CConstaterende datMaasdriel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Milieueffectrapport (zonder bijlagen)

Gemeenteraad 10 juni 2021, gemeente MaasdrielBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied herziening 2020, Defensie Pijpleiding15.287 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

Milieueffectrapportage Plan-m.e.r. in verband met de verlegging van de DPO leiding Ammerzoden - Vlijmen

Opdrachtgever: Defensie Pijpleiding Organisatie

Organisatie

Telefoon

Projectnummer

Lievense Milieu B.V.

+31 (0)88 910 20 00

DPRO-60

Adres

Datum

Documentnummer

Gaetano Martinolaan 50 6229 GS Maastricht

27 augustus 2020

DPRO-60-R-4, versie 0b

Colofon Rapporthistorie 0 19 maart 2020 0a 30 april 2020 0b 27 aug. 2020

Contactgegevens

Autorisatie Projectnummer

Documentnummer

Versie

Status

DPRO-60

DPRO-60-R-4

0b

definitief

Opgesteld door

Functie

Datum

Senior adviseur milieu

19 maart 2020

Paraaf

Gewijzigd 30 april 2020, gewijzigd 27 augustus 2020 Geverifieerd door

Akkoord projectleider

Functie

Datum

Senior jurist

19 maart 2020

Functie

Datum

Projectleider

19 maart 2020

2/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

Paraaf

Paraaf

Inhoudsopgave 1

Achtergrond en aanleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Verplichting milieueffectrapportage 1.3 Procedure 1.4 Nota Reikwijdte en Detailniveau 1.5 Reacties op NRD

6 6 6 7 7 8

2

Voornemen 2.1 Beschrijving 2.2 Nieuwe ontwikkelingen

11 11 12

3

MER-Alternatieven 3.1 Ontbreken redelijke alternatieven 3.2 Referentiesituatie MER 3.3 Voorkeursalternatief = voornemen 3.4 Passende beoordeling, referentiesituatie Wet natuurbescherming

13 13 13 14 14

4

Beoordeling milieueffecten: algemeen 4.1 Beoordelingskader 4.2 Onderbouwing waarom bepaalde aspecten niet in de beoordeling worden betrokken 4.2.1 Duurzaamheid en energie 4.2.2 Gezondheid 4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Verkeer 4.3 Studiegebied en tijdshorizon

15 15

Beoordeling milieueffecten: per thema 5.1 Bodem 5.1.1 Beleidskader 5.1.2 Beoordelingskader 5.1.3 Referentiesituatie 5.1.4 Voornemen 5.1.5 Effectbeoordeling 5.2 Water 5.2.1 Beleidskader 5.2.2 Beoordelingskader 5.2.3 Referentiesituatie 5.2.4 Voornemen 5.2.5 Effectbeoordeling 5.3 Natuur 5.3.1 Beleidskader 5.3.2 Beoordelingskader

18 18 18 18 18 20 20 20 21 22 23 23 25 25 25 26

5

3/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

16 16 16 16 17 17

5.4

5.5

5.6

5.3.3 Referentiesituatie 5.3.4 Voornemen 5.3.5 Effectbeoordeling Archeologie 5.4.1 Beleidskader 5.4.2 Beoordelingskader 5.4.3 Referentiesituatie 5.4.4 Voornemen 5.4.5 Effectbeoordeling Geluid tijdens aanleg 5.5.1 Beleidskader 5.5.2 Beoordelingskader 5.5.3 Referentiesituatie 5.5.4 Voornemen 5.5.5 Effectbeoordeling Externe veiligheid 5.6.1 Beleidskader 5.6.2 Beoordelingskader 5.6.3 Andere voor externe veiligheid van de leiding relevante risicobronnen 5.6.4 Andere voor externe veiligheid relevante ontwikkelingen 5.6.5 Referentiesituatie 5.6.6 Voornemen 5.6.7 Effectbeoordeling

28 30 33 33 33 34 34 35 38 38 38 39 39 39 43 43 43 44 45 45 45 47 47

6

Conclusie 6.1 Conclusie 6.2 Borging in bestemmingsplan 6.3 Leemten in kennis 6.4 Monitoring en evaluatieprogramma

48 48 48 48 49

7

Samenvatting

51

Overzicht bijlage(n) Bijlage 1 - Milieukundige onderzoeken tracé Maaskruising DPO te Ammerzoden/Bokhoven Bijlage 2 - DPO leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, milieuhygiënisch vooronderzoek Bijlage 3 - DPO leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, verkennend milieukundig hodemonderzoek, asfalt- en funderingsonder Bijlage 4 - DPO leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, verkennend onderzoek asbest Bijlage 5 - DPO leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, waterbodemonderzoek inclusief milieuhygiënisch vooronderzoek Bijlage 6

4/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

- Bemalingsadvies DPR leidingtracé Bokhoven – Vlijmen

Bijlage 7 - Bemalingsadvies betreffende Tracé Maaskruising DPO te Ammerzoden/Bokhoven Bijlage 8 - Quickscan Ecologie DPO Bokhoven Bijlage 9 - Quickscan Wet natuurbescherming Leidingtracé Defensie pijpleiding – Vlijmen en omgeving Bijlage 10 - Kerosineleiding Ammerzoden – Vlijmen, onderzoek stikstofdepositie en passende beoordeling Bijlage 11 - Archeologisch bureauonderzoek DPO Maaskruising tussen Bokhoven en Hedel, Gemeentes ‘s – Hertogenbosch Maasdriel Bijlage 12 - Archeologisch bureauonderzoek DPO tracé Bokhoven – Vlijmen, gemeente Den Bosch Bijlage 13 - Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. DPO tracé Bokhoven – Vlijmen, gemeente Den Bosch Bijlage 14 - Detailkaarten aantal geluidgevoelige bestemmingen binnen locaties Bijlage 15 - Tracé wijziging 10 ‘’ kerosine leiding Ammerzoden – Vlijmen, kwantitatieve risicoanalyse (QRA) Bijlage 16 - Tracéstudie

5/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

1

Achtergrond en aanleiding

1.1

Aanleiding

Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) exploiteert namens het Ministerie van Defensie verschillende transportleidingen voor kerosine in Nederland. Deze leidingen maken deel uit van het NATO / CEPS pijpleidingnetwerk. De transportleidingen zijn voor een groot deel aangelegd in de jaren ‘50 en ’60 met een dekking die niet aan de huidige regels en standaarden voldoet. Eén van de leidingen ligt tussen Ammerzoden, gemeente Maasdriel, en Vlijmen, gemeente Heusden. De leiding kruist na Ammerzoden de Maas en loopt via ’s-Hertogenbosch naar Vlijmen. De ligging van de leiding ter hoogte van de Maasbodem is onvoldoende diep. Verder is de capaciteit (de diameter) van de huidige leiding onvoldoende om een doelmatige aanvoer van kerosine te kunnen garanderen. Ten slotte moet de leiding ter hoogte van de Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL) worden verlegd. De bestaande brandstofleiding tussen Ammerzoden (gemeente Maasdriel) en Vlijmen (gemeente Heusden) voldoet dus niet meer voor wat betreft capaciteit en ligging. Er is een nieuw tracé ontworpen, waarvoor nieuwe ruimtelijke plannen moeten worden gemaakt (aanleg en bescherming aangelegde leiding, verwijderen/onklaar maken bestaande leiding). Het nieuwe tracé doorkruist de gemeenten Maasdriel, ’s-Hertogenbosch en Heusden.

