CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

TOELICHTING Bijlage 3 Ecologische quickscan

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Rossum en Hurwenen herziening 2023 Hogeweg nabij 264.564 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Briefrapportage ecologische quickscan Opgesteld door

Dhr. Jaap (D.J.) Gijsbertsen MSc.

Op aanvraag van

Kubiek Ruimtelijke Plannen

Contactpersoon

Dhr. Corstian Hanse

Datum

28 augustus 2023

Betreft

Briefrapportage ecologische quickscan, Hogeweg te Rossum

Geachte ontvanger, In deze briefrapportage treft u de terugkoppeling van de door ons uitgevoerde ecologische quickscan, in plangebied Hogeweg te Rossum (provincie Gelderland).

1. Inleiding Bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn een ecologisch vooronderzoek en toetsing aan de Wet natuurbescherming verplicht. Daarnaast is het vanuit zorgvuldigheidsoverwegingen, bij bestendig beheer en onderhoud in sommige gevallen raadzaam een verkennend ecologisch onderzoek uit te voeren. Bijvoorbeeld wanneer een maatregel invloed kan hebben op beschermde soorten die ter plaatse kunnen voorkomen. Een verkennend vooronderzoek wordt uitgevoerd in de vorm van een ecologische quickscan. In deze briefrapportage worden de bevindingen uit de door ons uitgevoerde quickscan beschreven en zijn de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ingreep getoetst aan het kader van de Wet natuurbescherming. Hierbij worden de volgende vragen beantwoord: a. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming zijn van belang? b. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling strijdig met de Wet natuurbescherming? c. Zijn voorzorgsmaatregelen, nader onderzoek en/of een ontheffing nodig? d. Wat zijn de gevolgen voor de verdere planvorming en uitvoering van het voornemen?

2. Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) van kracht. De Wnb is het wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie eerdere wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb voorziet in bescherming van (natuur)gebieden, houtopstanden (bomen) en soorten (flora en fauna). Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe”. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb altijd van toepassing is. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het plangebied gesitueerd is vormt het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.

3. Werkwijze Onderstaand treft u een beschrijving van de bij deze quickscan gevolgde werkwijze. Deze werkwijze is gebaseerd op de hiervoor geldende richtlijnen van het Ministerie van Economische Zaken (Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, 2017). De scope van dit onderzoek betreft het plangebied

(daar waar de ingreep plaats vindt) en de context hiervan (samen het onderzoeksgebied) voor zover de verspreiding van soorten, biotoopkenmerken of verwachte effecten hier aanleiding toe geven. Literatuuronderzoek Allereerst is een literatuuronderzoek uitgevoerd. In het onderzoek naar effecten op beschermde gebieden en houtopstanden zijn kaarten en het beschermingsregime uit de provinciale database, aangevuld met BIJ12 bronnen, geraadpleegd. Voor de soortgerichte bescherming is een studie naar de voor het plangebied relevante soort(groepen) uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van actuele soortverspreidingsinformatie uit de database van Bureau Buitenwaard, diverse verspreidingsatlassen en gevalideerde onlinedata uit de Nationale Databank Flora en Fauna 1 . In aanvulling hierop zijn de bronnen zoals vlinderstichting.nl, ravon.nl, waarneming.nl, EIS-nederland.nl, zoogdiervereniging.nl en verspreidingsatlas.nl geraadpleegd. Door te kijken naar een combinatie van verspreidingsgegevens, de voorkeurshabitat en dispersieafstanden van soorten is in beeld gebracht welke beschermde flora en fauna kan voorkomen in het plangebied. Verkennend veldbezoek Aanvullend is door een ecoloog2 van Bureau Buitenwaard een verkennend veldbezoek uitgevoerd. Doel van dit veldbezoek is een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied in relatie tot de voorgenomen ingreep.

Tijdens het veldbezoek is de aanwezige biotoop3 beoordeeld en zijn de bevindingen uit het literatuuronderzoek vergeleken met de actuele situatie in het veld. Het verkennend veldbezoek is uitgevoerd door ecoloog D.J. Gijsbertsen op 12 juli 2023. Tijdens het verkennend veldbezoek was het 22 °C, wind W 2 en half bewolkt. Ten tijde van een veldbezoek, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Veel planten zijn in de winterperiode bijvoorbeeld afgestorven boven de grond en diersoorten zijn vaak alleen ’s nachts actief of verblijven een deel van het jaar elders. Daarom zijn de eisen die soorten met betrekking tot hun vaste rust- en verblijfplaats, foerageergebied of migratieroute aan hun leefomgeving stellen, vergeleken met en getoetst aan de situatie in het plangebied. Voor flora is gelet op de groeiplaats omstandigheden, voor fauna op de habitat eisen van een soort. Op deze manier is het belang van het plangebied voor soorten die niet zijn waargenomen maar wel kunnen voorkomen beoordeeld.

