CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke onderbouwing

Commissie Ruimte 9 april 2024, gemeente HulstBij agendapunt: Voorstel tot het afgeven van een ontwerp verklaring van geen bedenkingen voor de realisatie van 2 bedrijfsloodsen op de locatie Hogeweg ong. N9145.349 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Ruimtelijke onderbouwing bouw bedrijfsloodsen Hogeweg ong., Hulst

Versie: ontwerp Datum: augustus 2023

1

Ruimtelijke onderbouwing Bouw bedrijfsloodsen, Hogeweg ong., Hulst

Identificatiecode: Planstatus: Datum: Auteur: Korte omschrijving:

NL.IMRO.0677.pbhulhogewegong-001O Ontwerp 24-02-2024 Tom de Koster Ruimtelijke onderbouwing voor de realisatie van twee bedrijfsloodsen op een perceel aan de Hogeweg ong. te Hulst.

2

3

Inhoud 1 INLEIDING ..............................................................................................................................................5 1.1 Aanleiding .......................................................................................................................................5 1.2 Vigerend bestemmingsplan ............................................................................................................5 1.3 Leeswijzer .......................................................................................................................................5 2 PLANBESCHRIJVING................................................................................................................................6 2.1 Bedrijventerrein Hogeweg ..............................................................................................................6 2.2 Huidige situatie plangebied ............................................................................................................6 2.3 Toekomstige situatie plangebied ....................................................................................................7 3.

BELEIDSKADER ......................................................................................................................................8 3.1 Rijksbeleid .......................................................................................................................................8 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................................8 3.3 Regionaal beleid .............................................................................................................................9 3.4. Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................9 4.

OMGEVINGSASPECTEN .......................................................................................................................11 4.1 Bodem...........................................................................................................................................11 4.2 Geluid............................................................................................................................................11 4.3 Luchtkwaliteit................................................................................................................................12 4.4 Bedrijven en milieuzonering .........................................................................................................13 4.5 Externe veiligheid..........................................................................................................................15 4.6 Flora en fauna ...............................................................................................................................15 4.7 Geur ..............................................................................................................................................16 4.8 Verkeer .........................................................................................................................................17 4.9 Archeologische waarden en cultuurhistorie.

................................................................................17 4.10 Kabels en leidingen .....................................................................................................................18 4.11 Overige belemmeringen .............................................................................................................18 4.12 Waterhuishouding ......................................................................................................................18 5 UITVOERBAARHEID ..............................................................................................................................19 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...............................................................................................19 5.2 Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................................19 Bijlage 1, akoestisch onderzoek ..............................................................................................................20 Bijlage 2, Stikstof berekening ..................................................................................................................22 Bijlage 3, Watertoets ..............................................................................................................................24

4

1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Aan de westzijde van Hulst is het regionale bedrijventerrein Hogeweg gelegen. Vanaf de rondweg gezien is het bedrijventerrein gestaag in westelijke richting uitgebreid. Aan de zuidoostelijke zijde richting de kern Sint-Jansteen ligt aan de Hogeweg, tussen huisnummers 7 en 9, een agrarische kavel. De kavel is aan drie zijden omgeven door bedrijfsbebouwing, behorende bij het bedrijventerrein Hogeweg. De gemeente Hulst is bereid medewerking te verlenen aan de vestiging van een bedrijf op deze locatie. Het bedrijf Metaalbouw Franckaert BV wenst zich op deze locatie te vestigen. Het bedrijf is gespecialiseerd in de bouw van industriële loodsen. In stedenbouwkundige zin maakt dit kavel onderdeel uit van het bedrijventerrein, het perceel ligt in stedelijk gebied. Er is geen sprake van een uitbreidingslocatie, maar van een inbreidingslocatie.

