CConstaterende datMaassluis
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 APV 2019

commissie 2 19 januari 2021, gemeente MaassluisBij agendapunt: 20.00-20.45 uur: Raadsvoorstel tot vaststellen Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 202142.616 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

26 alinea's met “sluiting”: 12 15 21 51 137 138 139 142 143 144 160 166 215 228 229 230 233 387 397 488 489 490 493 494 498 520

Tezamen hebben artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht en de bepalingen van afdeling 9 (toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf) primair als doel om, met de geregistreerde gegevens, de opsporing of aanhouding van door de politie of justitie gezochte personen te vergemakkelijken. In de modelverordening is het nachtregister “gereserveerd”. In Maassluis wordt het om de aangegeven reden van belang geacht de verplichting van een nachtregister te handhaven. De verplichting een door de burgemeester vastgesteld model te gebruiken is vervallen. Door het vormvrij maken van het register is een verlichting van administratieve lasten beoogd. Afdeling 10. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Ondermijning vormt een steeds groter probleem voor onze samenleving, wat haar weerslag vindt in de toenemende aandacht voor het thema in de landelijke en lokale politiek. Bij ondermijning zijn de boven- en onderwereld met elkaar verweven en wordt er gebruik gemaakt van legale structuren voor ondermijnende activiteiten. Het is een vorm van criminaliteit, die het best wordt bestreden door een samenwerking van ketenpartners, waaronder de politie, het OM en de Belastingdienst, en waarin ook steeds meer een rol voor de gemeente is weggelegd om via bestuursrechtelijke wijze het probleem aan te pakken.

Om het vestigingsklimaat voor ondernemers te verbeteren en de ondermijnende criminaliteit te bestrijden, heeft de gemeente Tilburg een vergunningplicht geïntroduceerd voor aangewezen gebouwen, gebieden en bedrijfsmatige activiteiten, en daarvoor een aantal nieuwe artikelen in de APV opgenomen. Veel andere gemeenten hebben ervoor gekozen om, in navolging van Tilburg, soortgelijke artikelen in de APV op te nemen. Omdat het wenselijk is hierbij aan te sluiten, zijn met de APV-wijziging 2018 ook overeenkomstige artikelen opgenomen in deze APV. De nieuwe artikelen 2:39 en 2:40a t/m 2:40d onder afdeling 10 geven de burgemeester de APV Gemeente Maassluis 2019

91

bevoegdheid om via een aanwijzingsbesluit een vergunningplicht te introduceren voor panden, straten, gebieden of branches om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat tegen te gaan. Het opleggen van een vergunningplicht is een gangbaar instrument om controle te hebben op ondernemers en om te kunnen handhaven bij overtredingen. Zo geldt onder andere voor het exploiteren van een horecabedrijf een vergunningplicht, waarbij wordt getoetst of het horecabedrijf aan een aantal voorwaarden voldoet. Het is daarom ook een passend instrument om ondermijnende criminaliteit beter te bestrijden. Door de vergunningplicht voor ondernemers uit te breiden naar andere branches, kan door de toetsing aan voorwaarden en regels worden voorkomen dat malafide ondernemers zich vestigen in die sectoren die extra gevoelig zijn voor ondermijnende activiteiten en waar het toezicht van de overheid beperkt is. Bovendien gaat er een preventieve werking uit van de mogelijkheid om een vergunningplicht op te leggen. Ook dat draagt bij aan het aantrekken van bonafide ondernemers en het weren van malafide ondernemers. Het nieuwe artikel wordt in de APV toegevoegd uit voorzorg, vanwege de preventieve werking van het artikel, en om snel te kunnen optreden indien dat nodig blijkt.

Het betreft hier dus geen vergunning in het belang van economische ordening, maar primair in het belang van openbare orde en veiligheid. Om die reden is de bevoegdheid belegd bij de burgemeester. De gemeenteraad is bevoegd om bij verordening openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat te reguleren met een vergunningplicht. De vergunningplicht geldt alleen voor gebouwen, gebieden en/of bedrijfsmatige activiteiten die de burgemeester in een aanwijzingsbesluit heeft aangewezen. Zonder zo’n aanwijzingsbesluit verandert er niets. De mogelijkheid tot het opleggen van een vergunningplicht en tot het aanwijzen van gebouwen, gebieden en/of bedrijfsmatige activiteiten wordt in de APV opgenomen uit voorzorg, vanwege de preventieve werking van het artikel, en om snel te kunnen optreden indien dat nodig blijkt. De artikelen zullen verder afzonderlijk worden toegelicht. Artikel 2:39 Begripsbepalingen De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van exploitant en beheerder is aansluiting gezocht bij de begripsbepalingen in de model-APV van de VNG en in artikel 1:1 van deze APV. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke perso(o)n(en) of op de rechtspersoon.

Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan, in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt daarom ook in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke gebouwen waarin een bedrijfsmatige activiteit wordt uitgevoerd, zoals winkels of dienstverlenende bedrijven. Artikel 2:40 Vergunning exploitatie bedrijf Eerste lid De systematiek van de nieuwe vergunning gaat uit van een pand-, branche- of gebiedsgerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad worden geleverd. Daarnaast kan het APV Gemeente Maassluis 2019

92

vergunningstelsel niet alleen worden ingezet nadat concrete (strafbare) feiten zich hebben voorgedaan maar ook voordat dergelijke feiten hebben plaatsgevonden, om te voorkomen dat dergelijke feiten zullen plaatsvinden. In beide gevallen, of het nu gaat om strafbare feiten bestrijden of deze preventief voorkomen, moet de noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, zorgvuldig worden gemotiveerd, waarbij de uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat, met name gelet op de openbare orde en veiligheid, er een dwingende reden van algemeen belang is en dat de gestelde eisen ook evenredig, geschikt en noodzakelijk zijn, zodat de vergunningplicht gerechtvaardigd is. Dit betekent concreet dat de burgemeester een pand, een bedrijfsmatige activiteit of een gebied uitsluitend aanwijst als door de wijze van exploitatie van het pand dan wel door de bedrijfsmatige activiteiten of in het gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Zoals genoemd, kan de burgemeester een vergunningplicht opleggen aan een enkel pand, aan een bedrijfsmatige activiteit en/of aan een gebied.

De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet nadat concrete incidenten (strafbare feiten) hebben plaatsgevonden in het betreffende pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie de leefbaarheid of openbare orde in en/of rondom het pand onder druk staat of kan staan. Ook wanneer strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet bereid is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht een instrument om op te treden. De vergunningplicht is dan direct na het door de burgemeester vastgestelde aanwijzingsbesluit van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Door de vergunningplicht aan specifieke gevallen op te leggen, worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken en wordt het vergunningstelsel proportioneel en gerechtvaardigd ingezet. Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche kan ook een vergunningplicht voor een hele branche worden ingevoerd. De aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben, maar het kan ook op de gehele gemeente van toepassing zijn. Bij de aanwijzing van een branche moet ook worden gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden.

Tot slot kunnen (op voorhand) straten of gebieden aangewezen worden (preventieve aanwijzing). Bij een dergelijke aanwijzing geldt voor gevestigde en nieuwe ondernemers in die gebieden of straten een vergunningplicht. Dit is gerechtvaardigd wanneer de aanwijzing alleen plaatsvindt bij straten of gebieden waar de leefbaarheidsproblemen groot zijn en de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Het belang van de verbetering van de situatie in de gehele straat of het gebied kan ook zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen pand verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak. Tweede lid In het tweede lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw, straat of gebied zonder vergunning van de burgemeester bepaalde bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing APV Gemeente Maassluis 2019

93

betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Derde en vierde lid In het derde en vierde lid wordt de wijze van indiening van de aanvraag van een vergunning geregeld, alsmede welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De vereiste gegevens worden nodig geacht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Indien dat op enig moment niet meer het geval is, kan dit een reden zijn om de vergunning in te trekken (artikel 2:40a tweede lid, sub g en h). Als het bevoegd bestuursorgaan dat noodzakelijk acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken (vierde lid). Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele Verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen. Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Ook moeten er gegronde redenen zijn voor het verzoek om aanvullende gegevens. Vijfde lid Op basis van het vijfde lid is de vergunninghouder verplicht om wijzigingen te melden.

Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het moet ook worden gemeld wanneer de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen, ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt, en wanneer er een wijziging in het beheer is. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden, is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen. Lex silencio positivo Ten aanzien van het vergunningstelsel voor aan te wijzen gebouwen/gebieden/activiteiten is een lex silencio positivo niet wenselijk, aangezien deze vergunning zich richt op de leefbaarheid en openbare orde. Het vergunningstelsel is gecreëerd om ondermijning tegen te gaan. Alleen die gebouwen/gebieden/activiteiten worden namelijk aangewezen die om gegronde redenen de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk zetten of nadelig kunnen beïnvloeden. Het is onwenselijk als een vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid.