Ten oosten van Ammerzoden kruist het tracé voor een klein deel het plangebied van het Provinciaal Inpassingsplan Bommelerwaard. Voor het nieuwe tracé zijn drie bestemmingsplanwijzigingen nodig binnen de genoemde gemeenten en een wijziging van het inpassingsplan Bommelerwaard. 1.2

Verplichting milieueffectrapportage

De aanleg van de leiding zorgt voor een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Plannen, waaronder ruimtelijke plannen, die kunnen leiden tot negatieve effecten op een Natura 2000-gebied zijn niet zonder meer toegestaan. Deze moeten worden getoetst aan de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt de maximale invulling van het ruimtelijke plan vergeleken met de huidige feitelijke situatie, die niet overeen komt of hoeft te komen met de planologische, nog niet benutte mogelijkheden op dat moment. Uit indicatieve berekeningen blijkt dat als gevolg van de uitvoering van de toekomstige ruimtelijke plannen (de fysieke aanleg van de nieuwe leiding en het verwijderen van de oude leiding), een toename van de stikstofdepositie van ca 0,06 mol/ha/jaar te verwachten is. Dit betekent dat significante effecten op dat gebied als gevolg van de vaststelling van het plan niet op voorhand kunnen worden uitgesloten en dat een passende beoordeling nodig is (artikel 2.7 Wet natuurbescherming). Op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer is in dat geval ook een milieueffectrapportage voor plannen (plan-m.e.r.)1 nodig.

1

MER is het document, m.e.r. is de procedure

6/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

1.3

Procedure

Aangezien voor het plan een planMER opgesteld moet worden op basis van art 7.2a Wm is de uitgebreide m.e.r.-procedure van toepassing. De uitgebreide procedure wordt beschreven in art 7.27 Wm en hieronder beknopt weergegeven: •

•

• • • • • 1.4

Het bevoegd gezag geeft er volgens (artikel 7.9 Wm) kennis van dat een plan waarop de m.e.r.-plicht van toepassing is wordt voorbereid. In de kennisgeving is onder andere opgenomen waar de stukken ter inzage liggen en wie op welke manier in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Daarnaast moet het bevoegd gezag een aantal overheidsorganen en adviseurs betrekken bij het besluit over de reikwijdte en het detailniveau van het MER; vaak wordt een Nota Reikwijdte en Detailniveau (NRD) gemaakt en ter inzage gelegd. Vervolgens wordt het MER opgesteld. Zodra het MER gereed is doet het bevoegd gezag een kennisgeving van het MER en het ontwerpbestemmingsplan. Beide stukken worden gelijktijdig ter inzage gelegd. Gedurende de termijn voor terinzagelegging kan iedereen zienswijzen indienen met betrekking tot de stukken. Gelijktijdig wordt advies uitgebracht door de commissie m.e.r. Op basis van de stukken, ingebrachte zienswijzen en advies van de commissie m.e.r. neemt het bevoegd gezag een definitief besluit. Het definitieve besluit wordt bekend gemaakt. Nota Reikwijdte en Detailniveau

Het doel van de NRD is om de onderzoekslast voor het MER te bepalen en vast te leggen. De NRD wordt opgesteld op basis van de beschikbare informatie. In deze NRD wordt beschreven: • voornemen en bandbreedte: welk gebied en welke activiteiten worden in het MER beschouwd; • toetsingscriteria en beoordelingscriteria: criteria en methode aan de hand waarvan de milieueffecten worden beoordeeld. Omdat de toename van de stikstofdepositie in dit geval de enige grondslag is voor het doorlopen van een plan-m.e.r., is dit het voornaamste onderwerp in het MER. In combinatie met bovenstaande kader en randvoorwaarden betekent dit, dat de varianten die redelijkerwijze in beschouwing kunnen worden genomen beperkt zijn en eventueel alleen kunnen worden gezocht in een alternatieve uitvoering van het plan. Het voornemen voor de plan-m.e.r. is in de verschillende gemeenten en de provincie Gelderland bekend gemaakt en de NRD heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. De volgende instanties zijn benaderd over de reikwijdte en het detailniveau: • Het gemeentebestuur van Maasdriel; • Het gemeentebestuur van ’s-Hertogenbosch; • Het gemeentebestuur van Heusden; • Het provinciebestuur van Gelderland;

7/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

• • • 1.5

Het provinciebestuur van Noord-Brabant; De Waterschappen Rivierenland en Aa en Maas; Rijkswaterstaat. Reacties op NRD

Er zijn vier reacties ontvangen op de NRD. De reacties zijn afkomstig van: 1. RWS (mail d.d. 18 november 2019 en aanvullend overleg d.d. .. december 2019); 2. Waterschap Rivierenland (brief d.d. 19 november 2019) 3. LS Plan en Advies (brief d.d. 28 november 2019); 4. Waterschap Aa en Maas (mail d.d. 10 december 2019). De reactie van RWS bevat de volgende zaken: Door RWS wordt er op gewezen dat ter plekke van het tracé de gehele uiterwaard is aangemerkt als gebied voor potentiele rivierverruiming. Daarnaast lopen er in het gebied verkenningen voor KRW-maatregelen. RWS wilt graag meedenken bij dit project. Mogelijk hoeft een en ander geen probleem te zijn, indien leiding op voldoende diepte wordt aangelegd. Reactie: De constructieve opstelling wordt gewaardeerd. Naar aanleiding van de reactie heeft DPO op 13 december 2019 een overleg gehad met RWS. Afgesproken is dat de zoekgebieden voor de KRW plannen worden verwerkt op de tekeningen. De leiding wordt ter plaatse van de geulen aangelegd met een HDD-boring. De dekking boven de leiding is meer dan 10 meter. Eventuele wijzigingen in de ligging van de geulen zullen geen conflict opleveren met de leiding. Voor de aanleg van natuur in de uiterwaarden is DPO reeds in overleg met Natuurmonumenten.

De reactie van Waterschap Rivierenland bevat de volgende zaken: De milieuaspecten ‘bodem en water’ (oppervlaktewaterkwaliteit en – kwantiteit) en ‘externe veiligheid’ zijn vanuit de taken van het waterschap de meest relevante. Het waterschap heeft verder geen onderwerpen/opmerkingen die ze willen inbrengen op de notitie ‘Reikwijdte en detailniveau’. Reactie: De reactie geeft geen aanleiding voor aanpassingen in de aanpak van het planMER. De reactie van LS Plan en Advies bevat de volgende zaken: Namens Landbouwbedrijf Van der Sterren B.V. wordt er op gewezen dat het voornemen bestaat om aan de Engelenseweg 2 te ’s-Hertogenbosch een landschapscamping op te richten. De begrenzing van de projectlocatie is weergegeven op een inrichtingenschets. Er wordt verzocht om in de milieueffectrapportage en planbeoordeling rekening te houden met de ontwikkeling van Camping Engelenmeer. Hierbij wordt met name gewezen op de externe veiligheidsrisico’s.

8/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

Reactie: De camping wordt beschouwd als een autonome ontwikkeling en wordt meegenomen in de effectbeoordeling. De reactie van Waterschap Aa en Maas bevat de volgende zaken: Het Waterschap verzoekt om in de kwalitatieve onderzoeken ten aanzien van bodem en grondwater een nuancering op te nemen over de beschermde gebieden in het kader van de Keur en om, in het kader van bodem en water voor het attentiegebied, na te gaan of het plan geen nadelige gevolgen heeft voor de natte natuur. Verder verzoekt het Waterschap het onderwerp klimaatadaptatie op de nemen in de planMER en inzicht te geven in de risico’s voor het grondwater indien een breuk in de kerosine leiding ontstaat en aan te geven wie in dat geval verantwoordelijk is voor het herstel van de leiding (op basis van verschillende scenario’s. Reactie: In het aspect bodem en water wordt ingegaan op de beschermde gebieden in het kader van de Keur en de attentiegebieden. Voor wat betreft risico’s bij een leidingbreuk geldt het volgende. De kruising met de rivier de Maas zal worden uitgevoerd conform o.a. de regels uit de NEN 3651 en Richtlijn Boortechnieken. Hierdoor zal bij handhaving van het huidige vaarwegprofiel de dekking afdoende zijn en zal worden voldaan aan de vigerende veiligheidseisen. In het algemeen geldt dat de leiding zodanig wordt aangelegd dat wordt voldaan aan de vigerende veiligheids- en dekkingseisen.

