CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

1.7 Quickscan natuur.pdf

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente HillegomBij agendapunt: 12: Wensen- en bedenkingenprocedure BOPA aanvraag Lommerse-Uitendaal Zuid12.061 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

G&G-advies QS2024-114

Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Weeresteinstraat 156 te Hillegom Toetsing in het kader van de natuurwetgeving

S.C. Wytema

2024

Opdrachtgever Scholz Group

G&G-advies QS2024-114

Datum Versie

24 april 2024 V1

Gecontroleerd door: D. Overduin De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn. De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd.

Bovendijk 35-G

Hazenkoog 35-A

2295 RV Kwintsheul

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

3

Inhoudsopgave 1

2

Inleiding

5

1.1

Aanleiding voor het onderzoek ............................................................................... 5

1.2

Doel van het onderzoek........................................................................................... 5

1.3

Ligging van het plangebied ...................................................................................... 5

1.4

Werkzaamheden ...................................................................................................... 6

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 6

Methode

8

2.1

Soorten .................................................................................................................... 8

2.2

Gebieden.................................................................................................................. 9

3

Aanwezige biotopen

10

4

Aanwezige beschermde soorten

15

5

6

4.1

Planten ................................................................................................................... 15

4.2

Vissen ..................................................................................................................... 15

4.3

Amfibieën............................................................................................................... 15

4.4

Vogels..................................................................................................................... 16

4.5

Grondgebonden zoogdieren.................................................................................. 19

4.6

Vleermuizen ........................................................................................................... 20

4.7

Overige fauna ........................................................................................................ 23

4.8

Conclusie beschermde soorten ............................................................................. 24

Effectbeoordeling en maatregelen

25

5.1

Amfibieën............................................................................................................... 25

5.2

Vogels..................................................................................................................... 25

5.3

Vleermuizen ........................................................................................................... 26

5.4

Conclusie effectbeoordeling .................................................................................. 27

Natuurwetgeving

28

6.1

Natura 2000 ........................................................................................................... 28

6.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ......................................................................... 28

6.3

Weidevogelgebieden ............................................................................................. 28

6.4

Houtopstanden ...................................................................................................... 29

6.5

Overige relevante wetgeving................................................................................. 29

6.6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving ........................... 30

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

4

7

8

Zorgplicht

31

7.1

Passende preventieve maatregelen.......................................................................31

7.2

Passende ontwikkelingsmaatregelen.....................................................................32

Conclusies

33

8.1

Beschermde soorten ..............................................................................................33

8.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving ...............................................34

8.3

Zorgplicht ...............................................................................................................34

9

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

35

10

Bijlagen

37

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

1

5

Inleiding 1.1

Aanleiding voor het onderzoek Er bestaan plannen een locatie aan Weeresteinstraat 156 e.o. te Hillegom her in te richten. Hillegom ligt in de gelijknamige gemeente in de provincie Zuid-Holland. De bebouwing in het plangebied wordt gesloopt en er komt nieuwbouw voor in de plaats. Het is mogelijk dat binnen het plangebied soorten voorkomen die beschermd zijn onder de Omgevingswet (hierna Ow) of dat het plan gevolgen heeft voor nabijgelegen beschermde gebieden. Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (zie Bijlage 1), waaronder een ‘flora- en fauna-activiteit’ (zie Bijlage 1.2.7). In opdracht van Scholz Group heeft Ecologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Van der Goes en Groot in het kader van de huidige natuurwetgeving een quickscan uitgevoerd om dit nader te onderzoeken. Het onderzoek heeft bestaan uit een bronnenstudie en een veldbezoek. Een quickscan is een momentopname die soms slechts in beperkte mate uitsluitsel geeft over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er door de plannen effecten te verwachten zijn op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn en niet zijn uit te sluiten vanwege tijdstip van het veldbezoek of niet inspecteerbare delen van het plangebied, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd.

1.2

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzicht te krijgen in het (mogelijke) voorkomen van beschermde soorten in het kader van de Ow. Tevens wordt onderzocht of de plannen negatieve effecten op dergelijke soorten en/of op beschermde gebieden kunnen veroorzaken en wordt de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1) gerelateerd tot de plannen besproken. Op grond van het onderzoek wordt geadviseerd omtrent te nemen maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en de noodzaak een omgevingsvergunning beschermde soorten aan te vragen. Een uitgebreide beschrijving van de getoetste wetgeving is te vinden in Bijlage 1.

1.3

Ligging van het plangebied In Figuur 1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied betreft een (voormalig) bloembollenbedrijf en bevindt zich in de dorpse omgeving van Hillegom.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

6

Het plangebied wordt aan drie kanten omsloten door woningen, aan de oostzijde door weiland. De locatie is gelegen aan de N208, een drukke verkeersader. Op 1 kilometer afstand ten oosten loopt de Haarlemmertrekvaart, een brede watergang. Op 2,3 kilometer afstand ten westen van het plangebied ligt Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid.

1.4

Werkzaamheden De bebouwing in het plangebied zal worden gesloopt. Op de locatie waar de huidige bebouwing staat wordt nieuwbouw gerealiseerd. Bij de sloop worden enkele bomen gekapt. De ecologisch gevoelige werkzaamheden zullen bestaan uit sloop van bebouwing met zware constructiewerkzaamheden, benodigd hak-, breek- en zaagwerk, het verwijderen van de vegetatieve toplaag, het vergraven van de bodem en/of oevers, het opbrengen van grond en het kappen en rooien van bomen en/of struiken. Daarbij kunnen dieren en planten beschadigd, verwond, verdrukt of gedood worden. Ook kunnen verblijfplaatsen van dieren of groeiplekken van planten beschadigd of vernield worden. Bij de uitvoering van de werkzaamheden kan door geluid, trillingen en licht verstoring optreden van (beschermde) soorten.

