Bijlage 2 Motivering
Tekst van het document
Dus in plaats van algemeen geformuleerd en overal van kracht, naar specifiek geldend voor bepaalde gebieden en activiteiten. Met de Omgevingswet wordt gewerkt met het ‘ja, mits’-principe. Dit betekent dat activiteiten zijn toegestaan, mits wordt voldaan aan voorwaarden in de waterschapsverordening. In de Artikel 16 van de ‘Beleidsregels bij waterschapsverordening Waterschap Rivierenland’ is een vuistregel opgenomen voor de compensatie van toename aan verhard oppervlak ten behoeve van hemelwaterafvoer. Deze vuistregel schrijft voor dat voor elke hectare nieuw verhard oppervlak er 436 m3 waterberging gerealiseerd moet worden (gebaseerd op de T=10+10% bui). Voor particulieren kan een eenmalige vrijstelling van deze compensatie-eis geleden. In het stedelijk gebied kan de toename voor de eerste 500 m2 verhard oppervlak vrijgesteld worden van watercompensatie en voor het landelijk gebied kan 1.500 m2 vrijgesteld worden van deze eis. De afdeling Vergunningen van het Waterschap Rivierland toetst of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Uitgangspunt is dat gecompenseerd kan worden voor de toename van de verharding. Gemeentelijk beleid Aanleg, beheer en onderhoud van riolering is een gemeentelijke taak die zijn wettelijke basis vindt in de Wet milieubeheer.
Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) geeft inzicht in de aanleg, tijdige vervanging, verbeteringen, beheer en onderhoud van de riolering en natuurlijk in de kosten van al 27
deze facetten. Het GRP is een verplichting voor gemeenten. In de Bommelerwaard is het GRP sinds 2012 opgenomen in het Water- en Rioleringsplan (WRP). Gemeenten Maasdriel en Zaltbommel hebben gezamenlijk het 'Water en Rioleringsplan Bommelerwaard 2022 - 2026' opgesteld. Hierin geeft de Bommelerwaard aan hoe invulling wordt gegeven aan de zorgplichten uit de Wet milieubeheer en de Waterwet (inmiddels onder omgevingswet). Het WRP is hét overkoepelend beleidsplan waarin de ambities rondom riolering en water worden verwoord. De ambities zijn: -
Stedelijk afvalwater: Zorg dragen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater dat vrijkomt bij de binnen het grondgebied van de gemeente gelegen percelen.
-
Hemelwater: De zorgplicht voor hemelwater is een inspanningsverplichting.
-
Grondwater: de gemeente heeft de zorgplicht voor een doelmatige aanpak van structurele grondwateroverlast die het onmogelijk maakt om een perceel te gebruiken op de manier waarvoor het bedoeld is. Het watersysteem in de Bommelerwaard staat sterk onder invloed van de rivierwaterstanden, wat periodiek leidt tot kwel en hoge grondwaterstanden. Periodiek hoge grondwaterstanden worden in de Bommelerwaard veelal door de bewoners geaccepteerd (het hoort bij het wonen in een rivierengebied). Vanuit de waterwet wordt van een perceeleigenaar verwacht dat hij zijn grondwater op zijn eigen terrein verwerkt.
-
Oppervlaktewater: Het beheer van het oppervlaktewater valt voor een deel onder de zorgplicht voor hemel- en grondwater. Watergangen zijn van groot belang voor het bergen en de aan- en afvoer van water. Bij hevige regenval en in situaties met veel kwel bij hoge waterstanden in de rivieren zorgen de watergangen en vijvers voor droge voeten. Door aanwezigheid van voldoende ruimte voor water in en nabij de woonkernen wordt structurele wateroverlast in de woonkernen en afwenteling naar het buitengebied voorkomen.
Bijlage C van het WRP gaat specifiek in op het hemelwaterbeleid van de gemeente Maasdriel. Om (nog) duurzamer om te gaan met hemelwater worden de volgende doelen nagestreefd: •
scheiden van schone en vuile waterstromen;
•
beperken van de hoeveelheid ingezameld hemelwater op het gemengde stelsel;
•
verbieden van het afvoeren van hemelwater op drukriolering;
•
beperken van risico's tijdens extreme neerslag.
In de tabel in bijlage 1 van het hemelwaterbeleid van de gemeente Maasdriel is toegelicht welke maatregelen moeten worden genomen per hoeveelheid nieuw verhard oppervlak.
28
Tabel 1: Bijlage 1 technische specificaties hemelwaterbeleid gemeente Maasdriel
In de Verordening afvoer hemel- en grondwater Maasdriel geldend vanaf 14-6-2023 is geregeld dat het lozen van hemelwater vanaf nieuwe gebouwen in de hele gemeente alleen is toegestaan als er een waterberging wordt aangebracht. Deze waterberging komt in het zuidoosten van het perceel te liggen. De minimale capaciteit van de hemelwater-berging is 43,6 mm per m2 verhard oppervlak op het perceel. Weging van het waterbelang - planspecifiek Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de afweging van het waterbelang. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte afweging is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Hemelwater Onderliggend initiatief voorziet in een wijziging van de oppervlakte van de verharding in het plangebied. Op basis van de hiervoor beschreven waterschapsverordening van waterschap Rivierenland en het gemeentelijk WRP Bommelerwaard dient inzichtelijk gemaakt te worden of er sprake is van een compensatie-eis.
Hiervoor wordt eerst de huidige situatie voor het omgaan met de afvoer van hemelwater inzichtelijk gemaakt. Daarna wordt op basis van de beoogde ontwikkeling beschreven hoe voorzien wordt in voldoende hemelwatercompensatie. 29
In de huidige situatie is er sprake van gebouwen en verharding ten behoeve van de aanwezige champignonkwekerij in het plangebied. In totaal is er in de huidige situatie 804 m2 aan (bedrijfs)bebouwing en circa 624 m2 aan erfverharding aanwezig. Het schone hemelwater wordt in de huidige situatie afgevoerd naar de A-watergang die aan de zuidzijde van de locatie ligt. In afbeelding 4-2 is een bovenaanzicht van de locatie met daarop de huidige situatie voor afwatering van hemelwater weergegeven.
