4324 Bijlage 2a Globale passende beoordeling
Tekst van het document
OER Omgevingsvisie Leidschendam-Voorburg Globale passende beoordeling
Gemeente Leidschendam-Voorburg 26 juni 2025
Project
Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
OER Omgevingsvisie Leidschendam-Voorburg Gemeente Leidschendam-Voorburg
Globale passende beoordeling Definitief 26 juni 2025 145515/25-010.156
145515 Ir. N. Wäckerlin A.M. Springer-Rouwette MSc
T. van Hartskamp MSc E. Pinto MSc Ir. N. Wäckerlin
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Daalsesingel 51c Postbus 24087 3502 MB Utrecht +31 (0)30 765 19 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos, noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Tekst- en datamining van (delen van) dit document, evenals enige verwerking of reproductie ervan door middel van kunstmatige intelligentie technologieën is uitdrukkelijk niet toegestaan, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Dit document (of delen ervan) mag niet worden verveelvoudigd en/of anderszins worden gebruikt op enigerlei wijze voor het trainen van kunstmatige intelligentie technologieën, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Doel rapportage
4
1.3
Leeswijzer
5
2
NATURA 2000-GEBIEDEN
6
2.1
Meijendel & Berkheide
6
2.2
De Wilck
8
2.3
Westduinpark & Wapendal
9
3
INGREEP-EFFECTRELATIES
11
4
BEOORDELING EFFECTEN INCLUSIEF MITIGATIE
13
4.1
Stikstofdepositie
13
4.2
Recreatiedruk
14
4.3
Behoud en versterken van natuur en watersystemen buiten Natura 2000-gebieden
15
4.4
Realisatie zonopwekking langs snelwegen
15
5
CONCLUSIE
16
6
LITERATUUR
18
Laatste pagina
18
Bijlage(n) I
Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebieden
Aantal pagina's 9
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
De Omgevingswet is op 1 januari 2024 in werking getreden. Gemeenten zijn daardoor verplicht om een omgevingsvisie op te stellen. Een omgevingsvisie is een langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. In de omgevingsvisie zijn de ambities en beleidsdoelen vastgelegd die richting geven aan de beslissingen die in de fysieke leefomgeving genomen zullen moeten worden voor de ontwikkelingen, trends en ontwikkelingen die afkomen op de gemeente LeidschendamVoorburg. Deze opgaven vragen om een integrale en samenhangende aanpak. De omgevingsvisie vormt een kader voor mer-(beoordelings)plichtige vervolgbesluiten. Voor kaderstellende plannen met effect op de leefomgeving is het verplicht om deze effecten te onderzoeken. Daarom is parallel aan het opstellen van de omgevingsvisie een breed omgevingseffectrapport (OER) opgesteld. Het OER brengt effecten op de leefomgeving in beeld als gevolg van keuzes die in de omgevingsvisie worden gemaakt. Het doel van het OER is om de effecten van de te maken keuzes in de omgevingsvisie in beeld te brengen, zodat omgevingsbelangen volwaardig meewegen in de besluitvorming. Dit draagt bij aan een transparante besluitvorming. Hiermee wordt aangesloten op de bredere kijk van de Omgevingswet op de fysieke leefomgeving. Het OER bevat een beschrijving en beoordeling van de omgevingseffecten.
Het OER gaat hierbij in op reële alternatieven voor de beoogde ontwikkelingen die voor de te onderbouwen keuzes in de omgevingsvisie onderscheidend zijn voor wat betreft de omgevingseffecten. Met andere woorden, in het OER worden de effecten van de voornemens uit de omgevingsvisie op de leefomgeving beschreven. De omgevingsvisie en het OER hebben een kaderstellend karakter en de ontwikkelingen die worden beschreven, kunnen effect hebben op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Deze effecten zijn opgenomen in het OER, maar omdat significante gevolgen op Natura 2000-gebieden niet op voorhand zijn uit te sluiten, is met voorliggende rapportage ook een globale passende beoordeling opgesteld.
1.2
Doel rapportage
Het doel van voorliggende rapportage is het in beeld brengen van de risico’s op significante gevolgen op instandhoudingsdoelstellingen en de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden als gevolg van het voorgenomen beleid. Hierbij worden mogelijke mitigerende maatregelen voorgesteld. Waar relevant worden ook de kansen op positieve effecten beschreven. Het detailniveau van de globale passende beoordeling sluit aan bij het detailniveau van de omgevingsvisie en het OER. De globale passende beoordeling betreft daarom voornamelijk een risico-inschatting en een beoordeling op hoofdlijnen. Voor de uitwerking en uitvoering van onderdelen van de omgevingsvisie door gemeente of ontwikkelaars dient in alle gevallen een nadere effectbeoordeling uitgevoerd te worden. Voorliggend rapport heeft geen juridische status.
4 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-008.871 | Concept 01
1.3
Leeswijzer
De globale passende beoordeling is als volgt opgebouwd: - hoofdstuk 2 beschrijft voor de Natura 2000-gebieden die mogelijk effecten ondervinden wat de huidige staat van instandhouding van deze gebieden is; - hoofdstuk 3 geeft de ingreep-effect relaties, waarin wordt toegelicht welke mogelijke effecten optreden door de nieuwe ontwikkelingen; - hoofdstuk 4 beoordeelt de mogelijke gevolgen op Natura 2000-gebieden inclusief mogelijke mitigatie; - hoofdstuk 5 geeft de conclusie; en - hoofdstuk 6 bevat de gebruikte literatuur.
5 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
2 NATURA 2000-GEBIEDEN In de omgeving van gemeente Leidschendam-Voorburg bevinden zich de Natura 2000-gebieden Meijendel & Berkheide (circa 3 km), De Wilck (circa 4 km) en Westduinpark & Wapendal (circa 5 km) (afbeelding 2.1). In de volgende paragrafen wordt de huidige staat van instandhouding van deze Natura 2000-gebieden beschreven. Voor de effecten van stikstofdepositie zijn de Natura 2000-gebieden in een straal van 25 kilometer rondom het zoekgebied potentieel relevant. Dit betreft, naast de hiervoor beschreven Natura 2000-gebieden, Solleveld & Kapittelduinen (circa 8 km), Coepelduynen (circa 10 km), KennemerlandZuid (circa 14 km), Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein (circa 17 km), Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (circa 17 km). Voor alle Natura 2000-gebieden zijn de instandhoudingsdoelstellingen beschreven in bijlage I.
Afbeelding 2.1 Weergave gemeente Leidschendam-Voorburg en omliggende Natura 2000-gebieden
2.1
Meijendel & Berkheide
In bijlage I, Tabel I.1 staan de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide beschreven. Hier is te zien dat habitattypen en habitatrichtlijnsoorten zijn aangewezen voor het Natura 2000-gebied. In tabel 2.1 is op basis van de natuurdoelanalyse samengevat wat de huidige kwaliteit en knelpunten voor de habitattypen en habitatrichtlijnsoorten in Meijendel & Berkheide zijn
6 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
(provincie Zuid-Holland 2022). Ook is weergegeven of met een maximale inzet van maatregelen de opgave voor het habitattype kan worden behaald. Relevant om te vermelden is dat voor veel habitattypen informatie over de abiotische omstandigheden en voor de kenmerken van goede structuur en functie ontbreekt.
