Bodembeheernnota bijlage BKK-IJsselstein-eindrapport-29jan2021
Tekst van het document
MARMOS Bodemmanagement
INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3
Inleiding Aanleiding en doel Wettelijk kader Bestuurlijke vaststelling en geldigheid
1 1 2 2
2 2.1 2.2 2.3
Normering en klasse-indeling volgens Besluit bodemkwaliteit Introductie Normen voor het toepassen van grond op de landbodem Generiek en gebiedsspecifiek beleid uit Besluit bodemkwaliteit
5 5 5 6
3 3.1 3.2 3.3
Werkwijze Algemene werkwijze volgens Richtlijn bodemkwaliteitskaarten Gevolgde werkwijze bodemkwaliteitskaart IJsselstein Stoffenpakket
9 9 10 13
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7
Onderscheidende kenmerken Mogelijk relevante onderscheidende kenmerken Natuurlijke bodemopbouw Bebouwingsgeschiedenis Ophooglagen Afgravingen ten behoeve van steenfabrieken Gebieden die verdacht zijn voor bestrijdingsmiddelen Uiterwaarden
15 15 15 16 17 18 18 19
5 5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.3
Zone-indeling en statistiek Zones in de bodemkwaliteitskaart Toelichting op de verschillende zones Zone Bebouwing 1/1 Zone Bebouwing 2/1 Zone Bebouwing 3/3 Zone Buitengebied 1/1 Zones met 95-percentielwaarde hoger dan interventiewaarde
21 21 24 25 25 26 27 27
6
Bodemfunctieklassenkaart
29
7
Conclusie
31
BKK IJsselstein
MARMOS Bodemmanagement
BIJLAGEN Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8A: Bijlage 8B: Bijlage 8C: Bijlage 8D: Bijlage 9: Bijlage 10: Bijlage 11: Bijlage 12: Bijlage 13:
BKK IJsselstein
Begrenzing bodembeheergebied Verantwoording dataset bodemanalyses Fysische geografie Bebouwingsgeschiedenis Ophooglagen Nummering deelgebieden Boomgaarden uit de periode 1940-1980 Statistische kengetallen zone Bebouwing 1/1 Statistische kengetallen zone Bebouwing 2/1 Statistische kengetallen zone Bebouwing 3/3 Statistische kengetallen zone Buitengebied 1/1 Betrouwbaarheidsintervallen van het gemiddelde Bodemkwaliteitskaart: zones Bodemkwaliteitskaart: ontgravingskaart bovengrond Bodemkwaliteitskaart ontgravingskaart ondergrond Bodemfunctieklassenkaart
MARMOS Bodemmanagement
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel
Voor u ligt de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart van de gemeente IJsselstein. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld tegelijk met de gemeentelijke nota bodembeheer (lit. 1), met als doel om grondverzet binnen de gemeente (en regionaal) te vergemakkelijken. Met een bodemkwaliteitskaart hoeft men minder vaak partijen grond te keuren. In plaats daarvan kan de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel (milieuhygiënische verklaring) voor de kwaliteit van de grond. In een bodemkwaliteitskaart wordt een bodembeheergebied ingedeeld in één of meer zones met een vergelijkbare milieuhygiënische bodemkwaliteit. Het gaat hierbij om de ‘gemiddelde’ kwaliteit van deze gebieden, afgezien van lokale verontreinigingen veroorzaakt door puntbronnen. In de nota bodembeheer (lit. 1) is beleidsmatig vastgelegd binnen en tussen welke zones vrij grondverzet mogelijk is en welke voorwaarden hierbij gelden. Met andere woorden, de bodemkwaliteitskaart vormt de technisch-inhoudelijke onderbouwing voor het grondstromenbeleid zoals dat wordt vastgelegd in de nota bodembeheer.
Actualisatie Voor 4 gemeenten in de regio Zuidwest Utrecht (Houten, Nieuwegein, IJsselstein en Lopik) is in 2011 een regionale bodemkwaliteitskaart en een regionale nota bodembeheer opgesteld en vastgesteld door de afzonderlijke gemeenten (lit. 2 en 3). Sinds een aantal jaren valt IJsselstein als enige van deze gemeenten in het werkgebied van de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU). De bodemkwaliteitskaart van IJsselstein is nooit verlengd en daarom niet meer geldig. In 2017 is door de ODRU een evaluatie uitgevoerd van de oude bodemkwaliteitskaart van IJsselstein (lit. 4). Daaruit bleek dat het niet verstandig was om de bestaande bodemkwaliteitskaart te verlengen, maar dat het beter was om een nieuwe bodemkwaliteitskaart op te stellen. Met de nieuwe bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer wordt het beleid voor grondverzet binnen de gemeente IJsselstein geactualiseerd en zoveel mogelijk op dezelfde lijn gebracht als de bodemkwaliteitskaarten en nota’s bodembeheer in de rest van het werkgebied van ODRU. Na vaststelling van de nieuwe bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer door de gemeenteraad vervalt in IJsselstein de versie uit 2011. Voorliggende bodemkwaliteitskaart is inmiddels de derde bodemkwaliteitskaart van de gemeente IJsselstein. De eerste bodemkwaliteitskaart van IJsselstein werd in 2001 gemaakt (lit. 5).
BKK IJsselstein
1/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
1.2
Wettelijk kader
Sinds 2008 vormen het Besluit bodemkwaliteit (lit. 6) en de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit (lit. 7) het wettelijke kader voor het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. In de nota bodembeheer (lit. 1) is het gemeentelijke beleid voor het toepassen van grond en bagger nader uitgewerkt. Bodemkwaliteitskaarten dienen te worden opgesteld conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (lit. 8) en bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit1. Voorliggende bodemkwaliteitskaart geldt na bestuurlijke vaststelling als milieu-hygiënische verklaring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. De verdere randvoorwaarden voor het gebruik van deze bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel (milieuhygiënische verklaring) zijn beschreven in de nota bodembeheer. Voor een goed begrip van de bodemkwaliteitskaart wordt in hoofdstuk 2 de normering voor het toepassen van grond op de landbodem nader toegelicht. In deze normering wordt onderscheid gemaakt in drie bodemkwaliteitsklassen: Achtergrondwaarde klasse Wonen klasse Industrie
1.3
Bestuurlijke vaststelling en geldigheid
Deze bodemkwaliteitskaart wordt samen met de nota bodembeheer vastgesteld door de gemeenteraad van IJsselstein. De geldigheid van de bodemkwaliteitskaart en/of de nota bodembeheer vervalt wanneer een nieuwe bodemkwaliteitskaart en/of nota bodembeheer wordt vastgesteld. In artikel 53 van het Besluit bodemkwaliteit is vastgelegd, dat een nota bodembeheer een maximale geldigheid heeft van 10 jaar. Een bodemkwaliteitskaart is volgens het Besluit bodemkwaliteit een bijlage bij de nota bodembeheer. Per 1 januari 2016 is de Regeling bodemkwaliteit gewijzigd. Bij deze wijziging is expliciet in de Regeling bodemkwaliteit opgenomen, dat een bodemkwaliteitskaart een geldigheidsduur heeft van maximaal 5 jaar. Bij het in werking treden van de Omgevingswet vallen de vastgestelde bodemkwaliteitskaart en het deel van de nota bodembeheer waarin het gebiedsspecifiek beleid beschreven is (deel 1 van de nota bodembeheer) onder het overgangsrecht en komen daarmee automatisch in het tijdelijk deel van het Omgevingsplan.
1 Bijlage M van de Regeling bodemkwaliteit vormt vooral een samenvatting van hetgeen uitgebreider is beschreven in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Bijlage M bevat voor het opstellen van de kaart geen aanvullende voorschriften die niet zijn opgenomen in de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten.
BKK IJsselstein
2/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
Begrenzing bodembeheergebied Deze bodemkwaliteitskaart heeft alleen betrekking op de landbodem waarvoor de gemeente het bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Bijlage 1 bevat de begrenzing van het bodembeheergebied waarvoor de gemeente IJsselstein het bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Voor toepassingen op de waterbodem is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag (waterschap dan wel Rijkswaterstaat). In de Waterregeling (lit. 9) is vastgelegd voor welke gebieden Rijkswaterstaat het bevoegd gezag is. Concreet betekent dit dat de uiterwaard langs de Lek volgens de Waterregeling niet onder het bevoegd gezag van de gemeente valt. In de nota bodembeheer is het bodembeheergebied van IJsselstein uitgebreid met een aantal omliggende gemeenten (zie kader in bijlage 1).
