1.4 Onderzoek stikstofdepositie.pdf
Tekst van het document
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
G&G-advies AE2024-021
Stikstofberekening in het kader van de natuurwetgeving
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Weeresteinstraat 156 te Hillegom Stikstofberekening in het kader van de natuurwetgeving
Chris van Roosmalen
2024
Opdrachtgever Scholz Groep
G&G-advies AE2024-021
Datum Versie
23 april 2024 V1
25 juni 2024 V1.1
Gecontroleerd door: S.C. Wytema
Bovendijk 35-G
Hazenkoog 35-A
2295 RV Kwintsheul
1822 BS Alkmaar
www.vandergoesengroot.nl
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
3
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1
2
4
5
6
Werkwijze en werkzaamheden ............................................................................... 4
Methode 2.1
3
4 7
Berekening en uitgangspunten................................................................................ 7
Referentiesituatie
8
3.1
Gebruik bebouwing (bij gasaansluiting) .................................................................. 8
3.3
Berekening referentiesituatie.................................................................................. 9
Aanlegfase
10
4.1
Inzet mobiele werktuigen ...................................................................................... 10
4.2
Verkeersaantrekking .............................................................................................. 11
4.3
Berekening Aanlegfase .......................................................................................... 12
Gebruikfase
13
5.1
Verkeersaantrekking .............................................................................................. 13
5.2
Berekening Gebruikfase ........................................................................................ 14
Saldering 6.1
15
Berekening aanlegfase met saldering ................................................................... 15
7
Soort- en overige gebiedsbeschermende natuurwetgeving
16
8
Conclusie effectbeoordeling stikstof
17
9
Literatuur
18
10
Bijlagen
20
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
4
1
Inleiding Aan de Weeresteinstraat 164 in Hillegom bestaan plannen om het terrein te herontwikkelen. Het is hiervoor nodig een berekening uit te voeren om de gegenereerde stikstofuitstoot en depositie van dit project te bepalen. De te realiseren bebouwing wordt zonder gasaansluiting aangelegd, maar er is wel sprake van extra verkeer en de inzet van mobiele werktuigen door de herinrichting. Alle verbrandingsprocessen waarbij fossiele brandstoffen en hitte zijn betrokken, leveren door oxidatie van vrije stikstof uit de lucht de gebonden stikstofoxiden nitriet (NO2) en/of nitraat (NO3). Tevens komt soms ammoniak (NH3) vrij. De gebonden stikstofmoleculen worden na verbranding luchtzijdig verspreid en slaan na verloop van tijd neer. De gebonden moleculen werken na het neerslaan vervolgens bodemverrijkend en/of verzurend. Nederland heeft zich door ondertekening van de Europese Habitatrichtlijn verplicht bepaalde vegetaties te beschermen binnen het gebiedennetwerk van de Natura 2000-gebieden. Deze vegetaties zijn in een aantal gevallen gevoelig voor bodemverrijking en/of verzuring en de neerslag van de gebonden stikstofmoleculen kunnen een bedreiging zijn voor het voortbestaan van deze vegetaties, zeker als de kritische (=maximale) depositiewaarde (KDW) op deze vegetaties reeds is bereikt.
1.1
Werkwijze en werkzaamheden In het plangebied zullen woningen worden gerealiseerd. Het betreft 16 studio’s als sociale huurwoningen, 16 beneden- bovenwoningen als koopwoningen en 23 rijwoningen als koopwoningen. Het totale bouwoppervlakte beslaat 7800 m2. Momenteel is op de locatie een bedrijventerrein. Voorafgaand aan bouw zal de huidige bebouwing hiervan worden gesloopt, het puin worden afgevoerd en het bouwterrein verder bouwrijp worden gemaakt door deze te ontdoen van vegetatie, te vlakken en het benodigde graafwerk uit te voeren voor kabels, leidingen en fundamenten. Tijdens het werk zullen prefab betondelen, wanden en kozijnen worden ingehesen, betonvloeren worden gestort en zullen heipalen worden geslagen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
5
Figuur 1: Huidige situatie (bron: Scholz groep)
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
6
Figuur 2: Beoogde situatie (bron: Scholz groep)
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
2
7
Methode Om depositie van het project te berekenen wordt de meest recente versie van de rekentool ‘Aerius’ (AERIUS 2023.2, 2024) gebruikt. Vanwege een uitspraak van de Raad van State d.d. 29 mei 2019 kan niet meer gebruik gemaakt worden van automatische vergunningverlening op grond van de voorheen geldende drempelwaardes. Aangetoond moet worden dat geen significant negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden. In de berekening wordt de projectbijdrage door Aerius Calculator op concrete rekenpunten exact berekend, waarbij ook habitattypen, vegetaties of Natura 2000-gebieden op meer dan 3 km afstand betrokken worden. De depositie op de meest nabijgelegen ‘stikstofgevoelige habitattypen’ (zoals gedefinieerd in Aerius) wordt doorgerekend om te onderzoeken of deze hoger is dan 0,00. Als de projectbijdrage hoger is dan een berekende 0,00 mol/ha/jaar zijn mogelijk gevolgen te verwachten. Het rekenresultaat van 0,00 mol/ha/jaar betekent een maximale stikstofdepositie op het meest dichtbij gelegen stikstofgevoelige habitattype in Natura 2000gebieden die lager is dan 0,005 mol/ha/jaar. Dit komt omdat Aerius vanaf 0,005 mol/ha/jaar de depositie naar boven afrondt tot een projectbijdrage van 0,01 mol/ha/jaar.