Tabel 2.1 Overzicht huidige staat van instandhouding en knelpunten voor de aangewezen habitattypen en habitatrichtlijnsoorten in Meijendel & Berkheide op basis van de natuurdoelanalyse (provincie Zuid-Holland 2022) Habitattype
Kwaliteit
Knelpunt(en)
Eindoordeel natuurdoelanalyse
H2110 - Embryonale duinen
goed
-
te veel doorontwikkeling naar H2120 valt nu deels buiten de begrenzing en de exacte omvang is daardoor onbekend onvoldoende rust voor strandplevier
de instandhoudingsdoelstellingen zijn bij maximale inzet van maatregelen haalbaar
typische soorten ontbreken inde landinwaarts gelegen delen vergrassing (mede door hondenlosloopgebied) te weinig dynamiek, waardoor de vegetatie niet onregelmatig van structuur is
de instandhoudingsdoelstellingen zijn bij maximale inzet van maatregelen haalbaar
waarschijnlijk veel overlap met H2130B relatief laag voorkomen van typische soorten zuurgraad is deels te hoog onvoldoende begrazing door konijnen
de instandhoudingsdoelstellingen zijn niet haalbaar
waarschijnlijk veel overlap met H2130A relatief laag voorkomen van typische soorten zuurgraad is deels te hoog onvoldoende begrazing door konijnen
de instandhoudingsdoelstellingen zijn niet haalbaar
lokaal te zuur in middenduinen; lokaal te weinig dynamiek
de instandhoudingsdoelstellingen zijn bij maximale inzet van maatregelen haalbaar
-
H2120 - Witte duinen
goed
-
H2130A - Grijze duinen (kalkrijk)
matig tot goed
-
H2130B - Grijze duinen (kalkarm)
matig tot goed
-
H2160 Duindoornstruwelen
goed, structuur en functie onbekend
-
H2180A - Duinbossen (droog)
goed, structuur en functie onbekend
geen knelpunten
de instandhoudingsdoelstellingen zijn bij maximale inzet van maatregelen haalbaar
H2180B - Duinbossen (vochtig)
matig, structuur en functie onbekend
-
relatief weinig typische soorten aanwezig omstandigheden zijn lokaal te droog
de instandhoudingsdoelstellingen zijn niet haalbaar
delen zijn te droog voor het habitattype ligt sterk verspreid door het gebied, waarmee niet overal voldaan wordt aan de functionele omvang
de instandhoudingsdoelstellingen zijn niet haalbaar
indicaties van afname van oppervlakte lokaal te droog
de instandhoudingsdoelstellingen zijn niet haalbaar
H2180C- Duinbossen (binnenduinrand)
goed, structuur en functie onbekend
-
H2190A - Vochtige duinvalleien (open water)
7 | 18
goed, structuur en functie onbekend
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
-
Habitattype
Kwaliteit
Knelpunt(en)
Eindoordeel natuurdoelanalyse
H2190B - Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
goed, structuur en functie onbekend
ligt sterk verspreid door het gebied, waarmee niet voldaan wordt aan de functionele omvang
de instandhoudingsdoelstellingen zijn bij maximale inzet van maatregelen haalbaar
H2190C - Vochtige duinvalleien (ontkalkt)
goed, structuur en functie onbekend
ligt sterk verspreid door het gebied, waarmee niet voldaan wordt aan de functionele omvang
de instandhoudingsdoelstellingen zijn bij maximale inzet van maatregelen haalbaar
H2190D - Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten
goed, structuur en functie onbekend
omstandigheden zijn te droog
de instandhoudingsdoelstellingen zijn bij maximale inzet van maatregelen haalbaar
H3140 Kranswierwateren
matig, structuur en functie onbekend
geen knelpunten
de instandhoudingsdoelstellingen zijn bij maximale inzet van maatregelen haalbaar
H6430 - Ruigten en zomen (moerasspirea)
slecht tot matig, structuur en functie onbekend
-
de instandhoudingsdoelstellingen zijn bij maximale inzet van maatregelen haalbaar
-
kwaliteit van vegetatie is niet goed laag voorkomen van typische soorten te droog op locaties waar het habitattype ligt habitattype komt met een te klein oppervlakte voor
Habitatrichtlijnsoort
Kwaliteit
Knelpunt(en)
Eindoordeel natuurdoelanalyse
H1014 - Nauwe korfslak
draagkracht voldoet
geen knelpunten
de instandhoudingsdoelstellingen zijn haalbaar
H1149 - Kleine modderkruiper
draagkracht voldoet
-
onduidelijk wat de exacte verspreiding en trend van de soort is onbekend wat de kwaliteit van het leefgebied is en hoeveel plassen geschikt zijn voor de soort
de instandhoudingsdoelstellingen zijn haalbaar
onduidelijk wat de exacte verspreiding en trend van de soort is aanwezigheid van vissen binnen de wateren niet duidelijk
de instandhoudingsdoelstellingen zijn haalbaar
-
H1166 Kamsalamander
draagkracht voldoet
-
-
H1318 - Meervleermuis
2.2
draagkracht voldoet
geen knelpunten
de instandhoudingsdoelstellingen zijn haalbaar
De Wilck
In bijlage I, Tabel I.2 staan de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied De Wilck beschreven. Hier is te zien dat enkel niet-broedvogelsoorten zijn aangewezen voor het Natura 2000-gebied. In tabel 2.1 is op basis van de natuurdoelanalyse samengevat wat het huidige voorkomen en de knelpunten voor de niet-broedvogelsoorten in De Wilck zijn (provincie Zuid-Holland 2023). Ook is weergegeven of zonder aanvullende maatregelen de instandhoudingsdoelstellingen behaald kunnen worden.
8 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
Tabel 2.2 Overzicht huidige staat van instandhouding en knelpunten voor de aangewezen doelstellingen van nietbroedvogelsoorten in De Wilck op basis van de natuurdoelanalyse (provincie Zuid-Holland 2023) Nietbroedvogelsoort
Populatiedoelstelling
Voorkomen
Knelpunt(en)
Eindoordeel natuurdoelanalyse
A037- kleine zwaan
slaap-en rustplaats, doelstelling van een seizoensmaximum van 160 individuen
seizoensmaximum neemt de laatste jaren af. Gemiddelde seizoensmaximum tussen 2018/2019 en 2022/2023 bedraagt 4 individuen
-
kleine omvang van het gebied afkalving van de oevers toename van pitrus, afname van openheid van het gebied verzuring mogelijk jacht, schadebestrijding en wildbeheer
het is zonder aanvullende maatregelen waarschijnlijk haalbaar om de instandhoudingsdoelstellin gen voor slaap-en rustplaats te behalen
kleine omvang van het gebied afkalving van de oevers toename van pitrus, afname van openheid van het gebied verzuring mogelijk jacht, schadebestrijding en wildbeheer
de instandhoudingsdoelstellin gen voor slaapfunctie kunnen waarschijnlijk zonder aanvullende maatregelen behaald worden, voor de foerageerfunctie is dit onzeker
-
-
A050- smient
2.3
foerageergebied, doelstelling van een seizoensgemiddelde van 10 individuen
seizoensgemiddelden fluctueren sterk. Kleine zwanen foerageren in omliggende polders, waar meer open en voedselrijk grasland voorkomt. Gemiddelde tussen 2018/2019 en 2022/2023 is 0
slaap- en rustplaats en foerageergebied, doelstelling van een seizoensgemiddelde van 2.100 individuen
seizoensgemiddelde fluctueert sterk van jaar tot jaar, vanaf 1991 een significante toename zichtbaar. Gemiddelde aantal slapende individuen tussen 2018/2019 en 2022/2023 bedraagt 2.460
-
-
het is onzeker of de instandhoudingsdoelstellin gen voor foerageergebied zonder aanvullende maatregelen behaald kunnen worden
Westduinpark & Wapendal
In bijlage I, Tabel I.3 staan de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal beschreven. Hier is te zien dat enkel habitattypen zijn aangewezen voor het Natura 2000-gebied. In tabel 2.3 is op basis van de natuurdoelanalyse samengevat wat de huidige kwaliteit en knelpunten voor de habitattypen in Westduinpark & Wapendal zijn (provincie Zuid-Holland 2022). Ook is weergegeven of met een maximale inzet van maatregelen de opgave voor het habitattype kan worden behaald. Uit het eindoordeel van de natuurdoelanalyse blijkt dat voor sommige habitattypen de instandhoudingsdoelstellingen niet haalbaar zijn. Dit is gebaseerd op het maximale haalbare areaal dat met maatregelen kan kwalificeren als habitattype (provincie Zuid-Holland 2022). Het is echter noodzakelijk dat passende maatregelen getroffen worden om ervoor te zorgen dat de kwaliteit binnen Natura 2000-gebieden niet verslechterd (artikel 3.59 lid b, Bkl).
