CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2: Was-wordt-lijst bij wijzigingsvoorstel GR VRZ 2025

Gemeenteraad 13 februari 2025, gemeente HulstBij agendapunt: Voorstel tot wijziging GR Veiligheidsregio Zeeland 20255.630 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Was-wordt-lijst bij wijzigingsvoorstel Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Zeeland 2025 Artikel 1  Toegevoegd: a) “de Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Zeeland 2025: het openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 2; b) gemeenten: de bij de regeling aangesloten gemeenten i.c. Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen c) Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland; d) de regeling: de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Zeeland 2025 […] s) Wgr: de Wet gemeenschappelijke regelingen.” 

Vervangen:

“o) directeur/commandant brandweer: de functionaris zoals bedoeld in Hoofdstuk 6 van deze regeling, verder hierna te noemen: directeur.” (oud) Wordt: “r) directeur: de functionaris zoals bedoeld in Hoofdstuk 6 van deze regeling, verder hierna te noemen: directeur.” (nieuw) Artikel 2  Toegevoegd: “3. Het rechtsgebied van Veiligheidsregio Zeeland omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten conform artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s.” Artikel 3 en 4 Artikel 3 (oud) wordt artikel 4. Artikel 4 (oud) wordt artikel 3. Inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 5  Verwijderd:

“b. het vaststellen van eisen waaraan de regionale ambulancevoorziening op grond van artikel 7 van de Tijdelijke wet ambulancezorg dient te voldoen ten aanzien van de meldkamer ambulancezorg; c. het adviseren van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over vaststelling of wijziging van eisen als bedoeld onder b.” Dit in verband met het intrekken van de Tijdelijke wet ambulancezorg. Artikel 7  Vervangen: “[…] de Zeeuwse Ombudsman.” (oud) Wordt: “[…] de Nationale Ombudsman.” (nieuw) In verband met de ophe ing van de Zeeuwse Ombudsman per 1 januari 2023. Artikel 8  Toegevoegd: “3. De voorzitter van de veiligheidsregio wordt conform het bepaalde in artikel 11 lid 2 van de Wet veiligheidsregio’s benoemd bij Koninklijk besluit (gehoord het algemeen bestuur). Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan.” In verband met een bijzondere (verplichte) benoemingsbepaling op grond van de Wet veiligheidsregio’s. Artikel 9  Toegevoegd: “2. […] onderdeel GGD […].” In verband met de Gemeenschappelijke regeling GGD Zeeland. En: “5. De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar: a. het aanwijzen de plaatsvervangend voorzitter en de overige leden van het dagelijks bestuur; b. het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen en de jaarstukken; c. het vaststellen van een reglement van orde; d.

het vaststellen van de Financiële verordening en de Controle verordening;” 

Vervangen:

“4.Het algemeen bestuur kan besluiten ten behoeve van de aan haar opgedragen taken commissies van advies in te stellen. 5.Artikel 24 van de Wet gemeenschappelijke regelingen is van overeenkomstige toepassing op de in het vorige lid genoemde commissies.” (oud) Wordt: “5. […] e. het vaststellen van een verordening tot instelling van een commissie ex artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, en de verordening voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht; g. Het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24, 24a en 25 van de Wgr;” (nieuw) 

Gewijzigd:

Lid 6 (oud) wordt lid 4 (nieuw). Artikel 10  Vervanging “2. Het algemeen bestuur vergadert overeenkomstig artikel 22 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.” (oud) Wordt: “2. Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee leden van het algemeen bestuur dit verzoeken (onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen).” (nieuw) En: “Artikel 11 1.De besluiten van het algemeen bestuur worden genomen bij meerderheid van stemmen. Indien de stemmen staken, dan geeft de stem van de voorzitter de doorslag. 2.De leden voor de gemeenten die zij vertegenwoordigen brengen bij besluiten door het algemeen bestuur over de volgende onderwerpen: a. het vaststellen of wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de jaarstukken; c. het he en van rechten als bedoeld in artikel 5, lid 3 van deze regeling  ieder een stem uit per 5.000 inwoners waarbij de stemmen naar boven worden afgerond op een veelvoud van 5.000. Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag. 3.Voor de toepassing van het tweede lid gelden de bevolkingscijfers uit de gemeenten per 1 januari van het voorgaande jaar. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden

aangehouden de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers.” (oud) Wordt: “4. Besluiten worden genomen met meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter volgens artikel 11 lid 5 van de Wet op de Veiligheidsregio’s de doorslag. 5. De leden voor de gemeenten die zij vertegenwoordigen brengen bij besluiten door het algemeen bestuur over de volgende onderwerpen: a. het vaststellen of wijzigen van de begroting; b. het vaststellen van de jaarstukken; c. het he en van rechten als bedoeld in artikel 5, lid 3 van deze regeling ieder een stem uit per 5.000 inwoners waarbij de stemmen naar boven worden afgerond op een veelvoud van 5.000. Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag. 6. Voor de toepassing van het vijfde lid gelden de bevolkingscijfers uit de gemeenten per 1 januari van het voorgaande jaar. Voor de vaststelling van de aantallen inwoners worden aangehouden de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers.”. Toegevoegd: “3. De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op en tegelijkertijd met de oproep maakt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering openbaar.

De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in Hoofdstuk Va, Gemeentewet, genoemde stukken waarop geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep ter inzage gelegd.” En: “7. Uit de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 30 (tot stand komen besluit), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen) en artikel 33 (ambtelijke bijstand leden van het Algemeen bestuur). Artikel 11 

Verplaatsing

“Artikel 10 […] 3. De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar, tenzij met inachtneming van artikel 22 van de Wet gemeenschappelijke regelingen wordt besloten de deuren te sluiten. In een besloten vergadering kan niet worden besloten over: a. het vaststellen of wijzigen van de begroting;

b. het vaststellen van de jaarstukken; c. het invoeren, wijzigen of afscha en van retributies of andere he ingen; d. het vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen; e. het toetreden tot, het uittreden uit of het wijzigen of ophe en van de gemeenschappelijke regeling; f. het tre en, wijzigen, verlengen of ophe en van een gemeenschappelijke regeling tussen Veiligheidsregio Zeeland en andere openbare lichamen, alsmede het toetreden tot en het uittreden uit een dergelijke regeling;” (oud) Wordt: “Artikel 11 In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het meerjarenbeleidsplan, de begroting, begrotingswijzigingen, de jaarstukken, afscha en retributies of andere he ingen, vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen, tre en van wijzigingen verlengen of ophe en van een GR tussen VRZ en andere openbare lichamen, alsmede toetreden tot en uittreden uit dergelijke regeling.” (nieuw) Artikel 12  Toevoeging: “3. De leden van het dagelijks bestuur (niet zijnde voorzitter) worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur. De leden van het dagelijks bestuur (niet zijnde voorzitter) worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur. Zij worden aangewezen in de vergadering van het algemeen bestuur.” 4.

De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur (niet zijnde voorzitter) ter vervulling van plaatsen die openvallen, vindt plaats binnen twee maanden na de melding van de opengevallen plaats.” In de geest van de modelregeling van de VZG, met inachtneming van het bepaalde in artikel 11 lid 1 en 2 van de Wet veiligheidsregio’s. Artikel 13 Artikel 14 (oud) wordt artikel 13 (nieuw). 

Vervangen

“Artikel 14 Het dagelijks bestuur bereidt procesmatig de agenda en de besluitvorming voor het algemeen bestuur voor en beschikt over de in artikel 13 genoemde bevoegdheden. Het dagelijks bestuur handelt conform het geldende reglement van orde voor het dagelijks bestuur, waarin is geregeld: a. verdeling van werkzaamheden en onderlinge vervanging, b. dag en plaats van de vergaderingen, c. verhindering, d. agenda en ambtelijke ondersteuning,

e. deelname derden aan de vergadering, f. stemmingen, besluitenlijst en openbare vergaderingen.” (oud) Wordt: “Artikel 13 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht met opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen. 2. Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur. 3. Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. 4. Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd. 5. Voor de besluitvorming in het dagelijks bestuur en de verplichting tot geheimhouding zijn de overeenkomstige bepalingen zoals die zijn opgenomen in de Gemeentewet voor het college van toepassing” Artikel 14 Artikel 13 (oud) wordt artikel 14 (nieuw). 