1) In de NDFF zijn binnen een zoekgebied van circa 5 km om het plangebied waarnemingen van de afgelopen 5 jaar geraadpleegd. 2) Het ministerie van LNV verstaat onder een ter zake kundige een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soort specifieke ecologie. De ervaring en kennis dient te zijn opgedaan doordat de ter zake kundige: - op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Flora- en faunawet, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of, - als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen, en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied) en/of, - zich aantoonbaar actief inzet op het

gebied van de soortenmonitoring en/of bescherming. 3) Een biotoop is een gebied met een uniform landschapstype waarin een bepaalde levensgemeenschap met organismen kan gedijen. Binnen een biotoop kunnen voor soorten geschikte habitats worden onderscheiden.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 2 van 14

4. Plangebied en voorgenomen ontwikkeling Situering plangebied Het plangebied (fig. 1) ligt in de provincie Gelderland, ten westen van de bebouwde kom van het dorp Rossum (gem. Maasdriel).

Figuur 1 | Situering van het plangebied (rood omlijnd). (bron ondergrond: OpenStreetMaps.nl)

Actuele situatie Het plangebied karakteriseert als akkerbouwgrond. Het perceel is ingezaaid met mais. Open water, opgaande bomen en bebouwing zijn niet aanwezig in het plangebied. Aan drie zijden wordt het plangebied omsloten door percelen met agrarisch gebruik. Aan de noordzijde ligt een brede watergang met daarachter een grasland, aan de oostzijde ligt een maisperceel (nu één geheel met het plangebied) en aan de westzijde grenst het plangebied aan een fruitboomgaard. Ten zuiden van het plangebied ligt de Hogeweg met ontsluiting richting plangebied. De Hogeweg wordt omzoomd door bloemrijke grasbermen met laanbomen en naastliggende watergang. De ruimere context van het plangebied kenmerkt zich door agrarisch grondgebied en aan de zuidzijde van de Hogeweg en iets verder naar het oosten de bebouwing van Rossum. Het landschap is doorsneden met watergangen, houtsingels en weg begeleidende beplanting. De afbeeldingen 1 t/m 4 (op de volgende pagina) geven een impressie van de huidige situatie in het plangebied. Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens in het zorgwoningen te realiseren. De ruimte rondom de bebouwing wordt ingericht met verhardingen en groenstructuren. De huidige situatie wordt hierbij geheel omgevormd. Figuur 2 (volgende pagina) geeft een impressie van de toekomstige situatie.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 3 van 14

Foto 1 t/m 4 | Impressie van het plangebied: LB) overzicht kijkend richting oost, RB) overzicht kijkend richting noord met links de naastliggende boomgaard, LO) overzicht kijkend richting zuidoost met op de achtergrond de nieuwe woonwijk ten zuiden van de Hogeweg, RO) A-watergang aan de noordrand van het plangebied.

Figuur 2 | Impressie toekomstig situatie met bebouwing, tuin en parkeergelegenheid. De weergegeven bebouwing ten oosten van het plangebied (gekleurde vlak) is nog niet gerealiseerd (bron: ARCOM, concept 29 juni 2023)

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 4 van 14

5. Toetsing en effectbeoordeling beschermde gebieden en houtopstanden Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden (fig. 3). Op circa 0,9 kilometer ten noorden van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied. De situering van het plangebied op enige afstand van Natura 2000-gebieden buffert eventuele (mechanische) effecten op instandhoudingsdoelen en habitatrichtlijnsoorten als gevolg van bijvoorbeeld licht, trillingen of geluid in de aanleg en gebruiksfase. Dergelijke effecten kunnen daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. In sommige situatie treedt externe werking op doordat een ontwikkeling tijdens de aanleg- of gebruiksfase tot emissie van stikstof leidt. De norm voor neerslag in natura 2000-gebieden bedraagt 0,005 mol/ha/jaar. Gelet op de aard van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand tot stikstof gevoelige habitattypen (deze zijn niet aanwezig in Natura 2000-gebied Rijntakken, binnen een afstand van enkele kilometers van het plangebied) lijkt overschrijding van deze norm onwaarschijnlijk. Desgewenst (het bevoegd gezag kan hierom vragen) kan eventuele stikstof emissie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling gekwantificeerd worden middels een AERIUS-calculatie.

