Concept raadsbesluit - 1088237 - Verordening Wmo met wijzigingen in groen.pdf
Tekst van het document
Raadsbesluit Onderwerp
Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
Zaaknummer
1088237
Vergadering
1 juni 2026
De raad van de gemeente Hof van Twente; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, tweede en derde lid, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; overwegende - dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; - dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; - dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; - dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van de wet en het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking en - dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; besluit: vast te stellen de navolgende VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING HOF VAN TWENTE 2026.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
1
HOOFDSTUK 1
BEGRIPSBEPALINGEN
Artikel 1 Begripsbepalingen 1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen worden verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal bedoeld of gemaakt is voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie tot participatie of zelfredzaamheid en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; b. andere voorziening: een voorziening anders dan in het kader van de wet; c. beleidsregel: regels die het college vaststelt over de nadere uitwerking van deze verordening, zoals bedoeld in artikel 1:3 lid 4 Algemene wet bestuursrecht; d. bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; e. dagbesteding: structurele tijdbesteding met een welomschreven doel, gericht op zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of ontlasting van mantelzorgers; f. eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de cliënt om zelf en/of met personen uit het sociaal netwerk de nodige ondersteuning te realiseren; g. financiële tegemoetkoming: een forfaitaire tegemoetkoming in kosten van ondersteuning, die niet noodzakelijkerwijs volledig kostendekkend is; h.
gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de huisgenoten, tot wie gerekend worden, de partner, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten; i. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Het gaat het om het feitelijk woonadres; j. huisgenoot: meerderjarige personen met wie de cliënt een duurzame, gezamenlijke huishouding voert, k. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; l. ingezetene: cliënt die zijn of haar hoofdverblijf heeft in de gemeente Hof van Twente; m. maatwerkvervoer: een systeem van collectief taxivervoer; n. melding: verzoek als bedoeld in artikel 2.3.2. eerste lid van de wet, aan het college om onderzoek naar de hulpvraag; o. ondersteuning maatschappelijke participatie: dagbesteding als structurele tijdbesteding met een welomschreven doel, gericht op zelfredzaamheid en participatie van de cliënt en/of ontlasting van mantelzorgers; p.
niet-professional: een persoon uit het sociaal netwerk, een particulier persoon die niet beroepsmatig maatschappelijke ondersteuning verleent aan de cliënt dan wel een niet-natuurlijk persoon of zelfstandige zonder personeel die beroepsmatig werkzaam is op het terrein van maatschappelijke ondersteuning maar niet voldoet aan alle door het college gestelde kwaliteitseisen om als professional te worden beschouwd; q. begeleiding individueel: individuele begeleiding gericht op het versterken of behouden van zelfredzaamheid van de cliënt; r. ondersteuningsplan: de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 8 van de wet, eventueel aangevuld met een persoonlijk plan van de cliënt. Hierin zijn beschreven adviezen, verwijzingen, afspraken en beoogde resultaten die in samenspraak met de cliënt zijn gemaakt als ook eventuele in aanmerking komende voorzieningen;
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
2
s. persoonlijk plan: een plan dat cliënt opstelt en aangeeft, op basis van artikel 2.3.2, vierde lid onderdelen a tot en met e van de wet, welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; t. professional: een niet-natuurlijk persoon of zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de uit te voeren taken, werkzaamheden en diensten is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning en die voldoet aan kwaliteitseisen zoals die ook gelden voor door de gemeente gecontracteerde aanbieders. Voor personen die zijn aangemerkt als zelfstandige zonder personeel geldt ook dat zij de beschikking hebben over een verklaring omtrent gedrag en over relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; u. PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; v. PGB-budgetplan: een door de cliënt in te vullen format PGB-plan. Het college beoordeelt dit plan in verband met de aanspraak op een PGB. In het plan zijn in ieder geval opgenomen welke diensten of producten uit het PGB worden betaald, wat de kostprijs daarvan is en welke resultaten worden bereikt. Ook blijkt uit het budgetplan de kwaliteit van de hulpverlener en de kwaliteit van de dienstverlening. w.
ritbijdrage: bijdrage, vastgesteld door de Regio Twente, die in rekening wordt gebracht voor gebruik van het Maatwerkvervoer; x. sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, partner of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; y. uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; z. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; aa. zelfstandige woning: woning met een eigen toegang en eigen keuken, woonkamer, badkamer en toilet. 2. Begrippen die in deze Verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit en in de Algemene wet bestuursrecht.
HOOFDSTUK 2
MELDING EN ONDERZOEK
Artikel 2.1 Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding. 3. Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen en gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. 4. De hulpvraag die direct kan worden beantwoord en waarvoor geen nader onderzoek nodig is, wordt niet aangemerkt als melding. 5. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3. van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening. Dit in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
3
Artikel 2.2 Onderzoek 1. Het college verzamelt alle gegevens over de cliënt en zijn situatie die voor het onderzoek bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang en toegankelijk zijn. 2. Het college onderzoekt in een gesprek met de cliënt, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk de hulpvraag overeenkomstig artikel 2.3.2. lid 4, lid 5 en lid 6 van de wet. Indien aanwezig, betrekt het college het persoonlijk plan bij dit onderzoek. 3. Het college onderzoekt de melding voor ondersteuning conform het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep en legt haar bevindingen vast in het ondersteuningsplan. 4. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 5. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 6. Het college verzamelt alle gegevens over de cliënt en zo nodig over zijn huisgenoten die voor het onderzoek van belang zijn en verwerkt deze gegevens conform de AVG en UAVG. 7.