Toegevoegd

“3. Het dagelijks bestuur heeft de verplichting om het algemeen bestuur actief inlichtingen te verstrekken.” Artikel 15  Vervangen: “3.Bij verhindering of ontstentenis wordt de voorzitter vervangen door de plaatsvervangend voorzitter; 4.Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter wijst het algemeen bestuur een voorzitter uit haar midden aan.” (oud) Wordt: “3. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door de plaatsvervangend voorzitter, aangewezen door het algemeen bestuur conform artikel 8 lid 3.” (nieuw) Artikel 16 lid 3 (oud) wordt artikel 15 lid 4 (nieuw) Artikel 16 lid 4 (oud) wordt artikel 15 lid 5 (nieuw) Artikel 16 lid 2 (oud) wordt artikel 15 lid 6 (nieuw) 

Toegevoegd:

“7. Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente, die partij is in een geding waarbij Veiligheidsregio Zeeland is betrokken, wordt Veiligheidsregio Zeeland door een ander, door het dagelijks bestuur aan te wijzen, lid van het dagelijks bestuur vertegenwoordigd.” Artikel 16  Vervangen: Artikel 17 (oud) wordt artikel 16 (nieuw). En: “8. Het dagelijks bestuur regelt de vervanging van de directeur.” (oud) Wordt: “8. Het dagelijks bestuur wijst de functionaris aan die als plaatsvervanger optreedt voor de directeur in geval van diens afwezigheid.” (nieuw) 

Verplaatst:

Artikel 16 lid 2, 3 en 4 (oud) verplaatst naar artikel 15 lid 4, 5 en 6 (nieuw) Artikel 17  Vervangen/verplaatst: “Artikel 21 1. Het dagelijks bestuur en elk van zijn leden afzonderlijk zijn aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur; 2. Het dagelijks bestuur geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.” (oud) Wordt: “Artikel 17 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur. 2. Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. 3. Zij geven samen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen. 4. Een lid van het dagelijks bestuur (niet zijnde voorzitter) kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur bezit. In dit geval is het bepaalde in artikel 49 en verder van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. 5. De leden 1 tot en met 3 zijn van overeenkomstige toepassing de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.” (nieuw)

Artikel 18  Vervangen: “Artikel 18: Algemeen bestuur ten opzichte van de gemeenteraden 1.Het algemeen bestuur geeft de raden van de deelnemende gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2.Het algemeen bestuur verstrekt aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door één of meerdere raden worden verlangd. 3.Die informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige raden.” (oud) Wordt: “Artikel 18: Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur en de voorzitter 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden van de deelnemende gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door een of meer raden worden verlangd. Die informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige raden. 3. ontwikkelingen die van invloed zijn op de gemeentelijke bijdrage zendt het algemeen en dagelijks bestuur middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de raden van de deelnemende gemeenten ter informatie.” (nieuw) Artikel 19  Vervangen: 

“Artikel 19: De leden van het algemeen bestuur ten opzichte van de raden en colleges 1.Een lid van het algemeen bestuur verschaft het college van burgemeester en wethouders en de raad van de betreffende gemeente alle inlichtingen die door het college of raad, of door één of meer leden van dat college of die raad worden verlangd. 2.Een lid van het algemeen bestuur is het college van burgemeester en wethouders en de raad van de betreffende gemeente verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.”(oud) Wordt: “Artikel 19: Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur Een lid of een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan het college door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16 Wgr, verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.” (nieuw) Artikel 20 en 22 (oud) zijn inhoudelijk, conform de modelregeling van de VZG, niet langer opgenomen. Artikel 20 Artikel 22 (oud) wordt artikel 20 (nieuw) 

Vervangen:

“Artikel 22 […]

2.Het dagelijks bestuur stelt voor het personeel van Veiligheidsregio Zeeland de arbeidsvoorwaardenverordening vast conform de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel (CAR/UWO), dan wel de (gewijzigde) collectieve arbeidsvoorwaardenregeling die daarvoor in de plaats komt. 3.Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden” (oud) Wordt: “Artikel 20 […] 2. Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden.” (nieuw) Artikel 21 Artikel 23 (oud) wordt artikel 21 (nieuw). Artikel 22 Artikel 24 (oud) wordt artikel 22 (nieuw) en wordt als volgt vervangen: “Artikel 24: Begroting 1.Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks voor 15 april de ontwerpbegroting voor het komende kalenderjaar met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen voor de drie daarop volgende jaren van Veiligheidsregio Zeeland aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het bepaalde in artikel 190 lid 1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). 2.In de ontwerpbegroting wordt een analyse opgenomen van de begrotingscijfers ten opzichte van de cijfers uit de laatst opgemaakte jaarstukken.

De ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen wordt door de colleges voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Het bepaalde in artikel 190 lid 2 en 3 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing. 3.De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen aan het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze van de raden zijn vervat, bij de ontwerpbegroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, die aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 4.Het algemeen bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen, maar in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. 5.Nadat deze is vastgesteld, stuurt het algemeen bestuur de begroting met de beleidsmatige en financiële meerjarenramingen aan de raden van de deelnemende gemeenten. 6.Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing. 7.Het dagelijks bestuur geeft de deelnemende gemeenten de gelegenheid om wensen en bedenkingen in te geven over begrotingswijzigingen.

Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen een programma van de eigen begroting kunnen worden opgevangen en/of die geen belangrijke beleidswijzigingen betreffen en/of geen structurele gevolgen hebben voor de begroting van het volgende jaar en/of volgende jaren.” (oud) Wordt: “Artikel 22: Begrotingsprocedure 1. Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting van Veiligheidsregio Zeeland voor het komende kalenderjaar, evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), aan de raden van de gemeenten. Het bepaalde in art. 190 lid

1 van de Gemeentewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) 2. De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twaalf weken, na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven. 3. Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. 4. Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 7 oktober van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld. 5. Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen de eigen begroting kunnen worden opgevangen en/of die geen structurele gevolgen hebben voor de begroting van het volgende jaar en/of volgende jaren.” (nieuw) In verband met in de artikelen 34 en 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen opgenomen gewijzigde begrotingsprocedure. Artikel 23 Artikel 25 (oud) wordt artikel 23 (nieuw) en is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 24 Nieuwe bepaling, een regeling omtrent de financiële reserve conform hetgeen is afgesproken binnen de VZG.

Artikel 25 Artikel 26 (oud) wordt artikel 25 (nieuw) en is als volgt gewijzigd: “Artikel 26: Jaarstukken 1.Het dagelijks bestuur legt voor 15 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast de controleverklaring en het verslag van bevindingen van de met de controles belaste accountant. 2.De jaarstukken worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden; 3.Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt haar uiterlijk 14 juli vast, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, evenals de bijdragen die de deelnemende gemeenten betalen in het eventuele exploitatietekort. 4.De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar uiterlijk voor 15 juli; 5.Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken verleent – voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft – het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.” (oud) Wordt: “Artikel 25: Jaarstukken 1.

Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast de controleverklaring en het verslag van bevindingen van de met de controles belaste accountant. 2. De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden.

3. Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming. 4. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt de jaarstukken en de resultaatbestemming vast. 5. De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli. 6. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.” (nieuw) Conform het bepaalde in artikel 34b van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 26 Artikel 27 (oud) wordt artikel 26 (nieuw) en is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 26a Artikel 27a (oud) wordt artikel 26a (nieuw) en is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 26b Artikel 27b (oud) wordt artikel 26b (nieuw) en is inhoudelijk ongewijzigd.

Artikel 26c (oud) Artikel 26c (oud) betrof de mitigatiebijdrage en overgangsregeling en is inhoudelijk, wegens het in 2021 verstrijken van de ingroeifase, niet langer relevant. Om deze reden wordt voorgesteld deze bepaling te verwijderen. Dit in verband met een advies van de VNG om uitgewerkte bepalingen te schrappen. Artikel 26c (nieuw) Artikel 27d (oud) wordt artikel 26c (nieuw) en is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 27 Artikel 28 (oud) wordt artikel 27 (nieuw) en wijzigt als volgt: “Artikel 28: Archief 1.Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig een door het algemeen bestuur, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet 1995 vast te stellen regeling. 2.Deze regeling wordt aan Gedeputeerde Staten toegestuurd. 3.Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan.” (oud) Wordt: “Artikel 27: Archief 1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet, regels vast over de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam. Deze regeling wordt toegestuurd aan gedeputeerde staten. 2.

Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde regeling.

3. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan.” (nieuw) Artikel 28 Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op informatieveiligheid en luidt als volgt: “Artikel 28: Informatieveiligheid 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft. 2. Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemende gemeenten moeten voldoen.” Artikel 29 Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op participatie en luidt als volgt: “Artikel 29: Participatie 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid. 2. Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken: a. ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten; c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. inzake de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet; e.

indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; f. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving. 3. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.” Dit in verband met het bepaalde in artikel 10 lid 7 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 30 Artikel 29(oud) wordt artikel 30 (nieuw) en is inhoudelijk ongewijzigd. Artikel 31 Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op de procedure voor het vaststellen van een uittredingsplan en luidt als volgt: “Artikel 31: Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het Algemeen Bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het Algemeen Bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt.

