CConstaterende datHofvantwente
Koppel je AI →
Document · PDF

10. Bijlage 1 bij VNG met Nieuwe Modelhuisvestingsverordening en Wet versterking regie volkshuisvesting (1087968).pdf

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente HofvantwenteBij agendapunt: 5: Vaststellen adviezen ingekomen stukken30.123 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5 alinea's met “bijeenkomst”: 419 420 457 464 472

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

40

Instrumenten voor sturing op toeristische verhuur Een gemeente kan gebruik maken van drie instrumenten om sturing te geven aan toeristische verhuur: 1. Registratieplicht In de wet is bepaald dat de gemeente in de huisvestingsverordening een registratieverplichting kan opleggen aan verhuurders die hun woning verhuren aan toeristen (Huisvestingswet, artikel 23a). Dan dient de aanbieder eenmalig een registratienummer aan te vragen en daarbij zijn persoonsgegevens en het adres van de woonruimte – die hij voor toeristische verhuur in gebruik wil geven als dit een ander adres is dan zijn woonadres – te vermelden. Het registratienummer moet de verhuurder vermelden bij elke advertentie op platforms zoals Airbnb, Booking.com en Expedia of andere verhuurplatforms. Dit geeft gemeenten meer zicht op de adressen en personen die verhuren aan toeristen en daarmee een goede informatiepositie als basis voor bijvoorbeeld de handhaving van (brand)veiligheidseisen voor logies uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) of het innen van toeristenbelasting. Hierbij moet worden aangetekend dat de wet als doel heeft dat de gemeente maatregelen kan nemen met het oog op het behoud en de samenstelling van de woonruimtevoorraad of het behoud van de leefbaarheid in de woonomgeving; niet het innen van de toeristenbelasting. De eenmalige registratie is digitaal, laagdrempelig en kosteloos.

Wie zich registreert ontvangt een registratienummer. Er zijn geen voorwaarden verbonden aan het verkrijgen van het registratienummer dat elektronisch en direct wordt verstrekt. 2. Nachtencriterium Indien in de huisvestingsverordening een registratieplicht is opgenomen, kan daarnaast ook worden bepaald dat een woonruimte slechts een maximaal aantal nachten per jaar toeristisch verhuurd mag worden (nachtencriterium). Dit is om de druk op de woningmarkt te verminderen of de leefbaarheid te bevorderen (Huisvestingswet, artikel 23b). De gemeenteraad dient te onderbouwen waarom de inzet van dit instrument noodzakelijk is én waarom het maximum niet hoger kan. Indien een nachtencriterium is vastgesteld, dan kan in de huisvestingsverordening tevens worden bepaald dat de aanbieder iedere toeristische verhuring moet melden bij de gemeente (meldplicht). De gemeente kan dan gemakkelijker controleren of aan het gestelde nachtencriterium wordt voldaan. Het is ook mogelijk de registratieplicht te laten gelden voor de gehele gemeente en de meldplicht en het nachtencriterium uitsluitend voor bepaalde gebieden. In het geval van een B&B is de hoofdbewoner tijdens de verhuur aanwezig, waardoor de overlast voor de directe woonomgeving doorgaans heel beperkt blijft. Tevens oefent de uitbater deze activiteit vaak bedrijfsmatig uit.

Daarom is het niet redelijk hiervoor een beperking op te leggen inzake het aantal nachten dat er toeristen mogen verblijven in de B&B. Als de gemeente deze vorm van toeristische verhuur van woonruimte toch wil reguleren, ligt een vergunningplicht meer voor de hand. 3. Vergunningplicht Naast de registratie- en meldplicht en het nachtencriterium voorziet de wet tevens in de mogelijkheid om een vergunningplicht in te voeren (Huisvestingswet, artikel 23c). De vergunningplicht kan voor de gehele gemeente gelden, maar ook voor bepaalde gebieden. Hiermee kan, al dan niet onder voorwaarden, toeristische verhuur worden toegestaan en daarmee een balans tussen wonen en toeristische verhuur van woonruimte (in de aangewezen gebieden) worden verzekerd. Een vergunningplicht kan slechts worden ingesteld als in de huisvestingsverordening een registratieplicht is opgenomen (zie boven). Een vergunningplicht kan ook gepaard gaan met een nachtencriterium of een meldplicht per verhuring, of beide, maar dit hoeft niet. De inzet van elk instrument moet gemotiveerd worden door noodzakelijkheid, geschiktheid, en propor-tionaliteit serieus te onderbouwen. Wanneer hieraan wordt voldaan, kan de gemeente kiezen voor een gelijktijdige invoering van de verschillende instrumenten. Soms is het inzicht dat de registratieplicht biedt nodig om de inzet van de

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

41

verdergaande maatregelen te onderbouwen. In dat geval ligt een gefaseerde invoering voor de hand. Geen totaalverbod Iedereen die aan de voorwaarden voor het kunnen krijgen van een vergunning voldoet, komt in beginsel in aanmerking voor een vergunning voor onbepaalde tijd. Het toeristisch verhuren van (gedeelten van) woningen is een dienst die wordt beschermd door de Dienstenrichtlijn. Wel kan in de huisvestings-verordening, indien dat op basis van de lokale omstandigheden noodzakelijk is, een maximum worden gesteld aan het aantal vergunningen dat voor een bepaald gebied kan worden afgegeven: een quotum. Als daartoe wordt overgegaan, is het noodzakelijk dat een onderbouwing wordt gegeven waarom hier een maximum moet worden gesteld, en waarop de hoogte van dit maximum gebaseerd is. Onderbouwing noodzakelijkheid sturing op toeristische verhuur De aanleiding voor sturing op toeristische verhuur kan liggen in woningschaarste (inclusief verdringing van de doelgroepen) en/of effecten op de leefbaarheid. Belangrijk bij de onderbouwing van sturing op toeristische verhuur is dat voor elk in te zetten instrument (registratieplicht, nachtencriterium, vergunningplicht) de noodzakelijkheid, geschiktheid en proportionaliteit aangetoond moeten worden.

1. 2.

3.

4.

Onderbouwing noodzaak op basis van woningschaarste Voor de onderbouwing van het hanteren van regels inzake toeristische verhuur van woonruimte op basis schaarste moet aan de volgende vier onderwerpen aandacht worden besteed: De schaarste: is er daadwerkelijk meer vraag dan aanbod aan goedkope woonruimte? De onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste voor bepaalde doelgroepen: welke groepen op de woningmarkt hebben te maken met deze effecten van schaarste? Motivering inzet instrumenten: hier zal per gekozen instrument moeten worden beargumenteerd dat de instrumenten in deze situatie de juiste zijn om de onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen van schaarste tegen te gaan (opnieuw: noodzakelijkheid, geschiktheid en proportionaliteit). Inspanningen van de gemeente om de schaarste op te heffen: dit kan bijvoorbeeld door in beeld te brengen op welke wijze het woonbeleid in brede zin in de regio eraan bijdraagt de schaarste terug te dringen (woningbouwopgave, herstructurering, productieafspraken, voorraadafspraken, grond-beleid enzovoorts). Onderbouwing noodzaak op basis van effecten op de leefbaarheid Het aantonen van een causale relatie tussen wijzigingen in de woningvoorraad of toeristische verhuur en de ontwikkeling van de leefbaarheid van de woonomgeving is complex. Toch speelt deze relatie een belangrijke rol.