Afbeelding 4-2: afwatering huidige situatie
In de beoogde situatie worden de bedrijfsgebouwen en een deel van de erfverharding gesloopt. De bedrijfswoning met aangebouwd bijgebouw blijft aanwezig. Daarnaast wordt op het naastgelegen perceel een nieuwe woning opgericht. In de beoogde situatie wordt 630 m2 aan bedrijfsgebouwen en 350 m2 aan erfverharding bij de locatie Hoorzik 15 verwijderd. In totaal is er ter plaatse van de Hoorzik 15 dus een afname van 980 m2 aan verhard oppervlakte. Op de nieuwe woonkavel moet planologisch op basis van bijlage c in het gemeentelijk WRP rekening gehouden worden met een maximale verharding van 70% van het totale perceeloppervlak. Het nieuwe perceel krijgt een oppervlakte van 2.430 m 2. In de berekening van de watercompensatie wordt daarom uitgegaan van een toename van 1.701 m2 verhard oppervlak. Op basis van de planologisch maximale situatie is er binnen het gehele plangebied een toename van 1.701 – 980 = 721 m2 aan verhard oppervlak. Volgens de waterschapsverordening van Waterschap Rivierenland kan in het buitengebied eenmalig vrijstelling verleend worden van de compensatieverplichting bij een toename van verharding onder de 1.500 m 2. Binnen het plangebied is dus geen compensatieverplichting volgens de eisen van het waterschap. Wel is er sprake van een compensatieverplichting op basis van het WRP van de gemeente.
30
De voorziening voor de watercompensatie dient gedimensioneerd te worden op een T=10+10% situatie. Dit houdt in dat 43,6 mm hemelwater per m2 verhard oppervlak geborgen dient te worden. Dit komt neer op 43,6 liter/m² verhard oppervlak. Op basis van een toename van 721 m2 aan verharding leidt tot een benodigde watercompensatie van 31,44 m3 (721 m2 x 0,0436 = 31,4356 m3). Daarbij moet geborgd worden dat de waterbergingsvoorziening binnen 96 uur weer beschikbaar is om een nieuwe bui op te vangen. De gemiddeld hoogste grondwaterstand in de omgeving van het plangebied ligt tussen de 0,8 en 1 meter beneden maaiveld. Ten behoeve van het waterbergend vermogen wordt uitgegaan van 0,8 meter beneden maaiveld. In verband met het talud van de aan te leggen poel voor waterberging wordt uitgegaan van een gemiddelde bergingscapaciteit van 0,4 m per m2 aan oppervlakte. Om de benodigde watercompensatie van 31,44 m3 te behalen zal de poel een oppervlakte van 78,6 m2 moeten krijgen op basis van de gemiddelde diepte van 0,4 meter beneden maaiveld. Het vlak dat voor de poel is ingetekend in het landschappelijk inpassingsplan heeft een oppervlakte van ruim 90 m2 hiermee wordt ruim voldaan aan de waterbergingsopgave. Om te zorgen dat het hemelwater in de waterbergingsvoorziening terecht komt wordt vanaf het dak via dakgoten en een leiding aangesloten op de waterbergingsvoorziening.
In de poel zal een overstortput gerealiseerd worden waardoor het overtollige water bij extreme neerslag via de naastgelegen A-watergang kan worden afgevoerd. De overstortdrempel wordt minimaal 0,30 meter boven het zomerpeil van de Awatergang aangelegd. Het zomerpeil in het gebied is vastgesteld op 2,85 m NAP. Voor de overstortvergunning wordt een vergunning aangevraagd bij het waterschap. Om te borgen dat de waterbergingsvoorziening binnen 96 uur weer beschikbaar is dient de infiltratiecapaciteit van de bodem inzichtelijk gemaakt te worden. Op basis van de bodemkaart zijn er geen gegevens beschikbaar over de bodemsoort ter plaatse. De omgeving van het plangebied bestaat met name uit zware zavel en lichte klei met een lage doorlatendheid. Omdat de omgeving van het plangebied al sinds lange tijd bebouwd en hoger gelegen is kan de samenstelling van de bodem anders zijn. Bij de aanvraag van de vergunning voor de hemelwaterbergingsvoorziening zal daarom ook de infiltratiecapaciteit van de bodem getoetst worden. Afvalwater van huishoudelijke aard In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. In de beoogde situatie blijft het afvalwater van huishoudelijke aard afkomstig van de woning geloosd worden op het gemeentelijk riool. In de huidige situatie wonen 2 personen op de locatie.
Gemiddeld verbruikt 1 persoon 140 liter water per dag. Op dit moment is er 280 liter afvalwater. In de beoogde situatie komt er 1 woning en 1 huishouden bij. Een gemiddeld huishouden bestaat uit 2,3 personen. Dit is 322 liter per dag wat extra aan huishoudelijk afvalwater afgevoerd dient te worden, de nieuwe woning wordt hiervoor aangesloten op de aanwezige riolering. Online weging van het waterbelang Het watertoets proces moet ervoor zorgen dat bij ruimtelijke plannen en besluiten voldoende rekening wordt gehouden met water en watervoorzieningen. Slim gebruik van water en ruimte kan de leefomgeving van mens en dier verbeteren. En het verkleint de kans op problemen zoals onvoldoende veilige dijken, wateroverlast of een slechte waterkwaliteit. Het resultaat is een ruimtelijk plan dat waterbestendig is. Zo zorgen we voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem.
31
Voor onderliggend plan is het online wateradvies ingevuld. Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat contact opgenomen moet worden met het waterschap door werkzaamheden nabij de naastgelegen A-watergang, deze heeft een beschermingszone van 5 meter. Dit heeft vooral betrekking op de aan te leggen hemelwaterinfiltratievoorziening en beukenhaag in de landschappelijke inpassing. Voor de overstortvoorziening van de hemelwatervoorziening wordt een vergunning aangevraagd bij het waterschap. De hemelwaterbergingsvoorziening en haag zullen worden aangelegd buiten de beschermingszone van 5 meter langs de watergang. De genoemde aandachtspunten zijn opgenomen in deze Waterparagraaf. De weging van het waterbelang is toegevoegd in Bijlage 5 van deze toelichting. Conclusie: Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. Er zal een waterberging aangelegd worden om hemelwater af te kunnen voeren, deze is ingetekend in het landschappelijk inpassingsplan in bijlage 3. Hierbij is op tekening ook weergegeven dat de beoogde haag buiten de beschermingszone van 5 meter rond de watergang is gelegen.