BKK IJsselstein
3/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
BKK IJsselstein
4/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
2
NORMERING EN KLASSE-INDELING VOLGENS BESLUIT BODEMKWALITEIT
2.1
Introductie
Het Besluit bodemkwaliteit kent afzonderlijke normen voor toepassingen van grond en bagger op de landbodem en toepassingen in oppervlaktewater. Voor deze bodemkwaliteitskaart zijn alleen de normen voor het toepassen van grond op de landbodem van belang. Deze worden toegelicht in paragraaf 2.2. Het Besluit bodemkwaliteit maakt voor het hergebruiksbeleid onderscheid tussen: Generiek beleid; Gebiedsspecifiek beleid Dit onderscheid wordt toegelicht in paragraaf 2.3.
2.2
Normen voor het toepassen van grond op de landbodem
In de Regeling bodemkwaliteit zijn de landelijke Achtergrondwaarden vastgelegd. Deze gelden als toetsingskader om te bepalen of grond “schoon” is. Wettelijk gezien mogen geen strengere normen worden gesteld dan de Achtergrondwaarden. Daarnaast onderscheidt het Besluit bodemkwaliteit de bodemkwaliteitsklasse ‘wonen’ en de bodemkwaliteitsklasse ‘industrie’. De Achtergrondwaarden zijn in de Nota van Toelichting van het Besluit bodemkwaliteit omschreven als:
“Landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit die de grens vormen aan wat in het dagelijks gebruik <<schone grond en bagger>> wordt genoemd.” De Achtergrondwaarden zijn gebaseerd op het AW2000-bestand: een landelijk bestand met 100 meetlocaties in natuur- en landbouwgebieden, waarin naar verwachting een niet meer dan normale diffuse achtergrondbelasting uit antropogene en natuurlijke bronnen aanwezig wordt geacht. Daarmee zijn de Achtergrondwaarden beleidsmatig anders geformuleerd dan de vroegere streefwaarden. De streefwaarden gingen uit van de gehaltes zoals die in een onbelaste Nederlandse bodem van nature voorkomen. De Achtergrondwaarden houden er rekening mee, dat de gehaltes in de bodem in grote delen van Nederland diffuus beïnvloed zijn door menselijke activiteiten. Met name voor bestrijdingsmiddelen zoals DDD, DDE, DDT en drins heeft dit tot geleid tot hogere Achtergrondwaarden dan de vroegere streefwaarde. Het Besluit bodemkwaliteit relateert het beleid voor het toepassen van grond en bagger aan zowel de functie als de kwaliteit van de ontvangende bodem. Daartoe zijn de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ geïntroduceerd. Daarnaast zijn er bodemkwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ met bijbehorende maximale waarden. Dit wordt geïllustreerd in figuur 1 op de volgende pagina.
BKK IJsselstein
5/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
Figuur 1: Indeling in bodemkwaliteitsklassen
Voor toepassingen op de landbodem gelden derhalve de volgende normen: Achtergrondwaarde (AW) Maximale waarden voor wonen (MaxWONEN) Maximale waarden voor industrie (MaxINDUSTRIE) Deze normen zijn voor de verschillende stoffen vastgelegd in Bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Voor de meeste stoffen is MaxINDUSTRIE gelijk aan de interventiewaarde. Met name voor veel organische verbindingen waaronder minerale olie, PCB’s en diverse bestrijdingsmiddelen is MaxINDUSTRIE lager dan de interventiewaarde. Conform de Regeling bodemkwaliteit zijn de rekenkundig gemiddeldes van de verschillende zones in deze bodemkwaliteitskaart getoetst aan de Achtergrondwaarde, MaxWONEN en MaxINDUSTRIE. Op basis van deze toetsing zijn de zones ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’, ‘wonen’ of ‘industrie’. Voor het samenvoegen van verschillende deelgebieden tot dezelfde zone is deze klasse-indeling ook bepalend.
Toetsingsregels In de Regeling bodemkwaliteit zijn voor de Achtergrondwaarden en de ‘Maximale waarden voor wonen’ (MaxWONEN) toetsingsregels opgenomen, waarbij een beperkt aantal stoffen in geringe mate de norm mag overschrijden. Deze toetsingsregels zijn afhankelijk gesteld van het aantal geanalyseerde stoffen. De toetsingsregel voor MaxWONEN geldt alleen voor het vaststellen van de kwaliteit van de zone als ontvangende bodem. Voor de ‘Maximale waarde voor industrie’ (MaxINDUSTRIE) geldt geen toetsingsregel. Toetsingsregel voor de Achtergrondwaarde (bij 7 t/m 15 parameters)2:
Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan de Achtergrondwaarde, mits niet hoger dan 2 x Achtergrondwaarde en niet hoger dan MaxWONEN 2
Voor nikkel geldt een afwijkende regel. Voor nikkel geldt als bovengrens van de toetsingsregel 2 x Achtergrondwaarde en niet de lagere MaxWONEN
BKK IJsselstein
6/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
Grond voldoet aan de Achtergrondwaarde wanneer de grond voldoet aan voornoemde toetsingsregel. Deze toetsingsregel geldt ook bij de classificatie van zones uit een bodemkwaliteitskaart. Toetsingsregel voor MaxWONEN (bij 7 t/m 15 parameters):
Maximaal 2 parameters mogen hoger zijn dan MaxWONEN, mits niet hoger dan MaxWONEN + Achtergrondwaarde en niet hoger dan MaxINDUSTRIE
2.3
Generiek en gebiedsspecifiek beleid uit Besluit bodemkwaliteit
Het Besluit bodemkwaliteit maakt voor het hergebruiksbeleid onderscheid tussen: Generiek beleid Gebiedsspecifiek beleid
Generiek beleid In het Besluit bodemkwaliteit is het beleid voor het toepassen van grond en bagger afhankelijk gesteld van zowel de bodemkwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem. De strengste is daarbij (in het generieke beleid) maatgevend: Bodemkwaliteitsklasse Bodemfunctieklasse Achtergrondwaarde Overig Achtergrondwaarde Wonen Achtergrondwaarde Industrie Wonen Overig Wonen Wonen Wonen Industrie Industrie Overig Industrie Wonen Industrie Industrie
Generieke toepassingseis Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde MaxWONEN MaxWONEN Achtergrondwaarde MaxWONEN MaxINDUSTRIE
Voorbeeld 1: Wanneer de bodemkwaliteit van een industrieterrein voldoet aan de Achtergrondwaarde, dan geldt als toepassingseis dat de toe te passen grond ook aan de Achtergrondwaarde dient te voldoen. Voorbeeld 2: Wanneer de bodemkwaliteit van een oud stadscentrum niet voldoet aan MaxWONEN, (maar bijv. wel aan MaxINDUSTRIE), dan geldt als toepassingseis MaxWONEN.
Gebiedsspecifiek beleid Hierboven is de situatie beschreven zoals die geldt in het ‘generieke beleid’. Binnen bepaalde grenzen en randvoorwaarden mogen gemeentes besluiten om hiervan af te wijken en voor een deel van hun grondgebied een strenger of juist minder streng beleid te voeren. De gemeenteraad stelt dan ‘Lokale
BKK IJsselstein
7/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
Maximale Waarden’ (LMW) vast. In dat geval spreekt het Besluit bodemkwaliteit van ‘gebiedsspecifiek beleid’. In de gemeentelijke nota bodembeheer (lit. 1) is voor een aantal situaties gebiedsspecifiek beleid opgenomen met gebiedsspecifieke toepassingseisen. In de gemeente IJsselstein geldt dus een combinatie van generieke en gebiedsspecifieke toepassingseisen. Deze toepassingseisen worden in kaart weergegeven in de toepassingskaart. De toepassingskaart is opgenomen in de nota bodembeheer.
