CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

RES 1 0 - U16

Raadsvergadering 7 oktober 2021, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel Regionale Energie Strategie 1.079.227 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 9

117 alinea's met “lokaal”: 8 9 42 53 56 59 76 137 175 177 192 205 247 252 312 601 619 622 638 644 645 649 662 676 692 712 722 752 761 769 787 796 797 817 827 873 886 911 913 916 …

We verkrijgen zo een beeld van de volgende onderdelen: • De lokale warmtebronnen die gemeenten willen inzetten • De mogelijke bovengemeentelijke warmtebronnen die nodig zijn voor de warmtetransitie • De hoeveelheid elektriciteit die nodig is voor de warmtetransitie in de regio • De plekken waar mogelijk onvoldoende duurzame warmte beschikbaar is en waar we samen kunnen werken aan oplossingen

Tabel 4.2. Een overzicht van de gespreksonderwerpen en onderliggende (niet-limitatieve) criteria bij de verdeling van bovengemeentelijke warmtebronnen in de regio U16.

16

ling op warmtethema’s

Hierbij is het belangrijk dat de verschillende energiesystemen goed met elkaar geïntegreerd zijn, zodat de warmte-, gas- en elektriciteitsinfrastructuur zo goed mogelijk wordt gebruikt en waarbij waar nodig opslag kan worden toegepast.

17 18 19

Thema 1: Afnemer (energiebesparing)

De regio U16 beschikt niet over een overvloed aan duurzame warmte en elektriciteit. Daarom vinden we het heel belangrijk om de vraag naar energie te beperken. Het thema ‘afnemer’ richt zich in deze fase van de warmtetransitie vooral op energiebesparing: het beperken van de warmtevraag door onder andere isolatie. Er bestaan al verschillende (lokale) programma’s, platforms en organisaties op het gebied van energiebesparing. In bijlage 4 wordt een aantal voorbeelden genoemd. De deelnemende overheden willen de mogelijkheden verkennen om met ondernemers en onderlinge samenwerking een ontzorgingsprogramma op te zetten.

RES 1.0 | Regio U16 | Warmte

Samen met betrokken belanghebbenden hebben we bij de warmteateliers (zie paragraaf 2.3) besproken welke aspecten van belang zijn bij de toedeling van en de omgang met bovengemeentelijke warmtebronnen. De gespreksleidraad16

4.3.3 Resultaat 3: Samenwerking en kennisuitwisse-

regionale bronnen

De focus ligt tot nu toe op energiebesparing in de bestaande particuliere bouw. Bij die besparing is een belangrijke rol weggelegd voor onder andere het programma U-Thuis19, een regionale energiebesparingsaanpak voor particuliere woningeigenaren waarop de deelnemende overheden voortbouwen. We kijken naar een mogelijke invulling voor een vervolg op het programma van U-Thuis. De deelnemende overheden willen bekijken of de regionale aanpak op energiebesparing kan worden uitgebreid naar utiliteit, huurwoningen en maatschappelijk vastgoed. Naast de gebouwde omgeving zetten sectoren als industrie en transport in op energiebesparing. In de RES waarborgen we dat besparingen binnen deze sectoren ook regionaal aandacht krijgen, bijvoorbeeld in het regionaal mobiliteitsprogramma (zie ook paragraaf 5.2). Bij het inzetten van de spaarzame duurzame (bovengemeentelijke) warmtebronnen in onze

Een warmtekavel is een aaneengesloten gebied waarbinnen verbruikers op een warmtenet zijn aangesloten. 1 maart 2023. Het huidige U-Thuis programma loopt in de zomer van 2021 af. Op basis van een evaluatie wordt een nieuw programma opgesteld voor de periode 2021 - 2024.

|

51

regio willen we geen warmte verspillen. Daarom is het belangrijk dat zo veel mogelijk woningen op een warmtebron kunnen worden aangesloten. Ook kijken we naar de mogelijkheden om bij het verduurzamen van vastgoed met bovengemeentelijke warmtebronnen een totaalpakket aan te bieden, inclusief verlaging van de warmtevraag (op basis van nationale streefwaarden voor isolatie). Een duidelijk aandachtspunt is de betaalbaarheid van de warmtetransitie voor warmtegebruikers. Volgens de deelnemende overheden is de overstap naar ‘aardgasvrij’ op de meeste plekken nog niet rendabel. Andere belangrijke aandachtspunten zijn draagvlak en lokale participatie. Deze onderwerpen spelen met name op lokaal niveau en zullen aandacht krijgen in de fase van de uitvoeringsplannen.

Thema 2 - Warmtebronnen

Op het gebied van warmtebronnen zetten we in op mogelijke samenwerking en regionale kennisdeling en doen we in regionaal verband onderzoek naar de inzet van bijvoorbeeld aquathermie, geothermie en bio-warmte. RES 1.0 | Regio U16 | Warmte

Geothermie Geothermie kan een belangrijke rol spelen in het verduurzamen van de warmtevraag in onze regio. Er vinden verschillende onderzoeken plaats naar de potentie van geothermie en naar geschikte locaties, waaronder SCAN, LEAN en GOUD. PanTerra, EBN en TNO doen in opdracht van de provincie een vervolgstudie naar de potentie van geothermie in de regio. De resultaten van deze studie worden in 2021 verwacht. De studie, die een vervolg is op de WARM-studie uit 2020, geeft een specifieker beeld van locaties in onze regio die mogelijk geschikt zijn voor geothermie. Verder wordt de komende periode onderzocht op welke termijn geothermie kan worden ingezet en welke kansen en belemmeringen er zijn. Daarbij is uiteraard aandacht voor

20

52

|

Informatie- en Consultatieorgaan Aardwarmte (ICO), https://ico-aardwarmte.nl/

Voor het ontwikkelen van geothermie is het belangrijk dat we nauw contact houden met het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) als bevoegd gezag. Het ministerie houdt via het Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) toezicht op de veiligheid voor mens en milieu bij de winning van geothermie. Om aardwarmte te mogen opsporen en winnen, moet de exploitant vergunningen aanvragen bij EZK. Vanuit onze regio onderhoudt de provincie het contact met EZK. Omdat nieuwbouwprojecten gebruik kunnen maken van warmtebronnen met lagere temperaturen, willen we warmte uit geothermie met hoge temperaturen inzetten in de bestaande bouw. In de notitie ‘Opstap naar afwegingskader voor bovengemeentelijke warmtebronnen’ (zie bijlage 6) staat een toelichting bij de kansen en belemmeringen van geothermie. Als meerdere gemeenten (en partners) de mogelijkheden voor het inzetten van dezelfde geothermische bron willen verkennen, is het belangrijk dat zij samen de omgeving bij die verkenning betrekken. Vanuit de projecten Warmtebron Utrecht (LEAN en GOUD) en ICO20) is al een start met het uitwisselen van kennis. Bio-warmte Onder bio-warmte verstaan we zowel warmte uit houtachtige bio-grondstoffen (vaste biomassa) als warmte die wordt opgewekt door vergisting (biogas en groen gas). De verschillende toepassingen van bio-warmte brengen eigen aandachtspunten met zich mee.

Bio-warmte kan zowel lokaal als bovengemeentelijk worden ingezet. Daarbij spelen de warmtevraag, de afstand tussen bron en warmtevragers en de (on) mogelijkheden van de infrastructuur een grote rol. De genoemde notitie ‘Opstap naar afwegingskader voor bovengemeentelijke warmtebronnen’ (bijlage 6) bevat ook een toelichting bij de kansen en belemmeringen van bio-warmte. De deelnemende overheden onderschrijven dat het belangrijk is om de inzet van bio-grondstoffen voor de productie van bio-warmte zorgvuldig af te wegen. Vaste biomassa Hoewel bio-grondstoffen hernieuwbaar zijn, komt bij het verbranden van biomassa CO2 vrij – net als bij fossiele brandstoffen. Daarom beschouwen we de verbranding van bio-grondstoffen als de minst favo-

riete duurzame bron binnen de regio en moeten we er verstandig mee omgaan. Binnen de regio zien we warmte uit bio-grondstoffen puur als transitiebron die we kunnen inzetten tot een meer toekomstbestendige bron beschikbaar is. Indien we bio-grondstoffen inzetten als transitiebrandstof, dan letten we goed op duurzaamheid (door minimaal te voldoen aan de landelijke duurzaamheidseisen21) en circulariteit (door bio-grondstoffen alleen in te zetten als er geen andere toepassing meer is). Bij het inzetten van vaste bio-grondstoffen in onze regio hanteren we de landelijke duurzaamheidseisen. Daarbij wordt de duurzaamheid van bio-grondstoffen in vergunningverlening zo veel mogelijk gegarandeerd volgens de best beschikbare technieken. Op lokaal niveau wordt gekeken naar de invloed op de omgeving. De provincie22 heeft de Omgevingsdienst opdracht gegeven om naleving van de duurzaamheidseisen uit de vergunning te inventariseren en controleren. Bij het verbranden van vaste bio-grondstoffen komen rookgassen vrij die luchtverontreiniging kunnen veroorzaken. Met het oog op de luchtkwaliteit (vaste biomassa) of geurhinder (vergisting) wordt de voorkeur gegeven aan bio-warmte-installaties op buitenlocaties, boven (binnen)stedelijk gebied. We onderzoeken als regio of we hier een afspraak over kunnen maken.