1.2 Vigerend bestemmingsplan Het perceel valt niet binnen de werking van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen Hulst’ en eveneens niet van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Hulst’. Op het perceel is het verouderde bestemmingsplan ‘Hogeweg I, II, III’ van toepassing met een agrarische bestemming, welke de bouw van de loodsen en het gebruik ten behoeve van hallenbouw niet toe staat. Wel is het perceel gelegen binnen het voorontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied Hulst’, hierin is het eveneens als ‘agrarisch’ bestemd. Aan de straatzijde geldt een dubbelbestemming ‘leiding – water’ en over het perceel is tevens de gebiedsaanduiding ‘geluidszone – industrie’ gelegen. Om medewerking te verlenen aan het initiatief, dient ter plaatse het bestemmingsplan te worden herzien, of dient medewerking te worden verleend door middel van toepassing van de uitgebreide omgevingsvergunning.

Afbeelding 1, Uitsnede verbeelding voorontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied Hulst’ met rood gearceerd de planlocatie

Het bestemmingsplan kent geen binnenplanse wijzigingsbevoegdheid om het perceel een bedrijfsbestemming te geven.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het plangebied beschreven. Het relevante beleidskader wordt in hoofdstuk 3 omschreven. Een toets aan de omgevingsaspecten vindt plaats in hoofdstuk 4. De juridische opzet is opgenomen in hoofdstuk 5 en tot slot is in hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid opgenomen.

5

2 PLANBESCHRIJVING Om te beoordelen of een bouwplan dat niet rechtstreeks past binnen de voorschriften van het bestemmingsplan, wel past binnen de omgeving is het van belang dat de uitgangspunten en de huidige situatie van het plangebied goed in beeld worden gebracht. Met het oog hierop is het plangebied geïnventariseerd en geanalyseerd.

2.1 Bedrijventerrein Hogeweg Bedrijventerrein Hogeweg ligt aan de westelijke rand van Hulst. De oppervlakte is ongeveer 70 hectare. Het is een regionaal bedrijventerrein, met diverse bedrijvigheid. Vanwege de recente bouw van een drietal grootschalige logistieke gebouwen, is de strategische grondvoorraad op het bedrijventerrein vrijwel geheel op. Alleen aan de ‘Schapenwei’ in de noordwestelijke zijde van het gebied, nabij de gemeentewerkplaats zijn nog enkele kavels voor nieuwbouw beschikbaar. Het bedrijventerrein is ontsloten via de N290 en N258.

Afbeelding 2, Bedrijventerrein Hogeweg, in rood de ligging van de projectlocatie

2.2 Huidige situatie plangebied Aan de zuidzijde van het bedrijventerrein Hogeweg ligt tussen de percelen Hogeweg 7 en Hogeweg 9 het plangebied. Het perceel is kadastraal bekend als HUL N 914. Het is aan drie zijden omsloten met bedrijfskavels en direct aan de infrastructuur gelegen. Het perceel is agrarisch in gebruik, het perceel wordt gemaaid, ten behoeve van hooi. Dit gebruik komt overeen met de geldende agrarische bestemming.

6

Afbeelding 3, bestaande situatie (bron: Google Streetview)

2.3 Toekomstige situatie plangebied Het perceel heeft een oppervlakte van ruim 5.000 m2. Het bedrijf wenst op dit terrein twee ruime loodsen te realiseren ten behoeve van een bedrijf in hallenbouw. De loodsen worden uitgevoerd in een metalen gevelplaat, type sandwichplaat. De meest noordelijk gelegen loods is een productiehal van 2.077 m2 en de zuidelijke loods wordt gebruikt ten behoeve van opslag en heeft een oppervlakte van 1.346 m2. Hierdoor vindt er geen buitenopslag plaats. Montage van de nieuwe loodsen vindt uiteraard ter plaatse op de werf plaats, terwijl de productie van de stalen spanten prefab elders gebeurd. De metaalbewerkende activiteiten op het bedrijf zijn zeer beperkt. De gebouwen krijgen een nokhoogte van 9 meter. De buitenruimte van het terrein zal grotendeels worden verhard. In de loodsen zullen de bedrijfsactiviteiten en de voorbereidende werkzaamheden worden uitgevoerd.