1.5

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 worden de biotopen die aanwezig zijn in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt aangegeven welke soorten aanwezig (kunnen) zijn binnen en nabij het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingeschat in hoeverre deze soorten negatieve effecten kunnen ondervinden van het werk en welke specifieke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn. Hoofdstuk 6 beschrijft of- en welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied. In hoofdstuk 7 wordt aangegeven of soorten, waarvoor de specifieke zorgplicht van toepassing is, in het plangebied verwacht worden en wordt beoordeeld of passende maatregelen genomen moeten worden. Ten slotte bevat hoofdstuk 8 de conclusies. Hoofdstuk 9 geeft een overzicht van de gebruikte en aanbevolen literatuur. In de bijlage is aanvullende informatie opgenomen over de

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

7

geldende wetgeving en de gebruikelijke procedures bij een vergunningsaanvraag.

De ligging van het plangebied (rood omlijnd).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

8

2

Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn binnen het plangebied. Speciale aandacht is uitgegaan naar díe beschermde soorten waarvoor, indien aanwezig, specifieke maatregelen moeten worden getroffen of een vergunning moet worden aangevraagd bij werkzaamheden in het kader van dit plan. Daarnaast is gekeken of het plangebied tot een beschermd natuurgebied behoort of dat dergelijke gebieden aanwezig zijn in de nabijheid van het plangebied.

2.1

Soorten Bronnenstudie Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) is onderzocht in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF is het kilometerhok onderzocht waarbinnen het plangebied ligt en de acht daaromheen gelegen kilometerhokken, rekening houdend met relevante, overeenkomstige biotopen tussen plangebied en omgeving. In de database is gezocht naar gegevens van beschermde (vogel-) soorten met jaarrond beschermde verblijfplaatsen of naar soorten die niet provinciaal zijn vrijgesteld. Hierbij is gekeken naar waarnemingen in de afgelopen 10 jaar (2014-2024). Vervolgens is een interpretatie gedaan met betrekking tot de aard en de waarde van de waarnemingen (bijvoorbeeld foeragerend, overwinterend, trekkend, overvliegend of verblijvend). Ook is gekeken naar de onderzoeksinspanning en de (verwachte) volledigheid van de waarnemingen en de kans dat de situatie ter plaatse veranderd is. Er is in de NDFF niet gericht gezocht naar vogelsoorten met nietjaarrond beschermde nesten, provinciaal vrijgestelde soorten en in het geheel niet te verwachten soorten zoals zeezoogdieren of zoutwatervissen. Met andere vogels moet, in algemene zin, wél rekening gehouden worden (zie ook Bijlage 1.2.5).

Potenties voor vrijgestelde soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren die mogelijk voorkomen in het plangebied, worden kort genoemd. Voor deze soorten geldt, net als voor alle andere soorten, onverminderd de zorgplicht welke wordt besproken in de conclusies, hoofdstuk 7 en de bijlage m.b.t. de wetgeving. Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen en eventueel andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

9

Potentiebeoordeling Het plangebied is op 19 maart en 15 april 2024 bezocht om de aanwezige biotopen binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan te beschrijven en eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar). Bij het veldbezoek is voor de potentiebeoordeling tevens gericht gezocht naar verblijfsporen zoals keutels, plukresten en braakballen. Daarnaast zijn bijvoorbeeld eventueel aanwezige materialen gekeerd en zijn eventueel aanwezige spleten en holtes, zover mogelijk, oppervlakkig geïnspecteerd.

→https://www.nvwa.nl/

onderwerpen/invasieveexoten/unielijstinvasieve-exoten

Naast de aandacht voor beschermde waarden, is ook gelet op invasieve soorten die voorkomen op de ‘Unielijst’ van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (←NVWA). Deze invasieve exoten zijn op de Unielijst geplaatst omdat ze in delen van de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen) aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. De waargenomen soorten worden genoemd (Hoofdstuk 4) maar er worden geen nadere aanbevelingen gedaan of beleid uitgezet ten aanzien van deze soorten. Verwerking Met behulp van analyses en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens en de aangetroffen biotopen, een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en nabij het plangebied. De aangetroffen biotopen binnen het plangebied worden onderverdeeld in typeringen. Op grond van de plannen is een korte effectbeoordeling gemaakt van de plannen op de te verwachten soorten. Als negatieve gevolgen niet op voorhand uit te sluiten zijn, wordt aangegeven of specifieke of passende maatregelen moeten en kunnen worden genomen en/of een vergunning dient te worden aangevraagd.

2.2

Gebieden Op de ‘InformatieKaart Natuur’ van BIJ12 is gekeken in hoeverre het plangebied is gelegen binnen of nabij de begrenzing van beschermde gebieden die horen bij Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie: https://atlas.bij12.nl/WebViewer/index.html?viewer=ikn_pub Aan de hand van Provinciale of gemeentelijke informatie, toegankelijk via internet, is bekeken of het plangebied gelegen is in andere relevante beschermde gebieden, zie bijvoorbeeld: https://ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl/VRM/ Als dit het geval is, wordt bekeken of negatieve effecten te verwachten zijn en of nadere toetsing noodzakelijk is.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

10

3

Aanwezige biotopen In dit hoofdstuk worden de aanwezige biotopen binnen het plangebied beschreven. Deze biotopen worden onderverdeeld in verschillende typeringen: bebouwing, (ruderaal terrein en grasland,) groenstructuren en wateren en oevers. Bebouwing In het plangebied staan twee panden: Weeresteinstraat 156 t/m 176a en Weeresteinstraat 186 t/m 188. Weeresteinstraat 156 t/m 176a Eerstgenoemde is het grootste pand, bestaande uit de nummers 156, 164, 166a en 176a, en kan grofweg worden ingedeeld in drie delen: Het zuidelijke deel, met (relatief platte) schuine daken met asbest en een gevel grotendeels van houten planken, een middendeel met plat bitumen dak en bakstenen muur, en een noordelijk deel met plat bitumen dak en golfplaten gevel. Volgens de basisadministratie gebouwen van het Kadaster (BAG, 2024) is het gebouw geheel gebouwd in 1951. In de gevelbekleding van het zuidelijke deel zit tussen de houten planken aan de westzijde en zuidzijde enkele grote (ventilatie?)gaten met brede openingen naar de achtergelegen ruimte.