Figuur 3 | Situering plangebied (rode punt) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (groen) en het NNN (blauw)

Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (blauwe vlakken fig. 3). Voor ruimtelijke ingrepen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) geldt het ''Nee, tenzij''principe. Ruimtelijke ingrepen zijn hier in principe niet mogelijk, tenzij aangetoond kan worden dat er geen negatieve effecten ontstaan op de wezelijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk. Dit wordt beoordeeld in een “Nee tenzij-toets”. Hierin worden de potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk getoetst.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 5 van 14

Wanneer blijkt dat er negatieve compensatiemaatregelen noodzakelijk.

effecten

verwacht

worden,

zijn

herbegrenzing

of

Doordat het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt en de provinciale ruimtelijke verordening geen bepalingen ten aanzien van externe werking voorschrijft, zijn naderonderzoek en toetsing aan de beschermingsvoorwaarden van het NNN niet van toepassing. Weidevogelkerngebieden Het plangebied is geen weidevogelkerngebied. Ook ligt het niet in de nabijheid van een dergelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling is daarom niet van invloed op weidevogelkerngebieden. Houtopstanden Bescherming van houtopstanden in het kader van de Wnb is alleen van toepassing buiten de bebouwde kom. Doordat in het plangebied geen opgaande bomen aanwezig zijn behoeft hiermee verder geen rekening te worden gehouden.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 6 van 14

6. Toetsing en effectbeoordeling beschermde soorten Beschermde soorten stellen doorgaans zeer specifieke eisen aan hun biotoop. Op grond van de kenmerken van het plangebied (de aanwezige habitat) en actuele verspreidingsgegevens kan de aanwezigheid van een aantal onder de Wnb beschermde soort(groep)en op voorhand worden uitgesloten. Dit betreft de soortgroepen flora, vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden. De beschermde soorten die wel in of nabij het plangebied kunnen voorkomen zijn weergegeven in onderstaande tabel (1). Voor een aantal soortgroepen, zoals vleermuizen en vogels is dit overzicht niet uitputtend. In onderstaande toetsing en effectbeoordeling worden de voor het plangebied relevante soorten nader besproken. Tabel 1 | Overzicht van beschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied.

Soortgroep

Lokaal aanwezige soorten

Flora

Niet van toepassing

Grondgebonden zoogdieren

o.a. bever, boommarter, eekhoorn, bunzing, wezel, egel, woelrat en rosse woelmuis

Vleermuizen

o.a. meervleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis

Vogels jaarrond beschermd (cat. 1 t/m 4)

o.a. buizerd, sperwer, ransuil, gierzwaluw en huismus

Vogels jaarrond beschermd onder bijzondere

o.a. ekster, zwarte kraai, gekraagde roodstaart en spreeuw

omstandigheden (cat. 5) Vogels algemeen

o.a. wilde eend, scholekster, graspieper en kleine plevier

Reptielen

Niet van toepassing

Amfibieën

o.a.

bastaardkikker,

bruine

kikker,

gewone

pad,

rugstreeppad en kleine watersalamander Vissen

Niet van toepassing

Vlinders, libellen en overige ongewervelden

Niet van toepassing

Grondgebonden zoogdieren Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van strikt beschermde grondgebonden zoogdieren bekend. Relevante soorten zijn de bever, boommarter, eekhoorn, bunzing en wezel. Alle bekende waarnemingen zijn afkomstig uit de ruime context van het plangebied; voornamelijk natuurlijke vegetaties flankerend aan rivieren en perceelranden. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van bovengenoemde of andere strikt beschermde grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Doordat openwater (bever) opgaande bomen (boommarter en eekhoorn) en ruigten, struweel of houtwallen (bunzing en wezel) ontbreken is voor deze soorten geen aantrekkelijk habitat aanwezig. Bunzing en wezel zijn kleine marterachtigen die zich thuis voelen in terreinen met ruige begroeiing, de oevers van watergangen en struweel. In en om het plangebied zijn dergelijke omstandigheden niet of nauwelijks aanwezig. De structurele aanwezigheid van dieren uit deze groep is kan daarom redelijkerwijs uitgesloten worden. Wel is het mogelijk dat zwervende kleine marters incidenteel (de Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 7 van 14

