CConstaterende datOmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

9. Beerzerweg 26, bijlage bij motivering 6 Quickscan flora en fauna

Gemeenteraad 4 juni 2026, gemeente OmmenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Beerzerweg5.720 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Quickscan flora en fauna Beerzerweg 26 Beerze

Quickscan flora en fauna Beerzerweg 26 Beerze

Titel

Quick Scan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

Uitvoering

Bureau Bleijerveld

Opdrachtgever

BJZ.nu Dr. Van Wiechenweg 2 8025 BZ Zwolle

Datum

04 oktober 2024

Status

2e versie

8451 KB Oudeschoot mob 06-40559568 mobleijerveld@gmail.com

www.ruimtevooradvies.nl

Schoterlandseweg 53

Inhoudsopgave 1

Inleiding 1.1 Aanleiding & doel 1.2 Methoden 1.3 Plangebied 1.4 Ingreep

1 1 2 2 5

2

Beschermde gebieden 2.1 Aanwezigheid beschermde gebieden 2.2 Effecten beschermde gebieden

6 6 6

3

NDFF-gegevens

7

4

Beschermde soorten 4.1 Planten 4.2 Zoogdieren 4.3 Vleermuizen 4.4 Vogels 4.5 Amfibieën 4.6 Reptielen 4.7 Vissen 4.8 Ongewervelden 4.9 Samenvatting

8 8 8 8 10 10 11 11 11 12

5

Conclusies 5.1 Beschermde gebieden 5.2 Beschermde soorten

13 13 13

Bronnen Bijlage I. Wettelijk kader en beleidsbeleid

14

1 1.1 Aanleiding & doel

Inleiding

Aan de Beerzerweg 26 in buurtschap Beerze (gem. Ommen) bevindt zich een voormalig agrarisch bedrijf. Het voornemen bestaat om het erf te reconstrueren waarmee sloop en renovatie is gemoeid. Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Wet- en regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Omgevingswet (Ow, 2024).

Figuur 1. Globale ligging plangebied (rood).

Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van de quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied. De rapportage kan dienstdoen als onderbouwing bij bestemmingsplanwijzigingen en ontheffings- of vergunningaanvragen in het kader van de Omgevingswet. Een quickscan betreft een beoordeling van de aanwezige natuurwaarden in en rond het plangebied op basis van beschikbare gegevens, een terreinbezoek en ecologische kennis. De quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie. Omdat het onderzoek een momentopname betreft kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en – beheer na afloop van het onderzoek.

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

1

1.2 Methoden

Bij de beoordeling van het plangebied is een bronnenonderzoek verricht naar het voorkomen van beschermde soorten en de ligging van beschermde gebieden in de regio. Daarvoor zijn de gegevens van de Nederlandse Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Voor de ligging van beschermde gebieden is gebruik gemaakt van de digitale atlas van provincie Overijssel. Op 29 augustus 2024 is het plangebied bezocht. Daarbij is gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Verder is het terrein beoordeeld op de geschiktheid voor beschermde soorten (habitatbeoordeling).

1.3 Plangebied

Het plangebied wordt gevormd door het erf van een agrarisch bedrijf. Op het erf staan vier gebouwen die oorspronkelijk in 1900 zijn gebouwd. Het gaat om de volgende gebouwen:

Figuur 2. Recente luchtfoto met plangrens (rood).

Gebouw 1 De boerderijwoning die beschikt over gemetselde gevels behalve de hoge nok van de kopgevels die uit schrootjes bestaat. Een spouw is niet aanwezig op grond van het bouwjaar. Het dak is gedekt met riet behalve de onderrand van het dak aan de zuidkant. Hier zijn een paar rijen dakpannen gelegd. De dakrand bevindt zich onder de twee meter. De windveren en daklijsten zijn van hout. De nok is met gaas afgedekt. Het gebouw is niet van binnen geinspecteerd. Gebouw 2 Een lange, lage schuur met verschillende compartimenten. De gevels zijn deels gemetseld en deels van hout of gevlochten stro. De gevels zijn één tot