4.1.4
Beschermen van de gezondheid en van het milieu (5.1.4 Bkl)
4.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht (5.1.4.1) Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt eisen aan de concentratie van emissie van verontreinigende stoffen vanuit bedrijven naar de lucht: de emissiegrenswaarden. Er geldt een waarde en ondergrens per stofklasse. Voor kleine bronnen met een jaarlijkse emissie beneden de ondergrens gelden de emissiegrenswaarden niet. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor lucht. Om de risico’s van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de lucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. Voor fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) zijn er aparte aandachtsgebieden. Daar zijn de concentraties relatief hoog. Draagt een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging dan is het niet nodig om de omgevingswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide te toetsten. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bedraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3.
In artikel 5.54 van het Bkl is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM). De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde nibm). Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Invloed verkeer op luchtkwaliteit Het plan heeft gelet op de aard van de ontwikkeling mogelijk invloed op de luchtkwaliteit. In de huidige bestemming wordt het bedrijf bezocht door divers verkeer voor de aanvoer van grondstoffen voor het bedrijf en bezoek van controlerende of ondersteunende instanties. Een deel 32
van dit verkeer vindt plaats via zwaar vrachtverkeer. Om toch te bepalen of deze ontwikkeling in betekenende mate gezien kan worden is een fictieve berekening uitgevoerd met een worst case situatie. In dit geval zou de wijziging 8,6 extra voertuigbewegingen per dag betekenen van personenauto’s volgens Kennisplatform CROW. Dit zijn 60,2 bewegingen per week. Het vrachtverkeer verdwijnt waardoor het in principe geen extra voertuigbewegingen zijn. Het voorbeeld is gekozen om een situatie te toetsen waarmee kan worden gesteld dat het regulier verkeer in ieder geval niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In onderstaand figuur is de uitkomst van deze berekening zichtbaar.
Afbeelding 4-2: NIBM-tool
Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig. Achtergrond Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2020) ligt de concentratie PM10 ter plaatse op16-18 μg/m³ en de PM2,5 op 8-9 μg/m³, zie afbeelding 4-3 en 4-4. Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse op 12-14 μg/m³, zie afbeelding 4-5. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de GCN en GDN is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende.
33
Afbeelding 4-3. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM10)
Afbeelding 4-4. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM2,5)
34
Afbeelding 4-5. Uitsnede plangebied kaart stikstofoxide (NOx)
Conclusie: De beoogde ontwikkeling gaat over de omzetting van de agrarische bestemming naar 2 woonbestemmingen. Op het plangebied zal het aantal voertuigbewegingen minimaal toenemen maar zal niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie fijnstof in de buitenlucht. Vrachtverkeer neemt af door de sanering van de champignonkwekerij. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
4.1.4.2. Geluid door activiteiten (5.1.4.2) In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (art. 5.59 Bkl). In artikel 5.65 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn bepalingen opgenomen om te voorzien in een aanvaardbaar geluid ter plaatse van gevoelige functies. Deze bepalingen bevatten plichten en mogelijkheden voor de regels in het bestemmingsplan bestaande uit: - Standaardwaarden - Grenswaarden - Flexibiliteit, voor een andere wijze van reguleren Een omgevingsplan voorziet erin dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. In afdeling 3.5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen welke van toepassing zijn op de beheersing van het geluid van wegen, spoorwegen of industrieterreinen op gevoelige functies. De gemeente moet in het omgevingsplan een basis geluidsemissie vastleggen. Omdat de gemeente deze basiswaarde nog niet heeft vastgelegd is getoetst aan de standaardwaarden in het Bkl. In artikel 3.34, tabel 3.34 Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort van het Bkl zijn de standaardwaarden voor geluid opgenomen. Aangrenzend aan het plangebied ligt een gemeentelijke weg. Hiervoor geldt een standaardwaarde van 53 Lden. 35
Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van een nieuw geluidgevoelig gebouw. Het akoestisch onderzoek is toegevoegd als bijlage 1. De conclusie uit dit onderzoek luidt als volgt: Na uitvoering van het akoestisch onderzoek naar het geluid door wegverkeerslawaai op de te realiseren woning op het perceel naast de woning van Hoorzik 15 in Kerkdriel, gemeente Maasdriel, kan worden geconcludeerd dat: •
het geluid door de enige betrokken gemeenteweg (Hoorzik) overal voldoet aan de standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl, waardoor het geluid door deze weg bij de nieuwe woning zondermeer aanvaardbaar is.
•
geen aanvullend onderzoek naar geluidbeperkende maatregelen noodzakelijk is;
•
het gecumuleerd en gezamenlijk geluid ten hoogste 50 dB tot in het uiterste geval 53 dB bedraagt, afhankelijk van de uiteindelijke positie van de woning;
•
op basis van de kwalitatieve beoordeling van het gecumuleerd geluid in onderhavige situatie sprake is van een overwegend (zeer) goede tot in het uiterste geval redelijke akoestische leefomgeving, afhankelijk van de uiteindelijke positie van de woning;
•
alle gevelzijden van de woning geheel als geluidluw kunnen worden beschouwd;
•
de minimum vereiste geluidwering van 20 dB voldoende is om ook een goed akoestisch woon- en leefklimaat in de woning te waarborgen.
Vanuit akoestisch oogpunt is er op basis van bovenstaande geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen nieuwbouw en er op dit punt sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan deze locatie. Volgens de kaart Geluid in Nederland van het RIVM is er ter plaatse een gemiddelde geluidsbelasting van tussen de 51 en 55 dB.