9 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
Tabel 2.3 Overzicht huidige staat van instandhouding en knelpunten voor de aangewezen habitattypen in Westduinpark & Wapendal op basis van de natuurdoelanalyse (provincie Zuid-Holland 2022) Habitattype
Kwaliteit
Knelpunten
Eindoordeel natuurdoelanalyse
H2120 - Witte duinen
matig tot goed
-
verstruweling met duindoorn en rimpelroos in de minder dynamische delen van de zeereep
de instandhoudingsdoelstellingen zijn bij maximale inzet van maatregelen haalbaar
H2130A - Grijze duinen (kalkrijk)
matig
-
aanwezigheid van exoten (rimpelroos, mahonie, Japanse duizendknoop en esdoorn) gebrek aan dynamiek stikstofdepositie betreding door grote grazers recreatieve druk (inclusief loslopende honden)
de instandhoudingsdoelstellingen zijn bij maximale inzet van maatregelen haalbaar
H2130B - Grijze duinen (kalkarm)
matig
-
beperkte dynamiek stikstofdepositie betreding door begrazing recreatieve druk
de instandhoudingsdoelstellingen zijn niet haalbaar
H2150 - Duinheiden met struikhei
matig
-
ontbreken korstmossen door begrazing stikstofdepositie opslag door exoten
de instandhoudingsdoelstellingen zijn bij maximale inzet van maatregelen haalbaar
aanwezigheid en de uitbreiding van exoten recreatieve druk (inclusief loslopende honden)
de instandhoudingsdoelstellingen zijn niet haalbaar
aanwezigheid van exoten beperkte aanwezigheid van open plekken en verjonging recreatieve druk (inclusief loslopende honden)
de instandhoudingsdoelstellingen zijn niet haalbaar
opslag van exoten (Amerikaanse vogelkers, hemelboom, esdoorn) gebrek aan open plekken ontbreken jonge ontwikkelingsstadia recreatieve druk (inclusief loslopende honden)
de instandhoudingsdoelstellingen zijn niet haalbaar
H2160 Duindoornstruwelen
matig
-
H2180A - Duinbossen (droog)
H2180C - Duinbossen (binnenduinrand)
op basis van vegetatie, typische soorten en abiotiek is de kwaliteit goed. Gegevens omtrent de kenmerken van goede structuur en functie ontbreken
-
matig
-
-
-
10 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
3 INGREEP-EFFECTRELATIES In het OER Leidschendam-Voorburg wordt in het voorgenomen beleid beschreven waarop de ontwikkelingen in de stad en omgeving gericht zijn. Gevolgen van deze ontwikkelingen kunnen een negatieve doorwerking hebben op Natura 2000-gebieden, maar kunnen ook positief doorwerken of helemaal geen (meetbare) gevolgen hebben. De voornaamste factoren voor het bepalen van effecten op Natura 2000-gebieden zijn: 1 ontwikkelingen die direct van invloed zijn op de Natura 2000-gebieden in (de omgeving van) gemeente Leidschendam-Voorburg; 2 de mate van toename van het inwonersaantal gepaard met het bouwprogramma. In tabel 3.1 staan de ingrepen en hun bijbehorende effecten beschreven en de mogelijke doorwerking die deze effecten hebben op Natura 2000-gebieden.
Tabel 3.1 Ingreep-effect relaties en de mogelijk doorwerking op Natura 2000-gebieden Ingreep
Effect(en)
Doorwerking op Natura 2000-gebieden nabij LeidschendamVoorburg
Doorwerking op Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer
toename van het aantal woningen (6.000 woningen tot 2050)
-
toename verkeersbewegingen → toename stikstofdepositie toename inwonersaantal → toename recreatiedruk en verstoring
-
mogelijk negatief
-
mogelijk negatief
toename werkgelegenheid (2.000 banen tot 2030)
-
verkeersaantrekkende werking → toename stikstofdepositie
-
mogelijk negatief
-
mogelijk negatief
inzetten op duurzame mobiliteit door het STOMP- principe
-
afname verkeersbewegingen → afname stikstofdepositie
-
mogelijk positief
-
mogelijk positief
verlagen van de snelheid op wegen
-
afname uitstoot door verkeersbewegingen → afname stikstofdepositie
-
mogelijk positief
-
mogelijk positief
uitbreiden en versterken groene hoofdstructuur
-
toename robuuste natuurlijke omgeving toename groene recreatiemogelijkheden buiten Natura 2000-gebieden → afname recreatiedruk
-
mogelijk positief
-
geen effect te verwachten
-
-
ontwikkelen van zonopwekking langs snelwegen
-
oppervlakteverlies of versnippering van leefgebied buiten Natura 2000-gebieden
-
mogelijk negatief
-
geen effect te verwachten
toename van toerisme
-
verkeersaantrekkende werking → toename stikstofdepositie
-
mogelijk negatief
-
mogelijk negatief
11 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
Ingreep
Effect(en)
Doorwerking op Natura 2000-gebieden nabij LeidschendamVoorburg
Doorwerking op Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer
-
toename aantal personen in de gemeente → toename recreatiedruk en verstoring
soortmanagementplan voor wijken waar veel verduurzaming plaatsvindt, en 50 % meer stadsnatuur in 2050
-
toename robuuste natuurlijke omgeving
-
mogelijk positief
-
geen effect te verwachten
verbeteren watersysteem en waterkwaliteit
-
toename robuuste natuurlijke omgeving
-
mogelijk positief
-
geen effect te verwachten
CO2 neutrale gemeente in 2050
-
afname broeikasgasemissies
-
mogelijk positief
-
mogelijk positief
De ingrepen kunnen worden beoordeeld aan de hand van vier thema’s: - stikstofdepositie; - recreatiedruk; - behoud en versterken van natuur en watersystemen buiten Natura 2000-gebieden; - realisatie zonopwekking langs snelwegen. In hoofdstuk 4 wordt aan de hand van deze vier thema’s de beoordeling uitgevoerd.
12 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
4 BEOORDELING EFFECTEN INCLUSIEF MITIGATIE Zoals in hoofdstuk 3 naar voren komt, zijn vier thema’s relevant voor beoordeling. Deze worden in de volgende paragrafen uitgewerkt.
