Bijlage 7 Archeologisch onderzoek.pdf
Tekst van het document
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek), karterende fase Meesterijweg te Etten Gemeente Oude IJsselstreek
KSP rapport 23147
Colofon Versie Status
: :
KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie
: : : : :
2.0 Rapport is ter goedkeuring aangeleverd bij de bevoegde overheid. Over dit rapport heeft inhoudelijke afstemming met de bevoegde overheid plaatsgevonden. 23147 S.M. Koeman (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven
: :
E.A. Schorn (senior KNA Prospector) 27 januari 2025 (v1.0, 5 april 2024)
www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’ en protocol 4003 ‘inventariserend veldonderzoek – onderdeel overig’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de bevoegde overheid omdat die sanctioneerbaar zijn.
KSP Archeologie
2
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Toekomstige situatie 1.3 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.4 Overheidsbeleid 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies 3 Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
6 7 7 7 8 8 9 11 11 12 15 18 20 20 22 23 23 23 25 26 28 29 29 29 30 32
Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:25.000 (bron: Kadaster). 5 Figuur 2: Ontwerp nieuwbouw Meesterijweg Etten (bron: ERS Architecten, 20-10-2023). 7 Figuur 3: Het plangebied op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek (bron: Brugman e.a. 2015). 9 Figuur 4: Het plangebied op een luchtfoto uit 2023 (bron: Kadaster). 11 Figuur 5: Het plangebied op de paleogeografische kaart van de Rijn-Maasdelta (bron: Cohen e.a. 2012). 13 Figuur 6: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 14 Figuur 7: Het plangebied op de Hottingerkaart uit 1773-1794 (bron: Versfelt 2003). 16 Figuur 8: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 17 Figuur 9: Het plangebied op de kaart uit 1888, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl). 17 Figuur 10: Het noordoostelijke deel van plangebied waar de volkstuinen hebben gelegen, kijkend richting de Meesterijweg (bron: KSP Archeologie, foto gemaakt tijdens het veldwerk). 23 Figuur 11: Het noordwestelijke deel van plangebied kijkend in zuidwestelijke richting (bron: KSP Archeologie, foto gemaakt tijdens het veldwerk).
24 Figuur 12: Het zuidelijke deel van het plangebied dat in gebruik is als varkenswei kijkend in oostelijke richting (bron: KSP Archeologie, foto gemaakt tijdens het veldwerk). 24 Figuur 13: Vondst 1 uit boring 14, fragment handgevormd aardewerk binnen- en buitenzijde. 26 Figuur 14: Vondst 3 uit boring 15, fragment handgevormd aardewerk binnen- en buitenzijde. 27 Figuur 15: Vondst 4 uit boring 23, fragment handgevormd aardewerk binnen- en buitenzijde. 27
KSP Archeologie
3
Figuur 16: Vondst 3 uit boring 15, fragment steengoed binnen- en buitenzijde. Figuur 17: Advieskaart voor het vervolgonderzoek door middel van proefsleuven.
27 31
Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de vondstmeldingen (VM) binnen een straal van 1 km rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). 19 Tabel 2: Overzicht van de onderzoeksmeldingen (OM) binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). 19 Tabel 3: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied. 20 Tabel 4: Vondsten die zijn aangetroffen in de boringen. 26
KSP Archeologie
4
Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek
: : : : : : : : : : : :
23147 Locis Adviseurs, Kim Tolkamp KSP Archeologie, S.M. Koeman (senior KNA Prospector) Gemeente Oude IJsselstreek Regio-archeoloog Achterhoek Dhr. M. Hattinga Verschure 5532351100 Gelderland Oude IJsselstreek Meesterijweg 7 te Etten x: 219.883 / y: 437.324 Gendringen, sectie M, nummers 1026 en 2892 t/m 2896, 2984 (deels) Maart 2024
Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:25.000 (bron: Kadaster).
KSP Archeologie
5
Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Meesterijweg in Etten (gemeente Oude IJsselstreek). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de ruimtelijke procedure voor de nieuwbouw van woningen. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke, archeologische verwachtingskaart is aan het grootste deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend en aan de zuidoostelijke punt een gematigde verwachting. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting bevestigd. Vanwege de landschappelijke ligging op de flank van een terrasrest-rug naar de lager gelegen terrasvlakte en de archeologische vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een hoge tot middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een lage verwachting aan het plangebied toegekend.
Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. In het plangebied is een potentieel archeologische sporenniveau aangetroffen in de top van de C-horizont op een diepte van gemiddeld 70 – 90 cm beneden maaiveld. In het noordoostelijke deel van het plangebied zijn in de bovenliggende oude cultuurlaag en/of plaggendek fragmenten aardewerk gevonden, die wijzen op bewoning in de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen. Aan de hand van de bodemopbouw (plaggendek + oude cultuurlaag) is de verwachting dat de vindplaats zich kan uitstrekken in zuidelijke richting en in beperkte mate in westelijke richting. Op basis van de datering van de vondsten is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum – Bronstijd. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd bij te stellen. Op basis van de aangetroffen indicatoren tijdens het booronderzoek is de kans groot dat binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is en wordt vervolgonderzoek door middel van proefsleuven aanbevolen. Voor dit gravende archeologisch onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat is goedgekeurd door de bevoegde overheid.
KSP Archeologie
6
1
Inleiding
1.1
Onderzoekskader
In opdracht van Locis Adviseurs heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Meesterijweg in Etten (gemeente Oude IJsselstreek). Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de ruimtelijke procedure voor de nieuwbouw van woningen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl) en de gemeentelijke eisen. Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 6. Geologische formaties, laagpakketten en lagen worden beschreven conform https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. 1.2
Toekomstige situatie
Binnen het plangebied zal een nieuwe woonwijk worden gerealiseerd. Het gaat om vijf levensloop bestendige woningen, vier twee-onder-één-kapwoningen, zes starters woningen en zes vrijstaande woningen (Figuur 2). De kavels beslaan een gezamenlijke oppervlakte van ca. 6.837 m2). Op de kavel aan de zuidkant met een oppervlakte van ca. 454 m2 wordt ook een vrijstaande woning gerealiseerd (Figuur 2, blauwe perceel). De bouw van deze woning is afgestemd met dit nieuwbouwplan, maar wordt particulier ontwikkeld en staat daarom niet op de ontwerptekening. Van de woningen zijn nog geen bouwtekeningen beschikbaar, dus de exacte omvang van de geplande bodemingrepen is nog niet bekend.
Figuur 2: Ontwerp nieuwbouw Meesterijweg Etten (bron: ERS Architecten, 20-10-2023).