De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het Algemeen Bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur. Indien geen

overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het Algemeen Bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 34 en vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risicoopslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8.

Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uit-treedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in een keer dient te betalen.” De verplichting tot het opnemen van bepalingen over uittreden volgt uit artikel 9 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 32 Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op een vergoeding van kosten in geval van uittreding en luidt als volgt: “Artikel 32: Te vergoeden kosten, de uittreedsom 1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. 2. Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3.

Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het Algemeen Bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 33, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 33, achtste lid, anders is vastgelegd. 5. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 32, vijfde lid.

7. Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoeld in artikel 29B en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft, kan het Algemeen Bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. 8. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.” De verplichting tot het opnemen van bepalingen over uittreden volgt uit artikel 9 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 33 Deze nieuwe bepaling heeft betrekking op de verplichtingen van de uittreder en luidt als volgt: “Artikel 33: Verplichtingen uittreder 1.

De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van Veiligheidsregio Zeeland die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.” De verplichting tot het opnemen van bepalingen over uittreden volgt uit artikel 9 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 34 Artikel 30 (oud) wordt artikel 24 (nieuw) en wijzigt als volgt: “Artikel 30: Wijziging De gemeenschappelijke regeling kan worden gewijzigd bij daartoe strekkende besluiten van ten minste twee derde van de colleges van de deelnemende gemeenten.”(oud) Wordt: “Artikel 34: Wijziging 1. De regeling wordt gewijzigd, indien de colleges van twee derde van de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de deelnemers. 3.

Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel.” (nieuw) De modelregeling van de VZG is gevolgd.

Artikel 35 Deze nieuwe bepaling bevat een geschillenregeling en luidt als volgt: “Artikel 35: Geschillen 1. Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 Wgr de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie. 2. De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt. 3. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen. 4. De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. 5. Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil wordt bij het verzoek om een beslissing van Gedeputeerde Staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd.” De grondslag voor deze bepaling staat in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 36 Artikel 31 (oud) wordt artikel 36 (nieuw) en wijzigt als volgt: “Artikel 31 […] 2.Ingeval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels. Daarbij kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken.

3.Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, nadat de raden van de deelnemende gemeenten hun zienswijze hebben kunnen inbrengen, vastgesteld. 4.Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de beëindiging heeft voor het personeel. 5.Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemende gemeenten, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van de verplichtingen van Veiligheidsregio Zeeland. 6.Het besluit tot opheffing van deze regeling wordt direct gezonden aan de deelnemende gemeenten, Gedeputeerde Staten en het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. […] 8.De drie bestuursorganen van Veiligheidsregio Zeeland blijven ook na het tijdstip van de opheffing in functie, totdat de liquidatie volledig is voltooid.” Wordt: “Artikel 36 […] 2. Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden van de deelnemende gemeenten. 3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten en de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling. 4. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel. […] 6.

Het besluit tot ontbinding of tot wijziging van deze regeling wordt direct gezonden aan de gemeenten.

7. De organen van de gemeenschappelijke regeling blijven ook na het tijdstip van ontbinding in functie, totdat de vereffening is voltooid.” (nieuw) Artikel 31 lid 1, 7 en 9 (oud) blijven in het nieuwe artikel 36 lid 1, 5 en 8 (nieuw) ongewijzigd. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 37 Artikelen 32 en 33 (oud) worden opgenomen in artikel 37 (nieuw). Artikel 37 (nieuw) betreft de bekendmaking en inwerkingtreding en is inhoudelijk ongewijzigd.: Artikel 38 Deze nieuwe bepaling bevat een evaluatieregeling en luidt als volgt: “Artikel 38: Evaluatie De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd, is eveneens onderdeel van de evaluatie.” Deze bepaling is conform het bepaalde in artikel 11a van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De modelregeling van de VZG is gevolgd. Artikel 39 Artikel 34 (oud) wordt artikel 39 (nieuw) en omvat de citeertitel. De nieuwe citeertitel luidt: ‘De gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Zeeland 2025’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15046481/1