CConstaterende datHof van Twente
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Ruimtelijke Onderbouwing

Gemeenteraad 15 september 2026, gemeente Hof van TwenteBij agendapunt: 9: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het bouwen van een 4-onder-1-kap woning aan de Molenstraat 25 - 27 in Goor10.007 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

Oktober 2023 Status: Concept Ruimtelijke onderbouwing Molenstraat 25, Goor Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 1 Ruimtelijke onderbouwing Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Plannaam: Molenstraat 25, Goor Plantype: Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning Datum: Oktober 2023

Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 2 INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 3 1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................................... 3 1.2 LIGGING PROJECTGEBIED ............................................................................................................................... 3 1.3 HUIDIG PLANOLOGISCH REGIME ...................................................................................................................... 3 1.4 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 5 HOOFDSTUK 2 DE HUIDIGE EN GEWENSTE SITUATIE ................................................... 6 2.1 HUIDIGE SITUATIE PROJECTGEBIED EN OMGEVING............................................................................................... 6 2.2 DE GEWENSTE SITUATIE .................................................................................................................................

7 2.3 VERKEER EN PARKEREN ................................................................................................................................. 8 HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER ........................................................................... 10 3.1 RIJKSBELEID .............................................................................................................................................. 10 3.2 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 12 3.3 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................................................. 18 HOOFDSTUK 4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ................................................... 21 4.1 GELUID / PM............................................................................................................................................ 21 4.2 BODEM / PM ........................................................................................................................................... 21 4.3 LUCHTKWALITEIT .......................................................................................................................................

21 4.4 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 22 4.5 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 24 4.6 ECOLOGIE / PM ........................................................................................................................................ 26 4.7 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE / PM ...................................................................................................... 26 4.8 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE .............................................................................................................. 26 4.9 WATER .................................................................................................................................................... 27 HOOFDSTUK 5 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................................................. 29 HOOFDSTUK 6 VOOROVERLEG ........................................................................... 30 6.1 HET RIJK ..................................................................................................................................................

30 6.2 PROVINCIE OVERIJSSEL ............................................................................................................................... 30 6.3 WATERSCHAP VECHTSTROMEN .................................................................................................................... 30 6.4 ZIENSWIJZEN ............................................................................................................................................. 30 BIJLAGEN 31 Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 3 HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Vester B.V. (in het vervolg initiatiefnemer) wil aan de Molenstraat 25 te Goor een viertal rijwoningen realiseren. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een bestaand tankstation met bedrijfswoning en overige opstallen gesloopt. De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan “Goor”, waarin de gronden een bedrijfsbestemming hebben. In voorliggend geval kan van het bestemmingsplan worden afgeweken en medewerking worden verleend middels een omgevingsvergunning conform artikel 2.12, eerste lid onder a, sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). 1.2 Ligging projectgebied Het projectgebied ligt aan de rand van het centrumgebied van Goor.

In afbeelding 1.1 is met een blauwe pointer/rode omlijning de ligging van het projectgebied in Goor en de directe omgeving aangegeven. Afbeelding 1.1 Ligging van het projectgebied in Goor (Bron: PDOK) 1.3 Huidig planologisch regime 1.3.1 Algemeen Het projectgebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Goor” (vastgesteld 30 oktober 2018) van de gemeente Hof van Twente. Afbeelding 1.2 bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. Hierin is het projectgebied met de rode contour aangegeven.

Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 4 Afbeelding 1.2 Uitsnede geldend bestemmingsplan ‘’Goor’’ (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) 1.3.2 Beschrijving bestemming Op basis van het geldende bestemmingsplan “Goor” zijn de gronden binnen het projectgebied voorzien van de bestemming ‘Bedrijf met bijbehorend bouwvlak’. Daarnaast geldt er voor een gedeelte van het perceel een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ en een gedeelte van het perceel ‘Waarde – Archeologie 1’. Daarnaast is zijn de gronden voorzien van functie aanduiding ‘Verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg’ . ‘Bedrijf’ De voor ‘Bedrijf aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven en instellingen zoals vermeld in de categorieën 1, 2 van de bij deze regels behorende Bijlage 1 Staat van bedrijven. Daarnaast is gelet op de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen, zonder lpg’een verkooppunt voor motorbrandstoffen, zonder LPG toegestaan. Verder zijn de hierbij behorende wegen, paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, tuinen erven en terreinen mogelijk. ‘Waarde – Archeologie’ De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden.