BKK IJsselstein
8/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
3
WERKWIJZE
3.1
Algemene werkwijze volgens Richtlijn bodemkwaliteitskaarten
De bodemkwaliteitskaart is opgesteld conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (lit. 8). In afwijking van deze Richtlijn is bij de ondergrond van één zone sprake van enkele niet aaneengesloten deelgebieden met minder dan 3 waarnemingen. Bij de bespreking van de zones in paragraaf 5.2 wordt dit nader gemotiveerd. De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten beschrijft het opstellen van een bodemkwaliteitskaart aan de hand van acht procesmatige stappen: 1. definitiefase, programma van eisen 2. identificatie van onderscheidende kenmerken 3. voorbewerken beschikbare informatie 4. indelen beheergebied in deelgebieden 5. evaluatie gebiedsindeling op basis van beschikbare informatie 6. verzamelen van aanvullende informatie 7. karakteriseren van de bodemkwaliteit per bodemkwaliteitszone 8. resultaten weergeven in (water)bodemkwaliteitskaart Over de status van deze acht stappen schrijft de Richtlijn, dat het in de praktijk niet noodzakelijk is om het stappenplan één op één te volgen maar dat het wel noodzakelijk is dat de elementen hiervan terugkomen in de eigen werkwijze. Deze inhoudelijke elementen vormen de basis voor de gevolgde aanpak. Samengevat komt dit op het volgende neer: In een bodemkwaliteitskaart wordt een bodembeheergebied ingedeeld in één of meer zones met een milieuhygiënisch vergelijkbare algemene bodemkwaliteit.
Gebieden met eenzelfde historie hebben in het algemeen een vergelijkbare diffuse bodemkwaliteit. Dit betekent dat de indeling in zones gebeurt op basis van algemene historische gegevens (onderscheidende kenmerken) zoals bodemopbouw, (voormalig) landgebruik en ouderdom van woonwijken en bedrijfsterreinen. Vervolgens worden de analyseresultaten van binnen de zones uitgevoerde bodemonderzoeken geanalyseerd. Per zone worden verschillende statistische kengetallen berekend (gemiddelde, lognormaal gemiddelde en diverse percentielwaarden) voor verschillende stoffen. Op basis van deze berekeningen en het ruimtelijke patroon van de waarnemingen wordt de zone-indeling getoetst en zo nodig bijgesteld. Er wordt gekeken welke analyseresultaten niet representatief zijn voor de algemene zonekwaliteit, zodat deze gegevens als uitbijters buiten de dataset van de zoneringsberekeningen worden gelaten. De uiteindelijke indeling in zones is dus een combinatie van historische informatie en statistische bewerkingen.
BKK IJsselstein
9/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
3.2
Gevolgde werkwijze bodemkwaliteitskaart IJsselstein
Definitiefase, programma van eisen De Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) heeft in de zomer van 2019 een programma van eisen opgesteld, met specifiek aandacht voor: het stoffenpakket (zie verder paragraaf 3.3) welke kaartlagen worden opgesteld en door wie; de te onderscheiden bodemtrajecten voor de ontgravings- en toepassingskaarten: bovengrond: 0-0,5 m-mv ondergrond: 0,5-2,0 m-mv ouderdom en type van te gebruiken onderzoeksrapporten (zie verder bijlage 2) kleuren van de legenda-eenheden in de kaartbijlagen (aansluitend op de kleuren die zijn gebruikt in de regio Noordwest Utrecht) uit te zonderen gebieden / locaties (zie nota bodembeheer) invoer van extra bodemgegevens (in principe uitgaan van de bestaande beschikbare gegevens, geen aanvullend bodemonderzoek voorzien). Het streven is om binnen het werkgebied van ODRU zoveel mogelijk uniform beleid te hanteren. De opzet en uitgangspunten zijn daarom gebaseerd op de eerder binnen het werkgebied van ODRU opgestelde bodemkwaliteitskaart van Noordwest Utrecht (lit. 10). Redactioneel sluit voorliggende bodemkwaliteitskaart zoveel mogelijk aan bij het rapport van Noordwest Utrecht.
Onderscheidende kenmerken Voor deze bodemkwaliteitskaart zijn op voorhand de volgende historische gegevens aangemerkt als mogelijk onderscheidende kenmerken3: natuurlijke bodemopbouw (paragraaf 4.2) bebouwingsgeschiedenis: ouderdom van wijken en bedrijfsterreinen (paragraaf 4.3) aanwezige ophooglagen (paragraaf 4.4) afgravingen ten behoeve van steenfabrieken (paragraaf 4.5) gebieden die verdacht zijn vanwege bestrijdingsmiddelen (paragraaf 4.6) uiterwaarden (paragraaf 4.7) In deze bodemkwaliteitskaart blijkt de bebouwingsgeschiedenis het bepalende onderscheidende kenmerk voor de zone-indeling.
Dataset met analyseresultaten uit bodemonderzoeken Deze bodemkwaliteitskaart is gebaseerd op de gegevens afkomstig uit het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU), aangevuld met analysegegevens die zijn gebruikt bij het opstellen van de voorgaande bodemkwaliteitskaart uit 2010.
3
Beleidsmatig is verder de ligging van waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden van belang. Deze komen niet voor in de gemeente IJsselstein.
BKK IJsselstein
10/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
Op de dataset is een aantal controles uitgevoerd, op basis waarvan gegevens zo nodig zijn verbeterd (bijvoorbeeld evidente kommafouten). Verder is nagegaan welke gegevens uit de dataset niet representatief zijn voor de bodemkwaliteitskaart. Sommige gegevens zijn op voorhand als niet representatief beschouwd, bijvoorbeeld analysegegevens uit saneringsplannen en saneringsevaluaties. Bijlage 2 bevat een uitgebreidere verantwoording van de dataset waarop de bodemkwaliteitskaart is gebaseerd.
Indeling in deelgebieden, samenvoegen deelgebieden tot beperkt aantal zones Verschillende deelgebieden met een bepaalde historie zijn eerst afzonderlijk bekeken. Afhankelijk van de beschikbare informatie zijn de deelgebieden vervolgens samengevoegd tot een beperkt aantal zones. Leidend is hierbij de toetsing van de beschikbare informatie aan de bodemkwaliteitsklassen uit het Besluit bodemkwaliteit (Achtergrondwaarde, klasse Wonen, klasse Industrie)4. Voor de bebouwingsgeschiedenis is een kaart met deelgebieden gemaakt met een uniforme legenda: < 1940 1940 – 1960 1960 – 1980 1980 – heden lintbebouwing In eerste instantie zijn de vlakken overgenomen uit de eerdere bodemkwaliteitskaarten uit 2001 en 2010. Deze vlakken zijn verfijnd met behulp van een GIS-bestand van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). In dit GIS-bestand is per bouwwerk een bouwjaar opgenomen. Ook is gebruik gemaakt van topografische kaarten. Oude topografische kaarten zijn te raadplegen op www.topotijdreis.nl. Van belang is om daarbij op te merken dat daarbij de oudste bebouwing maatgevend is (bijvoorbeeld langs de Hollandse IJssel, waar oude fabrieksterreinen plaats gemaakt hebben voor woningbouw). Voor elk deelgebied zijn de beschikbare gegevens eerst afzonderlijk bekeken. Enerzijds zijn per deelgebied de verschillende statistische kengetallen berekend (voor zover mogelijk).
Anderzijds zijn de afzonderlijke monsters getoetst aan de klasse-indeling uit het Besluit bodemkwaliteit. Een aantal deelgebieden kan op basis van de statistische kengetallen van dat deelgebied worden ingedeeld in één van de bodemkwaliteitsklassen uit het Besluit bodemkwaliteit. Bij deelgebieden met minder waarnemingen is gekeken naar de toetsing van de afzonderlijke monsters. Afhankelijk van de hiervoor beschreven interpretatie zijn de verschillende deelgebieden samengevoegd tot drie zones met bebouwing gekoppeld aan de klasse-indeling uit het Besluit bodemkwaliteit. Enkele deelgebieden zijn niet gezoneerd omdat geen betrouwbare uitspraak over de bodemkwaliteit van deze deelgebieden kan worden gedaan. 4
In de bodemkwaliteitskaart van IJsselstein komen geen zones voor die niet aan één van deze drie bodemkwaliteitsklassen voldoen.
BKK IJsselstein
11/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten schrijft voor, dat minimaal 3 waarnemingen beschikbaar dienen te zijn per niet-aaneengesloten deelgebied. De kaart met bebouwingsgeschiedenis bevat een aantal kleine deelgebieden waar (vrijwel) geen bodemonderzoeksgegevens beschikbaar zijn. Er is voor gekozen om deze deelgebieden toch zonder aanvullend onderzoek te zoneren. Deze deelgebieden zijn ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse van qua historie vergelijkbare deelgebieden, waarvan wel voldoende gegevens beschikbaar zijn. Het is niet aannemelijk dat het verzamelen van 3 waarnemingen in dergelijke deelgebieden voldoende betrouwbare informatie oplevert op basis waarvan aan het deelgebied een andere classificatie zou moeten worden toegekend.