KSP Archeologie
7
Voor zover bekend zijn binnen het plangebied geen graafwerkzaamheden voor een bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne of om ontplofbare oorlogsresten op te sporen. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen en zal daarmee geen gevolgen hebben voor de conserveringstoestand van eventuele aanwezige archeologisch resten. 1.3
Afbakening plan- en onderzoeksgebied
Het plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologische onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 1,1 ha groot en ligt aan de Meesterijstraat 7 aan de noordwestrand van Etten (Figuur 1). Het terrein wordt in het noordoosten begrensd door de Meesterijweg, in het zuidoosten door een bosstrook en in het zuidwesten door het erf aan de Margrietstraat 2. In het noordwesten grenst het terrein aan landbouwgrond. 1.4
Overheidsbeleid
In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een omgevingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Omgevingswet). Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Oude IJsselstreek 2017’ (vastgesteld 28-06-2018) geldt voor het oostelijke deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ en voor het westelijke deel ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’ (https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart). Deze dubbelbestemmingen zijn overgenomen van de archeologische kaart van de gemeente Oude IJsselstreek. Voor het oostelijke deel geldt een hoge archeologische verwachting en voor het westelijke deel een gematigde verwachting (Figuur 6).
Dit betekent dat bij bodemingrepen dieper dan 30 cm en over een oppervlak groter dan 250 m2 (Waarde – Archeologische verwachting 1) en groter dan 1.000 m2 (Waarde – Archeologische verwachting 2) archeologisch onderzoek nodig is. Bij meerdere dubbelbestemmingen binnen een plangebied wordt getoetst aan de hoogste dubbelbestemming in dit geval Waarde – Archeologische verwachting 1. Aangezien de dieptegrens van 30 cm en oppervlakgrens van 250 m 2 bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.2), is archeologisch onderzoek noodzakelijk. In het kader van de ruimtelijke procedure is voor het plangebied een archeologisch vooronderzoek nodig dat bestaat uit een bureauonderzoek gecombineerd met een booronderzoek. Vanwege de hoge archeologische verwachting (zie hoofdstuk 2) en het geringe oppervlak is direct ingezet op een karterend booronderzoek dat is gericht op het opsporen van archeologische indicatoren en niet alleen de bodemopbouw en de intactheid daarvan (verkennende fase).
KSP Archeologie
8
Figuur 3: Het plangebied op de archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek (bron: Brugman e.a. 2015).
1.5
Onderzoeksdoel en vraagstellingen
Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.
Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied.
KSP Archeologie
9
Het resultaat van het onderzoek is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies. Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen door de bevoegde overheid. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Aan de hand hiervan kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of vrijgave van het plangebied of terreindelen daarvan. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. De strategie die gekozen wordt, hangt onder andere af van de omvang van het plangebied, de aard van de geplande werkzaamheden, de verwachte archeologische resten en het archeologiebeleid van de gemeente. Dit onderzoek betreft een karterend onderzoek. Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren die wijzen op een vindplaats.
Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: • Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? • Zijn in het plangebied aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats? • Wat is te zeggen over de horizontale en verticale verspreiding van de archeologische resten? • Wat is de vermoedelijke aard en datering van de archeologische resten? • Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? • In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?
KSP Archeologie
10
2
Bureauonderzoek
2.1
Huidige situatie
Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Huidige topografische kaart (Figuur 1); • Luchtfoto’s uit 2016 tot heden (PDOK); • Grondwaterstanden (Wageningen Environmental Research (2023), https://www.dinoloket.nl/ ondergrondmodellen/kaart; • Grondwatertrappen gekoppeld aan de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (geoplaza.vu.nl); • Bebouwde rijksmonumenten (archis.cultureelerfgoed.nl): geen monumenten; • Gemeentelijke monumenten (www.oude-ijsselstreek.nl – Gemeentelijke monumentenlijst): geen gemeentelijke monument; • Informatie van de opdrachtgever over het plangebied; • Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding). In het noordelijke deel van het plangebied ligt het woonerf aan de Meesterijweg 7 met bijbehorende tuin/gazon. Het zuidelijke perceel is onderdeel van de tuin van het huis aan de Margrietstraat 2. Het zuidoostelijke deel van het plangebied was tot voor kort ingericht met volkstuinen. Onlangs zijn alle spullen van het terrein verwijderd. De aanwezige bebouwing dateert uit 1965 en is op een verhoogd erf aangelegd. De varkensschuur is voorzien van mestkelders. Vanaf de Meesterijweg zijn diverse kabels en leidingen naar het woonhuis aangelegd.
Figuur 4: Het plangebied op een luchtfoto uit 2023 (bron: Kadaster).
In het meest actuele grondwaterdieptespiegelmodel zijn de verwachte grondwaterstanden gemodelleerd voor blokken van 50 x 50 m. Daarin worden de grondwater(spiegeldiepte)standen door middel van grondwatertrappen weergegeven (I, nat t/m VIII droog). Het plangebied wordt naar verwachting gekenmerkt door een diepe grondwaterstand, grondwatertrap VIId (Wageningen Environmental
KSP Archeologie
11
Research 2022, https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 80 - 140 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 180 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. Op basis van het verwachte bodemtype (zie paragraaf 2.2.) ligt de gemiddeld laagste grondwaterstand ruim dieper dan het potentiële archeologische niveau in de top van de C-horizont, waardoor de conserveringsomstandigheden in de bodem voor onverkoolde organische resten slecht zijn. 2.2
Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens
Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Geologische overzichtskaart van Nederland (TNO Geologische Dienst 2021); • Paleogeografische kaart van de Rijn-Maas delta (Cohen e.a. 2012); • Geomorfologische kaart van Nederland van Nederland, versie 2023 via BRO-loket; • Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (www.dinoloket.nl); • Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, versie 2023 via BRO-loket; • Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN4 grid 0,5 x 0,5 m). Het plangebied ligt ten oosten van het stuwwalcomplex van het Montferland in het dal van de Rijn. Aan het einde de voorlaatste ijstijd, het Saalien en in een groot deel van het Weichselien heeft de Rijn ten noorden van het Montferland gelopen (Rond-Montferland Rijn) (Stouthamer et al. 2015). Tijdens deze koude periode heeft de Rijn een vlechtend rivierpatroon gehad. Een vlechtend rivierpatroon betekent dat de rivier gekenmerkt wordt door een zeer brede riviervlakte met een grillig systeem van ondiepe geulen die zich voortdurend verplaatsen. De rivierafzettingen uit deze periode worden tot de Formatie van Kreftenheye gerekend en bestaan hoofdzakelijk uit grof zand en grind (Stouthamer et al. 2015).