Gevelbekleding van het zuidelijk deel van het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

11

Impressies van de bebouwing in het plangebied.

Over het grootste deel van de gevelbekleding zijn aan de onder- en bovenzijde van de houten planken openingen en kieren aanwezig. Van het middelste bouwdeel is de achterzijde een bakstenen muur met dunne gevelbeplating en aan de voorzijde een oude, vervallen muur met gaten en spleten. Het platte dak is voorzien van bitumen. Het noordelijk deel bestaat nagenoeg geheel uit golfplaten gevelbekleding, de platte daken hebben een plastic/zeil afdekking. Weeresteinstraat 186 t/m 188 Het noordelijke pand is – op kleinere schaal – op te delen in drie delen. Aan de westzijde bevinden zich enkele woonhuizen, het deel hierachter bestaat uit opslag, waarvan het zuidelijke deel bakstenen muren heeft en een bitumen dak, en het noordelijk deel geheel uit golfplaat bestaat. Met name langs de zuidrand van de bebouwing werden gaten en spleten waargenomen in de gevel onder de dakrand.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

12

De voorgevel van Weeresteinstraat 186-188 met zichtbaar ventilatierooster.

De zuidkant van Weeresteinstraat 186-188 bestaat uit een oude bakstenen loods.

De noordkant van de zijgevel van Weeresteinstraat 186-188 bestaat vrijwel geheel uit golfplaat.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

13

Ruderaal terrein en grasland Ten oosten van het plangebied bevindt zich een eutroof grasland met langs de randen opslag van onder andere wilg en braam.

Eutroof grasland met langs de randen opslag van onder andere wilg en braam.

Groenstructuren In het noorden van het plangebied ligt een enigszins verwilderde tuin van Weeresteinstraat 188. Langs de zuidwestgevels groeien grote hoeveelheden klimop tot over het dak. Aan de noordkant van de tuin staat een rij coniferen. Er werden geen grote nesten of opvallende holtes en spleten waargenomen in de aanwezige bomen binnen het plangebied.

Enigszins verwilderde tuin in het noordelijk deel van het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

14

Wateren en oevers In het plangebied zelf liggen geen wateren, wel grenst aan de oostkant het uiteinde van een sloot aan de rand van het plangebied. In de planontwikkeling is het voornemen om deze aan te sluiten als overstort van een wadi. De sloot is zeer eutroof en heeft aan de zijdes van het plangebied beschoeide oevers. In de watergang zijn geen waterplanten aanwezig en de bodem is bedekt met een dikke sliblaag/dikke laag afgevallen bladeren, afkomstig van de omliggende bomen.

Impressie van sloot grenzend aan het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

4

15

Aanwezige beschermde soorten In dit hoofdstuk worden de beschermde soorten beschreven per soortgroep. In de beschrijving wordt per soortgroep eerst aangegeven welke soorten (volgens opgave van de NDFF en literatuur) in het verleden of tijdens het afgelegde veld-bezoek zijn aangetroffen. Vervolgens wordt vermeld welke soorten op grond van aanwezige biotopen te verwachten zijn en welke gebruiksfuncties het plangebied kan hebben voor deze soorten.

4.1

Planten Aangetroffen soorten In en rond het plangebied is in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde flora waargenomen (NDFF 2014-2024). Potentie plangebied In het plangebied wordt geen beschermde flora verwacht vanwege het ontbreken van geschikt biotoop voor de genoemde soorten. Tevens wordt het plangebied te intensief beheerd en is het te voedselrijk om geschikt te zijn voor beschermde plantensoorten. Ook is de bodem te veel gestoord en gewoeld.

4.2

Vissen Omdat in het plangebied zelf geen water aanwezig is, kunnen hier geen (beschermde) vissoorten voorkomen. Aangetroffen soorten In en rond het plangebied zijn in het verleden en tijdens het veldbezoek geen beschermde vissoorten waargenomen (NDFF 20142024). Potentie plangebied In en rond het plangebied is geen potentie voor beschermde vissen aanwezig vanwege het ontbreken van geschikt biotoop.

4.3

Amfibieën Aangetroffen soorten In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Rugstreeppad en Boomkikker waargenomen (NDFF 2014-2024). Rugstreeppad en Boomkikker zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). Alle waarnemingen van de beschreven soorten werden gedaan in de weilanden ten oosten van het plangebied op minimaal 500 meter afstand van het plangebied (NDFF 2014-2024). De soorten zijn nooit in de directe omgeving van het plangebied waargenomen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

16

Rugstreeppad werd op 500 meter afstand ten (zuid)oosten van het plangebied vastgesteld buiten de bebouwde kom van Hillegom (NDFF 2014-2024). De natte weilanden met sloten op 450 meter afstand ten oosten van het plangebied bieden geschikt voortplantingswater. In het (noord)oosten van de Oosteindepolder zit een cluster van meerdere waarnemingen (NDFF 2014-2024). →https://www.verspreidings

atlas.nl/amfibieën

In de omgeving van het plangebied is in het verleden Boomkikker aangetroffen (NDFF 2014-2024). Het plangebied ligt ver buiten het natuurlijke verspreidingsgebied← van deze soort en het betreft daarom waarschijnlijk uitgezette of aangevoerde exemplaren. In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend van deze soorten. Potentie plangebied In het plangebied is geen voortplantingswater aanwezig voor amfibieën. De beschoeide oevers van de watergang weerhouden amfibieën ervan om aan land te komen. In het plangebied is wél geschikt landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door algemene soorten amfibieën zoals Gewone pad, Kleine water-salamander en Bruine kikker. De dieren kunnen wegkruipen onder opgeslagen materialen, stronken en takken of in verlaten muizenholen en dergelijke. Deze soorten zijn beschermd onder de Ow maar ze zijn in Zuid-Holland ‘vrijgesteld’ bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zie verder Bijlage 1.2. -Rugstreeppad Het plangebied is niet geschikt voor de Rugstreeppad, ondanks dat de soort in het verleden in de omgeving werd aangetroffen.

