APV 2021-1 Verordening
Tekst van het document
Al gemene Plaatsel ¡i ke Verorden i n g Maasd riel 2O21-L
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikcl 1:tr Definities ln deze verordening wordt verstaan onder:
a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een alverleende omgevingsvergunning; bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening daaronder wordt verstaan; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen in artikel X, eerste lid, van de Woningwet daaronder wordt verstaan; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens L990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; m.
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderuvagens, en rolstoelen; weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan.
c. d. e. f. g. h. i. j. k. l.
n.
Artikel 1:2 tseslistermijn
L. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of onthetfing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn met ten hoogste zes weken verdagen. 3. ln afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, achtste lid, 2:11 tweede lid onder a,2:L2 of artikel 4:12.
Artikel 1:3 Indiening aanvraag (Vervallen).
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
L. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze
2.
voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of onthefiing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:
a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffinE verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
c. nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. Artikcl tr:7 Trrmijncn
1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal besch ikbare vergunningen of onthetf in gen overtreft .
Artikol 1:t Woigoringsgrondcn
L. De vergunning of onthetfing kan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu.
2. Een vergunning of onthetfing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3.
drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daarvoor een behoorlijke behandeling van de aanvraaE niet mogelijk is. Een vergunning of ontheffing kan worden geweigerd als specifieke weigeringsgronden zijn opgenomen bij desbetreffende vergunning in deze verordening en aan deze weigeringsgronden wordt voldaan.
HOOFDSTUK 2. OPENBARE ORDE
Afdeling 7. Bcstrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongercgeldheden L. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2. Degene die op een openbare plaats
a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
3. 4. 5. 6.
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3,3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 2. Betoging
Artikel2:2 Optochten (Vervallen).
Artikel 2:3 Kcnnisgcving betogingen op openbare plaatsen
L. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder 2.
begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassinE, de wijze van samenstelling; en maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Als het tijdstip van de schrittelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
f. 3. 4. 5.
Artikcl 2:4 Afwijking tcrmijn (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3).
Artikcl 2:5 Tc vGrstrGkkcn gcgcvGns (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3).
Afdeling 3. Verspreidcn van gedrukte stukken
Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan welopenlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1-.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Aîdeling 4. Vertoningen c.d. op de weg Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d (Gereserveerd).
Artikel 2:8 Dienstverlening (Gereserveerd).
Artikel 2:9 Straatartiest e.d. L. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.L.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Atdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van de weg
Artikel 2:10 Voorwerpcn op of aan de weg L. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
a. schade toebrengt of kan toebrengen aan het aanzien van de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; b. niet tenminste 10 werkdagen voorafgaand aan het gebruik melding is gedaan aan het college op een door het college vastgesteld meldingsformulier.
2. Van belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder gevalsprake wanneer niet tenminste een doorgang van 1,2 meter breed wordt vrij gelaten op voetpaden, van 3 meter breed op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer en een hoogte van 4,2 meter wordt vrij gelaten op zowelvoetpaden als rijbanen. Van een belemmering voor de bruikbaarheid of het aanzien van de weg is in ieder geval sprake wanneer de voonrverpen langer dan een al dan niet aaneengesloten periode van 14 dagen geplaatst worden. ln afwijking van het bepaalde in het derde lid, geldt voor voorwerpen in de vorm van reclame voor evenementen een termiin van twee dagen na afloop van het betreffende evenement. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van de voorvverpen als bedoeld in dit artikel. l'let bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. De onthetfing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:28; c. standplaatsen als bedoeld in artikel5:17; d.
vlaggen, wimpels en vlaggenstokken; e. zonneschermen; spandoeken, voor zover zij zijn aangebracht boven de weg of voor voetgangers of fietsers bestemde gedeelte van de weg, voor zolang zijfeitelijk betekenis hebben en voor zover: elk onderdeel tenminste 4,2 meler boven de weg gehangen wordt; de spandoeken op een deugdelijke wijze worden bevestigd ter voorkoming van gevaar voor het wegverkeer; de spandoeken gedurende maximaal zes weken aanwezig zijn; g. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. h. u¡tstallingen, die tijdens openingstijden door, namens of met toestemming van de ondernemer van het bedrijfspand waardoor de uitstallingen zich bevinden, binnen maximaal L,25m diep vanaf de bedrijfsgevel zijn geplaatst, tenzij deuren, gangen, nooduitgangen en inritten worden belemmerd en een obstakelvrije doorgang van minimaal L,Zm niet wordt gewaarborgd. ln afwijking van het zesde lid kan het bevoegde bestuursorgaan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 10.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de provinciale wegenverordening. LL. Op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het zesde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
3.