Afbeelding 4-6: Uitsnede kaart Geluid in Nederland (RIVM, 2020)
Conclusie: Het akoestisch onderzoek geeft als conclusie dat de ontwikkeling past in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op basis van het aspect geluid. Het akoestisch onderzoek is als bijlage 1 toegevoegd. 4.1.4.3 Trillingen (5.1.4.4 Bkl) In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige 36
ruimten van trillinggevoelige gebouwen (art. 5.83 Bkl). Dat geldt bij het toelaten van een activiteit op een locatie, anders dan wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een toegestaan trillinggevoelig gebouw (art. 5.79 Bkl). Dat geldt ook bij het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een toegestane activiteit, anders dan het wonen (art. 5.79 Bkl). Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (art. 5.83 Bkl). Negatieve gevolgen vanuit trilling kunnen met name een rol spelen indien het plangebied is gelegen in de nabijheid van spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen deze trillingen zorgen voor hinder of schade aan gebouwen. Bij ontwikkelingen die binnen 200 meter van een spoorweg liggen dient onderzocht te worden of er sprake kan zijn van schade en hinder vanuit trillingen. In de beoogde situatie wordt de aanwezige bedrijfswoning herbestemt naar reguliere woonbestemming en het toevoegen van 1 woning, waardoor er niks veranderd aan het feitelijke gebruik in het plangebied. Daarnaast ligt het dichtstbijzijnde aandachtsgebied van spoorwegen op meer dan 200 meter afstand.
Hierdoor is het niet de verwachting dat er onevenredige belemmeringen zullen ontstaan als gevolg van trillingen. Vanuit het aspect ‘trilling’ zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten. 4.1.4.4 Bodemkwaliteit (5.1.4.5) Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem regels opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij een nieuw ruimtelijk plan waarmee nieuwe bouwmogelijkheden mogelijk worden gemaakt, dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. Er is een bodemonderzoek noodzakelijk indien er een bodemgevoelig gebouw wordt opgericht. Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet worden de regels voor de bodem onderdeel gemaakt van de Omgevingswet. Het wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: 1. Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie) 2. Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies) 3. Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen) Elke pijler kent zijn eigen instrumenten die ontleend worden uit de omgevingswet.
De nieuwe regels komen in de plaats van de voormalige regels voor het beheer van de bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Voor onderhavig initiatief is met name pijler 2 van belang, in artikel 5.89g t/m 5.89p van het Besluit kwaliteit leefomgeving heeft het rijk instructieregels vastgelegd voor het toelaten van bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelig gebouw betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover het aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt 37
gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. In december 2022 is door M&A een bodemonderzoek (inclusief asbest) uitgevoerd in het plangebied. In december 2024 is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2 en 2a. De onderzoeken zijn uitgevoerd op basis van de NEN 5740 en NEN 5707. De conclusie uit het bodemonderzoek: Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan kan de hypothese "onverdachte, niet lijnvormige locatie" worden verworpen, tijdens het onderzoek in 2022 zijn de verdachte locaties bezinkput en drupzones onderzocht. In 2024 zijn aanvullende boringen geplaatst voor verdachte locaties bestrijdingsmiddelenkast, te verwijderen betonverharding en een historische locatie van een boomgaard. In de analyse van de grond- en grondwatermonsters zijn lichte verhogingen met enkele zware metalen zoals zink, nikkel en barium aangetroffen. De verhogingen met zware metalen in de bovengrond en het grondwater zijn te relateren aan de regionale problematiek m.b.t. zware metalen in de bodem. Gezien de aangetroffen gehaltes, is geen nader onderzoek noodzakelijk. In verband met het onderzoek asbest in de bodem bij twee asbestverdachte drupzones, blijkt uit de resultaten van de analyses blijkt dat de concentratieasbest in de mengmonsters ten hoogste 15 mg/kg ds.
Dit betekent er geen sprake is van asbest boven de restconcentratie van 100 mg/kg ds, zodat er geenbelemmeringenzijn uit oogpunt van asbest in de bodem. Uit de resultaten van de analyses PCB’s in de drupzones blijkt dat de gehalten hoogstens licht verhoogd zijn t.o.v. de AW. Hiervoor is geen nader onderzoek noodzakelijk. De hergebruiksmogelijkheden voor de grond, die eventueel vrijkomt bij toekomstige bouwactiviteiten, kunnen, indicatief gezien, als geschikt voor de bodemfunctieklasse ‘Wonen’ worden beschouwd. Hergebruik dient te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het beleid van de gemeente Maasdriel. Geconcludeerd wordt dat er geen directe belemmeringen zijn geconstateerd in verband met de realisatie van de nieuwe woning en de sloop van een aantal gebouwen op het perceel. Daarnaast zijn de gebouwen in oktober 2022 onderzocht op de aanwezigheid van asbest. De conclusie van het asbestonderzoek: De rapportage is geschikt voor de totaalsloop van de gebouwen en de verwijdering van de in het rapport genoemde asbesttoepassingen. De champignonkelders en opslagen zijn geheel onderzocht i.v.m. de voorgenomen totaalsloop van de gebouwen, de stal is gedeeltelijk onderzocht (alleen het dak). Voor de totaalsloop van de stal dient een aanvullende asbestinventarisatie uitgevoerd te worden nadat het dak verwijderd is en de binnenzijde en omgeving opgeschoond zijn.
Deze zijn geheel begroeid, zowel buitenom als de binnenzijde van de stal. Er zijn 5 asbestverdachte toepassingen aangetroffen en er zijn 7 monsters genomen. De stopverf en kit zijn dubbel bemonsterd en zijn asbestvrij. De dakbeplatingen van de gebouwen en de plafonds in de champignonkelders zijn asbesthoudend, tevens is het rookgaskanaal in het gebouw achter de woning asbesthoudend. Deze bestaat uit 2 buizen die in elkaar zijn geschoven. De c.v. installatie in het gebouw achter de woning is in 1999 vervangen en destijds is overgegaan naar gas.