2.1
Berekening en uitgangspunten Bij de berekening van stikstofemissie zijn twee fases te onderscheiden, de aanlegfase (sloop en bouw) en de gebruikfase (gebruik ontwikkelde gebied na afloop van de aanlegfase, inclusief verkeersaantrekking). Aanleg en gebruik komen niet naast elkaar voor. In deze rapportage worden zowel de aanlegfase als de gebruikfase berekend. De hoogste emissie is bepalend voor de te verwachten gevolgen op Natura 2000-gebieden. Voor de berekening zijn de effecten ingeschat op de meest dichtbij zijnde stikstofgevoelige habitattypen. Het betreft diverse aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebied KennemerlandZuid. Voor een situering van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden, zie ook Bijlage 2.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
8
3
Referentiesituatie In de referentiesituatie, ofwel het moment dat relevante Natura 2000-gebieden werden aangewezen (meestal 7 december 2004, zie BIJ12, REFERENTIEDATA NATURA 2000-GEBIEDEN), was op de planlocatie reeds sprake van activiteit. Het betreft de huidige bebouwing die gerealiseerd is in 1951 (Kadaster, 2024, zie Bijlage 3). In de periode van 2004 tot heden is de laagste (vergunde) depositie hetzelfde gebruik, te weten een bloembollenbedrijf.
3.1
Gebruik bebouwing (bij gasaansluiting) Het bestaand gebruik uit 2023 betreft de jaarlijkse stikstofuitstoot gedurende het gebruik van de bebouwing (van 2972 m2 BVO). Deze waarde kan in de aanlegfase en/of de gebruiksfase worden afgetrokken. Op basis van het Activiteitenbesluit geldt dat het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen van 1 Megawatt of meer (geen grote stookinstallatie) aan de emissiegrenswaarde van 70 mg/Nm3 moet voldoen. Op basis van deze gestelde eis wordt er van uit gegaan dat de emissie per kubieke meter aardgas maximaal deze grenswaarde betreft. 1 m3 aardgas (Groningen kwaliteit) gebruikt op basis van de samenstelling 8,43 Nm3 lucht (stoichiometrisch). Dit geeft een stoichiometrisch rookgasvolume van 7,7 Nm3 (droog). Bij een zuurstof overmaat van 3% wordt dit getal gecorrigeerd met 21/(21-3) = 1,16667. De concentratie NOx bedraagt 70 mg/Nm3 (droog rookgas bij 3% zuurstof). Met bovenstaande gegevens kan de jaaremissie NOx van de stookinstallatie worden berekend: aantal m3 gasverbruik * 7,7 * 1,16667 * 70/1.000.000 (= m3 gasverbruik * 0,000629) = aantal kg emissie NOx/jr. Omgerekend betekent dit dat 1.590 m3 gasverbruik ongeveer 1 kg/jr NOx uitstoot. Voor het betreffende project houdt dit in dat bij het gasverbruik de stikstofbijdrage 0,000629 * 58.773 m3 = 37 kg NOx/jaar is.