In het Midden-Weichselien is de rivier door de stuwwalboog Montferland-Nijmegen heen gebroken en is de loop door de Gelderse Poort ontstaan (Van Beek 2009). Hiermee heeft de Rijn zijn hoofdstroom naar het zuiden verlegd. Vanaf deze periode vindt in dit gebied rivieractiviteit plaats door de veel kleinere rivier de Oude IJssel als zijtak van de Rijn. Tegenwoordig ligt deze rivier ruim 350 m ten noordoosten van het plangebied (Figuur 5, nummer 131), maar in het verleden zijn voorlopers ook ter plaatse van het plangebied actief geweest. In Laat-Glaciaal (circa 15.700 – 11.755 jaar geleden) heeft de rivier verschillende terrassen gevormd vanwege de wisselende klimatologische omstandigheden. Het rivierpatroon is in reactie op lokale en regionale omstandigheden afwisselend meanderend (gedurende relatief warme perioden) en breed vlechtend tijdens strenge periglaciale klimaten en hebben perioden van insnijding zich afgewisseld met perioden van sedimentatie. Gedurende de warmere perioden in het Weichselien is tijdens perioden van hoogwater klei afgezet (Laag van Wijchen, Formatie van Kreftenheye). Tijdens de koude perioden is hoofdzakelijk grind en grof zand afgezet (Formatie van Kreftenheye). Ter plaatse van het plangebied ligt de laatglaciale meandergordel van Isselburg - Heelden uit de Bølling - Allerød interstadiaal in de ondergrond (Figuur 5, nummer 579).
In deze relatief warme periode was een meanderende rivier aanwezig van waaruit komklei in het overstromingsgebied werd afgezet. Plaatselijk zijn naast geulen ook oeverafzettingen gevormd (Berendsen 2008). Aan het einde van het Laat-Glaciaal, de Jonge Dryas (circa 12.745 – 11.755 jaar geleden), is het tijdelijk heel koud en droog geworden en heeft de rivier deels weer een vlechtend rivierpatroon gekregen. Hierbij zijn zowel ten noordoosten als ten zuidwesten vlechtende geulsystemen ontstaan die worden aangeduid als het riviersysteem van Schlederhorst (Figuur 5, nummer 569). Vanwege het koude en droge klimaat zijn delen van de overstromingsvlakte een groot deel van het jaar droog en onbegroeid (Stouthamer et al. 2015). Op deze manier is zand beschikbaar gekomen, dat voornamelijk door zuidwesten winden is weggeblazen en elders op de hogere terrasdelen langs de rivier weer is neergelegd. Het plangebied ligt
KSP Archeologie
12
op een terrasrest van Isselburg – Heelden waar rivierduin/dekzand kan zijn afgezet. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied grotendeels in een terrasvlakte (Bijlage 1, code M42). De noordoostelijke rand zou op een terrasrest-rug liggen (code B43) die is bedekt met dekzand (toevoeging d). Op de bodemkaart is lemig fijn zand gekarteerd (Bijlage 2, code …23) en zou dus in het hele plangebied dekzand voorkomen. Op basis van het AHN-kaartbeeld ligt het plangebied ligt het plangebied op de overgang de noordwest-zuidoost georiënteerde terrasrest-rug naar de terrasvlakte (Figuur 6).
Figuur 5: Het plangebied op de paleogeografische kaart van de Rijn-Maasdelta (bron: Cohen e.a. 2012).
In een geologische boring op de terrasrest-rug is een zandpakket van 2,1 m dik aangetroffen (dekzand) met daaronder een 20 cm dikke kleilaag (Laag van Wijchen) (www.dinoloket.nl – Boring B41C0235). Op de rand van de terrasrest-rug is het dekzandpakket met ca. 1,2 m op de klei van de Laag van Wijchen een stuk dunner (boring B40H1431). Een geologische boring in de terrasvlakte laat een 1 m dikke zandlaag op klei zien (boring B40H1427). In het Holoceen (circa 11.755 jaar geleden tot heden) is het klimaat warmer en vochtiger geworden en is het landschap door geologische processen weinig veranderd. Het dekzand is door de toenemende vegetatie vastgelegd en de beken en rivieren hebben zich ingesneden. De Oude IJssel heeft zich verder richting het noordoosten verplaatst en in de lage delen van landschap tijdens overstromingen klei afgezet. Het plangebied is vanwege de relatief hoge ligging vermoedelijk buiten de invloed van de Oude IJssel gebleven.
KSP Archeologie
13
Figuur 6: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).
Als gevolg van het warmere en vochtigere klimaat heeft in het dekzand bodemvorming opgetreden. Op de bodemkaart zijn ter plaatse van het plangebied hoge bruine enkeerdgronden gekarteerd (Bijlage 2, code bEZ23). Dit bodemtype wordt gekenmerkt door een humeus cultuurdek van meer dan 50 cm dik. Het humeuze cultuurdek is vaak een plaggendek, ook wel esdek genoemd. Ze zijn ontstaan, doordat in de regio Achterhoek vanaf ca. de 15e en 16e eeuw op grote schaal het systeem van potstalbemesting is toegepast (Spek 2004). Plaggen worden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. Het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek in de top van de oorspronkelijke bodem. Het leesbare archeologische sporenniveau ligt meestal iets dieper in de top van de C-horizont. Op basis van de aangrenzende kaarteenheden is de oorspronkelijke bodem waarschijnlijk een vorstvaaggrond (code Zb23). Vorstvaaggronden ontwikkelen zich meestal in mineralogisch rijker zand in tegenstelling tot podzolgronden die meestal in mineralogisch armer zand worden aangetroffen. Door de rijkere bodem is er meer bodemleven, waardoor vorstvaaggronden kunnen ontstaan. Vorstvaaggronden hebben een ‘vage’ humushoudende bouwvoor (Ap-horizont), door de voortdurende omwerking als gevolg van een hoge biologische activiteit.
Onder de bovengrond is een min of meer homogene verbruiningsslaag aanwezig (Vroon 2000). Door de voortdurende omwerking behoort deze bodem tot de vaaggronden, maar dat is dus niet het gevolg van een beperkte periode van bodemvorming.
