4718 - Bijlage 3 bij TAM-Omgevingsplan Overgoo - Aanmeldnotitie
Tekst van het document
Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Aan: College van B&W van de gemeente Leidschendam-Voorburg Van: MEES Ruimte & Milieu Betreft: Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling voor de ontwikkeling Overgoo – Fleetpark
Projectnr.: 23378 Kenmerk: 23378.AN/MER.01 Auteur: T.J. de Baare Datum: 26 maart 2025
1. INLEIDING De gemeente Leidschendam - Voorburg is voornemens om ter plaatse van het gebied, bekend als Overgoo Fleetpark, een gemengd woon- en werkgebied, waar diverse functies in hoge dichtheid samenkomen te realiseren. Op 5 oktober 2021 is het Ontwikkelkader Overgoo met spelregelkaart voor de gebiedsontwikkeling vastgesteld door de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg. Na het vaststellen van het ontwikkelkader is initiatiefnemer samen met de gemeente aan de slag gegaan met een verdieping van de stedenbouwkundige uitwerking uit het ontwikkelkader. Dit heeft geresulteerd in een nieuw stedenbouwkundigplan, wat op 16 januari 2024 door de gemeenteraad is vastgesteld. Door de grote verscheidenheid aan woning typologieën in het gebied wordt een gevarieerd woonprogramma gecreëerd. Dit biedt ruimte aan verschillende doelgroepen en voor alle inkomensgroepen, zowel in de koop als in de huursector. Het totale woonprogramma bevat 975 woningen. Daarvan is in ieder geval 30% sociaal (circa 295 woningen). Het economische programma zal bestaan uit functies die ten goede komen aan het functioneren van de buurt. Doelstelling is dat een Magic Mix ontstaat en er synergie is tussen de verschillende gebruiksfuncties. Het doel is om een werk- en voorzieningenprogramma te realiseren van ongeveer 17.400 m2 .
De gewenste woningbouwontwikkeling past niet binnen de mogelijkheden van het omgevingsplan van de gemeente Leidschendam - Voorburg en derhalve wordt een planologische procedure voorbereid. (Tijdelijk deel) omgevingsplan Ter plaatse van het projectgebied geldt het “Omgevingsplan gemeente Leidschendam Voorburg” (/akn/nl/act/gm1621/2020/omgevingsplan). Het plangebied valt onder het tijdelijk deel van het omgevingsplan, aangezien de voormalige bestemmingsplannen nog niet zijn omgezet naar het definitief omgevingsplan. Onderstaande figuur toont een uitsnede van de verbeelding behorend bij het geldende omgevingsplan (tijdelijk deel).
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 1
figuur 1. Uitsnede bestemmingsplan “Herstelbesluit bestemmingsplan Stedelijk” (bron: Qgis, eigen bewerking)
Op basis van het hiervoor genoemde bestemmingsplan is het plangebied gelegen binnen de volgende enkelbestemmingen: kantoor, water, groen en verkeer. Tevens geldt ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3', 'Waarde - Archeologie 4' en 'Leiding Water' en Waterstaat - Waterkering. De beoogde gebiedsontwikkeling, waarbij wonen en diverse commerciële functies gerealiseerd worden zijn in de bestaande planologische situatie niet toegestaan. Daarnaast wordt op diverse plaatsen buiten de bouwvlakken getreden en wordt de maximale bouw- en goothoogte overschreden. Aanleiding aanmeldnotitie Om het voorgenomen project mogelijk te maken wordt een TAM-omgevingsplan voorbereid. In het kader van deze procedure wordt een toelichting met regels opgesteld. Op dergelijke besluiten is de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit van toepassing. In afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit is de wetgeving rond de milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. Door het bevoegd gezag dient een afzonderlijk besluit genomen te worden of een m.e.r.-beoordeling volstaat. Deze aanmeldnotitie is de eerste stap in de procedure voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling.
In voorliggende aanmeldnotitie wordt gemotiveerd dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten, waardoor een m.e.r.-beoordeling volstaat. In hoofdstuk 2 wordt de relatie met het projectplan beschreven. Deze aanmeldnotitie wordt in hoofdstuk 3 afgesloten met een verzoek aan het bevoegd gezag.
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 2
2. RELATIE MET PROJECTPLAN In bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de projecten aangewezen waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt (zie onderstaande tabel). Het voorgenomen project is onder J.11 opgenomen in kolom 1 van bijlage V, maar uit kolom 2 blijkt dat een mer-plicht niet van toepassing is. Op grond van kolom 3 is een m.e.r.beoordeling wel nodig. Tabel 1. Relevant onderdeel J.11 uit bijlage V can het Omgevingsbesluit
Kolom 1 Projecten
J.11
Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen
Kolom 2 Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet) Niet van toepassing
Kolom 3 Gevallen waarin de mer-beoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet) Aanleg, wijziging of uitbreiding
Kolom 4 Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit Het omgevingsplan
In het kader van de m.e.r.-beoordeling dient een mededeling te worden gedaan van het aangewezen project bij het bevoegd gezag, waarin een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. De vorm van een m.e.r.-beoordelingsbesluit is niet bepaald, maar de inhoud waar een m.e.r.beoordeling aan dient te voldoen is wel bepaald (mer richtlijn, 2014/52/EU). In de milieueffectbeoordeling dient de volgende inhoud te zijn vermeld: 1. Kenmerken van de projecten; 2. Locatie van de projecten; 3. Soort en kenmerken van het potentiële effect. Onderstaand worden deze onderdelen nader toegelicht.
