 24 september 2026, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 7: Gewijzigde vaststelling TAM IMRO Plan Buitengebied, Ulftseweg 107 Silvolde18.278 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5 alinea's met “luchtkwaliteit”: 6 66 67 68 70

| A v a n k e l i j k | v a n | h e t won i n gt yp e moet | een | b ep aal d | aantal | p u nten | word en | i n gezet , | b i j voorb eel d : • | Vr i j s t a a n d e | w o n i n g | ( 7 5 0–1000 m³): 160 punten • | Geschakelde betaalbare woning (175–300 m³): 36 punten • | Tiny house (<175 m³): 20 punten Vo o r | m o n u m e n t a l e | o f | k a r a k t e r i s F e ke | g e b o u w e n | g e l d t | e e n | ko r F n g | o p | h e t | a a n t a l | b e n o d i g d e | p u n t e n . Ook het hergebruik van bestaande gebouwen vraagt minder punten. Ve | r d | e | r | m | o | e t | v o | o | r | e | l | k e | o | n t | w | i | k | k e | l | i | n | g | e | e | n | e | r | fi | nrichFngsplan worden opgesteld. Dit plan moet aantonen dat het iniFaFef bijdraagt aan: • | De ruimtelijke kwaliteit van het erf en omliggend landschap, • | Pa s s e n d e | l a n d s c h a p p e l i j ke | i n p a s s i n g | ( b i j v. | a a n s l u i F n g | o p | l a n d s c h a p s t y p e ) , • | Behoud van een samenhangend ensemble van gebouwen op één erf (“één-erf gedachte”). To | t | s | l | o | t | b | i | e | d | t | h | e | t | b | e | l | e | i | d | o | o | k | r | u | i | m | t | e | v | o | o | r | m | a | a | t | w | e | r | k. Vo o r | i n i F a F e v e n | m e t | b i j z o n d e r e maatschappelijke of ruimtelijke meerwaarde biedt het beleid ruimte voor maatwerk.

Hierbij wordt per geval een extra afweging gemaakt buiten de standaardcriteria om. Maatwerk betre- won i n gb ou wi n i FaFeven | d i e niet volledig passen binnen het standaardbeleid, maar die wél wenselijk ku n n e n | z i j n | va nwe ge | h u n : • | maatschappelijke meerwaarde (bijv. wonen met zorg, sociale cohesie), • | duurzaam karakter (bijv. circulair bouwen, energieneutraal), • | ruimtelijke kwaliteit (bijv. herstel cultuurhistorisch erf of bijzonder landschappelijk ontwerp), • | of belang voor lokale ondernemers. Maatwerk is nadrukkelijk niet bedoeld als ‘oplossing ’ voor iniFaFeven die wél binnen het sta n d a a rd b el ei d | va l l en | ma a r | d a a r | b i j vo o r b eel d | n et | te wei n i g | o nt wi kkel p u nten | vo o r | h eb b en . Maatwerk wordt toegepast wanneer: • | een iniFaFef afwijkt van de standaardregels (bijv. grotere woning, andere erfstructuur), • | én het iniFaFef duidelijk onderbouwt waarom het toch wenselijk is. De gemeente beoordeelt deze iniFaFeven individueel op hun kwaliteit, onderbouwing en bijdrage aan de beleidsdoelen va n | l e eX a a r h e i d | e n | l a n d s c h a p p e l i j ke | ve r b ete r i n g . | D e | ge m e e nte | m a a kt | b i j maatwerk alFjd een zwaard ere i ntegral e af wegi n g. | De n ad r u k l i gt | o p: • | meer inspanning van de iniFaFefnemer (bijv.

extra landschappelijke inpassing), • | st ra kkere to et s i n g | a a n | gemeentel i j ke a mb i F es | en | d o el stel l i n gen , • | en in veel gevallen een hogere bijdrage aan landschap of leefomgeving dan bij sta n d a a rd p ro j ec ten . 22 23 Kortom: het uitnodigingskader biedt ruimte voor maatwerk, maar stelt daar duidelijke voorwaarden aan. Het is bedoeld voor écht bijzondere, goed onderbouwde iniFaFeven die méérwaarde bieden bovenop wat in het standaardbeleid al mogelijk is. Planspecifiek In dit project gaat het om het hergebruik van bestaande gebouwen voor een heel specifieke woonfuncFe, te weten het huisvesten van internaFonale werknemers in onzelfstandige woonruimten. Dit is een vorm van kamerbewoning waarbij voorzieningen als een keuken worden gedeeld. Het gaat dus heel expliciet niet om zelfstandige appartementen. Daarmee gaat het om een woonvorm die niet is voorzien bij het opstellen van het uitnodigingskader . Dit betekent dat het plan een maatwerksituaFe betre- in de zin van dit uitnodigingskader . Wel is er specifiek beleid vastgesteld voor de huisvesFng van internaFonale werknemers. De toets aan dat beleid is weergegeven in paragraaf 3.4.5. Het uitnodigingskader gee- aan dat maatwerk mogelijk is wanneer een plan een maatschappelijke of ruimtelijke meerwaarde biedt. In dit geval is er sprake van een maatschappelijke meerwaarde.

Het realiseren van goede huisvesFng voor internaFonale werknemers staat hoog op de poliFeke agenda. Op 4 juli 2024 hebben zeven gemeenten van de Regio Achterhoek en werkgeversorganisaFe VNO NCW het ‘Convenant huisvesFng arbeidsmigranten Regio Achterhoek 2024 – 2030’ ondertekend. De gemeente Oude IJsselstreek was een van de ondertekenaars. Het convenant beoogt samen met werkgevers, uitzendorganisaFes en verblijfsbieders te zorgen voor voldoende, kwalitaFeve en passende huisvesFng voor internaFonale werknemers in de regio. In het convenant wordt geconstateerd dat er op dit moment een tekort is in de regio. Het convenant bevat afspraken over inschrijving, registraFe, kwaliteitseisen (zoals SNF-normen), en samenwerking om dakloosheid te voorkomen, zelfredzaamheid te bevorderen en toegang tot informaFe (zoals via apps) te verbeteren. Doelstellingen zijn onder meer 1500 extra verblijfplaatsen vóór 2027 en huisvesFng van 90% van de arbeidsmigranten in de regio tegen 2030. Gemeenten behouden hun eigen ruimtelijke bevoegdheden, maar zeken gezamenlijk in op structurele verbeteringen via periodiek overleg, monitoring en een gezamenlijke uitvoeringsagenda. De ambiFe om binnen de regio 1.500 nieuwe verblijfplaatsen te realiseren voor 2027 is uitdagend te noemen. Daarbij komt dat er over de gehele breedte van de woningmarkt tekorten zijn.