Groen gas Bij de productie van groen gas willen we zo veel mogelijk gebruik maken van lokale reststromen. Groen gas wordt opgewekt uit de vergisting van mest, maar bijvoorbeeld ook afvalwaterslib en bermen slootmaaisel. De waterschappen halen nu al veel energie uit het vergisten van afvalwaterslib en die hoeveelheid neemt in de toekomst alleen maar toe. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) zet daarnaast in op het vergisten van maaisel om groen gas te produceren. Groen gas kan vervolgens via warmtekrachtkoppeling (WKK) worden omgezet naar elektriciteit. Ook kan het worden gebruikt voor tractie of worden toegevoegd aan het aardgasnet voor het verwarmen van gebouwen. Groen gas dat is geproduceerd in de regio U16, benutten we bij voorkeur ook in de eigen regio. Groen gas is schaars en ook de industrie en de transportsector kijkt naar de mogelijkheden van groen gas om te verduurzamen. De resultaten van de gemeentelijke TVW’s en de herijkingen daarvan zullen de komende jaren duidelijk maken waar

groen gas het beste alternatief is voor aardgas in de gebouwde omgeving. Bij gesprekken over het inzetten van groen gas kan daarnaast gebruik worden gemaakt van de gespreksleidraad (zie bijlage 7). Innovatie Nieuwe technieken en andere innovaties zullen meer toepassingen voor bio-grondstoffen in beeld brengen. De kosten die we nu in pilotprojecten zien, zullen waarschijnlijk dalen, waardoor de vraag naar bio-grondstoffen in andere sectoren toeneemt. Bio-grondstoffen spelen een centrale rol in de zogeheten biobased economy23. Een belangrijk onderdeel van de biobased economy is bio-raffinage. Bioraffinage zet in op een zo hoogwaardig mogelijke toepassing van bio-grondstoffen, waardoor energie vooral wordt opgewekt met de laatst overgebleven componenten. Waterstof Groene waterstof zal de komende decennia schaars zijn en speelt daarom voorlopig geen rol van betekenis in de verwarming van de gebouwde omgeving. Er is nog onvoldoende groene stroom beschikbaar en het elektrolyseproces (het productieproces van groene waterstof) is nog bijzonder kostbaar (zie tevens passage over waterstof in de kamerbrief over de stand van zaken klimaatakkoord gebouwde omgeving, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2020/09/28/ kamerbrief-over-stand-van-zaken-klimaatakkoord-gebouwde-omgeving).

Pas na 2030, wanneer er naar verwachting veel groene stroom beschikbaar is, kan de productie van groene waterstof mogelijk worden uitgebreid. Ook is dan een kostendaling te verwachten als gevolg van de opschaling van elektrolyse-capaciteit. De toepassing van waterstof voor het verwarmen of elektrificeren van woningen is geen efficiënt proces, gezien de vraag naar relatief lage temperatuur van de gebouwde omgeving in verhouding tot concurrerende sectoren zoals mobiliteit en industrie. De inzet van groene waterstof in de gebouwde omgeving zal naar verwachting in de toekomst dan ook alleen een reële optie zijn in die gevallen waarbij er geen alternatief is of waar huizen alleen tegen zeer hoge kosten van het aardgas af kunnen. In de RSW 1.0 is waterstof daarom niet meegenomen als een van de potentiële warmtebronnen voor de gebouwde omgeving voor de periode tot 2030.

RES 1.0 | Regio U16 | Warmte

Aquathermie Aquathermie is een warmtebron met veel potentie in de regio U16. Er zijn projecten in ontwikkeling, maar aquathermie wordt nog niet op grote schaal toegepast. Het is daarom goed om kennis en informatie over deze warmtebron te delen met gemeenten waar de warmtevraag met aquathermie kan worden verduurzaamd. De waterschappen en de provincie hebben de potentie van aquathermie uit oppervlaktewater in beeld. Er wordt onder andere gekeken naar aquathermie uit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek.

veiligheid en duurzaam gebruik van ondergrond en grondwater.

21 Zoals Better Biomass, NTA 8080 of vergelijkbaar. 22 Provincie Utrecht – Bio-energie in de provincie Utrecht, rol en randvoorwaarden. 23 De Biobased Economy (BBE) is een economie die gewassen en reststromen uit de landbouw en voedingsmiddelenindustrie inzet voor niet-voedseltoepassingen en die biomassa toepast voor de productie van materialen, transportbrandstoffen en energie (elektriciteit en warmte). In de BBE vervangen biologische grondstoffen fossiele grondstoffen.

|

53

Thema 3: Netwerk

Het derde thema is het uitwisselen van kennis en ervaring bij het uitbreiden van bestaande warmtenetten en het ontwikkelen van nieuwe netten. Als gevolg van de Wet collectieve warmtevoorziening (WCW), voorzien voor 2022, zal de rol van gemeenten veranderen. Vanuit hun regierol zullen gemeenten warmtekavels aanwijzen. Als daarbij de mogelijkheden worden onderzocht voor een warmtenet bij een gemeentegrens, dan is het belangrijk dat gemeenten de buurgemeente tijdig informeren en bij hun project betrekken. Binnen de regio U16 willen de deelnemende overheden kennis uitwisselen over het maken van afspraken met energiebedrijven of het opzetten van een gemeentelijk of regionaal warmtebedrijf. Samen staan zij ook sterker richting de markt.

4.4 Doorontwikkeling RSW 1.0

Voldoende bevoegdheden

Om visies en plannen daadwerkelijk tot uitvoering te kunnen brengen, zijn ook juridische instrumenten nodig. De inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wet collectieve warmtevoorziening brengt naar verwachting meer duiding in de rollen en verantwoordelijkheden van publieke en private partijen.

Tegemoetkoming uitvoeringslasten

Gemeenten staan aan de lat voor de regierol in de warmtetransitie. Gemeenten nemen deze rol serieus en werken hard aan lokale TVW’s en uitvoeringsplannen. Het artikel 2-onderzoek liet zien dat structurele financiering vanuit het Rijk van belang blijft om het Klimaatakkoord te kunnen uitvoeren. Uitvoeringslasten worden voor gemeenten op €600 miljoen per jaar geschat.

RES 1.0 | Regio U16 | Warmte

RES 1.0 | Regio U16 | Warmte

We nemen de huidige werkstructuur van de regio als uitgangspunt voor verdere samenwerking binnen de regionale warmtetransitie. Komende maanden besluiten we als deelnemende overheden hoe we onze samenwerking richting de RES 2.0 zullen vormgeven (zie hoofdstuk 6). Ook na het vaststellen van de RES 1.0 willen we elkaar versterken en in regioverband stappen zetten. Daarom hebben we punten benoemd die we in de vorm van een thematische agenda in de periode tot de RES 2.0 zullen uitwerken. In bijlage 8 geven we deze punten weer in een tabel. De uitvoering van de acties uit deze thematische agenda komt niet vanzelf tot stand. Het budget en de capaciteit die ervoor nodig zijn, behandelen we in het Regionaal Uitvoeringsplan (zie hoofdstuk 6.6).

4.5 Voorwaarden voor succes bij ambitie RES U16 warmte Haalbaarheid en betaalbaarheid voor de samenleving Draagvlak bij inwoners, bedrijven en andere partijen is van groot belang voor succes in de warmtetransitie. De warmtetransitie vindt vooral op lokaal niveau en achter de voordeur plaats. In deze fase zijn de oplossingen voor duurzame toekomstige warmtevoorziening nog niet overal in beeld en is ook nog niet duidelijk hoe de meerkosten voor deze verduurzaming wordt gedragen en door wie. Dit roept veel vragen op. De financiële kant inclusief de effecten op woonlasten is het belangrijkste vraagstuk waar een antwoord op moet komen.