Het plangebied ligt niet in de directe nabijheid van geschikt voortplantingswater, ligt geïsoleerd door dichte bebouwing, drukke wegen en brede watergangen en er is geen geschikte vorstvrije, droge en vergraafbare zanderige bodem aanwezig die buiten de voortplantingsperiode als landbiotoop kan worden benut door deze soort. Als in het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden of zand wordt opgebracht, is het mogelijk dat Rugstreeppadden het gebied kunnen intrekken. In de nabijheid van het plangebied ligt geschikt voortplantingswater waar de dieren in het verleden zijn vastgesteld en door het losse zand wordt het plangebied geschikt voor overwinterende dieren.

4.4

Vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd. Het bevoegd gezag maakt onderscheid tussen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten, soorten met jaarrond beschermde nesten (ingedeeld in vier

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

17

categorieën) en de zogenaamde ‘categorie 5-soorten’ (zie verder Bijlage 1.2.5). Aangetroffen soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek werden diverse vogelsoorten waargenomen: Kokmeeuw, Houtduif, Kauw, Ekster (cat.5), Merel, Groenling, Vink, Heggenmus en Pimpelmees (cat. 5). Potentie plangebied soorten met niet-jaarrond beschermde nesten In het plangebied kunnen enkele algemene bos- en struweelvogels tot broeden komen zoals bijvoorbeeld Houtduif, Merel, Roodborst, Winterkoning en Heggenmus. In de bebouwing van het plangebied kunnen Kauwen broeden in de daknokken.

In het plangebied kunnen algemen bos -en struweel soorten tot broeden komen zoals Houtduif, Merel, Roodborst, Winterkoning en Heggenmus.

Het is mogelijk dat in de klimop en de bomen categorie 5-soorten broeden als Kool- en Pimpelmees. Aangetroffen soorten met jaarrond beschermde nesten In het plangebied en de directe omgeving zijn geen waarnemingen bekend van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten met binding met het gebied (NDFF 2014-2024). Tijdens het veldbezoek werden daarnaast geen vogels met jaarrond beschermde nesten of sporen daarvan waargenomen. Tijdens het veldbezoek werden enkele zingende Huismussen (cat. 2) waargenomen in de op de daken van de bebouwing ten westen van het plangebied.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

18

In de omgeving van het plangebied zijn daarnaast in het verleden Huismus, Gierzwaluw en verschillende roofvogels, uilen en overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten vastgesteld (NDFF 2014-2024). De Huismus broedt in de nabije stedelijke omgeving in de Talmastraat op ongeveer 100 meter van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn daarnaast in het verleden Gierzwaluw (cat. 2), Sperwer (cat. 4), Havik (cat. 4), Buizerd (cat. 4), (cat. 4), Slechtvalk (cat. 3), Ransuil (cat. 4), Kerkuil (cat. 3) en Ooievaar (cat. 3) vastgesteld. Deze soorten hebben echter geen aantoonbare binding met het plangebied. De meeste bekende waarnemingen betreffen overvliegende (trek)vogels of deze soorten hebben gebroed in andere biotopen zoals bebouwing en bos in de omgeving (NDFF 2014-2024). De soorten broeden niet in de directe omgeving van het plangebied. Potentie soorten met jaarrond beschermde nesten Omdat geen geschikte bebouwing aanwezig is (Huismus, Gierzwaluw, Slechtvalk) en geen sporen of grote nesten werden waargenomen in de bomen (Sperwer, Ransuil), wordt uitgesloten dat vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn in het plangebied. De Huismus broedt in bebouwing en bouwt nesten onder dakpannen of golfplaten met onderbetimmering, in kieren en gaten in muren en op spantconstructies.

De Huismus stelt aan zijn leefgebied ook aanvullende eisen zoals de aanwezigheid van voedselvoorzieningen (voederplekken of kruidenrijke overhoeken) en open zandplekken voor het nemen van zandbaden. De waargenomen kieren in de bebouwing zijn te smal om toegang te bieden tot nestlocaties voor de soort. Het plangebied biedt vanwege het ontbreken van deze elementen geen essentieel leefgebied voor de Huismus. De Gierzwaluw broedt in stedelijke bebouwing onder dakpannen, randpannen, loodslabben of achter boeidelen. Gebouwen met platte daken zonder speciale kasten zijn niet geschikt. De nestlocaties moeten beschikken over ‘vrije uitvalmogelijkheden’ omdat de poten van Gierzwaluw te zwak zijn om op eigen kracht op te stijgen. De Gierzwaluw wordt in het plangebied niet verblijvend verwacht vanwege het ontbreken van dergelijke geschikte nestlocaties.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

19

In de coniferen zijn geen nesten aangetroffen.

In de coniferen in de tuin aan de noordkant van het plangebied, welke goed doorzoekbaar waren, werden geen nesten aangetroffen. Het is mogelijk dat het plangebied incidenteel wordt gebruikt als onderdeel van het leefgebied van in de buurt vastgestelde vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zoals Huismus, Sperwer en Ransuil. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten.