Als cliënt en de hulpvraag genoegzaam bekend zijn, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel 2.3 Ondersteuningsplan 1. Het college zorgt voor een schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2. Binnen zes weken na de melding verstrekt het college aan cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek in de vorm van een ondersteuningsplan, tenzij cliënt heeft ingestemd met verlenging van deze termijn. 3. Als de cliënt aangeeft daarop geen prijs te stellen, wordt het ondersteuningsplan, afwijkend van het vorige lid, niet verstrekt. 4. Het ondersteuningsplan is maximaal drie maanden geldig, mits na het opstellen van dit plan geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de feiten en omstandigheden, zoals die waren ten tijde van het onderzoek. Artikel 2.4 Volmacht Het college kan onderzoeksactiviteiten zoals bedoeld in dit hoofdstuk bij volmacht laten uitvoeren door andere organisaties.
HOOFDSTUK 3
DE AANVRAAG
Artikel 3.1 De aanvraag 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk of mondeling indienen bij het college. 2. Een door de cliënt ondertekend ondersteuningsplan waarin de wens van cliënt is opgenomen om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening, wordt aangemerkt als een schriftelijke aanvraag. 3. Het college beoordeelt of een mondelinge aanvraag mogelijk is.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
4
Artikel 3.2 Externe advisering 1. Het college is bevoegd om, als dit van belang is voor het onderzoek als bedoeld in artikel 2.2. van deze verordening of de beoordeling de aanvraag, de cliënt en, bij gebruikelijke hulp, diens relevante huisgenoten: a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; b. een door het college te bepalen plaats en tijdstip door één of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 2. Het college vraagt een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies als: a. aanvullende informatie nodig is om de aanvraag te kunnen beoordelen; b. de aanvraag om medische redenen wordt afgewezen; c. het college dat om andere redenen noodzakelijk vindt. 3. De cliënt en/of huisgenoot zijn verplicht aan het onderzoek van het college mee te werken en de door hem aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 4. Het college verzamelt alle gegevens over de cliënt en zo nodig over zijn huisgenoten die voor de aanvraag van belang zijn en verwerkt deze gegevens conform de AVG en UAVG. 5.
Als het in dit artikel bedoelde onderzoek niet kan plaatsvinden omdat de opgeroepen persoon door eigen nalatigheid niet voor het onderzoek is verschenen, verhaalt het college de door de adviseur in rekening gebrachte kosten op de cliënt. Artikel 3.3 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of deze als voorziening in natura, als PGB of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt. 2. De beschikking is in lijn met artikel 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke maatwerkvoorziening wordt verstrekt; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt en d. welke verplichtingen zijn verbonden aan het verstrekken van de voorziening. 4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke maatwerkvoorziening wordt verstrekt; b. voor welk resultaat het PGB moet worden aangewend; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het PGB; d. wat de hoogte van het PGB is en hoe hiertoe is gekomen; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het PGB is bedoeld; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het PGB en g.
welke verplichtingen zijn verbonden aan het verstrekken van het PGB. 5. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat de tegemoetkoming wordt aangewend; b. wat de hoogte van de tegemoetkoming is; c. wat de duur is van de verstrekking waarvoor de tegemoetkoming is bedoeld en d. de wijze van verantwoording van de besteding van de tegemoetkoming. 6. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in of bij de beschikking geïnformeerd.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
5
HOOFDSTUK 4
ALGEMENE VOORZIENINGEN
Artikel 4.1 Algemeen 1. Een algemene voorziening is ingericht voor alle ingezetenen van Hof van Twente of voor een specifieke doelgroep en is rechtstreeks toegankelijk zonder of op basis van een beperkte toegangsbeoordeling. 2. In Hof van Twente zijn de volgende algemene voorzieningen toegankelijk voor alle ingezetenen: a. Individuele cliëntondersteuning b. Algemeen maatschappelijk werk c. Algemene voorziening Wasverzorging 3. Het college geeft in een beleidsregel een nadere uitwerking aan de toegang tot en de inhoud en vorm van de in het vorige lid genoemde Algemene voorziening Wasverzorging. 4. Een algemene voorziening gaat voor op een maatwerkvoorziening. Artikel 4.2 Bijdrage in de kosten 1. Het college legt aan de cliënt een bijdrage in de kosten op voor gebruik van de algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning en algemeen maatschappelijk werk. De bijdrage is maximaal gelijk aan de kostprijs van die algemene voorziening. 2. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor de Algemene voorziening Wasverzorging a. komt voor de ingezetene die geen beperkingen ondervindt om de wasverzorging zelf uit te voeren, overeen met het commerciële tarief dat de aanbieder voor deze dienstverlening in rekening brengt. De ingezetene betaalt deze bijdrage aan de aanbieder. b.