54

|

|

55

5 RES in de Brede context In dit hoofdstuk plaatsen we de RES in de brede context. De samenhang met de andere tafels van het Klimaatakkoord, de opgave voor duurzame elektriciteitsopwek na 2030 en de context van alternatieve energiebronnen, -dragers en innovatie. Daarnaast vindt u in dit hoofdstuk de juridische context van de RES en wordt de verbinding gelegd met arbeidsmarkt en scholing.

5.1 S  amenhang met de andere doelstellingen van het Klimaatakkoord Mobiliteit is verantwoordelijk voor een substantieel deel van de CO2-uitstoot, maar verduurzaming van mobiliteit is geen onderdeel van de RES. In het Klimaatakkoord is deze taak elders belegd. De ambitie in het Klimaatakkoord is dat in 2030 alle nieuwe auto’s emissieloos zijn. Daarnaast wordt een sterke groei verwacht in elektrische bussen, bestelauto’s, vrachtwagens, en binnenvaartschepen, in light electric vehicles (LEV’s) en in overig elektrisch transport en vervoer.

ontwikkelen van de laadinfrastructuur en andere regionale acties om emissieloze mobiliteit te versnellen, zijn onderdeel van het RMP.

Het verduurzamen van mobiliteit, oftewel het stimuleren van de ontwikkeling en toepassing van duurzame aandrijftechnieken voor vervoermiddelen, is belegd in het Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland (RMP). Het RMP vloeit voort uit afspraken in het Klimaatakkoord. In het najaar van 2021 wordt het programma vastgesteld in het Utrechts Verkeer en Vervoer Beraad, waarin ook de gemeenten en de provincie vertegenwoordigd zijn.

De CO2-uitstoot door mobiliteit kan niet alleen worden beperkt door om te schakelen naar duurzamere vormen van transport, maar ook door een slimme ruimtelijke ontwikkeling. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen vlakbij ov-knooppunten en het aanleggen van goede fietsverbindingen. In het IRP van de regio U16 (besluitvorming najaar 2021) wordt gekozen voor duurzame mobiliteit. Er wordt voorrang gegeven aan binnenstedelijk en bouwen in de buurt van het ov. Het IRP zet in op een schaalsprong van met name het regionale ov-systeem als drager van de verstedelijking in de regio, in combinatie met een schaalsprong van fietsverkeer en regionale afstemming voor het beperken van autoverkeer in de spits.

Om het toenemende aantal elektrische voertuigen van stroom te kunnen voorzien, ontstaat vanzelfsprekend een enorme toename in de laadbehoefte. Tijdelijke opslag en teruglevering (smart charging) biedt een kans om het elektriciteitsnetwerk in balans te houden. En door laadinfrastructuur en duurzame energie met elkaar te matchen, kan het elektriciteitsnetwerk efficiënter worden gebruikt. De Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) werkt hieraan. De NAL is een beleidsagenda voor meerdere jaren met ambities en acties die ervoor zorgen dat we straks altijd en overal makkelijk en slim kunnen laden. Veel afspraken en acties worden lokaal en regionaal uitgevoerd. Overheden in de provincies Utrecht, Noord-Holland en Flevoland werken in de mobiliteitsregio MRA-Elektrisch samen aan de regionale uitwerking van de landelijke afspraken. In de NAL is afgesproken dat gemeenten in 2021 een laadvisie en plaatsingsbeleid vaststellen. MRA-Elektrisch heeft hiertoe een regionale laadvisie opgesteld die gemeenten kunnen onderschrijven of gebruiken als basis voor een eigen aangepaste visie. Het

56

|

Als groen gas en waterstof een grote rol gaan spelen bij het verduurzamen van mobiliteit, dan is er mogelijk samenhang met het benutten van deze energiebronnen/dragers voor warmte. In de RES 2.0 zullen we verder ingaan op de ontwikkelingen binnen het RMP en MRA-Elektrisch.

RES 1.0 | Regio U16 | RES in de Brede context

RES 1.0 | Regio U16 | Warmte

Mobiliteit

Industrie

De RES heeft vanuit het Klimaatakkoord geen taken specifiek gericht op het verduurzamen van bedrijven. In het Nationaal Klimaatakkoord zijn belangrijke afspraken gemaakt over het verduurzamen van de zware industrie. Deze worden in afzonderlijke programma’s uitgewerkt. Mogelijk wordt hierbij op termijn wel een verbinding gelegd tussen de RES en deze programma’s. Gemeenten zijn wel verantwoordelijk voor de energiebesparingsplicht. Bedrijven die per jaar meer dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m³ aardgas gebruiken, zijn verplicht om energiebesparende maatregelen te nemen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. Deze bedrijven moeten de gemeente laten weten welke besparende maatregelen zij hebben uitgevoerd.

|

57

Landbouw en Landgebruik

Het opwekken van duurzame elektriciteit zal voor een deel plaatsvinden in agrarisch gebied. De vraag naar ruimte hiervoor kan concurreren met de ruimtebehoefte van de agrarische sector. Om dit te voorkomen, heeft dubbel ruimtegebruik de voorkeur. Verder vragen windmolens aanzienlijk minder ruimte dan zonnepanelen. Daarnaast kunnen de opbrengsten uit het opwekken van energie juist bijdragen aan de toekomst van de agrarische sector.

RES 1.0 | Regio U16 | RES in de Brede context

5.2 Doelen Klimaatakkoord na 2030

De elektriciteitsopgave stopt niet in 2030. En Europa heeft de tussendoelstelling voor 2030 bijgesteld van 49% naar 55% beperking van CO2-uitstoot. De overstap naar het duurzaam opwekken van elektriciteit en het gebruik van duurzame warmtebronnen gaat door tot 2050. De verwachte elektriciteitsbehoefte in onze regio in 2050 is 10,8 TWh (met maximaal isoleren en elektrificeren). Er ligt dus nog een aanvullende opgave voor na 2030. In de Ontwerp-RES hebben we opgenomen dat we onderzoeken hoe we de aanvullende opgave voor de periode van 2030 tot 2040 kunnen invullen. Deze onderzoeksdoelstelling blijft staan. De uiteindelijke omvang van deze opgave kunnen we nog niet bepalen. Dat heeft een aantal redenen: a. Er is landelijk een kwantitatief doel gesteld voor 2030, maar nog niet voor 2040 en 2050; b. Enkele deelnemende overheden hebben vastgesteld eerder dan in 2050 klimaat- of energieneutraal te willen zijn, wat mogelijk tot een hogere opgave leidt; c. Het is nog niet duidelijk welke technieken we na 2030 kunnen toepassen. Voor de periode tot 2030 werken we met technieken die zich hebben bewezen, zoals zon op dak, zonnevelden en windmolens.

24 25

58

|

5.3 Innovatie en alternatieve bronnen en energiedragers

De doelstelling uit het Klimaatakkoord voor het opwekken van duurzame elektriciteit op land is 35 TWh in 2030, voor warmte gaat het om 1,5 miljoen woningen die aardgasvrij moeten worden. In de praktijk houdt dit in: het duurzaam opwekken van elektriciteit met wind- en zonne-energie, het besparen van energie en het vervangen van individuele gasaansluitingen voor duurzamer warmteopties. Niet alle technieken zijn op dit moment voldoende bewezen of ontwikkeld of worden niet meegeteld (bijvoorbeeld waterkracht). Daardoor is de (grootschalige) realisatie van deze technieken voor 2030 niet haalbaar en worden ze niet meegenomen in de doelstellingen. Er zijn evenwel andere bronnen en energiedragers voorhanden waarmee elektriciteit en warmte opgewekt kan worden. Bio-grondstoffen en waterkracht Dit betreft onder andere opwekking uit biomassa, biogas of waterkracht24. Waterschappen wekken bijvoorbeeld zelf energie op voor veel van hun elektriciteitsverbruik op hun zuiveringen. Dit doen ze door middel van vergisting van het zuiveringsslib en de inzet van Warmte Kracht Koppelingen (WKK’s). De productie van hernieuwbare elektriciteit uit bio-grondstoffen wordt niet meegeteld voor de nationale doelstelling van 35 TWh. In het Klimaatakkoord staat beschreven dat er nadere afspraken worden gemaakt met andere klimaatsectoren om een kader te ontwikkelen voor duurzame bio-grondstoffen.