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

2

tweeëneenhalve meter hoog. Het dak is gedekt met pannen, riet of golfplaten. De gehele constructie is enkelwandig en zeer open door gaten en spleten. In het westelijke deel is een open hooizolder aanwezig met een dunne laag hooiresten. Gebouw 3 Het betreft het bakhuis, een klein gemetseld gebouwtje met een pannendak. De zuidelijke helft is van een zoldertje voorzien. De gehele constructie is enkelwandig. Gebouw 4 Een kleine stal met gemetselde gevels en een golfplaten dak. De daklijsten aan de kopgevels bestaan uit smalle, houten latten. De nok is van metaalplaat. Er is een lege hooizolder aanwezig. Het erf bestaat – naast kleine oppervlakten bestrating - verder geheel uit gazon. Ten zuiden van de woning (gebouw 1) staat een korte heg en ten noorden van de woning een oudere eik. Rond het erf liggen open graslanden en akkers, en aan de oost- en zuidkant het aangrenzende erf met vergelijkbare gebouwen. Het plangebied maakt deel uit van buurtschap Beerze dat uit een losse verzameling historische boerderijen bestaat. In en rond het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

3

Figuur 3. Noordwestkant boerderij (gebouw 1).

Figuur 4. Zuidoostkant boerderij (gebouw 1).

Figuur 5. Noordoostkant grote schuur (gebouw 2).

Figuur 6. Zuidzijde grote schuur (gebouw 2).

Figuur 7. Bakhuis (gebouw 3).

Figuur 8. Kleine schuur (gebouw 4).

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

4

1.4 Ingreep

Het voornemen bestaat om het erf dat al enige tijd leegstaat te renoveren met behoud van de historische waarde. De boerderij (gebouw 1) krijgt een woonbestemming, er vinden geen fysieke ingrepen aan het gebouw plaats. De lange schuur wordt gerestaureerd. Het bakhuis blijft behouden als tuinhuis/schuurtje. De stal (gebouw 4) wordt gesloopt. Voor het erf is een erf- en landschapsplan opgesteld dat voorziet in de aanplant van groen onder meer in de vorm van heggen en solitaire bomen. Het bijbehorende land ten zuidwesten van het erf krijgt de functie akker met extensieve randen.

Figuur 9. Inrichtingsschets toekomstige situatie.

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

5

2 2.1 Aanwezigheid beschermde gebieden

Beschermde gebieden

Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden maar grenst aan de zuidwestkant aan Natuurnetwerk Nederland. Op korte afstand van de zuidwestkant (ca. 6 m) ligt ook Natura 2000-gebied Vecht- en BenedenReggegebied.

Figuur 10. Ligging plangebied t.o.v. beschermde natuurgebieden. 2.2 Effecten beschermde gebieden

Vanwege de kleine schaal van het project en de bestemming (wonen) is een negatief effect op beschermde gebieden op voorhand uit te sluiten. De toetsing van het plan aan het stikstofbeleid valt echter buiten het kader van dit onderzoek.

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

6

3

NDFF-gegevens

In de databank zijn van de afgelopen vijf jaar geen waarnemingen van strikter beschermde soorten uit het plangebied bekend. In een straal van circa 300 meter rond het erf zijn verschillende waarnemingen gedaan. Het gaat om waarnemingen van vliegende gewone dwergvleermuizen en een verblijfplaats van grootoorvleermuizen (Beerzerpoort 1). Van de grondgebonden zoogdieren is egel waargenomen. Verder zijn negen soorten vogels waargenomen waaronder drie soorten die in Overijssel over vaste nestplaatsen beschikken, te weten boerenzwaluw, huismus en steenuil. De waarnemingen van steenuil zijn gedaan in 2023 en 2024 en geconcentreerd op het erf van Beerzerpoort 1, circa 180 meter van het plangebied

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

7

4 4.1 Planten

Beschermde soorten

Het plangebied bestaat geheel uit betrekkelijk soortenarm grasland dat regelmatig gemaaid wordt. De vegetatie was typerend voor matig voedselrijke zandgrond met soorten als gewoon biggenkruid, kleine leeuwentand, gewone paardenbloem, schapenzuring en muizenoor. Er zijn geen bedreigde of beschermde soorten aangetroffen. Een negatief effect op bedreigde of beschermde flora is uitgesloten.