Bij bodemingrepen groter dan 50 m2 of dieper dan 40 cm geldt een onderzoeksplicht. ‘Waarde – Archeologie 1’ De voor 'Waarde – Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de voorkomende archeologische waarden. Bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 of dieper dan 40 cm geldt een onderzoeksplicht. 1.3.3 Strijdigheid Het realiseren van meerdere woningen op gronden met de bestemming ‘Bedrijf’ is niet mogelijk , omdat de bouw- en gebruiksmogelijkheden hiervoor ontbreken. Om voorliggende ontwikkeling mogelijk te maken moet worden afgeweken van het bestemmingsplan. Dit kan door middel van een buitenplanse afwijking (art. 2.12 lid 1, sub a onder 3 Wabo).. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en er worden vier nieuwe woningen gerealiseerd. Er moet gemotiveerd worden dat de omgevingsvergunningsaanvraag voldoet a an een goede ruimtelijke ordening. Deze ruimtelijke onderbouwing voorziet daarin.

Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 5 1.4 Leeswijzer Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige en gewenste situatie van het projectgebied gegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid van het Rijk, de provincie Overijssel en de gemeente Hof van Twente beschreven. In hoofdstuk 4 passeren de relevante milieuaspecten en water kort de revue. In hoofdstuk 5 is de conclusie opgenomen. Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 6 HOOFDSTUK 2 DE HUIDIGE EN GEWENSTE SITUATIE 2.1 Huidige situatie projectgebied en omgeving De locatie ligt ten noorden van het centrum van Goor aan de Molenstraat. De locatie ligt in de bocht van de Molenstraat en D.J. Bunschotenstraat. Aan alle zijden wordt de locatie begrensd door woonfuncties. Achter de aangrenzende woningen ligt ten noordwesten van het projectgebied een bedrijventerrein . In de huidige situatie is er een tankstation met bijbehorende winkel, garage en woonhuis aanwezig. In afbeelding 2.1 en 2.2 wordt via een luchtfoto en straatbeeld de huidige situatie in beeld gebracht. Afbeelding 2.1 Luchtfoto ligging de Molenstraat 25 en de directe omgeving (Bron: PDOK)

Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 7 Afbeelding 2.2 Straatbeeldfoto Molenstraat 25 (Bron: Google Streetview) 2.2 De gewenste situatie Na de sloop van de bebouwing worden er een rij van vier eengezinswoningen gerealiseerd. De woningen bestaan uit twee bouwlagen met een kap. De woningen worden voorzien van een achtertuin met daarin een berging. Parkeren wordt grotendeels binnen het projectgebied geregeld, er worden 8 parkeerplaatsen toegevoegd. De desbetreffende parkeerplaatsen zijn aangegeven met ‘P’ op onderstaande inrichtingstekening. Tevens wordt er op de kruising D.J. Bunschotenstraat en Molenstraat in de openbare ruimte groen toegevoegd. In afbeelding 2.4 en 2.5 wordt het schetsontwerp voor de gewenste woningen weergegeven. Afbeelding 2.3 Inrichtingstekening gewenste situatie (Bron: Boomkamp Ontwerp en Realisatie)

Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 8 Afbeelding 2.4 Schetsontwerp Molenstraat 25, Goor (Bron: Boomkamp Ontwerp en Realisatie) Afbeelding 2.5 Schetsontwerp Molenstraat 25, Goor (Bron: Boomkamp Ontwerp en Realisatie) 2.3 Verkeer en parkeren 2.3.1 Algemeen Bij nieuwe ruimtelijk ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie die ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. De gemeente Hof van Twente heeft eigen parkeernormen vastgesteld. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie worden berekeningen uitgevoerd op basis van de publicatie ‘toekomstbestendig parkeren’, publicatie 381 van het CROW. Bij verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte wordt gerekend met een minimum en maximum, dit is de bandbreedte, hier is van het gemiddelde uitgegaan. Qua verstedelijkingsgraad en stedelijke zone worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 9 • Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk (gemeente Hof van Twente) (Bron: CBS Statline) • Stedelijke zone: rest bebouwde kom • Functie: koop, huis, tussen/hoek • Parkeernorm: gemiddeld 2 parkeerplaatsen per woning • Verkeersgeneratie: gemiddeld 7,4 verkeersbewegingen per woning per weekdagetmaal 2.3.2 Parkeren Het voornemen is mogelijk, indien wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Voor rijwoningen wordt op basis van de beleidsregels parkeernormen een parkeernorm van 2 per woningen gehanteerd. Voor vier woningen zijn er daarom afgerond 8 parkeerplaatsen benodigd. 2 langsparkeerplaatsen worden ten noorden van het perceel gerealiseerd, deze worden ontsloten op de D.J. Bunschotenstraat. 4 langsparkeerplaatsen worden gerealiseerd aan de oostzijde van het perceel en 1 parkeerplek wordt gerealiseerd op eigenterrein naast de zuidelijke hoekwoning, welke worden ontsloten op de Molenstraat. Verder wordt aan de overzijde van de Molenstraat 1 parkeerplek toegevoegd. Met in zijn totaliteit 8 toegevoegde parkeerplaatsen binnen het projectgebied kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte. 2.3.3 Verkeersgeneratie De vier rijwoningen binnen het projectgebied leveren een verkeersgeneratie van circa 29,6 per d ag op.

Dit betreft een afname van de feitelijke situatie (tankstation). Er zijn geen gegevens opgenomen wegens de verkeersgeneratie van tankstations in CROW 381, echter is een tankstation een verkeersaantrekkende functie, waardoor er naar verwachting sprake is van een afname. Het projectgebied wordt ontsloten op de Molenstraat en de D.J. Bunschotenstraat. De omliggende wegenstructuur is van voldoende omvang om deze relatief kleine hoeveelheid aan verkeersbewegingen op een vlotte en verkeersveilige manier af te wikkelen. Wat betreft verkeersgeneratie voorziet de voorgenomen ontwikkeling in geen belemmering. 2.3.4 Conclusie Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 10 HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt t ot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op n ationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld.

Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde.

Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 11 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belange n soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan i n het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

3.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) laat zich niet specifiek uit over lokale ontwikkelingen, zoals de ze. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen Rijksbelangen als opgenomen in de Nat ionale Omgevingsvisie. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR (voorloper NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigt en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en 'stedelijke ontwikkeling'.

In de Bro zijn in art ikel 1.1.1 definities opgenomen voor: • bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. • stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.1.2.1 Toetsing van het initiatief aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ Het al dan niet toenemen van het ruimtebeslag is een belangrijk criterium voor het aanmerken van een ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Indien er wel sprake is van een (geringe) toename van bouwmogelijkheden, dan is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is geen sprake van een toename van bebouwingsmogelijkheden.

De nieuwe ontwikkeling naar vier grondgebonden woningen betekent dat er in de toekomstige situatie min of meer eenzelfde hoeveelheid bebouwing op de locatie aanwezig is als nu mogelijk is op grond van de bedrijfsbestemming en het daarin opgenomen bouwvlak. Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 12 Met betrekking tot het realiseren van woningen zijn onder meer de uitspraken ABRvS 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3223, ABRvS 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2077 en ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921 van toepassing. Uit deze uitspraken blijkt dat het realiseren van respectievelijk 4, 7 en 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. In dit geval worden vier woningen toegevoegd. Geconcludeerd kan worden dat een verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk is. Het relevante ruimtelijke ordeningsbeleid op rijksniveau staat de ontwikkeling niet in de weg. 3.2 Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen betreft de Omgevingsvisie Overijssel en de daarbij behorende Omgevingsverordening Overijssel. 3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel.