Is er een relatie tussen de leefbaarheid van de woonomgeving en een andere (meer intensieve) vorm van bewoning dan de reguliere? In veel gemeenten wordt aangenomen dat deze relatie er is en zijn er overlastmeldingen die dit onderbouwen. Die signalen zijn relevant en vragen in de meeste gevallen om ingrijpen. Of er altijd sprake is van een causale relatie, is echter de vraag. In veel gevallen is het ‘mechanisme’ onder de samenhang (nog) niet heel duidelijk in beeld. Sommige belanghebbenden grijpen dit aan om de door de gemeente gestelde regels te bestrijden. Dit is bepaald iets om rekening mee te houden wanneer de gemeente regels gaat stellen. Als belanghebbenden gaan twijfelen aan het verband tussen de regels voor hun vorm van toeristische verhuur en de overlast die daaruit zou voortvloeien volgens de gemeente, worden deze regels al snel als onrechtvaardig of buitenproportioneel gezien. Ook met het oog op de juridische houdbaarheid is dit een belangrijk thema. De trend in de jurisprudentie is dat de rechter kritisch toetst. Een louter kwalitatieve redeneerlijn is dan ook niet altijd voldoende. Er is een degelijke onderbouwing nodig, zoveel mogelijk gebaseerd op feiten en cijfers. In de onderbouwing kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van:

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

42

• leefbaarheidsrapportcijfers uit gemeentelijke enquêtes, leefbaarheids- en veiligheidsmonitors, wijk-analyses, sociale indexen, wijktoetsen of wijkfoto’s; • fricties met en overlast van buren op basis van gemeentelijke registraties van woonoverlast of meldingen bij politie van burengerucht of burenruzie; • leegstand; • registraties of meldingen van (illegale) verhuur (bijvoorbeeld ook door of van woningcorporaties en VvE’s); • registraties van toeristische verhuur (bijvoorbeeld inzichtelijk te maken door ‘scraping’ van de websites van de diverse verhuurplatforms) en vergelijking met overlastgegevens; • registraties en meldingen van afvalproblemen. Het gaat er steeds om, of er een aannemelijk verband is tussen het vóórkomen of erger worden van bepaalde problemen en bepaalde vormen van toeristische verhuur. Zulke verbanden kunnen ook aannemelijk worden door ervaringen in andere gemeenten. Meer informatie over de toeristische verhuur is te vinden in de ‘Handreiking toeristische verhuur van woon-ruimte, voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk’ van de VNG (2021).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

43

6 Het opstellen van de verordening Met het verplichte urgentie-onderdeel gaan veel gemeenten voor het eerst aan de slag tijdens het opstellen van een huisvestingsverordening. Dit betekent dat gemeenten in de regio intensief met elkaar in gesprek moeten over hoe deze regionale verordening eruit moet komen te zien. Maar ook andere relevante partijen zullen betrokken moeten worden, zoals woningcorporaties, zorgaanbieders, daklozen- en vrouwenopvang, Dienst justitiële inrichtingen, etc. Afhankelijk van welke onderdelen verder uitgewerkt worden, zal er ook afstemming plaats moeten vinden met bijvoorbeeld particuliere verhuurders en belangenorganisaties van woningeigenaren. Voor gemeenten die al over een huisvestingsverordening beschikken, lijkt het proces eenvoudiger, maar ook zij moeten kijken hoe zij hun verordening aangepast krijgen aan de laatste wetswijzigingen.

6.1

Het opstellen van een verordening voor urgenties Het proces dat nodig is om tot een huisvestingsverordening te komen (zowel qua lengte als aantal betrokken partijen) verschilt per onderdeel. Het uitwerken van het onderdeel urgenties (met inbegrip van de wettelijke verplichte categorieën) zal voor de gemeenten die tot nu toe geen huisvestingsverordening hebben het meest intensieve onderdeel worden. Het gaat namelijk om zeer diverse groepen, waarbij tal van verschillende organisaties een rol spelen in de huisvestingsopgave. Om daar overeenstemming in de aanpak in te vinden, kost de nodige voorbereidingstijd. Het gaat daarbij niet alleen over de afspraken tussen gemeenten en de verordeningsteksten, maar ook over processen rond uitstroom: wie doet wat? 1. Gezamenlijke start Gemeenten, woningcorporaties, huurdersorganisaties, provincie

2. Analyse van de opgaven maken Gesprekken met gemeenten, woningcorporaties, zorgorganisaties

Cijfers in beeld brengen (eerdere toewijzingen, wachtlijsten, etc.)

3. Hoe komen we tot fair share? Gesprekken tussen regiogemeenten

4. Gezamenlijke opdrachtomschrijving Gesprekken tussen gemeenten, woningcorporaties

5a. Uitwerken verordening urgenties Gesprekken tussen gemeenten, woningcorporaties

5b. Uitwerken verordening overige onderdelen?

6. De praktische organisatie Gemeenten, woningcorporaties, zorgorganisaties, sociale wijkteams Figuur 6.1: Stroomschema proces opstellen huisvestingsverordening voor urgenties

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

44

Stap 1: Een gezamenlijke start Nadat de provincie een keuze heeft gemaakt over de regio-indeling (zie paragraaf 3.2), kunnen de gemeenten in een regio aan de slag om tot een huisvestingsverordening voor het urgentiedeel te komen. Elke gemeente kan het voortouw nemen om een bijeenkomst te plannen; vaak is dat de centrum-gemeente. Het is belangrijk om aan het begin een gezamenlijk vertrekpunt te bepalen, zodat alle betrokken partijen weten wat er staat te gebeuren en hoe ze hierbij input kunnen leveren. Het is goed mogelijk dat betrokken partijen uiteenlopende ideeën hebben over hoe dit urgentieonderdeel uitgewerkt moet worden, dus het is alleen daarom al belangrijk om oog te hebben voor het creëren van draagvlak. Advies is om een brede bijeenkomst te houden waarvoor alle regiogemeenten, corporaties, provincie en huurdersorganisaties (ambtelijke en bestuurlijke vertegenwoordiging) uitgenodigd worden.

Enkele kern-vragen voor deze bijeenkomst zijn: hoe werken we aan de uitwerking van de urgentieverordening? Hoe zorgen we ervoor dat ieders inbreng tot z’n recht komt? Wat zeggen de Wet versterking regie volks-huisvesting en de Regeling versterking regie volkshuisvesting over de urgentieverordening? Wat kunnen we op voorhand leren hoe urgenties tot nu toe werden verleend? Wat gaat nu al goed, wat heeft aandacht nodig? Welke afspraken maken we met elkaar over het proces dat we gaan doorlopen? Stap 2: Een analyse van de opgaven maken Zeker bij een instrument waar veel verschillende opvattingen over de werkwijze kunnen ontstaan, is het belangrijk om met een cijfermatige basis te starten.

Hoe ziet de regionale opgave eruit? Hoe groot is elke urgentiegroep nu en wat zijn de verwachtingen voor de komende jaren (in ieder geval voor wat betreft de wettelijk verplichte categorieën en eventueel voor de aanvullende categorieën die de regio wil hanteren)? Wat zijn de ervaringen met betrekking tot de huisvestingsopgave van die verschillende categorieën? Vinden mensen ook via andere wegen woonruimte of is iedereen afhankelijk van urgenties? Wat is het aandeel van elke gemeente in de huisvesting van de verschillende aandachtsgroepen (zowel qua vraag als qua aanbod)? En hebben gemeenten voor een specifieke aandachtsgroep een rol? Aanvullend daarop is het goed om de huidige werkwijze in kaart te brengen. Welke afspraken golden tot op heden (bijvoorbeeld via een Weer Thuis convenant of prestatieafspraken)? Maar ook is het goed om per aandachtsgroep in beeld te brengen wie vanuit de gemeente bezig is met de huisvesting. Een voorbeeld is dat rond uitstroom uit detentie de gemeente een nazorgcoördinator heeft. Deze is vaak minder bekend bij de ‘wonen’-ambtenaren. Vervolgens verdient het aanbeveling om per aandachtsgroep met alle betrokkenen in gesprek te gaan om te zien hoe de samenwerking rond huisvesting idealiter ingericht moet zijn.