afbeelding 4, vooraanzicht bedrijfshallen

7

Afbeelding 5, toekomstige situatie plangebied

8

3. BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen beschreven van het relevante beleid van het rijk, provincie en gemeente.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR): In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. Het Rijk zet twee zaken helder neer: een kader voor prioritering van investeringen om Nederland in beweging te krijgen en een selectief ruimtelijk beleid dat meer loslaat en overlaat aan provincies en gemeenten. Het toevoegen van een bedrijfskavel binnen een bestaand bedrijventerrein is geen ontwikkeling waar de uitgangspunten van de SVIR van toepassing zijn. Op deze locatie spelen geen Rijksbelangen.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (BARRO) Naast de SVIR is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel AMvB Ruimte genoemd, van toepassing. Het besluit bevat regels ter borging van een beperkt aantal nationale belangen. Het gaat onder meer over rijksbelangen, over rijksvaarwegen, zones buisleidingen en zones van hoogspanningsleidingen. Voor het plangebied zijn geen nationale belangen van toepassing.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6 van het Bro is vastgelegd dat voor stedelijke ontwikkelingen de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking moet worden gehanteerd. Uit jurisprudentie blijkt dat de vestiging van een bedrijf als een nieuwe duurzame ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Via de duurzaamheidsladder stimuleert het Rijk zorgvuldig ruimtegebruik en herstructurering van bestaand stedelijk gebied en bestaande gebouwen. Deze regeling staat bekend als de laddertoets (artikel 3.1.6, tweede lid, Bro). Binnen het bedrijventerrein Hogeweg en in groter verband in de gemeente Hulst zijn op de bedrijventerreinen geen bedrijfskavels meer beschikbaar. Uitzondering is de gemengde zone aan de Spoorweg, waar bedrijvigheid is toegestaan dat zich meer op bezoekers richt, of belang heeft bij een zichtlocatie. Ook hier is het beschikbare aanbod reeds beperkt. Alle beschikbare kavels hebben ruimte voor een bedrijfscategorie tot en met 3.1. De vestiging van een bedrijf dat zich richt op hallenbouw is op deze locaties niet toegestaan, omdat er sprake is van een milieucategorie 3.2. Geconcludeerd kan derhalve worden dat er momenteel geen aanbod voor bedrijfsgrond voor bedrijven voor milieucategorie 3.2.

Op basis van de regionale bedrijventerreinprogrammering (zie paragraaf 3.3) blijkt dat er binnen de gemeente Hulst en bij voorkeur bij het bedrijventerrein Hogeweg, behoefte bestaat aan uitbreiding van het bedrijventerrein met nieuwe bedrijfskavels. Omdat er sprake is van een inbreidingslocatie, zal de ontwikkeling geen nieuwe ruimte in beslag nemen. Geconcludeerd kan worden dat er binnen de omgeving geen geschikte alternatieve locaties zijn voor de vestiging van dit type bedrijf. In stedenbouwkundige zin is de inbreidingslocatie tussen Hogeweg 7 en 9 een geschikte locatie voor het toevoegen van een bedrijfsbestemming.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Op 11 november 2021 heeft Provinciale Staten de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft aan de hand van 27 bouwstenen de provinciale visie en provinciale belangen op Zeeland weer, waar de Provincie Zeeland een (groot) belang aan hecht. Per bouwsteen worden de

9

beleidsdoelstellingen voor 2030 beschreven, de acties die daaraan bijdragen en welke partijen daar een rol bij spelen. In de Omgevingsvisie zijn de volgende vier Zeeuwse ambities omschreven voor de provincie in 2050. • • • •

Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland; Balans in de grote wateren en het landelijk gebied; Een duurzame en innovatieve economie; Klimaatbestendig en CO2 neutraal Zeeland.

Het benoemen en beschrijven van uitdagingen en ambities is geen garantie voor het maken van de beste keuzes voor Zeeland. Bij het kiezen en prioriteren wil de provincie zowel de Zeeuwse kernkwaliteiten behouden als kansen en mogelijkheden benutten. Hiervoor dienen de volgende afwegingsfactoren: • Doe meer met minder grond; • Werk samen en deel kosten en baten; • Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten; • Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld. Nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen de kernkwaliteiten van Zeeland. • • • •

Genieten en opladen; Waarderen en beschermen van het mooie Zeeuwse landschap; We voelen ons verbonden met de historie; Kernkwaliteitswens: passende werkgelegenheid en ontwikkelmogelijkheden voor iedereen in Zeeland.