4.2 Zoogdieren

Alle inheemse soorten zoogdieren met uitzondering van de mol zijn in meer of mindere mate beschermd. De groene buitenruimte van het plangebied bestaat geheel uit kort grasland dat regelmatig wordt gemaaid. Opgaande begroeiing is beperkt tot één boom en een rijtje struiken. Voor zoogdieren vormt dit een marginaal leefgebied. Er zijn enkele algemene muizensoorten te verwachten, met name veldmuis en gewone bosmuis. Steenmarter is een typerend voor gebouwen. De bijgebouwen (nr. 2-4) zijn enkelwandig en geinspecteerd op aanwezigheid van steenmarter of sporen van gebruik. Deze zijn niet aangetroffen. De boerderij (nr. 1) is ontoegankelijk voor steenmarter vanwege het nauwsluitende rietdak behalve aan de zuidzijde waar een strookje pannen ligt. Hiervan is de ruimte onder de pannen geinspecteerd. Ook hier zijn geen sporen van gebruik aangetroffen. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van een vaste verblijfplaats van steenmarter uitgesloten. Effecten Het plan kan een negatief effect hebben op algemene soorten kleine zoogdieren maar hiervoor geldt een algemene vrijstelling in geval van ruimtelijke ingrepen.

4.3 Vleermuizen

Alle soorten vleermuizen zijn strikt beschermd in de Ow onder de Europese Habitatrichtlijn. Het leefgebied inclusief de verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd. Verblijfplaatsen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van bouwwerken. Verblijfplaatsen Van de bijgebouwen zijn de gevels en het dak enkelwandig. De gebouwen missen daardoor nauwe, besloten ruimten waarin verbleven kan worden. Ook beschikken de gebouwen niet over daklijsten of de lijsten zijn te smal of van ongeschikt metaal. Daardoor bestaan er geen nauwe ruimten waarachter zich een verblijfplaats kan bevinden. De zolders zijn in theorie te gebruiken door soorten van grote, donkere ruimten, met name grootoorvleermuis. Op de zolders zijn geen vleermuizen of sporen van gebruik aangetroffen. De boerderij is grotendeels ongeschikt als verblijfplaats vanwege het ontbreken van een spouw, het rietdak en de geringe hoogte van het stuk dak met pannen. Op de kopgevels zijn wel brede daklijsten aanwezig. Plaatselijk bestaat er ruimte tussen de gevel en de lijsten. In theorie kunnen zich hierachter verblijfplaatsen van kleine soorten – met name dwergvleermuizen – bevinden. Het is niet bekend of de zolder geschikt is als verblijfplaats en of deze toegankelijk is vanaf de buitenzijde. Op de buitengevel en vensterbanken zijn geen uitwerpselen van vleermuizen gevonden.

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

8

Vlieg- en foerageerroutes Vanwege de openheid van het terrein en de omgeving en de beperkte beschikbaarheid van groen is een belang van het terrein voor vlieg- en foerageerroutes van vleermuizen uit te sluiten. Effecten De boerderij is potentieel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Omdat er geen fysieke ingrepen aan de boerderij worden gepleegd treden er geen negatieve gevolgen op voor eventueel verblijvende dieren of de verblijfplaatsen.

Figuur 11 & 12. Kopgevel boerderij met wijkende daklijst (l) en hooizolder van gebouw 2 (r).

Figuur 13 & 14. Binnenzijde bakhuisje (l) en hooizolder van gebouw 4 (r).

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

9

4.4 Vogels

Alle inheemse broedvogels zijn beschermd. De Ow maakt onderscheid tussen vogels zonder en met vaste broedplaatsen. Van vogels zonder vaste broedplaats zijn alleen de broedsels beschermd en niet het leefgebied. Van vogels met een vaste broedplaats is naast de broedplaats (jaarrond) ook het functionele leefgebied beschermd.

Broedvogels zonder vaste nestplaats Van de bijgebouwen zijn de gevels en de daken enkelwandig. Besloten plaatsen voor nisbroeders zoals witte kwikstaart en spreeuw ontbreken nagenoeg. In de bijgebouwen zijn geen nesten aangetroffen. De boerderij is ongeschikt voor broedvogels vanwege het rietdak dat geen besloten nestruimten biedt en nauw op de daklijsten aansluit. Aan de zuidzijde is een stukje dak met pannen gedekt maar de dakrand hiervan is erg laag (< 2 m). Onder de onderste rij pannen zijn alleen sporen van muizen aangetroffen. Hogerop het dak zijn nestplaatsen niet geheel uit te sluiten. Van de buitenruimte zijn alleen de heg en de solitaire boom geschikt als nestplaats.