Dat kan in een groepsgesprek, maar in deze fase kan het ook wenselijk zijn om iedereen nog apart te spreken, zodat men vrijuit kan aangeven wat op dit moment goed of juist niet goed gaat. Hierbij is het goed om te spreken met alle deelnemende gemeenten (zowel de ambtenaar als wethouder), enkele woningcorporaties (waaronder een koepelorganisatie van regiocorporaties, als die er is), een gesprek met een koepelorganisatie (of vertegenwoordiging) van huurdersorganisaties in de regio en enkele gesprekken met zorgorganisaties die specifieke zorgdoelgroepen ondersteunen. Bovenal is het belangrijk om het gesprek in deze fase tot de feitelijke cijfers te houden en dus nog niet over de toekomstige verdeling van urgenten over de gemeenten te spreken. Stap 3: Hoe komen we tot een fair share? Vooruitlopend op de urgentieregeling zullen gemeenten onderling moeten afspreken hoe zij de huisvestingsopgave in onderlinge samenhang invullen. Dat wordt aangeduid als ‘fair-share-‘afspraken. De omvang van de urgentiegroepen, inclusief in- en uitstroom per gemeente kan daarbij als basis gebruikt worden voor het gesprek tussen regiogemeenten om tot een evenwichtige verdeling te komen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

45

Stel meerdere scenario’s op voor een fair-share-benadering Het vergt doorgaans wat overleg om tot een goede evenwichtige verdeling te komen. De belangen per gemeente zijn immers verschillend. Grotere gemeenten zien graag dat kleinere gemeenten een grotere rol nemen in de huisvestingsopgave van aandachtsgroepen, terwijl kleinere gemeenten er vaak op wijzen dat de grotere gemeenten over veel meer (woon- en zorg)voorzieningen beschikken en daardoor een logische huisvestingslocatie voor urgenten vormen. Bovendien hebben kleinere gemeenten vaak minder sociale huurwoningen, waardoor de urgente aandachtsgroepen zwaarder drukken op de schaarse vrijkomende sociale huurwoningen in een gemeente. Dat neemt niet weg dat iedere gemeente (dus ook de kleinere gemeenten) op basis van de Wet versterking regie volkshuisvesting een inspanningsverplichting heeft om haar sociale huurvoorraad kwantitatief op peil te brengen. Het helpt om eerst meerdere mogelijke scenario’s te schetsen van hoe de regiogemeenten tot een betere verdeling van de opgave kunnen komen. Meerdere verdeelsleutels kunnen daarbij worden overwogen: • Naar rato van het aantal inwoners. • Naar rato van het aantal sociale huurwoningen. • Op basis van de herkomst van aandachtsgroepen (voordat men in opvang of detentie terecht kwam).

• Specialisatie/voorzieningen per gemeente (iedere gemeente heeft een aantal urgente doelgroepen waarvoor zij de primaire huisvestingslocatie wordt). • Op basis van eerdere verdeelsleutels in bestaande samenwerkingsafspraken/convenanten (bijvoorbeeld een convenant voor de uitstroom van beschermd wonen/maatschappelijke opvang). Per scenario kunnen de effecten in beeld gebracht worden. Hoeveel urgenten worden in de gemeente gehuisvest? Welk deel van de vrijkomende sociale huurwoningen gaat naar een urgente kandidaat? Welke (leefbaarheids)effecten verwachten we per scenario; en kunnen we dat ook onderbouwen? Werk de afspraken uit in een gemeenschappelijk afsprakenkader van de regiogemeenten. Belangrijk is dat de afspraken eenvoudig en navolgbaar zijn. Daarbij is het ook nuttig om afspraken te voorzien van een escalatieladder: hoe gaan we ermee om als een gemeente niet kan voldoen aan de gemaakte afspraken? Het voorstel voor de faire share moet voor advies worden voorgelegd aan de provincie. De gemeenten moeten daarbij motiveren hoe men tot deze verdeling is gekomen. Vervolgens zal de verdeling in de huisvestingsverordening moeten worden opgenomen. Deze moet worden vastgesteld door alle gemeenteraden in de regio.

Hanteer een groeimodel Idealiter treedt de fair-share-afspraak in werking nadat gemeenten hierover een overeenkomst hebben gesloten en dit hebben verankerd in de urgentieregeling. De verwachting is dat de implementatie van de ultieme afspraken vaak tijd kost voordat kleinere regiogemeenten hun beoogde aandeel voor hun rekening kunnen nemen. Dit heeft onder meer te maken met de beschikbaarheid van zeer betaalbare woonruimte, die vaak meer voorhanden is in de grotere steden. Accepteer dat het tijd vraagt om de fair-shareuitgangspunten in de praktijk te brengen. Leg wel vast wat de fasering is richting volledige implementatie. Stap 4: Een gezamenlijke opdrachtomschrijving Op basis van de analyse en fair-share-afspraken uit de vorige stap is het zaak om nu tot een gezamenlijke opdrachtomschrijving te komen voor een gedragen urgentieverordening. Het is goed om dit vorm te geven via een bestuursopdracht, zodat alle betrokken partijen zich hier expliciet aan kunnen committeren (zeker de gemeenten vanuit hun verordenende bevoegdheid). In de opdrachtomschrijving kunnen de volgende zaken nader beschreven worden. • Welke partijen willen samenwerken aan de urgentieverordening. • Hoe zou de urgentieverordening idealiter ingevuld moeten worden. Met aandacht voor:

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

46

- Eenduidigheid in uitwerking lokaal of regionaal. Leg ook vast of aspecten lokaal verschillend ingevuld mogen zijn (vanwege bestuurlijke autonomie), of dat de uitvoering uniform moet zijn (vanwege efficiency, helderheid voor de woningzoekende, voorkomen shop-gedrag). - De formulering van urgentiegroepen, waarbij in elk geval de wettelijke definities gevolgd moeten worden. De gemeenten kunnen bepalen dat zij ruimere definities hanteren. Strakker mag niet. Ook gaat het om aanvullende urgentiecategorieën. - Per aandachtsgroep een richting voor wijze beoordeling urgenties: werken gemeenten vanuit eenduidige criteria, en hoe hebben betrokken zorg- en opvanginstellingen en/of via een urgentie-commissie hierop invloed. - Een voorstel hoe het principe fair share concreet wordt vertaald naar de gemeenten (zie voorgaande stap). - Uitgangspunten rond de wijze van woonruimteverdeling voor urgenten (directe bemiddeling of juist zelf zoeken met voorrang?). - Het zoekprofiel voor urgenten; voor welke type(n) woningen komen zij in aanmerking? - Uitgangspunten rond (maatschappelijke) begeleiding van woningzoekenden.

Wil je mensen via een omklapconstructie ondersteunen bij het hervinden van hun zelfredzaamheid? Bij wie doe je dit wel en waar niet? Daarbij is het belangrijk dat ook de ingekochte Wmo-diensten aansluiten bij dit uitgangspunt (contractering); - Uitgangspunten voor de financiering van de uitvoering, bijvoorbeeld aansluitend bij de fair-share-afspraken, naar rato van het aantal inwoners. Het gaat ook om verdeling van kosten tussen gemeenten en corporaties (die een deel van de uitvoering voor hun rekening nemen). Deze stap zal doorgaans intensief zijn. Er zijn immers veel verschillende belangen. Gemeenten die nu nog relatief weinig huisvesting bieden voor urgente doelgroepen moeten overtuigd worden om hun deel van de regionale verantwoordelijkheid te pakken. Corporaties hebben te maken met bestaande werkwijzen over de huisvesting van urgente doelgroepen die wellicht aangepast moeten worden. Zorg- en welzijnsorganisaties pleitten voor meer aanbod voor hun doelgroepen, terwijl huurdersorganisaties er ook voor waken dat er voldoende aanbod voor reguliere woningzoekenden overblijft. Stap 5: Het uitwerken van de artikelen en inspraakprocedure Als eenmaal overeenstemming bestaat over de principes waarop het urgentie-onderdeel in de huisvestingsverordening gebaseerd moet worden, kan de daadwerkelijke uitwerking van regels en voorwaarden plaatsvinden.

Een goede basis hiervoor is de modelverordening van de VNG. Die is er in twee soorten: één voor gemeenten die enkel kiezen voor het verplichte urgentiedeel van de verordening en één voor gemeenten die ook optionele onderdelen opnemen in hun huisvestingsverordening. Gemeenten kunnen zelf kijken welke aanvullingen deze basis nog nodig heeft, gelet op de eerdere opdrachtomschrijving. Als de huisvestingsverordening in concept gereed is, zal op basis van de lokale inspraakverordening gecheckt moeten worden of voor de vaststelling een inspraakprocedure gevolgd moet worden en of bij een adviesraad sociaal domein een zienswijze gevraagd wordt. Tot slot zijn gemeenten verplicht om een zienswijze te vragen bij de provincie. Dit geldt ook voor de eventuele optionele onderdelen die een gemeente of regio in haar verordening opneemt. Stap 6: De praktische organisatie Nu de inhoudelijke huisvestingsverordening staat, zijn gemeenten er nog niet. Nog meer dan bij de andere (optionele) onderdelen is voor de uitvoering van het onderdeel urgenties een gestroomlijnde organisatie nodig zodat het hele traject - van aanvraag tot toewijzing (of eventueel weigering en beroep) - soepel verloopt.