De woonoplossingen voor internaFonale werknemers gaat idealiter dan ook niet ten koste van de bestaande woningvoorraad. Het verbouwen van de niet-agrarische bedrijfsgebouwen naar een kwalitaFef hoogwaardige huisvesFngsoplossing voor internaFonale werknemers draagt direct bij aan de ambiFes van de samenwerkende gemeenten op dit vlak. Dit zonder dat dit ten koste gaat van de bestaande woningvoorraad. Daarbij is het hergebruik van de bestaande bebouwing een vorm van zuinig ruimtegebruik. Het hergebruik van de bestaande bebouwing draagt ook bij aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen. Het bouwmateriaal dat reeds in de gebouwen aanwezig is (denk aan stalen spanten en betonnen vloeren) hoe- immers niet nieuw geproduceerd en naar de bouwplaats vervoerd te worden. Tot slot past de locaFe binnen de lokale kaders voor het huisvesten van internaFonale werknemers (zie ook paragraaf 3.4.5). Verder maakt het uitvoeren en in standhouden van een inrichFngsplan onderdeel uit van dit plan. Op basis van De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) en de grooke van het plangebied moeten er 3.400 punten behaald worden met dit inrichFngsplan. Omdat het een maatwerkafweging betre- moet er een plus gerealiseerd worden boven op de eis op grond van het VLNGK.

Daarom is door een landschapsdeskundige onderzocht wat de bestaande kenmerken zijn van het plangebied, wat de landschappelijke en historische context is en welke kansen voor kwaliteitsverbetering dit oplevert. Daarbij is ook rekening gehouden met het feit dat voor dit gebied de landschapskwaliteit ‘openheid’ van toepassing is. Bij het opstellen van dit inrichFngsplan is verkend wat de maximale 24 landschappelijke mogelijkheden zijn binnen het plangebied, aanvullend op het inrichFngsplan zoals dat nu is opgesteld. Daarbij zijn de volgende mogelijkheden onderzocht: 1 Het weiland verschralen Een deel van het perceel is nu als weiland in gebruik. Omdat het gebied volgens het geldende omgevingsplan het kenmerk ‘openheid’ hee- is het verdergaand beplanten van dat weiland geen opFe. Daarmee wordt immers het landschap verdicht. Wat nog wel een mogelijkheid is, is het verschralen van het weiland. Het wordt dan soortenrijker . Dit is een ecologisch voordeel boven de huidige situaFe zonder dat je de openheid aantast. Landschappelijk heef dat echter geen meerwaarde. Ook het ecologische voordeel is heel beperkt. Het is een heel klein gebiedje dat geen directe verbindingen hee- met andere gebieden en dat ook nog eens langs een drukke weg ligt deze ligging zorgt voor verstoring door licht en geluid en zorgt voor de kans op aanrijdingen met b.v. opvliegende vogels.

Deze opFe levert dan ook landschappelijk en ecologisch geen meerwaarde en is daarom niet toegevoegd aan het inrichFngsplan. 2 Nieuwe opgaande beplan;ng langs gasleiding Er is een historische landschappelijk lijn te trekken langs de gasleiding. Je zou die terug kunnen brengen door daar beplanFng aan te brengen. Die opFe strookt echter niet met de ‘openheid’ die op grond van het geldende omgevingsplan behouden moet blijven. Daarbij komt dat op grond van het omgevingsplan diepwortelende beplanFng is uitgesloten nabij de gasleiding. Ook deze opFe is daarom niet toegevoegd aan het inrichFngsplan. 3 Strook langs de beek Het plangebied grenst aan de beek. Die strook bestaat nu voor het overgrote deel uit opgaande beplanFng. Er is een klein hoekje binnen het plangebied waar de bestraFng vervangen zou kunnen door beplanFng. Dit is echter een zeer kleine ingreep die niet zichtbaar is vanaf de openbare weg. De ingreep levert zowel landschappelijk als ecologisch geen echte meerwaarde en is daarom niet toegevoegd aan het inrichFngsplan. Het inrichFngsplan dat is opgesteld maakt opFmaal gebruik van de kansen die het plangebied biedt en zorgt er ook voor dat een aantasFng van de openheid voorkomen wordt. Tot slot is rekening gehouden met de aard van het plan, te weten het hergebruik van bestaande bebouwing.

Het inrichFngsplan dat als voorwaardelijke verplichFng is opgenomen in dit plan bevat maatregelen die 6.640 punten opleveren. Dit is een surplus van 3.240 punten en 95% meer dan vereist op grond van het VLNGK. Daarmee levert het plan ook op ruimtelijke c.q. landschappelijk vlak een meerwaarde die groter is dan vereist op basis van het VLNGK zodat de plus gerealiseerd wordt die nodig is voor de maatwerkafweging op grond van het ‘uitnodigingskader woningbouw buitengebied’. Samengevat levert het plan een bijdrage aan de gemeentelijke ambiFes op het gebied van het huisvesten van internaFonale werknemers en het achterliggende maatschappelijke vraagstuk. Daarbij wordt voor dit plan een grotere bijdrage geleverd aan de landschappelijke inpassing dan op basis van het VLNGK is vereist. Tot slot betre- het plan de transformaFe van een niet-agrarische funcFe in het buitengebied waarbij de bestaande bebouwing wordt hergebruikt. Dit is een vorm van zuinig ruimtegebruik en draagt bij aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen. Dit betekent dat gebruik gemaakt kan worden van de maatwerkmogelijkheid die het uitnodigingskader biedt. 3.5.6 Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek In de KwalitaFeve toetsingscriteria voor woningbouw wordt aanbevolen om lokaal een kader vast te stellen over de ruimtelijke inpassing van nieuwbouw binnen de bebouwde kom en in het buitengebied.