Toets De nieuwe bedrijfslocatie valt in stedenbouwkundig oogpunt binnen de begrenzing van het bedrijventerrein Hogeweg. Waardoor er sprake is van een inbreiding, in plaats van een uitbreiding. Dit is een vorm van duurzaam ruimtegebruik dat past binnen de uitgangspunten van de Zeeuwse Omgevingsvisie.

3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening De Provinciale Omgevingsverordening 2018 is nog steeds de geldende verordening. Deze zal op 1 januari 2024 worden vervangen door een geactualiseerde Omgevingsverordening. In de verordening zijn een aantal voorwaarden opgenomen ten aanzien van bedrijventerreinen. De provincie maakt onderscheid tussen regionale bedrijventerreinen en kleinschalige bedrijventerreinen. De provincie wenst zo veel mogelijk nieuwe bedrijvigheid te clusteren op de regionale bedrijventerreinen en slechts beperkte uitbreidingsruimte bieden aan kleinschalige bedrijventerreinen. Toets Het bedrijventerrein Hogeweg is aangemerkt in de provinciale Omgevingsverordening als een regionaal bedrijventerrein. Het perceel is gelegen binnen de aanduiding regionaal bedrijventerrein. Er is derhalve geen sprake van een uitbreidings-, maar van een inbreidingslocatie. Daarmee voldoet de ontwikkeling aan de uitgangspunten van de provinciale Omgevingsverordeing.

10

afbeelding 6, regionaal bedrijventerrein Hogeweg (bron: Omgevingsverordening Zeeland)

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionaal bedrijventerreinprogramma Zeeuws-Vlaanderen 2020-2030 De gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen hebben samen met de provincie Zeeland in november 2022 het regionaal beleid voor bedrijventerreinen vastgesteld. Voor de gemeente Hulst geldt dat het bedrijventerrein aan de Hogeweg een regionale functie heeft. De gronden op dit bedrijventerrein zijn inmiddels volledig uitgegeven. De overige bedrijventerreinen hebben vooral een lokale functie. Doordat de gemeente geen uitgeefbare bedrijfsgrond meer voorradig is, is er ruimte voor uitbreiding, mits goed afgestemd op vraag en behoefte. De uitbreiding van de bedrijfsgrond is noodzakelijk voor het aantrekken van nieuwe bedrijven, het uitbreiden van bestaande bedrijven en het verplaatsen van bestaande bedrijven vanuit kernen, of buitengebied naar de bedrijventerrein. Toets De beperkte uitbreiding van het bedrijventerrein Hogeweg past binnen het regionale bedrijventerreinenprogramma, dat ruimte biedt aan met name uitbreiding van bedrijventerrein Hogeweg. Daarnaast is er sprake van de vestiging van een bedrijf van buiten de regio ZeeuwsVlaanderen, naar Hulst. Er is geen sprake van een achterblijvende locatie binnen de regio.

3.4. Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Gemeente Hulst De structuurvisie geeft richting aan de gewenste ruimtelijke inrichting van het gemeentelijk grondgebied waardoor voor een ieder in algemene zin duidelijk is of bepaalde initiatieven daarbinnen passen. De structuurvisie geeft een doorkijk tot medio 2025. Op basis van de structuurvisie is het perceel gelegen in het oudere gedeelte van het bedrijventerrein ‘Hogeweg’, dit gedeelte is in de structuurvisie aangewezen als ‘herstructureren’.

11

Bij het proces van verbetering zal de hoofdfunctie van het gebied hetzelfde blijven, maar wordt de kwaliteit van het gebied verbeterd. Herstructureringen kunnen gepaard gaan met een (beperkte) uitbreiding van het ruimtebeslag teneinde de gevolgen van herstructurering te kunnen opvangen. Bij herstructurering vindt de kwaliteitsverbetering zijn aanleiding in de wens of noodzaak van eigenaren om hun vastgoed aan de eisen van de moderne tijd te laten voldoen. Conclusie Het vervallen van een agrarisch perceel op het bedrijventerrein Hogeweg en hier een beter in de omgeving passende bedrijfsfunctie te geven, past binnen de beperkte uitbreiding die in deze gebieden is toegestaan.