Om het risico op leidingbreuk zo veel als mogelijk te beperken worden de volgende aan vullende maatregelen getroffen (zie ook bijlage 15): • Veel tracédelen worden geboord, dit heeft tot gevolg dat de leiding op grotere diepte is gelegen dan het minimale dekkingsvereiste; • Er worden bovengrondse markeringen geplaatst op de ligging van de buisleiding voor iedereen zichtbaar te maken; • Periodiek wordt met de landeigenaren gecommuniceerd om heb bewust te maken en houden van de aanwezigheid van de buisleiding; • Er wordt een KLIC/WION systeem geïmplementeerd met actief rappel; • Om inzicht te krijgen in de inwendige corrosie van de buis is de corrosiviteit van de kerosine bepaald, het ontwerp van de leiding is gebaseerd op deze corrosiviteit (denk aan wanddikte, corrosiebestendig materiaal en een eventuele inwendige coating) daarnaast wordt een monitoringsprogramma opgesteld om inzicht te hebben en houden in de mate van corrosie; • De uitwendige corrosie van de leiding wordt beperkt door het toepassen van een passende coating en kathodische bescherming conform NEN 3654, ook voor de uitwendige corrosie wordt een monitoringsprogramma opgesteld; • Bij het constructief ontwerp is rekening gehouden met zettingen en spanningen; • Overige maatregelen bestaan uit specifieke eisen ten aanzien van het gebruik van de leiding (debiet, druk, temperatuur etc.), geautomatiseerde procesbewaking

en procesbeveiliging, monitoring van relevante data om aan de specifieke eisen voor het gebruik van de leiding te blijven voldoen, veranderingen en aanzien van het gebruik zijn alleen toegestaan na het doorlopen van vastgestelde procedures.

9/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

Als gevolg van deze maatregelen is er geen kans op lekkage vanuit de leiding. Met betrekking tot klimaatadaptatie geldt dat geen extra verhardingen of andere constructies worden aangebracht die gevolgen kunnen hebben voor de klimaatbestendigheid van het gebied. Het is niet uit te sluiten dat als gevolg van de klimaatwijzigingen het grondwater in het gebied gaat stijgen. Een groot deel van de leiding wordt al in het grondwater gelegd. De leiding is zo ontworpen dat hij geschikt is voor het liggen en grondwater. Het is daarom niet de verwachting dat een hogere grondwaterstand negatieve gevolgen zal hebben voor de leiding.

10/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

2

Voornemen

2.1

Beschrijving

Het voornemen bestaat uit het aanleggen van een volledig nieuwe leiding en het verwijderen, dan wel als dat niet mogelijk is, onklaar maken van de bestaande leiding. De nieuwe leiding wordt deels aangelegd met een open ontgraving en deels via gestuurde boringen. Het nieuwe tracé is gekozen op basis van een tracéstudie (zie bijlage 16).

Figuur 2-1 Ligging nieuw tracé (groen-blauw), bestaand tracé (roze)

11/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

2.2

Nieuwe ontwikkelingen

De nieuwe bestemmingsplannen maken alleen het nieuwe leidingtracé mogelijk en zorgen ervoor dat de bestaande leiding buiten gebruik wordt genomen. Er worden geen overige nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Voor alle overige bestemmingen en functies gelden de regels uit de vigerende bestemmingsplannen.

12/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

3

MER-Alternatieven

3.1

Ontbreken redelijke alternatieven

Een milieueffectrapportage is een onderzoek naar de milieugevolgen van een voorgenomen activiteit. Op basis van art. 7.7 Wm moeten in het MER de redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven worden beschreven. Een alternatief moet realistisch zijn. Dit betekent dat het alternatief technisch maakbaar, betaalbaar en probleemoplossend moet zijn. De noodzaak van een kerosineleiding van voldoende capaciteit op het tracé Ammerzoden – Vlijmen, als onderdeel van het NATO-netwerk staat vast als gevolg van een voor NATO Minimum Military Requirement. Een alternatieve vorm van aanlevering van brandstof, of het gebruiken van een ander soort brandstof, is niet realistisch gezien de transportleiding specifiek wordt ontworpen voor het vervoer van kerosine. Er is een uitgebreide studie gedaan naar de ligging van het nieuwe tracé. Hierbij is rekening gehouden met fysieke belemmeringen, zoals bestaande bebouwing en kruisingen met infrastructuur/kunstwerken, maar ook met eigendomssituaties, milieueffecten, enz. Hieruit is het gekozen tracé als voorkeur naar voren gekomen. Er zijn geen redelijke alternatieven voor de ligging van de leiding op dit specifieke traject voorhanden. Op dit moment zijn er geen realistische alternatieven voorhanden om in het MER te beschouwen. Mogelijk dat varianten kunnen worden gezocht in het voorkeursalternatief, in de vorm van een andere uitvoeringsmethode.

Dit zal in het MER worden onderzocht. 3.2

Referentiesituatie MER

De referentiesituatie is de situatie waarmee de milieueffecten van het voornemen en eventuele alternatieven worden vergeleken. Conform de factsheet: “Referentiesituatie in MER voor bestemmingsplannen” van de commissie m.e.r. is de referentiesituatie voor bestemmingsplannen de situatie waarin het bestemmingsplan niet wordt vastgesteld/uitgevoerd en de daarin eventueel opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden niet plaatsvinden. Deze situatie bestaat uit de huidige situatie plus de situatie die op termijn ontstaat als gevolg van toekomstige zekere ontwikkelingen binnen en buiten het plangebied (bestemde en vergunde activiteiten die op korte termijn worden ingevuld). Dit laatste wordt de autonome ontwikkeling genoemd. Op het adres Engelenseweg 2 in 's-Hertogenbosch is een landschapscamping met kampeerboerderij in ontwikkeling conform het gemeentelijk ontwikkelkader 'Zie Meer van het Engelermeer' (2016). Het kampeerterrein zal met name seizoensgebonden geopend zijn, voor circa 7 maanden (omstreeks vanaf april t/m oktober, mede afhankelijk van het seizoen en het weer). Buiten deze periode zijn initiatiefnemers voornemens om het kampeerterrein vrij te houden van kampeermiddelen. Eventueel aanwezige eigen verhuurobjecten worden dan ook

13/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

inpandig of elders gestald. De kampeerboerderij met bijbehorende functies is in beginsel jaarrond geopend. De camping wordt beschouwd als een autonome ontwikkeling. Ditzelfde geldt voor de uitvoering van de Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL). Deze bestaat uit de afsluiting van aansluitingen op de A59 voor autoverkeer, verbetering en uitbreiding van het onderliggend wegennet, aanleg en verbetering van fiets- en landbouwroutes, aanleg en verbetering van ecologische verbindingszones, vervolmaking van ecologische verbindingszones en het aanleggen van hoogwater beschermingsmaatregelen ten behoeve van de gemeente ’s-Hertogenbosch. De referentiesituatie wordt in dit geval gevormd door de feitelijke situatie van de gronden op het geplande tracé, in combinatie met de uitvoering van het GOL en de aanwezigheid van de camping Engelermeer (autonome ontwikkeling). 3.3

Voorkeursalternatief = voornemen

Het voorkeursalternatief is in dit geval gelijk aan het voornemen: het aanleggen van een volledig nieuwe leiding met een diameter van 10 inch en het verwijderen, dan wel onklaar maken, van de bestaande leiding met een diameter van 6 inch. 3.4

Passende beoordeling, referentiesituatie Wet natuurbescherming

Het voorkeursalternatief wordt passend beoordeeld conform de Wet natuurbescherming. De referentiesituatie op grond van deze wet is anders dan die op grond van de Wet milieubeheer voor het MER! De autonome ontwikkeling speelt namelijk geen rol; de referentiesituatie voor de passende beoordeling is de feitelijke huidige (en legale) situatie.