bedraagt voor de ingezetene die vanwege beperkingen, psychische problemen of psychosociale problemen de wasverzorging niet zelf kan uitvoeren en ook geen beroep kan doen op gebruikelijke hulp van huisgenoten of andere oplossingen € 4,50 per waszak, te betalen aan de aanbieder. 3. Het college beoordeelt of de ingezetene in aanmerking komt voor de bijdrage in de kosten als bedoeld onder b. van het vorige lid. 4. De ingezetene als bedoeld onder a. van het tweede lid die voor het vervoer van wasgoed gebruik maakt van de vervoersmogelijkheid van het college, is voor dat vervoer een bijdrage verschuldigd van € 7,50 per keer dat een waszak wordt aangeboden. 5. De bijdrage per waszak en de bijdrage bedoeld in het vorige lid kunnen jaarlijks worden geïndexeerd met maximaal het percentage zoals vastgesteld in de prijsindex CPI Huishoudens van het CBS. Het college legt vanaf 2024 de geïndexeerde bedragen vast in het Besluit Maatschappelijke ondersteuning.
HOOFDSTUK 5
MAATWERKVOORZIENINGEN
Artikel 5.1 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college verstrekt slechts een maatwerkvoorziening als een cliënt beperkingen ondervindt in zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en deze niet zelf kan wegnemen of verminderen door gebruik te maken van: a. eigen kracht en/of b. gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp en/of c. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
6
2.
3.
4.
5. 6.
d. mantelzorg en/of e. hulp van andere personen uit het sociaal netwerk en/of f. algemene voorzieningen en/of g. andere voorzieningen of maatregelen. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van opvang en /of beschermd wonen als: a. de cliënt problemen heeft bij het zich handhaven in de samenleving; of b. de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld en c. voor zover de cliënt deze problemen niet kan wegnemen of verminderen door gebruik te maken van eigen kracht en/of gebruikelijke hulp en/of mantelzorg en/of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk en/of algemene voorzieningen en/of andere voorzieningen of maatregelen. Eigen kracht houdt ook in dat cliënt gebruik maakt van aanspraken die gemaakt kunnen worden op grond van andere wettelijke bepalingen en regelingen. Hieronder valt ook een mogelijke aanspraak op grond van een afgesloten aanvullende zorgverzekering. Onder gebruikelijke hulp als bedoeld in de wet wordt in ieder geval verstaan: a. het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken, b. het overnemen van of ondersteunen bij het voeren van de (financiële) administratie, c.
het bieden van ondersteuning bij activiteiten die naar het oordeel van het college naar algemene maatstaven tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren. Noodzakelijke hulp die het niveau van gebruikelijke hulp overstijgt, is bovengebruikelijke hulp. Bovengebruikelijke hulp wordt geacht ook te worden geboden door huisgenoten zonder dat een maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien a. zij in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, b. zij beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te bieden, c. het bieden van deze hulp niet leidt tot overbelasting en d. het bieden van deze hulp niet leidt tot andere (financiële) problemen.
Artikel 5.2 Voorwaarden en weigeringsgronden 1. Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie op te heffen of te verminderen; b. deze als de goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt; c. deze in overwegende mate op het individu is gericht. 2. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als: a. de cliënt niet voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 5.1 van deze Verordening en het eerste lid van dit artikel. b. de cliënt niet woonachtig is in de gemeente Hof van Twente. c. de voorziening ziet op ondersteuning buiten de eigen leefomgeving. d. het een voorziening betreft die de cliënt na de melding, maar vóórdat op de aanvraag een besluit is genomen, heeft gerealiseerd, geaccepteerd of gekocht, tenzij het college daarvoor schriftelijke toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld. e. het een voorziening betreft die de cliënt al voor de melding van de hulpvraag als bedoeld in artikel 2.1 van deze Verordening, heeft gerealiseerd, geaccepteerd of gekocht.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
7
f.
er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt in aanmerking komt voor een indicatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is. g. er geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan de behoefte van ondersteuning. h. de aanvraag betrekking heeft op een eerder verstrekte voorziening en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan een cliënt zijn toe te rekenen. i. deze voorziening vermijdbaar was geweest als de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande en bekende beperkingen. j. voor zover de gevraagde maatwerkvoorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. HOOFDSTUK 6
DAGBESTEDING EN BEGELEIDING INDIVIDUEEL
Artikel 6.1 Resultaten Dagbesteding 1. Dagbesteding is in ieder geval gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. aanbrengen van structuur; b. bieden van een zinvolle tijdinvulling; c. ontlasten van de persoon die gebruikelijke hulp of mantelzorg biedt als overbelasting dreigt; d. bevorderen van de maatschappelijke participatie. 2. Onder Dagbesteding valt ook het noodzakelijke vervoer naar en van de locatie waar deze voorziening wordt geboden. 3. Het in het vorige lid bedoelde vervoer is noodzakelijk als a. de cliënt niet in staat is zelfstandig lopend, dan wel met gebruik van een algemeen gebruikelijk hulpmiddel, het openbaar vervoer, eigen auto of met een vervoermiddel te reizen en b. de cliënt niet door anderen kan worden gebracht of begeleid. Artikel 6.2 Resultaten Begeleiding individueel Begeleiding individueel is in ieder geval gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. aanbrengen van structuur; b. gezond houden van zijn financiële situatie; c. regie kunnen voeren over het dagelijks leven; d. aangaan en behouden van sociale contacten en versterken van het sociaal netwerk; e. aanleren van vaardigheden ter bevordering van de sociale zelfredzaamheid; f. ontlasten van de persoon die gebruikelijke hulp of mantelzorg biedt als overbelasting dreigt. 1.
