CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4d Rapportage ecologisch onderzoek

Gemeenteraad 2 juli 2026, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Vaststelling TAM-omgevingsplan Ammerzoden, Hogesteeg 54-585.746 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

FLORA- EN FAUNAONDERZOEK HOGESTEEG 54-58 TE AMMERZODEN

Opdrachtgever

:

SWL B.V. Newtonstraat 21 3902 HP Veenendaal

Vestiging

:

ABO-Milieuconsult B.V. Curieweg 19 2408 BZ Alphen aan den Rijn tel. +31 (0)172 449827

Projectnummer Periode onderzoek Datum rapportage

: : :

ANL25-10421 Juli 2025 28 juli 2025

Veldmedewerkers:

De heer R.F.M. Sluijs (Ecoloog)

Projectadviseur:

De heer D.D.C.A. Bijl

Zonder toestemming van de opdrachtgever of ABO-Milieuconsult B.V. mag deze uitgave niet anders dan in zijn geheel worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van fotokopie, microfilm of welke andere wijze dan ook. Alle opdrachten worden uitgevoerd volgens onze Algemene Voorwaarden, zoals gedeponeerd bij de KvK Zuidwest-Nederland te Middelburg onder nr. 22065838. Op verzoek kunnen de Algemene Voorwaarden naar u worden toegestuurd.

INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE .................................................................................................................................. 2 1. INLEIDING ............................................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding ....................................................................................................................................... 3 1.2 Doel van het onderzoek .................................................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ....................................................................................................................................... 3 2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK ............................................................................ 4 2.1 Bureaustudie ................................................................................................................................... 4 2.2 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 4 2.3 Effectenbeoordeling ........................................................................................................................ 4 3.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ........................................................................................... 5 3.1 Ligging plangebied.......................................................................................................................... 5 3.2 Algemene beschrijving van het plangebied .................................................................................... 6 4. WETTELIJK KADER ............................................................................................................................. 8 4.1 Besluit Activiteiten Leefomgeving, onderdeel soorten.................................................................... 8 4.2 Omgevingsverordening Gelderland ................................................................................................ 9 5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING HUIDIG ONDERZOEK .......................................... 10 5.1 Vleermuizen .................................................................................................................................. 10 5.2 Grondgebonden zoogdieren ......................................................................................................... 10 5.3 Vaatplanten ...................................................................................................................................

12 5.4 Vogels ........................................................................................................................................... 13 5.5 Amfibieën en reptielen .................................................................................................................. 14 5.6 Overige beschermde soorten ....................................................................................................... 15 6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL ............................................................... 16 6.1 De (specifieke) zorgplicht zoals weergegeven in artikel 11.27 .................................................... 16 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 11.37 ...................................................................... 16 6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied ............... 17 6.4 Checklist groen bouwen ............................................................................................................... 17 RODE LIJST SOORTEN ........................................................................................................................ 18 LITERATUUR EN BRONVERMELDING ................................................................................................ 20

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

2/20

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding In opdracht van SWL B.V. is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd voor de locatie Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden. Aanleiding voor het uitvoeren van dit flora- en faunaonderzoek zijn de voorgenomen plannen tot nieuwbouw in het plangebied. 1.2 Doel van het onderzoek Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving, Omgevingswet, zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor de beschermde plant- en diersoorten genoemd in de Omgevingswet. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de opzet van het onderzoek besproken en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het plangebied. In hoofdstuk 4 is de reikwijdte en de doelstelling uit de Omgevingswet beschreven. In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken uit de resultaten van het bureauonderzoek en het veldbezoek, waarna in hoofdstuk 6 de conclusies zijn samengevat. Tot slot wordt in de bijlage een overzicht van de geraadpleegde literatuur gepresenteerd.

Afbeelding 1: voorgenomen plannen in het plangebied.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

3/20

2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 17 juli 2025 in de middag bij 23°C en zonnig weer. 2.1 Bureaustudie Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied. Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage. 2.2 Veldonderzoek Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied.

De bevindingen van het bronnenen literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied. 2.3 Effectenbeoordeling Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Omgevingswet. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect.

Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Omgevingswet. Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit Activiteiten leefomgeving. Wel geldt de (specifieke) zorgplicht ex artikel 11.27.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

4/20

3. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 3.1 Ligging plangebied Het plangebied ligt in het noordwesten van Ammerzoden aan de doorgaande weg Hogesteeg 54-58. Het ligt tussen bebouwing en agrarisch land. Op onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (groen). Het plangebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura2000 of belangrijk weidevogelgebied. Binnen een straal van 10 kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden: Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek op 6 kilometer, Rijntakken op 7,6 kilometer en Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op 9,6 kilometer.