Waterkrachtinstallaties worden niet genoemd in het Klimaatakkoord en worden niet meegeteld in de opgave25. Voor bio-warmte zie paragraaf 4.6.

Voor vaste bio-grondstoffen en biogas in relatie tot de warmtevoorziening verwijzen we naar paragraaf 4.3.3 in het hoofdstuk warmte. Op de website van het Nationaal Programma RES wordt per bron of energiedrager specifiek aangegeven wat de mogelijkheden zijn en op welke manier iets wel of niet bijdraagt aan de doelstellingen van het Klimaatakkoord.

Waterstof Waterstof is ook een veel besproken techniek als onderdeel van de energietransitie. Waterstof is geen energiebron, maar een energiedrager. We kunnen drie vormen van waterstof onderscheiden. Ten eerste grijze waterstof wanneer het wordt geproduceerd uit aardgas. Wanneer je hierbij de vrijkomende CO2 afvangt en opslaat spreken we van blauwe waterstof. Groene waterstof tot slot, wordt gemaakt met elektriciteit uit wind- en zonne-energie met een elektrolyser. Met waterstof kan ook elektriciteit of warmte worden geproduceerd door dit te verbranden in een centrale of met een elektrochemische reactie in een brandstofcelsysteem. Een teveel aan wind- en zonneenergie kan worden omgezet in groene waterstof en langdurig (seizoenen) worden opgeslagen in lege zoutcavernes en gasvelden om later weer in elektriciteit of warmte om te zetten. Hierbij gaat circa 65% van de opgewekte energie verloren. De inzet van waterstof helpt echter wel om de vraag en het aanbod te balanceren en dure uitbreidingen van het elektriciteitsnet te voorkomen. Wind- en zonneparken kunnen ook worden gebouwd met waterstofproductie als hoofddoel. Waterstof kan niet bijdragen aan de 35 TWh doelstelling (mogelijk wel voor zwaar transport en industrie), maar kan na 2030 mogelijk wel bijdragen aan de CO2-reductiedoelstelling voor 2050. Kernenergie Het maatschappelijke debat over kernenergie volgen we op de voet.

Voor de verduurzaming van onze energievoorziening van 2030 speelt kernenergie echter geen rol omdat het niet tijdig gerealiseerd kan worden. Het Rijk is bevoegd gezag voor het afgeven van een vergunning voor een kerncentrale en er zijn reeds drie locaties in Nederland voorzien voor de bouw van een eventuele centrale. Een kerncentrale zal pas na 2030 kunnen worden gerealiseerd. Ditzelfde geldt voor nieuwe concepten van kernenergie, zoals op basis van thorium als splijtstof in plaats van het gebruikelijke uranium. Innovatie Voor de bijdrage aan de landelijke doelstelling van 35 TWh duurzame elektriciteitsopwek op land zijn we aangewezen op zon op grote daken, zonnevelden en windmolens. Ook voor een duurzame warmtevoorziening wordt uitgegaan van de op dit moment bewezen technieken. Dat neemt niet weg dat er op iets langere termijn potentie is voor alternatieve duurzame bronnen en energiedragers die kunnen bijdragen aan de reductie van CO2. We kunnen de RES naar eigen inzicht verbreden en andere technologieën meenemen, al telt dit niet

mee voor ons bod. Daarom volgen we in de periode tot de RES 2.0 de ontwikkelingen omtrent waterstof, kernenergie en (ultradiepe) geothermie in relatie tot de RES. In de onderzoeken ten behoeve van warmte in de RES 1.0 nemen we de volgende bronnen en technieken al mee: vaste bio-grondstoffen en biogas, geothermie, en thermische energie uit oppervlaktewater, afvalwater en drinkwater (TEO, TEA en TED). Er wordt uiteraard ook geïnnoveerd in de bestaande technologieën. Om rekening te houden met deze ontwikkelingen, wordt de RES elke twee jaar herijkt naar de laatste stand van de techniek. Als technieken sneller dan verwacht een significante bijdrage kunnen leveren, kunnen we deze in een latere RES meenemen. Bij innovatie denken we ook aan energieopslag. Dit is nog sterk in ontwikkeling. Naast opslag in batterijen zijn er verschillende andere mogelijkheden denkbaar: opslaan van energie in waterstof, opslag van zonnewarmte, en thermische energieopslag. Voor de RES 1.0 is energieopslag nog geen opgave. Dit zal, naar mate de techniek zich ontwikkelt, mogelijk wel het geval zijn in de RES 2.0 en verder.

RES 1.0 | Regio U16 | RES in de Brede context

De landbouw- en landgebruiksectoren hebben in het Nationaal Klimaatakkoord de opdracht gekregen tot een reductie van 3,5 Megaton aan broeikasgasemissies in 2030 (bovenop bestaand beleid). Onderdeel daarvan is een afname van 1 Megaton CO2-equivalent in veenweidegebieden. Met het oog op die afname ontwikkelt de provincie Utrecht voor de veenweidegebieden binnen haar gebied een Regionale Veenweide Strategie. Dat doet zij samen met grondgebruikers (onder wie agrariërs), maatschappelijke organisaties, bewoners en andere overheden. In gebiedsprocessen op polderniveau wordt de strategie verder uitgewerkt.

Voor de periode na 2030 zijn er nog veel vragen: 1. Hoe gaan we regionaal voorzien in de warmtevraag? Meer elektrificatie betekent een grotere elektriciteitsbehoefte. 2. Hoe ontwikkelt (duurzame) mobiliteit zich? Veel mobiliteit wordt elektrisch, maar welke rol gaat waterstof (van buiten de regio) spelen? 3. Hoe ontwikkelt de landelijke elektriciteitsproductie zich? 4. Welke technieken zijn er straks voor het duurzaam opwekken van elektriciteit aanvullend op zon op dak, zonnevelden en windmolens? Welke duurzame warmtebronnen worden ontsloten in de regio?

5.4 Juridisch context van de RES

De regionale aanpak van de energietransitie komt voort uit het IBP van 2018. Daarin hebben overheidsorganisaties als de VNG, het IPO en de UvW zich verbonden aan de samenwerking. De samenwerking is door de gezamenlijke overheden in overleg met maatschappelijke partijen verder uitgewerkt in het Klimaatakkoord. De RES U16 heeft vervolgens zelf gekozen voor deze regio en huidige samenwerking. Voor het uitvoeren van de Klimaatwet is bepaald dat het Rijk een Klimaatplan vaststelt. Dat plan bestrijkt tien jaar en wordt elke vijf jaar geactualiseerd. Het eerste Klimaatplan (2021 - 2030) verwijst naar het Klimaatakkoord, het IBP en de afspraken die daarin gemaakt. De link tussen IBP, Klimaatakkoord, Klimaatwet en Klimaatplan is niet juridisch bindend. Samenwerking in een RES is geen wettelijke plicht, maar trekt een overheid zich terug dan gaat dat wel in tegen de afspraken die het Rijk, provincies en gemeenten sinds 2018 in het klimaatbeleid hebben gemaakt. Zowel in het Klimaatakkoord als in het Klimaatplan is opgenomen dat binnen een RES eerst via bestuurlijke samenwerking en overleg een oplossing wordt gezocht als geen overeenstemming bereikt wordt.

| 59

De systematiek van de RES’en heeft geen verandering gebracht in de bevoegdheidsverdeling van de verschillende overheidslagen. Alle drie de overheidslagen hebben verantwoordelijkheden voor activiteiten die de energietransitie raken. Met beleid en regelgeving geven zij invulling aan die verantwoordelijkheden. Voor windparken en -molens bijvoorbeeld zijn gemeenten bevoegd gezag bij een opgesteld vermogen tot 5 MW. Provincies zijn bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor windparken met een opgesteld vermogen tussen 5 en 100 MW26. Daarnaast coördineert de provincie de overige vergunningen die nodig zijn voor de ontwikkeling van een windpark. De provincie kan de bevoegdheid voor windparken met een groter vermogen dan 5 MW overdragen aan de gemeente. In praktijk gebeurt dit ook vaak. Voor windparken met een opgesteld vermogen van meer dan 100 MW is het Rijk aan zet. Zowel gemeenten (bestemmings-/omgevingsplan) als provincies (inpassingsplan) hebben de bevoegdheid om een windpark ruimtelijk in te passen. RES 1.0 | Regio U16 | RES in de Brede context

De RES 1.0 heeft geen juridische status. In ruimtelijke procedures kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De deelnemende overheden zetten hun eigen bevoegdheden en instrumenten, zoals omgevingsvisies en -plannen, in om de ambities en doelen van de RES U16 te helpen realiseren. De RES 1.0 biedt input en context voor het omgevingsbeleid van provincie en gemeenten. De regionale samenwerking biedt inzicht in de samenhang van de verschillende uitwerkingen. Daarnaast komt de optelsom van beleid en regelgeving er samen. Tenslotte vindt er ook afstemming plaats. De deelnemende overheden zijn en blijven zelf verantwoordelijk voor hun omgevingsvisies en -plannen.