Karakterisering van de zones Per zone zijn verschillende statistische kengetallen berekend (gemiddelde, lognormaal gemiddelde en diverse percentielwaarden) voor verschillende stoffen. Er is gekeken welke analyseresultaten niet representatief zijn voor de algemene zonekwaliteit, zodat deze gegevens als uitbijters buiten de dataset van de zoneringsberekeningen zijn gelaten (zie verder bijlage 2). Voor het berekenen van percentielwaarden bestaan in de literatuur verschillende formules. In de Regeling bodemkwaliteit is voor de 95-percentielwaarde voorgeschreven op welke wijze deze dient te worden berekend. Deze berekeningswijze is gehanteerd voor alle percentielwaarden. Conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten zijn de zones geclassificeerd op basis van het rekenkundig gemiddelde.
Lokale verontreinigingen De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten stelt expliciet, dat in de bodemkwaliteitskaart een kaartlaag moet worden opgenomen van bekende en verwachte lokale verontreinigingen. Hiervoor mag worden volstaan met een lijst gebaseerd op het LDB (Landsdekkend Beeld Bodemkwaliteit). De informatie over verdachte en verontreinigde locaties wordt bijgehouden in het bodeminformatiesysteem van ODRU. Deze informatie is dynamisch, zodat om deze reden geen aparte lijst of kaart met deze locaties is opgenomen in de rapportage van de bodemkwaliteitskaart. Voor de meest actuele gegevens wordt verwezen naar voornoemd bodeminformatiesysteem. Daarnaast is informatie met betrekking tot bekende verontreinigde locaties en verdachte locaties te vinden op de website www.bodemloket.nl. Zie verder de nota bodembeheer over de omgang met verdachte locaties.
BKK IJsselstein
12/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
3.3
Stoffenpakket
In de Regeling bodemkwaliteit is vastgelegd, dat in een bodemkwaliteitskaart tenminste de stoffen worden opgenomen uit het standaardpakket uit de NEN5740 (lit. 11). Het huidige stoffenpakket bestaat uit: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, som-PAK, minerale olie, somPCB’s, lutum en organische stof. De stoffen arseen en chroom zijn sinds 1 juli 2008 niet meer opgenomen in het standaard stoffenpakket voor verkennend bodemonderzoek. Formeel hoeven deze stoffen niet meer te worden opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Voor deze stoffen zijn wel veel gegevens beschikbaar. Volledigheidshalve zijn ook arseen en chroom opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Tot 2008 was verder EOX opgenomen in het standaardpakket, zodat de dataset ook gegevens van EOX bevat. Deze parameter vormt geen betrouwbare indicator voor het aantreffen van organochloorverbindingen (OCB’s). EOX heeft geen beleidsmatige betekenis meer en is niet meer opgenomen in deze bodemkwaliteitskaart. Deze bodemkwaliteitskaart is derhalve gebaseerd op de stoffen zoals opgenomen in het huidige standaardpakket uit de NEN 5740 (lit. 11) oftewel inclusief barium, kobalt, molybdeen en de som-PCB’s, aangevuld met de stoffen arseen en chroom die tot 1 juli 2008 deel uitmaakten van het basispakket uit de NEN5740 (lit. 12).
Barium, kobalt, molybdeen en de som-PCB’s zijn in 2008 toegevoegd aan het stoffenpakket van NEN5740. Wijzigingsbladen bij de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten bevatten een procedure voor het geval van deze stoffen nog niet voldoende gegevens beschikbaar zijn. De meeste zones hebben inmiddels voldoende gegevens voor deze stoffen. Alleen voor de bovengrond van de zone Bebouwing 3/3 zijn voor deze stoffen minder dan 20 waarnemingen beschikbaar. In paragraaf 5.2.3 wordt gemotiveerd dat meer gegevens niet tot een andere classificatie van deze zone leiden.
Minerale olie Conform de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten zijn ook voor de parameter minerale olie statistische berekeningen uitgevoerd. Omdat minerale olie in de landbodem in het algemeen niet als diffuse verontreiniging voorkomt, zijn eventuele verhoogde statistische kengetallen voor minerale olie niet als achtergrondkwaliteit te beschouwen. Deze getallen zijn slechts ter indicatie opgenomen.
Bestrijdingsmiddelen (OCB’s) Voormalige boomgaarden uit de periode direct na de tweede wereldoorlog zijn verdacht voor DDT. In het verlden zijn de boomgaarden uit de periode 1940-1980 in kaart gebracht op basis van oude topografische kaarten (zie paragraaf 4.6). Onderzoeksgegevens van DDT en andere bestrijdingsmiddelen zijn beperkt beschikbaar, zodat deze verder niet zijn meegenomen in de zone-indeling.
BKK IJsselstein
13/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
PFAS: aansluiting bij provinciaal project Op 8 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat een Kamerbrief verstuurd met het ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ (lit. 13), gevolgd door geactualieerde versies van het tijdelijk handelingskader d.d. 29 november 2019 (lit. 14) en 2 juli 2020 (lit. 15). Volgens het handelingskader moeten initiatiefnemers, tot duidelijk is of er onbelaste gebieden in Nederland zijn, in het kader van de zorgplicht het gehalte aan PFAS meten in te verzetten grond en baggerspecie, die uit land- en waterbodem wordt ontgraven. Voor PFAS hebben de beide omgevingsdiensten in de provincie Utrecht (RUD Utrecht en ODRU) een gezamenlijk project uitgevoerd om de gehalten PFAS in kaart te brengen en hiervoor beleid op te stellen. De gemeente IJsselstein sluit aan bij dit provinciale project. PFAS is derhalve niet meegenomen in voorliggende bodemkwaliteitskaart.
BKK IJsselstein
14/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
4
ONDERSCHEIDENDE KENMERKEN
4.1
Mogelijk relevante onderscheidende kenmerken
Voor de indeling in zones zijn verschillende historische thema’s (mogelijk) van belang. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende thema’s: natuurlijke bodemopbouw (paragraaf 4.2) bebouwingsgeschiedenis: ouderdom van wijken en bedrijfsterreinen (paragraaf 4.3) aanwezige ophooglagen (paragraaf 4.4) afgravingen ten behoeve van steenfabrieken (paragraaf 4.5) gebieden die verdacht zijn vanwege bestrijdingsmiddelen (paragraaf 4.6) uiterwaarden (paragraaf 4.7) In deze bodemkwaliteitskaart blijkt de bebouwingsgeschiedenis het bepalende onderscheidende kenmerk voor de zone-indeling.
4.2
Natuurlijke bodemopbouw
De natuurlijke bodemopbouw wordt bepaald door de fysisch-geografische ontwikkeling van de regio. De fysische geografie van de gemeente IJsselstein is in kaart weergegeven in bijlage 3. Deze kaart is gebaseerd op het GIS-bestand fysisch_geografische_eenheden_v.shp, afkomstig van het geoloket van de provincie Utrecht5. De gemeente IJsselstein ligt in het rivierengebied en de ondergrond bestaat uit een afwisseling van stroomruggen en rivierkommen. Als achtergrondinformatie wordt hieronder eerst de geologische ontwikkeling van West Nederland tijdens het Holoceen samengevat.
Geologische ontwikkeling van West Nederland in het Holoceen Aan het eind van de laatste IJstijd (ca. 10.000 jaar geleden) begon het jongste geologische tijdperk, het Holoceen. De kustlijn lag toen westelijker dan tegenwoordig en West Nederland was een koude toendra. Gedurende het Holoceen steeg de temperatuur op aarde en steeg de zeespiegel als gevolg van het afsmelten van de ijskappen. In het begin van het Holoceen ontstond langs de toenmalige kust een kwelzone, waar zich veen ging vormen. Deze veenlaag, het Basisveen, werd door het verder stijgende zeespiegelniveau overstroomd. Daarbij werden in West Nederland door de zee zand en klei afgezet. In het verleden werden deze afzettingen aangeduid als de Afzettingen van Calais (een nog oudere term is ‘oude zeeklei’). Tegenwoordig vallen deze onder het Laagpakket van Wormer (lit. 16). Vanaf circa 5000 jaar geleden onstonden strandwallen, die tegenwoordig tot het Laagpakket van Schoorl worden gerekend. In eerste instantie werd een strandwal gevormd waarop nu onder andere Voorburg, Leidschendam en Voorschoten liggen. Later ontstonden in westelijke richting nieuwe strandwallen, waarop onder andere Wassenaar is gebouwd. 5
Enkele legenda-eenheden uit het oorspronkelijke bestand zijn in bijlage 3 samengevoegd.