Afbeelding 2: Ligging plangebied (cirkel midden) ten opzichte van omgeving en Natuurnetwerk Nederland (donkergroen). Bron: Provincie Gelderland.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

5/20

3.2 Algemene beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat grotendeels uit grasland dat door paarden wordt begraasd. De vegetatie bestaat derhalve uit soorten die niet door paarden worden gegeten, zoals distels en boerenwormkruid. Tegen de bebouwing van Hogesteeg 54 staan enkele simpele, enkelwandige stallen met golfplaten daken. Verder ontbreekt het aan bebouwing in het plangebied. Het plangebied grenst noord aan een watergangen (sloot). West aan een greppel die droog staat. Tegen de watergang (greppel) in het westen staan grote wilgen en onder de wilgen (bramen)struiken.

Afbeeldingen 3 t/m 8: foto-impressie grasland plangebied.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

6/20

, Afbeeldingen 9 t/m 16: foto-impressie stallen en inhoud plangebied.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

7/20

4. WETTELIJK KADER 4.1 Besluit Activiteiten Leefomgeving, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 11.37 – 11.45). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 11.46 – 11.53). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in bijlage IX van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (art. 11.54 – 11.59). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven.

De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 11.37 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2 Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1°. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2°.

een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3 Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Verbodsbepalingen: Artikel 11.46 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een voor flora en fauna verstorende activiteit te verrichten, geldt voor: a. Het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. Het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

8/20

Uitbreiding verbodsbepalingen Artikel 11.54 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. Het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. Het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. Het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. Het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 4.2 Omgevingsverordening Gelderland Artikel 4.4 (aanwijzing vergunningsvrij geval: ruimtelijke inrichting).

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk vangen of het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in bijlage Voorwaarden vergunningvrije flora-en fauna-activiteit ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud aangewezen soorten met de daarbij voorgeschreven middelen als: a. dit gebeurt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud; en b. het vrijlaten van de gevangen soorten zo snel mogelijk gebeurt in de directe omgeving op een voor de betreffende soort geschikte plek. Bijlage: Gebied: binnen de gehele provincie. Periode: gedurende het hele jaar. Aardmuis, Bosmuis, Bruine kikker, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Huisspitsmuis, Kleine watersalamander, Konijn, Meerkikker, Middelste groene kikker, Ondergrondse woelmuis, Ree, Rosse woelmuis, Tweekleurige bosspitsmuis, Veldmuis, Vos en Woelrat. Voor bovenstaande soorten geldt de zorgplicht. In Gelderland houdt dat in dat deze soorten mogen worden gevangen in een vangkooi of, voor de aquatische soorten, in een schepnet, om vervolgens nabij het plangebied op een veilige plaats in vergelijkend habitat te worden teruggezet.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

9/20

5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING HUIDIG ONDERZOEK 5.1 Vleermuizen Resultaten bureauonderzoek Volgens de verspreidingsgegevens komen de volgende vleermuissoorten voor rondom het plangebied: laatvlieger, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, watervleermuis, tweekleurige vleermuis en rosse vleermuis. Ruige dwergvleermuis, watervleermuis en meervleermuis gebruiken als winterverblijfplaats ondergrondse objecten, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders. In het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer staan meerdere bomen. Ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis zijn (eveneens) boombewonende soorten. Zomerverblijven bevinden zich vaak in (oude) bomen met holten. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger kunnen holten gebruiken als paarverblijf. De bomen moeten worden onderzocht op holtes die voor vleermuizen geschikt zijn om in te verblijven, zoals ingerotte boomdelen, ingescheurde takken en loshangend schors. Resultaten veldbezoek De stallen in het plangebied zijn enkelwandig en hebben geen ruimtes waar vleermuizen achter kunnen verblijven. De wilgen op de grens van het plangebied hebben geen grote stammen boven de 2m waar holtes in zitten die geschikt kunnen zijn voor vleermuizen. Dood hout en scheuren in het hout zijn niet gevonden. Foerageergebied is beperkt aanwezig.

Een doorlopende vliegroute van vleermuizen ontbreekt: de wilgen maken geen deel uit van een doorlopend lijnvormig element.