26

60

|

5.5 Arbeidsmarkt en scholing als randvoorwaarde

Arbeidsmarkt en scholing vormen een belangrijke randvoorwaarde voor een succesvolle energietransitie. De transitie heeft grote invloed op de banen en opleiding van veel mensen. Omgekeerd zijn arbeidsmarkt en scholing bepalend voor de snelheid en kosten van de energietransitie en voor het draagvlak. Om de klimaatdoelen te halen is het nodig om veel mensen aan te trekken en hun vaardigheden actueel te houden.

RES 1.0 | Regio U16 | RES in de Brede context

Het Rijk heeft in de Klimaatwet harde duurzaamheidsdoelen opgenomen, waar de provincie Utrecht zich achter schaart. Beide beschikken over juridische instrumenten om de doelen na te streven. Mocht een gemeente zich terugtrekken uit de RES U16, dan betekent dat niet dat zij zich vrijwaart van deze instrumenten. Aan de andere kant betekent het ook niet dat Rijk of provincie de instrumenten automatisch zullen inzetten.

Milieueffectrapportages binnen de RES De meeste grotere projecten voor het duurzaam opwekken van elektriciteit die uit de RES 1.0 voortvloeien, zullen veelal MER-plichtig zijn. De RES 1.0 zelf is dat niet. Na het vaststellen van de RES 1.0, werken we uit hoe we omgaan met het instrument milieueffectrapportage. Welke MER-vorm is het meest geëigend: een projectgebonden MER of bijvoorbeeld een plan-MER? Gezamenlijk onderzoek naar milieu- en natuureffecten kan meerwaarde hebben voor overkoepelende thema’s. Ook kunnen we regionaal criteria opstellen voor onderzoek dat op locatie wordt gedaan. Daarmee harmoniseren we de inhoud en het proces. Overigens nemen sommige gemeenten de meest kansrijke zoekgebieden voor windenergie nu al mee in de MER voor hun omgevingsvisie.

De krachtigste aanpak ontstaat wanneer we het vraagstuk van arbeidsmarkt en scholing afstemmen op provinciale, regionale en gemeentelijke beleidsagenda’s, ontwikkelingen en vraagstukken. In de periode tot de RES 2.0 sluiten we aan op structuren en netwerken voor arbeidsmarkt en scholing, zoals de arbeidsmarktregio’s. Daar brengen we de energietransitie onder de aandacht en onderzoeken we hoe en vanuit welke rol we kunnen bijdragen aan voldoende goedgeschoolde mensen in de regio. Daarnaast proberen we aan de adviezen die het NP RES hieromtrent aan het opstellen is, opvolging te geven in onze regio.

In het wetsvoorstel Energiewet (art. 6.2, lid 1, sub a) wordt de bevoegdheid voor gemeenten verruimd naar 15 MW.

|

61

6 Onderweg naar 2050: organisatie van het vervolg tot 2030 Zoals we in hoofdstuk 1 al schetsten, onderschrijven we de doelstelling in 2050 de CO2-uitstoot met 95% te hebben gereduceerd ten opzichte van 1990. Regionale samenwerking is en blijft daarvoor noodzakelijk. De opgave houdt zich niet aan gemeentegrenzen en de oplossingen doen dat ook niet. Duurzame opwek van elektriciteit en warmte kunnen zichtbaar zijn vanuit omliggende gemeenten. We maken allemaal gebruik van dezelfde netinfrastructuur, die maar beperkt ruimte biedt. En om te voorzien in de warmtebehoefte helpt regionale samenwerking, zeker bij warmtebronnen met een regionaal potentieel. We werken met 21 overheden uit verschillende bestuurslagen en nog veel meer maatschappelijke partners samen aan oplossingen. Met elkaar, omdat de opgave niet alleen lokaal, maar ook gemeentegrensoverschrijdend is. We werken aan een gezamenlijk resultaat, maar accepteren lokale verschillen. Zo maken we onze gedeelde en afzonderlijke ambities waar. We zijn daarnaast onderdeel van het Nationaal Programma RES. Dit hoofdstuk beschrijft de belangrijkste momenten om naar toe te werken, de uitgangspunten en afspraken voor onze samenwerking en de belangrijkste taken die we regionaal oppakken.

RES 1.0 | Regio U16 | RES in de Brede context

Vanwege de grote tijdspanne van de transitie en de potentie van technologische innovatie kiezen we voor een adaptief ontwikkelpad. Wendbaarheid is nodig om nieuwe technieken te kunnen benutten en af te kunnen stemmen op andere ruimtelijke opgaven. Nu en in de toekomst. We bepalen een doel voor 2030 om de bijdrage aan concrete realisatie van CO2-reductie op kortere termijn al mogelijk te maken. Voor de periode erna houden we ruimte voor ontwikkeling, liefst in overzichtelijke perioden van 5 tot 10 jaar om nieuwe concrete resultaten te kunnen boeken. In de permanente beweging zijn er ijkmomenten om gezamenlijk sturing te kunnen geven aan de energietransitie: • Iedere twee jaar actualiseren we de RES. Over de geactualiseerde versie wordt een besluit genomen in de parlementen, zodat de RES en de uitvoering ervan altijd een democratische basis heeft. • In 2021 stellen alle gemeenten de TVW vast, die zij minimaal eens in de vijf jaar herijken. • In 2022 zetten de deelnemende overheden de RES 1.0 om in ruimtelijk beleid, voor zover dat nodig is om de bijdrage van 1,8 TWh aan de landelijke doelstelling voor duurzame elektriciteit in 2030 te realiseren. • In 2025 worden de ruimtelijke procedures voor zonnevelden en windmolens afgerond, voor zover die nodig zijn om de bijdrage van 1,8 TWh in 2030 te realiseren. • In 2030 komt de realisatie van 1,8 TWh duurzame elektriciteitsopwek gereed.

62

|

Op deze momenten kijken we met elkaar of we op koers liggen. Daarnaast zijn er momenten waarop we aanvullende ambities en doelen stellen voor de periode tot 2050. Doelen voor de periode na 2030 moeten we vastleggen en onderbouwen in een van de volgende RES-versies. Naast bovenstaande momenten zijn er ook bestuurlijk informele ijkmomenten. Deze momenten nemen we op in het Regionaal Uitvoeringsplan (paragraaf 6.5) waarbij in ieder geval zijn opgenomen: • Q4 2021, uitkomsten besluitvorming door parlementen over RES 1.0 en verdiepende netimpactanalyse • Voor zomerreces 2022, gemeenteraadsverkiezingen, mogelijke effecten coalitieakkoorden, check uitwerking in ruimtelijk beleid op schema • Na zomerreces 2022, startbijeenkomst nieuwe bestuurscyclus • Q3 2022, inventarisatie start planuitwerking (wind) initiatieven • Vanaf december 2022: jaarlijkse monitoring op voortgang en eventuele planuitval

| 63

RES 1.0 | Regio U16 | Onderweg naar 2050: organisatie van het vervolg tot 2030

6.1 O  ntwikkeling in stappen: de energietransitie is een permanente beweging voor de komende decennia

RES op weg naar 2030 & 2050 Klimaatakkoord Definitief Klimaatakkoord getekend. De RES is één van de maatregelen uit het Klimaatakkoord.

2018

Lokale ambities en initiatieven 2013 Energieakkoord Nederland 2015 Klimaatakkoord Parijs Start RES Regio’s starten en bereiden de RES voor. 30 Regio’s van de RES gevormd.

2019 2020

5MW). Het beslissen over windenergie kan provinciaal maar ook lokaal. Hierin staat samenwerking voorop, worden de plannen onderling afgestemd en is er een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het halen van de doelen. De RES U16 is voor partijen zoals het Rijk en net Nationaal Programma RES het aanspreekpunt.

1 oktober 2020 1 juli 2021

2021

Concept RES Aanleveren van bestuurlijk vastgestelde concept-RES.

Tweede Kamer verkiezingen

Opleveren RES 1.0 per regio Stapsgewijs toewerken naar realisatie van RES. Dit verschilt per regio.