In 2021 hee- de gemeenteraad vervolgens de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vastgesteld. De 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' vormt 25 samen met de 'KwalitaFeve toetsingscriteria voor Woningbouw' de kaders voor nieuwe woningbouwplannen. Met het vaststellen van de Lokale kwaliteitscriteria en de (regionale) KwalitaFeve toetsingscriteria beschikt de gemeente over een compleet kader waarmee nieuwe woningbouwplannen kunnen worden getoetst en kan de gemeente sturen op gewenste ontwikkelingen op de woningmarkt. Er zijn vijf typen woningbouwplannen te onderscheiden waarvoor de lokale kwaliteitscriteria een kader biedt: • Bouwen op onbenutte inbreidingslocaties ‘van binnen naar buiten’. • Bouwen op uitleglocaties aan de rand van de grote kernen. • Buitengebied: woningsplitsing. • Buitengebied: functieverandering en hergebruik vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s). • Buitengebied: landgoederen. Uit de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek' blijkt dat de aantoonbare (woning)behoe-e voor de komende jaren vooral bij het toevoegen van starters- en levensloopgeschikte woningen ligt, de gemeente wil hier dan ook extra op inzeken. Voor het starterssegment ligt de nadruk logischerwijs met name bij de betaalbaarheid.

De levensloopgeschikte woningen zijn voor de doelgroep senioren bedoeld, daarbij gaat het om woningen waarbij (minimaal) alle basisvoorzieningen op de begane grond of gelijkvloers aanwezig zijn. Ten aanzien van het eerste type bieden locaFes met leegstaand vastgoed onvoldoende potenFeel om in de volledige woningbehoe-e voor de komende jaren te voorzien. Het is daarom noodzakelijk om ook te kijken naar onbenuke inbreidingslocaFes. Hiermee wordt gedoeld op niet bebouwde locaFes binnen de bestaande bebouwde omgeving (Kom-bestemmingsplannen), te weten: • verdichting op een bestaand perceel met de bestemming ‘wonen’, het inpassen van woning(en) naast reeds bestaande woning(en); • woningbouw in ‘gat’ in de bestaande stedenbouwkundige structuur; • woningbouw op een locatie met een ‘rode’ bestemming, d.w.z. een bestemming die momenteel al bebouwing toestaat. Planspecifiek Het plan sluit aan bij de 'Lokale kwaliteitscriteria woningbouw Oude IJsselstreek'. Het plan voor de realisaFe van een logiesgebouw is passend binnen het gemeentelijke beleid voor internaFonale werknemers. Daarnaast is er sprake van een ’rode’ bestemming. Het plan vindt namelijk plaats binnen bestaande bebouwing. Hierdoor voldoet het plan aan woningbouw ter plaatse van een gebied waar reeds bebouwing is toegestaan. Dit sluit aan bij het oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik binnen de gemeente Oude IJsselstreek.

Ook gaat het plan niet ten koste van de bestaande woningvoorraad. 3.5.7 Visie op landschap, natuur en groene kernen De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) biedt een gewenst toekomstbeeld. De visie is in een interacFef proces met bewoners, maar ook organisaFes en verenigingen tot stand gekomen. De visie gee- richFng aan de gewenste ontwikkeling van het landschap voor zowel het buitengebied als de kernen. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente Oude IJsselstreek realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen sFmuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving. Planspecifiek 26 Het plan betre- de verbouwing van een bestaand pand, waardoor de ontwikkeling geen effect hee- op de uitstraling van de omgeving. Doordat het plangebied is gelegen in een gemengd gebied en op korte afstand tot de bebouwde kom ligt, is het voorgenomen gebruik passend in de omgeving. Als het gaat om het landschap hanteert de gemeente Oude IJsselstreek de voorwaarde dat er een landschappelijke inpassing moet worden gerealiseerd. Dit gebeurt aan de hand van een puntensysteem.

Voor dit plan is een inrichFngsplan gemaakt dat voldoet aan het gemeentelijke puntensysteem (zie bijlage 1 bij de planregels). De uitvoering en instandhouding van dit inrichFngsplan is als voorwaardelijke verplichFng opgenomen in de planregels. 3.5.8 Oude IJsselstreek Klimaatbestendig – Klimaatagenda 2022-2026 Het klimaat verandert en weersomstandigheden worden extremer . Als de gemeente Oude IJsselstreek veilig, leeXaar en aantrekkelijk willen blijven voor toekomsFge generaFes, dan moet de leefomgeving zodanig ingericht worden dat mensen zich voldoende kunnen weren tegen de weersextremen. De gemeente Oude IJsselstreek hee- daarom de Klimaatagenda 2022 - 2026 opgesteld, waarin de visie en ambiFes voor een klimaatbestendige inrichFng en de maatregelen voor 2022 tot en met 2026 zijn opgenomen. Planspecifiek Dit plan betre- de verbouwing en de gebruikswijziging van een bestaand pad op een bestaand erf. Van een significante impact op het klimaat is dan ook geen sprake. Op het erf is veel opgaand groen zodat hikestress zoveel mogelijk wordt voorkomen. Van andere klimaataspecten die als bedreiging voor het project gezien zouden moeten worden is geen sprake. 27 4. Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichFge toedeling van funcFes aan locaFes.

Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zijn op het onderzochte omgevingsaspect. 4.1 Geluid Veel acFviteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaFes anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de acFviteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. 4.1.1 (Wettelijk) kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasFng onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locaFe in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en lee€limaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende acFviteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasFng vorm te geven.

Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaFes nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • Het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • Het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • Het bevorderen van bronmaatregelen; • Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; • Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproducFeplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulaFe van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locaFe binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichFge toedeling van funcFes aan locaFes het aspect geluid afgewogen worden.

4.1.2 Onderzoek Met het plan wordt een geluidsgevoelig object gerealiseerd voor zover het de appartementen betre-. De kamers in de bestaande woning betreffen een logiesfuncFe die niet geluidshindergevoelig is. Voor 28 de uitvoerbaarheid van het plan is daarom een akoesFsch onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van het akoesFsch onderzoek is weergeven in bijlage 4. Kaartbeeld uit het akoes6sch onderzoek, zie ook bijlage 4. Uit het akoesFsch onderzoek blijkt dat de hoogste geluidsbelasFng (60 dB) ligt op de gevel van de bestaande woning. Deze woning zal worden gebruikt als logiesgebouw. Dit gebruik is niet geluidhindergevoelig. Wel is het wenselijk dat er een comfortabel binnenniveau wordt gehaald qua geluid. Aan de hand van een bouw-akoesFsch onderzoek kan worden bepaald wat het binnenniveau zal zijn aan de hand van het type gevel en de toe te passen materialen bij de verbouwing (zoals het type glas dat wordt toegepast. Op de andere delen van het gebouw ligt de gevelbelasFng aanzienlijk lager en onder de standaardwaarde van 53 dB. Uit het onderzoek blijkt dat het toekomsFge gebruik past binnen het bestaande geluidsprofiel. Nadere maatregelen (zoals aanpassingen aan gevels) zijn dan ook niet noodzakelijk. 4.1.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