14/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

4

Beoordeling milieueffecten: algemeen

4.1

Beoordelingskader

De kern van het MER is dat de belangrijkste gevolgen van de ontwikkelingsmogelijkheden binnen de ruimtelijke plannen op het milieu inzichtelijk worden gemaakt. De minimale inhoud van het MER is vastgelegd in art 7.7 Wm. Het detailniveau van het MER moet aansluiten op het detailniveau van de ruimtelijke plannen. Daar waar deze plannen nog niet, of niet maximaal, zijn ingevuld, wordt gewerkt met kengetallen. Het streven is om aspecten waar weinig of geen effecten worden verwacht, niet of globaal te beschouwen in het MER. Omdat na aanleg van de leiding eigenlijk geen effecten meer optreden, wordt met name de aanlegfase beschouwd. Verder wordt het in gebruik zijn van de leiding beschouwd, voor wat betreft het onderwerp ‘externe veiligheid’. In onderstaande tabel zijn de nader te onderzoeken milieuaspecten met bijbehorende toetsingscriteria weergegeven. Per aspect is aangegeven op welke manier het onderzoek naar effecten zal plaatsvinden, kwalitatief (beschrijvend) of kwantitatief (technisch onderzoek). In het vervolg van dit hoofdstuk worden deze milieuaspecten nader toegelicht. Tabel 4-1 Beoordelingskader Aspect

Toetsingscriteria

beschouwing

Bodem en water

Invloed op de bodem, grondwater en

Kwalitatief/kwantitatief

oppervlaktewaterkwaliteit en –kwantiteit Natuur tijdens aanleg

Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden

Kwantitatief

(Wet natuurbescherming)

Archeologie

Natuurnetwerk Brabant (NNB)

Kwalitatief

Soortbescherming (Wet natuurbescherming)

Kwantitatief

Invloed op mogelijke archeologische waarden

kwantitatief

in de bodem Geluid tijdens aanleg

Invloed op woonbebouwing

kwalitatief

Externe veiligheid

Verandering Groepsrisico en plaatsgebonden

kwantitatief

risico

Voor een aantal milieuaspecten wordt de beoordeling niet aan kwantitatieve effecten gekoppeld maar aan een kwalitatieve effectbeschrijving onderworpen. De effecten ten opzichte van de referentiesituatie worden per criterium vertaald naar een kwalitatieve score op de volgende scoreschaal.

15/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

Tabel 4-2 Scoreschaal

Score ++ + 0 --

Verklaring Positief effect Licht positief effect Geen effect / neutraal Licht negatief effect Negatief effect

Het streven is om aspecten waar weinig of geen effecten worden verwacht, niet of globaal te beschouwen in het MER. In de volgende paragraaf is aangegeven welke aspecten niet nader worden beschouwd in het MER en waarom, zoals ook in de NRD is aangegeven. 4.2

Onderbouwing waarom bepaalde aspecten niet in de beoordeling worden betrokken

Bepaalde aspecten worden buiten beschouwing gelaten in het MER. Deze zijn, in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling, niet relevant of op voorhand niet onderscheidend. In de NRD is dit al aan de orde geweest en hierop zijn geen opmerkingen gekomen. Per aspect wordt e.e.a. nogmaals kort toegelicht. 4.2.1

Duurzaamheid en energie

De ruimtelijke plannen maken de aanleg en de planologische bescherming van de nieuwe leiding mogelijk, en het verwijderen/onklaar maken van de oude leiding. Bij de werkzaamheden wordt gebruik gemaakt van de meest moderne machines, ook in verband met de stikstofdepositie. Een andere vorm van brandstof of een andere vorm van transport is geen optie. Het thema duurzaamheid en energie is daarom voor deze ruimtelijke plannen niet relevant. In het kader van het MER wordt dit aspect niet in de beoordeling betrokken. 4.2.2

Gezondheid

Het is belangrijk om aandacht te besteden aan gezondheid bij projecten, zoals grote infrastructuurprojecten, woningbouw, hoogspanningsleidingen en windparken. In dit geval is sprake van een relatief kleine ontwikkeling, die ook alleen tijdelijk (tijdens de aanlegfase) voor merkbare effecten zorgt. De huidige gezondheidssituatie (referentiesituatie) van het woon- en leefmilieu verandert uiteindelijk niet door de toekomstige ruimtelijke plannen. Het aspect wordt daarom niet op zichzelf in de effectbeoordeling betrokken. Voor zover er een relatie is met het aspect ‘externe veiligheid’ wordt dit wel in de beoordeling betrokken. 4.2.3 Luchtkwaliteit De werkzaamheden zullen naar verwachting altijd leiden tot een geringe tijdelijke toename van de concentraties in de lucht. De grenswaarden zullen echter worden gerespecteerd, zodat een beoordeling op dit milieuaspect geen onderscheidende waarde heeft en achterwege kan blijven.

16/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

4.2.4 Verkeer Hiervoor geldt hetzelfde als voor luchtkwaliteit. Alleen bij de aanleg zullen beperkt verkeersbewegingen ontstaan van werkverkeer, na aanleg niet meer. 4.3

Studiegebied en tijdshorizon

Het studiegebied voor de m.e.r. is het gebied waar milieueffecten kunnen optreden. Dit gebied overschrijdt voor een aantal milieuaspecten de plangrenzen. Het studiegebied is onder andere groter bij de beoordeling van effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden. Daarnaast reiken de effecten van de aspecten geluid tot buiten de grenzen van het plangebied. Het bestemmingsplan wordt naar verwachting vastgesteld in 2020.

17/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

5

Beoordeling milieueffecten: per thema

5.1

Bodem

Voor het aspect bodem is gekeken naar de mogelijke invloed op de bodemkwaliteit ter plaatse van het nieuwe en bestaande tracé. 5.1.1 Beleidskader Voorafgaand aan werkzaamheden in de bodem moet worden vastgesteld wat de algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse is. Het onderzoek richt zich op de aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem. 5.1.2 Beoordelingskader Bij het aspect bodem is gekeken of de bodemingrepen effecten kunnen hebben op de bodemkwaliteit. De HDD-boringen worden met uitzondering van het in- en uittredepunt hierbij buiten beschouwing gelaten. Aangezien de ingreep niet leidt tot een significante verandering van de bodemkwaliteit, kan deze alleen maar neutraal of negatief scoren. Tabel 5-1 Scoreschaal bodemkwaliteit Score

Verklaring

0

Geen effect op de bodemkwaliteit

-

Licht negatief effect op de bodemkwaliteit, er zijn op een beperkt aantal locaties bodem-bedreigende activiteiten

--

Negatief effect op de bodemkwaliteit, er zijn op een groot aantal locaties bodem-bedreigende activiteiten

5.1.3

Referentiesituatie

De referentiesituatie is de huidige aanwezige bodemkwaliteit. Indien het voornemen niet wordt uitgevoerd dan vinden geen ingrepen plaats in de bodem en blijft de huidige bodemkwaliteit behouden. Om inzicht te krijgen in de huidige bodemkwaliteit zijn diverse onderzoeken uitgevoerd: • Rapport betreffende milieukundige onderzoeken tracé Maaskruising DPO te Ammerzoden/Bokhoven d.d. 2 oktober 2018, opgenomen in bijlage 1. • DPO Leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, milieuhygiënisch vooronderzoek d.d. 2 januari 2020, opgenomen in bijlage 2. • DPO Leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, verkennend milieukundig bodemonderzoek asfalt- en funderingsonderzoek d.d. 2 januari 2020, opgenomen in bijlage 3. • DPO Leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, verkennend onderzoek asbest d.d. 2 januari 2020, opgenomen in bijlage 4. • DPO Leidingtracé – Bokhoven en Vlijmen, waterbodemonderzoek inclusief milieuhygiënisch vooronderzoek d.d. 2 januari 2020, opgenomen in bijlage 5. Op basis van deze onderzoeken is de milieukwaliteit van de bodem vastgesteld.