4. 5. 6. 7. 8.
f.
-
9.
Artikel 2:11(Omgevings-)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg L. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de 3. 4.
5.
activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidi ngsbesluit. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. l{et verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, Omgevingsverordening Provincie Gelderland, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet, of de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Maasdriel (AVOI). Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het tweede lid onder b is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikcl 2:1Íl Omgcvingsvergunning voor het maken, veranderen van Gen uitweg
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2, Het college moet de vergunning weigeren als: a. door het gebruik van de uitweg het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; of b. door de aanleg van de uitweg meer dan één openbare parkeermogelijkheid wordt opgeheven dan wel onbruikbaar wordt gemaakt; of
c. met de aanleg van de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d. de aanleg van de uitweg schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; e. er sprake is van een perceel bij een woning dat al door een andere uitweg wordt ontsloten of een perceel bij een bedrijf dat al door twee uitwegen wordt ontsloten.
3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.
Afdeling 6. Vcilighcid op de weg Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (Gereserveerd).
Artikel 2:14 Winkelwagentjes (Vervallen).
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
1. Het is verboden beplanting of een voorvverp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat
2.
aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Van hinder voor het wegverkeer is in ieder geval sprake als niet tenminste een vrije doorgang van 1,2 meter breed en 4,2 meter hoog wordt gelaten op voetpaden en van 3,5 meter breed en 4,2 meter hoog op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer of als de richtlijnen voor uitzichtdriehoeken volgens de ASW (Aanbevelingen Stedelijke Verkeersvoorzieningen) niet haalbaar zijn.
Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2=L7 Kelderingangen e.d. (Niet opgenomen).
Artikel2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen (Niet opgenomen).
Artikel 2:19 Frikkeldraad c.d.
1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de
2. 3. 4.
weg op enigerleiwijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 4,2mehel. boven dat gedeelte van de weg. Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel l van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde ondenruerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:20 Vallcndc voorwcrpen (Gereserveerd).
Artikcl 2:2LVsorzicningcn voor verkcer en verlichting
L. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of venruiiderd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de tselemmeringenwet Privaatrecht. Arti kcl 2=22 Obiacton ondcr h oogspan n i n gs I ij n Het is verboden binnen een afstand van 6 meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoEer dan 2 meter te plaatsen of te hebben. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen als de eleKrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
L.
2. 3. 4.
Artikel 2:23 Vcilighcid op het ijs
1. Het is verboden:
a. voor het publiek toegankelijke ijsvlaKen te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
b. bakens of andere voorvverpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a.
2.
bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordenin g.
Afdeling 7. Evenementen
Artikel 2:24 Definities
L. ln deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef onder g, van de Gemeentewet en artikel 5'.22 van deze verordening ;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39;
g. sporhryedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.
2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie;
c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg of op aan het water; e. een straatfeest of buurtbarbecue;
f. vechtsportwedstrijden of -gala's. Artikel 2:25 Evonementcnvergunning
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningsaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het
Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Onverminderd het gestelde in artikel 1:4 van de APV kan de burgemeester in het kader van de openbare orde of woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van het houden van evenementen. Deze kunnen onder meer betrekking hebben op: a. de plaats en het tijdstip van het evenement; b. de benodigde technische voorzieningen; c. de inrichting van het evenemententerrein; d. het activiteitenprogramma; e. een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers en verkeersregelaars; het verkeersplan. ln afwijking van het gestelde in het eerste lid kan worden volstaan met een melding, als: a. het aantal bezoekers, inclusief deelnemers, niet meer bedraagt dan 350 personen tegelijkertijd; b. het evenement plaats vindt tussen 08.00 uur en 24.00 uur; c. geen live en/of versterkte muziek ten gehore wordt gebracht na 23.00 uur; d. geen verkeersmaatregelen zijn vereist anders dan het onttrekken van parkeerplaatsen en afsluiten van wegen, geen gebiedsontsluitingswegen zijnde; e.