38
Versie 2 van het rapport is gemaakt nadat de binnenzijde en de omgeving van de stal is ontdaan van klimop en planten. Bij deze aanvullende asbestinventarisatie is één andere asbestverdachte toepassingen aangetroffen, het betreft een stuk golfplaten wand aan de achterzijde van de stal, de asbestverdachte toepassingen is asbest houdend het betreft hetzelfde type golfplaat zoals de gehele gebouwen links. Er zijn een extra bronblad, een Sma-rt en foto's toegevoegd en de asbesttekening is aangepast. De rapportage is geschikt voor de totaalsloop van de gebouwen. Asbest In bijlage 4 is het asbestonderzoek toegevoegd. De conclusie die uit dit onderzoek kan worden getrokken, is dat de golfplaten en rookgasafvoer/-doorvoer asbest bevatten. Hiervoor zal tijdens de sloop extra aandacht voor moeten zijn. In bijlage 11 is de alternatieve werkmethode voor het verwijderen van asbest onderzocht. De conclusie uit dit rapport is hier weergegeven: Met de alternatieve saneringsmethode kan in deze specifieke situatie beter worden tegemoetgekomen aan het voorkomen van risico’s voor de gezondheid en veiligheid van medewerkers dan bij het werken in een containment. Vooral het uitsluiten van de risico’s met betrekking tot bedolven worden en fysieke belasting dragen hieraan bij.
Tevens kunnen de gezondheidskundige risico’s door blootstelling aan asbest voor de medewerkers worden uitgesloten doordat het asbest niet intensief bewerkt hoeft te worden. De risico’s voor de omgeving worden uitgesloten doordat het asbest nagenoeg niet gebroken hoeft te worden. Daardoor ontstaat er geen of slechts een geringe emissie van asbestvezels. Doordat er voldoende afstand tussen de werkzaamheden en de rand van het werkgebied wordt gehouden zullen eventueel vrijkomende asbestvezels worden “verdund” tot beneden de grenswaarde voordat zij de randen van het werkgebied bereiken Op basis van het (asbest)bodemonderzoek conform NEN 5705 en NEN 5740 die zijn uitgevoerd in december 2022 en november 2024 is geconcludeerd dat er geen directe belemmeringen zijn in verband met de realisatie van de nieuwe woning en sloop van een aantal gebouwen op het perceel. In de asbestonderzoeken is geconcludeerd dat de asbestonderdelen aanwezig zijn in de gebouwen. Op basis van de alternatieve werkmethode kan dit op deskundige wijze verwijderd worden. Een geaccrediteerd laboratorium zal na sanering de plek moeten vrijgeven op basis van NEN2990 middels een visuele inspectie. 4.1.3.5 Geur (5.1.4.6) Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet.
Gemeentes kunnen geurregels opnemen voor veehouderijen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat met instructieregels voor gemeenten beschreven hoe ze de geurregels in het omgevingsplan op moeten nemen. Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.6.3 ‘Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf’. In Artikel 22.3.6 van het Omgevingsplan heeft de gemeente regels omtrent geur vastgelegd. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Maasdriel niet van toepassing is. Dit betekent dat de onderstaande wettelijke normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente:
39
Wettelijke normen en afstanden Locatie
Gebied
Maximale voorgrond belasting in oue/m3
Hoorzik 15 Buiten Concentratie- 2 oue/m3 gebied; binnen bebouwde kom
Maximale achtergrond belasting in oue/m3
Minimum afstand emissiepunt in meters
Minimum afstand Gevel-totgevel in meters
-
100
50
Tabel 1: Uitwerking wettelijke normen en afstanden voor de plangebied
Belang van veehouderij In de omgeving van het plangebied zijn geen veehouderijen gelegen waar dieren met een geuremissiefactor worden gehouden. De dichtstbijzijnde veehouderij bij het plangebied is de rundveehouderij aan de Hoorzik op een afstand van circa 275 meter. Er wordt ruim voldaan aan de geurafstand.
Belang omwonenden Het initiatief voorziet in de beëindiging van een champignonteeltbedrijf. Hierdoor verdwijnt de geuremissie van de locatie naar de omgeving. Voor omwonenden is er een verbetering van de omgevingskwaliteit voor het aspect geur. Conclusie: In de directe omgeving liggen geen agrarische bedrijven in de vorm van veehouderijen. Het initiatief ligt volgens het gemeentelijk geurbeleid niet binnen een geurcontour van een agrarisch bedrijf. Het plangebied is gelegen binnen een zone waar een goed leefklimaat heerst.
4.1.5
Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel
erfgoed (§ 5.1.5Bkl) 4.1.5.1 Ladder duurzame verstedelijking (5.1.5.4 Bkl) In artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat de instructieregel dat de Ladder moet worden toegepast bij een stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Het artikel 5.129g wordt niet vastgelegd wanneer een ontwikkeling voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder duurzame verstedelijking. In deze uitspraak worden geen harde ondergrenzen gesteld, wel worden er grenzen aangegeven waarbij een ontwikkeling ‘in beginsel’ niet als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak dat, in beginsel sprake geen is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er minder dan 11 woningen gerealiseerd worden. Bij andere stedelijke functies in de vorm van een terrein is de ondergrens ‘in beginsel’ minder dan 500 m2.
40
De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. 4.1.5.2 Cultureel erfgoed en werelderfgoed (5.1.5.5 Bkl) Gemeenten moeten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In artikel 5.130 lid 2 van het Bkl zijn hiervoor instructieregels opgenomen. Deze regels gaan over: • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten • Verplaatsen van beschermde monumenten • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument • Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
Als gevolg van de Wet Modernisering Monumentenzorg dient binnen een omgevingsplan aandacht aan cultuurhistorie te worden besteed. Cultuurhistorie dient gebiedsgericht benaderd te worden, waarbij niet te veel focus op losse elementen ligt, maar meer op samenhang en context. Het karakter van een gebied of structuur is hierbij een uitgangspunt. Cultuurhistorische waarden zijn waarden die samenhangen met de archeologisch, historisch- landschappelijk, historisch-, geografisch en/of historisch-bouwkundig waardevolle zaken, zoals archeologische elementen, beplanting, reliëf (bij voorbeeld bolle akkers) verkaveling, slotenpatroon en bebouwing. Cultuurhistorische waarden dienen te worden beschermd. In de toelichting van het omgevingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Op de kaart 'Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie' van de provincie Gelderland is te zien dat binnen het plangebied geen planologische relevante cultuurhistorische aspecten aanwezig zijn.