4.5

Grondgebonden zoogdieren Aangetroffen soorten In de omgeving van het plangebied zijn in het verleden Eekhoorn en Steenmarter waargenomen (NDFF 2014-2024). Eekhoorn en Steenmarter zijn beschermde soorten die wordt genoemd als ‘andere soort’ (zie Bijlage 1.2.1). Eekhoorn is enkel waargenomen in het bos van Lokhorsterduin. De Steenmarter werd eenmalig op 300 meter afstand van het plangebied vastgesteld (NDFF 2014-2024). De soort werd waargenomen langs een bomenrij ten oosten van het plangebied. In het plangebied zelf zijn geen waarnemingen bekend van deze soort. Het plangebied is niet geschikt voor de Eekhoorn vanwege het ontbreken van dichte bosschages en omvangrijke dekking biedende vegetatie in de omgeving.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

20

Potentie plangebied Steenmarter wordt niet verblijvend verwacht in de bebouwing van het plangebied. In de bebouwing zijn geen geschikte en bereikbare openingen aanwezig welke leiden naar rustige ruimtes welke kunnen dienen als schuilplaats voor deze soort. Ook ontbreekt gunstig jachtgebied met veel prooidieren en zijn rond de bebouwing vaak mensen en huisdieren aanwezig zodat noodzakelijke rust voor de dieren ontbreekt. Het weiland ten oosten van het plangebied wordt zeer frequent gebruikt als uitlaatgebied voor honden. Het is wel mogelijk dat incidenteel kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel) die elders verblijven, in het plangebied voorkomen. Gezien de grootte, geschiktheid en geïsoleerde ligging maakt het plangebied geen onderdeel uit van essentieel leefgebied.

4.6

Vleermuizen Vleermuizen kunnen op zeer duidelijk te onderscheiden manieren van een leefgebied gebruik maken. Belangrijke gebruiksfuncties zijn verblijfplaats, foerageergebied of (deel van) een vliegroute. De manier waarop vleermuizen een gebied gebruiken kan door het jaar verschillen, een gebouw of een boom kan bijvoorbeeld tijdelijk gebruikt worden als verblijfplaats maar in andere delen van het jaar ongebruikt blijven. Alle soorten vleermuizen, evenals verblijfplaatsen en essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (zie Bijlage 1.2.1). Aangetroffen vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn zes soorten vleermuizen vastgesteld (NDFF 2014-2024). Het betreft Gewone dwergvleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis en Watervleermuis. Alle waarnemingen betroffen foeragerende en langsvliegende exemplaren. Met uitzondering van Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger bevonden alle waarnemingen zich in bosrijk gebied op (grote) afstand van het plangebied Er zijn geen relevante waarnemingen (zoals verblijven, kolonies, foerageergebieden of vliegroutes) bekend van vleermuizen in het plangebied of in de directe omgeving ervan (NDFF 2014-2024).

Potentie verblijfplaatsen Als potentie voor verblijfplaatsen niet is uit te sluiten dan dient gericht nachtelijk onderzoek plaats te vinden om eventuele precieze verblijflocaties vast te stellen. De bekende waarnemingen (bijvoorbeeld uit de NDFF) zijn niet volledig en geven daarom geen uitsluitsel en tijdens de quickscan zijn achterliggende holtes die kunnen dienen als verblijfplaats, niet verder te inspecteren of te onderzoeken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

21

Tevens is gebruik door vleermuizen in het verleden hiermee niet uit te sluiten. De waargenomen gaten, kieren en spleten in de muren en daken geven mogelijk toegang tot voor vleermuizen geschikte holtes. Te denken valt aan gebouwbewonende soorten zoals Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Andere gebouwbewonende soorten zoals bijvoorbeeld Meervleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Kleine dwergvleermuis en Tweekleurige vleermuis zijn zeldzaam of worden op voorhand niet verwacht in de onderzochte bebouwing. Deze soorten dienen tijdens vervolgonderzoek (zie §5.4) wel te worden meegenomen. Als tijdens het vleermuisonderzoek indicatieve waarnemingen worden gedaan van deze soorten, moeten bezoekrondes en bezoektijden worden aangepast conform het geldende onderzoeksprotocol. Indien er indicaties zijn dat een van deze soorten (verblijvend) aanwezig is, kan door het onderzoek hier op af te stemmen, het eventuele voorkomen van deze soorten volledig in beeld worden gebracht. Gezien de aard van de bebouwing is tijdelijk verblijf in de zomer en in de paarperiode het meest waarschijnlijk. Er worden gezien de beperkte buffering van de aanwezige holtes geen (massa)winterverblijven verwacht.

Laat in het najaar aanwezige vleermuisverblijven zouden gedurende warme periodes in de winter wél gebruikt kunnen worden door actieve vleermuizen die nog niet in diepe winterrust verkeren. De gaten, kieren en spleten met potentie voor verblijvende vleermuizen bevinden zich in de houten gevel, achter boeidelen/ loszittende gevelbetimmering, etc. De potentie bevindt zich verspreid over de gevels aan met name westkant en zuidkant van beide deelgebieden.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

22

In de oude bakstenen gevels in het noordelijke gebouw zijn spleten en kieren aanwezig.

Spleten in de houten gevels geven toegang tot achterliggende ruimtes.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

23

Potenties van vleermuisverblijven zitten met name aan west- en zuidgevels (rode lijnen).

Potentie foerageergebied Het plangebied is geschikt voor foeragerende vleermuizen. De schaars aanwezige luwe plekken kunnen zorgen voor concentraties van insecten waardoor vleermuizen worden aangetrokken. Potentie vliegroute Gezien de ligging, de vorm en de grootte van het plangebied en het ontbreken van lijnvormige elementen zoals bomenrijen, doorlopende watergangen of brede rietkragen kan geen sprake zijn van een belangrijke functie als vliegroute voor vleermuizen.

4.7

Overige fauna Aangetroffen soorten Er is één waarneming bekend van Grote vos (dagvlinder) in de omgeving van het plangebied (NDFF 2014-2024). Potentie plangebied Het plangebied is niet geschikt voor Grote vos in verband met het ontbreken van geschikt biotoop. De waarneming van Grote vos in de omgeving van het plangebied betreft waarschijnlijk een langstrekkend exemplaar.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

24

4.8

Conclusie beschermde soorten Op grond van §4.1 t/m §4.7 zijn beschermde, niet vrijgestelde soortgroepen te verwachten die staan weergegeven in Tabel 1. In de tabel wordt onderscheid gemaakt tussen de aangetroffen soortgroepen in en nabij het plangebied en de potenties daarvoor binnen het plangebied. Ook wordt onderscheid gemaakt tussen mogelijk (incidentele) aanwezigheid en gebruik als essentieel leefgebied (zoals bijvoorbeeld vaste verblijfplaatsen). In hoofdstuk 5 wordt uiteengezet welke gevolgen voor deze soortgroepen worden verwacht door het uitvoeren van de plannen.