slechts kleine objecten geplaatst worden met een oppervlakte van minder dan 80 m2 per object; er niet meer dan 150 personen per tent aanwezig zijn; g. op de locatie geen ander evenement plaatsvindt; h. er geen inzet van hulpdiensten nodig is; en het evenement geen carnavalsoptocht, vechtsportgala, monstertruckshow, autosportevenement, motorsportevenement of watersportevenement betreft . De melding als bedoeld in het vierde lid moet tenminste vier weken voorafgaand aan het evenement zijn ingediend. De burgemeester kan binnen twee weken na ontvangst van de melding besluiten dat het organiseren van het evenement als bedoeld in het vierde lid wordt verboden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. De melding wordt ingediend middels een door de burgemeester vastgesteld formulier. ln afwijking van het gestelde in lid 1 en 4 is geen melding of vergunning noodzakelijk als: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; b. het evenement op maandag tot en met zaterdag niet vóór 09.00 uur en op zondag niet vóór 13.00 uur begint en uiterlijk om 21.00 uur eindigt; c. er geen muziek te gehore wordt gebracht vóór 09.00 uur of na 2L.00 uur; en d.
het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstr¡jd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148, van de Wegenverkeerswet L994. 10. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor: a. een (toneel)voorstelling, musical, theaterproductie of lezing in een lokaliteit waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend in de zin van de Alcoholwet; b. een optreden van muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen in een lokaliteit waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend in de zin van de Alcoholwet; c. een inpandige tentoonstelling zoals kleindieren- of kunsttentoonstelling in een lokaliteit waar de brandveiligheidsvoorzieningen zijn afgestemd op het betreffende evenement; d. een herdenkingsplechtigheid;
3.
4.
f.
f. i.
5. 6.
7. 8.
9.
e. een landelijk georganiseerde straatspeeldag;
f. een landelijk georganiseerde autoloze zondag;
g. een recreatieve fietstocht. LL. Het verbod van het eerste lid geldt ook niet voor lampionnenoptochten en wandeltochten, voor zover: a. de optocht niet breder is dan één rijstrook; b. er bij een groepsomvang van 20 personen of meer voor én achter de optocht auto's rijden met in werking zijnde knipperlichten dan welvoor en achter de optocht begeleiders in reflecterende vesten lopen of fietsen. L2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning voor een
vechtsportgala als:
a. de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
13. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikcl 2:26 Ordcvorstoring
1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. hlet is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te 3.
vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde ondenruerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
AÍdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen
Artikcl2:27 Definitie
1. ln deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café,
2.
waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deelwaar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
Artikel 2:28 Terrasvergunning
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een terras te exploiteren. 2. ln afwijking van het bepaalde in artikel 2.10 beslist de burgemeester over vergunningaanvragen 3. 4. 5.
6.
die betrekking hebben op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen, voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal ziin gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van een terras. De vergunning kan worden ingetrokken in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; d. de zedelijkheid of gezondheid. Onverminderd het derde en vijfde lid kan de burgemeester de ingebruikneming van de weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf behorende teffassen weigeren dan wel intrekken:
a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
b. als dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
7. Het bepaalde in dit artikel geldt niet, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Rijkswegenreglement of de Frovinciale wegenverordening. 8. De terrasvergunning heeft in afwijking van het bepaalde in artikel 1:5 een zakelijk karakter. 9. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikol 2:29 Sluitingstijd 1. Het is de exploitant van een horecabedrijf, waarin alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt (natte horeca), niet zijnde een horecabedrijf dat als (ondersteunende) ondergeschikte nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend, verboden het horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben en bezoekers toe te laten of te laten verblijven: a. op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur; b. en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur. 2. l.'let is de exploitant van een horecabedrijf waarin geen alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse verstrekt wordt (droge horeca) niet zijnde een horecabedrijf dat als (ondersteunende) ondergeschikte nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend, verboden het horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben en bezoekers toe te laten: a. op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur; b. en op zaterdag en zondag tussen 02.30 uur en 06.00 uur. 3. Het is verboden een terras voor het publiek geopend te hebben tussen 0.00 en 6.00 uur. 4. Het is de exploitant van een horecabedrijf dat als (ondersteunende) ondergeschikte nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf wordt uitgeoefend verboden het horecabedrijf en terras voor bezoekers geopend te hebben en bezoekers toe laten vóór 08.00 uur en na 23.00 uur. 5.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 6. De burgemeester kan andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend terras. 7. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde ondenruerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. 8. Het in het eerste tot en met vierde lid bepaalde geldt niet voor paracommerciële instellingen als bedoeld in artikel4 van de Alcoholwet. 9. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
L. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval
2.
van bijzondere omstandigheden voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een horecabedrijf: de orde te verstoren; zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:29,vilfde of zesde lid of artikel 2:30, eerste lid.