BKK IJsselstein
15/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
Achter de strandwallen ontstond een slecht ontwaterd, moerassig gebied. In dit moerassige gebied werd een veenlaag gevormd, het zogenaamde Hollandveen. Op verschillende plaatsen in west Nederland is deze veenlaag door turfwinning vanaf de middeleeuwen grotendeels verdwenen. Hierdoor ontstonden plassen, die later voor een deel weer als diepe polders zijn drooggemalen. In IJsselstein is geen veen afgegraven, maar is de veenlaag in een deel van de gemeente weggeërodeerd door de Hollandse IJssel. In een deel van West Nederland is door de zee en de grote rivieren bovenop het Hollandveen een nieuwe laag sedimenten afgezet6.
IJsselstein De bodemopbouw in IJsselstein wordt bepaald door de verschillende lopen en zijtakken van de Rijn. Doordat de rivierlopen zich in dit gebied in de afgelopen 10.000 jaar periodiek verlegden bestaat de bodem uit een afwisseling van stroomruggen en rivierkommen, met als belangrijkste stroomrug die van de huidige Hollandse IJssel. Ter plaatse van de stroomruggen bestaat de bodem uit zavel en zand. Tussen de stroomruggen liggen rivierkommen met klei en veen.
4.3
Bebouwingsgeschiedenis
Een belangrijk onderscheidend kenmerk voor de zone-indeling vormt de ouderdom van woonwijken en bedrijfsterreinen. Naar mate wijken ouder zijn, is er een grotere kans op diffuse verontreiniging als gevolg van menselijk handelen. Oude dorpskernen en stadscentra zijn in het algemeen diffuus verontreinigd met koper, lood, zink en PAK. Bijlage 4 toont de ouderdom van de wijken in de gemeente IJsselstein, waarbij onderscheid is gemaakt in de volgende legenda-eenheden: voor 1940; 1940 – 1960; 1960 – 1980; 1980 – heden; lintbebouwing. Bij sloop en nieuwbouw in het kader van stadsontwikkeling is de eerste (oudste) bebouwing maatgevend. Dit geldt met name voor een aantal oude bedrijfslocaties langs de Hollandse IJssel waarop inmiddels woningbouw heeft plaatsgevonden. In eerste instantie zijn de vlakken overgenomen uit de eerdere bodemkwaliteitskaarten. Deze vlakken zijn verfijnd met voornoemde bebouwingsperiodes met behulp van een GIS-bestand van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). In dit GIS-bestand is per bouwwerk een bouwjaar opgenomen. Ook is gebruik gemaakt van oude topografische kaarten.
6 De mariene afzettingen boven het Hollandveen worden tegenwoordig aangeduid als het Laagpakket van Walcheren (oudere termen: ‘jonge zeeklei’ en Afzettingen van Duinkerke). In het rivierengebied worden alle rivierafzettingen die vroeger werden aangeduid met ‘Afzettingen van Gorcum’ en ‘Afzettingen van Tiel’ tegenwoordig gerekend tot de Formatie van Echteld.
BKK IJsselstein
16/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
De lintbebouwing langs de Achtersloot was in de voorgaande bodemkwaliteitskaarten niet als zodanig weergegeven en is nieuw ingetekend.
Bedrijfsterreinen Bedrijfsterreinen zijn bij het indelen van de bebouwing in deelgebieden apart gehouden van de woonwijken. Bij de uiteindelijke zone-indeling is ervoor gekozen om de bedrijfsterreinen niet apart te zoneren, maar samen te voegen met deelgebieden van woonwijken met dezelfde (verwachte) bodemkwaliteitsklasse. In het beleid wordt in de nota bodembeheer wel onderscheid gemaakt tussen woonwijken en bedrijfsterreinen. De actuele bedrijfsterreinen zijn als zodanig opgenomen in de bodemfunctieklassenkaart.
4.4
Ophooglagen
Bij het maken van de eerste bodemkwaliteitskaart van IJsselstein in 2001 is met toenmalige gemeenteambtenaren geïnventariseerd welke wijken voor de ontwikkeling grootschalig zijn opgehoogd Deze ophogingen zijn in kaart weergegeven in bijlage 5 (overgenomen uit de bodemkwaliteitskaart uit 2001). Onderstaande beschrijving is integraal overgenomen uit de bodemkwaliteitskaart uit 2001: In de gemeente IJsselstein zijn bij het bouwrijp maken van de onderstaande wijken de openbare ruimten opgehoogd met zand en/of grond afkomstig van onder andere de Noordzee, het IJsselmeer, het Zenderpark en een aantal zandwinputten. De overige ophogingen zijn aangelegd met grond afkomstig van werkzaamheden aan cunetten en rioleringen binnen de gemeente. Bij het bouwrijp maken van de wijken ‘Oranjekwartier’ en ‘Europakwartier’ is sprake van grootschalige ophogingen met grond afkomstig van de vijver ten noorden van de Oranje Nassaulaan. De wijken IJsselveld Oost en West, Achterveld West en Zuid en de wijk Groenvliet zijn opgehoogd met zand afkomstig uit de Nedereindse Plas. Bij het bouwrijp maken van de wijk Zenderwijk is sprake van grootschalige ophogingen met grond afkomstig van de Noordzee, het IJsselmeer, een zandput in de buurt van Nijmegen en van een zandput uit Woerden. Het gebied Benschopperpoort is opgehoogd met zand afkomstig van de Noordzee en grond afkomstig van het Zenderpark.
Bij het bouwrijp maken van de wijk Panoven is de locatie opgehoogd met circa één meter zand afkomstig van de Noordzee.
BKK IJsselstein
17/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
4.5
Afgravingen ten behoeve van steenfabrieken
Van oudsher is IJsselstein bekend om haar steenindustrie. Langs de Hollandse IJssel stonden verschillende steenfabrieken. In de jaren 80 is een aantal steenfabrieken gesloten en gesloopt. De klei voor de steenfabrieken werd deels gewonnen in de uiterwaarden van de Hollandse IJssel, maar ook in het huidige buitengebied van IJsselstein zijn de klei-afgravingen nog herkenbaar vanwege hun lage ligging. Er is geen inventarisatie bekend van deze afgravingen. Mogelijk zijn afgravingen later weer opgevuld met grond (of ander materiaal) van een afwijkende kwaliteit. Bij vooronderzoek dient men hier alert op te zijn, met name wanneer op oude topografische kaarten drassige gebieden zichtbaar zijn. Voor de zoneindeling spelen de klei-afgravingen verder geen rol.
4.6
Gebieden die verdacht zijn voor bestrijdingsmiddelen
Glastuinbouwgebieden en (voormalige) boomgaarden kunnen diffuus verontreinigd zijn met bestrijdingsmiddelen.
(voormalige) boomgaarden In (voormalige) boomgaarden worden regelmatig verhoogde concentraties DDD, DDE en DDT gemeten, soms zelfs tot boven de interventiewaarde. Oude boomgaarden uit de periode van ca. 1945 – 1980 zijn verdacht voor deze bestrijdingsmiddelen. In 2003 is in Zeeland een historisch onderzoek naar de toepassingspraktijk van gewasbeschermingsmiddelen in de Zeeuwse fruitteelt (lit. 17). Uit dit onderzoek blijkt het volgende: DDT werd geïntroduceerd na de tweede wereldoorlog. De intensiteit van de toepassing van DDT was het hoogst in de periode 1950 – 1955. In de periode 1950 – 1955 werd in de fruitteelt twee keer zo veel DDT toegepast als in de periode 1955 – 1960. Vanaf 1960 daalde de toepassing van DDT verder. Als gevolg van de toepassing van DDT nam namelijk de fruitspint toe, doordat DDT ook ‘nuttige’ insecten en roofmijten doodde. Daarnaast kwamen andere middelen zoals azinfos-methyl op de markt, die een betere bescherming tegen bladrollers en fruitrot gaven. In 1973 werd de toepassing van DDT in Nederland verboden. Naarmate een boomgaard langer in gebruik is, is cumulatief meer DDT op de bodem terecht gekomen. Naast de periode van boomgaardbezetting is ook de duur van boomgaardbezetting van belang. Er is geen historisch onderscheid te maken in de mate van toepassing van DDT in appelboomgaarden dan wel perenboomgaarden.