Dit vraagt samenwerking tussen wonen en sociaal domein, met de wijkteams (voor de opvolging na huisvesting en eventuele indicaties voor begeleiding), corporaties, welzijns- en zorginstellingen, reclassering, etc. Een goede organisatie hiervan is onontbeerlijk. Overigens moet gesprekspunt van de praktische organisatie vanaf het begin van het proces op tafel moeten komen. Dit kan bepalend zijn in de keuzes die je als gemeente of regio moet maken ten aanzien van de urgenties.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

47

Ook bij de inrichting van de organisatie neemt een werkgroep het voortouw. Het gaat dan vooral om mensen die bij de gemeenten, corporaties en zorgorganisaties bij de uitvoering van de huisvesting van urgentie doelgroepen betrokken zijn, aangevuld met een enkele beleidsmedewerker die betrokken is geweest bij het uitwerken van de huisvestingsverordening in de vorige stap. Bij het inrichten van de organisatie zijn de volgende aspecten van belang: • Urgentie-aanvraag (Wie vraagt aan? Waar? Welke informatie is daarbij nodig?). • Urgentiebeoordeling (Wie beoordeelt de aanvraag? Hoe organiseren we de beoordeling bij medische noodzaak? Wie draagt de kosten hiervan?). • Afgeven urgentiebeschikking (Is mandaat nodig? Wordt bij de beschikking aan de urgent woningzoekende een zoekprofiel gegeven (woningtype, buurt, mate en aard van begeleiding)? Wie draagt de kosten hiervan?). • Bemiddeling en woningtoewijzing (Welke stappen worden gezet om een urgent woningzoekende te helpen aan een huis? Wie doet dat? Wie draagt de kosten hiervan?). • Bezwaar en beroep (Waar kan een kandidaat bezwaar aantekenen tegen een beschikking? Is dit gemandateerd? Wie draagt de kosten hiervan?). • Gegevensuitwisseling tussen organisaties en ICT-systemen (Hoe is de privacy/AVG gewaarborgd? Ligt er een verklaring?).

• Monitoring en verantwoording (Welke gegevens moet je wettelijk verplicht bijhouden? Wie heeft deze gegevens ter beschikking? Hoe borg je adequate gegevensdeling? Wie rapporteert hierover?). Bij ieder onderdeel is het zaak om aan te geven wie aan zet is voor de uitvoering en wat dit qua capaciteit betekent voor de organisatie.

6.2

Het opstellen van een verordening voor de woonruimteverdeling Het opstellen van een verordening voor het onderdeel woonruimteverdeling is meestal eenvoudiger dan het onderdeel urgentie. De doelgroep waarvoor de regels worden opgesteld is homogener dan bij het urgentie-onderdeel waar tal van verschillende urgentiecategorieën gelden met vaak elk hun eigen specifieke kenmerken en (zorg- en welzijns)organisaties die betrokken moeten worden bij het opstellen (en soms ook uitvoeren) van de verordening. Bij de woonruimteverdeling heeft de gemeente vooral te maken met de woningcorporaties en eventueel de particuliere verhuurders. Dat neemt niet weg dat er nog diverse aandachtspunten zijn om rekening mee te houden.

1. Is sturing noodzakelijk? Vraag te beantwoorden door Gemeente

Nee

Alleen onderdeel urgenties in verordening uitwerken

Ja 2. Regionale of lokale verordening

Lokaal

Regionaal 3. Uitwerken verordening Gesprekken tussen regiogemeenten, woningcorporaties, evt. met overige verhuurders

Bijpraten van bestuurders en gemeenteraad

3. Uitwerken verordening Gesprekken met woningcorporatie(s), evt. met overige verhuurder(s)

4. Vaststellen huisvestingsverordening Figuur 6.2: Stroomschema proces opstellen huisvestingsverordening voor woonruimteverdeling

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

48

Stap 1: Is sturing op woonruimteverdeling noodzakelijk? De eerste keuze waarvoor een gemeente wordt gesteld is de vraag of er aanleiding is om te sturen op de woonruimteverdeling. Zijn er doelgroepen op de woningmarkt die extra geholpen moeten worden om kans te maken op een sociale huurwoning of middeldure huurwoning? Heeft de woningzoekende behoefte aan meer transparantie bij de wijze waarop sociale huurwoningen worden aangeboden? Is er behoefte aan meer eenduidige regels waar alle verhuurders in een gemeente of regio zich aan moeten houden? Als het antwoord hierop ‘ja’ is, lijkt er aanleiding om het onderdeel ‘woonruimteverdeling’ uit te werken in een huisvestingsverordening. Uiteraard zal een gemeente eerst nog de noodzaak moeten aantonen op basis van woningschaarste (zie paragraaf 4.5). Stap 2: Keuze voor een lokale of regionale verordening De volgende stap is om te bepalen of een gemeente individueel een lokale huisvestingsverordening gaat opstellen of met de woningmarktregio (conform Huisvestingswet) samen één regionale huisvestingsverordening gaat opstellen.

Beide opties zijn mogelijk, maar de laatste jaren wordt het steeds gebruikelijker om in de basis een regionale huisvestingsverordening voor de woonruimteverdeling op te stellen: • Vrijwel alle gemeenten zijn onderdeel van een regionaal overleg (zowel ambtelijk als bestuurlijk) waar woningmarktthema’s besproken worden en waar regelmatig het thema woningtoewijzing aan de orde komt. Het is dan vaak een logische vervolgstap om eerst gezamenlijk te verkennen om een huisvestingsverordening op te stellen. Dit vergt immers minder capaciteit van de gemeenten zelf (het werk van het opstellen van een verordening kan onder elkaar verdeeld worden). • Eén gezamenlijke regionale huisvestingsverordening leidt tot meer transparantie voor de woningzoekende. In de hele regio gaan dan (nagenoeg) dezelfde regels gelden. • Iedere regio wordt nu verplicht om het onderdeel urgenties gezamenlijk op te stellen. Dat vergt op dit punt hoe dan ook eenduidigheid tussen alle verordeningen in de regio. Een urgentie in de ene gemeente moet namelijk verzilverd kunnen worden in de andere gemeente. • Vervolgens maakt dit de stap kleiner om ook andere onderdelen in deze regionale huisvestingsverordening uit te werken. • Het is vaak mogelijk om - tot op zekere hoogte - artikelen toe te voegen die alleen voor één gemeente gelden in een voor de rest regionale huisvestingsverordening.

Er zijn ook gemeenten die tot dusverre kiezen voor een lokale huisvestingsverordening. Hierbij spelen vaak een of meerdere van de volgende argumenten: • De lokale woningmarkt wijkt sterk af van de omliggende regiogemeenten (andere voorrangsregels die door de corporatie gehanteerd worden, ander aanbodsysteem, etc.), waardoor een eigen huisvestingsverordening die hier volledig rekening mee kan houden beter past. • Betrokkenen (gemeente, corporaties en/of huurders) vermoeden dat aansluiting bij een regionale huisvestingsverordening leidt tot een (te) sterke instroom van woningzoekenden van buiten de gemeente waardoor de druk op de sociale huursector onevenredig toe zal nemen. Zoals gezegd is het bij de urgentieverlening en verdeling van wettelijke urgentiecategorieën niet langer mogelijk om een geheel eigen lokale koers te varen in de huisvestingsverordening. Wat de overige onderdelen betreft verdient het aanbeveling om als gemeente eerst goed onderzoek te doen naar de eventuele effecten van aansluiting bij een regionale huisvestingsverordening (en woonruimteverdeelsysteem). Vaak bieden regionale huisvestingsverordeningen de nodige ruimte om (tot op zekere hoogte) lokaal aanvullende regels te stellen.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

49

Regionaal vastgestelde verordening versus regionaal uniforme verordening: Er zijn feitelijk twee smaken bij een regionale huisvestingsverordening • Regionaal vastgestelde verordening. Binnen de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) is het mogelijk om de bevoegdheid van de raad centraal te mandateren. In dat geval is er een regioraad die de regionale huisvestingsverordening zal vaststellen. Daarmee ontstaat er een huisvestingsverordening die in elke gemeente van de regio hetzelfde is. Keerzijde is dat er geen ruimte is om in specifieke situaties op enkele punten af te wijken. • Regionaal uniforme verordening. Bij deze variant werken de ambtelijke organisaties binnen de regio gezamenlijk een regionale huisvestingsverordening uit, maar de verordening zal door iedere lokale gemeenteraad vastgesteld worden. Daarmee bestaat het risico dat er op lokaal niveau toch afwijkingen in de regionale verordening ontstaan. Als de uitvoering van de verordening centraal wordt georganiseerd, kan dat tot praktische uitvoeringsknelpunten leiden.