L. 2.
Artikel 2=32 Handel binnen horecabedrijven
L. ln dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in aftikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. De exploitant van een horecabedrijf staat n¡et toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Zwarte lijst
L. Het is de houder van een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 2'.27, eerste lid, verboden in die inrichting toe te laten of te laten verblijven niet tot zln gezin behorende personen, die naar het
2. 3.
oordeel van de burgemeester misbruik van alcoholhoudende drank plegen te maken en wier namen als zodanig schriftelijk door de burgemeester aan die houder zijn opgegeven. Het is aan een persoon wiens naam ingevolge het bepaalde in het eerste lid door de burgemeester aan de houders van inrichtingen, als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, is opgegeven, verboden zich in een dergelijke inrichting te bevinden nadat hij schriftelijk door de burgemeester van dit verbod in kennis is gesteld. Het verbod in het tweede lid geldt voor een bepaalde periode, die niet langer is dan een jaar.
Artikcl2:34 Hct college els bcvoegd bcstuursorgean Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel L74van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28lot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Afdaling Ea. Eijzonderd bcpalingen ovGr paracommerciële horeca-inrichtingcn als bcdoeld in de Alcoholvttct
Artikol 2:3¿[a Schenktijdcn paracommerciële rechtspersonen (uitgezonderd paracommerciële dorpshuizcn) Paracommerciële rechtspersonen (uitgezonderd paracommerciële dorpshuizen) kunnen uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken gedurende één uur voor, tijdens en één uur na wedstrijden, tra¡ningen of andere sticht¡ng/vereniging- gebonden activiteiten, maar niet buiten de in onderstaand schema opgenomen schenktijden: Maandag tot en met vrijdag
12.00 uur tot 23.30 uur
Zaterdag
12.00 uur tot 22.00 uur
Zondag
11.00 uur tot 22.00 uur
Arti kel 2:34b Schenktijden paracommerciële dorpshuizen Paracommerciële rechtspersonen in de vorm van dorpshuizen kunnen uitsluitend alcoholhoudende drank verstrekken gedurende één uur voor, tijdens en één uur na stichting/vereniging- gebonden activiteiten, maar niet buiten de in onderstaand schema opgenomen schenKijden: Zondag tot en met donderdag
12.00 uur tot 24.00 uur
Vrijdag en zaterdag
12.00 uur tot 01.00 uur
Artikel 2:34c Uitzondering schenktijden paracommerciële dorpshuizen Een paracommerciële rechtspersoon in de vorm van een dorpshuis kan in afwijking van artikel 2:34b, naast de stichting/vereniging- gebonden activiteiten tevens alcoholhoudende drank schenken, binnen de in artikel 2:34b opgenomen schenKijden, tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard van dorpsgebonden personen.
Artikel 2:34d Ontheffing schenktijden
L. De burgemeester kan met het oog op bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard voor een 2.
aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen ontheffing verlenen van de in artikel 2:34a en2:34b gestelde verboden en beperkingen. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Arti kel 2:34e lntrekkingsg ronden ontheff ing arti kel 2=4d De in artikel 2:34d bedoelde ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstreK, of b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing is vereist, of c. zich feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid, of d. de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen, of
e. van de ontheffing geen gebru¡k wordt gemaaK binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn, of f. de houder van de ontheffing dit verzoekt. Artikel 2:34f Overgangsbepaling L. Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening vervallen voor paracommerciële rechtspersonen:
a. de voorschriften en beperkingen die tot dat tijdstip op grond van eerdere gemeentelijke verordeningen krachtens de wet zijn gesteld;
b. de ontheffingen die tot dat tijdstip door het college en de burgemeester zijn verleend;
c. de tot dat tijdstip gehanteerde schenk- of taptijden.
2. Onthetfingen die tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening zijn verleend op grond 3. 4.
van eerdere Eemeentelijke verordeningen krachtens de wet, behalve de in het eerste lid, onder c bedoelde ontheffingen, blijven 12 maanden na inwerkingtreding van deze verordening van kracht. Daarna komen deze ontheffingen te vervallen. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een ontheffing of vergunning op grond van de Drank- en Horecaverordening 2002 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast. Op bezwaarschriften gericht tegen een besluit krachtens de Drank- en Horecaverordening 2002 wordt beslist met toepassing van deze verordening.