Eerder volgens literatuuropgave vastgestelde soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten in/nabij het plangebied (kolom 2), mogelijk (incidenteel) voorkomende beschermde, niet vrijgestelde soorten in het plangebied (kolom 3) en verwachte voorkomen van essentieel leefgebied van beschermde, niet vrijgestelde soorten binnen het plangebied met verwachte beschermde functie (kolom 4). Aangetroffen nabij het plangebied (literatuur en veldbezoek)

Mogelijk aanwezig in plangebied

Mogelijk beschermde functie aanwezig binnen het plangebied

Planten

nee

nee

nee

Vissen

nee

nee

nee

Amfibieën

NDFF

nee

nee)

veldbezoek, NDFF

ja

niet-jaarrond beschermde nesten

Broedvogels met jaarrond beschermde nesten

NDFF

incidenteel

nee

Grondgebonden zoogdieren

NDFF

incidenteel

nee

Vleermuizen

NDFF

ja

verblijfplaatsen / foerageergebied

Overige beschermde fauna

NDFF

nee

nee

Beschermde, niet vrijgestelde soorten

Broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

5

25

Effectbeoordeling en maatregelen Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. De te verwachten soortgroepen met beschermde, niet vrijgestelde soorten worden in dit hoofdstuk besproken. Ze zijn samengevat in de derde kolom van Tabel 1. De aanwezigheid van deze soortgroepen kan van invloed zijn op de verdere procedure. De (negatieve) effecten die kunnen optreden bij de werkzaamheden worden onderzocht. Voorts zal worden aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen om effecten te voorkomen of te minimaliseren. Voor andere soortgroepen met niet beschermde of vrijgestelde soorten geldt altijd de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1).

5.1

Amfibieën Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen en opgeslagen materialen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’.

5.2

Vogels Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het kappen en rooien van bomen en struiken, sloop of renovatie van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatieve toplaag. Soorten met niet-jaarrond beschermde nesten Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en de aanwezige soorten. Als onverhoopt buiten deze periode broedende vogels aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten wordt de periode van februari t/m augustus gezien als de gevoelige periode. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn. Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

26

‘Categorie 5’-soorten Gezien de aanwezige biotopen in de nabijheid van het plangebied zullen de (mogelijk) aanwezige vogelsoorten die genoemd worden als ‘categorie 5’-soort (Koolmees en Pimpelmees), kunnen uitwijken naar alternatief leefgebied. Er gelden geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die een jaarrond beschermde status van nesten van deze soorten rechtvaardigen. Overigens geldt ook voor deze soorten dat activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats moeten vinden. Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Huismus, Sperwer en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.

5.3

Vleermuizen Verblijfplaatsen Bij de sloop van de bebouwing zouden vaste rust- of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen beschadigd of vernield kunnen worden. Het is derhalve noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Hierbij dient ook de naaste omgeving van het plangebied betrokken te worden. Als uit het vervolgonderzoek blijkt dat verblijvende vleermuizen aanwezig zijn dienen vervangende en geschikte verblijfplaatsen te worden aangeboden. Er is dan tijdelijke compensatie en permanente compensatie noodzakelijk. Er dient een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘Activiteitenplan’ deze maatregelen worden uitgewerkt. Foerageergebied Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de werkzaamheden omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting en luwtewerking toenemen en zal het plangebied geschikt worden voor foeragerende vleermuizen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

5.4

27

Conclusie effectbeoordeling Negatieve effecten van de plannen op beschermde soorten (indien aanwezig) zijn niet uit te sluiten. Het gaat om algemene gebouwbewonende vleermuissoorten: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Er is vervolgonderzoek noodzakelijk naar deze beschermde soorten. In Tabel 2 staan de perioden aangegeven wanneer dit onderzoek dient te worden uitgevoerd. Tevens wordt het aantal bezoekrondes vermeld. Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen en opgeslagen materialen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’. Vogelnesten (zoals in de klimop, kleinere nesten in de coniferen, en in de daknokken) kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het kappen en rooien van bomen en struiken, sloop of renovatie van bebouwing, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatieve toplaag. Aanbevolen wordt de werkzaamheden uit te voeren buiten de broedperiode (grofweg half maart – half juli) óf het plangebied voor de broedperiode ongeschikt te maken voor broedvogels.

Periode voor uit te voeren vervolgonderzoek naar beschermde soorten of soortgroepen die zijn aangetroffen of worden verwacht in het plangebied. *=Te combineren met andere bezoeken.

Soort/Soortgroep Vleermuizen Alle soorten

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger

Van der Goes en Groot

onderzoeksperiode Gebiedsfunctie

Periode

foerageergebied Kraamkolonies en zomerverblijven (3 bezoeken)

april – november Paarverblijven en zwermgedrag (2 bezoeken)

Aantal bezoeken Aantal bezoeken 2* 5

half mei – half juli augustus – oktober half mei – half juli augustus – oktober half mei – half juli augustus – oktober

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

28

6

Natuurwetgeving In hoofdstuk 4 en 5 is beschreven welke beschermde soorten kunnen voorkomen en welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben. De Ow kent naast soortbescherming ook gebiedsbeschermende weten regelgeving, in het bijzonder die van de Natura 2000-gebieden en betreffende behoud van grootschalige houtopstanden (Zie Bijlage 1.3.4). Onder de Ow kunnen naast soorten ook gebieden beschermd zijn als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’, ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. Hieronder wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.