Broedvogels zonder vaste nestplaats De locatie en de gebouwen zijn kenmerkend voor een aantal broedvogels met vaste nestplaatsen, te weten kerkuil, steenuil, huismus en boerenzwaluw. In de bijgebouwen zijn geen uilen of sporen van uilen (krijststrepen/braakballen) aangetroffen. Voor boerenzwaluw zijn de gebouwen te gesloten en in de gebouwen zijn geen nesten aangetroffen. Voor huismus zijn de bijgebouwen te open geconstrueerd. Er zijn geen nesten aangetroffen. Van de boerderij is het stuk pannendak en de aansluitende windveren in theorie geschikt als nestplaats. De onderrand is te laag voor nestplaatsen en hier zijn ook geen nesten aangetroffen. Hogerop het pannendak is dit wel mogelijk. Omdat geen huismussen aanwezig waren en het erf leegstaat wordt de aanwezigheid van nestplaatsen van huismussen niet waarschijnlijk geacht. Effecten Wanneer struiken tijdens het broedseizoen gerooid worden kunnen broedsels verstoord worden en kan sterfte optreden. Omdat er geen fysieke ingrepen aan de boerderij worden gepleegd treden er geen negatieve gevolgen op voor eventueel aanwezige nestplaatsen. 4.5 Amfibieën

Alle soorten amfibieën zijn in meer of mindere mate beschermd. Het plangebied en de omgeving bestaan vrijwel geheel uit kort gras en oppervlaktewater ontbreekt. Voor amfibieën vormt dit een ongeschikt leefgebied. Effecten Een negatief effect op amfibieën is uitgesloten.

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

10

4.6 Reptielen

Alle soorten reptielen zijn in meer of mindere mate beschermd. Het plangebied en de omgeving bestaan uit open grasland. Voor reptielen vormt dit geen geschikt leefgebied. Effecten Een negatief effect op reptielen is uitgesloten.

4.7 Vissen

In en rond het plangebied komt geen oppervlaktewater voor waardoor geschikt leefgebied voor vissen ontbreekt. Effecten Een negatief effect op vissen in het algemeen is uitgesloten.

4.8 Ongewervelden

De beschermde soorten ongewervelden zijn gebonden aan zeer specifieke habitats. Het plangebied komt voor geen van de beschermde soorten overeen met hun habitat. Effecten Een negatief effect op beschermde soorten ongewervelden is uitgesloten.

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

11

4.9 Samenvatting

Het plangebied ligt in de buurt van beschermde natuurgebieden. Een effect op deze natuurgebieden is uitgesloten (stikstofdepositie is niet beoordeeld). In het plangebied is het voorkomen mogelijk van algemene, kleine zoogdieren waarvoor een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ingrepen. In de boerderij kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen, vogels zonder vaste nestplaats en vaste nestplaatsen van huismus aanwezig zijn. Een negatief effect op deze soorten is niet aan de orde omdat geen fysieke ingrepen aan de boerderij worden gepleegd. Broedsels van vogels zonder vaste nestplaats kunnen verder in de opgaande begroeiing voorkomen. Van de overige soortgroepen is de aanwezigheid van beschermde soorten uit te sluiten of het plan heeft geen negatieve effecten op deze soorten. Tabel 1: Beschermde soorten die binnen de planlocatie worden verwacht op basis van bestaande gegevens en het veldbezoek. SOORTGROEP

TOELICHTING

BESCHERMDE SOORTEN GEEN

Planten

NATIONAAL

HR

VR

X

Zoogdieren

Algemene soorten

Alg. ontheffing

Vleermuizen

Verblijfplaatsen

Vleermuizen

Foerageergebied

X

Vleermuizen

Vliegroutes

X

Broedvogels

Zonder vaste nestplaats

Potentieel boerderij

Mogelijk boerderij en begroeiing

Broedvogels

Met vaste nestplaats

Mogelijk huismus boerderij

Amfibieën

Algemene soorten

X

Reptielen

X

Vissen

X

Ongewervelden

X

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

12

5

Conclusies

5.1 Beschermde gebieden

Het plangebied ligt niet in of in de nabijheid van beschermde gebieden. Omdat de schaal van het plan gering is en de bestemming wonen zijn negatieve effecten op beschermde gebieden uit te sluiten. De toetsing van het plan aan het stikstofbeleid valt buiten het kader van dit onderzoek.