4.1
Stikstofdepositie
Toename van stikstofdepositie Het doel is om voor 2050 6.000 woningen te realiseren. De bouw van deze woningen zorgt voor een toename van stikstofemissie wanneer er niet volledig sprake is van emissieloos bouwen. Daarnaast wordt de werkgelegenheid verhoogd met 2.000 extra banen voor 2030 en wil men meer toeristen trekken. Beide maatregelen zorgen voor een toename van verkeersbewegingen. Ook de toename van het aantal woningen leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Als er niet volledig sprake is van zero emissie mobiliteit, is er sprake van een toename van stikstofemissie. Door de toenames in stikstofemissie wordt stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer van het plangebied verhoogd en worden mogelijk de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden aangetast. Hoewel individuele projecten en hun stikstofdepositietoename mogelijk niet leiden significante gevolgen op instandhoudingsdoelstellingen, kunnen deze gezamenlijk wel leiden tot een aantasting van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie leidt tot verzuring en vermesting. Dit vormt een knelpunt voor habitattypen en leefgebieden in Natura 2000-gebieden (zie hoofdstuk 2). Het risico op een toename van stikstofdepositie is groter naarmate een ontwikkeling dichter in de buurt van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied ligt.
Een toename van stikstofdepositie vormt met name een potentieel knelpunt voor ontwikkelingen wanneer sprake is van een permanente toename op Natura 2000-gebieden. Significante gevolgen van stikstofdepositie kunnen niet op voorhand worden uitgesloten en moeten op plan- of projectniveau beoordeeld worden. Afname van stikstofdepositie Ontwikkelingen zoals het concentreren van verstedelijking rondom OV-knooppunten, het verder ontwikkelen van binnenstedelijk OV en het versnellen van de mobiliteitstransitie door het STOMP-principe (Stappen, Trappen, Openbaar vervoer, Mobility-as-a-service, Privéauto) kunnen bijdragen aan het beperken van autogebruik en het bevorderen van OV gebruik. Daarnaast wordt op wegen de snelheid verlaagt, waardoor minder stikstofuitstoot door verkeer plaats vindt. Bovendien is de gemeente in 2050 CO2 neutraal, waarmee minder broeikasgasemissies plaatsvinden, waaronder NOx emissies. Door een afname van autogebruik, het bevorderen van OV gebruik en realisatie van een CO2 neutrale gemeente, neemt de stikstofemissie af. Hiermee wordt de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied binnen 25 kilometer van het plangebied mogelijk verlaagd. De afname van stikstofdepositie kan positieve doorwerking hebben op Natura 2000-gebieden waar nu sprake is van een overschrijding van de Kritische Depositiewaarde.
In veel gevallen is een afname van stikstofdepositie noodzakelijk om de instandhoudingsdoelstellingen binnen Natura 2000-gebieden te behalen (zie hoofdstuk 2). Conclusie en mitigatie Concluderend kan worden gesteld dat het bouwen van woningen, en toename van autogebruik leidt tot een toename van stikstofemissie. Tegelijkertijd wordt gebruik van openbaar vervoer gestimuleerd en wordt de
13 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
gemeente CO2 neutraal. De toename van stikstofdepositie wordt op die manier beperkt. Stikstofdepositie kan verder worden beperkt door emissieloos te bouwen, of door volledige zero-emissie mobiliteit. Met name ontwikkelingen in gebieden nabij de Natura 2000-gebieden resulteren in een grotere toename van stikstofdepositie. In deze gebieden kan extra ingezet worden op modulair bouwen en biobased bouwen. Stikstofdepositie dient op plan- of projectniveau beoordeeld te worden. Indien gebruik wordt gemaakt van intern en/of extern salderen, om een plan- of project te realiseren, dient een passende beoordeling te worden opgesteld. In de passende beoordeling moeten de verwachte voordelen van de mitigerende maatregel vast te staan. Daarnaast dient in de passende beoordeling het additionaliteitsvereiste onderbouwd te zijn. Wanneer in een passende beoordeling significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, moet een ADC-toets te worden doorlopen.
4.2
Recreatiedruk
Toename recreatiedruk Door een toename van het aantal woningen, neemt ook het aantal inwoners toe. Ook een toename van het aantal banen en toerisme leidt tot een toename van het aantal personen in de stad. Een toename van het aantal personen in de stad, leidt tot een toename van recreatiedruk in Natura 2000-gebieden. In de Natura 2000-gebieden Meijendel & Berkheide en Westduinpark & Wapendal zijn recreatiedruk en de aanwezigheid van loslopende honden al aanwezige knelpunten (zie hoofdstuk 2). Door een toename van het aantal inwoners, neemt de verder recreatiedruk toe. Recreatiedruk leidt tot verstoring van zowel aangewezen Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten als typische soorten. Aanwezigheid van deze soorten is mede bepalend voor de kwaliteit van habitattypen, leefgebieden en Natura 2000-gebieden. Door een toename van de recreatiedruk treedt mogelijk aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden op. Significante gevolgen van verstoring door recreatie kunnen niet op voorhand worden uitgesloten en moeten op plan- of projectniveau beoordeeld worden. Mogelijk geldt hier dat op projectniveau geen effecten optreden, maar op het cumulatieve niveau waarop deze beoordeling wordt opgesteld, wel.
Afname recreatiedruk Het uitbreiden en versterken van de Groene hoofdstructuur en het realiseren van 50 % meer stadsnatuur in 2050 zorgt voor een afname of meer beperkte toename van de recreatiedruk. Ondanks de toename van het aantal woningen en het aantal mensen in de stad, neemt door de geplande realisatie van groen de recreatiedruk in beschermde natuurgebieden minder hard toe dan op basis van het inwonersaantal verwacht wordt. Door de geplande realisatie van groen in de stad kunnen inwoners dichterbij huis recreëren, waardoor zij minder geneigd zijn naar beschermde natuur te gaan. Hierdoor neemt de recreatiedruk, en de daarbij horende verstoring, in beschermde natuurgebieden slechts beperkt toe. Conclusie en mitigatie Concluderend kan worden gesteld dat door een toenemende recreatiedruk, door het toenemende aantal woningen, de verstoring in Natura 2000-gebieden toeneemt. Tegelijkertijd wordt in de (binnen)stad meer ruimte gecreëerd voor recreatie, waardoor de verstoring door recreatie in Natura 2000-gebieden minder hard toeneemt. Wel moet verstoring door recreatie op plan- of projectniveau beoordeeld worden. Mogelijk geldt hier dat op projectniveau geen effecten optreden, maar op het cumulatieve niveau waarop deze beoordeling wordt opgesteld, wel. Mitigatie hiervan is noodzakelijk en de omgevingsvisie is hiervoor een geschikt middel.
Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan het zoneren en geleiden van recreatie, het beperken van hondenlosloopgebieden in Natura 2000-gebieden en het beperken van toegang in de meest kwetsbare natuur, of op de meeste kwetsbare momenten.
14 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
4.3
Behoud en versterken van natuur en watersystemen buiten Natura 2000gebieden
In het voorgenomen beleid wordt de groene hoofdstructuur verbeterd en worden betere verbindingen tussen groene gebieden gerealiseerd. Daarnaast wordt voor 2035 10 % meer biodiversiteit gerealiseerd en voor 2050 is er 50 % meer stadsnatuur. Bovendien wordt een soortmanagementplan opgesteld voor wijken waar veel verduurzaming plaats gaat vinden. Deze worden wijkspecifiek opgesteld, waarmee de leefomgeving van soorten in deze wijken behouden wordt en mogelijk versterkt. Daarnaast worden natuurvriendelijke oevers gerealiseerd en worden enkele straten onthard en vergroend. Voor de watervisie van de gemeente wordt ingezet op een robuust en duurzaam watersysteem dat verdroging voorkomt. Er wordt extra ruimte gerealiseerd voor water en waterberging en emissies en schadelijke stoffen in het water worden teruggedrongen. Daarnaast worden goede doorstroom- en zuiveringsmogelijkheden gerealiseerd. Het verbeteren van de groene hoofdstructuur en de andere aanvullende maatregelen voor natuur en biodiversiteit in de stad, zorgen voor een meer robuuste natuurlijke omgeving. Ditzelfde geldt voor de verbetering van het watersysteem. Hiermee kunnen deze ontwikkelingen een positieve bijdrage leveren aan habitat- en/of vogelsoorten met een Natura 2000-instandhoudingsdoelstelling.