Afbeeldingen 17 en 18: in de wilgen zijn geen voor vleermuizen geschikte openingen gevonden.

Conclusie vleermuizen De stallen zijn niet geschikt voor vleermuizen. In de bomen zijn geen geschikte holtes aangetroffen. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen omdat groen beperkt aanwezig is en voldoende alternatief groen in de buurt aanwezig is. Bovendien voorzien de plannen in nieuw groen, waardoor de functie als foerageergebied gewaarborgd blijft. Een doorlopend lijnvormig element ontbreekt. Op basis van het bovenstaande is het hierdoor uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op verblijfplaatsen, vaste vliegroutes en essentieel foerageergebied van vleermuizen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 5.2 Grondgebonden zoogdieren Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens bever, bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel voorkomen. Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste, maar ze gebruiken ook oevers zonder bos. Er is geen voorkeur voor stromend of stilstaand water. Een waterdiepte van minimaal 50 cm is wel een vereiste.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

10/20

De steenmarter dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsachtig terrein en gebouwen. In Nederland is de steenmarter vooral te vinden in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in steden. Hij heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen, houtwallen, bosjes en andere kleine landschapselementen. Ook in meer open gebieden komt hij voor. Wezels kunnen voorkomen in veel verschillende biotopen, mits er voldoende voedsel en dekking is. Ze leven zowel in natuur- als cultuurlandschappen. Wezels voelen zich ook thuis in de door de mens beïnvloede omgeving, bij dorpen en boerderijen, maar stedelijke landschappen mijden ze meestal. In agrarische landschappen zoeken ze lijnvormige structuren op, zoals heggen, houtwallen en (in het buitenland) stenen muurtjes. De wezel komt gemiddeld in drogere biotopen voor dan de hermelijn. Hermelijnen worden veel gevonden in vochtige terreinen, zoals veengebieden, uiterwaarden, rietland en vochtige (broek)bossen. In open gebieden, zoals polders en akkers, zoeken ze de beschutting op van hogere vegetatie of bijvoorbeeld greppels, houtstapels en (in het buitenland) stenen muurtjes. De bunzing komt voor in verschillende, bij voorkeur watterrijke, halfopen landschapstypen. Voorwaarde is de aanwezigheid van voldoende dekking.

Onder geschikte leefgebieden vallen houtwallen, bosranden, kapvlakten, greppels en sloten met overhangende vegetatie, en struikvegetaties. Hij komt ook voor in bos, maar minder in aaneengesloten bossen. Ook dorpen en buitenwijken van steden kunnen geschikt leefgebied vormen. De bunzing leeft graag in de buurt van boerderijen. Resultaten veldbezoek Voor bever is het plangebied niet geschikt, omdat watergangen met meer dan 50cm water ontbreken. Sporen van bever (op de kade en op land) zijn niet gevonden. Aan de westkant van het plangebied staan wilgen met daaronder begroeiing van braam en riet. Hierin kunnen kleine marterachtigen zich schuilhouden. Holtes in de bomen, waar ze zouden kunnen verblijven, zijn niet gevonden. Konijnholen en andere verblijfplaatsen zijn niet aanwezig in het plangebied. In de stallen zijn geen sporen van marterachtigen waargenomen tijdens het veldbezoek (zie afbeeldingen 9 t/m16).

Afbeeldingen 19 t/m 22: begroeiing onder de wilgen.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

11/20

Conclusie grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde zoogdieren, of sporen hiervan (latrines / prooiresten) aangetroffen. Verblijfplaatsen van beschermde soorten zijn niet aanwezig in het plangebied. Het is mogelijk dat kleine marterachtigen af en toe gebruik maken van de strook groen in de greppel ten westen van het plangebied. De greppel is echter geen essentieel leefgebied, omdat verblijfplaatsen ontbreken en de greppel niet doorloopt naar ander leefgebied. Ten westen van de greppel ligt geschikter leefgebied voor kleine marterachtigen. Tijdens de werkzaamheden zijn eventueel aanwezige marterachtigen goed in staat om zelf te vluchten. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat eventuele verwijdering van groen kleinschalig gebeurd en in een richting waar dieren kunnen vluchten. Grof materieel mag bij de verwijdering van groen niet worden ingezet. Geadviseerd wordt de groenstrook te behouden. Voor aanwezige algemene zoogdieren geldt de zorgplicht (zie §6.1).