2.1 Kenmerken van het project Voor een weloverwogen beoordeling is het van belang dat de kenmerken van het project vermeld zijn. Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van de Vlietweg. Ten westen van het plangebied grenst het gebied aan het Leidschenveensepad, waar de Noordelijke Verbindingsweg parallel aan loopt. Ook bevindt zich hier de trambaan richting Leidschenveen. Het meest zuidelijke deel is gelegen aan de Rijksweg A4. Aan de overzijde van het kanaal de Vliet zijn in hoofdzaak woningen gelegen. Ook ten oosten en aan de overzijde van de Noordelijke verbindingsweg zijn woonwijken gelegen. Het plangebied behoort tot Leidschendam-Zuid. Het plangebied is bekend onder de volgende kadastrale perceelnummers van de gemeente Stompwijk (sectie H): 2590, 2642, 2517, 2641, 2519, 2520, 2521, 2522, 2523, 2524, 2525, 2526, 2527, 2530, 2529, 2528, 3519, 3520, 3518, 2890, 3517, 2526, 2627, 2604, 2539, 4698, 4699, 4692, 4790, 4791, 4792, 2266, 4794, 2625, 2623, 2724, 2626, 2370 (deels) en tot slot nummer 6855 sectie BD van de kadastrale gemeente 's-Gravenhage. In onderstaande afbeelding is de begrenzing van het projectgebied in relatie tot de omgeving weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 3
figuur 2. Ligging projectlocatie (bron luchtfoto: Qgis, eigen bewerking)
Het plangebied waar het TAM-Omgevingsplan betrekking op heeft ruimer is dan het ontwikkelgebied. Zo is het bestaande park richting de woonwijk ten oosten en Rijksweg A4 onderdeel van het plangebied. De daar bestaande functies, zoals water en groen zijn daarmee geborgd. 1. Omvang van het project Ontwikkelkader Voorafgaand aan de totstandkoming van het Ontwikkelkader is een Ontwikkelvisie opgesteld voor het gebied. In de Ontwikkelvisie, die in nauwe samenwerking met stakeholders en omwonenden is opgesteld, zijn vier ambities vastgesteldvoor het ontwikkelen van een levendig en gemengd gebied. Een gebied waarin wonen, werken en voorzieningen samenkomen en elkaar wederzijds versterken, een gebied dat goed verbonden is met zijn omgeving en duurzaam en klimaatbestendig ontwikkeld wordt. Het ontwikkelkader heeft de kaderstellende basis gevormt voor de verdere uitwerking van de bouwplannen en inrichtingsplannen voor de openbare ruimte. Stedenbouwkundigkader Na vaststelling van het ontwikkelkader is er gestart met de uitwerking van het stedenbouwkundig plan. Daarin is beschreven dat het totale programma binnen het plangebied circa 110.000 m2 BVO omvat. In het stedenbouwkundigplan is vastgelegd dat ruimte wordt geboden aan een woningbouwprogramma van circa 975 woningen. Daarvan is 30% sociaal (circa 295 woningen) en 20% middeldure huur/koop (circa 195 woningen).
De overige 50% van de woningen (circa 485 woningen) worden gerealiseerd voor de vrije sector. Het stedenbouwkundige plan is opgebouwd vanuit een aantal verschillende uitgangspunten, namelijk de bebouwing, ontsluiting, groen, water en verkeer. Hieronder wordt achtereenvolgens op deze aspecten ingegaan.
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 4
Het TAM-omgevingsplan biedt ruimte aan maximaal 975 woningen. Ten behoeve van het ontwikkelkader en het stedenbouwkundigplan is door Cushman & Wakefield onderzoek gedaan naar de invulling van het nietwoon programma en is de haalbaarheid daarvan getoetst in (in bandbreedtes) van de volgende vier werkfuncties: kantoor, bedrijfsruimte, zorg en commercieel. Zo wordt naast wonen ruimte geboden aan maximaal 17.400 m2 bvo aan werkgerelateerde functies. 2. Cumulatie met andere projecten Het plangebied grenst direct aan de Vlietweg 3 en 8a waar tevens een TAM-omgevingsplan voor is opgesteld. De bestaande bebouwing op het perceel Vlietweg 3 zal worden gesloopt, waarna hier een nieuw appartementencomplex zal worden gerealiseerd, met bijbehorende parkeerplaatsen en verharding en groen. Aangezien de ontwikkelingen in elkaars directe nabijheid zijn gelegen en van invloed zijn op hetzelfde verkeersnetwerk is sprake van cumulatieve effecten. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door onderzoeksbureau GoudAppel de verkeersdruk op het omliggende wegennet bepaald aan de hand van het verkeersmodel van de MRDH versie 2.10 – prognosejaar 2040 WLO Hoog). In het model zit de zogenoemde referentiesituatie. Dit is de variant met de huidige bebouwing van het Fleetpark in 2040.Voor het referentiejaar 2025 is de weekdagintensiteit van het plangebied 1.985 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
Het aandeel vrachtverkeer in het model is 5,5%. Bovenop de informatie uit het verkeersmodel is in de referentievariant ook het plan van de Vlietweg 3 meegenomen. In navolgende paragraaf 2.3 wordt hier nader op ingegaan. 3. Overige kenmerken van het project Het is noodzakelijk dat grondstoffen hergebruikt en zo efficiënt mogelijk worden ingezet, omdat de voorraad grondstoffen niet oneindig is. Bovendien beperkt circulair bouwen de klimaatverandering. Uiteindelijk werkt de gemeente toe naar een circulaire economie, waar afval wordt gezien als grondstof, en de kringlopen op bedrijventerreinen zijn gesloten. Er bestaat een levendige deeleconomie, waarbij circulaire economie een permanente plek heeft gekregen. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen In de huidige situatie is bebouwing aanwezig die gesloopt dient te worden ten behoeve van het initiatief. Om het planvoornemen te kunnen realiseren zijn er bouwwerkzaamheden noodzakelijk. Daarbij wordt gebruik gemaakt van machines en zal er de nodige verkeersaantrekkende werking zijn van het bouwverkeer. Voor de realisatie van het project worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal, zoals beton, hout, staal en grond. Een andere locatie zal niet leiden tot minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bij de beoogde ontwikkeling is geen sprake van productieprocessen.