Ook personen uit de sociale omgeving van de cliënt kunnen in aanmerking komen voor de ondersteuning als genoemd in het eerste lid. In dat geval is de ondersteuning erop gericht hen in staat te stellen om met (de gevolgen van) de beperkingen van de cliënt om te kunnen gaan.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
8
Artikel 6.3 Resultaten Logeerzorg in een instelling 1. De ondersteuning Logeerzorg in een instelling is gericht op de volgende resultaten: a. voorkomen of verminderen van overbelasting van de mantelzorger en/of b. stimuleren om de cliënt zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen laten wonen. 2. Deze ondersteuning kan worden ingezet mits a. de cliënt langdurig is aangewezen op meer dan gebruikelijke hulp en b. de maatwerkvoorzieningen Dagbesteding en Begeleiding individueel niet voldoende een oplossing bieden en c. de cliënt en de mantelzorger geen aanspraak kunnen maken op de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg om de overbelasting te voorkomen. Artikel 6.4 Gebruikelijke hulp Bij het oordeel of gebruikelijke hulp kan worden gevergd, houdt het college – onverminderd de wettelijke definitie- in ieder geval rekening met: a. de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt, b. de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt, c. de leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen, d. de leerbaarheid van de cliënt en/of huisgenoten van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd en e. de omstandigheid dat een huisgenoot regelmatig niet langdurig aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Artikel 6.5 Niet langdurig noodzakelijk Afwijkend van het gestelde in artikel 5.2.
lid 1 onder a van deze Verordening kunnen de in dit hoofdstuk genoemde maatwerkvoorzieningen ook worden toegekend indien deze niet langdurig noodzakelijk zijn. Artikel 6.6 Nadere regels Het college kan in een beleidsregel nadere regels stellen over de vorm, inhoud en omvang van deze maatwerkvoorzieningen.
HOOFDSTUK 7
HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING
Artikel 7.1 Resultaten huishoudelijke ondersteuning 1. De ondersteuning bij de huishoudelijke ondersteuning is gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. wonen in een schoon en leefbaar huis b. beschikken over schone kleding; c. beschikken over de benodigde dagelijkse maaltijden; d. beschikken over de benodigde boodschappen; e. voeren van regie over het huishouden f. thuis kunnen zorgen voor de minderjarige kinderen. 2. Om de in het vorige lid genoemde resultaten te objectiveren, stelt het college in een beleidsregel vast wat de aard van de te verrichten activiteiten is alsmede de frequentie ervan en de benodigde tijdbesteding ervoor.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
9
Artikel 7.2 Criteria huishoudelijke ondersteuning 1. Wonen in een schoon en leefbaar huis heeft uitsluitend betrekking op ruimten in de woning die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning. 2. Uitgezonderd zijn in ieder geval de zorg voor dieren en planten, een kelder, berging, zolder, als ook de buitenzijde van de woning. 3. Bij het oordeel of en in hoeverre gebruikelijke hulp kan worden gevergd, houdt het college –onverminderd de wettelijke definitie- in ieder geval rekening met; a. de omvang van de ondersteuningsbehoefte, b. de leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen en c. de omstandigheid dat een huisgenoot regelmatig en langdurig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Artikel 7.3 Niet langdurig noodzakelijk Afwijkend van het gestelde in artikel 5.2. lid 1 onder a van deze Verordening kan de maatwerkvoorziening Huishoudelijke ondersteuning ook worden toegekend indien deze niet langdurig noodzakelijk is. Artikel 7.4 Nadere regels Het college kan in een beleidsregel nadere regels stellen over de vorm, inhoud en omvang van deze maatwerkvoorziening.