Afbeelding 23: plangebied (rode kader) ten opzichte van leefgebied marterachtigen (gele lijnen en verder weg van het plangebied).

5.3 Vaatplanten Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens kan akkerdoornzaad voorkomen. Het staat op zonnige, warme, open plaatsen (pionier) op vochtige, matig voedselrijke, kalkrijke kleigrond. Het heeft als groeiplaats begraasde zeedijken en rivierdijken, waterkanten (grindafzettingen langs rivieroevers), puinhellingen en akkers (graanakkers). Resultaten veldbezoek De vegetatie bestaat uit planten die niet door paarden worden gegeten, zoals zuring, kamille, brandnetel en distels. De grond in het plangebied is voedselrijk. De biotoop is niet geschikt voor akkerdoornzaad. Akkerdoornzaad is niet aangetroffen.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

12/20

Afbeeldingen 24 en 25: vegetatie in het plangebied.

Conclusie vaatplanten Een geschikt biotoop voor het beschermde akkerdoornzaad is niet aanwezig. Geconcludeerd kan worden dat de aanwezige vaatplanten geen beschermde status hebben en ontwikkelingen niet in de weg staan. 5.4 Vogels Resultaten bureauonderzoek In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar meerdere vogelsoorten genoemd. Gebouwbewonende soorten zoals gierzwaluw en huismus komen mogelijk in het gebied voor. Nesten van uilen, waaronder steenuil, en roofvogels, waarvan het nest eveneens jaarrond beschermd is, kunnen voorkomen in de bomen in het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer. Resultaten veldbezoek De stallen in het plangebied bieden geen geschikte verblijfplaatsen voor huismus en gierzwaluw, omdat achterliggende ruimtes om te broeden ontbreken. In het plangebied zijn geen huismussen waargenomen. Het plangebied is geen essentieel leefgebied, zoals schuilplaats of foerageergebied, door het ontbreken van groen. In de bomen in het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer zijn geen holtes voor uilen aanwezig. Grote (overblijvende) nesten in die bomen zijn er niet. Tijdens het veldbezoek vlogen twee patrijzen uit de groenstrook bij de greppel in het westen van het plangebied. Vanwege het aanwezige groen in het plangebied en de omgeving van het plangebied kunnen soorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is daar broeden.

Afbeeldingen 26 en 27: in de knotwilgen zijn geen nesten van uilen en roofvogels aanwezig.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

13/20

Conclusie vogels Huismussen en gierzwaluw broeden niet in het plangebied. Het gebouw in het plangebied bieden geen geschikte verblijfplaatsen voor huismus of gierzwaluw. In het plangebied en binnen de verstorende invloedssfeer zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op jaarrond beschermde nesten. In het plangebied kunnen wel soorten broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. De Omgevingswet biedt bescherming aan alle in gebruik zijnde nesten en rustplaatsen van vogels. De nestbescherming geldt voor alle soorten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Iedere vogel is tijdens het broeden beschermd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot half juli. Het plangebied heeft een functie als schuilgebied voor de patrijs. De staat van instandhouding van patrijs is zeer ongunstig. Geadviseerd wordt daarom, net als voor de zoogdieren, de groenstrook te behouden en te verbeteren. Het is mogelijk om aan te vangen voor het broedseizoen en continu (weekenden uitgezonderd) door te werken in het broedseizoen. Indien er wordt gestart in het broedseizoen, dan moet door een ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden worden nagegaan of verstoring van broedvogels plaatsvindt.

5.5 Amfibieën en reptielen Resultaten bureauonderzoek Kamsalamander komt voor in het 5x5km hok waarbinnen het plangebied valt. Het landschap waarin de kamsalamander wordt aangetroffen is bosrijk, bevat houtwallen of struweel en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het leefgebied. Kamsalamanders komen voor in een verscheidenheid aan typen wateren. Op de zandgronden en in beekdalen leeft de soort in poelen, vijvers, matig voedselrijke (mesotrofe) vennen en in leemputten. In het rivierengebied komt de soort voor in zelden overstromende (laagdynamische) strangen, kleiputten en kolken. Ringslang kan ook voorkomen. Ringslang is afhankelijk van een stelsel aan watergangen en heeft op land broedhopen nodig. Resultaten veldbezoek De greppel in het westen van het plangebied ligt droog. De sloot achter het plangebied, waaraan niet wordt gewerkt, is niet geschikt voor kamsalamander. Poelen en vijvers ontbreken in het plangebied. Voor ringslang zijn geen broedhopen aanwezig. Tevens ontbreekt het aan een stelsel van watergangen en plaatsen om rustig te zonnen. In het plangebied zijn geen amfibieën en reptielen waargenomen. Conclusie amfibieën en reptielen Het plangebied biedt geen geschikt biotoop voor kamsalamander en ringslang. Het voorkomen van beschermde amfibieën en reptielen kan op basis van biotoop worden uitgesloten.