randen van) het plangebied bezoeken. Met deze mogelijke aanwezigheid wordt voldoende rekening gehouden door het toepassen van de algemene zorgplicht (zie kader). De aanwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren kan op basis van het ontbreken van geschikt habitat of populaties in de nabijheid van het plangebied uitgesloten worden. Andere (algemeen beschermde) grondgebonden zoogdieren zoals egel, woelrat en rosse woelmuis kunnen in en om het plangebied voorkomen. Voor deze soorten is bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene provinciale vrijstelling van toepassing. Dit betekent dat werkzaamheden in het leefgebied van de soort kunnen plaatsvinden zonder verdere ontheffing. Wel dient datgene gedaan te worden dat redelijkerwijs van een initiatiefnemer verwacht kan worden, om schade aan eventueel aanwezige fauna te voorkomen. Er dient dus bij de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling met de aanwezigheid van deze en andere algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren, rekening te worden gehouden. Dit kan door het toepassen van de algemene zorgplicht (zie kader). Ø Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op strikt beschermde grondgebonden zoogdieren worden redelijkerwijs uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soortgroep is niet noodzakelijk. Ø Voor overige beschermde grondgebonden zoogdieren is in een algemene provinciale vrijstelling van toepassing.

Wel dient met de mogelijke aanwezigheid van deze soorten rekening te worden gehouden door het toepassen van de algemene zorgplicht. Vleermuizen Vleermuizen hun vaste rust- en verblijfplaatsen en andere essentiële gebiedsfuncties (foerageergebieden en vliegroutes) zijn wettelijk beschermd. Het is verboden opzettelijk dieren te doden of verwonden of vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen te verstoren. Uit (de omgeving van) het plangebied zijn waarnemingen van o.a. de meervleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger bekend. Met de aanwezigheid van deze soorten dient daarom rekening te worden gehouden. Vaste rust- en verblijfplaatsen Vleermuizen zijn nacht actieve dieren. Overdag verblijven de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis en laatvlieger veelal in gebouwen. De rosse vleermuis is voornamelijk boom bewonend. Doordat in het plangebied geen gebouwen of bomen aanwezigheid kan de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen op voorhand worden uitgesloten. Foerageergebieden Het plangebied kan bezocht worden door foeragerende vleermuizen.

Gelet op de aanwezige vegetatie (mais), het ontbreken van opgaande vegetatie (bomen of struiken) en ligging te midden van agrarischeen fruitpercelen onderscheidend het plangebied zich niet zodanig van het omliggende terrein dat het op zichzelf genomen een unieke functie als vleermuisfoerageergebied vervult. De aanwezigheid van voor vleermuizen essentieel foerageergebied in het plangebied kan daarom redelijkerwijs uitgesloten worden.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 8 van 14

Vliegroutes Om zich te oriënteren in de ruimte maken vleermuizen gebruik van lijnvormige structuren zoals gebouwen, boomrijen, houtwallen, kades en watergangen. Bij uitvoering van het voornemen vinden geen aanpassingen aan dergelijke structuren plaatst. Bij uitvoering van het voornemen vinden geen aanpassingen aan dergelijke structuren plaatst. Het is mogelijk dat de bomenrij ten noorden van het plangebied gebruikt wordt als vliegroute. Negatieve effecten op eventueel rondom het plangebied aanwezige vliegroutes kunnen worden voorkomen door voorzorgsmaatregelen zoals het toepassen van object gerichte verlichting. Ø Effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen zijn niet uitgesloten. Door het toepassen van voorzorgsmaatregelen worden negatieve effecten voorkomen. Nader onderzoek naar vleermuizen is niet van toepassing. Broedvogels Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) De nesten van soorten uit deze categorie zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Uit het literatuuronderzoek komen waarnemingen van onder andere de buizerd, sperwer, ransuil, gierzwaluw en huismus naar voren. De buizerd, sperwer en ransuil nestelen in bomen. Uitgezonderd de buizerd maken deze soorten doorgaans gebruik van oude nesten van bijvoorbeeld de zwarte kraai.