Gedurende het proces: bestuurders informeren Eens in de zoveel tijd worden bestuurders van de aangesloten gemeenten geïnformeerd over de voortgang. Dit is ook van belang om op bestuurlijk niveau draagvlak te krijgen voor bepaalde regionale keuzes die gemaakt worden. Dit overleg kan ook gebruikt worden om het belang en de voordelen van een regionale huisvestingsverordening aan de lokale bestuurders duidelijk te maken. Meestal sluiten hier zowel wethouders als directeurbestuurders van de actieve woningcorporaties bij aan. Stap 3: Gesprek over de inhoud Hierna kan het gesprek over de inhoud van de huisvestingsverordening beginnen. Vaak zijn meerdere werksessies met betrokken partijen een vereiste, zeker als veel verschillende onderwerpen in de huisvestingsverordening moeten worden opgenomen. Bij een regionale verordening is het belangrijk om de regiogemeenten hierbij aan te laten sluiten. Als een regio bestaat uit een beperkt aantal gemeenten (tot ongeveer 10 gemeenten), kunnen deze sessies over de inhoud met alle gemeenten gezamenlijk gevoerd worden. Bestaat een regio uit meer gemeenten, dan wordt er een specifiek overleg met enkele gemeenten ingericht om het gesprek overzichtelijk te houden. In grote lijnen zijn de volgende zaken bij de gesprekken van belang: • Een kleine werkgroep bereidt de bijeenkomsten voor (bestaande uit medewerkers van enkele gemeenten).

Welke onderwerpen staan op de agenda? Welke onderdelen willen we zeker als regio uitwerken? Welke onderdelen liggen minder voor de hand? • De voorzet vanuit de werkgroep wordt besproken in een breder overleg met de aangesloten gemeenten. In de basis gaat het om een ambtelijke werkgroep, vaak beleidsmedewerkers wonen en beleidsmedewerkers sociaal domein. Suggesties vanuit dit overleg worden verwerkt door de werkgroep. Op deze wijze bouwt zich langzaam maar zeker een regionale modelverordening op. • Vaak neemt een vertegenwoordiging van de actieve corporaties in de regio deel aan deze werksessies. • Het is te overwegen om een vertegenwoordiger van het (digitale) platform dat de voorwaarden moet verwerken in het systeem aan te laten haken bij overlegmomenten (bijvoorbeeld om te kijken of de besproken regels en voorwaarden uitvoerbaar zijn en welke kosten die met zich meebrengen).

In gesprek met particuliere verhuurders Als de gemeente/regio het middeldure huursegment vergunningplichtig wil maken, is het aan te bevelen om op dit moment in het proces een overleg te voeren met lokale particuliere verhuurders of een koepelorganisatie van particuliere en institutionele beleggers om te kijken wat de wensen voor sturing zijn vanuit gemeente of regio en

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

50

hoe dit praktisch ingevuld kan worden in de huisvestingsverordening. Dit overleg kan ook benut worden om te bespreken of en zo ja welke voorrangsregelingen van toegevoegde waarde kunnen zijn (niet alleen gericht op het middenhuursegment, maar bijvoorbeeld ook om doorstroming van sociale huur naar middenhuur te stimuleren).

Er zijn enkele inhoudelijke punten die in vrijwel elke regio op tafel moeten komen omdat de mening van de betrokkenen gemeenten en corporaties hierover sterk kan verschillen: • In hoeverre geeft de regionale verordening ruimte aan lokale voorrangsregels voor mensen met maatschappelijke en/of economische binding? Vaak leeft er op lokaal niveau een sterke wens om hierop te sturen. Maar als elke gemeente sterk inzet op voorrang voor lokale woningzoekenden, valt het draagvlak voor een regionale huisvestingsverordening weg. • Als de stap wordt gezet om tot uniforme regionale spelregels voor de woonruimteverdeling te komen, zal dat zeer waarschijnlijk ertoe leiden dat in meerdere gemeenten veranderingen op gaan treden in de wijze waarop sociale huurwoningen worden aangeboden en toegewezen. Bijvoorbeeld als een groter aandeel van de sociale huurwoningen op basis van loting, in plaats van via opgebouwde inschrijftijd, wordt toegewezen. Gemeenten en woningcorporaties moeten daarom goed kijken naar een overgangsperiode, zodat opgebouwde rechten van woningzoekenden tot op zekere hoogte blijven bestaan. Gedurende het proces: raad informeren Uiteindelijk zal de huisvestingsverordening in de gemeenteraden vastgesteld moeten worden.

De gemeenteraad zal bij de besluitvorming in de eerste plaats kijken of de belangen van de lokale woningzoekenden goed verwerkt zijn in de huisvestingsverordening. Het risico bestaat dat er in de besluitvormingsfase druk wordt uitgeoefend op aanvullende lokale bepalingen in de huisvestingsverordening op te nemen. Om dit risico te beperken, helpt het vaak om tijdens het proces een gezamenlijke bijeenkomst voor alle raadsleden in de regio te organiseren. Daarin kan een toelichting worden gegeven over nut en noodzaak van een regionale huisvestingsverordening. Bovendien kan in zo’n sessie ook de noodzaak van eventuele lokale voorrangsregelingen worden toegelicht. Voegt zo’n voorrangsregel iets toe of wordt nu al meer dan 50% aan lokale woningzoekenden toegewezen? Waarom is het belangrijk dat er ook voldoende kansen zijn voor woningzoekenden elders uit de regio? Wat zijn de extra kosten (qua ambtelijke capaciteit) voor het uitvoeren van een voorrangsregel? Om raadsleden in de regio te informeren kan een fysieke bijeenkomst centraal in de regio gehouden worden. Om de opkomst te verhogen, kan een digitale bijpraatsessie helpen.

Tussentijds informeren van huurdersorganisaties Naast bestuurders en raadsleden zijn er ook diverse andere partijen die tussentijds bijgepraat moeten worden over de vorderingen. In de eerste plaats gaat het daarbij om huurdersorganisaties. Hun achterban krijgt immers direct te maken met de gevolgen van de huisvestingsverordening. Hierbij is het goed om van te voren de exacte rol van de huurdersorganisaties in het proces met elkaar te bepalen. Volstaat het om hen te informeren over de voortgang of krijgen ze ook de mogelijkheid om actief mee te denken over de invulling van de huisvestingsverordening? Meerdere opties zijn mogelijk.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

51

6.3

Het opstellen van een verordening voor woonruimtevoorraadbeheer, opkoopbescherming, toeristische verhuur

Het uitwerken van een huisvestingsverordening voor een of meerdere onderdelen ten aanzien van woonruimtevoorraadbeheer is doorgaans wat overzichtelijker dan het proces rondom urgenties of woonruimteverdeling. De omvang en verschijningsvorm van zaken als woningvorming, woningomzetting of toeristische verhuur verschillen sterk per gemeente. Het ligt daarom vaak voor de hand om deze onderdelen (als dat wenselijk en noodzakelijk is) op lokaal niveau uit te werken. Dat kan in een lokale huisvestingsverordening, maar het is ook mogelijk om een regionale huisvestingsverordening uit te breiden met een of meerdere onderdelen die alleen in één (of enkele) gemeente(n) in de regio gelden. De eerste stap voor het uitwerken van deze onderdelen is om de noodzaak aan te tonen (op basis van woningschaarste en/of leefbaarheid (zie paragraaf 5.4, 5.5, 5.6). Als die onderbouwing er daadwerkelijk is, zal een gemeente tot een interne werkgroep moeten komen om voorwaarden uit te werken. Hierbij zijn meerdere expertises wenselijk: beleidsmedewerker wonen, juridische expertise, medewerker ruimtelijke ordening, een vertegenwoordiging vanuit handhaving en toezicht, een of meerdere vergunningverleners binnen de gemeente.