De straat Hoorzik, die in het zuiden een deel van het plangebied begrenst, vormt wel een cultuurhistorische waardevolle lijn en de landarbeiderswoning aan de Hoorzik 11 is aangemerkt als een gemeentelijk monument. In de nabije omgeving zijn verder geen planologische relevante cultuurhistorische elementen aanwezig. Conclusie: Onderhavig omgevingsplan vormt geen belemmering voor eventuele cultuurhistorische waarden binnen en in de nabije omgeving van het plangebied.
41
Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Omgevingswet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Bij het opstellen van het Omgevingsplan houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook: - Regels worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden; en - Gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen.
De gemeente Maasdriel beschikt over een eigen archeologische beleidskaart, waarop door middel van een categorisering de binnen de gemeente aanwezige dan wel verwachte archeologische waarden zijn aangegeven. Aan de hand van deze categorisering kan worden bepaald of archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor een bepaalde ontwikkeling.
Afbeelding 4-8: uitsnede plangebied archeologische beleidskaart gemeente Maasdriel
In bovenstaande afbeelding 4-13 is een deel van het plangebied gelegen in Waarde-archeologie 3 en een deel in de Waarde-archeologie 6. Deze laatste is waar de nieuwe beoogde woning te komen staan. In beide waarden is een vrijstellingsgrens voor een diepte van 30 cm opgenomen. Voor waarde-Archeologie 3 geldt tevens een vrijstelling voor een oppervlakte tot 500 m 2 en voor waarde-Archeologie 6 tot 5.000 m². Dit is ook in artikel 30.2 Bouwregels van het bestemmingsplan Buitengebied herziening 2022, Reparatieplan omschreven. Het plan omvat de bouw van een woning van maximaal 750 m3, wat zich in de praktijk vertaalt in een bebouwd oppervlak van 100
42
m2 - 320 m2, afhankelijk van het aantal bouwlagen en bijgebouwen. Dit blijft dus onder de grens van de oppervlakte waarvoor archeologisch onderzoek nodig is. In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de archeologische vindplaatsen Gelderland weergegeven. Het plangebied is de groene pijl aan de linkerkant. De dichtstbijzijnde archeologische vindplaats is op 200 meter afstand.
Afbeelding 4-9: dichtstbijzijnde archeologische vindplaats
Afbeelding 4-10: Reparatieplan met Dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3.
Conclusie: De voorwaarde dat er een archeologisch onderzoek dient te komen bij bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 30 centimeter, is van toepassing bij de beoogde ontwikkeling en daarom ook opgenomen in de regels van het omgevingsplan. Bij de aanvraag van de bouwplannen zal daarom beoordeeld moeten worden of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 43
4.1.6
Behoud van ruimte voor toekomstige functies (§ 5.1.6 Bkl)
Op grond van de instructieregels van het Bkl mogen de activiteiten die met een omgevingsplan worden toegestaan, geen belemmering vormen voor de bestemming die daaraan is gegeven binnen reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen, buisleidingen van nationaal belang. Deze instructieregels zijn niet van toepassing op activeiten die op grond van een omgevingsplan of een omgevingvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteite al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief. Het plangebied is namelijk niet gelegen binnen het reserveringsgebied voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen of buisleidingen van nationaal belang. Het is dan ook niet nodig om hiervoor maatregelen te treffen in het omgevingsplan. Conclusie: Omdat het plan niet is gelegen binnen een reserveringsgebied voldoet het plan aan de instructieregels uit paragraaf 5.1.6 van het Bkl. Vanuit het aspect ruimte voor toekomstige functies is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.1.7
Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor
nadelige gevolgen van activiteiten (§ 5.1.7 Bkl) Het Rijk geeft in deze paragraaf instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bovenlokale belangen werken daarmee door in de vaststelling en wijziging van een omgevingsplan. Deze instructieregels zijn niet van toepassing op activiteiten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit al rechtmatig op een locatie worden verricht of zijn toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van die bepalingen. De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat er met het initiatief geen wijzigingen plaatsvinden aan infrastructurele voorzieningen met een nationaal belang. De beoogde woning wordt aangesloten op de lokale technische infrastructuur. Hierover worden afspraken gemaakt tussen de gemeente Maasdriel en initiatiefnemer. Conclusie: De technische infrastructuur vormt geen belemmeringen voor het initiatief.
4.1.8
Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen
(§ 5.1.8 Bkl) Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, wordt in het omgevingsplan rekening gehouden met het belang van het bevorderen van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. De instructieregels uit deze paragraaf hebben geen betrekking op het initiatief, omdat het initiatief niet op publiek terrein wordt uitgevoerd. 44
Conclusie: Het initiatief voldoet aan de instructieregels omdat er bij beide woningen voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien zoals beschreven in paragraaf 2.2.2. Vanuit het aspect bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.
4.2
Instructieregels provincie Gelderland
Per 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening (OV) provincie Gelderland in werking getreden. Vanuit de Omgevingswet moet de provincie naast een omgevingsvisie ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. In de Omgevingsverordening staan regels voor: -De fysieke leefomgeving; -Activiteiten die onderdelen van de fysieke leefomgeving wijzigen; -De uitoefening van taken of bevoegdheden door bestuursorganen om te voldoen aan doelstellingen voor de fysieke leefomgeving. Voor het beschermen van de provinciale belangen bevat de omgevingsverordening verschillende typen regels. De belangrijkste drie typen regels zijn de algemene regels, de instructieregels en de beoordelingsregels: a.
Algemene regels richten zich rechtstreeks tot burgers en bedrijven. Het gaat om verboden of geboden, vaak met een vergunning- of meldingsplicht voor activiteiten in bepaalde gebieden zoals een grondwaterbeschermingsgebied, stiltegebied of een beperkingengebied rondom een provinciale weg.
b. Instructieregels richten zich tot bestuursorganen: Gedeputeerde Staten en de besturen van gemeenten en waterschappen. De meeste instructieregels gaan over de inhoud van het omgevingsplan. Diezelfde regels gelden ook voor het projectbesluit. c.