Omdat binnen het plangebied geen bomen aanwezig zijn, kunnen directe effecten op bovengenoemde soorten worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn de bomen rondom het plangebied, voor zover mogelijk, gecontroleerd op de aanwezigheid van vaste nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Voor zover mogelijk (i.v.m. bladeren en hoogte van de bomen) zijn de bomen in het plangebied gecontroleerd op nesten. Hierbij zijn geen nesten waargenomen. Ook wanneer geen bomen gerooid worden kunnen de sloop en nieuwbouw werkzaamheden verstorend zijn voor eventueel aanwezige broedvogels in de bomen in en om het plangebied. Om met zekerheid vast te kunnen stellen of er soorten met jaarrond beschermde nesten in (en om) het plangebied broeden is daarom nader onderzoek naar de aanwezigheid van nesten en het gebruik hiervan noodzakelijk. De gierzwaluw en huismus nestelen doorgaans in gebouwen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van openingen onder dakpannen, boeiboorden, in muren, nestkasten of andere schuilplaatsen zoals klimop (huismus). Doordat in het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig, kunnen negatieve effecten op gebouwbewonende soorten met jaarrond beschermde nesten worden uitgesloten. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) van genoemde en andere soorten met jaarrond beschermde nesten kunnen redelijkerwijs uitgesloten worden.

Vogels met onder bijzondere omstandigheden jaarrond beschermde nesten (cat. 5) Van sommige soorten zijn de nesten alleen onder bijzondere omstandigheden jaarrond beschermd. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer in de omgeving onvoldoende alternatieve broedplaatsen voorhanden zijn. De ekster, zwarte kraai, gekraagde roodstaart en spreeuw zijn soorten uit deze groep die in de omgeving van het plangebied voorkomen.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 9 van 14

De ekster, zwarte kraai en gekraagde roodstaart broeden doorgaans in een zelfgebouwd nest in bomen. De spreeuw maakt gebruik van holten in bomen of openingen in gebouwen om te broeden. Doordat bomen en gebouwen ontbreken in het plangebied kunnen negatieve effecten of deze soorten op voorhand worden uitgesloten. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels De nesten van alle vogels zijn beschermd op het moment dat deze in gebruik zijn. In en om het plangebied zijn diverse voor vogels aantrekkelijke broedlocaties aanwezig. Er dient bijvoorbeeld rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van broedende vogels in perceelranden (slootkanten en rietkragen) en op de akker. Om de effecten op broedende vogels zo veel mogelijk te voorkomen kunnen de perceelranden worden ontzien door hier geen werkzaamheden uit te voeren. Akkervogels zijn gevoelig voor permanente verstoring alleen wanneer langere tijd (1 tot 2 weken) geen werkzaamheden plaatsvinden is vestiging van deze soorten in het plangebied mogelijk. Vestiging van broedende akker- (en weide) vogels is met name mogelijk in de periode tussen 15 maart en 15 augustus (het broedseizoen). Wanneer in deze periode werkzaamheden plaatsvinden dient het plangebied vooraf door een ecoloog te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van broedvogels.

Ø Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op jaarrond beschermde nesten (vaste rust- en verblijfplaatsen) van soorten uit categorie 1 t/m 4 zijn redelijkerwijs uitgesloten. Ø Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op broedvogels uit categorie 5, zijn redelijkerwijs uitgesloten. Ø In en om het plangebied kunnen algemene broedvogels (en vogels uit categorie 5) tot broeden komen. Negatieve effecten op deze broedvogels kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Om overtreding van de Wnb te voorkomen zijn voorzorgsmaatregelen van toepassing.

Amfibieën Uit de nabijheid van het plangebied zijn waarnemingen van de strikt beschermde rugstreeppad bekend. Deze soort is een deel van het jaar (voortplanting) aan water gebonden. Van daar uit zwerven de dieren uit in de omgeving. Landhabitat is in beperkte mate in het plangebied aanwezig. Door het ontbreken van open water en de ligging van het plangebied worden negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van de rugstreeppad uitgesloten. De rugstreeppad is een pionierssoort met een voorkeur voor terreinen met dynamiek. Bouwterreinen zijn daarom aantrekkelijk voor de soort. De rugstreeppad plant zich graag voort in ondiepe (regen)waterplassen en kan deze na ontstaan op bijvoorbeeld een bouwterrein binnen enkele dagen koloniseren. Op het moment dat de dieren zich vestigen in een tijdelijke waterplas op een bouwterrein is spraken van een beschermde situatie en dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd totdat de dieren het terrein zelfstandig verlaten hebben. Bij succesvolle voortplanting kan het enkele weken tot maanden duren voordat een terrein weer kan worden vrijgegeven voor werkzaamheden. Het is daarom zaak om tijdens de bouwfase de vorming van tijdelijke waterplassen te voorkomen. Op deze wijze wordt spontane kolonisatie door rugstreeppadden voorkomen.