3.4.2 Bestemmingsplan Hogeweg I, II, III

Het perceel is gelegen binnen de werking van het bestemmingsplan Hogeweg I, II, III en hierin bestemd als ‘agrarisch’. Binnen de voorschriften van dit bestemmingsplan zijn wijzigingsmogelijkheden opgenomen om de bestemming te wijzigen naar ‘bedrijven’.

12

4. OMGEVINGSASPECTEN De ontwikkeling voorziet in de realisatie van twee bedrijfsloodsen op het bedrijventerrein Hogeweg. In dit hoofdstuk worden de relevante omgevingsaspecten getoetst.

4.1 Bodem Overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid van het plangebied. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch bodemonderzoek, te worden verricht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden activiteiten hebben plaats gevonden met een verhoogd risico op bodemverontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van geconstateerde belemmeringen uit dit onderzoek, kan vervolgens worden nagegaan welke maatregelen moeten worden genomen om die belemmeringen weg te nemen (functiegericht saneren).

4.1.1 Verkennend en aanvullend bodemonderzoek De bodem tot een diepte van minimaal 0,0 – 2,5 meter beneden maaiveld (de maximale boordiepte voor de realisatie van de loods) bestaat uti zand. In dd grond zijn geen bijmengingen aangetroffen met bodemvreemde materialen. Het grondwater bevindt zich op 1,42 meter beneden maaiveld (opname datum 4 juli 2023). In de grondmengmonsters van zowel de bovengrond, als de ondergrond zijn geen van de geanalyseerde parameters in een verhoogd gehalte ten opzicht van de achtergrondwaarde aangetoond. In het grondwater zijn de concentraties van de geanalyseerde parameters lager dan de streefwaarde en/of detectiegrens.

4.1.2 Conclusie Op de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetroffen. De onderzoekslocatie is onverdacht en geschikt voor het toekomstige gebruik als bedrijfslocatie.

4.2 Geluid Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. De twee te realiseren bedrijfsloodsen zijn geen geluidsgevoelig object op basis van de Wet geluidhinder. Toetsing aan wegverkeerslawaai en spoorweglawaai is derhalve niet noodzakelijk. Wel is de locatie gelegen binnen een geluidszone voor industrielawaai.

4.2.1 Industrielawaai Volgens artikel 40 van de Wet geluidhinder dient rondom een industrieterrein een zone te worden vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Het gebied dat wordt omsloten door de 50 dB(A) contour is de bij het industrieterrein horende geluidszone. Rondom het industrieterrein Hogeweg in Hulst is een geluidszone vastgesteld. Op dit industrieterrein vindt zonebeheer plaats; dit houdt onder meer in er bij wijzigingen wordt getoetst dat de 50 dB(A) op de zonegrens niet wordt overschreden en dat er in het algemeen zuinig en doelmatig wordt omgegaan met de beschikbare geluidruimte.

13

Door Van Kooten Akoestisch Adviesbureau is voor de realisatie van de woning een akoestisch onderzoek naar industrielawaai opgesteld. Het volledige onderzoek is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de bedrijfsmatige activiteiten ter plaatse zeer beperkt zijn. De onderdelen voor de hallenbouw worden prefab aangeleverd en de montage van de hallen vindt op de werf van de opdrachtgever plaats. Daarnaast is er sprake van een volledig inpandig bedrijfsproces, er vindt geen buitenopslag plaats. Het aantal vrachtbewegingen blijft beperkt tot gemiddeld een tweetal per week. Deze vrachtwagens mogen op basis van de ter plaatse geldende verkeersregels uitsluitend aan- en afrijden in noordelijke richting. De extra geluidsbelasting is hierdoor relatief beperkt.