Bij de omgevingsvergunning voor de verbouwing van de gebouwen kan aan de hand van een bouw- akoesFsch onderzoek worden bepaald of en zo ja werkelijke maatregelen aan de gevels nodig zijn om een comfortabel binnen niveau te halen bij die delen van het gebouw die te maken hebben met de hoogste geluidsbelasFng. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichFng opgenomen in de planregels. 4.2 Luchtkwaliteit In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de acFviteit rekening wordt gehouden met het aspect luchtkwaliteit. 4.2.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instrucFeregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instrucFeregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende sFkstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een acFviteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

29 • Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een acFviteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor sFkstofdioxide en fijnstof nodig. Uit arFkel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentraFe NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraFes. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blij-: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn.

Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Buiten de zogenaamde aandachtsgebieden (die liggen in de grotere stedelijke agglomeraFes) blij- toetsing aan het onderwerp luchtkwaliteit in het omgevingsplan beperkt tot de aanleg van auto(snel)wegen en langere tunnelbuistrajecten. De Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit gelden niet voor arbeidsplaatsen. Daartoe behoren bijvoorbeeld bedrijventerreinen, maar ook bedrijfswoningen. Tensloke moet in het kader van een evenwichFge toedeling van funcFes aan locaFes moet afgewogen worden of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plan aanvaardbaar is om een nieuwe woning te realiseren. 4.2.2 Onderzoek Op en rondom het plangebied is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer . De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is in dit geval van toepassing. De aanvraag hee- betrekking op het realiseren van een woongebouw met 27 onzelfstandige woonruimten (kamers). De grens in de regeling ligt bij 1500 woningen met een enkele ontsluiFngsweg of 3000 woningen met twee ontsluiFngswegen. De ontwikkeling blij- daar ruimschoots onder .

Dit blijkt ook uit de NIBM-rekentool die is ingevuld voor dit project. Hierbij is op grond van de CROW-publicaFe 381 uitgegaan van een verkeersgeneraFe op een gemiddelde weekdag van 2,4 voertuigbewegingen per kamer en daarmee een totaal van 65. Omdat het een logiesfuncFe betre-, is het aandeel vrachtverkeer op 1,0% gezet.

30 Tabel NIBM tool (bron: Rijkswaterstaat) De ruimtelijke procedure hee- bovendien geen betrekking op de ontwikkeling van een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Deze gevoelige bestemmingen zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen in de zin van het voornoemde Besluit. 4.2.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. 4.3 Geur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de acFviteit rekening wordt gehouden met het aspect geur . 4.3.1 (Wettelijk) kader De instrucFeregels van het Bkl voor geur a€omsFg van rioolwaterzuiveringen en landbouwhuisdieren zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de funcFe bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaFes bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichFg toedelen van funcFes aan locaFes. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmaFge acFviteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die acFviteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.

Er moet dus worden beoordeeld of de geur van een acFviteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar is. 4.3.2 Onderzoek Op grond van arFkel 5.91 Bkl zijn onder meer gebouwen met een woonfuncFe geurhindergevoelig. De term ‘woonfuncFe’ is daarbij als volgt gedefinieerd in bijlage I bij het Bkl: “woonfunctie als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;” De begripsbepaling in het Bkl verwijst hierbij naar een begripsbepaling in het Bbl en die luidt als volgt: “gebruiksfunctie voor het wonen;” Van wonen is sprake wanneer het gebruik een zeker duurzaam karakter hee- gezien vanuit de persoon die er verblij-. Of anders gezegd, de duur van het verblijf door een persoon is medebepalend voor de vraag of er sprake is van ‘wonen’ en daarmee van een ‘woonfuncFe’. Een andere sturende factor is de vraag of degene die verblij- elders een hoofdverblijf hee-. Is er geen sprake van permanent verblijf, dan is er sprake van een logiesfuncFe en niet van een woonfuncFe. Een logiesgebouw is niet geurhindergevoelig op grond van het Bkl. In dit geval gaat het om een plangebied in het buitengebied. PotenFeel relevante geurbronnen bestaan in dit geval uit omliggende veehouderijen. Daarbij zijn er twee aspecten die beschouwd moeten worden.

Enerzijds is dat het woon- en lee€limaat voor de toekomsFge gebruikers en anderzijds zijn dat de gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden voor de veehouderijen zelf. In de onderstaande tabel is aangeven welke locaFes in de omgeving van het plangebied bestemd zijn als 31 agrarisch bedrijf, wat de afstand is tot het onderhavige gebouw (gemeten vanaf de grens van het agrarische bouwvlak) en of er sprake is van een veehouderij. Agrarische bouwvlakken op een afstand van 500 meter of meer zijn buiten beschouwing gelaten. Agarisch bouwvlak Afstand tot gebouw Type veehouderij Lichtenberg 2 130 meter Geen veehouderij aanwezig Lange Dijk 1 310 meter Melkvee en varkens (o.a. biggenopfok) Op het bedrijf Lichtenberg 2 is momenteel geen veehouderij gevesFgd. Op grond van het bestemmingsplan kan hier zowel een grondgebonden als een intensieve veehouderij gevesFgd worden. Voor grondgebonden veehouderijen geldt een minimale afstand van 50 meter tot omliggende geurgevoelige gebouwen in het buitengebied. De nieuwvesFging van een intensieve veehouderij is niet aannemelijk. Daarbij komt dat er bestaande woningen zijn die dichter bij het agrarische bouwvlak Lichtenberg 2 staan. Die bestaande woningen zijn daarmee maatgevend voor de geurruimte die het bedrijf potenFeel hee-. In de bestaande situaFe vormt dit agrarische bouwvlak dus geen belemmering voor het voorgenomen gebruik in het plangebied.