Een lex silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard. Artikel 2:40a Weigerings- en intrekkingsgronden De algemene intrekkings- en weigeringsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6 en 1:8. In artikel 2:40a staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2, afdeling 8 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet (zie ook: hoofdstuk 2, afdeling 8). Aan een vergunning kunnen extra voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4). Lid 1 sub d en lid 2 sub h zijn genoemd in de specifieke APV Gemeente Maassluis 2019

94

weigerings- en intrekkingsgronden om constructies van schijnbeheer tegen te gaan, indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals deze op de vergunning is vermeld. Tevens kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:40 tweede lid worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De zogenaamde Bibob-procedure kan kortom worden toegepast bij de aanvraag van en vergunning als bedoeld in artikel 2:40 tweede lid. Dat de burgemeester hiertoe bevoegd is, wordt niet expliciet in artikel 2:40a vermeld, omdat aan de burgemeester deze bevoegdheid al is toegekend in de Wet Bibob Indien de exploitant zijn verplichtingen uit deze afdeling of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan dat ten slotte niet alleen reden zijn om de vergunning te weigeren dan wel in te trekken. Daarnaast kan de burgemeester eventueel overgaan tot de sluiting van het bedrijf (zie artikel 2:40b). Artikel 2:40b Tijdelijke sluiting Artikel 2:35 van de APV biedt al de mogelijkheid om voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten die ernstige overlast veroorzaken. Artikel 2:40b bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid bij bedrijven die vergunningsplichtig zijn en zich niet aan de in artikel 2:40 lid 2 en 2:40a lid 2 gestelde voorschriften houden.

Artikel 2:40d Overgangsbepaling De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. Daarom is er een overgangsregeling onder artikel 2:40c opgenomen. De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten gelden voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of dat op een andere locatie dan voorheen willen doen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod.

Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan.

APV Gemeente Maassluis 2019

95

Artikel 2:41

Betreden gesloten woning of lokaal

In de APV-wijziging 2018 is de formulering verbeterd conform de model-APV van de VNG. Lex silencio positivo artikel 2:41 lid 4 Ontheffing betreden gesloten woning of lokaal Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Bij een pand dat om gegronde redenen m.b.t. de leefbaarheid en/of openbare orde is gesloten, is het onwenselijk dat personen het pand zonder toestemming betreden. Er zijn derhalve dwingende redenen van algemeen belang om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard. Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:42 Plakken en kladden Eerste lid In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Tweede lid Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.

Op de in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde Vrijheid van meningsuiting zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voor door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid. Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde. Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen.

Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel 10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000 inwoners.

APV Gemeente Maassluis 2019

96

Tweede lid, sub b In 2017 is landelijk aandacht geweest door de pers over het zogenoemde “stoepkrijtverbod”. De VNG heeft er voor gekozen om in de model-APV het woord “krijt” te schrappen. Door opname van het woord “krijt” was het verbod naar de letter van de wet ook van toepassing op onschuldige vormen van stoepkrijten. Gezien het feit dat krijten na een paar dagen of één regenbui niet meer in het straatbeeld zichtbaar is en nauwelijks schadelijk is voor het milieu, is gekozen om in artikel 2:42 APV het woord “krijt” te schrappen. In de APV-wijziging 2018 is de formulering van een aantal leden verbeterd conform de modelAPV van de VNG. Artikel 2:42a Graffiti Artikel 2:42 is sprake van een absoluut verbod van bekladden. In de term ‘bekladden’ ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Met deze bepaling kan worden opgetreden tegen degenen die graffiti op onroerende zaken aanbrengen. Met de toevoeging van artikel 2:42a wordt beoogd dat de rechthebbende op de onroerende zaak op korte termijn (zeven werkbare dagen) de graffiti verwijdert. Artikel 2:44

Vervoer inbrekerswerktuigen

De formulering in lid 2 is verbeterd. In de APV-2017 was in het tweede lid verwezen naar “in het eerste lid bedoelde handelingen”. In het eerste lid worden alleen geen handelingen genoemd. Met de APV-wijziging 2018 is dit zinsdeel daarom geschrapt en vervangen door het beschrijven van die handelingen. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke In de praktijk doet zich dat niet voor. Met het oog op vereenvoudiging van de regelgeving is deze bepaling niet overgenomen. Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke Het bepaalde onder artikel 2:46 is overgeheveld naar artikel 5:11, en daardoor hier komen te vervallen. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op of aan een openbare plaats In de APV-wijziging 2018 is de formulering hier en daar verbeterd conform de model-APV van de VNG. Artikel 2:47a Hinderlijk voetballen en dergelijke De praktijk heeft het nut aangetoond te beschikken over een bepaling die verbiedt na 22.00 uur met een balspel bezig te zijn.

