Bijlage 2 Motivering
Tekst van het document
•
Het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als 51
zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
4.5.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: •
Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
•
Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
•
Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
•
Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de
•
Waddenzee;
•
Alle Natura 2000-gebieden.
Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied.
4.5.2
Gebiedsbescherming
Het provinciaal beleid is vastgelegd in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit is ruimtelijk vertaald in de Omgevingsverordening Gelderland. Het GNN bestaat enerzijds uit alle gebieden met een natuurbestemming binnen de voormalige Ecologisch Hoofdstructuur (EHS) en anderzijds uit gebieden voor nieuw aan te leggen natuur. Daarnaast maken de reeds gerealiseerde delen van verbindingszones deel uit van het GNN. De gebieden uit de voormalige EHS met een andere bestemming dan natuur zijn ondergebracht in de Groene Ontwikkelingszone (GO), welke is gericht op het versterken van de ecologische samenhang door de aanleg van ecologische verbindingszones. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke omgevingsplannen. De wijzingen in het plangebied hebben geen negatieve gevolgen op: •
Natura 2000-gebieden;
•
Beschermde Natuurmonumenten;
•
Weidevogel- en ganzenbeschermingsgebieden;
•
EHS.
Conclusie: Gezien de afstand van het plangebied tot bovenstaande gebieden en/of de aanwezige kernkwaliteiten heeft de ontwikkeling van onderliggend plan geen invloed op deze gebieden. 52
4.5.3
Natura2000
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000- gebieden. Op grond van artikel 2.44 van de Omgevingswet zijn door de Minister voor Natuur en Stikstof Natura2000-gebieden aangewezen en daarbij de instandhoudingsdoelstelling vastgesteld. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Omgevingswet. Natuur Omgevingswet – gebiedsbescherming (voormalige Wet natuurbescherming) De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Rijntakken en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een omgevingsvergunning voor het onderdeel natuur wordt aangevraagd.
Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Rijntakken, dat op een afstand van circa 3,5 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Om aan te tonen dat de gewenste wijziging in het kader van de het onderdeel Natuur mogelijk is, is er een voortoets uitgevoerd. AERIUS berekeningen zijn gemaakt voor de sloopfase, aanlegfase en gebruiksfase, zie bijlage 8, 9 en 10. Er is rekening gehouden met de verkeersbewegingen welke passend zijn bij de nieuwe bestemming. Deze vervoersbewegingen zijn getoetst aan de metingen van Kennisplatform CROW.
Conclusie: Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Omgevingswet geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. De ontwikkeling leidt in de aanleg-/bouwfase tot stikstofemissie en beperkte ammoniakemissie. Een Aerius-berekening is uitgevoerd met daarin diverse worst-case uitgangspunten. Uit dit onderzoek blijkt dat de berekende emissie leidt tot een depositie van 0,00 mol/ha/jaar voor beide fases. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en is het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van alle omliggende Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstofdepositie en/of de bescherming van Natura 2000-gebieden in het algemeen vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het plan.
53
4.5.4
Flora- en fauna
De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Omgevingswet. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. In afdeling 11.2 van het Bal zijn regels opgenomen voor activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name de regels de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4 van belang. • Paragraaf 11.2.2 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. • Paragraaf 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn. Dit zijn soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn. • Paragraaf 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten. Dit zijn alle in Nederland in het wild levende soorten waaronder zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zoals genoemd in het Bal, bijlage IX. Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden.