4.2.2 Conclusie Activiteitenbesluit milieubeheer Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op 50 meter vanaf de inrichtingsgrens blijkt op deze punten 40 dB(A) tot 42 dB(A) te bedragen. Dit betekent dat de nieuwe realisatie met een ruime marge kan voldoen aan de eis dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de dagperiode niet meer dan 50 dB(A) bedraagt. Zonetoets Wet geluidhinder De toets aan de 50 dB(A) geluidszone zal worden uitgevoerd door de zonebeheerder. Hiertoe wordt dit rapport en het Geomilieu-rekenmodel aangeleverd aan de zonebeheerder. De zonebeheerder zal de benodigde beoordelingen en berekeningen uitvoeren en daarvan verslag doen.

4.3 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een bedrijfsloods, zoals in voorliggend plan, is geen gevoelige bestemming. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter,

14

bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. De ontwikkeling is eveneens niet gelegen binnen genoemde zones van de rijks- en provinciale wegen. Toets De ontwikkeling gaat uit van de realisatie van een bedrijfsloods. Voor de berekening voor de bijdrage van het extra verkeer op de luchtkwaliteit wordt uitgegaan van twintig extra verkeersbewegingen per dag, waarvan een aandeel van 50% vrachtverkeer. Dit is in beide gevallen een berekening met een ruime worst-case marge, omdat in de praktijk het aantal verkeersbewegingen een stuk lager zal liggen. In figuur 4.1 is de berekening weergegeven.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2024

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

50,0%

NO2 in μg/m3

0,12

PM10 in μg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

20

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 4.1: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Ter bepaling van de mogelijkheid om milieubelastende bestemmingen te realiseren in de nabijheid van milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen, wordt gebruik gemaakt van de systematiek van milieuzonering. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten is één en ander nader beschreven en uitgewerkt. In die brochure is ook een Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen, waarbij per type bedrijf wordt aangegeven welke afstanden tussen milieugevoelige en milieubelastende bestemmingen moet worden aangehouden. Voorliggend plan voegt twee bedrijfsloodsen toe op een bedrijventerruin. Primair hoeft deze functie niet aangemerkt te worden als milieugevoelige functie. Uit oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de uitvoering van het bouwplan. Wel zijn er op het bedrijventerrein Hogeweg bedrijfswoningen aanwezig. Ten aanzien van deze bedrijven dient wel een milieuzonering aangehouden te worden. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies.

Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; •

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

15

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'.

In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied', vanwege de ligging op een bedrijventerrein. In figuur 4.2 zijn de richtafstanden weergegeven.

Figuur 4.2: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets De activiteiten vinden inpandig plaats. Hier komt geen geur of stof vrij. Er wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen. Rondom het plangebied zijn binnen een straal van 100 meter vier bedrijfswoningen gelegen. Het betreft de bestaande bedrijfswoningen aan de Hogeweg 2b, Hogeweg 11, en Aziëweg 1. En de niet aanwezig, maar wel planologisch mogelijk gemaakte locatie op het perceel Hogeweg 7. ADRES

AFSTAND TOT PERCEELSGRENS VANAF ONTWIKKELING (M) 75 60 50 65

HOGEWEG 2B HOGEWEG 7 HOGEWEG 11 AZIËWEG 1

Uit het akoestisch onderzoek uit bijlage 1 blijkt dat het geluidsniveau op 50 meter afstand van de inrichtingsgrens 40 tot 42 dB bedraagt. Dit ligt daarmee ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (Lden). Geconcludeerd kan worden dat de nieuwe bedrijfsactiviteiten op het perceel tussen Hogeweg 7 en 9 op voldoende afstand is gelegen van de bestaande en de planologisch mogelijke bedrijfswoningen in de omgeving.