6.1

Natura 2000 Het plangebied ligt op meer dan 2 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Kennemerland-Zuid (zie Figuur 2). Gezien de grote afstand, afscherming door groengebieden/stedelijk gebied en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden – buiten de effecten van stikstofemissie - op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000gebieden (zie VAN ROOSMALEN, 2024). Deze analyse wordt separaat aangeleverd, inclusief de bijbehorende .pdf-bestanden.

6.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden (zie Figuur 2). Er kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk.

6.3

Weidevogelgebieden Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied (zie Figuur 2). Er is geen negatief effect mogelijk op Weidevogelleefgebieden, een nadere toetsing is niet nodig.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

6.4

29

Houtopstanden Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom. Er worden derhalve geen onder de Ow genoemde beplantingen gekapt. Er is voor de kap van de bomen waarschijnlijk wel een gemeentelijke kapvergunning noodzakelijk.

6.5

Overige relevante wetgeving Er is geen overige natuurwetgeving bekend die van invloed kan zijn op de plannen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

30

6.6

Conclusie gebiedsbeschermende en overige natuurwetgeving Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Ow of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000gebieden (VAN ROOSMALEN, 2024). Deze analyse wordt separaat aangeleverd, inclusief de bijbehorende .pdf-bestanden.

Ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van natuurverbindingen (en het NNN).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

7

31

Zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de algemene zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Voor soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en voor soorten die opgenomen zijn op de Rode lijsten, geldt de specifieke zorgplicht. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 1.1.1). Met behulp van passende preventieve maatregelen of passende herstelmaatregelen in het plangebied kunnen negatieve gevolgen voor soorten worden voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt. De te nemen maatregelen worden besproken in relatie tot de werkzaamheden (zie §1.4). Ook worden maatregelen ter bevordering van in het wild levende soorten en hun leefomgeving geadviseerd. Eventueel in het plangebied verwachte soorten die vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten worden ook besproken in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5. Aangezien natuurlijke habitats en belangrijke leefgebieden voor deze soorten ook vallen onder de specifieke zorgplicht en deze onder de geplande werkzaamheden mogelijk worden aangetast, wordt hier ook rekening mee gehouden bij de hieronder beschreven passende maatregelen.

In het plangebied worden vanwege het ontbreken van geschikte biotopen geen kwetsbare of bedreigde soorten die vallen onder de specifieke zorgplicht verwacht. De bebouwing is grotendeels afgedicht, vrijwel het gehele omliggende terrein is verhard. Daarom worden in dit geval geen gerichte maatregelen ten behoeve van de specifieke zorgplicht besproken. Wel worden enkele maatregelen genoemd die bevorderend kunnen zijn voor de natuur, waarmee de algemene zorgplicht nageleefd kan worden.

7.1

Passende preventieve maatregelen Teneinde de (specifieke) zorgplicht na te leven kan men voorafgaand en tijdens aan de werkzaamheden met betrekking tot de aanwezige biotopen (zie hoofdstuk 3) de volgende preventieve maatregelen nemen:  Alle aanwezige bebouwing en vegetatie kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft boom bewonende dieren de kans om het plangebied te ontvluchten en een alternatief leefgebied te benutten in de (directe) omgeving.  Ontzie groenvoorzieningen zoveel mogelijk tijdens de werkzaamheden en het (tijdelijk) opslaan van machines en materialen. Gebruik zo klein mogelijke werkbreedtes en probeer dezelfde bouwwegen voor zowel aanvoer als afvoer te gebruiken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

32

 Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan richting te behouden leefgebied van fauna gewerkt worden zodat dieren niet ingesloten raken en een grotere kans hebben het werkgebied te ontvluchten. Voor grondgebonden zoogdieren kan de vegetatie eerst 10 centimeter worden afgemaaid en een nacht laten rusten voor het volledig verwijderd wordt.  Het verwijderen van groenvoorzieningen kan zoveel mogelijk beperkt worden of na de werkzaamheden kan de vegetatie op vergelijkbare wijze met dezelfde soorten aangeplant worden, op dezelfde locaties als waar groenvoorzieningen. verwijderd wordt. Houd bij werkzaamheden rondom groenvoorzieningen een zo smal mogelijke werkbreedte aan.

7.2

→https://www.checklist

groenbouwen.nl/

Passende ontwikkelingsmaatregelen Met behulp van enkele maatregelen kan de natuur in het plangebied ontwikkeld worden en krijgen planten en dieren ook in nieuwe ontwikkelingslocaties de ruimte. Er zijn veel ←websites beschikbaar met tips en informatie over groen bouwen en het natuurlijk inrichten van de omgeving. Als aanvulling worden voor dit plan de volgende aanbevelingen gedaan:  Het verbreden van watergangen en de aanleg van natuurvriendelijke oevers.  Het (aanvullend) plaatsen van speciale nestkasten, inmetselstenen en vogelvides ten behoeve van Huismussen, Gierzwaluwen en Spreeuwen.  Het (aanvullend) plaatsen van speciale vleermuiskasten aan bomen/in gevelmuren en het geschikt maken of openhouden van spouwmuren ten behoeve van verblijvende vleermuizen.  Het gebruiken van vleermuisvriendelijke verlichting en inschijnen waar mogelijk te voorkomen door deze enkel naar de grond te richten.  Het plaatsen van zogeheten ‘hoektrappen’ in straatkolken waardoor amfibieën uit putten omhoog kunnen klimmen.  Het plaatsen van insectenhotels aan gevelmuren of in de omgeving van tuinen en groenstructuren.  Beplanten en aanleggen van groenstructuren met inheemse soorten zoals Eenstijlige meidoorn, Wilde liguster, Gewone vlier, Sleedoorn en Klimop, welke vogels en insecten als vlinders, wilde bijen en zweefvliegen kunnen aantrekken.

Beplanting kan het beste aaneengesloten worden aangelegd omdat daarmee routes ontstaan voor soorten als Egel, (spits)muizen en vleermuizen.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

8

33

Conclusies 8.1

Beschermde soorten  Het plangebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen.  Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan.  Teneinde de vestiging van overwinterende Rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’.  In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli.

 Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Sperwer en Ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken.  In het plangebied kunnen verblijvende vleermuizen voorkomen. Omdat negatieve effecten door de werkzaamheden niet uit te sluiten zijn, is vervolgonderzoek naar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van vleermuizen noodzakelijk (zie voor de onderzoeksperiode Tabel 2). Worden tijdens de veldinventarisatie volgens landelijk geldende richtlijnen, protocollen, soortstandaarden en/of Kennisdocumenten één of meer soorten vleermuizen met verblijfplaatsen aangetroffen, dan dient een vergunningsaanvraag te worden ingediend, waarin passende mitigerende en compenserende maatregelen worden beschreven.  Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is.

De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

34

8.2

Gebiedsbescherming en overige natuurwetgeving  Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Ow of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen.  Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden (VAN ROOSMALEN, 2024). Deze analyse wordt separaat aangeleverd, inclusief de bijbehorende .pdf-bestanden.

8.3

Zorgplicht  Teneinde het naleven van de algemene en specifieke zorgplicht voor kwetsbare en bedreigde soorten kan men gebruikmaken van genoemde passende preventieve maatregelen en passende ontwikkelingsmaatregelen (zie hoofdstuk 7).

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

9

35

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BIJLSMA, ROB.G., 1993 Ecologische atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co., Haarlem. BOS, F., M. BOSVELD, D. GROENENDIJK, C. VAN SWAAY, I. WYNHOFF, DE VLINDERSTICHTING, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. BROEKHUIZEN, S., K. SPOELSTRA, J.B.M. THISSEN, K.J. KANTERS & J.C. BUYS (RED.), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. CREEMERS, R.C.M., & J.C.W. VAN DELFT (RAVON, RED), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DIETZ, C., O VON HELVERSEN & D. NILL, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noord-West Afrika. Tirion Natuur. FIELL, C & P., 2018. Bat roosts in trees: a guide to identification and assessment for tree-care and ecology professionals. Pelagic Publishing, 20-22 Wenlock Road, London. FLORON, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. GITTENBERGER, E. & A.W. JANSSEN (RED.), 2004.

De Nederlandse zoetwatermollusken. Recente en fossiele weekdieren uit zoet en brak water. – Nederlandse Fauna 2. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. KRANENBARG, J., J.E. HERDER, W.A.M. VAN EMMERIK & M. GROEN (RED), 2022. Visatlas van Nederland. Stichting RAVON, Sportvisserij Nederland & Noordboek, Gorredijk. LIMPENS, H., K. MOSTERT & W. BONGERS (RED.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen: onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. NETWERK GROENE BUREAUS, 2023. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Netwerk Groene Bureaus, Odijk. NEDERLANDSE VERENIGING VOOR LIBELLENSTUDIE, 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata) – Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

36

ROOSMALEN, C. VAN., 2024. Weeresteinstraat 156 te Hillegom. Stikstofberekening in het kader van de Omgevingswet. G&Grapport QS2024-021. Van der Goes en Groot, Alkmaar. SOVON VOGELONDERZOEK NEDERLAND, 2018. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen. TWISK, P., A. DIEPENBEEK, VAN & J.P. BEKKER, 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist. UCHELEN, E. VAN, 2021. Bunzing, Hermelijn en Wezel – Kleine Roofdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist. VAN ROOSMALEN, C., 2024. Weeresteinstraat 156 te Hillegom. Stikstofberekening in het kader van de Omgevingswet. G&Grapport AE2024-021. Van der Goes en Groot, Alkmaar. VINK, J., P. VOLLAARD. & N. ZWARTE, VAN, 2023. Stadsnatuur bouwen. nai010 uitgevers, Rotterdam. VLEERMUISVAKBERAAD (NETWERK GROENE BUREAUS, ZOOGDIERVERENIGING VZZ EN GEGEVENSAUTORITEIT NATUUR). Vleermuisprotocol 2021, januari 2021.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

10

Bijlagen

Bijlage 1

Huidige natuurwetgeving

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

37

QS2024-114

Weeresteinstraat 156 te Hillegom

Bijlage 1 Huidige natuurwetgeving Bijlage 1.1 Omgevingswet (Ow) De Omgevingswet (Ow) is het nationale wettelijke kader waarin onder andere de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen. De Wnb op haar beurt is het nationale wettelijke kader waarin de Floraen faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet destijds zijn samengevoegd. De overgang van de Wnb naar de Ow verloopt beleidsneutraal. Dat betekent dat veel regels die golden onder de Wnb ook onder de Ow gelden. De Ow bundelt alle wetten die gaan over regels met betrekking tot activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals bouw, infrastructuur, natuur, milieu, lucht, water, bodem en cultureel erfgoed. In de Ow is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming, die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De basisregels zoals de doelen van de wet, de algemene zorgplicht, regels van zogenaamde kerninstrumenten, vergunningplicht, verantwoordelijkheden en taken van bevoegde gezagen, bevoegdheidsverdeling en overige instructieregels, staan allemaal in de Ow. De doelstellingen van de Ow baseren zich op de erkenning van de intrinsieke waarde van de natuur. Vanwege deze intrinsieke waarde is de wet gericht op het in stand houden en bereiken van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een hoge omgevingskwaliteit.

Een andere doelstelling van de Ow is het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningsverlening en handhaving. Het stelsel Ow bestaat uit een algemene wettekst (de Ow zelf) dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s), zogenaamde uitvoeringswetten, en de Omgevingsregeling. Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) In het stelsel Ow staat de regelgeving uitgewerkt in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Deze zijn:  Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); hierin staan de algemene regels voor Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten waaronder de vergunningplicht (voor overheden en initiatiefnemers) en de regels voor de aanwijzing van vergunningsvrije gevallen en mogelijkheden voor maatwerk.

Van der Goes en Groot

ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1643/documents/22263