Bij de totstandkoming van een planvoornemen waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dieren plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Bij de totstandkoming van een wijzigingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. De samenvatting van het onderzoek luidt als volgt: Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling aan de Hoorzik 15 te Kerkdriel is een ecologische quickscan uitgevoerd. Het kadastraal splitsen, saneren van bijgebouwen, de realisatie van een tweede woning en alle bijbehorende werkzaamheden leiden, behoudens algemene broedvogels en vrijgestelde soorten, niet tot aantasting van functionele leefomgevingen, vaste rust- en/of verblijflocaties van beschermde soorten, beschermde gebieden of houtopstanden onder de Omgevingswet. Voor vleermuizen is het voldoende als er rekening gehouden wordt met de eventuele aanwezigheid in de omgeving. •
Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren is enkel de Algemene Zorgplicht van toepassing
•
Ten aanzien van vleermuizen zijn geen essentiële vliegroutes, foerageergebieden of vaste rust- en/of verblijfslocaties aanwezig. Desondanks passeren en foerageren vleermuizen aannemelijk op of rondom de locatie en worden door (foutief toegepaste) bouwverlichting mogelijk verstoord indien toegepast
•
Ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en/of leefgebieden zijn geen verdere maatregelen of vervolgstappen benodigd
•
Ten aanzien van algemene vogels kunnen broedsels en nesten verstoord worden gedurende het broedseizoen in het groen rondom het plangebied
•
Ten aanzien van amfibieën wordt de aanwezigheid van vrijgestelde soorten verwacht, voor deze soorten dient de Algemene Zorgplicht in acht genomen te worden
•
Voor vlinders, libellen, ongewervelde, reptielen en vissen met een beschermde status krachtens de Omgevingswet is geen geschikt leefgebied aanwezig
54
•
Standplaatsen en geschikte omstandigheden ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn niet aangetroffen
•
Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet
•
Gelet op de afstand tot beschermde gebieden, de aard van de werkzaamheden en de tussengelegen inrichting van het gebied worden geen (negatieve) effecten verwacht
Op 24 april 2025 is door ecologisch adviesbureau Eceau nadere informatie omtrent de quickscan flora & fauna aangeleverd met betrekking tot kleine marterachtigen en vleermuizen. Op basis van deze extra informatie wordt de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfsplaatsen voor marterachtigen niet verwacht. Voor vleermuizen wordt de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfsplaatsten uitgesloten. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. Bij de verwachte sloop en bouw op de locatie dient rekening gehouden te worden met de maatregelen uit het onderzoek, zie bijlage 6. Conclusie: Naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek in bijlage 6, is aanvullend onderzoek in deze fase niet benodigd. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten voor de beoogde ontwikkeling. Hoewel er ten tijden van de quickscan voor marterachtigen geen sporen aangetroffen zijn is het niet uit te sluiten dat er marterachtigen aanwezig kunnen zijn in de omgeving. Voorafgaand aan de sloop- en bouwfase zal een ecoloog daarom ter plaatse komen kijken of de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden. Daarnaast worden de algemene maatregelen volgens de zorgplicht nageleefd.
4.6
Klimaatadaptatie
Klimaatadaptatie is een verplicht onderdeel van ruimtelijke plannen op grond van de Omgevingswet, die voorschrijft dat bij nieuwe ontwikkelingen rekening wordt gehouden met de gevolgen van klimaatverandering. De gemeente Maasdriel heeft in haar beleid vastgelegd dat ruimtelijke plannen moeten bijdragen aan een klimaatbestendige leefomgeving. Ook Waterschap Rivierenland en de provincie Gelderland hanteren richtlijnen voor waterveiligheid, droogte en hittestress om schade en risico’s te beperken. Het plan voor Hoorzik 15 te Kerkdriel sluit aan bij deze beleidskaders door maatregelen op te nemen die inspelen op de thema’s waterveiligheid, droogte en hitte. Hieronder worden deze aspecten toegelicht. Waterveiligheid Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland en bevindt zich buiten primaire waterkeringen. Het plan voldoet aan de geldende normen voor regionale waterveiligheid. Hemelwater wordt zoveel mogelijk op eigen terrein geïnfiltreerd om piekbelasting van het rioolstelsel te voorkomen. Er worden geen ingrepen voorzien die de waterveiligheid negatief beïnvloeden. Hiermee wordt aangesloten bij het beleid van het waterschap en de provinciale richtlijnen voor een robuust watersysteem. Droogte Door klimaatverandering neemt de kans op langdurige droogte toe.
Het plan houdt hier rekening mee door het beperken van verharding en het toepassen van infiltrerende bestrating. Groenvoorzieningen worden zodanig ingericht dat water langer wordt vastgehouden, wat bijdraagt
55
aan het voorkomen van verdroging van de bodem. Deze maatregelen sluiten aan bij de gemeentelijke ambitie om water vasthouden en infiltratie te stimuleren. Hitte Het risico op hittestress wordt verminderd door het behoud en toevoegen van groen en schaduwrijke plekken. Waar mogelijk worden lichte materialen toegepast en wordt vegetatie op daken gestimuleerd. Hiermee wordt de opwarming van het gebied beperkt en het thermisch comfort verbeterd. Dit draagt bij aan een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving, conform de richtlijnen van de gemeente Maasdriel en de provincie Gelderland.