De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden. Enkele belangrijke beleidskeuzes waarmee de provincie haar ambities wil realiseren zijn: • goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst door een passend en flexibel aanbod van woonmilieus (typen woningen en woonomgeving) die voorzien in de vraag (kwantitatief en kwalitatief); • versterken complementariteit van bruisende steden en vitaal platteland als ruimtelijke, cultureel, sociaal en economisch samenhangend geheel. Dit door behoud en versterking van leefbaarheid en diversiteit van het landelijk gebied, stedelijke netwerken versterken, behoud en versterken van cultureel erfgoed als drager van identiteit; • investeren in een hoofdinfrastructuur voor wegverkeer, trein, fiets en waarbij veiligheid en doorstroming centraal staan; • beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur door multifunctioneel en complementair ruimtegebruik (zowel- boven als ondergronds), hergebruik en herbestemming en het concentreren van ontwikkelingen rond bestaande infrastructuurknooppunten; • ruimtelijke plannen ontwikkelen aan de hand van gebiedskenmerken en keuzes voor duurzaamheid. 3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert.

Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie Overijssel. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. 3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan de provinciale ambities wordt gebruik gemaakt van het 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel'. In dit uitvoeringsmodel staan de stappen of, waar en hoe centraal.

Bij een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw, een nieuwe bedrijfslocatie, toeristisch-recreatieve voorzieningen, natuurontwikkeling, et cetera kun je aan de hand van deze drie stappen bepalen of een Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 13 initiatief binnen de geschetste visie voor Overijssel mogelijk is, waar het past en hoe h et uitgevoerd kan worden. De eerste stap, het bepalen van de of-vraag, lijkt in strijd met de wens zoveel mogelijk ruimte te willen geven aan nieuwe initiatieven. Met het faciliteren van initiatieven moet echter wel gekeken worden naar de (wettelijke) verantwoordelijkheden zoals veiligheid of gezondheid. Het uitvoeringsmodel maakt helder wat kan en wat niet kan. Om een goed evenwicht te vinden tussen het bieden van ruimte aan initiatieven en het waarborgen van publieke belangen, varieert de provinciale sturing: soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Afbeelding 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) Hierna worden de lagen nader toegelicht. 3.2.3.1 Of - generieke beleidskeuzes Maatschappelijke opgaven zijn leidend in ons handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie.

Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.

Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 14 3.2.3.2 Waar - ontwikkelingsperspectieven. Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. In de omgevingsvisie op de toekomst van Overijssel onderscheidt de provincie zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging t.a.v. functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van d e ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen. 3.2.3.3 Hoe - gebiedskenmerken.

Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden verstaan de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype. Voor alle gebiedstypen in Overijssel is in de Catalogus Gebiedskenmerken beschreven welke kwaliteiten e n kenmerken van provinciaal zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden. De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn da n ook in onze omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor lat en inspireren, maar dit hoeft niet.

3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld. 3.2.4.1 Generieke beleidskeuzes Bij de afwegingen in de eerste fase ‘Of – generieke beleidskeuzes’ zijn de artikelen 2.1.3 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik) en artikel 2.2.2 (realisatie nieuwe woningen) uit de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Hierna wordt nader op deze artikelen ingegaan. Artikel 2.1.3: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik Bestemmingsplannen of omgevingsvergunningen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt: • dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie; • dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut. Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 15 In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “groene omgeving” nader gedefinieerd als: de gronden die niet vallen onder bestaand bebouwd gebied.

In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip “bestaand bebouwd gebied” nader gedefinieerd als: de gronden binnen steden en dorpen die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel In dit geval is sprake van een stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand bebouwd gebied. Het projectgebied ligt namelijk binnen de bebouwde kom van Goor, op een locatie die reeds bebouwd is en op grond van het bestemmingsplan reeds in gebruik kan worden genomen voor stedelijke functies. Er is dan ook geen sprake van extra ruimtebeslag op de groene omgeving. Hiermee is sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. In verband hiermee is het voornemen in overeenstemming met artikel 2.1.3 uit de Omgevingsverordening Overijssel. Artikel 2.2.2: Realisatie nieuwe woningen (leden 1 & 2) Lid 1: Bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wabo, voorzien uitsluitend in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de behoefte daaraan is aangetoond door middel van actueel onderzoek woningbouw.