KSP Archeologie
14
2.3
Historische situatie en mogelijke verstoringen
Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Hottingerkaart 1773-1794 (Versfelt 2003); • Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl); • Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www.topotijdreis.nl); • Cultuurhistorische regiobeschrijving Gelderland (CultGIS/Haartsen 2009); • Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Gelderland (www.gelderland.nl): geen elementen ter plaatse van het plangebied aangegeven; • Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Oude IJsselstreek (Brugman & Van Heeringen 2014); • Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl): geen verwachting op specifieke resten uit WOII; • Kaart van verdedigingswerken/ Militaire landschapskaart (https://rce.webgispublisher.nl/ Viewer.aspx?map=militaire%5Flandschapskaart): er zijn geen verdedigingswerken binnen het plangebied bekend; • V.1 & V.2 inslagen in Nederland (vergeltungswaffen.nl): geen inslagen bekend die voor een bodemverstoring gezorgd kunnen hebben; • Uitgevoerd onderzoek niet gesprongen explosieven (https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/): er is geen vooronderzoek bekend; • Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: is niet van toepassing; • Gegevens van
milieukundig bodemonderzoek (https://gelderland.omgevingsrapportage.nl/): geen melding binnen het plangebied; • Luchtfoto’s uit de periode 2006-2022 (www.topotijdreis.nl); • Geomorfologische kaart van Nederland: hierop zijn geen bodemverstoringen in het plangebied aangegeven; • Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: hierop zijn geen bodemverstoringen in het plangebied aangegeven; • Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012); • Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop zijn geen kunstmatige ophogingen en/of afgravingen zichtbaar; • In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt. Het plangebied ligt binnen het stroomgebied van de Oude IJssel. Door de gunstige ligging aan zowel de land- als waterwegen zijn langs de oever van de Oude IJssel diverse welvarende steden en dorpen ontstaan. De dorpen liggen op de hogere delen van het gebied: op rivierduinen, dekzandkopjes en de oeverwallen. Het plangebied ligt langs de Oude IJssel op de rand van een terrasrest-rug vlakbij het buurtschap Etten. Etten is op een hoger gelegen rivierterras/rivierduin ontstaan. Het bodemgebruik was sterk gebonden aan de terreingesteldheid: de hogere delen van het land werden als akker gebruikt, de lagere delen als weide of hooiland.
Uitgestrekte heidevelden waren nauwelijks te vinden in de IJsselvallei (Haartsen 2009). In deze regio nam na 700 de bevolking toe. Voorheen hadden de boerderijen geen vaste plek gehad, dat wil zeggen dat als de oude boerderij door brand of verval moest worden vervangen, er op een andere plaats een nieuwe werd gebouwd. Ook de akkers hadden geen vaste plek: als een perceel na een paar jaar zijn vruchtbaarheid had verloren werd ergens anders een nieuwe akker in gebruik genomen. Dat veranderde in de Vroege Middeleeuwen. Verondersteld wordt dat de indeling in de verschillende buurtschappen voor een belangrijk deel al voor het jaar 1000 tot stand kwam. Tal van steden en dorpen in de regio worden al vermeld in akten uit de Vroege Middeleeuwen. Dat wil echter niet zeggen dat er toen veel mensen woonden, of dat het hele gebied al in gebruik was genomen door de boeren die er toen leefden. Wel was het zo dat men dezelfde plaatsen uitkoos om te gaan wonen als vele eeuwen later
KSP Archeologie
15
nog steeds het geval was: op de hoge zandruggen. Pas bij de grote uitbreidingen dorpen en steden in de negentiende en vooral de twintigste eeuw werden ook de lage delen van het terrein als woon- en werkgebied ingericht; voor die tijd bleef men de hogere ruggen trouw (Haartsen 2009). Etten heeft zich ontwikkeld langs de Dorpsstraat/Molenstraat, waarbij Oldenhove en de Kampstraat/Oudekerkstraat samen met de Dorpsstraat de historische kern vormen. Bouwsporen in de oude ‘hervormde’ dorpskerk tonen aan dat Etten in de 11 e eeuw reeds een eigen kerkgebouw bezat (Brugman & Van Heeringen 2014). Deze kerk was één van de bijkerken van het aartsdiaconaat Emmerik. De oorsprong van Etten gaat vermoedelijk verder terug, want archeologische vondsten wijzen op bewoning in de Vroege Middeleeuwen (paragraaf 2.4). Op de historische kaart uit eind 18e eeuw is te zien dat het plangebied ruim 500 m ten noordwesten van de dorpskern ligt (Figuur 7). Het plangebied is geplaatst op de grens met graslanden in het noorden richting de Oude IJssel en de oude bouwlanden in het zuiden.1 Op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw zijn deze bouwlanden aangegeven als het ‘Ettensche Veld’ (Figuur 8). In het begin van de 19e eeuw is ook het plangebied in gebruik genomen als bouwland en is de Meestersche weg aangelegd (huidige Meesterijweg). Deze weg is genoemd naar de boerderij de Meesterij die ca.
250 m noordelijker langs deze weg ligt. De percelen bouwland zijn in bezit van verschillende eigenaren: een particuliere landbouwer (nummer 242), het Catholieke weeshuis van Emmerik (nummer 243 en 248) en Carel Hohenzollern Vorst van Sigmaringen (nummer 248). Op de kaart uit 1888 is goed te zien dat het plangebied op de noordwestelijke helling lag van een dekzandrug aan westkant van Etten (Figuur 9).
Figuur 7: Het plangebied op de Hottingerkaart uit 1773-1794 (bron: Versfelt 2003).
Omdat weinig restanten van het historische wegenpatroon bewaard zijn gebleven, is het lastig om een betrouwbare projectie te maken. De huidige Meesterijweg bestond toen nog niet. Op basis van de bodemkartering van de hoge bruine enkeerdgronden (zie bijlage 1 en paragraaf 2.2) zou het hele plangebied binnen de oude bouwlanden kunnen hebben gelegen. 1
KSP Archeologie
16
Figuur 8: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 9: Het plangebied op de kaart uit 1888, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl).