5.2 Beschermde soorten

Kleine zoogdieren (Ow-nationale soorten, Bal 11.54) Door de werkzaamheden kan verstoring en sterfte van kleine zoogdieren optreden. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt afhankelijk van de provincie een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. In provincie Overijssel geldt deze vrijstelling voor alle te verwachte soorten. Aanvullende maatregelen zijn voor deze soorten niet noodzakelijk. Broedvogels zonder vaste nestplaatsen (Ow-Vogelrichtlijn, Bal 11.37) Bij renovatie- en rooiwerkzaamheden tijdens het broedseizoen kan sterfte en verstoring van broedsels optreden. Daarom dienen deze ingrepen buiten het broedseizoen plaats te vinden tenzij een inspectie uitwijst dat geen broedsels aanwezig zijn. De piek van het broedseizoen beslaat de periode van 15 maart tot 15 juli, maar eerdere en vooral latere broedgevallen zijn mogelijk. In de periode van 1 september tot 1 maart is de kans op broedgevallen gering. Tabel 2. Maatregelen en vervolgacties n.a.v. quick scan Soortgroep

Soort

Maatregel/vervolgactie

Planten

Alle

¾

Vleermuizen

Alle

¾

Zoogdieren

Alle

¾

Vogels zonder vaste

Alle

Renovatie en rooien uitvoeren buiten de periode (1 mrt) 15 maart – 15

verblijfplaats

juli (1 sep)

Vogels met vaste verblijfplaats

Alle

¾

Amfibieën

Alle

¾

Reptielen

Alle

¾

Vissen

Alle

¾

Ongewervelden

Alle

¾

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

13

Bronnen www.ndff.nl www.overijssel.nl

Quickscan flora en fauna, Beerzerweg 26 Beerze

14

Bijlage I

Wettelijk kader en beleidskader

Omgevingswet Algemeen

De Omgevingswet omvat de regels voor alle activiteiten in de fysieke leefomgeving. De wet bundelt 26 wetten die gaan over de regels met betrekking tot onder meer infrastructuur, bouwwerken, water, lucht, bodem, milieu, cultureel erfgoed en natuur. De wet beoogt een vereenvoudiging van de regels voor de fysieke leefomgeving en een duurzame ontwikkeling en beschermen en verbeteren van het leefmilieu. Om alle regels voor de fysieke leefomgeving op een gestructureerde manier te regelen, is er sprake van een stelsel Omgevingswet. Het stelsel Omgevingswet kent een bepaalde opbouw, die bepalend is voor waar de relevante onderdelen terug te vinden zijn met betrekking tot de verschillende onderwerpen van de fysieke leefomgeving, waaronder natuurbescherming. Het stelsel bestaat uit een algemene wettekst – de Omgevingswet zelf – dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in zogenaamde uitvoeringswetten (Algemene Maatregelen van Bestuur, of AMvB’s) en de Omgevingsregeling.

AMvB

De inhoud van de AMvB’s verschillen per AMvB. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken, waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten, voor zowel initiatiefnemers als overheden. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staat de uitwerking van algemene regels voor bouwwerken die rechtstreeks werken, eveneens voor initiatiefnemers en overheden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de uitwerking van normen en instructieregels voor bestuursorganen, waaronder de kaders voor vergunningverlening. In het Omgevingsbesluit (Ob) staan de spelregels voor initiatiefnemers en bestuursorganen, onder meer met betrekking tot bevoegdheden, totstandkomingsprocedures en handhavingsbepalingen. Naast de AMvB’s, is er een Omgevingsregeling (Or), waarin de technische en administratieve regels staan, bijvoorbeeld de aanvraagvereisten voor een vergunning voor een Natura 2000-activiteit of Flora- en fauna-activiteit.

Gebiedsbescherming Natura 2000 Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden die zijn samengesteld uit ofwel Speciale Beschermingszones (SBZ’s) conform de Europese Vogelrichtlijn, ofwel SBZ’s conform de Europese Habitatrichtlijn, of een combinatie van SBZ’s. De oppervlakte en de kwaliteit van de habitattypen dan wel de omvang en kwaliteit van de populatie van soorten en de maatregelen om de doelstellingen te realiseren, moeten worden uitgewerkt in een beheerplan.