Andersom vormt dit project geen belemmering voor de potenFële gebruiksmogelijkheden van het agrarische bouwvlak omdat er geen nieuwe geurhindergevoelige funcFe wordt gerealiseerd. Het agrarische bedrijf op het adres Lange Dijk 1 hee- een intensieve veehouderijtak. Dit bedrijf ligt op een ruime afstand van het plangebied. Daarbij komt dat er tussen het plangebied en deze veehouderij bestaande woningen zijn die bepalend zijn voor de geurruimte en ontwikkelmogelijkheden van dat bedrijf als het gaat om het aspect geur . Ook dat bedrijf vormt dus geen belemmering voor dit project en het project vormt geen belemmering voor dat agrarische bedrijf. Hierdoor is sprake van een goed woon- en lee€limaat vanuit het aspect geur . 4.3.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur . 4.4 Trillingen Trillingen kunnen hinder geven aan personen, gebouwen en acFviteiten door golXewegingen via de bodem. Deze trillingen worden vooral veroorzaakt door weg- en railverkeer en industriële machines. De trillingen die voelbaar zijn, bestaan uit mechanische golvende bewegingen van materialen. Anders dan bij geluid vindt de overdracht niet plaats via de lucht (gasvormig medium), maar via vaste materie (bodem, vloeren, wanden en dergelijke). Trillingen nemen af naarmate de afstand tot de bron groter is.

4.4.1 (Wettelijk) kader De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in arFkel 4.2 van de Omgevingswet. De overheid moet bij een evenwichFge toedeling van funcFes aan locaFes in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving. 4.4.2 Onderzoek Op ongeveer 2,35 km ten noorden van het plangebied is de spoorweg DoeFnchem – Winterswijk gelegen. Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt meestal binnen een afstand van ongeveer 100 m vanaf de bron. Buiten dit gebied treden bijna nooit voelbare trillingen op. 32 Doordat het plangebied buiten de zone van 100 m afstand van de spoorweg ligt, worden geen negaFeve effecten met betrekking tot trillingen van (spoor)wegen verwacht. 4.4.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect trillingen. 4.5 Bodemkwaliteit Bij iedere ontwikkeling met betrekking tot de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde funcFe. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de acFviteit rekening wordt gehouden met het aspect bodem. 4.5.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instrucFeregels in het Bkl opgenomen.

De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke acFviteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaFes zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de funcFonele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en - aantastingen. 4.5.2 Onderzoek Het plan betre- een transformaFe van een voormalige bedrijfswoning en een leegstaand bedrijfsgebouw naar een logiesgebouw. Hiervoor is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). Dit verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van NEN 5740. Dit protocol richt zich op de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en biedt een strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek.

Daarnaast werden specifieke aspecten onderzocht met aanvullende richtlijnen, zoals NEN 5707 voor asbest in de bodem en NEN 5725 voor het vooronderzoek. Deze protocollen vormen de basis voor de gehanteerde methodologie en de betrouwbaarheid van de resultaten. Het doel was het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater in het kader van een bestemmingswijziging van bedrijf naar wonen. Historisch onderzoek wees op mogelijke verontreinigingen door het industriële gebruik van de locaFe, zoals een werkplaats en een bovengrondse olietank. Onderzoek omvake boringen en watermonsters, waarbij geen overschrijdingen van intervenFewaarden werden gevonden. Lichte verhogingen van barium en minerale olie in het grondwater werden genoteerd, maar vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. Er werden geen aanwijzingen gevonden voor PFAS- of asbestverontreiniging. 33 Op grond van het uitgevoerde onderzoek kan de bodemkwaliteit van de locaFe als geschikt worden beschouwd voor de voorgenomen funcFewijziging naar wonen. De grond valt binnen de kwaliteitsklassen Landbouw/natuur en Wonen. Er is geen aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk. 4.5.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

4.6 Mobiliteit en parkeren In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de acFviteit rekening wordt gehouden met de aspecten verkeer en parkeren. 4.6.1 (Wettelijk) kader In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). De gemeente Oude IJsselstreek hee- actueel parkeerbeleid in de vorm van de "Nota Parkeernormen Oude IJsselstreek" (vastgesteld in 2024). De "Nota Parkeernormen Oude IJsselstreek" legt de basis voor het nieuwe parkeerbeleid binnen de gemeente. De aanleiding voor deze nota is de behoe-e aan een actueel en eenduidig toetsingskader voor bouwprojecten, vanwege verouderde richtlijnen uit het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan (2012-2020). De nota sluit aan bij de vereisten van de ReparaFewet BZK 2014, waarbij parkeernormen expliciet in bestemmingsplannen (thans het omgevingsplan) moesten worden opgenomen. Het document hanteert de kencijfers van het CROW , zoals beschreven in "Toekomstbestendig Parkeren", waarbij de stedelijkheidsgraad en funcFes van gebouwen bepalend zijn voor de normen.

Verder biedt het rapport een uitgebreid toepassingskader dat stapsgewijs uitlegt hoe de parkeereis wordt berekend en getoetst aan het beschikbare parkeeraanbod: 1. Berekening van de parkeereis: Gebruik de gemeentelijke parkeernormen en aanwezigheidspercentages om het aantal benodigde parkeerplaatsen te bepalen, inclusief mogelijke correcFes voor dubbelgebruik en compensaFe van verdwenen parkeerplaatsen. 2. Toetsing van de parkeerbehoeWe aan het parkeeraanbod: Verifieer of het benodigde aantal parkeerplaatsen beschikbaar is binnen het plangebied. Bij gefaseerde gebiedsontwikkeling moet na elke fase voldoende parkeercapaciteit beschikbaar zijn. 3. Afwijkingsmogelijkheden binnen het bouwplan: Pas het bouwplan aan indien de parkeereis niet gehaald wordt, bijvoorbeeld door het verminderen van de parkeervraag of het creëren van meer ruimte voor parkeerplaatsen. 4. Parkeren in de nabije omgeving: Gebruik openbare of private parkeercapaciteit in de directe omgeving om de resterende parkeervraag op te vangen, mits de bezeungsgraad niet boven 85% sFjgt op drukke momenten. 5. Aanleggen van extra parkeerplaatsen: Indien nodig, onderzoek de mogelijkheid om extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte aan te leggen, in samenspraak met gemeentelijke adviseurs. 6.