KSP Archeologie
17
De huidige bebouwing binnen het plangebied bestaat uit een woonhuis met varkensschuur en dateert volgens de huidige bewoners uit 1965. De varkensschuur is in de lengterichting voorzien van mestkelders aan beide kanten. Vanwege het verschil in maaiveldhoogte tussen de weg en het achterliggende land is het erf voor de aanleg van de woning en schuur opgehoogd (Figuur 6, rode kleur binnen het plangebied). Vanaf de weg loopt het maaiveld vrij snel af van 15,0 m +NAP naar 14,0 m +NAP. De maaiveldhoogte ter plaatse van het erf ligt rond 15,3 m +NAP. De ophoging varieert dus van enkele decimeters aan de voorzijde tot meer dan een meter op het achtererf. De kans is groot dat de funderingen en kelders in het ophogingspakket zijn aangelegd en dat het archeologische bodemarchief daaronder niet of in beperkte mate is aangetast. Voor de historische ontwikkeling is ook gekeken naar archeologische resten als gevolg van conflict. Op basis van de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl) en Militaire landschappenkaart van de RCE zijn deze niet bekend in het plangebied. 2.4
Beschrijving van archeologische gegevens
Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl); • Archeologische rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl); • Archeologische onderzoeken en vondstmeldingen in Archis (archis.cultureelerfgoed.nl); • E-depot archeologie (DANS): rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://archaeology.datastations.nl/); • Historische kaarten (zie paragraaf 2.3); • Gemeentelijke archeologische beleidskaart (Brugman e.a. 2015). Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten (AMK-terreinen), onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig. In een straal van 1 km rondom het plangebied zijn geen AMK-terreinen, maar wel vijf vondstmeldingen bekend (Tabel 1, Bijlage 3). De meldingen liggen allemaal rond Etten in de gemeente Oude IJsselstreek, tenzij anders vermeld in Tabel 1. Oude kerk van Etten (VM 3071222100) In 1949 heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed onderzoek gedaan aan de oude laatmiddeleeuwse funderingen van de kerk in Etten. Heuven (VM 2696972100, 2786233100, 2786241100) Ca.
495, 825 en 855 m ten noordwesten van het plangebied zijn in 1988 tijdens veldkarteringen vuurstenen afslagen gevonden die wijzen op bewoning in de steentijd (Mesolithicum – Neolithicum), fragmenten handgevormd aardewerk uit de IJzertijd en ook uit de Vroege Middeleeuwen. Oldehove 9a (VM 3182736100) Ter plaatse van een te slopen bedrijfspand zijn in twee boringen fragmenten handgevormd prehistorisch aardewerk gevonden die ruim zijn gedateerd in de periode Neolithicum – Romeinse tijd. Voor zover bekend heeft op de locatie geen nader onderzoek plaatsgevonden. Uit de bovenstaande vondsten blijkt dat oude rivierterrassen/rivierduinen langs de Oude IJssel bewoond zijn geweest in de steentijd (Mesolithicum – Neolithicum), de late prehistorie (met name de IJzertijd) en in de Middeleeuwen. Binnen een straal van 500 m rondom het plangebied is in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen op vijf locaties archeologisch onderzoek uitgevoerd, maar hier zijn tot op heden geen nieuwe vindplaatsen aangetroffen of aanwijzingen daarvoor (Bijlage 3, Tabel 2). Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft het plangebied grotendeels een hoge archeologische verwachting vanwege de ligging op een hoog gelegen terrasrest (Figuur 3). Voor de
KSP Archeologie
18
zuidwestelijke punt geldt een gematigde verwachting. De grens tussen de hoge en gematigde verwachting is gebaseerd op het AHN-kaartbeeld. Hieruit blijkt dat de zuidwestelijke punt van het plangebied vermoedelijk onderdeel is van de lager gelegen terrasvlakte (Figuur 6). Vondstmelding
Locatie en ligging
Type onderzoek
Aard en datering vondstlocatie/resultaten
3071222100
Oude Kerkstraat (855 m ZO)
Opgraving in 1949
Tufstenen funderingen van een kerk (LMEA)
2696972100
Heuven (825 m NW)
Veldkartering in 1988
Twee vuurstenen afslagen (MESO-NEO) Fragmenten handgevormd aardewerk (IJZ) Fragment Huneschans aardewerk (VMEC-D) Twee fragmenten gladwandig gedraaid (VMEC)
2786233100
Heuven (495 m NW)
Vier vuurstenen afslagen (MESO-NEO) Fragmenten handgevormd aardewerk (IJZ) Fragment ruwwandig gedraaid aardewerk (VME)
2786241100
Heuven (525 m W)
Vijf vuurstenen afslagen (MESO-NEO) Fragmenten handgevormd aardewerk (IJZ) Fragment Huneschans aardewerk (VMEC-D) Fragment handgevormd aardewerk (VME) Fragment Pingsdorf (MEL) Fragment proto-steengoed (MEL)
3182736100
Oldehove 9a (650 m ZO)
Booronderzoek in 2005
Zeven fragmenten handgevormd aardewerk (NEO-ROM)
Tabel 1: Overzicht van de vondstmeldingen (VM) binnen een straal van 1 km rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). Onderzoeksmelding
Locatie en ligging
Type onderzoek
Aard en datering vondstlocatie/resultaten
2323341100
Meesterijweg (40 m NW)
Booronderzoek in 2011
Haaring (2011): intact potentieel archeologisch niveau → vervolgonderzoek d.m.v. proefsleuven
2328664100
Meesterijweg (235 m N)
Booronderzoek in 2011
Fijma & Oerlemans (2011): intacte oeverafzettingen in het westelijke deel → vervolg d.m.v. een begeleiding van de graafwerkzaamheden voor de aanleg van de poel.
Begeleiding in 2012
Oerlemans & Fijma (2013): bodem bestaat uit fluviatiele zand- en kleiafzettingen die zijn afgezet in een dynamisch milieu, geen archeologische resten aangetroffen
2370508100
2331530100
Fietspad Oude IJssel (465 m N)
Booronderzoek in 2011
Vosselman (2011): lage verwachting op basis van de bodemopbouw: dikke opgebrachte laag met daaronder natuurlijke afzettingen die oorspronkelijk laag gelegen waren → lage verwachting → geen vervolg
2363883100
Hoogspanningsverbinding 380 kV Doetinchem – Wesel (480 m ZW)
Bureauonderzoek in 2009
Op basis van de archeologische verwachting van het tracé is ter plaatse van de geplande mastlocaties een booronderzoek geadviseerd.
Booronderzoek in 2012
Boon & Fijma (2014): geen indicatoren aangetroffen → geen vervolgonderzoek
Booronderzoek in 2022
Rapport nog niet aangeleverd in Archis en/of e-depot DANS.
2389771100 5294552100
Akkermansbeekweg 23, Terborg (415 m NO)
Tabel 2: Overzicht van de onderzoeksmeldingen (OM) binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl).