Effecten op de beschermde soorten van beide soortgroepen zijn uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Voor aanwezige algemene soorten geldt de zorgplicht, zie §6.1.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

14/20

5.6 Overige beschermde soorten Resultaten bureauonderzoek Van de verschillende soorten libellen, vlinders, insecten en andere ongewervelden die vermeld worden in de Omgevingswet komen rivierrombout, grote vos, kleine parelmoervlinder en platte schijfhoren voor in de omgeving van het plangebied voor. Rivierrombout komt voor bij rivieren en grote beken, vooral op plaatsen waar zand of slib is afgezet. De grote vos heeft als habitat vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. Waardplant is vooral iep; maar ook zoete kers, populier en sommige wilgensoorten. De kleine parelmoervlinder leeft in open pioniervegetaties en schrale, droge, warme graslanden met kale grond. Waardplanten zijn diverse soorten viooltjes, waaronder vooral duinviooltje, akkerviooltje en driekleurig viooltje. Platte schijfhoren is afhankelijk van water, wat ontbreekt in het plangebied. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het biotoop ongeschikt is voor beschermde soorten libellen, vlinders en andere beschermde soorten, vanwege het ontbreken van waardplanten en geschikte biotopen.

Conclusie overige beschermde soorten Met beschermde ongewervelde diersoorten hoeft op grond van de biotoop geen rekening gehouden te worden. Maatregelen met betrekking tot deze soortgroep hoeven niet te worden genomen.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

15/20

6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onaannemelijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Omgevingswet beschermde soorten. Nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Geadviseerd wordt om de groenstrook in het westen van het plangebied te behouden. De wilgen in de groenstrook hebben een belangrijke functie voor de fauna in de omgeving, geadviseerd wordt de wilgen te behouden. Met bovenstaande adviezen wordt invulling gegeven aan de Vogelrichtlijn voor patrijs en de zorgplicht. De (specifieke) zorgplicht van de Omgevingswet is altijd van toepassing. Hieronder wordt geadviseerd hoe aan deze zorgplicht invulling kan worden gegeven. 6.1 De (specifieke) zorgplicht zoals weergegeven in artikel 11.27 1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c.

Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Zie wettekst. Zodra een niet in de Omgevingswet beschermd in het wild levende dier wordt aangetroffen tijdens de werkzaamheden kan deze worden gevangen en direct worden overgeplaatst naar een geschikte habitat in de nabijheid van het plangebied. Vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen en dergelijke) moet gefaseerd worden verwijderd, waardoor aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren gelegenheid wordt gegeven te vluchten. Bij kap van de vegetatie in de winter dient men rekening te houden met zoogdieren in winterslaap, zoals de egel. Inachtneming van de zorgplicht betekent dat men het struikgewas handmatig en gefaseerd kapt, in plaats van met bulldozer of graafmachine. 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 11.37 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b.

Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. Het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. Het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen (globaal van half maart tot half juli), mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Tot de mogelijkheden behoort aanvangen voor het broedseizoen en doorwerken met continue verstoring tijdens het broedseizoen, zodat vogels niet tot broeden komen.

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

16/20

6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied Soort(groep) Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Vogels Amfibieën reptielen Vaatplanten Overige soorten

en

Ingreep verstorend Nee

Nader onderzoek Nee

Omgevingsvergunning

Nee

Nee

Nee

Bijzonderheden/ opmerkingen Het plangebied heeft geen (essentiële) functie voor vleermuizen. Geen beschermde soorten aanwezig.

Nee* Nee

Nee Nee

Nee Nee

* Hou rekening met het broedseizoen. Geen beschermde soorten aanwezig.

Nee Nee

Nee Nee

Nee Nee

Geen beschermde soorten aanwezig. Geen beschermde soorten aanwezig.