Afwijken van de parkeernormen: In uitzonderlijke gevallen kan het college besluiten om af te wijken van de parkeernormen binnen de omgevingsvergunning, bijvoorbeeld op basis van andere belangen. 34 Er zijn mogelijkheden voor afwijkingen, mits goed onderbouwd, bijvoorbeeld door dubbelgebruik of parkeerruimte in de omgeving. Het onderscheid tussen stedelijkheidsklassen en gebiedsindeling is ook cruciaal. Voor centra en schilgebieden gelden lagere parkeernormen door de aanwezigheid van alternaFeve vervoersopFes en concentraFe van voorzieningen. Dit maakt maatwerk mogelijk voor diverse locaFes binnen de gemeente. 4.6.2 Onderzoek Verkeersgenera.e Het plangebied en de parkeerplaatsen worden ontsloten via de Ul-seweg. Er zijn twee bestaande inriken naar het perceel. Voor de ontsluiFng zijn geen extra maatregelen nodig. Het verkeer ten behoeve van het logiesgebouw kan zonder verkeerskundige maatregelen worden afgewikkeld op de bestaande infrastructuur . Parkeren Een logiesgebouw moet in de zin van het gemeentelijke parkeerbeleid worden gezien als een vorm van kamerbewoning voor niet-studenten. De Nota Parkeernormen hanteert voor deze woonvorm in het buitengebied een parkeernorm van 0,7 parkeerplek per kamer . In dit project gaat het om 27 kamers. Dit betekent dat er binnen het plangebied ruimte moet zijn voor 19 parkeerplekken.

De parkeerruimte voor deze kamer zullen binnen het plangebied moeten worden gevonden. Uit de inrichFngstekening in bijlage 1 blijkt dat binnen het plangebied ruim voldoende parkeergelegenheid aangelegd wordt. Daarbij zal in de planregels van het omgevingsplan een voorwaardelijke verplichFng worden opgenomen ten aanzien van de aanleg van voldoende parkeerplekken voor auto’s. Fietsen Onderdeel van het project is het realiseren van bergingen in de bestaande bebouwing. Daarmee ontstaat voldoende inpandige stallingsruimte voor fietsen. Langs de Ul-seweg ligt een vrij liggend fietspad. Daarmee is het perceel goed ontsloten voor fietsverkeer richFng onder meer Silvolde en Ul-. 4.6.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect mobiliteit en parkeren. 4.7 Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de acFviteit de omgevingsveiligheid gewaarborgd wordt. Omgevingsveiligheid beschrij- de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, producFe, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

4.7.1 (Wettelijk) kader De hoofdlijnen van het (Wekelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instrucFeregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn acFviteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betre- de volgende acFviteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); 35 • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (arFkel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar . In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaFes.

Deze gebouwen en locaFes zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschri-engebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschri-engebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschri-engebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instrucFeregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende acFviteit in het Besluit acFviteiten leefomgeving: • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). • 4.7.2 Onderzoek Aan de hand van de Atlas leefomgeving is een inventarisaFe verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op bijgevoegde aXeelding is een uitsnede van de Atlas leefomgeving weergegeven. Uitsnede Atlas leefomgeving, plangebied blauw aangeduid (bron: atlasleefomgeving.nl/kaarten) Zoals uit bijgevoegde aXeelding blijkt, ligt het plangebied binnen een aandachtsgebied voor een buisleiding.

In dit geval gaat het om een brandaandachtsgebied. Wat betre- de buisleiding zelf is in het reeds geldende omgevingsplan een strook opgenomen met de aanduiding ‘Leiding – Gas’. Op grond van deze aanduiding zijn werkzaamheden die de integriteit van de buisleiding kunnen bedreigen uitgesloten. Deze aanduiding valt buiten de grenzen van het plangebied. Dit betekent dat

36 deze buisleiding geen beperking vormt voor het plan. Op bijgevoegde aXeelding is de aanduiding ten behoeve van de gasleiding in het omgevingsplan weergegeven. Uitsnede geldend (6jdelijk) omgevingsplan, plangebied globaal blauw omlijnd, aanduiding gasleiding oranje aangeduid (bron: Regels op de kaart) De kans dat er een brand ontstaat bij dit type buisleiding is uiterst klein. Dit vanwege de opbouw van de buis zelf (materiaalgebruik, wanddikte etc.) en de diepte waarop de buis ligt. Zonder een zeer ongebruikelijke invloed van buitenaf is de kans op lekkage vrijwel nihil. Omdat het gas onder hoge druk vervoerd wordt zijn de gevolgen bij een breuk in de leiding waarbij fakkelbrand ontstaat potenFeel echter groot. Dit omdat bij die brand zoveel warmte ontstaat dat hulpdiensten op afstand moeten blijven. Het is daarom van belang dat de toekomsFge bewoners Fjdig en zoveel mogelijk zelfstandig kunnen vluchten. Dit levert de hiernavolgende aandachtspunten op voor enerzijds het bouwplan en de daarvoor te verlenen omgevingsvergunning en anderzijds het toekomsFge feitelijke gebruik. Realiseren van (nood)uitgangen van de risicobron af Uit arFkel 4.94 Bkl volgt dat minimaal één (nood)uitgang nodig is aan de zijde van het gebouw die van de risicobron af is gericht.

Dit maakt het mogelijk dat toekomsFge bewoners bij een (dreigende) brand in de nabijheid van de leiding veilig kunnen vluchten. Alle (nood)uitgangen dienen bovendien aan te sluiten op de infrastructuur binnen én buiten het plangebied om een veilige evacuaFe te waarborgen. Zoals is aangegeven op de schets in bijlage 8 bij deze moFvering zal daarin worden voorzien. Vergroten van de zelfredzaamheid De zelfredzaamheid van toekomsFge bewoners is een aandachtspunt. Bewoners zullen daarom acFef worden geïnformeerd over vluchtroutes en het handelingsperspecFef bij incidenten in meerdere talen aangezien het om internaFonale werknemers gaat. Denk hierbij aan bebording in en om het gebouw alsmede informaFe panelen waarin bewoners worden geïnformeerd over: • De ligging van de aardgasleidingen; • Het gewenste gedrag in geval van een calamiteit; • De aankondiging en risico’s van (graaf)werkzaamheden. Dergelijke veiligheidsinstrucFes sluiten aan bij de algemene instrucFes die gegeven zullen worden in verband met brandveilig gebruik. 4.7.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect omgevingsveiligheid. Wel zijn er aandachtspunten voor de verdere uitwerking van het bouwplan en voor het toekomsFge feitelijke gebruik.