APV Gemeente Maassluis 2019

97

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Dit titel en tekst van dit artikel is gewijzigd conform de modelverordening APV (oude titel: Openlijk drankgebruik). Tevens is artikel 2:48a Hinderlijk drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke komen te vervallen en opgenomen als lid 3 bij dit artikel. In het eerste lid van dit artikel is een algemeen verbod opgenomen om alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. Dit verbod geldt dus voor het hele gemeentelijk grondgebied. In het tweede lid is een verbod opgenomen om alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben in de onder a, b en c op voorhand aangewezen gebieden. Daarnaast kan het college, indien dit nodig blijkt, nog andere gebieden aanwijzen waar dit verbod van toepassing is (onder d). In verband met de verstoring van de openbare orde bestaat er dus behoefte aan een rechtsgrond zoals genoemd in het tweede lid, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de ‘voorfase’ – dus het bier drinken op bepaalde plaatsen – mogelijk wordt. Het gaat daarbij om het verbieden van het bij zich hebben van geopende flesjes alcoholhoudende drank.

Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen. Lid 3 ziet op verboden drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke. Binnen de gemeente komt het voor dat overlast veroorzaakt wordt door personen als gevolg van alcoholgebruik. Op grond van artikel 2:48 kan de politie optreden tegen personen die op schoolpleinen, speelterreinen e.d. alcohol drinken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich hebben. De politie kan echter alleen handhavend optreden wanneer ze ziet dat er daadwerkelijk wordt gedronken of dat er daadwerkelijk sprake is van aangebroken verpakkingen e.d. van alcoholhoudende drank. De politie heeft aangegeven dat handhavend optreden bemoeilijkt wordt doordat zij weliswaar alcohol bij personen aantreft, maar nog in gesloten verpakking (trays met blikjes bier, kratten bier). Optreden hiertegen is niet mogelijk op grond van artikel 2:48 lid 1 en 2. Lid 3 biedt de politie een extra handvat om in de genoemde situatie op te treden tegen jongeren op schoolpleinen, kinderspeelplaatsen e.d. Ook met de APV-wijziging 2018 is de formulering hier en daar aangepast conform de model-APV van de VNG. Ook is toegevoegd dat de verboden in lid 2 en 3 gelden voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

Op basis van artikel 45 van de Drank- en Horecawet is het immers al verboden voor jongeren onder de 18 jaar om “op een voor het publiek toegankelijke plaats alcohol bij zich te hebben of voor consumptie gereed te hebben”. Artikel 2:53 Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen Dit artikel beschermt op verschillende manieren de privésfeer van burgers. Met dit artikel wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren verstoring van de privacy en persoonlijke levenssfeer te verbieden. Het eerste en tweede lid kan als aanvulling worden gezien op artikel 285b Wetboek van strafrecht (stalking), dat het inbreuk maken op de levenssfeer van een ander (om die ander te dwingen iets te doen, te dulden of vrees aan te jagen) strafbaar stelt. APV Gemeente Maassluis 2019

98

Anders dan bij het delict uit artikel 285b WvS is hier geen oogmerk vereist om iemand ergens toe brengen of van af te houden, dan wel vrees aan te jagen. Met dit lid kan bijvoorbeeld worden opgetreden tegen het ongewenst via een kijkgaatje begluren van personen in kleedhokjes. Het derde lid is aanvullend op de artikelen 139f, 239, 246 en 441b Wetboek van Strafrecht en ziet op het heimelijk fotograferen en filmen van (delen van) personen waarbij de gefotografeerde of gefilmde personen er mogelijk geen weet van hebben dat zij worden gefilmd of gefotografeerd en waarbij het heimelijk fotograferen of filmen een aantasting van de eerbaarheid oplevert of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. Onder 'heimelijk' filmen of fotograferen wordt verstaan dat dit zonder instemming van de betrokkene heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft bepaald dat het heimelijk filmen of fotograferen niet als 'ontuchtige handeling' in de zin van artikel 246 Wetboek van Strafrecht kan worden gekwalificeerd (LJN:BW500, HR 10/04529, HR 10/05527). Dit leidde tot vrijspraak van een persoon die tijdens een evenement met een daarvoor geprepareerde tas met daarin een camera onder de rokken van dames foto's maakte.