Meerdere aspecten moeten hierbij worden besproken: • Welke vormen van woonruimtevoorraadbeheer worden vergunningsplichtig en waarom? • Welk werkingsgebied gaat daarbij gelden (Tot welk prijsniveau? Welke wijken/buurten/ kernen? Welke woningtypen?). • Willen we extra uitzonderingscategorieën hanteren naast eventueel wettelijk verplichte uitzonderingscategorieën, zoals bij de opkoopbescherming? • Welke voorwaarden gaan we stellen om in aanmerking te komen van een vergunning? • Wie beoordeelt vergunningsaanvragen en eventuele bezwaarschriften? • Hoe richten we handhaving en toezicht op woonruimte voorraadbeheer in (check op naleving voorwaarden, eventuele illegale verschijningsvormen, hoogte van bestuurlijke boetes)? Gesprek met betrokken partijen Op dit moment komt het regelmatig voor dat gemeenten de voorwaarden ten aanzien van woonruimtevoorraadbeheer zelfstandig opstellen. De afstemming met betrokkenen, zoals belangenorganisaties, makelaars, notarissen is vaak beperkt tot een publicatie van een voorstel tot aanpassing van de huisvestingsverordening. Betrokkenen kunnen dan nog wel inspreken, bijvoorbeeld bij de raadsbehandeling, maar hun betrokkenheid is dan relatief laat in het proces.

Het verdient aanbeveling om, als de eerste contouren van een mogelijke aanvulling van de huisvestingsverordening op dit vlak bekend zijn, een bijeenkomst te organiseren met enkele lokale betrokkenen die hoogstwaarschijnlijk te maken krijgen met de voorwaarden (makelaars, notarissen, enkele grote projectontwikkelaars). Daarmee kunnen zij suggesties aandragen voor verdere verbetering van de voorgestelde regels en worden zij ook bijgepraat over praktische zaken waar zij in de uitvoering mee te maken krijgen. Bijvoorbeeld ten aanzien van het informeren van potentiële kopers van een woning over mogelijke vergunningsvereisten.

6.4

Communicatie

Een huisvestingsverordening heeft grote impact op verschillende betrokken partijen op de lokale en regionale woningmarkt: woningcorporaties, particuliere verhuurders, zorginstellingen, woningeigenaren, makelaars, ontwikkelaars en zeker voor (urgent) woningzoekenden. Het is daarom belangrijk om iedereen tijdig te informeren over wat er op stapel staat bij de inwerkingtreding van de huisvestingsverordening. • Gedurende het opstellen van een huisvestingsverordening moeten de betrokken gemeenten in de regio periodiek op de hoogte worden gesteld van de vorderingen. Hetzelfde geldt voor de woning-corporaties. Dit is met name van belang als het uitwerken van de huisvestingsverordening door een kleine werkgroep (bestaande uit een afvaardiging

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

52

van de regiogemeenten) wordt gedaan. Het voorlichten van andere gemeenten en corporaties kan via een digitale nieuwsbrief, vaak in combinatie met een of meerdere digitale voorlichtingssessies. • Als de huisvestingsverordening klaar is voor behandeling in de raad zal er een persbericht uitgaan, zodat inwoners en andere betrokkenen op de hoogte zijn van wanneer het voorstel wordt besproken. Dat stelt hen ook in de gelegenheid om te kunnen spreken bij de raadsvergadering. • Nadat de huisvestingsverordening is vastgesteld, zullen betrokkenen op de hoogte moeten worden gesteld van de nieuwe regels. - Toelichting op de website van de gemeente. Daarnaast moet helder zijn voor mensen die een vergunning bij de gemeente aanvragen (bijvoorbeeld voor woningvorming, woningomzetting, opkopen, toeristische verhuur) waar ze dat kunnen doen en welke informatie zij moeten aanleveren. - Toelichting op de websites van de betrokken woningcorporaties en digitale platforms waar huurwoningen worden aangeboden. Hierbij moet rekening worden gehouden dat een deel van de woningzoekenden analfabeet is, de Nederlandse taal niet goed machtig is, of een zintuigelijke beperking heeft. Voor hen zal op een andere wijze de toelichting beschikbaar moeten zijn. Daarnaast is het voor iedereen gewenst om de toelichting in begrijpelijke taal te formuleren.

Zo heeft de gemeente Amsterdam een publieksversie van haar huisvestingsverordening gemaakt. - Fysieke informatiebijeenkomsten, bijvoorbeeld voor huurdersorganisaties en/of zorginstellingen, met name als het om grote wijzigingen in de huisvestingsverordening gaat. - Training voor medewerkers van gemeenten, woningcorporaties en zorginstellingen. Dit is van belang om te zorgen dat in iedere gemeente en bij iedere corporatie een aanvraag voor urgentie of huisvestingsvergunning op uniforme wijze wordt beoordeeld.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

53

7 Uitvoering van de verordening Als een huisvestingsverordening is opgesteld is een belangrijke basis gelegd. Of een huisvestingsverordening en de daarin opgenomen voorwaarden goed functioneert, hangt uiteraard af van de uitvoering. Bij de werkprocessen vanuit de verordening kijken we naar de organisatie die het uitvoert en stappen in het proces, van aanvraag tot woningtoewijzing.

7.1

Organisatie van woonruimteverdeling

Wie voert uit De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van de verordening. Taken als het geven van urgentieverklaringen, mensen toelaten als woningzoekende en het verstrekken van huisvestingsvergunningen zijn formele besluiten die de gemeente moet nemen. Hiertegen is ook bezwaarmogelijkheid. Veel van deze werkzaamheden raken sterk aan de werkzaamheden die verhuurders uitvoeren rond verhuur van woningen, met systemen van woonruimteverdeling, volgordebepaling en woningtoewijzing. Er zijn weinig gemeenten die volledig de huisvestingsverordening zelf uitvoeren. Vanwege de samenhang met de verhuurprocessen met corporaties kiezen veel gemeenten en corporaties de samenwerking rond de uitvoering van de verordening. Daarbij voert de corporatie ook delen uit van de verordening die de bevoegdheid zijn van de gemeente. Daarvoor moet er dan wel een mandaatbesluit liggen. De corporaties voeren dan de woonruimteverdeling volledig uit, met inachtneming van de vastgelegde regels in de huisvestingsverordening. Een alternatief is dat gemeenten een deel van de werkzaamheden zelf uitvoeren, samen met andere gemeenten of door een externe organisatie (bijvoorbeeld WoningNet, Enserve) laten uitvoeren. In het laatste geval dragen zij hun mandaat voor werkzaamheden over aan een andere (centrum)gemeente of gemeenschappelijke regeling. Dit gebeurt bijvoorbeeld veel rond de urgentiebeoordeling.

De organisatie van woonruimteverdeling behelst de volgende werkzaamheden: • Kunnen inschrijven als woningzoekende. • Bijhouden van een register (automatiseringssysteem) van woningzoekenden. • Aanvraag van urgenties. • Beoordeling van urgentieaanvragen en beschikking van urgentie. • Publicatie vrijkomende sociale huurwoningen. • Reactiemogelijkheden op vrijkomende woningen (via zoeksysteem of bemiddeling naar een woning). • Rangorde-, passendheidsbepaling en beoordeling (regionale/lokale) binding bij woningtoewijzing. • Daadwerkelijke toewijzing van de woning en afgifte huisvestingsvergunning. • Begeleiden bezwaar- en beroepsprocedures. • Monitoring en verantwoording van zoeken en toewijzen. Rond al deze punten is het belangrijk vast te stellen wie wat uitvoert en waar formele verantwoordelijkheden (dan wel mandaat) noodzakelijk is.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

54

Samenhang met uitstroom BW en MO Naast de organisatie van de uitvoering van woonruimteverdeling en het verhuurproces is er een groeiende samenhang met de samenwerking die er is vanuit het sociaal domein rond uitstroom uit Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang. In die samenwerking maken gemeenten, zorginstellingen en corporaties afspraken over uitstroom. Die afspraken raken direct de werkzaamheden vanuit de huisvestingsverordening. Samenwerking tussen de woonruimteverdeelorganisatie en de Weer-Thuisorganisatie is dan ook cruciaal voor een vlotte doorloop in de keten van uitstroom. Met de verplichte urgentieregeling binnen de huisvestingsverordening is deze samenwerking nog belangrijker, omdat de uitstromers uit Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang een deel van de verplichte urgentiecategorieën woningzoekenden zijn.