Voor de realisatie van het project worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal zoals hout en beton. Een andere locatie zal niet leiden tot minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bij het voorgenomen project is geen sprake van productieprocessen. De nieuwbouw ontwikkeling biedt kansen een nieuw duurzaam gebouw te realiseren. Productie van afvalstoffen Bij de realisatie van het project komen de gebruikelijke bouwafvalstoffen vrij. Zoals eerder beschreven zal de bestaande bebouwing gesloopt worden. De gebruikelijke bouwafvalstoffen zullen zoveel mogelijk worden hergebruikt alvorens te worden aangeboden aan een erkende verwerker, waarbij de afvalstoffeninrichting het liefst zo dicht mogelijk bij de bouwplaats is gelegen. Deze verwerker zal zoveel als mogelijk de verschillende deelstromen gereedmaken om als grondstof toe te passen in nieuwe producten. Het hergebruik en de toepassing van secundaire grondstoffen bespaart het gebruik en daarmee de productie van primaire grondstoffen. Naast besparing van schaarse grondstoffen wordt met hergebruik en recycling tevens energie gespaard en de daarmee samenhangende broeikasgasemissie verlaagd.
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 5
Binnen het projectgebied wordt een woon-werkgebied voorzien, waarbij sprake zal zijn van huishoudelijk gerelateerd afval en het gebruikelijke bedrijfsmatige afval. De afvoer van regen- en vuilwater zal via een gescheiden rioleringsstelsel worden afgevoerd. 4. Verontreiniging en hinder Wat betreft milieuhinder wordt voldaan aan de wettelijke normen dan wel maatregelen getroffen om gevolgen te voorkomen/beperken. Stikstofdepositie Vermestende depositie of stikstofdepositie is de hoeveelheid stikstofhoudende verbindingen (stikstofoxiden, ammoniakale stikstof) vanuit de atmosfeer naar de bodem via droge (stof) of natte (regen) depositie. De vermestende invloed van deze depositie is een groot probleem voor het huidige natuurbeheer met bodemverzuring en eutrofiëring tot gevolg. Tijdens de bouwfase zal materieel dat wordt ingezet leiden tot de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zoals stikstofoxiden. Relevante emissies tijdens de bouwfase ontstaan naast de inzet van mobiele werktuigen ook door vervoersbewegingen van- en naar het plan. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Voor de bouwfase is in kaart gebracht welke mobiele werktuigen noodzakelijk zijn, het aantal benodigde draaiuren en het te verwachten dieselverbruik. Tevens is een inschatting gemaakt van de retourbewegingen per jaar van licht- en zwaar verkeer.
Op grond hiervan kan in ieder geval geconcludeerd worden dat geen sprake is van negatief significante effecten op nabij gelegen natuurgebieden. Stofhinder en geurhinder Bij bouw- en sloopwerkzaamheden komt stof vrij. Er kunnen plaatselijk en tijdelijk verhoogde concentraties grof en fijn stof (PM10) voorkomen. Het grof stof is het stof dat zichtbaar aanwezig is op ramen, auto’s en buitenmeubels. Dit stof vormt geen bedreiging voor de gezondheid omdat dit stof al in de neus en keel wordt afgevangen en dus niet in de longen terecht komt. Wat betreft het fijn stof blijkt uit onderzoeken dat het op bouwplaatsen voornamelijk gaat om de grovere fractie (PM2,5-10) van het fijn stof. Deze wat grotere deeltjes bereiken de longen doorgaans niet. Ze blijven hangen in de bovenste luchtwegen. Geluidhinder Hoewel tijdelijk van aard, geldt bouwlawaai als één van de meest invloedrijke hinderaspecten. Lawaai kan leiden tot gezondheidsklachten bij mensen. Aangezien de bouw- en sloopwerkzaamheden een beperkte duur hebben en niet plaatsvinden in de avond en nachtperiode zullen deze werkzaamheden niet leiden tot slaapgestoorden en de gezondheidsrisico’s voor de mens te overzien zijn. Door tijdens de bouwfase gebruik te maken van de best beschikbare stille technieken wordt geluidhinder zoveel mogelijk beperkt.