Ook kan ontwikkeling en behoud van natuur buiten Natura 2000-gebieden de recreatiedruk in Natura 2000-gebieden beperken of verminderen, omdat er dan meer groen is buiten Natura 2000-gebieden om in te recreëren. Conclusie en mitigatie Concluderend kan worden gesteld dat het behouden en versterken van natuur in de stad, een toename van biodiversiteit en een robuust en duurzaam watersysteem mogelijk een positief effect heeft op Natura 2000-gebieden.
4.4
Realisatie zonopwekking langs snelwegen
Realisatie van zonopwekking langs snelwegen kan mogelijk negatieve effecten hebben op soorten. De zonopwekking langs snelwegen wordt niet ontwikkeld binnen of in de directe nabijheid van Natura 2000-gebieden waardoor enkel de effecten veroorzaakt door externe werking relevant zijn. Externe werking is van toepassing als initiatieven gelegen buiten de begrenzing van een Natura 2000-gebied invloed hebben op instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Toetsing in het kader van externe werking is vooral van belang voor kwalificerende soorten die zich (ver) buiten het Natura 2000-gebied kunnen begeven, bijvoorbeeld vleermuizen of watervogels die dagelijks heen en weer vliegen tussen hun slaapplaatsen en foerageerplaatsen. Vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in een nabijgelegen Natura 2000-gebied kunnen bijvoorbeeld een slaap- of foerageerplaats hebben in of nabij het te realiseren zonneveld. Er kan dus sprake zijn van connectiviteit tussen een Natura 2000-gebied en omliggende gebieden, waarbij soorten voor hun instandhouding in een Natura 2000-gebied afhankelijk kunnen zijn van gebieden buiten het Natura 2000-gebied. Een tijdelijk dan wel permanent verlies en/of versnippering van deze gebieden kan de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden aantasten.
Significante gevolgen van externe werking door de realisatie van zonopwekking kan niet op voorhand worden uitgesloten en moeten op plan- of projectniveau beoordeeld worden. Mogelijk geldt hier dat op projectniveau geen effecten optreden, maar op het cumulatieve niveau waarop deze beoordeling wordt opgesteld, wel. Conclusie en mitigatie Concluderend kan worden gesteld dat door realisatie van zonopwekking mogelijk significante gevolgen optreden op instandhoudingsdoelstellingen van soorten door externe werking. Externe werking moet op plan- of projectniveau beoordeeld worden. Mitigatie hiervan is noodzakelijk. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan het plaatsen van de zonnepanelen buiten slaap-en/of foerageergebieden of het compenseren van areaal.
15 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
5 CONCLUSIE In voorliggende rapportage zijn de effecten van de ontwerp omgevingsvisie van de gemeente Leidschendam-Voorburg beoordeeld in een globale passende beoordeling. Het detailniveau van de passende beoordeling sluit aan bij het detailniveau van het OER, waardoor het voornamelijk een risico-inschatting betreft. De passende beoordeling bevat een beoordeling op hoofdlijnen. Bij de uitwerking van onderdelen van de omgevingsvisie door gemeente of ontwikkelaars dient in alle gevallen een nadere effectbeoordeling, naar alle effecten die het plan- of project tot gevolg kan hebben, uitgevoerd te worden. Voorliggend rapport heeft geen juridische status. In de nabijheid van de gemeente Leidschendam-Voorburg bevinden zich de Natura 2000-gebieden Meijendel & Berkheide, De Wilck, en Westduinpark & Wapendal. Binnen deze Natura 2000-gebieden behalen niet alle habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en niet-broedvogelsoorten hun instandhoudingsdoelstellingen. Veelvoorkomende knelpunten zijn stikstofdepositie, recreatiedruk en te kleine functionele omvang. Uit de beoordeling blijkt dat de volgende effecten optreden: - het bouwen van nieuwe woningen en realiseren van bedrijven en een toename van autogebruik, leiden tot een toename van stikstofemissie en -depositie. Tegelijkertijd wordt gebruik van openbaar vervoer gestimuleerd en wordt de gemeente CO2 neutraal.
De toename van stikstofdepositie wordt op die manier beperkt. Door de toename van stikstofdepositie wordt stikstofdepositie op Natura 2000gebieden binnen 25 kilometer van het plangebied mogelijk verhoogd en kunnen de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden worden aangetast, doordat sprake is van verzuring en vermesting van habitattypen en leefgebieden. Stikstofdepositie dient op plan- of projectniveau beoordeeld te worden; - een toename van de recreatiedruk, door het toenemende aantal woningen, leidt tot een toename van de verstoring in Natura 2000-gebieden. Tegelijkertijd wordt in de stad 50 % meer stadsnatuur gerealiseerd, waardoor men in de nabij van de woning kan recreëren en de verstoring door recreatie in Natura 2000gebieden minder hard toeneemt; - het behouden en versterken van natuur en watersystemen buiten de Natura 2000-gebieden heeft mogelijk een positief effect op Natura 2000-gebieden, door een robuuster natuurlijk systeem en een verlaging van de recreatiedruk; - realisatie van zonopwekking langs snelwegen leidt mogelijk tot verlies van leefgebied buiten de Natura 2000-gebied van soorten met instandhoudingsdoelstellingen binnen de Natura 2000-gebieden. Realisatie van de zonopwekking dient op plan- of projectniveau onderzocht en beoordeeld te worden.
Op basis van voorliggende globale passende beoordeling kunnen significante gevolgen van het voorgenomen beleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg niet uitgesloten worden. De omgevingsvisie is daarvoor namelijk te weinig specifiek. Dit betekent echter niet per definitie dat het voorgenomen beleid onuitvoerbaar is. Zoals eerder is aangegeven, is het bij de uitwerking van onderdelen van de omgevingsvisie nodig om op plan- of projectniveau de effecten op Natura 2000-gebieden te bepalen en beoordelen. Uit die beoordeling blijkt dan of significante gevolgen en aantasting van de natuurlijke kenmerken uit te sluiten zijn. Om de effecten en het risico op het niet kunnen uitsluiten van significante gevolgen op Natura 2000-gebieden op het niveau van de omgevingsvisie te beperken, kunnen de volgende maatregelen genomen worden: - zoveel mogelijk inzetten op zero emissie mobiliteit;
16 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
-
zoneren en geleiden van recreatie; beperken van toegang tot de meest kwetsbare natuur, of op de meest kwetsbare momenten; en het realiseren van zonopwekking buiten leefgebied van soorten of het compenseren van areaal.
Het voorgenomen beleid van de gemeente Leidschendam-Voorburg is op basis van deze globale passende beoordeling uitvoerbaar, mits plannen op plan-of projectniveau beoordeeld worden en vergunbaar zijn. Hierbij dienen in het geval van het optreden van significante gevolgen op Natura 2000-gebieden, mitigerende maatregelen te worden opgesteld. Indien in een passende beoordeling significante gevolgen niet kunnen worden uitgesloten, dient een ADC-toets te worden doorlopen.