Lid 2: De behoefte aan nieuwe woningen zoals bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval geacht te zijn aangetoond als realisatie daarvan past binnen de geldende woonafspraken zoals die zijn gemaakt tussen gemeente en provincie op basis van regionale afstemming. Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel Voor de toetsing van de behoefte wordt verwezen naar het gemeentelijk beleid en met name paragraaf Woonvisie Hof van Twente 2021-2025. Hieruit volgt dat de realisatie van de vier woningen in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid. Geconcludeerd wordt dat dit project in overeenstemming is met artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel. 3.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven Het projectgebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief ‘Woon - en werklocaties binnen de stedelijke netwerken’. In afbeelding 3.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen. Hierin is het projectgebied indicatief aangegeven met de rode omlijning.

Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 16 Afbeelding 3.2 Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

Toetsing van het initiatief aan het ‘Ontwikkelingsperspectief’ Binnen het ontwikkelingsperspectief is er ruimte om te bouwen voor de lokale behoefte. Zoals zal worden omschreven in paragraaf Woonvisie Hof van Twente 2021-2025 voorziet de ontwikkeling in een lokale behoefte. Tevens worden de woningen op duurzame wijze gerealiseerd. Binnen het projectgebied is aandacht voor gronden, waardoor er meer ruimte is voor water om te infiltreren. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan klimaatadaptatie. De transformatie is passend in het straatbeeld en zorgt voor een duurzame vervolgfunctie van de gronden. Voorliggend initiatief past dan ook binnen het ontwikkelingsperspectief. 3.2.4.3 Gebiedskenmerken Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Bij voorliggend initiatief kunnen de natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap en laag van beleving buiten beschouwing worden gelaten, aangezien het projectgebied zich in stedelijk gebied bevindt. De oorspronkelijke kenmerken van de natuurlijke laag en de laag van het agrarisch cultuurlandschap zijn hier niet meer herkenbaar. Tevens gelden binnen of aangrenzend aan het projectgebied geen specifieke eigenschappen voor de laag van beleving.

Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 17 1. De “Stedelijke laag” De stedelijke laag is de laag van de steden, dorpen, verspreide bebouwing, wegen, spoorw egen en waterwegen. Het gaat in deze laag om de dynamiek van de steden en de grote infrastructurele verbindingen, maar ook om de rust van de dorpen en de landelijke wegen en paden. De ligging van een stad of dorp in het landschap, op een kruispunt van infr astructuur of in de nabijheid van grondstoffen speelt een belangrijke rol in het functioneren ervan. Efficiëntie en bereikbaarheid zijn belangrijke vestigingsfactoren, maar daarbij wordt de kwaliteit, eigenheid en het onderscheidend vermogen van de regio steeds belangrijker. De ontstaansgeschiedenis is medebepalend voor de huidige identiteit en terug te vinden in de ruimtelijke opbouw van de kernen, maar ook in de economische en sociale dynamiek. Daarnaast hebben door de tijd heen veranderende ideeën over de ideale vormgeving van de stad invloed gehad op de ruimtelijke opbouw. Cultuurhistorisch of architectonisch waardevolle gebouwen en structuren zijn hierbij vaak bepalend voor de stedelijke identiteit en de belevingswaarde voor bewoners en bezoekers. Zo is in Overijssel een rijk palet ontstaan aan onderscheidende steden en dorpen.

Elk met een eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteit. In afbeelding 3.3 is een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart (Stedelijke laag) opgenomen. Hierin is het projectgebied indicatief aangegeven met een rode omlijning. Afbeelding 3.3 Uitsnede gebiedskenmerkenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel) Bebouwingsschil 1900 - 1955 De bebouwingsschil 1900-1955 bestaat uit gemengde stadwijken en woonwijken direct aansluitend op de historische centra en binnensteden. Op sommige plaatsen liggen (voormalige) grootschalige fabriekscomplexen direct aansluitend aan woonwijken. Deze stadswijken kennen een gesloten, compacte vorm (bouwblokken) en zijn veelal opdeelbaar in wijken met eigen karakter. De wijken worden van elkaar gescheiden door doorgaande lanen, singels en stadsstraten. Kenmerkend in de bebouwing is de verwantschap in architectuurstijlen en aandacht voor architectonische details en verbijzondering van gebouwen op specifieke plekken als straathoeken. Als herstructurering, inbreiding en toevoeging van bebouwing plaats vinden in de individueel ontwikkelde stadswijken van de bebouwingsschil 1900 - 1955, dan dragen deze bij aan behoud, versterking en vernieuwing van de individuele bebouwing met een eigen karakter en uitstraling. Ontwikkelingen voegen zich in maat, schaal en ritme naar de omliggende bebouwing.