18/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

Ammerzoden De algemene bodemopbouw van het terrein bestaat vanaf het maaiveld tot een geboorde diepte van circa 2,5 m-mv uit zand en klei. Vanaf een diepte van circa 2,5 m-mv tot de geboorde diepte van 4,3 m-mv bestaat de bodem uit zand. In de bovengrond zijn, enkel ter plaatse van één locatie (A11 onder het pad), zintuiglijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (puin) waargenomen. Plaatselijk overschrijden de gehalten cadmium, kwik, lood en zink de desbetreffende achtergrondwaarden. De herkomst van de verhoogd aangetoonde gehalten zware metalen is onbekend. In de ondergrond zijn zintuiglijk geen bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. Er zijn geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden. Bij visuele inspecties van het maaiveld van de onderzoekslocatie en van het vrijgekomen materiaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Ook analytisch is geen asbest aangetoond. Bokhoven De algemene bodemopbouw van het terrein bestaat vanaf het maaiveld tot een geboorde diepte van circa 2,5 m-mv uit zand en klei. Vanaf een diepte van circa 2,5 m-mv tot de geboorde diepte van 4,3 m-mv bestaat de bodem uit zand. In de bovengrond zijn zintuiglijk geen bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. Op één locatie overschrijdt het gehalte zink de betreffende achtergrondwaarde. De herkomst van het verhoogd aangetoonde gehalte zink is onbekend.

de ondergrond zijn zintuiglijk geen bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. Op één locatie overschrijden de gehalten kobalt en nikkel de desbetreffende achtergrondwaarden. De herkomst van de licht verhoogde gehalten kobalt en nikkel is onbekend. De waterbodem van de watergangen aan de Baronnesse van Egmondweg in Bokhoven is opgebouwd uit klei. Er zijn zintuiglijk geen bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. Voor de onderzochte asfaltconstructie geldt dat deze een dikte heeft van 16 cm en bestaat uit toplaag in de vorm van een oppervlaktebehandeling en grindasfaltbeton. De oppervlaktebehandeling betreft teerhoudend asfaltgranulaat, het grindasfaltbeton betreft geen teerhoudend asfaltgranulaat. In de funderingslaag wordt de maximale samenstellingswaarde voor het gehalte minerale olie overschreden. De aanwezigheid van asbest is niet aangetoond. Bestaande tracé Vlijmen – Bokhoven In de grond is lokaal sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Dit betreft met name bijmengingen met baksteen en/of (metsel)puin. De grond ter plaatse van de diverse deellocaties is overwegend niet tot licht verontreinigd met zware metalen, PAK en minerale olie. De bovengrond is niet verontreinig met OCB’s. In verband met het aantreffen van puin bijmengingen is een asbest onderzoek uitgevoerd.

Visueel is geen asbesthoudend materiaal waargenomen én bij de analyse van het grondmonster is geen asbest gevonden.

19/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

Toekomstig tracé Vlijmen – Bokhoven In de grond is plaatselijk sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Dit betreft met name bijmengingen met baksteen en (metsel)puin. De grond ter plaatse van de diverse deellocaties is overwegend niet tot licht verontreinigd met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie. De bovengrond is niet verontreinig met OCB’s. Het onderzochte asfalt heeft een gemiddelde dikte van 15 cm. Het asfalt bestaat wat betreft samenstelling uit Grind Asfalt Beton (GAB). Het onderzochte asfalt ter plaatse van de locatie is teerhoudend. De teerhoudende laag is aangetoond middels PAK-marker tests en bevindt zich in de bovenste laag tot 8 mm. De ondergelegen asfaltagen, zoals aangetoond middels PAKanalyses, zijn niet teerhoudend. Het onderzochte fundatiemateriaal heeft een gemiddelde dikte van 38 cm. Het fundatiemateriaal bestaat wat betreft samenstelling uit een afwisseling van slakken, repac en puin. In het fundatiemateriaal is op indicatieve basis analytisch geen asbest aangetoond. Het fundatiemateriaal is (op indicatieve basis) niet toepasbaar in het kader van hergebruik. De bodem onder het fundatiemateriaal bestaat uit zand. Onder de betreffende zandlaag is een klei- en veenlaag aangetroffen. In de bodem onder het fundatiemateriaal zijn geen bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen.

De grond is licht verontreinigd met PAK, PCB en minerale olie. In verband met het aantreffen van puin bijmengingen is een asbest onderzoek uitgevoerd. Visueel is geen asbesthoudend materiaal waargenomen én bij de analyse van het grondmonster is geen asbest gevonden. De vaste waterbodem in de watergang kan voor toepassing op of in de landbodem worden ingedeeld als zijnde klasse wonen tot altijd toepasbaar. Voor toepassing in het oppervlaktewater kan de vaste waterbodem van de watergang worden ingedeeld als zijnde klasse A tot zijnde klasse altijd toepasbaar. Het vrijkomende slib / de onderliggende bodem van de watergangen zijn verspreidbaar op de aangrenzende percelen. 5.1.4 Voornemen Het voornemen heeft betrekking op een aantal open ontgravingen om de bestaande leiding te verwijderen of om een nieuwe leiding aan te leggen. Daarnaast zullen een aantal in- en uittredepunten worden gegraven voor de gestuurde boringen. De vrijkomende grond wordt zo veel als mogelijk verwerkt binnen het project. Overtollige grond wordt afgevoerd naar een grondbank. Indien grond noodzakelijk is dan wordt deze ook aangevoerd van een grondbank. De aanwezige kwaliteit van de bodem zal niet wijzigen. 5.1.5 Effectbeoordeling De ingreep heeft geen significante gevolgen voor de bodemkwaliteit ter plaatse. Om die reden wordt het effect beoordeeld als neutraal (0). 5.2

Water

Voor het aspect water is gekeken naar de mogelijke invloed op de grondwaterstanden (waterkwantiteit) en de grondwaterkwaliteit. Deze aspecten worden beoordeeld, daaraast wordt ingegaan op de gevolgen voor beschermde gebieden in het kader van de KEUR ter plaatse van het nieuwe en bestaande tracé.

20/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

5.2.1 Beleidskader De meeste werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het beheergebied van Waterschap AA en Maas, dit betreft het gebied ten zuiden van de Maas. Het gebied ten noorden van de Maas behoort tot het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Voor bemalingen van tijdelijke aard die nodig zijn voor het droog houden van bouwputten geldt dat deze bij beide waterschappen niet vergunningsplichting zijn indien de onttrekking niet meer bedraagt dan een vastgestelde hoeveelheid per maand en de onttrekking niet langer duurt dan 6 maanden. In een beschermd gebied moet het onttrokken grondwater volledig worden geretourneerd in de bodem. Grondwaterkwaliteit wordt beschermd door de waterscheidende lagen in de bodem te beschermen. Om dit te bereiken zijn regels opgesteld om het doorboren van de scheidende lagen zo veel als mogelijk te voorkomen. Voor het lozen van het onttrokken water uit bouwputten gelden regels ten aanzien van de hoeveelheid te lozen water en de kwaliteit van het te lozen water. Het Waterschap AA en Maas heeft een aantal beschermde gebieden aangewezen in de Keur. Deze gebieden zijn weergegeven in figuur 5-1.