Beoordelingsregels richten zich tot het bevoegd gezag en bieden een afwegingskader bij het toetsen van een aanvraag om een omgevingsvergunning of van een melding.
In de Omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen waaraan het Omgevingsplan Maasdriel moet voldoen. Deze instructiregels hebben betrekking op aangewezen gebieden, thema’s en activiteiten. Aangewezen gebieden: Volgens de omgevingsverordening heeft het plangebied de volgende gebiedsaanwijzingen: -
Gelderse streek Bommelerwaard
-
Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied
-
Peilbesluitgebied
-
Werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland
Op basis van de gebiedsaanwijzingen zijn er geen beperkingen te verwachten voor het initiatief. In de omgeving zijn ook geen aangewezen gebieden gelegen waar het initiatief invloed op heeft. In de volgende paragrafen wordt dit nader toegelicht. In hoofdstuk 5 van de omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen voor de thema’s en activiteiten. In deze paragraaf 5.7.1 zijn regels opgenomen voor woonlocaties.
45
De paragraaf (artikel 5.62 OV) is opgenomen met het oog op een evenwichtige en toekomstbestendige woningvoorraad in Gelderland. Per regio stellen gemeentebesturen samen met Gedeputeerde Staten een regionale woonagenda op (artikel 5.63 OV). Deze agenda bevat in ieder geval afspraken over: a.
Het versnellen van de woningbouw;
b.
Het duurzaam bouwen van woningen;
c.
Het bouwen van betaalbare woningen;
d.
Het bouwen van flexibele woningen; en
e.
Het toekomstbestendig maken bestaande woningvoorraad.
De regionale woonagenda wordt ten minste eenmaal in de vier jaar geactualiseerd en wordt voorts tussentijds geactualiseerd zodra gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven. Volgens artikel 5.64 OV laat een omgevingsplan nieuwe woningen alleen toe als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet pas binnen de regionale woonagenda, kan een omgevingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda die ontwikkeling toch toelaten als: a. De gemeentebesturen in de regio in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze daarover naar voren te brengen; en b. Gedeputeerde Staten met deze ontwikkeling instemmen. De locatie is gelegen in de streek Bommelerwaard. In artikel 5.36 OV is een regel opgenomen voor ontwikkelingen in dit gebied: -Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Bommelerwaard wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap zoals bedoeld in de bijlage ‘Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Bommelerwaard’. In paragraaf 3.4 van dit verzoek wordt de ontwikkeling nader getoetst aan de regionale woonagenda en aan de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Bommelerwaard.
4.3
Gezondheid
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en gevoelige functies dient twee doelen: • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstand tussen hinderveroorzakende en milieugevoelige functies.
46
Afstanden uit de handreiking dienen in twee richtingen getoetst te worden. Er sprake van een goede ruimtelijke ordening als bedrijven minimaal in hun ontwikkeling belemmerd worden en gevoelige objecten, meestal woningen, niet veel hinder ondervinden van aanwezige bedrijven. In de omgeving zijn ten noorden, oosten en westen woonbestemmingen gelegen. Ten zuiden zijn agrarische bestemmingen gelegen. Op het plangebied wordt een gevoelig object opgericht. De woonbestemming wordt op 100 meter afstand van een fruitbedrijf opgericht Er wordt voldaan aan de richtafstand van 30 meter uit de VNG-handreiking voldaan.
Afbeelding 4-12: uitsnede VNG-handreiking fruitbedrijf
Afbeelding 4-13: afstand ligging bouwblok dichtstbijzijnde fruitbedrijf
Woon- en leefklimaat Op d.d. 16 december 2010 heeft de gemeente Maasdriel een geurverordening vastgesteld. In deze verordening is een kaart van de achtergrondbelasting opgenomen voor een situatie waarbij alle bestaande veehouderijen (intensief en extensief) met de aantallen en soorten dieren worden gehouden die op grond van een milieuvergunning zijn toegestaan, of die gemeld zijn. Het gaat om de veehouderijen die destijds in gebruik waren. Er zijn in de nabije omgeving geen nieuwe veehouderijen bijgekomen vanaf 2010, waardoor de kaart nog als accuraat kan worden beschouwd. Voor de gemeente Maasdriel is het leefklimaat bepaald aan de hand van de achtergrondconcentratie, in combinatie met de milieukwaliteitscriteria die de VNG hanteert. Deze criteria zijn in afbeelding 4-12 weergegeven. Uit de Actuele Luchtkwaliteitsindex (LKI) blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat omtrent het aspect geur, zie afbeelding 4-14.