16

4.5 Externe veiligheid Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) van kracht geworden. In overeenstemming met artikel 5 van dit BEVI dient bij een besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) onderzocht te worden in hoeverre er sprake is van aanwezigheid van risicovolle inrichtingen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen de risicocontour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6 contour) en het groepsrisico (GR) met de eventuele toename hiervan berekend te worden. Het GR dient in de toelichting op het besluit te worden verantwoord. Eenzelfde aanpak dient gevolgd te worden voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door de lucht en door buisleidingen. Het kader hiervoor wordt gegeven in de circulaire “Nota Risicozonering Vervoer Gevaarlijke Stoffen” (RNVGS). Gemeenten en provincies zijn in dat kader verplicht de normen uit het BEVI na te leven. Dit houdt onder meer in dat er voldoende afstand aangehouden moet worden tussen kwetsbare objecten en risicovolle bedrijven en transportroutes. Tevens houdt dat in dat rekening moet worden gehouden met het totale aantal aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf of transportroute.

Het aspect externe veiligheid brengt zodoende met zich mee dat afstemming tussen de drie taakvelden ruimtelijke ordening, milieu en rampenbestrijding van groot belang is.

figuur 4.3: Risicokaart Een bedrijfsloods is geen kwetsbaar object op basis van het BEVI. Vanuit oogpunt van externe veiligheid kan de ontwikkeling daarom als aanvaardbaar worden bestempeld. Op basis van een goede ruimtelijke ordening is er wel getoetst aan de Risicokaart. In de nabijheid van het plangebied zijn geen relevante inrichtingen en transportroutes aanwezig. Wel is ten noordwesten van het plangebied een transportleiding van de Gasunie aanwezig. De ontwikkellocatie is niet binnen een risicozone van deze transportleiding gelegen.

4.6 Flora en fauna In het kader van de verscherpte natuurwetgeving dient, voordat ergens ruimtelijke ingrepen plaatsvinden te worden onderzocht of er belangrijke natuurwaarden voorkomen op een te bebouwen locatie. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

17

Toets Het perceel is agrarisch in gebruik. Op het perceel worden actief ieder seizoen gewassen geteeld. Het is hierdoor redelijkerwijs uit te sluiten dat binnen en nabij het plangebied beschermde soorten conform Wet natuurbescherming voorkomen of gebruik maken het plangebied. Beschermde soorten zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Ten zuiden van het plangebied ligt op een afstand van ca. 190 meter een restant van de Tragelkreek. Dit maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ), zie figuur 4.3. De Tragelkreek is in het Natuurbeheerplan 2024 aangemerkt als een dynamisch moeras. De ontwikkeling leidt tot extra verkeersbewegingen en in beperkte mate tot extra geluidhinder. Op basis van artikel 2.12 van de Verordening Ruimte Provincie Zeeland mag een nieuwe invloed geen significante invloed hebben op de natuurwaarden van omliggende gebieden. De term significant geeft aan dat er sprake mag zijn van enige invloed. Daarnaast is de locatie gelegen binnen een bestaand bedrijventerrein. Het bedrijventerrein heeft nu reeds invloed op het gebied. Het is redelijkerwijs niet aannemelijk dat beschermde natuur in de omgeving van het plangebied verstoort of anderszins aangetast zal worden bij verwezenlijking van de voorgenomen plannen dan wel door toekomstig gebruik van het plangebied.

De kortstondige duur en kleinschaligheid van de ingreep (bouw twee bedrijfsloodsen op een bestaand bedrijventerrein) kan redelijkerwijs geen blijvend en/of meetbaar verstorend effect veroorzaken. De uitvoering van de bouwwerkzaamheden zorgen voor een tijdelijke verstoring. In de omgeving van het plangebied zijn geen Natura2000 gebieden gelegen.

figuur 4.4 Ligging ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (bron: Zeeland.nl)

4.7 Geur Het perceel bevindt zich niet binnen een geur- en/of stankcirkel, waardoor het aspect geur/stank geen belemmeringen oplevert voor de realisering van het bouwplan. Het bouwplan zelf bevat geen onderdelen die een geur of stankcirkel voor de omliggende bebouwing creëert.

18

4.8 Verkeer Ontsluiting en extra verkeersbewegingen Het perceel wordt aan de voorzijde ontsloten met één in- en uitrit op de Hogeweg. De Hogeweg maakt onderdeel uit van de wegenstructuur op het bedrijventerrein. Het verkeersbeeld is overwegend rustig. De nieuwe ontwikkeling en de extra verkeersbewegingen die het met zich mee brengt kunnen door de bestaande wegenstructuur worden opgelost. Opgemerkt wordt dat vrachtverkeer zich uitsluitend mag afwikkelen in westwaartse richting, dus via het bedrijventerrein en niet door de kern Sint-Jansteen.