Figuur 5-1 Beschermde gebieden op basis van de Keur van Waterschap Aa en Maas.

De invloedsgebieden zijn ingesteld rondom Natura 2000-gebieden omdat onttrekkingen in deze gebieden significante effecten kunnen hebben op habitattypen en soorten in de Natura 2000-

21/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

gebieden. Voor dergelijke onttrekkingen is vaak ook een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In de grondwaterdeelgebieden gelden gebiedspecifieke regels voor onttrekken, infiltratie, beregening, brandblusvoorzieningen en de diepte van putten. Het aanleggen van kabels en leidingen is toegestaan op basis van algemene regels. Ter bescherming van oppervlaktewateren en waterkeringen, gelden regels met betrekking tot de afstand van de werkzaamheden tot de oeverranden van de oppervlaktewateren en de diepte van leidingen onder oppervlaktewateren en waterkeringen. 5.2.2 Beoordelingskader Het aspect water is onderverdeeld in waterkwaliteit en waterkwantiteit. Alle aspecten worden kwalitatief beoordeeld. Op basis van de kwalitatieve beoordeling wordt een eindscore gegeven voor het aspect water. In onderstaande tabellen is de beoordeling voor de waterkwaliteit en de waterkwantiteit weergegeven. Aangezien de ingreep niet leidt tot een significante verbetering van de waterkwaliteit of -kwantiteit, kan deze alleen maar neutraal of negatief scoren. Tabel 5-2 Scoreschaal waterkwaliteit Score

Verklaring

0

Geen effect op de waterkwaliteit, er wordt geen verontreinigd grondwater onttrokken en geloosd op oppervlaktewater

-

Licht negatief effect op de waterkwaliteit, er wordt verontreinigd grondwater onttrokken met reinigingstechnieken kan dit water geloosd worden op oppervlaktewater

--

Negatief effect op de waterkwaliteit, er wordt verontreinigd grondwater onttrokken ondanks reinigingstechnieken kan waarschijnlijk niet voldaan worden aan de eisen voor lozen op het oppervlaktewater

Tabel 5-3 Scoreschaal waterkwantiteit Score

Verklaring

0

Geen effect op de waterkwantiteit, na beëindiging van de onttrekking is het grondwaterniveau in het gebied binnen 1 maand hersteld tot het originele niveau

-

Licht negatief effect op de waterkwantiteit, na beëindiging van de onttrekking herstelt het grondwaterniveau binnen 6 maanden tot het originele niveau

--

Negatief effect op de waterkwantiteit, na beëindiging van de onttrekking heeft het grondwaterniveau meer dan 6 maanden nodig om te herstellen tot het originele niveau

22/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

5.2.3

Referentiesituatie

In de referentiesituatie blijft de huidige leiding in gebruik. Aangezien geen werkzaamheden plaats vinden, is er ook geen sprake van het onttrekken van grondwater of het lozen van grondwater. De referentiesituatie heeft geen gevolgen voor de waterkwaliteit of de waterkwantiteit ter plaatse. Waterkwaliteit Uit de milieukundige onderzoeken voor het tracé Maaskruising DPO te Ammerzoden/Bokhoven, zie bijlage 1, blijkt dat zintuiglijk geen afwijkingen zijn waargenomen van het bemonsterde grondwater, in het grondwater zijn geen concentraties aangetroffen die hoger zijn dan de desbetreffende streefwaarden. Uit het verkennend milieukundige bodemonderzoek, asfalt- en funderingsonderzoek, bijlage 3, blijkt dat voor het tracé Bokhoven – Vlijmen zintuiglijk geen afwijkingen worden waargenomen die duiden op een eventuele verontreiniging. Uit de analyse van het grondwater blijkt dat het grondwater op het bestaande tracé van de leiding licht verontreinigd is met barium, daarnaast wordt op één locatie een lichte verontreiniging met molybdeen vastgesteld. Waterkwantiteit In het deel van de Maaskruising tussen Ammerzoden en Bokhoven bevindt de gemiddelde grondwaterstand zich op circa 2,05 m -mv. In het bestaande tracé tussen Bokhoven en Vlijmen varieert de grondwaterstand van 0,80 m – mv tot 2,12 m – mv.

5.2.4 Voornemen Het voornemen heeft betrekking op een aantal open ontgravingen om de bestaande leiding te verwijderen of om een nieuwe leiding aan te leggen. Daarnaast zullen een aantal in- en uittredepunten (werkputten) worden gegraven voor de gestuurde boringen. Om de werkzaamheden goed uit te kunnen voeren zullen de werkputten droog gehouden worden middels bemaling. Voor het tracé zijn twee bemalingsadviezen opgesteld: • Bemalingsadvies DPO leidingtracé Bokhoven – Vlijmen, d.d. 25 februari 2020, opgenomen in bijlage 6; • Bemalingsadvies betreffende Tracé Maaskruising DPO te Ammerzoden/Bokhoven, d.d. 12 oktober 2018, opgenomen in bijlage 7. Waterkwaliteit Uit de milieukundige onderzoeken voor het tracé Maaskruising DPO te Ammerzoden/Bokhoven, zie bijlage 1, blijkt dat zintuiglijk geen afwijkingen zijn waargenomen van het bemonsterde grondwater, in het grondwater zijn geen concentraties aangetroffen die hoger zijn dan de desbetreffende streefwaarden. Uit het verkennend milieukundige bodemonderzoek, asfalt- en funderingsonderzoek, bijlage 3, blijkt dat voor het tracé Bokhoven – Vlijmen zintuiglijk geen afwijkingen worden waargenomen die duiden op een eventuele verontreiniging.

Uit de analyse van het grondwater blijkt dat het grondwater op het toekomstige tracé van de leiding licht verontreinigd is met barium, daarnaast wordt op één locatie een lichte verontreiniging met nikkel en xylenen vastgesteld.

23/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

Het bemalingsadvies voor de Maaskruising geeft geen aanvullende informatie over de waterkwaliteit, er wordt geadviseerd om voor aanvang van de lozing een grondwatermonster te nemen en deze te laten analyseren. Uit het bemalingsadvies voor het tracé Bokhoven – Vlijmen blijkt dat er kans is op een verhoogd ijzergehalte in het grondwater. Het lozen van dit water kan leiden tot het bruin kleuren van het oppervlaktewater. Om dit te voorkomen wordt ontijzering noodzakelijk geacht. Waterkwantiteit Uit de bodemonderzoeken blijkt dat in het deel van de Maaskruising tussen Ammerzoden en Bokhoven de gemiddelde grondwaterstand zich bevindt op circa 2,05 m -mv. In het bestaande tracé tussen Bokhoven en Vlijmen varieert de grondwaterstand van 1,20 m – mv tot 3,00 m – mv. Uit het bemalingsadvies blijkt dat de grondwaterstanden ter hoogte van de Maaskruising in augustus zich bevinden op ongeveer NAP +0,5 m bij Ammerzoden en op ongeveer NAP + 1 m bij Bokhoven. Deze grondwaterstanden zijn representatief voor de gemiddeld laagste grondwaterstand. Uit gehanteerde kaarten blijkt geen invloed van de Maas op de grondwaterstroming binnen het eerste watervoerende pakket. Voor het tracé van de maaskruising (Bokhoven – Ammerzoden) geldt dat de open ontgravingen in het algemeen plaatsvinden tot een diepte van 1,5 tot 2 meter onder maaiveld. Dit komt overeen met een hoogte van NAP+1,0 tot NAP+1,5 m.