HOOFDSTUK 8
WOONVOORZIENINGEN
Artikel 8.1 Resultaat woonvoorziening 1. De woonvoorziening is erop gericht dat de cliënt normaal gebruik kan maken van de woning waarin hij zijn hoofdverblijf heeft. Dit geldt uitsluitend ten aanzien van de woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimten, berging en tuin of balkon. 2. Voor zover de cliënt kan verhuizen naar een geschikte woning of een goedkoper geschikt te maken woning en die verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat, wordt eerst deze mogelijkheid beoordeeld. Artikel 8.2 Criteria woonvoorziening 1. Een woonvoorziening wordt alleen toegekend als: a. sprake is van een zelfstandige woning. b. de aan te passen woning in de gemeente Hof van Twente staat. 2. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. in of aan Wlz-instellingen, hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en kamerbewoning. b. in of aan gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen, die specifiek gericht zijn op ouderen en mensen met beperkingen als die voorziening voor het betreffende gebouw als algemeen gebruikelijk is aan te merken. c. in woongebouwen, die tijdens recente nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen. 3. Een woonvoorziening wordt slechts toegekend als de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan of waarin de woonvoorziening wordt getroffen.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
10
4. Een woonvoorziening wordt geweigerd als: a. de noodzaak tot het treffen van de voorziening het gevolg is van een verhuizing, die niet noodzakelijk was vanwege belemmeringen in het normale gebruik van de woning als gevolg van beperkingen, en er geen andere belangrijke reden aanwezig was. b. de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen –op dat moment beschikbare- meest geschikte woning, tenzij het college daarvoor vooraf schriftelijk toestemming heeft gegeven. c. deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan: - verbreden van toegangsdeuren; - aanbrengen van elektrische deuropeners; - aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw (mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel), - aanbrengen van vlonders, - aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning; d. de cliënt verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden. e. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning het gevolg zijn van de aard van de in de woning gebruikte materialen of van de slechte staat van onderhoud. 5.
de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud of ook kan worden aangemerkt als renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld. 6. De bijdrage in kosten van verhuizing wordt ook geweigerd als de persoon met beperkingen voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar of vanuit een Wlz-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden. Artikel 8.3 Verstrekkingsvormen 1. Een bijdrage in kosten van verhuizing wordt uitsluitend als een financiële tegemoetkoming verstrekt. 2. Het college legt de hoogte van de financiële tegemoetkoming vast in een beleidsregel. 3. Voor alle overige woonvoorzieningen geldt dat deze hetzij in natura hetzij in de vorm van een PGB worden verstrekt. Artikel 8.4 Nadere regels Het college kan in een beleidsregel nadere regels stellen over de vorm, inhoud en omvang van deze maatwerkvoorzieningen.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
11
HOOFDSTUK 9 ONDERSTEUNING GERICHT OP HET VERVOER IN DE EIGEN LEEFOMGEVING Artikel 9.1 Resultaten vervoervoorziening 1. De vervoervoorziening is gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. kunnen bereiken van winkels; b. kunnen onderhouden van sociale contacten; c. deelnemen aan recreatieve of maatschappelijke activiteiten, al dan niet in de vorm van een algemene voorziening. 2. Om de resultaten als bedoeld in het vorige lid te bereiken, wordt vervoer mogelijk gemaakt tot 1.850 kilometer per kalenderjaar. 3. Bij de te verstrekken vervoervoorziening wordt uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de eigen leefomgeving in het kader van het leven van alledag. 4. Onder de eigen leefomgeving wordt een afstand tot 30 kilometer rondom de woning verstaan. 5. Het college kan in nadere regels vastleggen in welke situatie recht bestaat op meer of minder dan 1.850 kilometer per jaar. Artikel 9.2 Criteria vervoervoorziening 1. Beperkingen bij het verplaatsen in de eigen leefomgeving worden aanwezig geacht als de cliënt het openbaar vervoer niet kan bereiken of niet kan gebruiken. 2. Het college kan ter beoordeling hiervan nadere regels opstellen. Artikel 9.3 Gebruik van Maatwerkvervoer 1. De cliënt is voor het Maatwerkvervoer een ritbijdrage verschuldigd. 2. De hoogte van de ritbijdrage is gelijk aan het tarief van het openbaar vervoer. 3.
Een rit moet tijdig worden gereserveerd. Bij niet-tijdig reserveren is de cliënt een extra bijdrage van tenminste € 3,00 aan de vervoerder verschuldigd. Artikel 9.4 Gebruik van vervoermiddelen 1. Vervoermiddelen kunnen worden verstrekt aanvullend op het Maatwerkvervoer, mits wordt voldaan aan de door het college in een beleidsregel vastgelegde criteria. 2. Een vervoermiddel wordt alleen verstrekt als deze gestald en zo nodig opgeladen kan worden in een brandveilige, wind- en waterdichte stallingsruimte. Artikel 9.5 Verstrekkingsvormen 1. Een bijdrage in kosten van individueel gebruik van een taxi of eigen auto wordt uitsluitend als een financiële tegemoetkoming verstrekt. 2. Het college legt de hoogte van de financiële tegemoetkoming vast in een beleidsregel. 3. Voor hulpmiddelen geldt dat deze hetzij in natura hetzij in de vorm van een PGB worden verstrekt. Artikel 9.6 Nadere regels Het college kan in een beleidsregel nadere regels stellen over de vorm, inhoud en omvang van deze maatwerkvoorzieningen.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
12
HOOFDSTUK 10
ONDERSTEUNING GERICHT OP HET VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING
Artikel 10.1 Resultaat verplaatsen in en rond de woning Het te bereiken resultaat bestaat uit het in staat zijn de woonkamer, de slaapkamer(s), het toilet en badkamer, de berging en tuin of balkon te kunnen bereiken en er zich zodanig kunnen verplaatsen dat normaal functioneren mogelijk is. Ook het verplaatsen rondom de woning behoort tot dit resultaatsgebied. Artikel 10.2 Verstrekkingsvormen 1. Een bijdrage in kosten van een sportrolstoel wordt uitsluitend als een financiële tegemoetkoming verstrekt. 2. Het college legt de hoogte van de financiële tegemoetkoming vast in een beleidsregel. 3. Voor alle overige rolstoelvoorzieningen geldt dat deze hetzij in natura hetzij in de vorm van een PGB worden verstrekt. Artikel 10.3 Nadere regels Het college kan in een beleidsregel nadere regels stellen over de vorm, inhoud en omvang van deze maatwerkvoorzieningen.