Gemeenteraadsverkiezingen

2022

3.0

2023

Provinciale staten verkiezingen & Waterschapsverkiezingen

1 juli 2025 RES 3.0 Tusssentijds ijkmoment.

1 juli 2023 Europese verkiezingen

RES 2.0 Tusssentijds ijkmoment.

35TWh Duurzame 1 januari 2030 Energie In 2030 is de doelstelling van 35TWh duurzame energie op land gerealiseerd.

1 januari 2025

2025

Omgevingsvergunningen De omgevingsvergunningen voor zon- en windprojecten in 2030 zijn verleend.

2030

Intensivering dialoog met de samenleving Uitbreiding van het net Verankering in instrumenten omgevingswet

1 januari 2050

100% Hernieuwbare Energie We stoten geen CO2 meer uit.

2050

Figuur 6.1 Een overzicht van de RES tot 2050.

Deze momenten zijn er op gericht tijdig zicht te krijgen op planuitval en door consensus en in RES verband afspraken te maken hoe dit op te vangen. Deze ijkmomenten zijn afgestemd met de twee andere RES’en in de provincie. Voorafgaand aan deze ijkmomenten vinden informele bestuurdersconferenties plaats. Tijdens deze sessies worden de mogelijkheden besproken, verkend en uitgewisseld waardoor afstemming tussen de deelnemers en de voorbereiding van formele besluitvorming door de dagelijks besturen en parlementen soepel verloopt.

Het uitwerken en uitvoeren van de RES gebeurt op lokaal en regionaal niveau.

Bovenlokale samenwerking tussen de lokale en provinciale overheden is nodig bij het vinden van zoekgebieden voor windmolens en zonnevelden, het samen slim inzetten van het elektriciteitsnetwerk, het benutten van regionale warmtebronnen en het maken van keuzes in samenhang met andere ruimtelijke opgaven, zoals wonen, mobiliteit en landbouw. Dit doen we zo veel mogelijk via bestaande bestuurlijke samenwerkingsverbanden.

(Boven)lokaal

Regionaal

6.2 Lokale en regionale uitwerking en uitvoering

De Ontwerp-RES hebben we regionaal ontwikkeld door allerlei lokale en provinciale processen samen te brengen en op elkaar af te stemmen. Wij zetten deze lijn door. De uitvoering van de RES gebeurt primair op lokaal niveau onder leiding en verantwoordelijkheid van gemeenten. Zij zijn verantwoordelijk voor onder meer: • Het omzetten van de RES in het lokale omgevingsbeleid;

64

|

• Het verlenen van vergunningen; • Het begeleiden van lokale initiatieven en projecten; • Het afstemmen van de uitvoering van de RES en het provinciale omgevingsbeleid; • Het opstellen en uitvoeren van een gemeentelijke TVW.

Het uitwerken en uitvoeren van de RES gebeurt op lokaal (gemeentelijk) niveau waar mogelijk. Op die manier sluiten we maximaal aan bij de gemeenteraden. Zij beslissen over zonne-energie en stellen de TVW vast. Daarnaast biedt de provincie een kader voor het uitvoeren van de RES in het provinciale omgevingsbeleid. Op regionaal niveau worden de lokale afspraken in samenhang bezien. De provincie is bevoegd gezag voor grotere windprojecten (>

De komende jaren richten we onze regionale inspanningen op: a. Uitvoering geven aan de thematische agenda’s (bijlage 8); b. Het monitoren en afstemmen van zonne- en windprojecten; c. De communicatie met en het behartigen van regionale belangen bij in ieder geval het Nationaal Programma RES en het Rijk; d. Een coördinerende rol bij projecten zoals zon-op-dak vanwege schaalvoordeel of grote onderlinge afhankelijkheden; e. Het aansluiten van onze RES op het REP en het integraal afstemmen van ruimtelijke opgavenmet gemeenten en provincies; f. Het zo goed mogelijk inzetten op de beschikbare netcapaciteit van Stedin en de netbeheerder inzicht geven in de noodzakelijke toekomstige investeringen in de RES U16;

Om deze regionale taak te kunnen uitvoering en het vervolg te kunnen invullen, stellen de dagelijks besturen na het besluit over de RES 1.0 een Uitvoeringsplan vast. (Zie paragraaf 6.5.) Aanvullend op deze gezamenlijke regionale RES uitvoering formuleren provincie Utrecht en gemeente Utrecht samen een aanbod voor ‘flankerend beleid’ om gemeenten te ondersteunen bij het realiseren van hun RES bod. • De RES is niet het enige dossier waarop provincie en gemeenten samenwerken. Partijen werken ook samen om voldoende woningbouw te realiseren, aan goede bereikbaarheid, vitaliteit van kernen, natuur en landschap etc. Een goede afstemming van de ruimtevraag van verschillende gebiedsopgaven is van belang. De provincie is bereid om af te stemmen en te ondersteunen: bij de uitwerking van zon en wind leggen de provincie en gemeenten de verbinding met andere gerelateerde gebiedsopgaven. Indien gewenst en noodzakelijk landt dit in bestuurlijke afspraken. • De provincie maakt samen met de gemeente Utrecht inzichtelijk welke faciliterende ondersteuning zij aan de regio kan bieden bij het ontwikkelen van duurzame energie.

Hiervoor is al een bestaand ondersteuningsaanbod vanuit de provincie op het gebied van het vormgeven van proces- en financiële participatie, het inzetten van visualisatietools, het beschikbaar stellen van juridische checks en het organiseren van uitwisselingsessies en trainingen. De provincie en de gemeente Utrecht kijken daarnaast in samenspraak met regiogemeenten in hoeverre ondersteuning nodig en mogelijk is. • De provincie onderzoekt samen met de gemeente Utrecht hoe het bestaande ontwikkelfonds voor energiecoöperaties kan helpen windprojecten versneld te realiseren en tegelijk meer opbrengsten ten goede kan laten komen aan lokale maatschappelijke voorzieningen.

| 65

RES 1.0 | Regio U16 | Onderweg naar 2050: organisatie van het vervolg tot 2030

RES 1.0 | Regio U16 | Onderweg naar 2050: organisatie van het vervolg tot 2030

2024

Om deze processen te ondersteunen, te activeren en te verbinden, is regionale coördinatie van grote betekenis. Dit leidt tot synergievoordeel en maakt het mogelijk om innovatieve inhoudelijke, bestuurlijke, technische en participatie-oplossingen te delen. Het is ook noodzakelijk om een centraal coördinatiepunt te hebben dat proactief handelt naar alle partijen. Bijvoorbeeld bij de ruimtelijke inpassing van zon en wind en de aansluiting op grotere verdeelstations. En ook bij de keuze om lusten en lasten samen te dragen. Ook vindt op regionaal niveau de aansluiting en afstemming plaats met andere programma’s en met alle betrokken overheden. Denk aan het REP in de regio U16, het Nationaal Programma RES, het Rijk, provincies en andere RES’en. En aan de samenwerking met regionale belanghebbenden. Regionaal zorgen we voor afstemming bij het ontwikkelen en uitvoeren van beleid. Die afstemming is er onder meer bij het bewaken van de ruimtelijke kwaliteit binnen de U16 of op de grens met andere RES’en en provincies, zoals het Groene Hart. Het bewaken van de regionaal vastgelegde ambities en het volgen van de voortgang van de concrete afspraken is een regionale taak.

g. Het opstellen van de RES 2.0, inclusief het uitvragen en laten uitvoeren van innovatieve kansen, het onderzoeken en concrete uitwerken van nieuwe mogelijkheden voor de energietransitie; h. De communicatie en het samenwerken met regionale stakeholders; i. Regionale communicatie over de energietransitie in het algemeen en de RES U16 in het bijzonder; j. Een actieve rol vervullen bij het delen van kennis en kunde, bijvoorbeeld t.a.v. de gemeentelijke TVW’s, de RSW en ontwikkelingen rond duurzame technieken en besparing.

6.3 Uitgangspunten governance

De RES U16 is een samenwerking van organisaties uit verschillende bestuurslagen en Stedin. Dit op basis van de staatsrechtelijke verdeling van taken en bevoegdheden (het huis van Thorbecke). We werken nauw samen bij het ontwikkelen van voorstellen en bij het opstellen van concrete plannen na lokale besluitvorming. Zo stemmen we vanuit ons gezamenlijke inhoudelijke doel onze rollen en inzet van bevoegdheden op elkaar af. In de startnotitie hebben we uitgangspunten vastgelegd over de governance van de RES U16. (Zie kader.) Deze blijven onverminderd van kracht. In de Ontwerp-RES hebben we ze aangevuld met het uitgangspunt ‘Iedereen doet mee en levert een bijdrage’: Met respect voor de lokale context verwachten de deelnemende overheden van elkaar dat zij meedoen, een bijdrage leveren en de eigen keuzes steeds afwegen tegen de belangen van de regio om zo te komen tot een blijvende synergie.