Met eventueel zwervende strikt beschermde amfibieën wordt voldoende rekening gehouden door het toepassen van de algemene zorgplicht (zie kader). Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 10 van 14

In het plangebied dient verder rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van (zwervende) algemene amfibie soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en gewone pad. Voor deze soorten is in en om het plangebied in beperkte mate landbiotoop aanwezig. Provinciaal is bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene vrijstelling voor deze soorten van toepassing. Dit betekent dat werkzaamheden binnen het leefgebied van een soort kunnen plaats vinden zonder verdere ontheffing. Wel dient datgene gedaan te worden dat redelijkerwijs van een initiatiefnemer verwacht kan worden, om schade aan eventueel aanwezige fauna te voorkomen. Dit kan door het toepassen van de algemene zorgplicht (zie kader). Ø Negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op strikt beschermde amfibieën zijn redelijkerwijs uitgesloten. Om spontane kolonisatie door rugstreeppadden te voorkomen zijn voorzorgsmaatregelen van toepassing. Ø Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op algemeen beschermde amfibieën zijn niet uitgesloten. Voor deze soorten is een algemene vrijstelling en de zorgplicht van toepassing.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 11 van 14

7. Conclusie en advies In opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen heeft Bureau Buitenwaard een ecologische quickscan uitgevoerd. In dit verkennend onderzoek zijn de consequenties van een ruimtelijke ontwikkeling voor onder de Wet natuurbescherming opgenomen beschermde gebieden, houtopstanden en soorten beoordeeld. De voorgenomen ontwikkeling kan alleen doorgaan wanneer deze niet in strijd is met de bepalingen die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming, of nadat de benodigde vergunningen en/of ontheffingen zijn verleend. Onderstaand worden de onderzoeksvragen beantwoord en zijn ter voorkoming of verzachting van negatieve effecten op beschermde soorten voorzorgsmaatregelen beschreven. In tabel 3 onder aan deze paragraaf worden de resultaten per relevante soortgroep samengevat.

A. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming zijn van belang? Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Gelet op de ligging van het plangebied en aard van de voorgenomen ontwikkeling worden geen negatieve effecten van bijvoorbeeld licht, trillingen of geluid op Natura 2000-instandhoudingsdoelen of habitatrichtlijnsoorten verwacht. Om inzicht te verkrijgen in eventuele stikstof emissie kan indien nodig een AERIUS-calculatie uitgevoerd worden. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Nader onderzoek en/of toetsing in het kader van het NNN zijn daarom niet van toepassing. Houtopstanden In het plangebied zijn geen bomen aanwezig waardoor het onderdeel bescherming van houtopstanden in de Wnb niet van toepassing. Soortbescherming Het onderdeel soortbescherming is voor een aantal soort(groep)en van toepassing bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.

B. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling strijdig met de Wnb? Er kunnen negatieve effecten optreden voor de in tabel 2 genoemde beschermde soorten en/of functies. Tabel 2 | Overzicht van mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies.

Soort

Functie

Vleermuizen

Vaste vliegroutes rondom het plangebied

Broedvogels algemeen (incl. cat. 5)