HOOFDSTUK 11
PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB)
Artikel 11.1 Verplichtingen en criteria voor een PGB 1. Het college verstrekt een PGB met inachtneming van artikel 2.3.6. van de wet. 2. Aan het PGB zijn de volgende verplichtingen verbonden: a. de cliënt stelt een PGB-budgetplan op en levert dit ingevuld, ondertekend en voorzien van bewijsstukken aan bij het college. Het college kan aanvullende voorwaarden aan de inhoud van het PGB-plan stellen. b. het PGB mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk wordt geacht. c. het PGB moet binnen drie maanden na toekenning zijn aangewend voor inkoop of aanschaf van het resultaat waarvoor de toekenning heeft plaatsgevonden. In geval van een woonvoorziening kan van deze termijn worden afgeweken in overleg met het college. 3. Het PGB voor hulpmiddelen en woningaanpassingen wordt achteraf op declaratiebasis uitbetaald. 4. Een PGB voor dienstverlening mag uitsluitend worden besteed aan kosten van arbeidsloon van hulp of zorg en bijkomende kosten voor de zorgverlener, te weten werkgeverslasten, reiskostenvergoedingen voor woon-werkverkeer, verlofregelingen en een pensioenvoorziening dan wel de kosten van de Dagbesteding of Logeerzorg. 5. De cliënt aan wie een PGB voor dienstverlening is toegekend, sluit met de aanbieder een zorgovereenkomst zoals die wordt aangeboden door de Sociale Verzekeringsbank. 6.
Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde hulpmiddelen en diensten, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van persoonsgebonden budgetten.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
13
7. Een cliënt kan met een PGB diensten betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk mits de dienstverlener beschikt over de kwalificaties die volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria vereist zijn voor de dienstverlening en de dienstverlener niet overbelast raakt door het bieden van de ondersteuning. 8. Een PGB kan niet voor een andere maatwerkvoorziening worden besteed dan waarvoor het is toegekend. Artikel 11.2 Weigeringsgronden voor een PGB Het college weigert het PGB als a. de cliënt, al dan niet met hulp uit het sociaal netwerk of aangewezen vertegenwoordiger, niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen of niet in staat is de aan een PGB verbonden (opdrachtgevers- of werkgevers) taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Dit ter beoordeling van het college. b. de kwaliteit van de in te kopen hulpverlener niet voldoende gewaarborgd is. c. niet vaststaat dat de in te kopen ondersteuning als veilig, cliëntgericht en doeltreffend kan worden aangemerkt. d. het PGB wordt besteed aan een persoon die tot de leefeenheid van de cliënt behoort en de gebruikelijk hulp op zich moet nemen, maar daartoe niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. e. sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie zoals bedoel in artikel 2.3.3. van de wet. f.
de beoogde beheerder van het PGB dezelfde persoon of organisatie is als de hulpverlener. g. een voorziening slechts voor een korte periode passend is. h. de te verlenen ondersteuning naar verwachting korter zal duren dan 3 maanden. i. niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 2.3.6. van de wet. j. binnen 3 jaar, voorafgaand aan de aanvraag, toepassing is gegeven aan artikel 2.3.10 lid 1 onder a, d of e van de wet. Artikel 11.3 Geen besteding van het PGB Het PGB mag in ieder geval niet worden besteed aan a. kosten voor het voeren van een PGB-administratie of andere vormen van beheer van het PGB. b. kosten van bemiddeling. c. kosten van lidmaatschap Per Saldo of andere belangenverenigingen. d. kosten van cursussen over het PGB. e. de bijdrage in de kosten. f. ondersteuning buiten Nederland. Artikel 11.4 Vaststellen hoogte van het PGB 1. De hoogte van het PGB voor een woonvoorziening, rolstoel, vervoermiddel of ander hulpmiddel is beperkt tot de daadwerkelijke kosten en is gelijk aan maximaal de kostprijs van de goedkoopst compenserende voorziening zoals die kan worden aangeschaft bij een van de gecontracteerde leveranciers in natura. 2. De daadwerkelijke kosten van een woonvoorziening, rolstoel of vervoermiddel kunnen ook blijken uit een uit een door het college goedgekeurde kostenbegroting. 3.