37 4.8 Natuur In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de acFviteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de omliggende natuur door sFkstofdeposiFe. 4.8.1 (Wettelijk) kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000- gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden (buiten bebouwingscontour en erven). Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.8.2 Onderzoek Gebiedsbescherming Om de gevolgen van gebiedsbescherming te beoordelen is de website hkps://www.natura2000.nl/gebieden geraadpleegd. Op bijgevoegde screenshot van die website is weergegeven dat in de directe omgeving van het plangebied geen Natura-2000 gebieden zijn gelegen. Uitsnede natuurkaart Nederland (bron: hRps://www.natura2000.nl/gebieden) Op de bijgevoegde uitsnede is weergegeven dat op ongeveer 6,2 km ten westen van het plangebied het Natura 2000-gebied Rijntakken is gelegen.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking. Voor de uitvoerbaarheid van het plan is een Aerius berekening uitgevoerd. Hierbij zijn berekeningen gemaakt voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Uit het onderzoek blij- dat de sFkstofdeposiFe zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar is. Daarmee kunnen significante negaFeve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. De volledige rapportage van de Aerius berekening is weergegeven in bijlage 6. Soortenbescherming Voor dit plan is in eerste instanFe een ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlage 7). Het onderzoek richke zich op de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Uit de quickscan bleek dat de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen van huismussen en verblijfplaatsen van

38 vleermuizen in de te verbouwen bebouwing niet op voorhand kon worden uitgesloten. Om die reden is geadviseerd om voorafgaand aan de uitvoering van de verbouwingswerkzaamheden soortgericht vervolgonderzoek uit te voeren. Dit soortgerichte vervolgonderzoek is inmiddels uitgevoerd door De Slijpkruik Ecologie B.V . en is opgenomen als bijlage 9 bij deze moFvering. Het onderzoek hee- zich gericht op nestplaatsen van huismussen en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Het onderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2021 en het Kennisdocument Huismus 2.0 van BIJ12. Tijdens het soortgerichte onderzoek zijn geen jaarrond beschermde nestplaatsen van huismussen aangetroffen. Ook zijn binnen het plangebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. De voorgenomen werkzaamheden leiden daarnaast niet tot aantasFng van essenFeel foerageergebied of essenFële vliegroutes van vleermuizen. Voor zowel huismussen als vleermuizen is daarom geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-acFviteit noodzakelijk. Tijdens het onderzoek zijn daarnaast meerdere nesten van roeken aangetroffen in een grote beuk langs de Ul-seweg, ten zuidwesten van het plangebied. Deze nesten zijn jaarrond beschermd. De betreffende boom en de omliggende bomen blijven echter behouden.

Gelet op de ligging en hoogte van de nesten wordt ook van langsrijdend verkeer en toekomsFg bouwmaterieel geen wezenlijke invloed verwacht. Van aantasFng van de jaarrond beschermde nesten van roeken is daarom geen sprake. Ook voor overige beschermde soorten zijn geen vervolgstappen of een omgevingsvergunning noodzakelijk. Wel blij- bij de uitvoering van de werkzaamheden de algemene zorgplicht van toepassing. Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden met algemene broedvogels en andere aanwezige fauna. Daarnaast dient onnodige lichtverstoring van foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen te worden voorkomen. Dit kan door bij voorkeur overdag te werken en, wanneer kunstverlichFng noodzakelijk is, gebruik te maken van afgeschermde armaturen met een beperkte verlichFngshoogte en de verlichFng niet op omliggende bomen en andere groenstructuren te richten. 4.8.3 Conclusie Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat het plan niet leidt tot significante negaFeve effecten op Natura 2000-gebieden. Ook blijkt uit het soortgerichte vervolgonderzoek dat de voorgenomen ontwikkeling niet leidt tot aantasFng van beschermde funcFes van huismussen of vleermuizen en dat geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-acFviteit noodzakelijk is.

Ook ten aanzien van de aanwezige roekennesten en overige soorten bestaan geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan, mits bij de werkzaamheden de geldende zorgplicht in acht wordt genomen. Het aspect natuur vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.9 Cultureel erfgoed Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de acFviteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locaFe van de acFviteit aanwezige archeologische of cultuurhistorische waarde. Gezien de aspecten archeologie en cultuurhistorie vaak met elkaar verweven zijn, worden deze hier gezamenlijk besproken. 4.9.1 (Wettelijk) kader Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk gee- hiervoor instrucFeregels (arFkel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over: 39 • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • Verplaatsing van beschermde monumenten; • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. • 4.9.2 Onderzoek Cultuurhistorie Het plan betre- een funcFewijziging van een voormalig metaalbewerkingsbedrijf naar een logiesgebouw.

Met het plan vinden enkel inpandige bouwwerkzaamheden plaats. Doordat het pand geen cultuurhistorische waarde hee-, hee- het plan geen negaFef effect op cultuurhistorische waarden. Archeologie Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelfuncFe ‘Waarde – Archeologische verwachFng 2’ ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Deze dubbelfuncFe regelt dat voor bodemingrepen vanaf 1.000 m2 en 30 cm diep archeologisch onderzoek nodig is. Met het plan vinden geen bodemingrepen plaats die groter zijn dan 1.000 m2 en dieper dan 30 cm, waardoor verder onderzoek niet noodzakelijk is. 4.9.3 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect cultureel erfgoed. In het omgevingsplan wordt een vertaling opgenomen van de huidige dubbelbestemming voor archeologie. Dit is gedaan zodat eventuele toekomsFge bodemingrepen getoetst kunnen worden. 4.10 Duurzaamheid Duurzaamheid krijgt een steeds prominentere rol in onze samenleving. De Omgevingswet biedt mogelijkheden om een transiFe naar een duurzamere samenleving te bevorderen. In deze onderbouwing is het begrip duurzaamheid uitgesplitst in drie categorieën; ‘energietransiFe’ , ‘circulariteit’ en ‘klimaatadaptaFe en water’. 4.10.1 (Wettelijk) kader Duurzaamheid is een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet en komt tot uiFng in verschillende aspecten van de wet.

Zo introduceert de Omgevingswet het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ als een overkoepelend doel. Duurzame ontwikkeling wordt gedefinieerd als een ontwikkeling die voorziet in de behoe-en van de huidige generaFe, zonder de behoe-en van toekomsFge generaFes in gevaar te brengen. Dit betekent dat bij besluitvorming rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten. Het (wekelijk) kader voor duurzaamheid onder de Omgevingswet wordt verder ingevuld door onderliggende regelgeving, zoals het Bkl en het Bbl. Energietransi.e Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuw te bouwen bouwwerken. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolaFe, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. Circulariteit 40 Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan de milieuprestaFe van een woonfuncFe, een kantoorgebouw en nevengebruiksfuncFes daarvan (arFkel 4.159 Bbl). De milieuprestaFe wordt bepaald volgens de Bepalingsmethode MilieuprestaFe gebouwen en GWW-werken. Klimaatadapta.e en water Voor het kader voor klimaatadaptaFe en water wordt verwezen naar het beleid van rijk, provincie, gemeente en waterschap op het gebied van klimaatadaptaFe en water (zie hoofdstuk 5). 4.10.2 Onderzoek energietransitie In dit geval gaat het om het verbouwen van een bestaand gebouw.

Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal dan ook getoetst worden aan de eisen voor bestaande gebouwen. Voor de aanvraag omgevingsvergunning t.b.v. dit project zal aan de hand van een concreet verbouwingsplan worden bepaald welke vormen van isolaFe en duurzame energieopwekking kunnen worden toegepast. 4.10.3 Onderzoek circulariteit Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor dit project zal aan de hand van een concreet verbouwingsplan worden aan de hand van een berekening de milieuprestaFe van de gebouwen worden bepaald. 4.10.4 Onderzoek klimaatadaptatie en water Met het plan wordt een leegstaand gebouw verbouwd tot logiesgebouw. Met het plan wordt geen verharding toegevoegd. Doordat geen verharding wordt toegevoegd en gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing betre- de transformaFe een duurzame ontwikkeling. 4.10.5 Conclusie Op basis van bovenstaande is het plan uitvoerbaar met betrekking tot het aspect duurzaamheid. 4.11 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan en besluiten die mogelijk gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet worden beoordeeld of ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling in het kader van de fysieke leefomgeving een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.

Een milieueffectrapportage is bedoeld om milieubelangen bij verschillende ruimtelijke procedures een volwaardige plaats bij de besluitvorming te geven. 4.11.1 (Wettelijk) kader De wetgeving over de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (hierna: Ob). Onder de Omgevingswet geldt de plan-m.e.r.-plicht voor een plan: • Dat een kader vormt voor een te nemen project-m.e.r.-plichtig of project-m.e.r.- beoordelingsplichtig besluit of; • Waarvoor een passende beoordeling vanwege Natura 2000-gebieden nodig is. 41 In bijlage V van het Ob zijn de projecten genoemd met mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde projecten moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten. Daarnaast is er de figuur van de plan-m.e.r-beoordeling voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen. Deze beoordeling is alleen verplicht als het plan leidt tot mogelijk aanzienlijke milieueffecten en significant negaFeve gevolgen voor Natura 2000-gebieden optreden. Een plan- m.e.r .-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r .-(beoordelings)plichFge projecten en besluiten die niet in het Ob zijn genoemd.

4.11.2 Onderzoek Het plan betre- een transformaFe van een leegstaand gebouw naar een logiesgebouw. In de gevraagde situaFe worden de in bijlage V van het Omgevingsbesluit, genoemde drempelwaarden niet overschreden. Ook komt de ontwikkeling niet voor in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een MER- beoordeling is daarom niet noodzakelijk. 4.11.3 Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potenFële effecten, zijn er geen belangrijke negaFeve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. 4.12 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrucFeregel voor zorgvuldig gebruik van de ruimte en het tegengaan van leegstand. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het sFmuleren van zorgvuldig ruimtegebruik en de totstandkoming van een evenwichFge toedeling van funcFes aan locaFes, onder meer door een opFmale benuung van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom alFjd worden afgewogen en gemoFveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoe-e aan de betreffende ontwikkeling.

Indien de ontwikkeling ‘buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied’ mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemoFveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. 4.12.1 (Wettelijk) kader In het Bkl (arFkel 5.129g) is bepaald dat bij een wijziging van het omgevingsplan/bopa voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de toepassing van de ladder is vereist. Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bkl opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling wordt gedefinieerd als ‘de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwloca.e, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substan.eel is.’ Of een ontwikkeling of uitbreiding voldoende substanFeel is volgt uit jurisprudenFe. Daaruit blijkt onder meer dat een woningbouwontwikkeling die voorziet in de realisaFe van meer dan 11 woningen binnen de bebouwde kom moet worden aangemerkt als woningbouwlocaFe. Ook een kantoor, detailhandelsvoorziening of bedrijf met een oppervlakte van meer dan 500 m2 bruto vloeroppervlak kan worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. 4.12.2 Onderzoek Stedelijke ontwikkeling 42 Met het plan wordt een voormalig metaalbewerkingsbedrijf met bijbehorende bedrijfswoning verbouwd tot een logiesgebouw met 27 kamers.

Het gebouw hee- een ruimtebeslag groter dan 500 m2 zodat in beginsel sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Nieuwe stedelijke ontwikkeling Aangezien sprake is van een stedelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarvan is in het beginsel sprake als het plan meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudenFe dat wanneer het om een funcFewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige funcFewijziging, dat desalniekemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. Het project betre- het realiseren van 27 kamers binnen bestaande bebouwing. Doordat met het project geen extra bebouwing mogelijk wordt gemaakt, gebruik wordt gemaakt van bestaande bebouwing betre- het plan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een ladder-toets in de zin van arFkel 5.129g Bkl is daarom niet aan de orde voor dit project. 4.12.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling betre-. De voorliggende ontwikkeling wordt daarom niet getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Bkl.

4.13 Milieubelastende activiteiten Een goede omgevingskwaliteit en de integraFe van milieu en ruimte betekent het integreren van (vaak technische) milieunormen in het omgevingsplan. In deze paragraaf is duidelijk gemaakt: • Of de ontwikkeling een nieuwe milieubelastende activiteit (mba’s) mogelijk maakt, en zo ja; • Op welke manier een keuze is gemaakt in de na te streven omgevingskwaliteit binnen het gemeentelijk grondgebied vanuit het thema milieubelastende activiteiten; • Op welke manier aan het reguleren van de omgevingskwaliteit vanuit het thema milieubelastende activiteiten in een omgevingsplan vorm zou kunnen worden gegeven dan wel via een omgevingsvergunning kan worden geregeld. 4.13.1 (Wettelijk) kader Het begrip ‘milieubelastende acFviteit’ (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij arFkel 1 van de Omgevingswet: “ac.viteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsac.viteit op een oppervlaktewater lichaam of een lozingsac.viteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronIrekkingsac.viteit”. Het gaat dus in feite om alle acFviteiten die enig negaFef effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronkrekkingsacFviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmaFge acFviteiten, ook niet- plaatsgebonden acFviteiten en Fjdelijke acFviteiten onder het mba-begrip.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/5116/documents/34569