BKK IJsselstein
18/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
In bijlage 7 zijn de boomgaarden uit de periode 1940-1980 weergegeven. Deze zijn in het verleden in kaart gebracht op basis van oude topografische kaarten van de volgende jaargangen7: 1936-1950 (verkend 1934-1939, aangevuld met terreininformatie 1946) 1959 1969 1981 De boomgaarden uit de topografische kaarten uit 1959 zijn apart weergegeven, omdat uit andere gebieden bekend is dat het DDT-gebruik in de jaren 50 het hoogst was. De stippelsignatuur van grote, brede boomgaardpercelen is gemakkelijk te herkennen op de topografische kaarten. Bij kleinere, smalle percelen is het soms lastiger te beoordelen of het om een voormalige boomgaard gaat dan wel een rij knotwilgen langs een watergang. Vanwege de beperkte beschikbaarheid onderzoeksgegevens van DDD, DDE en DDT zijn deze boomgaarden vooralsnog niet apart gezoneerd.
Glastuinbouw Van kasgebieden elders in het land is bekend dat de bodem vaak verontreinigd is met drins. In de gemeente IJsselstein kwamen en komen geen kassen voor. Glastuinbouw is dus niet relevant voor deze bodemkwaliteitskaart.
4.7
Uiterwaarden
Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw zijn de uiterwaarden verontreinigd geraakt door de afzetting van verontreinigd riviersediment. In het algemeen is Rijkswaterstaat voor de uiterwaarden langs de Lek het bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit, zodat de uiterwaard langs de Lek geen onderdeel is van deze bodemkwaliteitskaart.
7
Het exacte jaartal verschilt per kaartblad, de topografische kaarten zijn in het algemeen gebaseerd op 2 à 3 jaar eerder verzamelde terreininformatie. De vermelde jaartallen zijn de jaren van uitgifte.
BKK IJsselstein
19/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
BKK IJsselstein
20/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
5
ZONE-INDELING EN STATISTIEK
5.1
Zones in de bodemkwaliteitskaart
De bodemkwaliteitskaart van de gemeente IJsselstein bestaat uit de volgende 4 zones: Zone Bodemkwaliteitsklasse Bodemkwaliteitsklasse Bovengrond (0-0,5 m-mv) Ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Zone Bebouwing 1/1 Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Zone Bebouwing 2/1 Wonen Achtergrondwaarde Zone Bebouwing 3/3 Industrie Industrie Zone Buitengebied 1/1 Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde
Op basis van de beschikbare analyseresultaten is voor deze zones een aantal statistische kengetallen berekend (diverse percentielwaarden, gemiddelde, lognormaal gemiddelde). Deze statistische kengetallen zijn opgenomen in bijlage 8A t/m 8D. De kengetallen zijn apart berekend voor de bovengrond (0-0,5 m-mv) en voor de ondergrond (0,5-2,0 mmv). Voor het berekenen van het gemiddelde en het lognormaal gemiddelde zijn meetwaarden lager dan de detectiegrens vervangen door 0,7 x detectiegrens. De Achtergrondwaarden en de maximale waarden voor wonen en industrie zijn voor veel stoffen afhankelijk van het bodemtype (percentages lutum en organische stof). Om de getallen gemakkelijk met elkaar te kunnen vergelijken, zijn alle statistische kengetallen in bijlage 8 omgerekend naar standaardbodem (lutum=25%, humus=10%). Vermenigvuldiging van het kengetal met de waarde uit de kolom bodemtypecorrectie geeft het oorspronkelijke kengetal. De Richtlijn bodemkwaliteitskaarten schrijft voor, dat tevens de betrouwbaarheidsintervallen van het gemiddelde worden vermeld. Ter voldoening hieraan zijn deze betrouwbaarheidsintervallen voor de definitieve zones opgenomen in bijlage 9. De bodemkwaliteitskaart met de begrenzing van de zones is opgenomen in bijlage 10. Bijlage 11 bevat de ontgravingskaart voor de bovengrond en bijlage 12 bevat de ontgravingskaart voor de ondergrond.
BKK IJsselstein
21/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
39 deelgebieden → 3 zones met bebouwing Bijlage 6 bevat een kaart met 39 deelgebieden, ingedeeld op basis van de ouderdom van de bebouwing en de eventuele aanwezigheid van ophooglagen. Voor elk deelgebied zijn de beschikbare gegevens eerst afzonderlijk geïnterpreteerd. Enerzijds zijn per deelgebied de verschillende statistische kengetallen berekend (voor zover mogelijk). Anderzijds zijn de afzonderlijke monsters getoetst aan de klasse-indeling uit het Besluit bodemkwaliteit. Een aantal deelgebieden kan op basis van de statistische kengetallen worden ingedeeld in één van de bodemkwaliteitsklassen. Bij deelgebieden met minder waarnemingen is gekeken naar de toetsing van de afzonderlijke monsters. Een aantal kleine deelgebieden met (vrijwel) geen waarnemingen is samengevoegd met deelgebieden die vergelijkbaar zijn qua historie. Formeel moeten per niet-aaneengesloten deelgebied minimaal 3 waarnemingen beschikbaar zijn. Het is echter niet aannemelijk dat het verzamelen van 3 waarnemingen in dergelijke deelgebieden zonder gegevens voldoende betrouwbare informatie oplevert, op basis waarvan aan het deelgebied een ander classificatie kan worden toegekend. Uiteindelijk zijn de 39 deelgebieden uit bijlage 6 dus samengevoegd tot 3 zones met bebouwing, afhankelijk van de bodemkwaliteitsklasse van de boven- en ondergrond.
In de zonering is geen onderscheid gemaakt tussen woonwijken enerzijds en bedrijfsterreinen anderzijds. Deelgebieden met bedrijfsterreinen zijn in de zonering hetzelfde behandeld als deelgebieden met woonwijken.
Deelgebieden geprojecteerd op topografische kaart 1936
BKK IJsselstein
22/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
Deelgebieden geprojecteerd op topografische kaart 1969
Deelgebieden geprojecteerd op huidige topografische kaart
BKK IJsselstein
23/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
Niet gezoneerde gebieden De deelgebieden 303, 318, 323 en 327 zijn niet gezoneerd omdat geen betrouwbare uitspraak over de bodemkwaliteit van deze deelgebieden kan worden gedaan. De deelgebieden 303 en 323 betreffen voormalige steenfabrieken die in de jaren 80 van de vorige eeuw hebben plaatsgemaakt voor woningbouw. In deelgebied 303 stond in de 19e eeuw al een steenfabriek. Er zijn in dit deelgebied wel bodemonderzoeken beschikbaar uit 1982 en 1984, maar naar huidige maatstaven zijn bodemonderzoeken uit die tijd summier uitgevoerd en als zodanig niet bruikbaar voor de bodemkwaliteitskaart. De steenfabriek in deelgebied 323 is zichtbaar op topografische kaarten vanaf 1920. In dit deelgebied zijn nagenoeg geen analysegegevens beschikbaar. Deelgebied 318 is tegenwoordig een woonwijk, maar ook dit betreft voormalige industrie langs de Panoven. Er is alleen een bodemonderzoek uit 1994 beschikbaar met 5 (destijds) bovengrondmonsters met allen gehalten boven de interventiewaarde. Daarna is een leeflaagsanering uitgevoerd. Volgend de bodemkwaliteitskaart uit 2001 is dit gehele gebied opgehoogd met 1 meter zand. Deelgebied 327 bevat een woonwijk uit 2004. Qua algemene historie wordt hier geen diffuse verontreiniging verwacht. De bodemonderzoeken in dit deelgebied bevatten meerdere verhoogde gehalten metalen en PAK.
Deze rapporten zijn niet teruggevonden zodat deze niet kon worden beoordeeld op hun representativiteit voor de bodemkwaliteitskaart (wat is de oorzaak van de verhoogde gehalten). Deelgebied 327 is daarom niet gezoneerd gelaten.
Van nature verhoogde gehalten nikkel en molybdeen Het is bekend, dat in het rivierengebied van nature vaker gehaltes nikkel boven de Achtergrondwaarde worden gemeten dan in de rest van het land. Ook bij de afzonderlijke monsters in de dataset van IJsselstein is dit zichtbaar. De classificatie van de zones wordt hierdoor niet beïnvloed. Bij de toetsing van afzonderlijke partijen grond kan dit wel van invloed zijn op het toetsingsresultaat. Voor molybdeen wordt geen bodemtypecorrectie uitgevoerd. In veengrond blijken echter van nature hogere molybdeengehaltes voor te komen dan in andere bodemtypes (lit. 10 en 18). Incidenteel is hierdoor in de gemeente IJsselstein in een veenlaag in de ondergrond een iets hoger gehalte molybdeen dan de achterwaarde gemeten.