Het voyeuristische gedrag brengt volgens de HR wel een grove schending van de privacy met zich mee door binnen te dringen in de persoonlijke levenssfeer met visuele middelen, maar is dus in principe geen ontuchtige handeling. Dit kan onwenselijke situaties opleveren, waartegen met dit APV artikel alsnog kan worden opgetreden. Toepassing zal plaatsvinden in excessieve situaties of bij klachten van burgers over voyeurs. Een bepaling over heimelijk afluisteren is in verband met artikelen 139a en verder, 374bis en 441a van het Wetboek van Strafrecht niet nodig. Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het Wetboek van Strafrecht in werking getreden. Bepalingen die gaan over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Daarnaast gelden de regels van de Wet bescherming persoonsgegevens. Desondanks is aangegeven deze bepaling te willen invullen en niet te reserveren zoals in het model van de VNG. Artikel 2:57 Loslopende honden In de APV-wijziging 2018 is de formulering aangepast om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG. De aansluiting bij de model-APV van de VNG is voor dit artikel noodzakelijk vanwege veranderingen bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) m.b.t. de registratie van processenverbaal.

De APV-artikelen uit deze verordening moeten overeenkomen met de artikelen uit de model-APV van de VNG, anders bestaat het risico dat de politie en buitengewoon opsporingsambtenaren van de gemeente geen boetes meer kunnen uitschrijven voor het overtreden van de APV-artikelen. Artikel 2:58 Overlast/verontreiniging door honden In de APV-wijziging 2018 is de formulering aangepast om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG. De aansluiting bij de model-APV van de VNG is voor dit artikel noodzakelijk vanwege veranderingen bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) m.b.t. de registratie van processenverbaal. Zie voor verdere toelichting hierover artikel 2:57. Artikel 2:59 Gevaarlijke honden Dit artikel is aanpast conform de modelverordening. De oude tekst verwees nog naar de Regeling Agressieve Dieren die inmiddels is komen te vervallen. Dit artikel schept voor het APV Gemeente Maassluis 2019

99

college de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen. Op grond van het vijfde lid dient de eigenaar of houder van een hond te voorkomen dat zijn hond door aanhoudend geblaf of gejank hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust van omwonenden verstoort. In de APV-wijziging 2018 is de formulering hier en daar aangepast conform de model-APV van de VNG en zijn de verwijzingen naar andere APV-artikelen geactualiseerd. Verder is het gebod in lid 1 een burgemeestersbevoegdheid en geen collegebevoegdheid. Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Het aanlijn- en/of muilkorfgebod dat de burgemeester kan opleggen voor het laten verblijven of laten lopen van een gevaarlijke hond op een openbare plaats of op het terrein van een ander (artikel 2:59), is niet in alle gevallen voldoende om bijtincidenten te voorkomen.

Deze maatregel voorkomt niet dat mensen geconfronteerd worden met bijtincidenten op privéterrein. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan postbezorgers en koeriers, maar ook aan bijtincidenten die plaatsvinden binnen een huishouden. Om hieraan tegemoet te komen is artikel 2:59a opgenomen. Artikel 2:59a bepaalt dat het de eigenaar of houder van een gevaarlijke hond verboden is die hond zonder muilkorf op zijn terrein los te laten lopen. Het verbod geldt niet als er voorzieningen zijn getroffen waardoor gevaar voor derden in de openbare en vrij toegankelijke privéruimte niet aanwezig is. De voorzieningen zijn de volgende: - een duidelijk leesbaar waarschuwingsbord dat vanaf de weg zichtbaar is; - een buiten het terrein geplaatste brievenbus of aanbelmogelijkheid; en -een deugdelijke afrastering die voorkomt dat de hond zelfstandig buiten het terrein kan komen. Deze bepaling is gericht op de veiligheid in de openbare ruimte en voorkomt dat gevaarlijke honden op de openbare weg komen doordat ze van het terrein ontsnappen. Het verplicht plaatsen van een waarschuwingsbord zorgt ervoor dat mensen die een terrein willen betreden gewaarschuwd worden. Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt.

In het APV-model van de VNG is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. In de Maassluise bepaling is het kort en krachtig gehouden. Iemand die de zorg over een dier heeft moet voorkomen dat een ander daar hinder van heeft. Dat kan dus gaan over blaffende honden maar ook over situaties waar letsel bij personen of dieren is veroorzaakt. Situaties die direct tot maatregelen dienen te leiden. Bij hinder moet niet aan een eenmalige gebeurtenis worden gedacht maar in die gevallen waar sprake is van extreme overlast.

APV Gemeente Maassluis 2019

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9623683/4