Zorgplicht Natura 2000

In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. Er moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voor

hand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, 2e lid onder d), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, 2e lid onder f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord. De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000activiteiten maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd. Beoordeling vergunningsplicht

Er is een onderscheid tussen een ‘Natura 2000-activiteit’ en andere type activiteiten. Een ‘Natura 2000-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een:

‘activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’ Een Natura 2000-activiteit is vergunningplichtig (art. 5.1, lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij geval’ (art. 11.16 t/m 11.21 Bal). Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Er moet dan eerst worden getoetst wat de effecten zijn van een activiteit op Natura 2000-gebieden voordat duidelijk is hoe de activiteit moet worden aangeduid. Gezien de huidige praktijk is er daarmee de noodzaak voor het uitvoeren van een voortoets die deze helderheid kan bieden. De uitslag van deze toets is van belang voor het vervolg van de behandeling van de activiteit. Is er sprake van een Natura 2000-activiteit dat niet vergunningsvrij is, dan is er een nader onderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling voordat een vergunning kan worden verleend. De regels waar een Passende Beoordeling aan moet voldoen staan in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl.

Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan de vergunning voor het project worden verleend als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl). Met betrekking tot de bepaling van mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof, is er met betrekking tot de toetsing van Natura 2000activiteiten in de wet een verplichting opgenomen tot het gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15 Or). Als er uit de voortoets naar voren komt dat de activiteit geen ‘Natura 2000activiteit’ is of als er sprake is van een vergunningsvrij geval, is er mogelijk nog wel sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied of bijzonder nationaal natuurgebied’. Hoewel deze type activiteit niet in het stelsel Omgevingswet wordt genoemd, blijkt uit de wettekst en de toelichtingen hierop dat activiteiten op deze wijze moeten worden geïnterpreteerd: ondanks dat er geen vergunningplicht geldt, blijft de specifieke zorgplicht voor deze activiteiten van toepassing (zie hiervoor).

Vergunningsvrije gevallen In het Bal is een aantal vergunningsvrije gevallen aangewezen waarvoor derhalve geen vergunningplicht geldt. Dit betreft onder meer: • • • •

stikstofdepositie door tijdelijke activiteiten, zoals bouw- en sloopactiviteiten, het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk (art. 11.17 Bal)7; In een programma (bijv. Natura 2000-beheerplan) aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.21 Bal, mits het programma voldoet aan de eisen zoals aangegeven in art. 11.18, lid 2 Bal; In een omgevingsverordening aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.19 en art. 11.21 Bal; In een ministeriele regeling aangewezen Natura 2000-activiteiten die voldoen aan art. 11.20 en 11.21 Bal.

Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland Aanwijzing & bescherming

De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform art. 2.44 Ow. De instructieregels voor de aanwijzing, begrenzing en de reikwijdte van het NNN zijn opgenomen in artikel 7.5 en Artikel 7.6 Bkl. In de Omgevingsverordening zijn (instructie)regels gesteld voor Omgevingsplannen van gemeenten en projectbesluiten (art. 7.8, 1e lid Bkl). Deze regels zijn gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

Wezenlijke kenmerken en waarden

De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Bkl. In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Het hangt echter per provincie af hoe zij de wezenlijke kenmerken en waarden hebben gedefinieerd.

Beschermingsregime

Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art. 7.8, lid 2 Bkl, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies: “De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.” Een vergelijkbare instructieregel voor de bescherming van het NNN is opgenomen voor projectbesluiten die door het Rijk wordt vastgesteld in art. 9.3, lid 1 Bkl.

Gebiedsbescherming bijzondere natuurgebieden en landschappen Het Rijk kan op basis van art. 2.44, lid 2 Ow zogeheten bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De bijzondere nationale natuurgebieden kunnen worden aangewezen vooruitlopend op de aanwijzing of begrenzing als Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld als het gaat om compensatie voor handelingen die leiden tot een significant gevolg of als het gaat om gebieden die nodig zijn om de doelstellingen van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn te bereiken (art. 3.63 Bkl). Daarnaast kan het Rijk ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen als de bescherming van het gebied nodig is voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage I Vogelrichtlijn of Bijlage I, II, IV of V Habitatrichtlijn. In die gevallen bevat het aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelstellingen (art. 3.64 Bkl). Het ministerie van LNV heeft de taak zorg te dragen dat de maatregelen worden getroffen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van deze type natuurgebieden (art. 2.19, lid 5 Ow), tenzij Gedeputeerde Staten is aangewezen om deze taak uit te voeren (art. 2.18, lid 1, onder g, 2°, tweede streepje Ow).

Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt, naast een mogelijke toegangsbeperking, de specifieke zorgplicht zoals genoemd in art. 11.6 Bal. De provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). Niet iedere provincie hanteert dezelfde juridische bescherming. Sommige hanteren alleen een predicaat, anderen hanteren een soort ADC-criteria en daarmee juridische beschermingsregime naast NNN en Natura 2000. Kijk voor de geldende regels in de van toepassing zijnde provinciale Omgevingsverordening.

Soortbescherming Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet een:

‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 Bal (specifieke zorgplicht), art. 11.28 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Hoewel de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden art. 11.27 en 11.28 ook met betrekking tot de niet-beschermde soorten. Specifieke zorgplicht flora en fauna

In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle ‘floraen fauna-activiteiten’ die, zoals hiervoor aangegeven, vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). Deze specifieke zorgplicht komt in de plaats van de algemene zorgplicht die in de Omgevingswet staat. Iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.27, 1e lid Bal). In het tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. In het tweede lid onder a is er met betrekking tot de reikwijdte van de zorgplicht voor flora- en

fauna-activiteiten aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat onderzoek wordt verricht naar het voorkomen van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn. Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende: • • • •

Vogelrichtlijn-soorten zoals genoemd in bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, 2e lid Vrl; Habitatrichtlijn-soorten als opgenomen in bijlage II, IV en V Hrl; dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten; nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal).

Zoals ook aangegeven hiervoor met betrekking tot de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden, is de kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Ook in art. 11.27, tweede lid wordt verwezen naar passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen. In art. 11.27, tweede lid onder b Bal wordt aangegeven dat er moet worden ‘vastgesteld’ of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarnaast zijn de overige voorwaarden in het tweede lid onder c t/m f zodanig concreet dat in deze bewoording kan worden gelezen dat er aantoonbaar aan deze voorwaarden moet worden voldaan, zeker ook met in het achterhoofd dat de specifieke zorgplichten in de Omgevingswet zowel bestuurlijk als strafrechtelijk kunnen worden gehandhaafd. Om aantoonbaar aan de voorwaarden van de specifieke zorgplicht te hebben voldaan, is het noodzakelijk dat de toetsing aan de zorgplichtbepalingen in een quickscan of nader onderzoek wordt vastgelegd. 5.3 Soortenbeschermingsregimes

In de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 soortenbeschermingsregimes opgenomen:

zijn

de

verschillende

§ 11.2.2: omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn § 11.2.3: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn § 11.2.4: omgevingsvergunning andere soorten Onder iedere paragraaf zijn de vergunningplichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven. In de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, maar over schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval. De inhoud van de schadelijke handelingen komen overeen met de verbodsbepalingen van de soortenbeschermingsregimes uit de Wet natuurbescherming, aangezien deze rechtstreeks voortkomen uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen:

• • • • •

•

het opzettelijk doden en vangen van soorten; het beschadigen of vernielen van voortplantings- en rustplaatsen van dieren, niet zijnde vogels; het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, eieren of wegnemen van nesten van vogels; het opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren; het (ver)storen van dieren volgens de beschermingsregimes soorten Vogelrichtlijn en soorten Habitatrichtlijn (geldt voor vogels niet als er geen sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de vogelsoort); het plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten.

De beschermde soorten staan per beschermingsregime aangegeven en betreffen alle van nature in Nederland voorkomende vogels conform art. 1 Vogelrichtlijn, dieren en planten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het verdrag van Bern of bijlage I van het verdrag van Bonn, en andere soorten, genoemd in bijlage IX behorende bij art. 11.54 Bal (nationaal beschermde soorten). 5.4 Uitzonderingen vergunningen

Voor instandhoudings- en passende maatregelen in het kader van het bereiken van Natura 2000-doelstellingen geldt een uitzondering van de vergunningplicht voor schadelijke handelingen. In het Bal zijn verder een aantal vergunningsvrije gevallen aangewezen per beschermingsregime waarvoor derhalve geen vergunningplicht geldt. Hoewel er enkele verschillen zijn, betreft het onder meer de volgende gevallen: • In een programma aangewezen flora- en fauna-activiteiten (bijv. een Natura 2000-beheerplan); • In een omgevingsverordening aangewezen flora- en fauna-activiteiten (bijv. de door de provincie vrijgestelde soorten en handelingen); • In een ministeriële regeling aangewezen flora- en fauna-activiteiten (bijv. de door de Minister van LNV vrijgestelde soorten en handelingen. In art. 4.31 Or zijn de flora- en fauna- activiteiten genoemd in art. 11.54 Bal aangewezen als vergunningvrij voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkelingen of inrichting van gebieden (incl. gebruik) voor de soorten in bijlage VIIc Or); • Flora- en fauna-activiteiten die aantoonbaar worden uitgevoerd conform een per ministeriële regeling aangewezen gedragscode (zie de huidige gedragscodes onder deze link).