Onder normale omstandigheden is de bodem van de put boven de gemiddeld laagste grondwaterstand gesitueerd en bestaat geen noodzaak voor bronbemalingen om de werksleuf droog te houden. Onder zeer natte omstandigheden kan enige plasvorming ontstaan in de sleuven. Wanneer het grondwater zich bevindt op de gemiddeld hoogste grondwaterstand (circa NAP+1,5 m) zal bemaling van de werksleuven wel noodzakelijk zijn. De bouwput is dieper en zal vrijwel altijd bemalen moeten worden. De bemalingen kunnen leiden tot een tijdelijke verlaging van de grondwaterstanden. Op een afstand van 500 meter van het onttrekkingspunt bedraagt de verlaging maximaal 0,3 meter onder gemiddeld hoogste grondwaterstand (g.h.g.) en 0,1 meter onder gemiddeld laagste grondwaterstand (g.l.g.). De hoogste verlaging vindt plaats op kortere afstand van het onttrekkingspunt (25 m) en kan variëren van 1,3 meter (g.h.g) tot 0,6 meter (g.l.g). Er worden geen noemenswaardige zettingen van de ondergrond verwacht. Uit het bemalingsadvies voor het tracé Bokhoven – Vlijmen blijkt dat de grondwaterstanden variëren van NAP+1,47 tot NAP+2,62 g.h.g. en van NAP+0,59 tot NAP+1,2 g.l.g.. Voor de onttrekking op dit tracé wordt verwacht dat deze over een afstand van 5 tot 105 meter vanaf het onttrekkingspunt invloed hebben op de grondwaterstanden.

Er worden geen maaiveldverlagingen als gevolg van de onttrekking verwacht bij gevoelige objecten. Ook ter plaatse van Natura 2000-gebieden treedt naar verwachting geen verlaging van de grondwaterstanden op tot beneden de natuurlijk lage grondwaterstand. Er worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden.

24/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

5.2.5 Effectbeoordeling Voor de waterkwaliteit geldt dat in het tracé Vlijmen-Bokhoven mogelijk water met een verhoogd ijzergehalte geloosd zal worden op het oppervlaktewater. Omdat deze verontreiniging met een ontijzeringsinstallatie verwijderd kan worden, scoort dit aspect licht negatief (-). Voor het onttrekken van het grondwater geldt dat zeer beperkte onttrekkingen noodzakelijk zijn, in alle gevallen geldt alleen een meldingsplicht voor de onttrekkingen. Het is dan ook de verwachting dat onder normale omstandigheden het grondwater snel kan herstellen naar zijn normale niveau en geen effecten op N2000Om die reden scoort het aspect waterkwantiteit neutraal (0). 5.3

Natuur

Voor het onderdeel natuur wordt een overzicht gegeven van de beschermde soorten (flora en fauna) en gebieden die te vinden zijn in de nabijheid van het tracé. Vervolgens wordt ingegaan op de effecten die de aanleg van de leiding op de soorten en gebieden heeft. Hierbij is beoordeeld op de effecten door op Natura 2000-gebieden, NNN-gebieden en beschermde floraen fauna soorten. 5.3.1 Beleidskader De Wet natuurbescherming bevat regels voor het beschermen van bijzondere gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN), in de provincie Noord-Brabant het 'Brabants Natuurnetwerk' genaamd. Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3.

De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet Natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier- amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen.

25/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

Ter bescherming van deze soorten zijn verbodsbepalingen opgenomen in de wet (artikel 3.5) en mogelijkheden tot ontheffing of vrijstelling (artikel 3.10). In de verordening natuurbescherming Noord-Brabant zijn aanvullende vrijstellingen opgenomen voor bepaalde soorten ten behoeve van bestendig beheer of onderhoud en de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht. De Wet natuurbescherming voorziet in het beschermen van Natura 2000-gebieden tegen handelingen binnen en buiten deze gebieden met significante gevolgen voor beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten. Conform art. 2.8 lid 1 Wnb kan een plan dat significante gevolgen kan hebben op soorten en habitats pas worden vastgesteld nadat een passende beoordeling is opgesteld waarin rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Deze passende beoordeling moet de zekerheid geven dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is altijd gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke waarden en kenmerken’ van het NNN, waarbij tevens rekening wordt gehouden met andere gebiedsbelangen. Binnen het NNN is conform de Nota Ruimte het ’nee, tenzij’-regime van toepassing.

In die spelregels wordt onder meer de eis gesteld dat voor ingrepen binnen het NNN aangetoond moet worden dat, bij aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden, er geen reële locatiealternatieven zijn én er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang. 5.3.2 Beoordelingskader Er zijn drie verschillende kaders waarmee voor het aspect natuur rekening moet worden gehouden: 1. Beschermde natuurgebieden op grond van de Wet natuurbescherming (Natura 2000gebieden). 2. Beschermde gebieden op grond van ruimtelijke ordeningswetgeving, namelijk de gebieden die behoren tot het natuurnetwerk Nederland (NNN), inclusief robuuste verbindingen en ecologische verbindingszones. De bescherming van de NNN valt onder de provinciale verordeningen. 1. Populaties en leefgebieden van beschermde soorten volgens de Wet natuurbescherming. Voor de aspecten Natura 2000-gebieden, beschermde flora- en fauna en NNN-gebieden worden de volgende beoordelingskaders gehanteerd.

26/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

Tabel 5-4 Scoreschaal Natura 2000-gebieden Score

Verklaring

++

Positief effect op natura 2000-gebieden. Er is sprake van een positief effect én dit effect is in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen significant

+

Licht positief effect op natura 2000-gebieden. Er is sprake van een positief effect maar dit effect is in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen niet significant

0

Geen effect op Natura 2000-gebieden

-

Licht negatief effect op natura 2000-gebieden. Er is sprake van een negatief effect maar dit effect is in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen niet significant.

--

Negatief effect op natura 2000-gebieden. Er is sprake van een negatief effect én dit effect is in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen significant

Tabel 5-5 Scoreschaal flora en fauna Score

Verklaring

++

Positief effect op flora en fauna het project richt actief locaties in voor de ontwikkeling en versterking van flora en fauna

+

Licht positief effect op flora en fauna het project biedt kansen voor de ontwikkeling en versterking van flora en fauna

0

Geen effect op flora en fauna omdat gewerkt kan worden volgens een werkprotocol

-

Licht negatief effect op flora en fauna maar de werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden met een ontheffing

--

Negatief effect op flora en fauna waarbij de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden met een ontheffing

Tabel 5-6 Scoreschaal NNN gebieden Score

Verklaring

++

Positief effect op NNN gebieden het project richt actief locaties in als NNN gebieden of versterkt actief de aanwezige waarden in NNN-gebieden

+

Licht positief effect op NNN gebieden het project biedt kansen voor het ontwikkelen van NNN gebieden of voor het versterken van de aanwezige waarden in NNN-gebieden

0

Geen effect op NNN gebieden

-

Licht negatief effect op NNN gebieden maar het effect is niet zo groot dat compensatie elders noodzakelijk is

--

Negatief effect op NNN gebieden waarbij het effect opgeheven moet worden door compensatie elders

27/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

5.3.3

Referentiesituatie

Natura 2000 Het plangebied heeft geen status als beschermd Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied is het 'Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek', binnen de gemeente 's-Hertogenbosch. Andere relevante Natura 2000-gebieden zijn de 'Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen' en 'Rijntakken'. Op basis van de afstand van het plangebied tot de Natura 2000-gebieden heeft alleen stikstof een mogelijke verstorende werking. In de referentiesituatie is in de genoemde gebieden al sprake van een overbelasting door stikstof. Voor een aantal habitattypen geldt dat de bestaande achtergrondconcentratie veel hoger is dan de kritische depositie waarde (KDW). De achtergrondconcentratie is afhankelijk is van diverse invloeden zoals bijvoorbeeld aanwezige bronnen voor de emissie van stikstof op korte afstand maar ook verder weg en weersomstandigheden. Het is echter niet de verwachting dat deze invloeden in de toekomst zodanig wijzigen dat in de referentiesituatie geen sprake meer is van een overbelasting door stikstof. De Gebiedsontwikkeling Oostelijke Langstraat (GOL) wordt over enige tijd uitgevoerd, hiervoor is echter eerst het verleggen van de DPO-leiding noodzakelijk. Daarom wordt aangenomen dat de bouwactiviteiten van het GOL starten nadat de bouwactiviteiten van de DPO-leiding zijn afgerond.