4.7
Niet-gesprongen Conventionele Explosieven
Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere minutie uit de Tweede Wereldoorlog. Top op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks niet-gesprongen conventionele explosieven gevonden. Ook in en boven de Bommelerwaard hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog allerlei oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij niet tot ontploffing gekomen explosieven en minutie is achtergebleven. Onder Conventionele Explosieven (CE) wordt verstaan: elk explosief dat niet als geïmproviseerd, nucleair, biologisch of chemisch kan worden aangemerkt. CE worden ook wel aangeduid als NietGesprongen Explosieven (NGE). Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de werknemers en publieke veiligheid. Darnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Werkgevers zijn volgens de ARBO-wetgeving verantwoordelijk voor het veilig kunnen uitvoeren van werkzaamheden door werknemers binnen de gemeente Maasdriel.
Daarom zijn zij verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen historisch vooronderzoek te doen om de kans op de aanwezigheid van niet gesprongen CE met zekerheid te kunnen uitsluiten. In 2016 heeft de gemeente Zaltbommel een historisch vooronderzoek en explosievenkansenkaart voor de gehele gemeente laten opstellen. Op deze kaart zijn alle risicogebieden of wel ‘verdachte’ gebieden op het gebied van niet gesprongen CE aangegeven. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Explosievenkansenkaart van de Bommelerwaard weergegeven. Met de rode cirkel is het plangebied aangeduid.
56
Figuur 4-17 Uitsnede Explosievenkansenkaart Bommelerwaard
Op basis van de Explosievenkansenkaart Bommelerwaard van 10 juli 2016 bevindt de projectlocatie zicht in ‘verdacht’ gebied op basis van ‘geschutmunitie (verschoten)’. De voorgenomen werkzaamheden vinden echter plaats, in naoorlogs verstoorde grond. Het perceel is door de jaren heen namelijk in gebruik geweest als boomgaard en daarna als landbouwgrond (bron: topotijdreis). Het is daarom redelijkerwijs aan te nemen dat CE toen al zijn opgemerkt dan wel weggenomen. Het is daarom niet noodzakelijk nader onderzoek naar explosieven uit te voeren. Wel dient in alle gevallen het Protocol Toevalsvondst te worden nageleefd. Conclusie: Er is geen onderzoek in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse noodzakelijk voor het plangebied.
4.8
Beperkgingengebieden
Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. De Omgevingswet verplicht Rijk en provincie om beperkingengebieden aan te wijzen, zoals zones rond wegen, hoofdspoorwegen, waterkeringen, rijkswegen en vaarwegen. Binnen deze beperkingengebieden stelt de provincie eisen aan aanduidingen, informatieborden en uitwegen. Binnen het plangebied bevinden zich geen beperkingengebieden die relevant zijn. Het aspect beperkingengebieden vormt daarmee geen belemmering voor het initiatief.
57
4.9
Kabels en leidingen
De huidige locatie is voorzien van alle gangbare technische infrastructuur zoals drukriolering en andere nutsvoorzieningen. De nieuwe woonlocatie is hier nog niet op aangesloten. Bij de bouw zullen bij de gemeente de benodigde toestemmingen aangevraagd worden om de woning aan te kunnen sluiten op de aanwezige technische infrastructuur. Conclusie: Op de kavel van de beoogde woning is nog geen aansluiting aan de gangbare technische infrastructuur aanwezig. Voorafgaand aan de bouw van de woning zullen de benodigde aansluitingen aangevraagd worden bij de gemeente Maasdriel. De technische infrastructuur vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Verkeer en parkeren Het plangebied is gelegen aan de straat Hoorzik. Volgens het Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan (GVVP) is het plangebied gelegen in een woongebied. Dit is een lokale erftoegangs/verblijfsweg met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Het verkeer op de weg bestaat met grotendeels uit bestemmingsverkeer. Het initiatief leidt tot een afname van het aantal (met name zware) verkeersbewegingen ter plaatse door de beëindiging van het agrarische bedrijf ter plaatse, dit heeft een positief effect op de verkeersveiligheid en leefbaarheid van het gebied. De nieuwe woning leidt slechts tot circa 8 verkeersbewegingen per etmaal op basis van de kencijfers in CROW-publicatie 744. Op basis van dit beperkte aantal verkeersbewegingen zijn er geen belemmeringen voor de doorstroming van het verkeer ter plaatse te verwachten. De gemeente Maasdriel heeft op 27 november 2024 de Beleidsregels parkeernormen 2024 vastgesteld. Op 18 juli 2025 is een gewijzigde versie vastgesteld. Basis voor de gemeentelijke parkeernormering is de meest recente publicatie van het CROW ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ (publicatie 744, juli 2024). Onderliggend plan ziet toe op de omschakeling van een agrarische bedrijfsfunctie naar een woonfunctie in combinatie met het toevoegen van een woonfunctie.