7.2

Het aanvragen van urgentie Wie dient een aanvraag in? Als er mogelijk sprake is van een urgentiesituatie, zal er eerst een aanvraag ingediend moeten worden. De woningzoekende dient in beginsel zelf hiervoor een aanvraag in. In veel gevallen, met name bij de zorggerelateerde urgentiecategorieën, zal een betrokken zorginstantie dit samen met of namens de woningzoekende doen. Vaak gaat het dan om de organisatie waar de cliënt op dat moment woont (in een beschermde woonomgeving). In alle gevallen moet helder zijn welke informatie iemand moet aanleveren, zodat de beoordelende instantie (vaak de urgentiecommissie) kan toetsen of de betreffende persoon inderdaad in aanmerking komt voor urgentie13. Verstrekken van achtergrondgegevens en privacywetgeving Als er een instantie betrokken is bij de beoordeling van een urgentie-aanvraag is het conform de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) voor de gemeente voldoende dat men weet dat de persoon behoort tot een van de groepen die wordt genoemd in het wetsvoorstel. Verdere gegevensverwerking dient ook beperkt te blijven tot dat aspect. De gemeente hoeft dus geen gegevens te verwerken met exacte medische achtergronden of justitiële gegevens die hebben geleid tot een veroordeling. In de urgentieverklaring die gemeenten afgeven mogen geen bijzondere- en strafrechtelijke persoonsgegevens worden opgenomen.

Dit is ook niet noodzakelijk voor het verstrekken van de urgentieverklaring. Conform de AVG mag in de urgentieverklaring in de basis niet worden vermeld in welke urgentiecategorie de woningzoekende is ingedeeld. Gemeenten kunnen immers volstaan met een urgentieverklaring die beperkt is tot een zoekgebied en een zoekprofiel. Dit bemoeilijkt de dienstverlening van woningcorporaties richting huurders, woningzoekenden en omwonenden. Zij moeten immers enerzijds urgent woningzoekenden helpen aan passende huisvesting en anderzijds hebben zij een taak om bij te dragen aan de leefbaarheid in wijken. Als niet duidelijk is tot welke urgentiecategorie een woningzoekende behoort, kan dat ertoe leiden dat een beoogde woning niet past bij de kwetsbare achtergrond van de persoon. Dat kan tot gevolg hebben dat iemand zich onvoldoende kan redden in de zelfstandige woonsituatie, waardoor overlastsituaties kunnen ontstaan. Ten slotte is het niet noodzakelijk dat de gemeente aan de verhuurder bijzondere persoonsgegevens en strafrechtelijke gegevens verstrekt. Als de gemeente een urgentieverklaring verstrekt is dat voor de verhuurder voldoende om de betrokkene met voorrang te huisvesten.

13

Bij de doelgroep chronisch zieken is er vaak niet één zorgorganisatie betrokken die het medisch dossier van de persoon opbouwt. Deze mensen zullen bij andere instanties de onderbouwing van de aanvraag moeten opvragen of laten uitwerken (bijvoorbeeld bij de GGD).

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

55

Er is inmiddels wetgeving in de maak14 waardoor gemeenten (gezondheids)gegevens mogen verwerken en delen met woningcorporaties. Hierdoor kunnen woningcorporaties geschikte woningen aanbieden aan woningzoekenden die dringend behoefte hebben aan een specifieke woonruimte. Het wetsvoorstel beperkt het recht op privacy van bewoners en woningzoekenden. Om te zorgen dat deze beperking proportioneel blijft, zijn verschillende waarborgen opgenomen in het wetsvoorstel. Zo wordt expliciet vermeld welke organisaties persoonsgegevens mogen verwerken en voor welke doeleinden. Dit biedt enerzijds transparantie over de verwerking en anderzijds een beperking van de persoonsgegevens die mogen worden verwerkt. Ook de notificatieplicht richting bewoners wiens gegevens worden gedeeld bevordert transparantie. Daarnaast is vastgelegd dat woningcorporaties gegevens die zij van zorgverleners ontvangen niet mogen gebruiken om een huurovereenkomst te beëindigen. Beoordeling van de urgenties De bevoegdheid tot het verlenen van urgentie ligt bij het college van burgemeester en wethouders (artikel 13 van de Huisvestingswet 2014). Het college van burgemeester en wethouders kan mandaat verlenen om woningzoekenden in urgentiecategorieën in te delen (artikel 13 van de Huisvestingswet 2014).

In de memorie van toelichting bij de indiening van de Huisvestingswet 2014 is opgenomen dat zowel aan ambtenaren als aan niet-ambtenaren kan worden gemandateerd. Bij die laatste groep valt te denken aan een in te stellen urgentiecommissie. Ook kunnen gemeenten ervoor kiezen om een woningcorporatie of een private partij (bijvoorbeeld het Vierde Huis) mandaat te verlenen voor de verlening van urgentie. De partij aan wie mandaat is verleend, moet zich aan de gemeentelijke verordening houden. De urgentiecommissie In veel regio’s wordt gewerkt met een urgentiecommissie die de aanvragen toetst. Soms is er sprake van één regionale urgentiecommissie. Dit heeft als voordeel dat zij op uniforme wijze alle aanvragen beoordeelt. Er zijn ook gemeenten die een eigen lokale urgentiecommissie hebben. Bij de werving van commissieleden is onafhankelijkheid een veelvoorkomende voorwaarde. Beoogde commissieleden mogen geen (recent) dienstverband hebben bij een van de deelnemende gemeenten of woningcorporaties om eventuele belangenverstrengeling te voorkomen. De afgelopen jaren is het aantal urgentieaanvragen landelijk toegenomen. Steeds meer mensen met een zorgvraag moeten zo lang mogelijk zelfstandig wonen. Daarmee wordt het steeds belangrijker om specialistische kennis te hebben over de kwetsbaarheid en zorgvraag van mensen.

Zeker voor de meer medisch urgenten wordt daarom steeds vaker medisch advies gevraagd. Een gespecialiseerd bureau (bijvoorbeeld GGD, een sociaal wijkteam) geeft op basis van de aangeleverde stukken een advies over het al dan niet verlenen van urgentie. Vaak hoeft de urgentiecommissie dan alleen nog het formele besluit te geven. Daarnaast worden organisaties ingeschakeld die kunnen bemiddelen tussen gemeenten, woningcorporaties en zorginstellingen om de uitstroom van cliënten naar een beschermde woonomgeving te versoepelen. Verkrijgen van een woning met urgentie Urgente kandidaten kunnen op twee manieren in aanmerking komen voor een woning. De eerste manier is dat een kandidaat zelf zoekt naar een passende woning. Na reactie wordt bepaald of hij voor de betreffende woning in aanmerking komt. De urgente kandidaat gaat dan voor op andere woningzoekenden die reageren op de woning. Voorrang voor urgenten

14

Wetsvoorstel in verband met expliciete grondslagen voor woningcorporaties voor (bijzondere) persoonsgegevens.