17 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
6 LITERATUUR 1 2
3
4 5
6
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. z.d. ‘Natura 2000, Gebieden’. www.natura2000.nl. Ministerie van LNV. 2010. ‘Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’. https://www.natura2000.nl/sites/default/files/documenten/gebieden/104/n2k104_db%20vw%20broekvel den%2C%20vettenbroek%20%26%20polder%20stein.pdf. Provincie Zuid-Holland. 2015. ‘103. Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’. https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/natura-2000-beheerplannen/103-nieuwkoopseplassen-haeck/. Provincie Zuid-Holland. 2022. ‘Natuurdoelanalyse Natura 2000, 98 Westduinpark & Wapendal’. Provincie Zuid-Holland. 2022. ‘Natuurdoelanalyse Natura 2000 Meijendel & Berkheide’. https://www.zuidholland.nl/publish/pages/29804/natura2000_doelenanalyse_97_meijendel_en_berkheide_compressed1.p df. Provincie Zuid-Holland. 2023. ‘Doelenanalyse Natura 2000 (102) De Wilck’.
18 | 18
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Definitief
Bijlage(n)
I BIJLAGE: INSTANDHOUDINGSDOELSTELLINGEN NATURA 2000-GEBIEDEN I.1
Meijendel & Berkheide
Meijendel en Berkheide bestaat uit een brede duinstrook met een gevarieerd en uitgestrekt, kalkrijk duinlandschap, dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. Het zuidelijke deelgebied Meijendel is een relatief laag gelegen gebied met grote 'uitgestoven duinvlakten', dat in het zuidelijk deel minder reliëfrijk is. In het noordelijke deelgebied Berkheide liep het zand vast in de oorspronkelijk natte stroombedding van de oude Rijn. Het is gevormd door overstuiving van oude duinen, waardoor het een relatief hooggelegen duinmassief is. Hier is de kweldruk dan ook groter dan in Meijendel. Het landschap heeft een kenmerkende opbouw van evenwijdige duinenrijen met opeenvolgende hoge paraboolduinen en moerassige laagten met struweel, waarin grote valleien liggen zoals Kijfhoek, Bierlap en de vallei Meijendel. Dit zijn duinakkers die nu vooral uit bos bestaan; het gebied kent dan ook een aantal goed ontwikkelde bostypen. Plaatselijk, zoals in de Libellenvallei, komen soortenrijke duinvalleibegroeiingen voor. Na grootschalig herstel van een aantal valleien bij de Wassenaarse Slag breiden deze begroeiingen zich uit. In Berkheide is, met name in de buurt van Katwijk, een groot areaal goed ontwikkeld kalkrijk duingrasland aanwezig, ontstaan door het eeuwenlange menselijke gebruik van het zogenaamde zeedorpenlandschap.
Het Habitatrichtlijngebied is aangewezen voor 14 habitattypen en vier habitatrichtlijnsoorten (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.).
Tabel I.1 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide Code
Nederlandse naam
Doelstelling oppervlakte
Doelstelling kwaliteit
Doelstelling populatie
habitattypen H2110
embryonale duinen
=
=
H2120
witte duinen
=
>
H2130A*
grijze duinen (kalkrijk)
>
>
H2130B*
grijze duinen (kalkarm)
>
>
H2160
duindoornstruwelen
= (<)
=
H2180A
duinbossen (droog)
=
=
H2180B
duinbossen (vochtig)
=
=
H2180C
duinbossen (binnenduinrand)
=
>
H2190A
vochtige duinvalleien (open water)
>
>
H2190B
vochtige duinvalleien (kalkrijk)
>
>
H2190C
vochtige duinvalleien (ontkalkt)
>
>
H2190D
vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)
>
>
H3140
kranswierwateren
=
=
H6430A
ruigten en zomen (moerasspirea)
=
=
habitatrichtlijnsoorten H1014
nauwe korfslak
=
=
=
H1149
kleine modderkruiper
=
=
=
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Bijlage I | Definitief
Code
Nederlandse naam
Doelstelling oppervlakte
Doelstelling kwaliteit
Doelstelling populatie
H1166
kamsalamander
=
=
=
H1318
meervleermuis
=
=
=
Legenda =
behoudsdoelstelling
>
verbeter- of uitbreidingsdoelstelling
= (<)
behoudsdoelstelling, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde
*
voor een naam betekent het dat het prioritair habitattype of een prioritaire soort betreft. Dit zijn typen en/of soorten die gevaar lopen te verdwijnen en voor welke instandhouding de Europese Gemeenschap een bijzondere verantwoordelijkheid draagt, omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op Europees grondgebied ligt
I.2
De Wilck
Het gebied De Wilck bestaat uit vochtige en natte graslanden. De Wilck maakt onderdeel uit van het Hollands-Utrechtse veenweidegebied. De veengebieden zijn pas vanaf de 10e eeuw in gebruik genomen en vanaf de dertiende eeuw is sprake van een systeem van polders en boezems waarop het water wordt uitgeslagen. De Slingerwetering die door het gebied loopt maakte vroeger deel uit van de loop van een eertijds uit het hoogveen ontspringend veenstroompje de Wilck. Het gebied is van betekenis als foerageergebied en vooral rustplaats voor Kleine Zwanen, die van hieruit ook in de omgeving van het gebied foerageren. Daarnaast is het gebied van enige betekenis als rust- en foerageergebied voor Smienten. Het Vogelrichtlijngebied is aangewezen voor drie niet-broedvogels (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.).
Tabel I.2 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied De Wilck Code
Nederlandse naam
Doelstelling oppervlakte
Doelstelling kwaliteit
Doelstelling populatie
niet-broedvogelsoorten A037
kleine zwaan (s)
=
=
160
A037
kleine zwaan (f)
=
=
10
A050
smient (s, f)
=
=
2.100
Legenda =
behoudsdoelstelling
>
verbeter- of uitbreidingsdoelstelling
= (<)
behoudsdoelstelling, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde
s
slaap- en rustplaats
f
foerageergebied
*
voor een naam betekent het dat het prioritair habitattype of een prioritaire soort betreft. Dit zijn typen en/of soorten die gevaar lopen te verdwijnen en voor welke instandhouding de Europese Gemeenschap een bijzondere verantwoordelijkheid draagt, omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op Europees grondgebied ligt
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Bijlage I | Definitief
I.3
Westduinpark & Wapendal
Het Westduinpark is een park aan de rand van Den Haag. Het is een breed, gevarieerd en kalkrijk duingebied met kenmerkende habitats van de Hollandse duin- en kuststreek. Er is een breed scala aan vegetatietypen van jonge en oude, droge duinen, met ruigten, graslanden en struwelen en binnenduinbos aanwezig, met karakteristieke flora. Het veel kleinere, tussen de bebouwing van Den Haag gelegen Wapendal bestaat uit een oud duin met struikheivegetatie. Het Habitatrichtlijngebied is aangewezen voor zeven habitattypen (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.).