Aîdeling 9. Taczieht op inrichtingan tot het verschalîen van nachtvcrblijf
Artikel2:35 Definitie ln deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogeliikheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft dan wel in verband met de uitoefening van beroep of bedrijf aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf verschaft. Onder een inrichting vallen in ieder geval hotels, campings, vakantiehuizen, bed & breakfasts, jachthavens en huisvestingsvoorzieningen.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 Nachtregister
1. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als
2. 3. 4.
bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model. De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht, het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar te overleggen op een door de burgemeester te bepalen wijze. De burgemeester kan ontheff¡ng verlenen van het in het eerste lid gestelde verplichte gebruik van het door de burgemeester vastgestelde model, wanneer wordt voldaan aan alle voonruaarden uit het gemeentelijk beleid "Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Maasdriel houdende regels omtrent handhaving van het digitaal nachtregister" of elke opvolger daarvan. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij het niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:38 Verschaff in g gegevens nachtreg ister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 70. Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:39 Definities
1. ln deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankeliike 2.
gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. ln deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.
Artikel 2:39r Spoclgolcgcnhcdcn
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing opsituaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van
4.
de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beinvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
b.
Artikel 2:40 Kansspclautomatcn L. ln hoogdrempelige inrichtingen zi¡n twee kansspelautomaten toegestaan
2. ln laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling 77. Maatregelcn tegen overlast cn baldadigheid
Artikel 2:4l Betrcden gesloten woning of lokaal L. Het is verboden een krachtens artikel tT4avan de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het 3.
publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel2:42 Flakken cn kladden
L. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is, en/of inzamelvoorzieningen voor afual, te bekrassen of te bekladden. 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats
3. 4. 5. 6. 7,
of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is en/of inzamelvoorzieningen voor afud : a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
Artikel 2:f,| Vervoer plakgereedschap e.d.
1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vcrvocr inbrckcrswcrktu igen
1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen of vermommingsmiddelen te vervoeren, bij zich te hebben of te dragen. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen n¡et zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middelvan braak te vergemakkelijken of het achterlaten van sporen en/of herkenning bij het plegen van voornoemde strafbare feiten te voorkomen.
Artikel 2:44a VcrvoGr geprcpareerde voorv\rerpcn
L. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing als redelijkenruijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.
Artikel 2:¡t5 Bctrcdcn van plantsoenen (Vervallen).
Artikcl 2:46 Rijden ovcr bcrmen c.d.
1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm,
2.
de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkenruijs wordt vereist. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provi n ciaal wegenreglement.
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
1. Het is verboden op een openbare plaats:
a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
2.
toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis ot 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
L. Het is voor personen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, 2.
die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel l van de Alcoholwet; b. en een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel35 van de Alcoholwet.
Artikel 2=48a: Verboden gebruik distikstofmonoxide (NzO, lachgas) Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (NzO, lachgas) middels inhalatie te gebruiken, toe te dienen, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
L. Het is verboden:
a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doelte bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikol 2:50 I'lindarliik gedrag in voor het publiek tocgankelijkc ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ru¡mte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:50a Vcrbod op zichtbare uitingen van verboden organisatics L. l.{et is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bii rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.
2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde ondenruerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:5l Nccrzettcn van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevelvan een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. (Vervallen).
Artikel 2:53 Bespieden van personen (Vervallen).
Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (Gereserveerd).
Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (Gereserveerd).
Artikel 2:56 Alarminstallaties (Gereserveerd).
Artikel 2:57 Loslopende honden L. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
b. binnen de bebouwde kom op een openbare weg als de hond niet is aangelijnd; of c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd, of
d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
3. Het eerste lid aanhef en onder a tot en met c zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat
begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikcl 2:5E Verontrciniging door hondcn
1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht een opruimmiddel bij zich te hebben om de uitwerpselen van die hond onmiddellijk te kunnen venruijderen. 3. Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege ziin handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 4. Het eerste lid is niet van toepassing voor de door het college aangewezen hondentoiletten en hondenuitlaatstroken.
Artikcl 2:59 Gcvaerlijkc honden
1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de 2. 3.
4.
eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,5 meter. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat vena/jdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstreK uniek identificatienummer door middelvan een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikcl 2:59a gevaarlijke honden op eigen terrein
L. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te 2.
laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar
2. 3.
het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels; c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of d. te voeren. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:61 Wilde dieren Vervallen.
Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodan¡ge maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.
Artikcl2:63 Duivcn (Vervallen)
Artikcl 2:64 Bijen (Vervallen)
Artikcl2:65 Bcdclarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Afdaling 712. Bcpalingdn tar bGstri¡ding van heling van gocdcren
Artikol2:66 Definitic ln deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingcn met betrekking tot het verkoopregister
1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onvenruijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;
c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;
d. de verkoopprijs of andere voonruaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel43T van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelen persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij ziin onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; 3. dat h'rj het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkenrvijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vest¡g¡ng een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van zijn onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed is gekregen.
a.
b. c. d.
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (Gereserveerd)
Artikel 2:70 Hande! in horecabedrijven (Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare inrichtingen) onder artikel2:32)
Afdeling 73. Vuurwerk
Artikel 2:71" Definitie ln deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuunruerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Besluit van Z2januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professionee I vuu nruerk (Vuurwerkbesluit).
Artikol 2:72Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen.
L. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuun¡¡erk ter 2.
beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3,3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepass¡ng.
Artikcl 2:73 Gcbruik van consumcntenvuurwerk tiidcns de iaarwisseling
1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurvverk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhet en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikol 2=73a Carbid schieten
L. Onder carbid schieten wordt verstaan: het in een (melk)bus op explosieve wijze verbranden van 2. 3.
acethyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gas(mengsels) met vergelijkbare eigenschappen. Het is verboden in de open lucht met carbid te schieten. Het verbod in het tweede lid geldt niet als het carbid schieten plaatsvindt op 31 december tussen L0.00 uur en 18.00 uur mits: a. het carbid schieten buiten de bebouwde kom plaatsvindt; b. hiervan tenminste 7 dagen voorafgaand aan de datum van gebruik melding is gedaan aan het college; c. de melding tevens is voorzien van een kaart waarop de betreffende locatie is ingetekend; d. degene die carbid schiet of daarbij behulpzaam is 18 jaar of ouder is; e. degene die carbid schiet of daarbij behulpzaam is niet onder invloed van alcoholof drugs is; gebruik wordt gemaakt van (melk) bussen of vergelijkbare voorwerpen met een maximale inhoud van 50 liter die worden afgesloten met een zacht materiaal (plastic voetbal of plastic zak); g. het zogenaamde vrijschootsveld tenminste 75 meter bedraagt en binnen deze ruimte geen openbare paden, wegen en -wateren en spoorwegen zijn gelegen; h.
het carbid schieten alleen in tegengestelde richting van de dichtst bi.igelegen woonbebouwing wordt gehouden; de locatie waar het carbid schieten plaatsvindt op ten minste 75 meter van de woonbebouwing, 300 meter van medische en zorginstellingen en 300 meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden; de locatie waar het carbid schieten plaatsvindt wordt afgesloten met linten of ander vergelijkbaar materiaal zodat andere groepen niet in de nabiiheid van de melkbussen en niet in de schietrichting kunnen komen staan; k. er geen handelingen worden verricht of nagelaten, waarvan degene die het carbid schieten verricht, weet of redelijkenrvijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaar, schade en/of hinder kan optreden voor mens, dier en milieu; schriftelijke toestemming is verkregen van de eigenaar of eigenaren van het perceel of de percelen waarop het carbid schieten plaatsvindt en dat deze op eerste vordering onmiddellijk ter inzage wordt afgegeven; m. alle door bevoegde ambtenaren van de politie, brandweer en gemeente te geven aanwijzingen strikt en onverwijld worden opgevolgd. Het college kan nadere regels vaststellen ter bescherming van de openbare orde, volksgezondheid en veiligheid. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde ondenruerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.
f.
i.
j.
l.
4. 5.
Aîdcling 74. Drugsovc/ast Artikcl 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doelom middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te ven¡¡erven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Atdcling 75 Bostuurlijkc ophouding, veilighcidsrisicogcbiadcn, cameratoezicht op openbare p I aatsc n cn gobiod s a na.gg i n g
Artikol 2:75 Bcatuurlijkc ophouding De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel X54a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aanEewezen Eroepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:L,Z:LO,2'.LL,2'.L5,2'J.6,2:L9, 2'.26, 2:3L,2:47,2:48,2:49,2:50,2:73,2:73A, of 5:34 van de Algemene Plaatselijke Verordening groepsgewijs niet naleven.