BKK IJsselstein
24/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
5.2
Toelichting op de verschillende zones
5.2.1
Zone Bebouwing 1/1
Op basis van de interpretatie van de beschikbare gegevens zijn vrijwel alle deelgebieden met woonwijken en bedrijfsterreinen die na 1960 nieuw zijn aangelegd samengevoegd in de zone Bebouwing 1/1. Enkele opmerkingen ter toelichting: Voor de wijk Zenderpark (deelgebied 309) zijn alleen de bodemonderzoeken meegerekend die zijn uitgevoerd na de ophoging van het gebied. In deelgebied 317 (bedrijfsterrein Paardenveld) zijn de onderzoeken deels voor en na de ontwikkeling van de bedrijfslocaties uitgevoerd. Qua uitkomsten maakt dit verder geen verschil, zodat op één oud onderzoek uit 1994 na alle beschikbare gegevens zijn meegerekend; In deelgebied 325 zijn alleen 1 analyse van de bovengrond en 1 analyse van de ondergrond beschikbaar. Beide voldoen aan de Achtergrondwaarde. Dit deelgebied betreft een inbreidingslocatie met woningbouw en was voorheen park (op de topografische kaart uit 1980); Deelgebied 331 beslaat de niet opgehoogde delen van de wijk Achterveld, aangelegd in de periode 1980-1995. Een groot deel van de gegevens in dit deelgebied betreft een onderzoek uit 1990 van Achterveld Fase 5 (het gedeelte aangelegd in 1995). In het onderzoek uit 1990 is alleen op 8 metalen geanalyseerd, waarbij de detectiegrens voor kwik hoger was dan de huidige Achtergrondwaarde. Dit rapport is niet meegerekend, al zou het wel meerekenen niet tot een andere classificatie leiden.
De overige onderzoeken in dit deelgebied zijn na de aanleg van de woonwijk uitgevoerd.
5.2.2
Zone Bebouwing 2/1
De zone Bebouwing 2/1 bevat de volgende deelgebieden: de woonwijken uit de periode 1940-1960 (deelgebieden 306, 314 en 318); de lintbebouwingen langs de Achtersloot (deelgebieden 336, 337 en 338) en de Hogebiezendijk (deelgebied 308); deelgebied 329 met een bedrijfsterrein langs de Zomerdijk, gedeeltelijk recent getransformeerd tot woonwijk; de omgeving van de Groene Dijk (deelgebieden 311, 332 en 333). De bovengrond van deze zone valt op basis van het gemiddelde in klasse wonen. De ondergrond voldoet aan de Achtergrondwaarde. Volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten moeten per niet aaneengesloten deelgebied minimaal 3 waarnemingen beschikbaar zijn. Dit is niet het geval in de ondergrond van de deelgebieden 316 en 337. Deelgebied 316 is een klein deelgebied met bebouwing voornamelijk uit de periode 1940-1960. Er zijn weinig gegevens in dit deelgebied beschikbaar. Voor dit deelgebied is ervoor gekozen om het deelgebied bij dezelfde zone te voegen als de andere deelgebieden met woonwijken uit de periode 1940-1960. De deelgebieden 306 en 314 zijn op basis van de beschikbare gegevens ingedeeld in de zone Bebouwing 2/1.
BKK IJsselstein
25/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
De lintbebouwing van de Achtersloot bestaat uit drie niet aaneengesloten deelgebieden. Het valt niet te verwachten dat deze onderling van elkaar verschillen zodat de ondergrond van deelgebied 337 dezelfde kwaliteit heeft als de ondergrond van de deelgebieden 336 en 338. Deelgebied 329 heeft een variabele ouderdom en bestaat voornamelijk uit bedrijfsterrein dat in de periode 1960-1980 is aangelegd. In de omgeving van de Groene Dijk zijn in verschillende onderzoeken gehalten boven de Achtergrondwaarde gemeten (deelgebieden 311, 332, 333). De begrenzing ten opzichte van deelgebied 312 is aangepast op basis van het ruimtelijke patroon van de gegevens. In deelgebied 319 is ronde de eeuwwisseling een nieuwbouwwijk aangelegd ten zuiden van de Hollandse IJssel. In dit deelgebied zijn verschillende verhoogde gehalten gemeten. Enkele lokale verontreinigingen zijn uitgesloten van de statistische berekeningen voor de bodemkwaliteitskaart, maar ook zonder deze uitgesloten verontreinigingen voldoet de bovengrond van deelgebied 319 gemiddeld niet aan de achtergrondwaarde.
5.2.3
Zone Bebouwing 3/3
De zone Bebouwing 3/3 bevat alle vooroorlogse bebouwing, inclusief oude vooroorlogse fabrieksterreinen die inmiddels recenter zijn getransformeerd tot woonwijk. In de oude binnenstad van IJsselstein (deelgebied 301) is in de bovengrond het rekenkundig gemiddelde van koper en zink hoger dan MaxWONEN. De ondergrond van dit deelgebied voldoet gemiddeld aan klasse wonen, maar afzonderlijk getoetst voldoet 41% van de ondergrondmonsters uit de binnenstad niet aan klasse wonen. Vanwege de toetsing van de afzonderlijke monsters is ook de ondergrond van de binnenstad ingedeeld in klasse industrie. In het aangrenzende deelgebied 302 langs de Hollandse IJssel voldoen zowel de boven- als ondergrond op basis van het rekenkundig gemiddelde niet aan klasse wonen. Hier voldoet afzonderlijk getoetst 50% van de ondergrondmonsters niet aan klasse wonen. In dit deelgebied is ook PAK een klassebepalende parameter in zowel de boven- als ondergrond. Deelgebied 313 bestaat uit vooroorlogse bebouwing direct ten noorden van de binnenstad (met o.a. de watertoren). In dit deelgebied zijn 9 analyses van de bovengrond en 6 analyses van de ondergrond beschikbaar. Enerzijds zijn de gehaltes te hoog om het deelgebied aan te laten sluiten bij het aangrenzende deelgebied 314. Anderzijds voldoen alle 6 ondergrondmonsters aan klasse wonen.
Kwalitatief zit dit deelgebied tussen de aangrenzende deelgebieden 301 en 314 in. Er is voor gekozen om deelgebied 313 aan te laten sluiten bij het deelgebied met de minste kwaliteit (301) en deelgebied 313 dus op te nemen in de zone Bebouwing 3/3. Bij de overige vooroorlogse deelgebieden zijn minder gegevens beschikbaar. In het aan de binnenstad grenzende deelgebied 304 en deelgebied 305 zijn weinig gegevens beschikbaar. In de aan deelgebied 304 grenzende deelgebieden 307 en 310 zijn geen gegevens beschikbaar. Deze vooroorlogse deelgebieden zijn samengevoegd met de vooroorlogse bebouwing uit de deelgebieden 301 en 302.
BKK IJsselstein
26/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
Ook in de vooroorlogse woonbebouwing in deelgebied 322 aan de andere zijde van de Hollandse IJssel (Imminkplein, Julianawijk) zijn weinig gegevens beschikbaar. De weinige gegevens vertonen wel hetzelfde beeld als andere vooroorlogse bebouwing. Tussen de Eiteren en de Hollandse IJssel zijn in de jaren 90 van de vorige eeuw woningen gebouwd op een voormalig fabrieksterrein, gedeeltelijk vooroorlogs en gedeeltelijk (deelgebied 328) naoorlogs. In deelgebied 328 zijn geen gegevens beschikbaar, zodat dit deelgebied bij deelgebied 324 gevoegd is. In deelgebied 324 zijn alleen bruikbare gegevens beschikbaar ten zuidoosten van de Oranje Nassaulaan. Deze gegevens vertonen hetzelfde beeld als de overige vooroorlogse bebouwing. In voornoemde wijk uit 1995 is alleen een oud onderzoek uit 1987 beschikbaar met een beperkt analysepakket en monstername over het dieptetraject 0-1,5 m-mv. Dat oude onderzoek is daarom niet meegerekend in de bodemkwaliteitskaart. Voor PCB zijn in de bovengrond van deze zone 18 waarnemingen beschikbaar en wordt dus niet voldaan aan het minimum van 20 waarnemingen per zone. De hoogste meetwaarde voor PCB in deze zone bedraagt 0,14 mg/kgds (met bodemtype-correctie: 0,36 mg/kgds).