Risico van zware ongevallen en/of rampen Er is bij het voorgenomen project geen sprake van realisatie van risicovolle inrichtingen. Het aspect omgevingsveiligheid is beschouwd in motivering van het TAM-omgevingsplan. Daarbij zijn zowel het groepsrisico als het plaatsgebonden risico in ogenschouw genomen. Hieruit is gebleken dat dit niet leidt tot nadelige effecten voor de voorgenomen ontwikkeling. Bodemhinder Door in de bouw geen uitloogbare materialen te gebruiken op plaatsen die in contact kunnen komen met hemelwater en eventuele aanwezige vloeistoftanks, die bodembedreigende stoffen bevatten, te plaatsen in of boven een lekbak wordt verontreiniging van de bodem en grondwater voorkomen. Risico’s voor de menselijke gezondheid Bij het voorgenomen project worden risico’s voor de menselijke gezondheid niet verwacht. Tijdens de bouwfase zal hinder ontstaan. Dit betreft, op stikstofdepositie na, over het algemeen hinder die ervaren wordt in de nabijheid van de projectlocatie. Door gebruik te maken van de best beschikbare technieken wordt hinder zoveel mogelijk beperkt. Deze hinder is bovendien van tijdelijke aard.
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 6
2.2 Locatie van het project Binnen het plangebied zijn in de huidige situatie meerdere kantoorgebouwen gelegen. Parkeren domineert de ruimte rondom de kantoorlocatie en veel van de gebouwen voldoen niet meer aan de huidige norm en zijn bouwkundig afgeschreven. Daarnaast is er binnen het gebied veel leegstand. In het midden van het plangebied en aan de zuidzijde, in de richting van de Rijksweg A4 is groen te vinden. Daarnaast zijn er meerdere watergangen aanwezig binnen het plangebied. figuur 3. Impressie bestaande grondgebruik.
5. Opnamevermogen van het natuurlijke milieu Van belang is om het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied te beschouwen. Dit hangt samen met de nabijheid tot natuurbeschermingsgebieden. Het projectgebied is niet gelegen in een Natura 2000-gebied, NNN gebied, weidevogelleefgebied of ander kwetsbaar gebied. De voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk een effect hebben op de in de nabijheid gelegen Natura 2000gebieden. In navolgende paragraaf wordt hier nader op ingegaan.
2.3 Kernmerken van het potentiële effect In deze paragraaf wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de voorgenomen activiteit, waarbij het gaat om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken (kenmerken van het project en plaats van het project). Hetgeen beschreven is over de kenmerken van het project en de plaats van het project zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Van de overige (milieu)aspecten wordt op basis van de beoordeling die heeft plaatsgevonden in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten.
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 7
1. Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling In het onderzoek van GoudAppel is de verkeersdruk op het omliggende wegennet bepaald aan de hand van het verkeersmodel van de MRDH versie 2.10 – prognosejaar 2040 WLO Hoog). In het model zit de zogenoemde referentiesituatie. Dit is de variant met de huidige bebouwing van het Fleetpark in 2040.Voor het referentiejaar 2025 is de weekdagintensiteit van het plangebied 1.985 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het aandeel vrachtverkeer in het model is 5,5%. Bovenop de informatie uit het verkeersmodel is in de referentievariant ook het plan van de Vlietweg 3 meegenomen. Overgoo - Vlietweg, Verbindingsweg - Vlietweg en Verbiningsweg - Fleetpark Ten behoeve van het plan is een kruispuntberekening uitgevoerd voor zowel de referentie- als plansituatie in 2040 voor de drukste spitsuren.Het uitgangspunt voor de plansituatie is dat al het vertrekkende en aankomende verkeer van het plangebied gebruik maakt van het kruispunt Overgoo – Vlietweg (‘worst case’ situatie). Uit deze verkeersstudie blijkt dat het verkeer op een acceptabele wijze verwerkt kan worden via een tweezijdige ontsluiting: volledige aansluiting op de Vlietweg; uitsluitend een inrit op de Noordelijke Verbindingsweg (eventueel een additionele rechtsafstrook/uitrit richting de Vlietweg).
Uitgaand verkeer vanuit Fleetpark rechtsaf de Noordelijke Verbindingsweg op is niet gewenst, aangezien dit verkeer dan bij de Vlietweg moet omkeren om richting de A4 te rijden. Dit leidt tot verkeersonveilige manoeuvres. Daardoor zal het uitgaande verkeer vanuit Fleetpark via de Vlietweg verlopen. Uit de studie blijkt dat dit op een acceptabele wijze verwerkt kan worden. Verkeer het gebied in vanaf de vlietweg verloopt zeer goed, maar kan gespreid worden door het toevoegen van de ontsluiting vanaf de Noordelijke Verbindingsweg. Op grond van het verkeersonderzoek van GoudAppel kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 2. Geluid In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient bij het toestaan van nieuwe woningen een afweging te worden gemaakt over de aanvaardbaarheid van geluid. Ten behoeve van de voorgenomen woningbouwontwikkeling is door Peutz akoestisch onderzoek uitgevoerd, welke als bijlage bij het TAM-omgevingsplan is opgenomen. Uit het onderzoek volgt dat de standaardwaarde voor rijkswegen van 50 dB met maximaal 15 dB wordt overschreden. Tevens wordt de grenswaarde van 60 dB voor rijkswegen hiermee overschreden. Daarnaast wordt de standaardwaarde van 53 dB voor gemeentewegen met maximaal 15 dB overschreden. Aan de grenswaarde voor gemeentewegen wordt voldaan.