Tabel I.3 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal Code
Nederlandse naam
Doelstelling oppervlakte
Doelstelling kwaliteit
habitattypen H2120
witte duinen
=
=
H2130A*
grijze duinen (kalkrijk)
>
>
H2130B*
grijze duinen (kalkarm)
=
=
H2150*
duinheiden met struikhei
=
=
H2160
duindoornstruwelen
= (<)
=
H2180A
duinbossen (droog)
=
>
H2180C
duinbossen (binnenduinrand)
= (<)
>
Legenda =
behoudsdoelstelling
>
verbeter- of uitbreidingsdoelstelling
= (<)
behoudsdoelstelling, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde
*
voor een naam betekent het dat het prioritair habitattype of een prioritaire soort betreft. Dit zijn typen en/of soorten die gevaar lopen te verdwijnen en voor welke instandhouding de Europese Gemeenschap een bijzondere verantwoordelijkheid draagt, omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op Europees grondgebied ligt
I.4
Solleveld & Kapittelduinen
Het tussen Den Haag en Ter Heijde gelegen Solleveld wijkt af van de meeste andere Zuid-Hollandse duingebieden doordat het voor het overgrote deel bestaat uit 'oude duinen'. Bijzonder in deze ontkalkte duinen zijn enkele heideterreintjes, die evenals andere landschapselementen herinneren aan het historische, agrarische gebruik. Het gebied is niet heel reliëfrijk en bestaat uit duinen, duinbossen, graslanden, duinheiden, struwelen, ruigten en plassen. Aan de binnenduinrand liggen een aantal oude landgoedbossen met een rijke stinzeflora. Ten noorden van de oude monding van de Maas liggen de Kapittelduinen. Dit gebied bestaat uit de ten oosten van het strand gelegen duinen, vochtige duinvalleien, duinplassen, duin- en landgoedbossen, graslanden, struwelen, ruigten en een aantal dijktrajecten. Het gebied ligt op de overgang van kust naar rivierengebied en meer landinwaarts worden de rivierinvloeden steeds duidelijker zichtbaar in de vegetatie. In het Staelduinse Bos liggen diverse bunkers. Het Habitatrichtlijngebied is aangewezen voor 11 habitattypen en twee habitatrichtlijnsoorten (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.).
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Bijlage I | Definitief
Tabel I.4 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen Code
Nederlandse naam
Doelstelling oppervlakte
Doelstelling kwaliteit
H2110
embryonale duinen
=
=
H2120
witte duinen
= (<)
>
H2130A*
grijze duinen (kalkrijk)
>
>
H2130B*
grijze duinen (kalkarm)
=
>
H2150*
duinheiden met struikhei
=
>
H2160
duindoornstruwelen
= (<)
=
H2180A
duinbossen (droog)
=
>
H2180C
duinbossen (binnenduinrand)
=
>
H2190A
vochtige duinvalleien (open water)
=
=
H2190B
vochtige duinvalleien (kalkrijk)
>
>
H2190D
vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)
= (<)
=
Doelstelling populatie
habitatrichtlijnsoorten H1014
nauwe korfslak
=
=
=
H1903
groenknolorchis
+
+
+
Legenda =
behoudsdoelstelling
>
verbeter- of uitbreidingsdoelstelling
= (<)
behoudsdoelstelling, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde
+
ontwikkeling nieuw leefgebied of vestiging populatie
*
voor een naam betekent het dat het prioritair habitattype of een prioritaire soort betreft. Dit zijn typen en/of soorten die gevaar lopen te verdwijnen en voor welke instandhouding de Europese Gemeenschap een bijzondere verantwoordelijkheid draagt, omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op Europees grondgebied ligt
I.5
Coepelduynen
De Coepelduynen omvatten de smalle strook kustduinen tussen Katwijk en Noordwijk. Het relatief kleine gebied heeft een gevarieerd duinlandschap dat reliëfrijk en landschappelijk zeer afwisselend is. Het gebied behoort tot de kalkrijke jonge duinen. Er is geen duidelijke binnenduinrand aanwezig, waardoor de overgang naar het polderlandschap vrij abrupt is. Delen zijn in het verleden door de mens beïnvloed en gebruikt voor het drogen van netten, het weiden van vee en als duinakkers. Hierdoor is een specifiek open duinlandschap ontstaan met een afwisseling van duingraslanden, struwelen en bos waarin waardevolle flora en fauna voorkomt. Zo zijn er twee duinvalleien, Guytendel en Spijkerdel. Van 1890 tot 1965 werden deze duinpannen gebruikt als aardappelveld. Recent zijn hier natuurherstelmaatregelen getroffen door de valleien uit te graven tot op het grondwaterniveau. Er komen op grote schaal goed ontwikkelde, kalkrijke duingraslanden voor die kenmerkend zijn voor het zeedorpenlandschap, met daarin veel zeldzame plantensoorten. Het Habitatrichtlijngebied is aangewezen voor zeven habitattypen (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.).
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Bijlage I | Definitief
Tabel I.5 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Coepelduynen Code
Nederlandse naam
Doelstelling oppervlakte
Doelstelling kwaliteit
habitattypen H2110
embryonale duinen
=
=
H2120
witte duinen
=
>
H2130A*
grijze duinen (kalkrijk)
=
=
H2160
duinbossen (duindoornstruwelen)
=
=
H2180C
binnenduinrand
=
=
H2190B
vochtige duinvalleien (kalkrijk)
=
>
H2190D
vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)
=
>
Legenda =
behoudsdoelstelling
>
verbeter- of uitbreidingsdoelstelling
= (<)
behoudsdoelstelling, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde
*
voor een naam betekent het dat het prioritair habitattype of een prioritaire soort betreft. Dit zijn typen en/of soorten die gevaar lopen te verdwijnen en voor welke instandhouding de Europese Gemeenschap een bijzondere verantwoordelijkheid draagt, omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op Europees grondgebied ligt
I.6
Kennemerland-Zuid
Kennemerland-Zuid is een uitgestrekt duingebied aan de zuidkant van het Noordzeekanaal. Het is een reliëfrijk en landschappelijk afwisselend gebied, dat grotendeels bestaat uit kalkrijke duinen. De overgang tussen de kalkrijke jonge duinen en ontkalkte oude duinen ligt ter hoogte van Zandvoort. Dit levert een soortenrijke en kenmerkende begroeiing op, met duinroosvegetaties in het open duin, duingraslanden, vochtige en droge duinvalleien, plasjes, goed ontwikkelde struwelen en diverse vormen van duinbossen. Vegetaties van vochtige en natte duinvalleien komen met name voor ten zuiden van Zandvoort, waarvan het Houtglob het best ontwikkelde kalkrijke, natte duinvallei is. Het areaal kalkrijk duingrasland is vooral rondom Zandvoort groot. Hier komen over voorbeelden van het zeedorpenlandschap voor. De oudere duinen van het zuidoostelijk gedeelte herbergen goed ontwikkeld kalkarm duingrasland. Ook zijn er in het zuidelijke puntje en ter hoogte van Zandvoort paraboolduincomplexen aanwezig. Het Kennemerstrand is de enige locatie langs de Hollandse vastelandsduinen waar een jonge strandvlakte met embryonale duinen en een uitgestrekte oppervlakte met kalkrijke duinvalleien aanwezig is. Aan de binnenduinrand zijn diverse landgoederen aanwezig.
Hier zijn een aantal oude buitenplaatsen gelegen, die voor een aanzienlijk deel bebost zijn met naaldbos en loofbos, waaronder oude bossen met rijke stinzeflora. Het Habitatrichtlijngebied is aangewezen voor 17 habitattypen en vier habitatrichtlijnsoorten (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.).