6.4 Governancestructuur

We continueren de structuur van samenwerken. We benutten daarbij de structuur van de U10. De gemeenten die geen deel uitmaken van de U10, de provincie Utrecht, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, waterschap Amstel, Gooi en Vecht, waterschap Rivierenland en waterschap Vallei en Veluwe en Stedin sluiten aan bij het overleg van de bestuurstafel Klimaatneutrale regio voor het onderwerp RES U16. De zestien wethouders, gedeputeerde en hoogheemraad vormen zo de stuurgroep, waarbij Stedin ook aan het overleg deelneemt. De waterschappen laten zich daarbij vertegenwoordigen door De Stichtse Rijnlanden.

De tafel vormt de stuurgroep van de RES en stuurt op de uitvoering van de RES 1.0 en aan het structureren en op tijd voorbereiden van besluitvorming in de parlementen. Ruimtelijke of planologische besluitvorming (bijvoorbeeld voor het vaststellen van zoekgebieden voor windmolens) of het verlenen van vergunnen (bij concrete initiatieven voor zonnevelden) wordt gedaan door het betreffende bevoegd gezag. Besluitvorming over de RES 2.0 is voorbehouden aan de parlementen van de individuele overheden.

Uitgangspunten governance RES U16

RES 1.0 | Regio U16 | Onderweg naar 2050: organisatie van het vervolg tot 2030

RES 1.0 | Regio U16 | Onderweg naar 2050: organisatie van het vervolg tot 2030

Uitgangspunt voor de RES-U16 is de samenwerking van zestien gemeenten, vier waterschappen en de provincie. De deelnemende gemeenten, waterschappen en provincie zijn gelijkwaardige partners binnen de RES. Daarnaast heeft Stedin een aparte status binnen de RES U16. Een essentieel onderdeel van de RES is het energie infrastructuurplan. De afstemming van de planning en investeringen in de infrastructuur kent een nauwe samenhang met de planning van de aanpassing van ruimtelijke kaders door overheden. Dit betekent dat de besluitvorming van Stedin op infrastructuur en de besluitvorming van overheden op omgevingsbeleid niet van elkaar los gezien kunnen worden. De besluitvorming over de RES vindt plaats door de deelnemende gemeenten, waterschappen, provincie. In de RES zullen veel belangen en waarden samenkomen en waar het niet lukt om deze te verenigen zal van de besturen van de deelnemende overheden gevraagd worden om de belangen tegen elkaar af te wegen. We kiezen er daarom voor de besluitvormingsrol alleen bij de overheden neer te leggen.

Figuur 6.2: De governancestructuur van de RES U16

De bestuurstafel RES U16 (stuurgroep RES) bereidt de RES-voorstellen voor die aan de gemeenten, waterschappen, provincie en de publieke netbeheerders worden voorgelegd voor besluitvorming. Leden van de bestuurstafel RES U16 zijn: de wethouders verantwoordelijk voor de RES van de deelnemende gemeenten, een hoogheemraad van HDSR namens de vier waterschappen, de gedeputeerde en een vertegenwoordiger van Stedin op directieniveau. We claimen de energietransitie niet als overheden. De energieopgave is van iedereen. Op regionaal niveau betrekken we (regionaal) georganiseerde stakeholders bij de strategievorming. We benaderen deze stakeholders proactief. Dit doen we op basis van een analyse van hun belangen. Wij gaan met de stakeholders in gesprek over welke bijdrage zij kunnen en willen nemen in de totstandkoming van de RES en hoe zij daarin hun netwerk betrekken. Samen met de stakeholders geven we vorm aan de wijze waarop zij betrokken worden. Op lokaal niveau informeren en betrekken de lokale overheden inwoners, organisatie en bedrijven zoals dat past in de lokale samenwerking en cultuur. De lokale overheden worden hierin op basis van hun behoeften ondersteund door het team van de RES U16.

66

|

|

67

6.5 Maatschappelijke samenwerking

De energietransitie is niet van de overheden en kan alleen slagen met inzet van vele inwoners, organisaties en bedrijven bij de vraag hoe we de energietransitie in onze regio vormgeven. We kiezen voor een zo goed mogelijke samenwerking met de maatschappij en onderzoeken hoe we die samenwerking, in samenhang met lokale participatie, voor langere tijd succesvol kunnen aangaan.

• We zijn transparant: we communiceren open, respectvol en actief, zodat inwoners kunnen weten waar we mee bezig zijn; • We zetten ons actief in voor de betrokkenheid van zoveel mogelijk mensen bij het proces en het resultaat; • We proberen actief draagvlak voor de energietransitie te vinden; We sluiten aan op ieders betrokkenheid: die is mogelijk bij de meer abstracte regionale plannen en bij de realisatie van concrete projecten. Bij betrokkenheid kan het gaan om meedoen, bijvoorbeeld in de vorm van 50% lokaal eigendom, om meedoen in de vorm van meepraten over de totstandkoming van initiatieven en om inspraak bij de besluitvorming over die initiatieven. Ook na RES 1.0 blijft participatie een van de pijlers bij de uitwerking van de kansrijke gebieden tot projecten. Daarbij zet de U16 in op zowel regionale als lokale participatie. Vanuit de gemeenten is het afgelopen jaar gewerkt aan een structuur waarbinnen inwoners en lokale organisaties hun inbreng kunnen geven op de ontwikkeling van kansrijke gebieden. De komende maanden wordt gekeken hoe deze structuur binnen de lokale context verder versterkt kan worden door bijvoorbeeld in regionaal verband te kijken of alle betrokken organisaties in het gebied goed vertegenwoordigd worden en of er meer aandacht kan gaan naar de betrokkenheid van jongeren.

Deze regionale ondersteuning biedt kaders om zo te werken aan meer gelijkwaardige vormen van participatie binnen alle gemeenten.

68

|

Tot slot zetten we ook de komende tijd verder in op het delen van kennis en ervaring op het gebied van participatie door de beschikbare informatie op nationaal niveau lokaal te delen, door structureel overleg of intervisie met lokale communicatie- en participatieadviseurs en door aan te sluiten bij kennisplatforms over dit onderwerp. We zullen in de komende periode op basis van onze eigen ervaringen en die uit andere RES’en nieuwe vormen en initiatieven ontwikkelen die de betrokkenheid verder versterken. Voorbeelden hiervan zijn het inrichten van een stakeholderklankbord of adviesraad, een burgerplatform of een digitaal inwonerspanel.

6.6 Regionaal Uitvoeringsplan

Om de RES 1.0 te kunnen uitvoeren en het vervolg te kunnen invullen, stellen we een uitvoeringsplan op. Direct na het besluit over de RES 1.0 leggen we dat, indien nodig, ter besluitvorming voor aan de dagelijks besturen van de deelnemende overheden. Het uitvoeringsplan beschrijft in elk geval: a. De inrichting van de organisatiestructuur op basis van bovenstaande uitgangspunten; b. De organisatie van de ambtelijke inzet; c. De projecten (waaronder het opstellen van de RES 2.0) die regionaal worden aangestuurd, ondersteund of gemonitord, zoals in vorige hoofdstukken en de thematische agenda’s (bijlage 3) benoemd; d. De ijkmomenten en bestuurlijk informele ijkmomenten zoals genoemd in paragraaf 6.2; e. De inrichting van de besluitvorming, inclusief afspraken over de werkwijze bij een bestuurlijke impasse; f. Een getrapte aanpak bij planuitval van elektriciteitsprojecten; g. De organisatie van maatschappelijke samenwerking en participatie; h. De planning; i. De benodigde capaciteit in menskracht en noodzakelijke financiële middelen; j. De dekking van de kosten.