Parkeren

Parkeren van auto’s van het personeel en van bedrijfsvoertuigen vindt volledig op eigen terrein plaats.

4.9 Archeologische waarden en cultuurhistorie. Ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden is de Erfgoedwet van toepassing. Hiermee is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan of in een wijzigingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Naast archeologie dienen ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

4.9.1 Archeologie De gemeenteraad van Hulst heeft op 8 juni 2017 het paraplubestemmingsplan ‘Archeologische en Aardkundige waarden’ vastgesteld. Dit betreft een actualisering van het archeologiebeleid en een vertaling in de bestemmingsplanvoorschriften. In het bestemmingsplan ‘Kernen’ waar de planlocatie binnen valt is dit beleid integraal overgenomen. De locatie heeft geen archeologische dubbelbestemming. Omdat er sprake is van een oude kreekrestant is er geen archeologische verwachtingswaarde. Nader archeologisch onderzoek voor de ontwikkeling wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

Afbeelding 4.5, vrijstellingenkaart archeologiebeleid gemeente Hulst Toets Omdat er sprake is van het wijzigen van het gebruik van een bestaand pand, vinden er geen bodemingrepen plaats. Een uitgebreide archeologietoets hoeft voor deze locatie niet plaats te vinden.

19

4.9.2 Cultuurhistorie Het perceel is gelegen op een bedrijventerrein. Alle bebouwing in de omgeving zijn gerealiseerd vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw tot nu. Binnen het plangebied zijn geen monumentale, of cultuurhistorisch waardevolle panden gelegen. Ook is het plangebied niet gelegen in een molenbiotoop. Het perceel is agrarisch in gebruik, het is aan drie zijden omsloten met bedrijfsgebouwen en behoort daarmee in feite in stedenbouwkundige zin tot het bedrijventerrein Hogeweg. Het gebied bevat geen cultuurhistorische waarden.

4.10 Kabels en leidingen Aan de straatzijde is binnen het plangebied een planologisch beschermde waterleiding. De gronden en de bijbehorende planologische beschermingszone boven deze waterleiding bevinden zich tussen de rooilijn van de loodsen en de straat en blijven onbebouwd.

4.11 Overige belemmeringen Er zijn binnen het plangebied geen overige belemmeringen, zoals een radargebied, bekend.

4.12 Waterhuishouding Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, te voorkomen. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. De initiatiefnemers kiezen er voor om geen waterberging op eigen terrein te doen en een bijdrage aan het gemeentelijke waterfonds te doen. In bijlage 4 is de watertoetstabel opgenomen.

20

5 UITVOERBAARHEID Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld als onderdeel van de noodzakelijke omgevingsvergunning ten behoeve van de realisatie van twee bedrijfsloodsen aan de Hogeweg te Hulst Voor de realisatie van het plan wordt een openbare voorbereidingsprocedure gevoerd. Belanghebbenden kunnen dan kennis nemen van dit plan. De toekomstige eigenaren van het perceel hebben door middel van het plaatsen van een aankondiging op het perceel reeds kenbaar gemaakt dat de ontwikkeling er komt. Daarnaast zijn er met de direct aangrenzende percelen reeds persoonlijke gesprekken geweest over het nieuwe bouwplan.

5.2 Economische uitvoerbaarheid De ontwikkeling betreft een initiatief van de eigenaar van het erf. De kosten van het (bouw)plan en het opstellen van deze ruimtelijke onderbouwing komen in zijn geheel voor de initiatiefnemer. De noodzakelijke kosten van de gemeente bestaan uit de gebruikelijke kosten voor de planbegeleiding en het voeren van de procedure. Deze kosten worden gedekt uit de legesopbrengsten.

21

Bijlage 1, akoestisch onderzoek

22

23

Bijlage 2, Stikstof berekening

24

25

Bijlage 3, Watertoets

26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13975392/1