Tabel I.6 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid Code
Nederlandse naam
Doelstelling oppervlakte
Doelstelling kwaliteit
habitattypen H2110
embryonale duinen
=
=
H2120
witte duinen
>
>
H2130A*
grijze duinen (kalkrijk)
>
>
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Bijlage I | Definitief
Doelstelling populatie
Code
Nederlandse naam
Doelstelling oppervlakte
Doelstelling kwaliteit
H2130B*
grijze duinen (kalkarm)
=
>
H2130C*
grijze duinen (heischraal)
>
>
H2140B*
duinheiden met kraaihei (droog)
=
=
H2150*
duinheiden met struikhei
=
=
H2160
duindoornstruwelen
= (<)
=
H2170
kruipwilgstruwelen
= (<)
=
H2180A
duinbossen (droog)
=
=
H2180B
duinbossen (vochtig)
=
>
H2180C
duinbossen (binnenduinrand)
=
=
H2190A
vochtige duinvalleien (open water)
>
>
H2190B
vochtige duinvalleien (kalkrijk)
>
>
H2190C
vochtige duinvalleien (ontkalkt)
=
=
H2190D
vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)
>
>
H7210*
galigaanmoerassen
=
=
Doelstelling populatie
habitatrichtlijnsoorten H1014
nauwe korfslak
=
=
=
H1149
kleine modderkruiper
=
=
=
H1318
meervleermuis
=
=
=
H1903
groenknolorchis
>
>
>
Legenda =
behoudsdoelstelling
>
verbeter- of uitbreidingsdoelstelling
= (<)
behoudsdoelstelling, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde
*
voor een naam betekent het dat het prioritair habitattype of een prioritaire soort betreft. Dit zijn typen en/of soorten die gevaar lopen te verdwijnen en voor welke instandhouding de Europese Gemeenschap een bijzondere verantwoordelijkheid draagt, omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op Europees grondgebied ligt
I.7
Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein
Het Vogelrichtlijngebied ligt in het Groene Hart van Zuid-Holland in een nat graslandgebied. Op klei-op-veengronden in de nabijheid van rivieren komt hier van oudsher de Kievitsbloem voor, een soort die zich sterk wist uit te breiden in de Gouden Eeuw, toen in dit gebied de weinig productieve blauwgraslanden geschikter werden gemaakt als landbouwgrond door bemesting met slootbagger, koemest, compost en huishoudelijk afval. De poldergraslanden rondom Gouda en Reeuwijk zijn sinds die tijd vermaard om de massaal bloeiende kievitsbloemen, die hier 'wilde tulpen' werden genoemd. Polder Stein, in de nabijheid van Reeuwijk, herbergt momenteel het laatste belangrijke restant in West-Nederland van de hier ooit wijd verspreid voorkomende hooilanden met wilde kievitsbloem. Het open water en de graslanden dienen als foerageer- en rustgebied voor watervogels, met name kleine zwaan en smient. Daarnaast van enige betekenis voor krakeend en slobeend (Broekvelden/Vettenbroek). Als slaapplaats dient vooral de plas Broekvelden/Vettenbroek, voor de kleine zwaan tevens Polder Stein, waar ze, vooral in het noordelijk deel, ook overdag te vinden zijn. Het Vogelrichtlijngebied is aangewezen voor vier niet-broedvogels. Daarnaast is Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein als Habitatrichtlijn met twee habitattypen en drie habitatrichtlijnsoorten aangemeld voor
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Bijlage I | Definitief
de communautaire lijst, maar is er nog geen aanwijzingsbesluit opgesteld en zijn er nog geen doelen geformuleerd (Ministerie van LNV 2010).
Tabel I.7 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein Code
Nederlandse naam
Doelstelling oppervlakte
Doelstelling kwaliteit
Doelstelling populatie
habitattypen H6430A
ruigten en zomen (moerasspirea)
H6510B
glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)
habitatrichtlijnsoorten H1134
bittervoorn
H1149
kleine modderkruiper
H4056
platte schijfhoren
niet-broedvogels A037
kleine zwaan (s, f)
=
=
40
A050
smient (s, f)
=
=
7.500
A051
krakeend (f)
=
=
70
A056
slobeend (f)
=
=
50
Legenda =
behoudsdoelstelling
>
verbeter- of uitbreidingsdoelstelling
= (<)
behoudsdoelstelling, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde
s
slaap- en rustplaats
f
foerageergebied
*
voor een naam betekent het dat het prioritair habitattype of een prioritaire soort betreft. Dit zijn typen en/of soorten die gevaar lopen te verdwijnen en voor welke instandhouding de Europese Gemeenschap een bijzondere verantwoordelijkheid draagt, omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op Europees grondgebied ligt
I.8
Nieuwkoopse Plassen & De Haeck
De Nieuwkoopse Plassen en de Haeck zijn restanten van het voormalige Hollandse kustvlakteveen. De is een laagveenverlandingsgebied waarin, naast veenplassen met bijzondere watervegetaties, een grote oppervlakte overgangsveen en moerasheide is gevormd. Het is tevens het meest westelijk gelegen verlandingsgebied waarin nog lokaal goed ontwikkelde vegetaties van basenrijk overgangsveen te vinden zijn. Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (Roerdomp, Purperreiger, Snor, Rietzanger). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels (Zwartkopmeeuw, Zwarte stern). Voor de Zwartkopmeeuw betreft het de grootste broedkolonie buiten de Delta. Het Habitat- en Vogelrichtlijngebied is aangewezen voor tien habitattypen, negen habitatrichtlijnsoorten, zes broedvogels en vier niet-broedvogels (Provincie Zuid-Holland 2015).
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Bijlage I | Definitief
Tabel I.8 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck Code
Nederlandse naam
Doelstelling oppervlakte
Doelstelling kwaliteit
Doelstelling populatie
habitattypen H3140
kranswierwateren
>
>
H3150
meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
>
>
H4010B
vochtige heiden (laagveengebied)
>
>
H6410
blauwgraslanden
>
>
H6430A
ruigten en zomen (moerasspirea)
=
=
H6430B
ruigten en zomen (harig wilgenroosje)
=
=
H7140A
overgangs- en trilvenen (trilvenen)
>
>
H7140B
overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)
>
>
H7210*
galigaanmoerassen
=
=
H91D0*
hoogveenbossen
=
=
habitatrichtlijnsoorten H1016
zegge-korfslak
=
=
=
H1082
gestreepte waterroofkever
>
>
>
H1134
bittervoorn
=
=
=
H1149
kleine modderkruiper
=
=
=
H1163
rivierdonderpad
=
=
=
H1318
meervleermuis
=
=
=
H1340*
noordse woelmuis
=
=
=
H1903
groenknolorchis
=
=
=
H4056
platte schijfhoren
=
=
=
broedvogels A021
roerdomp
>
>
6
A029
purperreiger
=
=
120
A176
zwartkopmeeuw
=
=
9
A197
zwarte stern
>
>
115
A292
snor
=
=
25
A295
rietzanger
=
=
680
niet-broedvogels A027
grote zilverreiger (s)
=
=
60
A041
kolgans (s)
=
=
3.000
A050
smient (s, f)
=
=
3.500
A051
krakeend (f)
=
=
90
Legenda =
behoudsdoelstelling
>
verbeter- of uitbreidingsdoelstelling
= (<)
behoudsdoelstelling, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde
*
voor een naam betekent het dat het prioritair habitattype of een prioritaire soort betreft. Dit zijn typen en/of soorten die gevaar lopen te verdwijnen en voor welke instandhouding de Europese Gemeenschap een bijzondere verantwoordelijkheid draagt, omdat een belangrijk deel van hun natuurlijke verspreidingsgebied op Europees grondgebied ligt
Witteveen+Bos | 145515/25-010.156 | Bijlage I | Definitief
www.witteveenbos.com