Nee

Wij adviseren om de onderzoeksresultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om na te gaan of zij kunnen instemmen met de onderzoeksresultaten en bovengenoemde conclusies. 6.4 Checklist groen bouwen Verstedelijking draagt bij aan het verlies van biodiversiteit, maar de bouw biedt ook kansen. Voor sommige dieren zijn onze steden en dorpen zelfs het belangrijkste leefgebied. Daar kan iedereen een steentje aan bijdragen. Met de Checklist Groen Bouwen kan iedere bouwonderneming, architect of projectontwikkelaar zijn projecten en ontwerpen natuurvriendelijker maken. Het beantwoorden van enkele simpele ja/nee vragen leidt tot eenvoudige soortbeschermingsmaatregelen. https://www.checklistgroenbouwen.nl/

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

17/20

RODE LIJST SOORTEN In het 5x5 kilometerhok waarbinnen het plangebied valt komen de volgende 93 soorten voor die op de rode lijst staan (periode 25 juli 2021 t/m 25 juli 2025). De vogels, zoogdieren, vlinders, insecten, vlinders, vaatplanten en vissen zijn in de quickscan behandeld. Voor de korstmossen en schimmels en alle andere rode lijst soorten geldt de specifieke zorgplicht. De laatste kolom geeft het aantal waarnemingen weer. Soortgroep Amfibieën Dagvlinders Dagvlinders Dagvlinders Dagvlinders Mossen Mossen Reptielen Schimmels Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten

Naam soort Kamsalamander Bruin blauwtje Gele luzernevlinder Grote vos Oranje zandoogje Kegelmos Smaragdmos Ringslang Ruige weerschijnzwam Beemdkroon Bilzekruid Bolderik Driekantige bies Gewone agrimonie Heemst Kamgras Kattendoorn Klein sterrenkroos Korenbloem Kruidvlier Moeraskruiskruid Moeraswolfsmelk Moeslook

Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vaatplanten Vissen Vleermuizen Vliegen en muggen Vliesvleugeligen Vliesvleugeligen Vliesvleugeligen Vliesvleugeligen Vliesvleugeligen Vliesvleugeligen Vliesvleugeligen Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels

Oosterse morgenster Ruige leeuwentand Sikkelklaver Weidekervel Wilde kievitsbloem Zacht vetkruid Alver Laatvlieger Kustbijvlieg Paardenbloembij Rode koekoekshommel Roodrandzandbij Roodsprietwespbij Slanke kegelbij Veenhommel Weidebij Blauwe kiekendief Boerenzwaluw Bontbekplevier Boomvalk Brilduiker Draaihals Dwergmeeuw Gele kwikstaart Graspieper Grauwe kiekendief Grauwe klauwier Grauwe vliegenvanger Grote karekiet Grote lijster Grote mantelmeeuw Grutto Huismus Huiszwaluw Keep

Wetenschappelijke naam Triturus cristatus Aricia agestis Colias hyale Nymphalis polychloros Pyronia tithonus Conocephalum conicum Homalothecium lutescens Natrix helvetica Inonotus hispidus Knautia arvensis Hyoscyamus niger Agrostemma githago Schoenoplectus triqueter Agrimonia eupatoria Althaea officinalis Cynosurus cristatus Ononis spinosa subsp. spinosa Callitriche palustris Centaurea cyanus Sambucus ebulus Jacobaea paludosa Euphorbia palustris Allium oleraceum Tragopogon pratensis subsp. orientalis Leontodon hispidus Medicago falcata Silaum silaus Fritillaria meleagris Sedum sexangulare Alburnus alburnus Eptesicus serotinus Eristalis abusiva Andrena humilis Bombus rupestris Andrena rosae Nomada fulvicornis Coelioxys elongata Bombus jonellus Andrena gravida Circus cyaneus Hirundo rustica Charadrius hiaticula Falco subbuteo Bucephala clangula Jynx torquilla Hydrocoloeus minutus Motacilla flava Anthus pratensis Circus pygargus Lanius collurio Muscicapa striata Acrocephalus arundinaceus Turdus viscivorus Larus marinus Limosa limosa Passer domesticus Delichon urbicum Fringilla montifringilla

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

Beleidsstatus kwetsbaar gevoelig bedreigd kwetsbaar gevoelig kwetsbaar kwetsbaar kwetsbaar kwetsbaar kwetsbaar bedreigd kwetsbaar bedreigd gevoelig kwetsbaar gevoelig gevoelig gevoelig gevoelig kwetsbaar kwetsbaar kwetsbaar kwetsbaar