Nesten

Amfibieën

Voortplantingswater rugstreeppad

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 12 van 14

C. Zijn voorzorgsmaatregelen, nader onderzoek en/of een ontheffing nodig? Er is geen nader onderzoek naar de aanwezigheid van de in tabel 2 genoemde soort(groep)en noodzakelijk. Wel zijn in het kader van de algemene zorgplicht, in verband met mogelijk aanwezige beschermde gebiedsfuncties rondom het plangebied en om vestiging van beschermde soorten te voorkomen onderstaande voorzorgsmaatregelen van toepassing: Voorzorgsmaatregelen vleermuizen Om verstoring van eventueel rondom het plangebied aanwezige vliegroutes te voorkomen dient tijdens de bouw en in de toekomstige situatie terughoudend te worden omgegaan met verlichting. Wanneer verlichting gebruikt wordt dient deze object gericht te zijn zodat uitstraling naar de omgeving wordt voorkomen. Voorzorgsmaatregelen broedvogels (inclusief categorie 5) Bij uitvoering van werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal 15 maart – 15 augustus) dient vestiging van algemene broedvogels te worden voorkomen door regelmatige verstoring, het plaatsen van afschrikmiddelen en/of het kort houden van de vegetatie noodzakelijk. Voor aanvang van de werkzaamheden (tijdens het broedseizoen) dient vooraf door een ecologisch deskundige een broedvogel controle te worden uitgevoerd. Hierbij dient aandacht te zijn voor de aanwezigheid van territoriale akkervogels en eventuele broedvogels in de randen van het plangebied.

Wanneer een broedgeval wordt aangetroffen, kan een verstoringsvrije zone worden aangewezen waarbinnen gedurende de periode dat het nest in gebruik is niet wordt gewerkt. De omvang van deze zone is afhankelijk van de verstoringsgevoeligheid van de soort en wordt door een ter zake kundige vastgesteld. Voorzorgsmaatregelen amfibieën Om de spontane vestiging van rugstreeppadden uit te sluiten dient de tijdelijke vorming van regenwater plassen en poelen op het terrein te worden voorkomen. Dit kan door te zorgen voor een goede afwatering (profilering of aanleg ontwateringsgreppels) of het direct na vorming leegpompen van een geïnundeerde laagte.

D. Wat zijn de gevolgen voor de verdere planvorming en uitvoering van het voornemen? De uitvoeringsperiode (start) van de werkzaamheden wordt mede bepaald door bovenstaande voorzorgsmaatregelen. Het verlichtingsplan dient mogelijk te worden aangepast vanuit bovenstaande randvoorwaarden. Tabel 3 | Overzicht van onderzochte beschermde soortgroepen, effecten en vervolgstappen.

Soort(groep)

Effect

Vervolgstappen*

Flora

Geen overtreding art. 3.5 of 3.10

N.v.t.

Grondgebonden zoogdieren

Geen overtreding art. 3.5 of 3.10

N.v.t.

Vleermuizen

Mogelijk overtreding art. 3.5 of 3.10

Voorzorgsmaatregelen toepassen

Vogels jaarrond (cat. 1-4)

Geen overtreding art. 3.1

N.v.t.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 13 van 14

Vogels jaarrond bijzonder

Mogelijk overtreding art. 3.1

omstandigheden (cat. 5)

Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen, of na controle op de aanwezigheid van broedvogels

Vogels algemeen (incl. cat. 5)

Mogelijk overtreding art. 3.1

Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen of na controle op algemene broedvogels

Reptielen

Geen overtreding art. 3.5 of 3.10,

N.v.t.

Amfibieën

Mogelijk overtreding art. 3.5 of 3.10

Voorzorgsmaatregelen toepassen

Vissen

Geen overtreding art. 3.5 of 3.10

N.v.t.

Vlinders, libellen en overige

Geen overtreding art. 3.5 of 3.10

N.v.t.

Geen overtreding art. 3.5 of 3.10

N.v.t.

ongewervelden Weekdieren

*de algemene zorgplicht is altijd en voor alle soortgroepen van toepassing

Algemene zorgplicht Voor alle werkzaamheden in de buitenruimte geldt de algehele zorgplicht. Dit houdt het volgende in: eenieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving (Artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Dit betekent in ieder geval dat eenieder die weet of kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover dat in redelijkheid kan worden gevraagd. Anders dienen maatregelen te worden genomen om deze gevolgen te voorkomen. Of, voor zover gevolgen niet kunnen worden voorkomen, schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Eventueel noodzakelijke voorzorgsmaatregelen zijn hier niet specifiek uitgewerkt; verwacht wordt dat de initiatiefnemer zelf de noodzakelijke maatregelen treft, of zich hierin specifiek laat adviseren door een ter zake kundig ecoloog. Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling geld dat het aantal dieren (en planten) dat potentieel gemoeid is met de voorgenomen ingreep zodanig beperkt is dat negatieve effecten op populatieniveau op voorhand kunnen worden uitgesloten.

Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan

Pagina 14 van 14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14061183/1