KSP Archeologie
19
2.5
Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden
De huidige bebouwing in het plangebied is recent en dateert uit de tweede helft van de 20e eeuw. Op basis van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.3) en de archeologische gegevens (paragraaf 2.4) worden binnen het plangebied geen bouwhistorische resten verwacht. 2.6
Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.5) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 3). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht. Periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum
Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw)– Nieuwe tijd
Verwachting
Verwachte kenmerken vindplaats
Terrasrest-rug: hoog Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, Terrasvlakte: vuursteen artefacten, haardkuilen middelhoog Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, Terrasrest-rug: greppels, fragmenten aardewerk, hoog natuursteen, gebruiksvoorwerpen Terrasvlakte: Begravingsresten: kringgreppel, middelhoog fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, Laag greppels, bakstenen, fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen
Diepteligging sporen Onder het humeuze cultuurdek vanaf de top van de oorspronkelijke bodem (vanaf ca. 50 cm -mv) Onder het humeuze cultuurdek vanaf de top van de oorspronkelijke bodem (vanaf ca. 50 cm -mv) tot in de Chorizont Onder de bovengrond (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de C-horizont
Tabel 3: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.
Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Het plangebied ligt op de flank van een terrasrest-rug die in noordwestelijke richting overgaat in de lager gelegen terrasvlakte. Jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de hoger liggende terreingedeelten in het landschap, bij voorkeur in de buurt van open water zoals een beekdal of vennetje. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Archeologische vindplaatsen uit deze periode komen dus met name voor op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntzones). Aangezien het plangebied op de overgang van een terrasrest-rug naar een terrasvlakte ligt, is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. Bovendien zijn op hoger gelegen terrasresten ten noordwesten van het plangebied vuurstenen afslagen gevonden die wijzen op bewoning in de periode Mesolithicum – Neolithicum. 1. 2. 3. 4.
5.
Datering: Laat-Paleolithicum - Neolithicum. Complextype: kampement/vuursteenvindplaats. Omvang: een paar vierkantenmeter (klein) tot enkele honderden vierkantenmeters (groot). Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het humeuze cultuurdek in de top van de oorspronkelijke bodem (vanaf ca. 50 cm -mv). Eventuele diepere grondsporen zoals haardkuilen kunnen tot in het dekzand (C-horizont) reiken. Gaafheid en conservering: het archeologische sporen- en vondstenniveau kan goed zijn beschermd tegen moderne grondroeringen door een humeus cultuurdek dat vanaf de Late Middeleeuwen is opgebracht. Een deel van het sporen- en vondstniveau kan in de onderzijde van dit humeuze dek zijn opgenomen vóór of bij de aanleg van het humeuze dek of bij diepere bodemingrepen zoals diepspitten. Aangezien vuursteenvindplaatsen kwetsbaar zijn voor bodemingrepen, omdat ze voornamelijk een vondststrooiing en ondiepe sporen bestaan, is dan
KSP Archeologie
20
6. 7. 8.
de kans klein dat er sprake is van een intacte vuursteenvindplaats. Wel kan de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats worden aangetoond op basis van concentraties van fragmenten vuursteen in het plaggendek en/of in de onderliggende bodem. Locatie: hele plangebied, maar een hogere kans in het centrale en oostelijke deel. Uiterlijke kenmerken: Vuursteenvindplaatsen worden gekenmerkt door een vuursteenspreiding (artefacten, afslagen e.d.) en eventueel sporen in de vorm van ondiepe haardkuilen. Mogelijke verstoringen: vuursteenvindplaatsen zijn kwetsbaar voor bodemingrepen omdat ze zich in de top van de oorspronkelijke bodem bevinden. Door landbewerking kan het archeologische vondstenniveau geheel zijn opgenomen in het plaggendek.
Vanaf het Neolithicum ontstaan in onze streken de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode combineert men akkerbouw met het jagen en verzamelen, maar geleidelijk stapt men over naar akkerbouw en veeteelt. In de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) heeft men een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden, die geschikt waren voor akkerbouw. Aangezien het plangebied grotendeels op de flank van een terrasrest-rug ligt, is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Op de hoger gelegen terrasresten ten noordwesten van het plangebied zijn fragmenten aardewerk gevonden die wijzen op bewoning in de IJzertijd en de Vroege Middeleeuwen. 1. 2. 3.
4.
5.
6. 7.
8.
Datering: Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Complextype: vindplaatsen vanaf het Neolithicum bestaan uit nederzettingssporen en/of sporen van begravingen. Omvang: nederzettingsterreinen of grafvelden/begravingen variëren in grootte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters en kunnen zich soms over meerdere hectaren uitstrekken. Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het humeuze cultuurdek in de top van de oorspronkelijke bodem (vanaf ca. 50 cm -mv). De (diepere) grondsporen reiken tot in het dekzand (C-horizont). Gaafheid en conservering: het archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont zal naar verwachting goed zijn beschermd door een humeus cultuurdek dat vanaf de Late Middeleeuwen is opgebracht. Wel zal (een deel van) het vondstniveau in de onderzijde van het plaggendek zijn opgenomen. Locatie: hele plangebied, maar een hogere kans in het centrale en oostelijke deel. Uiterlijke kenmerken: De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven. Naast nederzettingsresten kunnen ook begravingen voorkomen. Restanten hiervan kunnen bestaan uit kringgreppels, fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten, inhumaties e.d.
De sporen kunnen diep in de bodem reiken. Vondstmateriaal van de nederzetting kan door landbewerking in het bovenliggende plaggendek terecht zijn gekomen. Mogelijke verstoringen: de kans dat het archeologische sporenniveau in de top van de Chorizont is verstoord, wordt klein geacht. De verzamelde gegevens in het bureauonderzoek geven geen aanwijzingen voor diepe (recente) bodemverstoringen in het plangebied.
Vanaf de Late Middeleeuwen verandert het bewoningspatroon. Bewoning concentreert zich in dorpen, steden en bewoningsclusters. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal dat instaat voor de voedselvoorziening van de inwoners. In deze periode is de landschappelijke ligging van het gebied niet meer doorslaggevend voor de locatiekeuze. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied buiten de dorpskern van Etten ligt. Het plangebied is tot op heden onbebouwd en in gebruik geweest als
KSP Archeologie
21
landbouwgrond. Op basis hiervan is de kans klein dat er bewoning in het plangebied heeft plaatsgevonden in de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot in de Nieuwe tijd. Voor deze periode geldt daarom een lage verwachting. 2.7
Conclusie en advies
Op de gemeentelijke, archeologische verwachtingskaart is aan het grootste deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend en aan de zuidoostelijke punt een gematigde verwachting (Figuur 3). Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting bevestigd. Vanwege de landschappelijke ligging op de flank van een terrasrest-rug naar de lager gelegen terrasvlakte en de archeologische vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een hoge tot middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een lage verwachting aan het plangebied toegekend. Op basis van de verwachting en de beperkte omvang van het plangebied wordt geadviseerd om deze verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase. Met dit onderzoek wordt de bodem systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Daarnaast wordt ook de bodemopbouw en de intactheid daarvan vastgesteld. Aan de hand van de Leidraad inventariserend veldonderzoek, Deel karterend booronderzoek (Tol e.a.