Voor het lokale spoorwegverkeer geldt dat overal wordt voldaan aan de standaardwaarden en daarmee ook aan de grenswaarden. Het maximale geluid op de gevels als gevolg van wegverkeer over rijkswegen is bij alle 22 bouwblokken hoger dan de standaardwaarde en bij 8 bouwblokken ook hoger dan de grenswaarde. Ten aanzien van de overschrijding van de grenswaarde is het – om woningen mogelijk te kunnen maken - noodzakelijk om maatregelen te treffen. Woningbouw is uitsluitend mogelijk indien een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen wordt toegepast, of het geluid wordt gereduceerd tot maximaal de grenswaarde. Voor gemeentewegen geldt dat bij 14 bouwblokken het maximale geluid op de gevel hoger is dan de standaardwaarde. Voor het lokale spoorwegverkeer geldt dat overal wordt voldaan aan de standaardwaarden en daarmee ook aan de grenswaarden. Aangezien de standaardwaardes worden overschreden dienen mogelijkerwijs hogere waarden te worden vastgelegd in het omgevingsplan. Dit kan alleen indien het redelijkerwijs niet mogelijk is aan de standaardwaarde te voldoen.
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 8
Voor het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen als het geluid hoger is dan de standaardwaarde maar lager dan de grenswaarde (binnen de reguliere bandbreedte van de decentrale afwegingsruimte binnen een gemeente), geeft artikel 5.78ab van het Besluit kwaliteit leefomgeving een instructieregel over het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel. Derhalve is onderzocht tof het mogelijk is geluidbeperkende maatregelen te treffen. In de voorliggende situatie zijn de mogelijkheden voor bron- en overdrachtsmaatregelen beperkt. De opzet van de bebouwing, conform het stedenbouwkundigplan en ontwikkelkader, is reeds dusdanig opgezet dat deze een afschermende werking zal hebben. Verdere maatregelen aan de woningen, waarmee wordt voldaan aan de standaardwaarden, zijn het meest kansrijk. Hierbij dient ook voldaan te worden aan de eisen uit het gemeentelijk geluidbeleid (o.a. inzake de geluidluwe gevel/buitenruimte). In de verdere bouwkundige uitwerking zal hier rekening mee worden gehouden en het een en ander is nader vastgelegd in de regels van het omgevingsplan. Daarnaast zal worden voldaan aan de eisen uit het Bbl, en wordt hiermee een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat gecreëerd. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het aspect geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggende wijziging van het omgevingsplan.
Geconcludeerd kan worden dat dit aspect het doorlopen van een MER niet rechtvaardigt. 3. Luchtkwaliteit Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder: Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen; Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen; Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties. Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 975 woningen en 17.400 m2 bvo aan werkprogramma en hiermee draagt het plan - gelet op de weergegeven voorbeelden - niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied en de directe omgeving. Daarbij geldt dat het plangebied in de huidige situatie nog in gebruik is als kantoorgebied.
In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving, is volledigheidshalve in kaart gebracht wat de totale concentraties van fijnstof en stikstof ten opzichte van bijbehorende grenswaarden zijn. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zijn de totale concentraties ter plaatse van een rekenpunt nabij het projectgebied inzichtelijk gemaakt in onderstaande tabel. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat de achtergrondconcentraties de grenswaarde niet overschrijden en hier ruim onder zijn gelegen.
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 9
Monitoringsronde 2023 Monitoringsjaar 2022 Monitoringsronde 2023 Monitoringsjaar 2030 Grenswaarde
NO2 (µg/m³) 29,72
PM10 (µg/m³) 18,96
PM2,5 (µg/m³) 9,63
21,78
15,89
7,68
40
40
25
receptor wegverkeer 27370940_15553685 receptor wegverkeer 27370940_15553685
4. Natuur In het kader van natuurbescherming dient de aan- of afwezigheid van beschermde soorten vastgesteld te worden en de invloed op beschermde natuur bepaald te worden. Soortenbescherming Ter plaatse van het plangebied is door ecologisch adviesbureau Van der Goes en Groot onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek bleek dat er mogelijk vleermuizen verblijven in de te slopen bebouwing en derhalve is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd in de periode van mei tot en met september 2021. Uitkomst van het vervolg onderzoek was dat in het plangebied verblijvende vleermuizen zijn aangetroffen. Het gaat om Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis. Het foerageergebied voor vleermuizen binnen het plangebied maakt slechts een klein deel uit van een veel groter foerageergebied en is geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied. De vleermuizen kunnen derhalve uitwijken. Aangezien de jongste gegevens voor Natura 2000 en soortenbescherming niet ouder mogen zijn dan drie jaar is een actualisatie van het nader onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd door Van der Goes en Groot in de periode mei tot en met september 2024. Tijdens de inventarisatie zijn drie soorten vleermuizen aangetroffen. In het plangebied zijn verblijvende vleermuizen aangetroffen. Het gaat om Ruige dwergvleermuis.
Zodra werkzaamheden worden verricht aan gebouwdelen waarin verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen, dan dient een plan van aanpak gemaakt te worden waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven om negatieve effecten die kunnen optreden teniet te doen. Dit plan dient te worden ingediend in het kader van een vergunningsaanvraag Ow. Wanneer voldoende compenserende en/of mitigerende maatregelen worden getroffen en een geldig belang uit de Habitatrichtlijn aanwezig is, wordt door de provincie een vergunning afgegeven. Dit aspect rechtvaardigt het doorlopen van een MER echter niet. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is geen sprake. Het meest nabijgelegen Natura 2000gebied Meijendel & Berkheide, ligt op voldoende ruime afstand dat geen negatieve invloed verwacht wordt van factoren die slechts een korte reikwijdte hebben, zoals bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. De enige factor die op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van invloed kan zijn, betreft stikstofdepositie en derhalve is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De rapportage is als bijlage toegevoegd bij het omgevingsplan. Hieruit blijkt dat er is aangetoond dat sprake is van een uitvoerbaar plan.