5.5 Beoordelingsregels vergunning

Een vergunning kan alleen worden verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels die staan uitgewerkt in § 8.6.2 Bkl. De beoordelingsregels verschillen per soortenbeschermingsregime (uitgewerkt in art. 8.74j t/m art. 8.74l Bkl), maar komen kort gezegd neer op de beoordeling: a) of er geen andere bevredigende oplossing is, b) de activiteit nodig is vanwege een genoemd wettelijk belang, en c) de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de aangevraagde soort.

5.6 Indieningsvereisten en beslistermijnen

Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit gelden de indieningsvereisten die zijn opgenomen in de Or. De indieningsvereisten zijn in algemene zin uitgewerkt, waarna per beschermingsregime specifieke aanvullende indieningsvereisten kunnen gelden: • • • •

§ 7.2.8a.2 Algemeen flora- en fauna-activiteiten: modules § 7.2.8a.3 Flora- en fauna-activiteit: vogelrichtlijnsoorten § 7.2.8a.4 Flora- en fauna-activiteit: habitatrichtlijnsoorten § 7.2.8a.5 Flora- en fauna-activiteit: andere soorten

In § 7.2.8a.2 Or is onder meer aangegeven dat een ‘natuurwaardenonderzoek' moet worden aangeleverd dat aan bepaalde eisen moet voldoen. Naast de aanlevering van details van de handelingen waaronder de omvang, kaart, planning en onderbouwing van het voldoen aan de voorwaarden aan vergunningverlening, is het van belang dat het natuurwaardenonderzoek gegevens bevat waarvan de jongste gegevens niet ouder zijn dan drie jaar, of korter als in de periode tussen het onderzoek en de aanvraag de locatie en het gebied rondom de locatie waarop de activiteit wordt verricht ingrijpend zijn gewijzigd (art. 7.197j, lid 2, onder b Or). Verder moet een ‘natuurwaardenonderzoek zijn verricht door een persoon met aantoonbare specifieke ecologische kennis en ervaring, die ecologisch advies verstrekt of werkzaamheden begeleidt op het gebied van situaties, habitats en soorten (art. 7.197j, lid 2, onder a Or). Art. 16.64 Ow bepaald dat de algemene beslistermijn voor een omgevingsvergunningsaanvraag 8 weken bedraagt (enkelvoudige aanvraag), of 12 weken (meervoudige aanvraag). De eenmalige verlengingstermijn is (ten hoogste) 6 weken. Echter, met betrekking tot de vergunningsaanvraag voor Natura 2000-activiteiten is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV-procedure) van de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4 Awb) van toepassing (art. 10.24, lid 1, onder j Ob).

Dan geldt een beslistermijn van 26 weken. Bij meervoudige aanvragen die ook een aanvraag voor een Natura 2000activiteit bevat, moet rekening worden gehouden met deze beslistermijn. 5.7 Bevoegd gezag

De Minister van LNV is het bevoegd gezag om te beslissen op enkel- en meervoudige aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit van nationaal belang (art. 4.12 Ob). In art. 4.12, lid 2 Ob zijn de activiteiten van nationaal belang aangewezen. Het betreft onder meer wegen, hoofdspoorwegen, wateren en primaire waterkeringen die worden beheerd door het Rijk (o.a. Rijkswaterstaat en Prorail), militaire terreinen en militaire luchthavens, luchthavens van nationale betekenis (o.a. Schiphol), het hoofdgastransportnet, hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220 kV, kustverdediging, het delven van delfstoffen, etc. Voor zover de activiteiten niet zijn aangewezen als activiteiten van nationaal belang, dan is Gedeputeerde Staten van de provincie het bevoegd gezag om te beslissen op enkel- en meervoudige aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (art. 4.6 Ob).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16910726/1