Om die reden zal het GOL pas na de aanleg van de DPO-leiding een stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Voor de soortenbescherming zijn Quickscans ecologie uitgevoerd (zie bijlage 8 en bijlage 9). Vleermuizen Met uitzondering van enkele locaties zijn in het plangebied momenteel geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. In een bosje ten noorden van de Maasdijk en in de bomen ten noorden van de Sint Corneliusweg kunnen holten zitten die dienst doen als vleermuizenverblijfplaats. Het hele plangebied heeft mogelijk een (essentiële) functie als foerageergebied. Hermelijn, wezel, eekhoorn, enz In de afgelopen 5 jaar is hermelijn waargenomen in het gebied. Van de wezel zijn in de afgelopen 5 jaar geen waarnemingen gedaan. Dit soort is niet gebonden aan een bepaald landschapstype en kunnen voorkomen in een groene bebouwde omgeving. Op basis van verspreidingsgegevens kunnen de eekhoorn, das, bunzing, bever en otter voorkomen. De boommarter komt niet voor in de verspreidingsgegevens maar komt wel steeds meer voor. Zowel de eekhoorn als de boommarter hebben een groter areaal bos nodig dan in het plangebied aanwezig is. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten zoogdieren aangetroffen. Wel zijn in de noordoever van de Maas ten oosten van het plangebied mogelijke toegangen tot een beverburcht aangetroffen.

De aanwezigheid van de otter in het plangebied wordt uitgesloten. Planten

28/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

Beschermde vaatplanten zijn in het gebied niet aanwezig. De meeste beschermde planten zijn afhankelijk van een zeer specialistisch biotoop. De gebieden bestaan voor namelijk uit intensief beheerde agrarische percelen waardoor groeiplaatsen van beschermde planten niet worden verwacht. De aanwezige vaatplanten hebben geen beschermde status. Vogels In de verspreidingsgegevens worden meerdere vogelsoorten genoemd, waaronder kerkuil, steenuil en verschillende soorten roofvogels. Gebouwbewonende soorten zijn uitgesloten vanwege de afwezigheid van opstallen. Er zijn geen soorten met jaarrond beschermde nesten aangetroffen, de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties kan echter niet uitgesloten worden. Het is wel aannemelijk dat in de sloten water- en rietvogels broeden en dat in de bomen ook vogels broeden. Reptielen Beschermde reptielen kunnen worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens. De heikikker, poelkikker en kamsalamander komen volgens verspreidingsgegevens wel voor. De heikikker kan voorkomen aan de noordzijde van de maas. De poelkikker kan voorkomen bij het Engelermeer. In het plangebied zijn verschillende algemene soorten kikkers waargenomen. Het in Engelermeer en de Haverkampen zitten vissen. Vissen De aanwezigheid van overige beschermde vissoorten kan op basis van verspreidingsgegevens worden uitgesloten.

Ook libellen, vlinders, insecten en andere ongewervelden stellen hoge eisen aan hun leefomgeving. Het verspreidingsgebied van deze soorten ligt buiten het plangebied. NNN-gebieden In figuur 5-2 is de ligging van Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden weergegeven.

29/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

Figuur 5-2 NNN (groen) en Natura 2000 (rood gearceerd) in de omgeving van het projectgebied (Bron: Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016)

In de referentiesituatie vinden geen activiteiten plaats. In het GOL is een ecoduct voorzien onder de A59, deze is mogelijk gesitueerd in het NNN-gebied. Dit ecoduct zal echter niet aangelegd worden voordat de leiding is verlegd. 5.3.4

Voornemen

Natura 2000 De ontwikkeling omvat het aanleggen en gebruiken van een brandstofleiding. De aanleg van de brandstofleiding (over het gehele tracé) en het verwijderen van de bestaande leiding veroorzaken een toename van stikstofdepositie van maximaal 0,05 mol/ha/jaar op Natura 2000gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ (zie bijlage 10). Op de Natura 2000gebieden’ Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen’ en ‘Rijntakken’ neemt de stikstofdepositie toe met maximaal 0,01 mol/ha/jaar.

30/52 — DPRO-60 — Milieueffectrapportage — DPRO-60-R-4, versie 0b — 27 augustus 2020

De uitvoering van het GOL zorgt ook voor een toename van stikstofdepositie op de hiervoor genoemde gebieden. De Provincie Noord-Brabant gaat deze toename extern salderen, om de toename ongedaan te maken. De stalemissie van een boerenbedrijf nabij het GOL projectgebied en de bemesting van een maisakker in een Natura 2000-gebied worden weggenomen. De toename van stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van de DPO leiding is meegenomen in deze saldering, omdat het verleggen van de DPO leiding mede noodzakelijk is om de GOL te kunnen realiseren. De meest belaste locaties als gevolg van het project zijn naar nul gesaldeerd. Dit heeft tot gevolg dat op minder belaste locaties meer dan nul is gesaldeerd. Met andere woorden de stikstofdepositie op een aantal locaties is afgenomen ten opzichte van de referentiesituatie. Soortenbescherming Voor de soortenbescherming zijn Quickscans ecologie uitgevoerd (zie bijlage 8 en bijlage 9). Uit de quickscan voor het tracé tussen Bokhoven en Ammerzoden blijkt dat de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren (eekhoorn, bunzing en hermelijn), vleermuizen en vogelsoorten met jaarrondbeschermde nestplaatsen (boomvalk, buizerd, havik, ransuil en sperwer) niet kan worden uitgesloten. Voor deze soorten wordt een nadere veldinspectie uitgevoerd om vast te stellen of potentiële verblijfsplaatsen daadwerkelijk aanwezig zijn en worden gebruikt.

Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek kan een nader onderzoek en/of een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk zijn. Voor de soortgroep algemene broedvogels wordt een ecologisch werkprotocol worden opgesteld omdat de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd. Voor de rest van het tracé is het onwaarschijnlijk dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Dit komt omdat alleen open ontgravingen plaatsvinden in reeds veelvuldig vergraven akkerland. In de meer kwetsbare gebieden wordt de leiding geboord, waardoor geen verstoring aan flora- en fauna zal plaatsvinden. Het is niet uit te sluiten dat in het plangebied of binnen de verstorende invloedsfeer daarvan vogels gaan broeden. Om die reden wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, indien dat niet mogelijk is moet ook hier volgens een ecologisch werkprotocol worden gewerkt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de algemene zorgplicht en de zorgplicht specifiek voor vogels uit de Wet natuurbescherming. In het ecologisch werkprotocol wordt ook aandacht besteed aan vleermuizen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10086990/1