Op basis van worst case uitgangspunten kan geconcludeerd worden dat geen sprake is van een beperkende situatie wat stikstofdepositie betreft, en aldus sprake is van een uitvoerbaar plan. Ten gevolge van de aanleg/bouwfase van de beoogde ontwikkeling is naar alle verwachting geen sprake van een relevante toename aan stikstofdepositie ter plaatse van voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden. Van belangrijke nadelige milieueffecten is geen sprake en het aspect natuur rechtvaardigt het doorlopen van een MER niet. 5. Bodem Ten behoeve van het plan is door Tauw een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage bij het TAM-omgevingsplan. Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 10
Indien voor de werkzaamheden grond toegepast wordt, dient op basis van de bodemkwaliteitskaart en het huidig gebruik dit minimaal te voldoen aan de kwaliteitsklasse Industrie voor het noordelijk deel en aan klasse Achtergrondwaarde voor het zuidelijk deel van de onderzoekslocatie, op basis van de bodemkwaliteitskaart. Omdat de toekomstige functies in het gebied voornamelijk wonen (met tuin) wordt zal de maximaal toelaatbare kwaliteit van de grond strenger worden op het noordelijk deelgebied dan nu het geval is. Ter plaatse van de aangetoonde sterke verontreinigingen met asbest, zware metalen en/of PAK in het onderzoek, is een indicatie op een overschrijding van de maximale toelaatbare kwaliteit voor bouwen (gemiddeld gehalte voor parameter>I-waarde over volume van 25 m3 grond). Om vast te stellen of dit daadwerkelijk het geval is, wordt hier een nader onderzoek voor uitgevoerd. Op grond hiervan kan bepaald worden of de toelaatbare kwaliteit werkelijk overschreden wordt. Voor de aangetoonde sterke verontreinigingen geldt dat er sprake is van een potentiële toevalvondst, aangezien de I-waarde wordt overschreden en deze verontreinigingen niet eerder beschikt/bekend zijn. Om vast te stellen of dit aan de orde is, wordt een nader onderzoek uitgevoerd en vervolgens een risicobeoordeling gedaan voor de sterke verontreinigingen.
Indien hier uit blijkt dat sprake is van humane risico’s, dient de verontreiniging op initiatief van de eigenaar te worden gesaneerd. Op grond van de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit in voldoende mate is vastgesteld en dat, in de huidige situatie, de aanwezige bodemverontreiniging in principe een belemmering kan vormen voor de voorgenomen herontwikkeling. Hiertoe wordt het benodigd vervolgonderzoek uitgevoerd. Indien benodigd kan middels een eventueel saneringsplan worden toegewerkt naar een situatie waarbij de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functies die in het TAM-omgevingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit aspect rechtvaardigt het doorlopen van een MER niet. 6. Archeologie Het plangebied kent een drietal archeologische waarde. Omdat met het TAM-omgevingsplan een nieuwe ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt is in het kader hiervan door Transect i.o. van TAUW in september 2024 een archeologisch vooronderzoek verricht. Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend veldonderzoek (IVO). figuur 4. Impressie bestaande grondgebruik.
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 11
De vraagstelling van deze onderzoeken richt zich op het vaststellen en toetsen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd aan het TAM-omgevingsplan. Dit aspect rechtvaardigt het doorlopen van een MER niet. 7. Omgevingsveiligheid De beoogde ontwikkeling omvat de realisatie van woningen, voorzieningen en werkfuncties. De voorzieningen en werkfuncties kunnen zowel vallen onder de categorie van kwetsbare als beperkt kwetsbare gebouwen. De woonfuncties vallen in de voorliggende situatie onder de categorie kwetsbare gebouwen. Voor de voorzieningen zal daarnaast naar verwachting nog sprake zijn van gebruiksfuncties die onder de categorie ‘zeer kwetsbaar gebouw’ vallen, zoals bijvoorbeeld een kinderopvang. De beoogde ontwikkeling is niet gelegen binnen het PR van 10-6 afstand van een risicovolle activiteit in de omgeving van het plangebied. Het plangebied is deels gelegen binnen een brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied en het omgevingsplan staat de realisatie van zeer kwetsbare objecten toe binnen het explosieaandachtsgebied, waaronder een kinderdagverblijf, maar buiten het brandaandachtsgebied.
Aanwijzing explosieaandachtsgebied Op grond van de artikelen 5.12 en 5.13 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gelden er rond aangewezen risicobronnen van rechtswege explosieaandachtsgebieden. Als met het wijzigen van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning een (beperkt/zeer) kwestbaar gebouw of een (beperkt) kwetsbare locatie binnen dit aandachtsgebied mogelijk wordt gemaakt, dan moet bij het nemen van dit besluit bijzondere aandacht op het daarmee samenhangende risico worden besteed. Daarnaast kán de gemeente binnen dit aandachtsgebied een zogenoemd voorschriftengebied vaststellen. Dit heeft tot gevolg dat op grond van artikel 4.90 en verder van het Besluit bouwwerken leefomgeving bijzondere eisen aan de constructie van de gevel van de (beperkt/zeer) kwetsbare gebouwen worden gesteld. Om de gebruiker van het TAM-omgevingsplan van deze gevolgen op de hoogte te stellen, is in de wijziging van het omgevingsplan het explosieaandachtsgebied weergegeven. Ter plaatse van voorschriftengebieden gelden extra (technische) eisen voor bouwwerken, met het oog op het beperken van de gevolgen van een brand of explosie. Deze aanvullende bouweisen staan in artikel 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij de verdere uitwerking van het plan dient hier rekening mee gehouden te worden.