Er zijn in deze zone tot dusverre geen gehalten PCB boven de maximale waarde voor industrie gemeten, zodat het niet aannemelijk is dat 2 extra waarnemingen voor PCB tot een andere zone-classificatie zouden leiden.
5.2.4
Zone Buitengebied 1/1
Het buitengebied bestaat uit één zone, waarvan de boven- en ondergrond gemiddeld aan de Achtergrondwaarde voldoen. Een deel van de onderzoeken in het buitengebied is uitgevoerd op erven bij oudere bebouwing. Er is bij deze zone niet uitputtend gezocht naar verhoogde gehalten door bijvoorbeeld lokale bijmengingen van puin en/of kolengruis, omdat het verder opsporen daarvan geen invloed heeft op de classificatie van de zone.
5.3
Zones met 95-percentielwaarde hoger dan interventiewaarde
De indeling van de zones uit de bodemkwaliteitskaart in verschillende bodemkwaliteitsklasses is gebaseerd op het rekenkundig gemiddelde van de verschillende stoffen. De concentraties van de verschillende stoffen hebben een zekere spreiding en een deel van de waarnemingen in een zone voldoet niet aan de bodemkwaliteitsklasse waarin de zone is ingedeeld. De meeste partijen grond die binnen een zone vrijkomen voldoen derhalve aan betreffende bodemkwaliteitsklasse, maar af en toe kan het vrij grondverzet ertoe leiden dat een partij grond wordt toegepast die niet aan de toepassingseis van een zone voldoet. Gemiddeld leidt dit niet tot een verslechtering van de bodemkwaliteit. Het grondverzet levert geen ‘nieuwe’ verontreiniging op, maar betreft een verplaatsing van al in het milieu aanwezige verontreiniging. Het grondverzet mag er echter niet toe leiden dat op de toepassingslocatie dusdanige milieuhygiënische risico’s ontstaan, dat volgens de Wet bodembescherming een spoedige sanering noodzakelijk zou zijn.
BKK IJsselstein
27/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
Om de kans op dit laatste te minimaliseren is in artikel 4.3.5, lid 3c van de Regeling bodemkwaliteit een toetsing opgenomen van de 95-percentielwaarde van de bodemkwaliteitszone van de plaats van herkomst van de grond. Op basis van de 95-percentielwaarde wordt getoetst of vrij grondverzet op de toepassingslocatie volgens de Wet bodembescherming kan leiden tot een noodzaak tot spoedige sanering. Een locatie kan in principe alleen spoedeisend zijn wanneer de interventiewaarde wordt overschreden. Voor deze risicobeoordeling is een standaardbeoordeling uitgewerkt in het computerprogramma Sanscrit. Hogere 95-percentielwaarden dan de interventiewaarde komen alleen voor in de volgende zone: Zone Bebouwing 3/3 (lood en PAK) In de nota bodembeheer wordt hier nader op ingegaan.
BKK IJsselstein
28/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
6
BODEMFUNCTIEKLASSENKAART
Bijlage 13 bevat de bodemfunctieklassenkaart van de gemeente IJsselstein. In de bodemfunctieklassenkaart zijn de vijf gemeenten ingedeeld in de volgende bodemfunctieklassen: Wonen Industrie Landbouw / natuur Strikt genomen onderscheidt het Besluit bodemkwaliteit alleen de bodemfunctieklassen ‘wonen’ en ‘industrie’. Het overig gebied (buitengebied) is ingedeeld in ‘landbouw / natuur’. Zoals verder beschreven in de nota bodembeheer is voor het overige gebied de feitelijke situatie maatgevend: op kavelniveau kan sprake zijn van de bodemfunctieklasse ‘wonen’. Zie verder de toelichting hierop in de nota bodembeheer. De lintbebouwingen (zoals vermeld in bijlage 4) zijn met dezelfde grenzen opgenomen in de bodemfunctieklassenkaart als functie Wonen. In de nota bodembeheer is opgenomen dat de provinciale wegen en rijkswegen de bodemfunctieklasse industrie hebben, met inbegrip van de bijbehorende bermen. Dit is niet weergegeven in de kaart in bijlage 13.
BKK IJsselstein
29/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
BKK IJsselstein
30/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
7
CONCLUSIES
Zone-indeling In deze bodemkwaliteitskaart is de landbodem van de gemeente IJsselstein ingedeeld in 4 zones met een vergelijkbare algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld voor de stoffen uit het NEN5740-pakket, aangevuld met arseen en chroom. De bodemkwaliteitskaart van de gemeente IJsselstein bestaat uit de volgende 4 zones (classificatie op basis van het rekenkundig gemiddelde): Zone Bodemkwaliteitsklasse Bodemkwaliteitsklasse Bovengrond (0-0,5 m-mv) Ondergrond (0,5-2,0 m-mv) Zone Bebouwing 1/1 Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Zone Bebouwing 2/1 Wonen Achtergrondwaarde Zone Bebouwing 3/3 Industrie Industrie Zone Buitengebied 1/1 Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde
Lokaal afwijkende situaties Met nadruk wordt erop gewezen, dat in de bodemkwaliteitskaart een gemiddelde achtergrondkwaliteit van grotere gebieden wordt vastgelegd. Plaatselijk kan de bodemkwaliteit hiervan afwijken, bijvoorbeeld in geval van verdachte locaties, wegbermen, boerenerven en bijmengingen van puin en koolas. Toepassen van grond op basis van deze bodemkwaliteitskaart is dus pas mogelijk, nadat eerst een historisch vooronderzoek is uitgevoerd. De verdere regels en randvoorwaarden voor het toepassen van grond zijn vastgelegd in de nota Bodembeheer van de gemeente IJsselstein.
BKK IJsselstein
31/32
Eindrapport, 29 januari 2021
MARMOS Bodemmanagement
LITERATUUR 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.
13. 14.
15.
16.
17. 18.
Nota bodembeheer gemeente IJsselstein – beleid voor grondverzet en bodemsanering; ODRU, 2021. Bodemkwaliteitskaart gemeente IJsselstein; CSO Adviesbureau, 17 februari 2010. Nota bodembeheer gemeenten IJsselstein, Houten, Nieuwegein en Lopik; CSO Adviesbureau, 4 januari 2011. Koersnota bodembeheer IJsselstein; ODRU, 2017. Bodemkwaliteitskaart gemeente IJsselstein; De Straat Milieu-adviseurs B.V., 26 april 2001. Besluit bodemkwaliteit; Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 2007, nr. 469. Regeling bodemkwaliteit; Staatscourant, 20 december 2007. Richtlijn bodemkwaliteitskaarten; Ministerie van VROM en Ministerie van Verkeer en Waterstaat; gepubliceerd via website NEN, 7 september 2007. Regeling houdend regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterregeling); Staatscourant, 17 december 2009. Regionale bodemkwaliteitskaart Noordwest Utrecht; Marmos Bodemmanagement, 7 oktober 2014. NEN5740, Bodem – Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond; NEN, januari 2009. NEN5740, Bodem – Onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond; NEN, april 2000, met wijzigingsblad NEN5740:1999/A1: 2008.
Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie; Kamerstukken II, 2018/19, 28089 nr. 146, bijlage bij Kamerbrief van 8 juli 2019. Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (geactualiseerde versie van 29 november 2019), Kamerstukken II, 2019/20, 35334 nr. 20, bijlage bij Kamerbrief van 1 december 2019. Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie (geactualiseerde versie van 2 juli 2020), Kamerstukken II, 2019/20, 35334 nr. 116, bijlage bij Kamerbrief van 3 juli 2020. Nooit meer: Afzettingen van Duinkerke en Calais; H. Weerts, P. Cleveringa, W. Westerhoff, W. en P. Vos, P, Archeobrief (Methoden en Technieken), 28-34. Stichting voor de Nederlandse Archeologie (SNA), 2006. Pilotproject boomgaarden Zeeland – Gebruik gewasbeschermingsmiddelen 1945-1980 – Historie boomgaarden Zeeland. CONCEPT; DLV Plant BV, marktgroep fruitteelt, Boxtel, april 2003. Regionale bodemkwaliteitskaart Zuid-Holland Zuid – actualisatie 2013, 17 december 2013.