RES 1.0 | Regio U16 | Onderweg naar 2050: organisatie van het vervolg tot 2030

RES 1.0 | Regio U16 | Onderweg naar 2050: organisatie van het vervolg tot 2030

Tijdens iedere stap van het proces na het vaststellen van de RES 1.0 blijven er momenten waarop inwoners en lokale en regionale belanghebbenden kunnen meedenken en meepraten, inspraak hebben of bezwaar kunnen maken. Vanaf het moment dat er zoekgebieden worden uitgewerkt tot de ruimtelijke trajecten waarin de vergunningen worden verstrekt en de projectontwikkelingsfase. Uitgangspunten voor onze aanpak zijn daarbij:

Daarnaast wordt de regionale participatie met landelijke en regionale organisaties versterkt door een consistente dialoog te organiseren. Het doel hiervan is om van belanghouders te ontwikkelen naar samenwerkingspartners die een structurele inbreng leveren voor de realisatie van de projecten en initiatieven die ontwikkeld worden. Daarnaast kunnen hierdoor ook tijdig landelijke of regionale belanghouders worden gekoppeld aan lokale participatietrajecten.

De omvang en intensiteit van de regionale activiteiten zijn onder meer afhankelijk van de beschikbaarheid van financiële middelen vanuit het Rijk. Het Rijk is van plan om opnieuw een financiële bijdrage te leveren aan de RES’en, maar de omvang daarvan is op het moment van schrijven van deze RES nog niet bekend. Daarom zal bij de ontwikkeling van het uitvoeringsplan worden gewerkt met scenario’s met verschillende hoogtes van de Rijksbijdrage.Naast de Rijksbijdrage kan de dekking bestaan uit zogeheten ‘om-niet-capaciteit’ door de deelnemende overheden, en een financiële bijdrage van de deelnemende overheden. Het uitvoeringsplan kijkt door tot en met 2025. Projecten voor het opwekken van elektriciteit moeten dan zijn vergund en de RES 3.0 moet klaar zijn voor besluitvorming. De focus en concrete uitwerking van het uitvoeringsplan ligt op de periode tot besluitvorming over de RES 2.0 in 2023.

| 69

RES 1.0 | Regio U16 | Onderweg naar 2050: organisatie van het vervolg tot 2030

RES 1.0 | Regio U16 | Onderweg naar 2050: organisatie van het vervolg tot 2030

Bijlagen

1

| | 70

Inhoudsopgave bijlage 4 32 57 60 65 69 73 76 80 102 104 113 134 136 176

RES 1.0 | Regio U16 | 

RES 1.0 | Regio U16 | 

Bijlage 1 : Verdieping hoofdstuk elektriciteit: lokale zoekprocessen Bijlage 2 : Onderzoek Zon op dak Bijlage 3 : Zon op dak: dakoppervlak en netcapaciteit Bijlage 4 : Verdieping hoofdstuk warmte: warmtebronnen en energiebesparing Bijlage 5 : RSW notitie samenwerking regionale warmtethema’s Bijlage 6 : RSW notitie opstap naar afwegingskader bovengemeentelijke warmtebronnen Bijlage 7 : RSW notitie gespreksleidraad verdeling bovengemeentelijke warmtebronnen Bijlage 8 : Thematische agenda Elektriciteit en Warmte Bijlage 9 : Netimpactanalyse Bijlage 10 : PBL analyse en monitor Bijlage 11 : Infographics participatie U16 Bijlage 12 : Notitie moties en amendementen Bijlage 13 : Quickscan Legeskosten U16 Bijlage 14 : Rapport energielandschappen Bijlage 15 : Advies bestuurlijk verkenner

2

|

|

3

Bijlage 1 :

 erdieping hoofdstuk elektriciteit: lokale V zoekprocessen

Inleiding

In onderstaand gedeelte laten we zien hoe het totale bod van de U16 is opgebouwd uit verschillende delen en geven we een beknopt overzicht van de lokale zoekprocessen in onze regio. Sommige zoekprocessen hebben zich afgespeeld of gemeentelijk niveau, anderen op subregionaal niveau. We beschrijven de opbrengst van deze processen langs drie van de vier afwegingskaders van het NP RES: kwantiteit, ruimtelijke kwaliteit en Bestuurlijke en maatschappelijke betrokkenheid. Het kader ‘Systeemefficiëntie’ is uitgewerkt door Stedin middels de netimpactanalyse (bijlage 5). Hierin is voor alle plannen van de gemeenten een analyse gemaakt.

Bron (TWh)

Opera-tioneel

Pijplijn

Ambitie 2030

Totaal

Wind groot

0

0

0,070

0,070

Zon op veld

0

0

0,053

0,053

Zon op dak

0,00

0,002

0,025

0,033

Totaal

0,006

0,002

0,148

0,156

Zoekgebieden

Wind

Zonneveld

A12/spoorzone

0,035 (0 - 2 molens, 5,6 MW)

0,048 (0 - 35 ha)

A28, geluidscherm en talud ter hoogte van Soesterberg

0,005 (totaal 0 - 4.3 ha)

Zeist

RES 1.0 | Regio U16 | Verdieping hoofdstuk elektriciteit: lokale zoekprocessen

Kamp Zeist

0,035 (0 - 2 molens, 5,6 MW)

Totaal

0 - 0,06

0 - 0,053

Ruimtelijke kwaliteit Door het grote aantal woningen en andere belemmeringen zijn er beperkte mogelijkheden voor windmolens. Daarnaast bevinden zich vier van de zes theoretische windlocaties NNN-gebied. Vanwege de bosrijke omgeving en weinig open buitengebied zijn ook de mogelijkheden voor zonnevelden beperkt

RES 1.0 | Regio U16 | Verdieping hoofdstuk elektriciteit: lokale zoekprocessen

Inleiding De gemeente Zeist kent vijf kernen met elk hun eigen identiteit. Deze kernen zijn gelegen op het grensvlak van de bosrijke omgeving van het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug en het Kromme Rijngebied. Als basis voor de bijdrage van Zeist aan het regionale bod wordt de Routekaart Nieuwe Energie voor Zeist gehanteerd. Uitwerking hiervan is de Aanpak duurzame elektriciteit in Zeist tot 2030 met o.a. de beleidsvisie zonnevelden en het voorstel om een gebiedsverkenning op te stellen voor de A12/spoorzone. Kwantiteit

De open ruimte in Zeist is beperkt en slechts zeer goed ingepaste zonnevelden kunnen een vergunning krijgen. In de beleidsvisies Zonnevelden is een drietal categorieën gedefinieerd voor de kansrijkheid van de duurzame energie in het gebied: • Kansrijk zoekgebied: tussen het spoor en de A12 • Beperkt kansrijk zoekgebied: tussen Couwenhoven/Brugakker en Bunnik • Niet kansrijk zoekgebied: in het overige bosrijke gedeelte van Zeist. In de beleidsvisie wordt aan initiatiefnemers van eventuele zonnevelden nadrukkelijk gevraagd om landschappelijk waarden, cultuurhistorie, biodiversiteit etc. in te passen in het ontwerp voor duurzame energie. Samen met de gemeenten Utrecht, De Bilt, Soest, Leusden en Amersfoort, de provincie Utrecht en Rijkswaterstaat is een QuickScan uitgevoerd naar de mogelijkheden voor zon en wind langs de A28. De A28-gemeenten hebben de intentie een verzoek in te dienen bij RWS om opgenomen te worden in het OER-programma. Wat windlocaties betreft kent de gemeente Zeist de nodige beperkingen. Gekozen is om voor de A12/spoorzone een gebiedsvisie op te stellen waarin de ruimtelijke kwaliteit een nadrukkelijk plek heeft. De gebiedsvisie moet inzicht bieden in de mogelijkheden voor grootschalige opwek. Daarvoor worden ook de natuur- en overige waarden in kaart gebracht en meegewogen (coulissenlandschap Kromme Rijn).

Bestuurlijke en maatschappelijke betrokkenheid De gemeenteraad heeft in oktober 2020 ingestemd met de Aanpak duurzame elektriciteit in Zeist tot 2030. Hiermee is zowel de beleidsvisie zonnevelden vastgesteld, als besloten tot het uitvoeren van een nadere verkenning en maken van een gebiedsvisie voor de A12/spoorzone. Voor de beleidsvisie zonnevelden zijn verschillende sessies met inwoners en andere stakeholders georganiseerd, zoals natuurgroepen en -organisaties, Mooi Sticht, het waterschap en de provincie. De gemeenteraad heeft gevraagd om ook de potentie van Kamp Zeist nader te verkennen. Het geluidscherm van de A28 wordt veelvuldig genoemd als locatie voor zonnepanelen, zowel door raadsleden als inwoners. De verkenning van realisatie hiervan is opgenomen in de routekaart Nieuwe Energie voor Zeist. Tijdens eeninformatiebijeenkomst voor inwoners is de ‘Aanpak groot-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10594073/1