Geconcludeerd kan worden dat van belangrijke nadelige milieueffecten geen sprake is en dit aspect een MER niet rechtvaardigt. 8. Water Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Voor het plan wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Ten behoeve van het plan is een weging van het waterbelang opgesteld en toegevoegd als bijlage. Op deze manier is binnen het plan het waterbelang vroegtijdig en volwaardig meegewogen waarmee het onderdeel water tijdig en volledig wordt geborgd in het omgevingsplan. Op deze manier wordt duurzaam waterbeheer bevorderd en worden wateroverlast en watertekorten voorkomen. De resultaten uit de rapportage zijn hieronder samenvattend weergegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 12
Huidige situatie Maaiveldverloop Het maaiveld binnen het projectgebied ligt tussen de -4,0 en +1,0 m NAP. Het maaiveld loopt in zuidoostelijke richting af. Het gebied wordt in de huidige situatie ontsloten via de Vlietweg aan de noordzijde, met een wegpeil van circa +0,4 m NAP. Langs de westrand is de Noordelijke Verbindingsweg gesitueerd welke van circa +0,2 m NAP oploopt tot het viaduct over de tramlijn (circa +3,0 m NAP). Via een steil talud loopt het maaiveld af tot waarden rond -3,5 m NAP. Langs de taluds van de watergangen komen nog lagere maaiveldhoogtes voor. Oppervlaktewatersysteem Het plangebied is gelegen in het zuiden van Leidschendam, en grenst aan de noordzijde aan het kanaal de Leidsche Vliet. Het watersysteem is onderverdeeld in twee verschillende type wateren: primair boezemwater (de Vliet) en secundair polderwater. Secundair polderwater bestaat uit watergangen en kanaaltjes die zorgen voor peilregulering en afwatering van het gebied. Aan de noordzijde van het plangebied is het boezemwater van de Vliet gesitueerd. Aan de zuidzijde is een boezemkade aanwezig die wat water binnen de boezem moeten houden. Dit betreft een regionale waterkering.
Aan de noordkant van het plangebied is een waterpartij met belendende waterkering aanwezig die tot doel heeft om overtollig water op te vangen en tijdelijk op te slaan tijdens perioden van hevige regenval en om de grondwaterstand te reguleren. Deze zogenoemde polderkade is aangemerkt als 'overige waterkering' en voorkomt dat een teveel aan water afstroomt naar de lager gelegen peilvakken. Deze kering dient in stand te worden gehouden bij de herontwikkeling van het plangebied. Voor het regelen van de waterafvoer binnen het gebied zijn duikers en stuwen aangelegd. Deze kunstwerken zijn verbonden met verschillende watergangen die het water geleiden en zorgen voor een gecontroleerde afvoer. Toekomstige situatie Waterkering In de huidige situatie is een regionale waterkering langs de Vliet aanwezig. Deze blijft ongewijzigd en er wordt binnen de beschermingszones niet gebouwd. Halverwege het plangebied is een overige waterkering (polderkade) aanwezig. Ten behoeve van het plan is onderzoek gedaan naar de inpassing van de polderkade in de ontwikkeling is een voorkeursvariant uitgewerkt. Essentie van deze variant is dat de polderkade voor het overgrote deel in stand wordt gehouden (waaronder de oppervlaktewater streefpeilen en de kerende hoogte van de kering).
Enkel aan de westzijde wordt de kering verlegd, waardoor de hele zuidelijke lus langs de Noordelijke Verbindingsweg komt te vervallen. In de verdere uitwerking van de waterstructuur is de voorkeursvariant als uitgangspunt gehanteerd. Als gevolg van het verleggen van de polderkade moet ook een deel van het polderwater worden gedempt. Deze demping moet 1-op-1 gecompenseerd worden binnen het nieuwe plan in de vorm van nieuw oppervlaktewater. Verharding en bergingsopgave Op basis van de vlakkenkaart is het verhard oppervlak bepaald. Het bruto oppervlak van de ontwikkeling is 76.011 m2. Hiervan is 43.046 m2 verhard in de toekomstige situatie. Ten opzichte van de huidige situatie betekent dat een toename van 9.505 m2. Vanwege de verschillende peilvakken en de beoogde aanpassing aan de waterkering (en daarmee peilvakgrens) is het plangebied opgedeeld in drie deelgebieden. Per deelgebied zijn de oppervlakken in de huidige en toekomstige situatie geïnventariseerd, waarmee de toe/afname van het verhard oppervlak in beeld is gebracht. Door het Hoogheemraadschap van Delfland is met behulp van de Watersleutel de bergingsopgave bepaald. Hieruit volgt dat het nodig is om extra waterberging te realiseren.
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 13
Door enerzijds het dempen van bestaand oppervlaktewater en anderzijds het nieuw realiseren van verhard oppervlak is voor elk deelgebied (/peilvak) een bergingsopgave berekend, volgend uit de Watersleutel van het hoogheemraadschap. In de berekening is rekening gehouden met de klimaateffecten op basis van KNMI 2019 klimaatscenario WL 2050. De opgave per peilvak is weergegeven in onderstaand figuur. Netto moet in de toekomstige situatie 1.628 m3 extra waterberging worden gerealiseerd, dit is inclusief de afname aan wateroppervlak in de peilvakken LEI 5 en LEI 7. De volumes zijn op basis van de toegestane peilstijging omgerekend naar een nieuw te realiseren oppervlak aan oppervlaktewater. figuur 5. Bergingsopgave per peilvak (bron: weging van het waterbelang Tauw).