Op basis van het plan ontstaan er in de beoogde situatie 2 vrijstaande koopwoningen waarvoor parkeernormen zijn vastgesteld in de beleidsregels. Voor woningen in de segmenten middeldure en dure koop geldt een norm van 2,6 parkeerplaatsen per woning. Voor de bestaande woning blijft de huidige inrit aan de westzijde behouden, de inrit aan de oostzijde wordt verwijderd. Bij de huidige woning voldoende erfverharding aanwezig om in de parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen te voorzien. Hiervoor hoeven dan ook geen structurele aanpassingen plaats te vinden. Ten behoeve van de nieuwe woning zal een nieuwe inrit gerealiseerd worden, daarnaast worden op de inrit 3 parkeerplaatsen gerealiseerd. In figuur 4-18 is de nieuwe inrit inclusief de beoogde parkeerplaatsen weergegeven. Voor het verplaatsen van de inrit bij het voormalige bedrijf aan Hoorzik 15 naar de nieuwe woning wordt een vergunning aangevraagd conform de Beleidsregel Uitwegen Maasdriel 2019. Deze wordt gelijktijdig met de aanvraag van de bouwvergunning ingediend.
58
Figuur 4-18 Parkeerplaatsen en inritten
59
5. Juridische planopzet
5.1
Wijzigingsbesluit
Onderliggend plan gaat in op het wijzigen van het omgevingsplan van een champignonkwekerij. Er komt een woonbestemming op de locatie. Door de sanering van de champignonkwekerij zal op het naastgelegen perceel 1 woonhuis gebouwd worden.
5.2
Analoge kaart
Figuur 5-1 verbeelding beoogde situatie
5.3
Juridische planopzet
Sinds 1 januari 2024 heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege (hierna: het omgevingsplan). In de fase direct na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bestaande uit onder meer de voormalige bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en de Bruidsschat. Dit TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Maasdriel. De voorliggende opgave op deze locatie is in strijd met het ter plaatse geldende omgevingsplan waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Het TAM-omgevingsplan is op het oog een omgevingsplan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAMomgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk (in casu 22c) toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. 60
Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22c van het omgevingsplan.
6. Uitvoerbaarheid
6.1
Economisch
6.1.1
Financieel economische uitvoerbaarheid
In plaats van een uitvoerbaarheidstoets zal het omgevingsplan een onuitvoerbaarheidstoets bevatten. Het omgevingsplan mag namelijk geen regels bevatten die op voorhand onuitvoerbaar zijn. Conform de memorie van toelichting zal in gevallen waarin een activiteit alleen kan worden gerealiseerd wanneer de gemeente belangrijke voorinvesteringen doet, de toelichting bij het omgevingsplan passages moeten bevatten over de dekking van deze investeringen en de opzet van het eventuele kostenverhaal. Het initiatief is niet evident onuitvoerbaar omdat het plan geheel in particuliere handen uitgevoerd zal worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Met de initiatiefnemer is een zogenaamde anterieure overeenkomst afgesloten waarin de afspraken over plankosten en planschade zijn geregeld. Gezien het karakter van het plan is er op voorhand geen aanleiding te veronderstellen dat er sprake is van planschade ten gevolge van het plan. Hiervoor is een nadeelcompensatie risico analyse uitgevoerd welke bekend is bij de gemeente Maasdriel.
6.2
Maatschappelijk
6.2.1
Participatie
In de Omgevingswet is een omgevingsdialoog verplicht. Huiseigenaren of bedrijven in de omgeving van de projectlocatie dienen op de hoogte gebracht te worden en er moet een overlegmoment met deze omwonenden geweest zijn voordat het plan ter inzage gaat. Met ‘omgeving’ bedoelen we iedereen waarop dit plan effect heeft. Bijlage 7 betreft een samenvatting van de omgevingsdialoog. De samenvatting van de omgevingsdialoog is individueel getoond aan de omwonenden, indien ze daar interesse voor hadden. Alle omwonenden zijn benaderd hiervoor en hebben een paraaf gezet voor gezien. Er zijn geen noemenswaardige opmerkingen gekomen vanuit de dialoog.