Bij de vaststelling van de hoogte van het PGB voor dienstverlening Huishoudelijke ondersteuning, Dagbesteding, Begeleiding individueel en Logeerzorg wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. het tarief voor professionals en b. het tarief voor niet-professionals.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
14
4. Het tarief voor professionals wordt slechts geboden indien de hulpverlener voldoet aan de kwaliteitseisen die ook worden gesteld aan gecontracteerde aanbieders voor ondersteuning in natura. 5. Indien ondersteuning wordt geboden door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de cliënt of het sociaal netwerk, wordt het PGB altijd gebaseerd op het tarief voor niet-professionals. 6. Het PGB voor professionals als bedoeld onder lid 3 onder a bedraagt 90% van de kostprijs van de vergelijkbare voorziening in natura, tenzij op basis van het ingediende budgetplan passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief wordt ingekocht. 7. Indien het op basis van het vorige lid vastgestelde PGB in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de voorziening hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. 8. Het PGB voor niet-professionals als bedoeld onder lid 3 onder b wordt bij Huishoudelijke ondersteuning per Basismodule en tijdnormering vastgesteld. Voor aanvullende modules wordt het PGB per activiteit en tijdnormering vastgesteld.
De hoogte van het PGB is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan de hoogste periodiek voor de benodigde ondersteuning in de desbetreffende CAO, bedraagt bij de maatwerkvoorzieningen Huishoudelijke ondersteuning en Begeleiding individueel maximaal 110% van het wettelijke minimumuurloon, vermeerderd met de vakantiebijslag en de tegenwaarde van de verlofuren, tenzij een lager uurtarief is overeengekomen. 9. Het PGB voor niet-professionals als bedoeld onder lid 3 onderdeel b wordt bij de maatwerkvoorziening Begeleiding individueel bij het bestaan van een dienstbetrekking mede gebaseerd op de hoogste periodiek voor de benodigde ondersteuning in de desbetreffende CAO, vermeerderd met de vakantiebijslag en de tegenwaarde van de verlofuren, tenzij een lager uurtarief is overeengekomen.Indien de voorziening als bedoeld in het vorige lid wordt geboden bij het bestaan van een dienstbetrekking, wordt het budget verhoogd met de verschuldigde werkgeverslasten. 10. Bij ondersteuning geboden door bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad van de cliënt is nimmer sprake van een dienstbetrekking. 11. De in lid 8 en 9 bedoelde tarieven zijn all-in tarieven. Dat wil zeggen dat alle kosten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen(en) en reiskosten in dit tarief zijn opgenomen. 12.
Het PGB voor niet-professionals als bedoeld onder lid 3 onderdeel b bedraagt bij Dagbesteding 50% van de kostprijs van de vergelijkbare voorziening in natura, tenzij een lager tarief is overeengekomen. 13. Het PGB voor niet-professionals als bedoeld onder lid 3 onder b bedraagt bij Logeerzorg 50% van de kostprijs van de vergelijkbare voorziening in natura, tenzij een lager tarief is overeengekomen. 14. Het PGB voor eigen vervoer van de cliënt naar en van de locatie waar de Dagbesteding wordt geboden, is maximaal gelijk aan de kostprijs van de vergelijkbare voorziening in natura. wordt gebaseerd op de onbelaste kilometervergoeding zoals die door de Rijksoverheid is vastgesteld. Per dag is maximaal 1 retourrit mogelijk. 15. De hoogte van het PGB is in geen enkel geval hoger dan de kostprijs van de goedkoopst compenserende voorziening in natura. 16. Bij een PGB voor dienstverlening als bedoeld in het derde lid van dit artikel is een vast maandloon uitgesloten.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
15
17. Als dat noodzakelijk is, kan een PGB voor kosten van onderhoud, reparatie en verzekering van een hulpmiddel of woonvoorziening worden toegekend. De hoogte van dit PGB is gelijk aan de kostprijs en gemaximeerd tot de kosten van instandhouding zoals die zijn overeengekomen met de gecontracteerde leveranciers. Artikel 11.5 Nadere regels 1. Het college kan in een beleidsregel nadere regels stellen over de hoogte, vorm, inhoud, omvang en besteding van een PGB. 2. Het college kan in een beleidsregel nadere regels vastleggen over de wijze waarop de budgetvaardigheid van de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger wordt beoordeeld. 3. Het college kan in een beleidsregel nadere kwaliteitseisen stellen aan producten, hulpmiddelen en dienstverlening die met een PGB worden ingekocht.
HOOFDSTUK 12 BIJDRAGE IN DE KOSTEN VAN MAATWERKVOORZIENINGEN Artikel 12.1 Bijdrage in de kosten 1. De cliënt is een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening in natura of een PGB verschuldigd. 2. De bijdrage is verschuldigd zolang de cliënt recht heeft op gebruikt maakt van de maatwerkvoorziening of gedurende de periode waarvoor het PGB wordt verstrekt. 3. De bijdrage wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.1.4a van de wet en artikel 3.8. van het uitvoeringsbesluit zodat steeds de maximale bijdrage zoals de wetgever die vaststelt, wordt opgelegd. 4. Als een maatwerkvoorziening of PGB wordt toegekend voor een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt, is de bijdrage verschuldigd door: a. de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degenen tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen en b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 5. Zodra de minderjarige cliënt de leeftijd van 18 jaar bereikt, is deze vanaf dat moment zelf de bijdrage in de kosten verschuldigd voor de maatwerkvoorziening. 6. De bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en opvang wordt vastgesteld conform het uitvoeringsbesluit. 7. De bijdrage is in de kosten overstijgt de kostprijs van de voorziening niet. 8.