2012) wordt een booronderzoek aanbevolen in een grid van 20 x 25 m (methode E1, brede zoekoptie). Gezien de hoge archeologische verwachting voor alle perioden en meerdere type vindplaatsen wordt gekozen voor de brede zoekoptie.
KSP Archeologie
22
3
Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase
3.1
Werkwijze
Voor het karterend booronderzoek is uitgegaan van de Leidraad Inventariserend Veldonderzoek (versie 2.0, Tol et al. 2012). In dit geval is conform ‘het stroomdiagram keuze onderzoeksmethode karterend IVO deel 1’ (protocol 4003, VS08) een karterend booronderzoek uitgevoerd voor kleine plangebieden met een brede verwachting. Dit is een booronderzoek in een grid van 20 x 25 m (methode E1, minimaal 20 boringen per hectare). Voor zover de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) het toelaten, is een afstand tussen de raaien gehanteerd van 20 m en tussen de boringen van 25 m. Voor een optimale verdeling van de boringen verspringt het beginpunt van een raai 12,5 m ten opzichte van de naastgelegen raai. Op basis van dit boorgrid zijn 24 boringen in het plangebied gezet, waarmee de boordichtheid is uitgekomen op 21,8 boringen per hectare (Bijlage 4). De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is bepaald aan de hand van het AHN4. De karterende boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 15 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 20 cm in de C-horizont. Verspreid over het plangebied zijn zeven boringen dieper doorgezet met een diameter van 7 cm om de natuurlijke bodemopbouw in kaart te brengen (verkennende fase).
Het opgeboorde sediment (cultuurdek en oude cultuurlaag) is met de hand gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 4 mm en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 5). 3.2
Veldsituatie
Het verhoogde erf wordt begrensd door een steil talud. Van de volkstuinen zijn geen restanten meer over en langs de weg is een gronddepot binnen het plangebied neergelegd (Figuur 10).
Figuur 10: Het noordoostelijke deel van plangebied waar de volkstuinen hebben gelegen, kijkend richting de Meesterijweg (bron: KSP Archeologie, foto gemaakt tijdens het veldwerk).
KSP Archeologie
23
Het noordwestelijke deel van het plangebied is ingericht als gazon met kort gemaaid gras (Figuur 11). Het zuidwestelijke deel is in gebruik als varkenswei.
Figuur 11: Het noordwestelijke deel van plangebied kijkend in zuidwestelijke richting (bron: KSP Archeologie, foto gemaakt tijdens het veldwerk).
Figuur 12: Het zuidelijke deel van het plangebied dat in gebruik is als varkenswei kijkend in oostelijke richting (bron: KSP Archeologie, foto gemaakt tijdens het veldwerk).
KSP Archeologie
24
3.3
Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens
3.3.1
Lithologie en geologie
In het noord- en zuidoostelijke deel van het plangebied bestaat het bovenste deel van de natuurlijke ondergrond (C1-horizont) uit zwak siltig, matig fijn zand met een egaal gele kleur dat goed is gesorteerd en afgerond aanvoelt. Op basis van deze kenmerken is dit sediment geïnterpreteerd als dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). In het centrale deel van het plangebied is het zand roesthoudend en heeft een gemêleerd uiterlijk (C5horizont). Op basis van dit gevarieerde uiterlijk is geconcludeerd dat dit zand is verspoeld. Gezien de landschappelijke ligging binnen een rivierterras kan dit zand in het Laat-Glaciaal afgezet door de Oude IJssel, maar ook later (deels) zijn verspoeld tijdens overstromingen van de Rijn en/of Oude IJssel. De sedimentlagen in de diepere ondergrond, ook onder het dekzand, zijn tot de rivierafzettingen van de Oude IJssel gerekend (Formatie van Kreftenheye). Het gaat hierbij om een afwisseling van rivierklei en zand. De homogene kleilagen zijn in de boorbeschrijving aangeduid met C2-horizont, de gemengde/verspoelde lagen als C3-horizont en beddingzand als C4-horizont. Het bovenste deel van het beddingzand is matig fijn, maar in de diepere ondergrond komt ook matig grof, matig grindhoudend zand voor (boring 16 vanaf 1,9 m beneden maaiveld).
Vanwege sterk puinhoudende lagen waarop de boringen zijn gestaakt, zijn de natuurlijke afzettingen in de boringen 10, 11 en 19 niet bereikt.
3.3.2
Bodem
In de top van de rivierafzettingen van de Oude IJssel is geen bodemniveau aanwezig. Deze sedimenten zijn op basis van de landschappelijke ontwikkeling (paragraaf 2.2) gevormd in de Bølling - Allerød interstadiaal. Gezien de sterke variatie in textuur van de rivierafzettingen tussen de boringen was sprake van een dynamisch riviersysteem. Daarna werd het klimaat veel kouder waardoor weinig/geen bodemvorming kon optreden en werden de oude rivierafzettingen grotendeels afgedekt met dekzand. In het dekzand heeft bodemvorming kunnen optreden waarbij vorstvaaggronden zijn ontstaan. In het plangebied zijn de vorstvaaggronden verdwenen als gevolg van het historisch gebruik als landbouwgrond. Hierbij is de bodem verploegd/bewerkt en is een cultuurdek ontstaan. Vanwege de dikte van het cultuurdek (meer dan 50 cm) en de bruine kleur is de bodem geclassificeerd als een bruine enkeerdgrond. Het cultuurdek bestaat uit een donkerbruine bouwvoor (Aap-horizont) met een dikte van 30 – 40 cm met daaronder een bruingekleurd plaggendek met een vergelijkbare dikte van 30 – 40 cm (Aa1horizont). Er kan een onderverdeling worden gemaakt binnen het plangebied, want het cultuurdek is niet overal hetzelfde. In de westelijke hoek is het plaggendek sterk siltig tot kleiig ontwikkeld, vanwege het gebruik van lutumrijke plaggen afkomstig van rivierafzettingen. Het cultuurdek is hier relatief dun met ca.