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

56

is met name geschikt voor urgenten die ook in die urgente positie goed in staat zijn om zelf te zoeken naar een woning. Voorrang kan ook helpen om de druk op de personele capaciteit te beperken, zeker als een gemeente of corporatie te maken heeft met veel urgenten. De voorrang geldt voor de duur van de urgentietermijn (vaak zes maanden). Als die termijn is afgelopen zonder dat er een woning is gevonden, zal de situatie opnieuw tegen het licht moeten worden gehouden (wordt de urgentietermijn verlengd of niet?). Een tweede manier is directe bemiddeling van de urgent woningzoekende. In dat geval gaat de woningcorporatie met de urgent woningzoekende in gesprek om te zien welke woning het meest passend is. De corporatie zoekt dan (in afstemming met de kandidaat) naar een passende woning. Deze woningen worden doorgaans niet aangeboden via het reguliere aanbodsysteem. De gezochte woning moet de urgent woningzoekende in beginsel accepteren. Voordeel van deze methode van bemiddeling is dat je beter kan werken aan de opbouw van complexen en een passende woonplek voor de kandidaat. Ook is de tijdsduur van het zoeken naar een woning doorgaans wat korter en woningzoekenden met beperkte digitale vaardigheid of een verstandelijke en/of zintuigelijke beperking krijgen op deze manier ondersteuning bij het vinden van een woning.

Nadeel is dat de kandidaat afhankelijk is van de aangeboden woning. Argumentatie hierbij is dat beperking van aanbod te motiveren is op basis van het privilege dat je als urgente kandidaat absoluut voorrang krijgt. Vormgeven bezwaar en beroep Een toenemende druk op de woningmarkt en meer (zorg)doelgroepen die langer zelfstandig moeten wonen leiden niet alleen tot meer urgentie-aanvragen, maar ook tot meer afwijzingen. Veel mensen doen terecht een aanvraag voor urgentie, maar een deel probeert hiermee ten onrechte de kans op woonruimte te vergroten. Het gevolg van meer afwijzingen is ook dat er meer bezwaarprocedures ontstaan. Tegen een beslissing over de indeling in een urgentiecategorie kan een woningzoekende bezwaar en beroep instellen. Iemand die bezwaar tegen een uitspraak wil maken, kan hiervoor terecht bij de gemeentelijke bezwaarschriftencommissie. Binnen de urgentieregio zullen gemeenten onderling moeten bepalen op welke wijze dit in hun regio gaat plaatsvinden. Moet indiener in zijn of haar eigen gemeente de bezwaarschriftencommissie aanschrijven of fungeert één bezwaarschriftencommissie als het regionale orgaan waar bezwaren ten aanzien van urgenties kenbaar kunnen worden gemaakt? Beide situaties komen voor. Belangrijk is om ook enige afstemming tussen urgentiecommissie en bezwaarschriftencommissie te laten plaatsvinden.

Beide instanties moeten enerzijds onafhankelijk optreden, maar anderzijds ook open staan voor het wijzigen van een besluit als een bezwaar gegrond is verklaard.

7.3

Aanvragen huisvestingsvergunning woonruimteverdeling Als gemeenten het onderdeel woonruimteverdeling in hun huisvestingsverordening hebben opgenomen moeten nieuwe huurders die een woning toegewezen hebben gekregen en deze hebben geaccepteerd, over een huisvestingsvergunning beschikt. Pas dan kunnen ze de woonruimte in gebruik nemen. In veel situaties is dat bijna een formaliteit; de nieuwe huurder moet op basis van diverse bewijsstukken aantonen dat hij/ zij 18 jaar of ouder is, beschikt over de Nederlandse nationaliteit (of hier rechtmatig verblijft) en voldoet aan de landelijke inkomensgrenzen voor sociale huur (of eventueel middeldure huur). Als de woningzoekende denkt in aanmerking te komen voor een specifieke voorrangsregeling, zal hij of zij dat bij de inschrijving moeten aangeven en onderbouwen met aanvullend bewijsmateriaal (bijvoorbeeld de binding met een gemeente of kern, een Wmo-indicatie voor een woningaanpassing, of een dienstverband in een vitale beroepsgroep). Dit betekent dat het inschrijfsysteem ook zodanig uitgerust moet zijn dat deze informatie begrijpelijk en goed traceerbaar is voor de woningzoekende. Meestal wordt het mandaat voor de uitvoering van de huisvestingsverordening op dit

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

57

onderdeel bij de deelnemende woningcorporaties gelegd. Vaak beschikken zij al over een (regionaal) woonruimteverdeelsysteem waar inschrijfmogelijkheden, aanvullende vereisten en rangorde bij toewijzing in zijn verwerkt. Wel zal dan gekeken moeten worden hoe nieuwe voorrangsregels of andere voorwaarden worden verwerkt in het (digitale) platform waar de woningcorporaties gebruik van maken. Daarnaast kan het voorkomen dat in een of meer gemeenten afwijkende voorrangsregels gelden. Deze afwijkende regels moeten dan ook inzichtelijk zijn voor de woningzoekende. Praktijkvoorbeelden: Hoe 50% voorrang toepassen? Een gemeente kan in de huisvestingsverordening opnemen dat bij toewijzing voorrang wordt verleend aan woningzoekenden met maatschappelijke of economische binding (zie paragraaf 4.2). Er zijn verschillende werkwijzen voor de toepassing van deze voorrang mogelijk: • Het aantal mutaties in het afgelopen jaar wordt als vertrekpunt genomen. Op basis van dat aantal wordt bij de helft (50% van aantal mutaties afgelopen jaar) voorrang gegeven in het huidige jaar. Bijvoorbeeld: in 2024 vonden er 500 mutaties plaats in gemeente x. Op basis daarvan wordt bij de eerste 250 mutaties in 2025 (50% van 500) voorrang gegeven aan mensen met maatschappelijke of economische binding. De kans is groot dat het werkelijke aantal mutaties in 2025 afwijkt (hoger of lager).

Dit werkelijke aantal mutaties wordt vervolgens weer als uitgangspunt genomen voor de 50% met voorrang toe te wijzen woningen in 2026. Deze methode kan overigens ook per week of maand toegepast worden, waardoor er al eerder in het jaar woningen aan mensen met en zonder binding kunnen worden toegewezen. • De vrijkomende sociale huurwoningen worden om en om met voorrang toegewezen. Bijvoorbeeld: woning 1 wordt met voorrang toegewezen aan iemand met maatschappelijke of economische binding. Woning 2 wordt zonder voorrang toegewezen. Woning 3 wordt wel weer met voorrang toegewezen, etc. Bij een specifiek segment wordt 100% van het vrijkomende aanbod met voorrang toegewezen (bijvoorbeeld een kleine kern of nieuwbouwwoningen), terwijl bij de rest van het woningaanbod (zoals de grotere kernen in de gemeente of bestaande woningen) geen voorrang voor mensen met maatschappelijke of economische binding wordt gegeven. De werkwijze bij voorrang bij betaalbare koopwoningen (nieuwbouw) wijkt iets af. De om-en-om mogelijkheid is er doorgaans niet, omdat er meerdere ontwikkelaars actief zijn die niet gelijkmatig verspreid over het jaar (en in even grote aantallen) hun aanbod op de markt brengen. Daarom wordt vooral op complexniveau de voorrangsregel toegepast.

• Bij een opgeleverd nieuwbouwcomplex met betaalbare koopwoningen moet de ontwikkelaar 50% van het aantal betaalbare koopwoningen in dat complex met voorrang toewijzen aan mensen met maatschappelijke of economische binding. Hetzelfde geldt voor de volgende ontwikkelaar die dat jaar een complex met betaalbare koop oplevert. • Bij inschrijving op een nieuwbouwcomplex met betaalbare koop moeten geïnteresseerden hun persoonlijke gegevens doorgeven (naam, leeftijd, huidige adres). Na de vooraf vastgestelde inschrijf-periode geeft de ontwikkelaar deze gegevens door aan de gemeente die vervolgens checkt (via BRP) of er daadwerkelijk sprake is van binding aan de betreffende gemeente, kern, stadsdeel. Daarna kan de daadwerkelijke toewijzing plaatsvinden. Digitaal platform voor middenhuur Als een gemeente of regio het betrekken van middeldure huur vergunningsplichtig heeft gemaakt, inclusief voorrangsregelingen, dan zal er ook een platform moeten zijn waar het aanbod van middenhuur op een toegankelijke en transparante manier wordt aangeboden. Woningcorporaties met middeldure huurwoningen kunnen dit aanbod op hun eigen digitale platform plaatsen. Dit is niet mogelijk voor particuliere verhuurders.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4293/documents/60094