Afwijkend van het eerste lid wordt de bijdrage niet opgelegd a. voor gebruik van het Maatververvoer. Wel is voor het Maatwerkvervoer een ritbijdrage verschuldigd. b. als het gaat om een financiële tegemoetkoming. c. als sprake is van een situatie als bedoeld in hoofdstuk 3 van het uitvoeringsbesluit. 9. Het college is bevoegd nadere regels te stellen over de bijdrage. Artikel 12.2 Kostprijsberekening voor bijdrage in de kosten 1. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: a. de prijs waarvoor de gemeente de maatwerkvoorziening na aanbesteding afneemt van of aanschaft bij een gecontracteerde aanbieder, inclusief de bijkomende kosten en bedongen kortingen. b. op basis van een gespecificeerde kostenbegroting, goed te keuren door het college. 2. De kostprijs van een PGB is gelijk aan het bedrag van het PGB.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
16
3. De kostprijs van een algemene voorziening bedraagt nooit meer dan een kostendekkende bijdrage aan de aanbieder. Artikel 12.3
Vaststelling en inning van bijdrage voor maatschappelijke opvang De bijdrage in de kosten van maatschappelijke opvang worden vastgesteld en geïnd door de betreffende organisaties die de opvang bieden
HOOFDSTUK 13 HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING Artikel 13.1 Toezicht en handhaving Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. Artikel 13.2 1.
2.
3. 4.
5.
Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet herziet het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet en trekt het college deze beslissing in als het college vaststelt dat a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het PGB is aangewezen. c. de maatwerkvoorziening of het PGB niet meer toereikend is te achten. d. de cliënt niet (meer) voldoet aan de voorwaarden die aan de maatwerkvoorziening of het PGB zijn verbonden. e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het PGB niet of voor een ander doel gebruikt. Als het recht op een voorziening is ingetrokken, kan op basis van dat besluit een reeds uitbetaald PGB worden teruggevorderd met terugwerkende kracht tot uiterlijk de datum dat het recht is ingetrokken.
Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, vordert het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten PGB terug. Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening zonder formele opzegging van de bruikleenovereenkomst worden teruggehaald.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
17
HOOFDSTUK 14 KWALITEIT EN KLACHTEN Artikel 14.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt. b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning. c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2. Het college kan in nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een periodiek cliëntervarings-onderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 14.2 Verhouding prijs en kwaliteit van voorziening geleverd door derden 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs- kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met a.
kosten van de beroepskracht, waaronder de loonkosten en overige kosten van de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van de wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid en wettelijke verplichtingen en verbonden aan het leveren van de dienst; b. de aard en de omvang van de te verrichten taken; b. een redelijke toeslag voor overheadkosten; c. een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg en d. kosten van bijscholing van het personeel. 2. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitsverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs en de voorziening en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd. Artikel 14.3 Klachtregeling 1. Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2. Gecontracteerde aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van geleverde voorzieningen en diensten. 3.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen en aanbieders door periodiek overleggen met de aanbieders en een jaarlijkse cliënttevredenheidsonderzoek.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
18
Artikel 14.4
Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders. Artikel 14.5 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en bestrijden van geweld. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
HOOFDSTUK 15
MANTELZORGWAARDERING, INSPRAAK EN MEDEZEGGENSCHAP
Artikel 15.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat in ieder geval uit het organiseren van activiteiten op de dag van de mantelzorg. Artikel 15.2 Inspraak en medezeggenschap Het college betrekt de cliënten van de gemeente of hun vertegenwoordigers bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, op de wijze zoals bepaald in het in 2022 vastgestelde gemeentelijke participatiebeleid.
HOOFDSTUK 16 SLOTBEPALINGEN Artikel 16.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening en haar beleidsregel(s), indien toepassing ervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 16.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hof van Twente 2025 (vastgesteld op 21 januari 2025) wordt ingetrokken per 1 juli 2026. 2. Een cliënt houdt recht op een voorziening verstrekt op grond van de in het eerste lid genoemde Verordening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
19
3. Aanvragen die zijn ingediend onder de in het eerste lid genoemde Verordening en waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze Verordening, worden afgehandeld op grond van deze Verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de in het eerste lid genoemde Verordening wordt beslist met inachtneming van die Verordening. Artikel 16.3 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2026. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hof van Twente d.d. .
De raad van Hof van Twente, de griffier,
de voorzitter,
H.M. Meerman
drs. H.A.M. Nauta-van Moorsel MPM
Raadsbesluit | 1088237 | Verordening maatschappelijke ondersteuning Hof van Twente 2026
20