6.2.2
Zienswijzen
Tegen het ontwerpbesluit bestaat de mogelijkheid om zienswijzen te dienen. Deze kunnen geen betrekking hebben op een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit die in het omgevingsplan moet worden omgezet (bedoeld in artikel 4.17 Omgevingswet). Hiermee wordt voorkomen dat een toegestane activiteit bij de omzetting in het omgevingsplan opnieuw ter discussie kan worden gesteld. Vanaf 24 december 2025 tot en met 3 februari 2026 hebben ter inzage gelegen: -
het ontwerp TAM-omgevingsplan Hoorzik 15 – Hoofdstuk 22c;
61
-
Gedurende de periode van de terinzagelegging kon een zienswijze worden ingediend door belanghebbenden.
Binnen de termijn zijn geen zienswijzen binnengekomen. Bij vaststelling van het plan is de volgende ambtelijke wijziging doorgevoerd: de maatvoering ‘other: maximum oppervlakte bijbehorende bouwwerken: 138’ is verwijderd van de verbeelding. Daarnaast is voor de nieuwe woning een bouwvlak toegevoegd op de verbeelding.
7. Conclusie Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 lid 1 Omgevingswet). Deze beleidsvrije taak is een vervolg op het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. De gemeente kan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan bereiken door: •
regels aan activiteiten te stellen voor (een gedeelte van) het grondgebied.
•
functieaanduidingen met de toegelaten activiteiten (met regels) te koppelen aan locaties
Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Hoe dit evenwicht er precies uitziet, hangt af van de wijze waarop de betrokken belangen worden gewogen. Net als bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij het bepalen welke belangen bij botsing prevaleren. De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Omgevingswet) geven richting over welke belangen in deze afweging mee te nemen. Bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeente in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet) en een aantal aspecten uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hiervoor zijn algemene instructieregels opgesteld. In paragraaf 7.1 wordt gemotiveerd dat gelet op het beleidskader en de effecten op de fysieke leefomgeving er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierin komt de afweging van alle betrokken belangen tot uitdrukking. De conclusie is dat alles overwegende de ontwikkeling aanvaardbaar is.
7.1
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
In dit hoofdstuk wordt een algehele conclusie getrokken. Gemotiveerd wordt of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Indien het initiatief in strijd is met de omgevingsvisie, provinciale verordening of rijksbeleid is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functie aan de locatie en is het niet mogelijk om dit met een BOPA te vergunnen. De hoofdstukken 3 en 4 van onderhavige toelichting voorzien in een uitgebreide motivering van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Hiermee wordt aangetoond dat in onderhavig planvoornemen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.
62
7.2
Handhaving
Het Omgevingsplan Maasdriel is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving houdt in elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. De handhaafbaarheid van een omgevingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar omgevingsplanregeling Het strikt handhaven van vergunningen, regels en procedures geeft duidelijkheid en maakt de samenleving veiliger. Het gedogen moet worden tegengegaan. Overbodige regels en onduidelijke regelgeving zijn daarom getracht zoveel mogelijk achterwege te laten. De regels zijn zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatie- en uitvoeringsproblemen zo veel mogelijk worden voorkomen, en, dat zodoende handhavingssituaties worden voorkomen.
63
Bijlagen
Bijlage 1: Akoestisch onderzoek
Bijlage 2: Bodemonderzoek -
Bijlage 2a: Vervolg Verkennend Bodemonderzoek december 2024
Bijlage 3: Landschappelijke inpassing
Bijlage 4: Asbestonderzoek
Bijlage 5: Weging van het waterbelang (watertoets)
Bijlage 6: Quick scan Flora- en fauna -
Bijlage 6a: Aanvullende informatie ecologisch onderzoek
Bijlage 7: Omgevingsdialoog
Bijlage 8: Onderbouwing stikstofdepositie gebruiks_sloop-aanlegfase
Bijlage 9: AERIUS_projectberekening_berekening gebruiksfase
Bijlage 10: AERIUS_projectberekening_berekening gebruik_sloop_aanlegfase
Bijlage 11: Alternatieve werkmethode Hoorzik 15
64