Als herstructurering etc. plaats vindt in de tuindorpen en

Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 18 fabriekswijken, dan voegt de vernieuwde/nieuwe bebouwing zich in de structuur van de bebouwde massa en groenstructuur, gericht op behoud van eenheid en eenduidigheid, met oog voor details. Verder wordt gestuurd op hergebruik/reanimatie van cultureel erfgoed. Toetsing van het initiatief aan de ‘Stedelijke laag’ De transformatie van het perceel sluit functioneel en stedenbouwkundig goed aan bij de ruimtelijke en functionele structuur van de omgeving. Er ontstaat een passend woonmilieu. Voor nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de beschrijving in hoofdstuk 2 van de toelichting. Het voornemen is daarmee in overeenstemming met de ‘Stedelijke laag’. 3.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat deze ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid. 3.3 Gemeentelijk beleid Het gemeentelijke beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op voorliggende ontwikkeling worden in dit hoofdstuk behandeld. 3.3.1 Toekomstvisie ‘Hof van Twente Zicht op 2030’ De gemeente Hof van Twente heeft in juni 2010 de toekomstvisie 'Hof van Twente, zicht op 2030' vastgesteld.

Het doel van deze toekomstvisie is het schetsen van de grote lijnen: wat kenmerkt de gemeente nu en straks. Globaal kan de gemeente Hof van Twente omschreven worden als een gemeente met meerdere kernen, die een eenheid in verscheidenheid vormt. De kernen zijn allen uniek en voor een groot deel zelfvoorzienend. Wonen, werken, voorzieningen, scholing, recreëren is vaak binnen de eigen of naburige kern mogelijk. Een landelijke trend is dat in de komende tientallen jaren de bevolking vergrijst en ontgroent. Om deze reden moeten er meerdere woningen gerealiseerd worden voor ouderen. Verder moeten er acties en maatregelen ondernomen worden om de gemeente weer aantrekkelijk te maken voor jongeren. Verder zal de gemeente zich richten op het verhogen van de kwaliteit van de nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad en het verhogen van het aandeel levensloopbestendige woningen. Herstructurering en n ieuwbouw zal samengaan met investeringen in duurzaamheid van woningen. De toekomstvisie geeft een mogelijk toekomstperspectief voor de gemeente, met vernieuwende ideeën en kansrijke oplossingsrichtingen. In deze visie zijn 20 streefbeelden opgenomen. Voor het projectgebied, is het streefbeeld 14 van belang: 'kwaliteit woningenbestand is hoog en divers, aansluitend op de markt/behoefte van inwoners maar toch betaalbaar gebleven.

Belangrijker in omvang dan uitbreiding zijn de plannen voor inbreiding in kernen en voor vernieuwing/verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. 3.3.1.1 Toetsing aan toekomstvisie ‘Hof van Twente Zicht op 2030’ De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van 4 grondgebonden woningen. De woningen vallen in het segment betaalbare huur en/of koop en zijn hiermee aantrekkelijk voor jongeren binnen de gemeente Hof van Twente. Tevens zullen de woningen duurzaam zijn in gebruik. Door deze herontwikkeling verdwijnt een bedrijfsbestemming aan de rand van het centrumgebied en wor dt voorzien in een woonbehoefte. Het project geeft invulling aan de doelstelling van de toekomstvisie. 3.3.2 Structuurvisie ‘Goor 2025’ Op 18 juni 2013 heeft de gemeenteraad van Hof van Twente de Structuurvisie Goor vastgesteld. In de structuurvisie geeft de gemeente een samenhangend beeld van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in Goor. De structuurvisie heeft betrekking op de bebouwde kom van Goor en de direct aanliggende zone van het Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 19 buitengebied, voor zover van belang voor de uitbreiding van functies van de kern. De tijdshorizon voor de structuurvisie is bepaald op circa 15 jaren (2025).