60 cm (boring 6 t/m 9). In het noordwestelijke deel is het cultuurdek minder kleiig en is 80 – 90 cm dik met daaronder in veel gevallen een gevlekte laag waarin het cultuurdek is vermengd met de natuurlijke ondergrond (boring 1 t/m 5, 11 en 13). Deze overgangslaag is geïnterpreteerd als een verploegde bodemhorizont. In het zuidoostelijke deel ontbreekt deze verploegde overgangslaag en is onder het plaggendek een lichtgekleurde geelbruine, iets gevlekte bodemlaag waargenomen. Vanwege de geringe kleurverschillen zijn de laaggrenzen in de boringen niet duidelijk zichtbaar en gaat het plaggendek vrij geleidelijk over in deze lichtergekleurde bodemlaag. Op basis van het lichtgekleurde uiterlijk, ligging boven het dekzand en vondsten (zie volgende paragraaf) is dit niveau geïnterpreteerd als een oude cultuurlaag (Aa2-horizont, boring 14 t/m 18, 20 t/m 24). Dit is vermoedelijk het bovenste deel van de oorspronkelijke vorstvaaggrond die is bewerkt als gevolg van bewoning/akkers. In het noordoostelijke deel van het plangebied is deze laag duidelijk aanwezig en lijkt zich uit te strekken in
KSP Archeologie
25
zuidwestelijke richting. De diepteligging van de top van het dekzand (C-horizont) varieert van 70 tot 90 cm beneden maaiveld. Ter plaatse van het erf wordt het humeuze cultuurdek afgedekt met een recent, puinhoudend ophogingspakket. Ter hoogte van het woonhuis is de recente ophogingslaag 50 cm dik (boring 13) en op het achtererf 120 cm dik (boring 11). 3.4
Archeologische indicatoren
Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn in het noordoostelijke deel van het plangebied archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats (Tabel 4). Het gaat om drie fragmenten handgevormd aardewerk met een kwartsmagering. De fragmenten verschillen sterk van elkaar. Het fragment in boring 14 is vrij dik en heeft als gevolg van het bakproces aan één kant een geoxideerd (oranje) oppervlak (Figuur 13). Het fragment in boring 15 is dunwandig en is aan de binnenkant afgestreken (Figuur 14). Het fragment in boring 23 heeft geen opvallende kenmerken (Figuur 15). De fragmenten hebben met elkaar gemeen dat ze geen goede dateerbare elementen bevatten waardoor ze afkomstig kunnen zijn van zowel handgevormde potten uit de IJzertijd – Romeinse tijd, maar ook van kogelpotten uit de Middeleeuwen. De fragmenten handgevormd aardewerk zijn daarom ruim gedateerd in de periode IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen A. Ook in boring 20 in het uiterste zuiden van het plangebied is in de oude cultuurlaag een kruimeltje handgevormd aardewerk gevonden, maar deze is vanwege de zeer geringe omvang (ca. 0,5 cm groot) niet meegenomen uit het veld. In boring 15 is een bodemfragment steengoed gevonden (Figuur 16). Het bestaat uit egaal, lichtgrijs steengoed en bevat geen engobe of glazuur.
Op basis hiervan behoort het fragment tot de vroege periode van de steengoedproductie 1280 – 1400 n. Chr. Vondstnr
Boring
Vondst
Datering
Bodemlaag
Diepte (cm -mv)
1
14
Handgevormd aardewerk
IJZ-MELA
Aa2-horizont
80 – 90
2
15
Steengoed
MELB
Aa1-horizont
40 – 50
3
15
Handgevormd aardewerk
IJZ-MELA
Aa1-horizont
60 – 70
4
23
Handgevormd aardewerk
IJZ-MELA
Aa1-horizont
60 - 70
Tabel 4: Vondsten die zijn aangetroffen in de boringen.
Figuur 13: Vondst 1 uit boring 14, fragment handgevormd aardewerk binnen- en buitenzijde.
KSP Archeologie
26
Figuur 14: Vondst 3 uit boring 15, fragment handgevormd aardewerk binnen- en buitenzijde.
Figuur 15: Vondst 4 uit boring 23, fragment handgevormd aardewerk binnen- en buitenzijde.
Figuur 16: Vondst 3 uit boring 15, fragment steengoed binnen- en buitenzijde.
KSP Archeologie
27
3.5
Toetsing van de archeologische verwachting
In het noordelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied is de verwachte terrasrest-rug aangetroffen. Deze bestaat uit rivierafzettingen (zand en klei) afgedekt met een laag dekzand. Op het dekzand is een cultuurdek ontstaan van gemiddeld 80 – 90 cm dik (bruine enkeerdgrond). In het westelijke deel van het plangebied ontbreekt een afdekkende laag dekzand en liggen de rivierafzettingen/verspoeld (dek)zand direct onder het cultuurdek, dat met ca. 60 cm ook dunner is. In het plangebied zijn geen bodemverstoringen aangetroffen. Ter plaatse van het erf is onder het recente ophogingspakket een intacte bruine enkeerdgrond aangetroffen. Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke bodem. In het plangebied is geen intacte vorstvaaggrond aangetroffen. De vorstvaaggrond is (deels) opgenomen in het afdekkende humeuze cultuurdek. Daarnaast zijn er geen indicatoren aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid een vindplaats. De middelhoge tot hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum wordt daarom naar laag bijgesteld.
Nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken. In het plangebied is een potentieel archeologische sporenniveau aangetroffen in de top van de C-horizont op een diepte van gemiddeld 70 – 90 cm beneden maaiveld. In het noordoostelijke deel van het plangebied zijn in de bovenliggende oude cultuurlaag en/of plaggendek fragmenten aardewerk gevonden, die wijzen op bewoning in de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen. Op basis van de vondsten moet rekening worden gehouden met één of meerdere vindplaatsen. Op basis van de bodemopbouw (plaggendek + oude cultuurlaag) is de verwachting dat de vindplaats zich kan uitstrekken in zuidelijke richting en in beperkte mate in westelijke richting. In boring 20 is de oude cultuurlaag bijvoorbeeld nog een kruimeltje aardewerk gevonden. Op basis van de vondsten is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor archeologische uit de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen. Een vindplaats uit het Neolithicum – Bronstijd ligt op basis van de vondsten niet voor de hand. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd bij te stellen.
KSP Archeologie
28
4
Conclusie en advies
4.1
Conclusie
Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke, archeologische verwachtingskaart is aan het grootste deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend en aan de zuidoostelijke punt een gematigde verwachting (Figuur 3). Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting bevestigd. Vanwege de landschappelijke ligging op de flank van een terrasrest-rug naar de lager gelegen terrasvlakte en de archeologische vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een hoge tot middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een lage verwachting aan het plangebied toegekend. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. In het plangebied is een potentieel archeologische sporenniveau aangetroffen in de top van de C-horizont op een diepte van gemiddeld 70 – 90 cm beneden maaiveld.