47
Afbeelding 4-14: Luchtkwaliteitsindex boven het plangebied
Spuitzones Bij het telen van fruit in boomgaarden is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gebruikelijk. Om de middelen op de bomen te brengen, wordt gebruik gemaakt van mobiele spuitinrichtingen die via de lucht de middelen op de gewassen brengen. Met het in de lucht brengen van gewasbeschermingsmiddelen worden deze middelen bloot gesteld aan de wind en daarmee ontstaat het risico dat middelen meer bereiken dan het gewas alleen. Dit proces wordt ‘drift’ genoemd. Gewasbeschermingsmiddelen vormen een potentieel risico voor de gezondheid van omwonenden, om die reden is het bij ruimtelijke ontwikkelingen inmiddels gebruikelijk om spuitzones en middelengebruik mee te nemen in de verantwoording bij planologische besluitvorming zodat het eventuele risico beoordeeld wordt voor gevoelige locaties. Om handvatten te geven aan de wijze waarop initiatiefnemers en gebruikers rekening dienen te houden met het gebruik en de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) een indicatieve afstand van 50 meter als vuistregel in de ruimtelijke ordening geïntroduceerd. In september 2014 heeft de Afdeling een uitspraak gedaan waarin is overwogen dat de voorgestelde afstand van 50 meter indicatief dient te worden gebruikt en de feitelijke situatie op locatie van groter belang is bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Daarbij dienen eventuele te treffen voorzorgsmaatregelen meegenomen te worden in de afweging. In een klein land als Nederland kunnen veel fruitteelt bedrijven niet uit de voeten met de voorgestelde afstand van 50 meter en is maatwerk noodzakelijk om een goed woon- en leefklimaat te garanderen en de bedrijfsvoering van de bedrijven niet te negatief te beïnvloeden. Gebruikelijk is om bij de beoordeling van situaties te verwijzen naar verschillende onderzoeken uitgevoerd door de Wageningen universiteit. Deze onderzoeken gaan in eerste instantie uit van de gestelde 50 meter veilige afstand en door middel van het toepassen van verschillende maatregelen kan deze veilige afstand worden teruggebracht. Globaal zijn er 3 belangrijke punten waarmee drift kan worden gereduceerd: •
Plaatsen van een ‘windhaag’, een gewas om drift uit de lucht op te vangen 48
•
Het vergroten van de fysieke afstand tot een boomgaard
•
Het toepassen van drift reducerende spuitmiddelen
Figuur 4-16: 50 meter cirkel vanaf boomgaard
In de omgeving van het plangebied zijn enkele boomgaarden gelegen waar gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen. In het plangebied wordt rekening gehouden met 50 meter afstand tot deze boomgaarden. De woning zal op grotere afstand dan 50 meter ten opzichte van de boomgaard gerealiseerd worden. Verder zal rondom de beoogde woonbestemming een beukenhaag worden geplaatst, die naast privacy ook een drift reducerende werking heeft. In het oranje deel van figuur 4-16 zal een waterberging komen, waardoor het niet mogelijk is voor de bewoners om binnen de 50 meter zone aanwezig te zijn. Zie de landschappelijke inpassing voor de waterberging. Daarnaast is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels. Het perceel ten zuiden van het plangebied (kadastrale gemeente Maasdriel, sectie N, nummer 264) heeft ook een agrarische bestemming. Dit perceel is gelegen op een kortere afstand dan 50 meter. In de huidige situatie is dit perceel in gebruik als weiland voor paarden. In de huidige situatie wordt het perceel niet bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Gezien de nabijgelegen gevoelige bestemmingen is de ontwikkeling van teelten waarbij intensief gebruik gemaakt wordt van gewasbeschermingsmiddelen niet mogelijk op dit perceel. In Nederland wordt doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift te beperken.
De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte. Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. De werking van bovengenoemde maatregelen wordt bevestigd uit jurisprudentie (uitspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2023:269) waarvoor een onderzoek is uitgevoerd door het RIVM. Uit het onderzoek komt als conclusie dat er geen gezondheidsproblemen naar voren zijn 49
gekomen die samenhangen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt waarbij neerwaartse bespuiting wordt toegepast. Dit is tevens bevestigd door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen. Dit heeft er mede mee te maken dat telers zich houden aan bovengenoemde afspraken. Bovendien wordt de projectlocatie aan de randen voorzien van landschappelijke inpassing. Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de gewenste woning reikt. Uit jurisprudentie (uitspraak Raad van State: ECLI:NL:RVS:2022:3160) blijkt dat het vastleggen van een landschappelijke inpassing en het onderhoud hiervan voldoende onderbouwing is om af te wijken van spuitzones bij de teelt van grondgewassen. Vanwege de aanwezigheid van meerdere gevoelige bestemmingen in de directe omgeving van het plangebied is het volgens het bestemmingsplan buitengebied niet mogelijk om op dit perceel een teelt te ontwikkelen waarbij gebruik gemaakt wordt van zij- of opwaartse spuittechnieken. Binnen het plangebied worden voldoende maatregelen genomen om het effect van drift en daarmee het risico van spuitzones van de nabijgelegen boomgaard zoveel mogelijk te beperken. Door het aanhouden van de 50 meter tot de nabijgelegen boomgaard via landschappelijke inpassing wordt hiervoor aan de richtafstand voldaan. Het aspect spuitzone biedt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Conclusie: Vanwege de afstand tussen het plangebied en gevoelige functies in de omgeving is enige vorm van overlast (op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar) dat deze functies kunnen ondervinden als gevolg van de beoogde activiteiten in het plangebied verwaarloosbaar. Er is sprake van een voldoende woon- en leefklimaat op het gebied van gezondheid.
4.4
Besluit milieueffectrapportage
Het bevoegd gezag voor een plan of programma maakt bij de voorbereiding daarvan een milieueffectrapport als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten als: • een passende beoordeling van de gevolgen voor een Natura 2000-gebied vereist is; • het omgevingsplan een kader vormt voor projecten die zijn aangewezen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit; • het omgevingsplan een kader vormt voor andere projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Onder een plan of programma wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een plan of programma waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de regels over mer. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. 50
De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bij nieuwe ontwikkeling moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit is een opsomming van de projecten waarop een mer-beoordeling van toepassing kan zijn opgenomen. In de eerste kolom van de bijlage staat de omschrijving van een project. In de tweede kolom is de projectomvang opgenomen voor de gevallen waarin de milieueffectenrapportage-plicht geldt. Wanneer een ontwikkeling voorkomt in de eerste kolom geldt dat er een project-mer-beoordeling moet worden uitgevoerd. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde waarde in tweede kolom dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. De beoogde ontwikkeling is niet beschreven in de eerste kolom van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Voor het plan hoeft geen MER-beoordeling uitgevoerd te worden. Een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt in de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op plannen en besluiten die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarnaast zijn vanuit milieutechnische en planologische aspecten geen bezwaren gebleken, waaruit geconcludeerd wordt dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.
Conclusie: In onderliggend plan zijn alle relevante planologische en milieutechnische aspecten getoetst en er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Natuur
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000- gebieden. Op grond van artikel 2.43 van de Omgevingswet zijn door de Minister voor Natuur en Stikstof Natura2000-gebieden aangewezen en daarbij de instandhoudingsdoelstelling vastgesteld. •
De zorgplicht schrijft voor dat degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit negatieve gevolgen kan hebben voor de natuur er alles aan moet doen om die gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. De plicht houdt in ieder geval in dat:
•
Voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen;
•
Wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten;
•
Als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen;
•
Alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen;
•
Tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en