Op de visiekaart staan de ambities afgebeeld, onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied op deze kaart en de bijhorende ambitie-onderdelen. De ambities worden in de structuurvisie categorisch toegelicht. In de volgende subparagraaf wordt het project getoetst aan de ambities die gelden voor het projectgebied overeenkomstig de visiekaart. In afbeelding 3.4 is een uitsnede van de visiekaart weergegeven. Het projectgebied is hierop aangeduid met de rode omlijning. Afbeelding 3.4 Visiekaart Goor 2025 (Bron: gemeente Hof van Twente) 3.3.2.1 Toetsing aan ‘Structuurvisie Goor 2025’ Met oog op de ‘Structuurvisie Goor 2025’ ambieert gemeente Hof van Twente om binnen de ruimtelijk- functionele structuur van het projectgebied meer ruimte te bieden voor groen en wonen. In de huidige situatie bestaat het projectgebied volledig uit een bedrijfsbestemming met veel verharding. Binnen de herontwikkeling van de locatie is sprake van afname van verharding en toevoeging van groen, hiervoor wordt verwezen naar afbeelding 2.3. Daarnaast is er sprake van het toevoegen van woningen binnen de bebouwde kom van Goor, waarmee wordt voldaan aan het streven van de gemeente Hof van Twente om in te breiden nabij deze locatie. 3.3.3 Woonvisie Hof van Twente 2021-2025 In 2020 liep de Woonagenda Hof van Twente 2016-2020 af. In de afgelopen jaren is de woningmarkt behoorlijk veranderd.

Het woningaanbod neemt af, de woningprijzen nemen toe en er ligt een grote demografische opgave. Zodoende is er behoefte aan een helder kader voor sturing en regie. De ‘’Woonvisie Hof van Twente 2021-2025, een leefbare vitale gemeente met toekomst bestendige kernen’’, biedt dit k ader. De belangrijkste uitdaging is zorgen voor kwalitatief goede woningen voor iedereen op de juiste plek. Dit betekent dat er meer bijgebouwd moet worden, in de juiste segmenten. Terwijl het sociale huursegment stabiel lijkt te blijven, neemt de vraag naar koop en vrije sectorhuur toe. Ook ligt er een belangrijke uitdaging in het optimaliseren en verduurzamen van de huidige woningvoorraad. Zo zorgt de gemeente voor een woningmarkt met de juiste woning voor iedereen en behouden we de goede kwaliteiten in de Hof. De woonvisie vormt de basis voor de prestatieafspraken die worden gemaakt tussen de woningcorporatie, de huurders en de gemeente. De Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021 - 2025 is op 14 december 2021 vastgesteld. De woonvisie vormt de stip op de horizon voor wonen in de Hof en geeft aan waar de gemeente Hof van Twente zich met het woonbeleid de komende jaren op gaan richten. Het geeft de ambities aan en laat zien wat de belangrijkste opgaven zijn waar de gemeente de komende jaren voor staan.

Het f ormuleert de belangrijkste ambities om de woningmarkt te versterken: met passende woonruimte voor inwoners. De woonvisie geeft niet altijd kant en

Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 20 klare antwoorden op de opgaven die er liggen, maar geeft wel richting aan de manier waarop de gemeente de opgaven wil oppakken. 3.3.3.1 Toetsing Woonvisie Hof van Twente 2021-2025 Er is sprake van toenemende krapte op de woningmarkt in Hof van Twente. De afgelopen tien jaar zijn er weinig woningen gerealiseerd in de gemeente. De woningvraag is groot en de woning markt in Hof van Twente is krap. Tot en met 2030 is er in de gemeente een woningbehoefte van ongeveer 675 tot 730 woningen. Deze aantallen zijn niet in beton gegoten en vormen een leidraad voor de woningbouwplannen. De woningbehoefte in Hof van Twente is gebaseerd op de huishoudensprognose Primos2020 en houdt daarnaast rekening met een aanvullende woningvraag. Binnen de groei van de huishoudensgroei in de afgelopen jaren zien we dat Hof van Twente meer mensen aantrekt vanuit andere gemeenten dan het aantal waarmee in de prognose rekening wordt gehouden. Met de aanvullende woningvraag wordt hier rekening mee gehouden. Daarnaast wordt een latente lokale inhaalvraag geconstateerd: een deel van de woningbehoefte uit het verleden is nog niet gerealiseerd door de achterblijvende woningbouw binnen Hof van Twente. Onderhavig project heeft betrekking op de realisatie vier woningen.

Hiermee wordt de bestaande woningvoorraad van Goor en de gemeente Hof van Twente uitgebreid met 4 woning en en wordt ingespeeld op de verwachte bevolkingsgroei in de gemeente, daar te voorzien in de inhaalvraag naar woningen voor lokale behoefte. Geconcludeerd wordt dat het project in overeenstemming is met de Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025. 3.3.4 Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de gewenste ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid. Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 21 HOOFDSTUK 4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN Middels een buitenplanse afwijking (art. 2.12 lid 1, sub a onder 3 Wabo) kan worden afgeweken van het bestemmingsplan. De bestaande bebouwing wordt gesloot en er worden vier nieuwe woningen gerealiseerd. Er moet gemotiveerd worden dat de omgevingsvergunningsaanvraag voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wi jze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders.

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid dan ook zeer beknopt beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage en water. 4.1 Geluid / PM 4.2 Bodem / PM 4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder andere de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:  Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);  Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). 4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer.

Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor - en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 22 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Het Besluit gevoelige bestemmingen is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aa n weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast.

Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2 Situatie projectgebied Indien de voorgenomen ontwikkeling wordt vergeleken met de categorieën zoals benoemd in paragraaf 4.3.1.1, kan worden gesteld dat sprake is van een wezenlijk kleinschaligere ontwikkeling. V oorliggende ontwikkeling is dan ook aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief. 4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voo r de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid.

Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 23 beperken.

Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2 Situatie in en bij het projectgebied Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied en omgeving weergegeven. De ligging van het projectgebied is met rode ster weergegeven in afbeelding 4.1. Afbeelding 4.1 Uitsnede Risicokaart (Bron: Atlasleefomgeving.nl) Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

In dit geval bevindt zich rondom het projectgebied één transport buisleiding voor gevaarlijke stoffen, z oals waarneembaar in afbeelding 4.1. Het betreft hier een aardgasleiding N-557-50. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 100 meter. Het plangebied ligt op circa 238 meter afstand van de gasleiding af en valt daarmee ruimschoots buiten het groepsrisico-aandachtsgebied. Een berekening en nadere verantwoording van het groepsrisico is daarom niet nodig. 4.4.3 Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet - en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies 24 4.5 Milieuzonering 4.5.1 Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG -uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies.

De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De g rootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. Gebiedstypen In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden; ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Ge bieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor bijvoorbeeld geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. In dit geval zijn in de omgeving van het projectgebied uiteenlopende functies aanwezig. Dit betekent dat uitgegaan kan worden van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 1 10 m 0 m 2 30 m 10 m Omgevingsvergunning Molenstraat 25, Goor Ruimtelijke Onderbouwing 3.1 | 50 m | 30 m 3.2 | 100 m | 50 m 4.1 | 200 m | 100 m 4.2 | 300 m | 200 m 4.5.2 | Situatie projectgebied Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG | -uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.

Er wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe func | tie gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. | past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. | laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot | hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervind van bestaande functies in de omgeving. Ten noordoosten bevinden zich gronden welke bestemd zijn als ‘Bedrijventerrein’. Op de percelen aangrenzend het projectgebied mogen activiteiten plaatsvinden tot milieucategorie 2 zoals omschreven in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’. De grootste richtafstand voor activiteiten met milieucategorie 2 is 30 meter in een rustige woonwijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4303/documents/60623