18 57 5 1 102 1 1 2 1 2 1 3 4 14 2 12 16 4 3 1 12 2 1

kwetsbaar kwetsbaar kwetsbaar kwetsbaar bedreigd kwetsbaar kwetsbaar kwetsbaar gevoelig kwetsbaar bedreigd bedreigd kwetsbaar kwetsbaar kwetsbaar kwetsbaar gevoelig gevoelig kwetsbaar kwetsbaar gevoelig ernstig bedreigd ernstig bedreigd gevoelig gevoelig ernstig bedreigd bedreigd gevoelig bedreigd kwetsbaar gevoelig gevoelig gevoelig gevoelig gevoelig

2 1 5 1 2 4 18 7 1 2 1 3 1 2 1 1 108 105 187 106 1 30 11 58 54 8 4 1 6 6 1 22 197 38 7 18/20

Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Vogels Weekdieren Zoogdieren (overig) Zoogdieren (overig) Zoogdieren (overig) Zoogdieren (overig)

Kemphaan Kneu Koekoek Kraanvogel Kramsvogel Kwartelkoning Oeverloper Paapje Patrijs Pijlstaart Porseleinhoen Ransuil Ringmus Roerdomp Slobeend Smient Spotvogel Steenuil Steltkluut Tapuit Torenvalk Tureluur Veldleeuwerik Velduil Visdief Watersnip Wielewaal Wintertaling Wulp Zeearend Eeltslak Bunzing Haas Konijn Wezel

Calidris pugnax Linaria cannabina Cuculus canorus Grus grus Turdus pilaris Crex crex Actitis hypoleucos Saxicola rubetra Perdix perdix Anas acuta Porzana porzana Asio otus Passer montanus Botaurus stellaris Anas clypeata Anas penelope Hippolais icterina Athene vidalii Himantopus himantopus Oenanthe oenanthe Falco tinnunculus Tringa totanus Alauda arvensis Asio flammeus Sterna hirundo Gallinago gallinago Oriolus oriolus Anas crecca Numenius arquata Haliaeetus albicilla Lithoglyphus naticoides Mustela putorius Lepus europaeus Oryctolagus cuniculus Mustela nivalis

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

ernstig bedreigd gevoelig kwetsbaar gevoelig gevoelig bedreigd gevoelig bedreigd kwetsbaar bedreigd kwetsbaar kwetsbaar gevoelig kwetsbaar kwetsbaar gevoelig gevoelig kwetsbaar gevoelig bedreigd kwetsbaar gevoelig gevoelig ernstig bedreigd gevoelig bedreigd kwetsbaar kwetsbaar kwetsbaar gevoelig kwetsbaar kwetsbaar gevoelig gevoelig gevoelig

577 57 24 33 65 1 16 1 238 1 44 75 95 3 14 121 5 202 142 30 1032 12 31 5 27 15 16 14 192 11 4 3 226 28 6

19/20

LITERATUUR EN BRONVERMELDING Stichting RAVON: www.ravon.nl Kennisdocument Huismus, Passer domesticus, Versie 2.1, februari 2023, BIJ12 Kennisdocument Gierzwaluw, Apus apus, Versie 2.0, juli 2023, BIJ12 Vlinderstichting: De Vlinderstichting | Home Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep, Ministerie van LNV, 2009 Nationale Databank Flora en Fauna, Verspreidingsatlas. 13 mei 2014, http://www.verspreidingsatlas.nl/ Nationale Databank Flora en Fauna, www.florafaunaverkenner.nl Zoogdier vereniging: Homepage | De Zoogdiervereniging Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Limpens e.a. KNNV 1997 Bats of Britain and Europe, C. Dietz en A. Kiefer, Bloomsbury 2016 Vleermuiswerkgroep Nederland: www.vleermuis.net Nederlandse Oecologische Flora. Wilde planten en hun relaties. Weeda e.a. 1985-1994 Sovon Vogelonderzoek Nederland: www.sovon.nl Vereniging Vogelbescherming: www.vogelbescherming.nl Atlas van de Nederlandse Zoogdieren, Zoogdiervereniging 2016, S. Broekhuizen et al. Nationale Databank Flora en Fauna, Verspreidingsatlas. 13 mei 2014, http://www.verspreidingsatlas.nl/ Stichting Anemoon: www.anemoon.org

Flora- en faunaonderzoek, Hogesteeg 54-58 te Ammerzoden, ANL25-10421

20/20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16988900/1