De benodigde berging kan gerealiseerd worden door het toepassen van oppervlaktewater en/of wadi’s. In de rapportage zijn deze maatregelen nader beschouwd. In het huidige ontwerp is in de peilvakken LEI 5 en LEI 7 geen toename aan waterberging in oppervlaktewater gerealiseerd. Daarentegen wordt in peilvak LEI 1 voor 2.126 m2 aan nieuw oppervlaktewater gerealiseerd. Met een toegestane peilstijging van 0,55 m betekent dit een beschikbare bergingscapaciteit van 1.169 m3. In het huidige ontwerp worden wadi’s gerealiseerd, welke voor een deel invulling geven aan de bergingsopgave. In peilvak LEI 7 blijft het oppervlak aan wadi’s gelijk, terwijl in de peilvakken LEI 1 en LEI 5 een toename wordt gerealiseerd. Netto wordt een toename van 405 m2 aan wadioppervlak gerealiseerd. Als uitgangspunt is gehanteerd dat in een T=100 situatie de wadi’s met een maatgevende waterhoogte van 50 cm (verschil tussen wadibodem en maaiveldniveau) volledig gevuld mogen zijn. Dit levert netto circa 202 m3 waterberging op. Van de bergingsopgave van 1.628 m3 kan door middel van de toename aan oppervlaktewater en wadi’s 1.371 m3 (1.169 m3 + 202 m3) worden gerealiseerd. Dit betekent dat er nog een restopgave is van 257 m3. Om de restopgave van 257 m3 waterberging te realiseren is een alternatieve optie voor het inrichtingsplan uitgewerkt.
Daarbij zijn de watergangen in alle drie de peilvakken verbreed en zijn waar mogelijk extra wadi’s toegevoegd. Naast het realiseren van meer oppervlaktewater en meer/grotere wadi’s kan ook gedacht worden aan het realiseren van waterberging op de daktuinen. Het toepassen van ondergrondse voorzieningen worden afgeraden omdat de grondslag hier niet geschikt voor is en/of anderzijds de grondwaterstand te hoog staat (met name in de lagergelegen delen van het plangebied). Daarnaast is in de alternatieve optie ruimte gemaakt voor meer wadi’s. Netto geeft dit 331 m2 extra wadioppervlak. Met een maatgevende waterhoogte van 0,50 m levert dit 165 m3 extra waterberging. De alternatieve optie heeft daarmee in totaal 1.809 m3 beschikbare waterberging, waarmee ruimschoots invulling wordt gegeven aan de bergingsopgave van 1.628 m3. Waterkwaliteit Voor een robuust watersysteem met een goede waterkwaliteit zijn een aantal aspecten van belang. Zo mag geen verontreinigd water worden geloosd en mogen bij de nieuwbouw geen uitlogende materialen worden toegepast. Dit zijn bronmaatregelen die voorkomen dat vervuiling in het oppervlaktewater terechtkomt. Hetzelfde kan gedaan worden met weken en dakoppervlak welke via een voorzuiverende voorziening (bijvoorbeeld een wadi of wegberm) gezuiverd wordt, voordat er water in het oppervlaktewater terechtkomt.
Bij het realiseren van oppervlaktewater is het van belang dat de waterdiepte voldoende is (minimaal 1,0 m) en dat er geen doodlopende trajecten zijn. Doodlopende watergangen zijn niet wenselijk, tenzij aan het uiteinde een hemelwaterlozing aanwezig is die voor de nodige doorspoeling zorgt bij neerslag. Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 14
Uit de watersleutel van Hoogheemraadschap van Delfland volgt een bergingsopgave voor de toekomstige ontwikkeling van totaal 1.628 m3. Wanneer alle voorgestelde wadi’s ontwikkeld worden en het oppervlaktewater wordt uitgebreid wordt kan er voldaan worden aan deze eis. Een alternatief is het realiseren van waterberging op daktuinen als onderdeel van het uitgeefbare terrein. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat binnen het ontwerp voldoende maatregelen voorzien zijn, zoals het realiseren van wadi’s en het graven van extra oppervlakte water dat van nadelige milieueffecten geen sprake is en dit aspect het doorlopen van een MER niet rechtvaardigt. 9. Gezondheid en duurzaamheid Gezondheid wordt bepaald door verschillende factoren. Te denken valt aan geluid, luchtkwaliteit, groen, bewegen en sociale aspecten. Zoals hiervoor reeds is beschreven, zijn negatieve effecten als gevolg van geluid, externe veiligheid en luchtkwaliteit niet te verwachten. Daarnaast wordt binnen het plangebied ingezet op de realisatie van groen en water. In de toelichting van het TAM-omgevingsplan is nader ingegaan op deze aspecten en hieruit volgt dat het plan niet leidt tot een negatief (milieu)effect ten aanzien van het aspect gezondheid en de te treffen duurzaamheidsmaatregelen bijdragen aan de klimaatdoelstellingen van de gemeente. Dit aspect leidt niet tot een negatief (milieu)effect. 10.
Overige milieuaspecten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling die heeft plaatsgevonden in de onderbouwing op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot aanzienlijke milieueffecten.
3. VERZOEK Middels voorliggende aanmeldnotitie wordt het bevoegd gezag verzocht het besluit te nemen dat, gezien de kenmerken van het potentiële effect, geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig is.
Mees Ruimte & Milieu | 23378.AN/MER.01
Pagina | 15