De bijdrage van het gasgebruik in de referentiesituatie is hierdoor 37 kg NOx/jaar.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
3.2
9
Verkeersaantrekking Bij de bepaling van het aantal verkeersbewegingen per 100 m2 BVO per dag is bij het project uitgegaan van ‘Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’ ligging ‘sterk stedelijk’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘minimale verkeersgeneratie’. Bij de berekening wordt tevens rekening gehouden met een (generiek) filepercentage van 8% en 0,02 verkeersbewegingen zwaar verkeer per 100 m2 BVO per dag. Dit resulteert in: 3,6 * 29,72 = 106,9 vervoersbewegingen per dag (CROW, 2018). Het betreft zowel heen- als terugreizend verkeer in de ‘lichte verkeerscategorie’. 107 * 0,02 = 2,1 vervoersbewegingen per dag, welke in de ‘zware verkeerscategorie’ worden gemodelleerd. Het verkeer is gemodelleerd tot de rotonde aan de Weeresteinstraat in Hillegom. Buiten deze wegen wordt het verkeer geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld, omdat het verkeer zich in hoeveelheid, snelheid, rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Deze modellering is in lijn met een algemeen criterium voor verkeer aantrekkende werking van wegverkeer.
De gevolgen voor het milieu van dit verkeer kunnen niet meer aan het nieuwe project worden toegerekend wanneer geacht kan worden dat dit verkeer is opgenomen in het “heersende verkeersbeeld”, omdat het verkeer zich in snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De bijdrage van het verkeer in de referentiesituatie is hierdoor 6,7 kg NOx/jaar en 0,2 kg NH3/jaar.
3.3
Berekening referentiesituatie De totale bijdrage van de referentiesituatie (gebruik bebouwing en verkeersaantrekking) is hierdoor 43,7 kg NOx/jaar en 0,2 kg NH3/jaar. De uitkomst van de berekeningen (rekenscherm) is opgenomen in Bijlage 3. Separaat worden PDF bestanden opgeleverd als onderlegging van de berekening.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
10
4
Aanlegfase De stikstofemissies tijdens de aanlegfase (sloop en bouw) zijn toe te wijzen aan twee bronnen. Het betreft gebruik van mobiele werktuigen op de bouwplaats en de verkeersaantrekkende werking tijdens de werkzaamheden. De aanlegfase zal ongeveer één jaar in beslag nemen. Omdat de precieze uitvoer van de plannen niet bekend is, is gedeeltelijk gerekend met zogenaamde ‘worst-case’ aannames. De verwachting is dat het grootste deel van de aanleg in 2024 plaats zal vinden. Daarom is 2024 als rekenjaar voor de aanlegfase gekozen.
4.1
Inzet mobiele werktuigen De belangrijkste werkzaamheden waarbij stikstof vrijkomt betreffen sloopwerk en afvoer van puin, vlakken van de vrijgekomen grond, graven van sleuven voor ondergrondse infrastructuur, productie en/of aanvoer van beton op locatie ten behoeve van vloeren en fundering, heiwerkzaamheden en hijswerk van prefab constructiedelen. Voor het gebruik van mobiele werktuigen zijn de machines en draaiuren genomen die zijn vermeld in Tabel 1. Er wordt (indien beschikbaar) uitgegaan van de inzet van materieel van stageklasse IV of hoger. De mobiele emissiebronnen zijn in Aerius apart ingevoerd. Gezien de nabijheid van Natura2000 gebied Kennemerland-Zuid is uitgegaan van gebruik van elektrische werktuigen als een 280 kW hijskraan, een shovel. een hoogwerker en een trilwals. De materiële inzet is zo accuraat mogelijk ingeschat. Er is een extra bron met vermogen van 100 kW (vergelijkbaar met een grote graafmachine) opgenomen voor onvoorziene werkzaamheden en voor divers overig klein materieel, welke 40 uur onafgebroken draait. Daarnaast is de stationaire emissie van alle werktuigen op de werkplaats ingeschat, resulterend in 28,06 kg NOx/jaar en 0,36 kg NH3/jaar. De totale bijdrage van de mobiele werktuigen tijdens de aanlegfase is hierdoor 46,3 + 28,1 = 75 kg NOx/jaar en 1,6 + 0,4 = 2,0 kg NH3/jaar.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
11
4.2
Dieselverbruik (l/u)
Verbruik AdBlue (%/Diesel (l))
Totaal Diesel (l)
56-75 75-560 75-560 75-560 75-560 75-560 <56 <56 <56 75-560
35 35 35 35 35 35 35 35 35 35
8,8 0 0 25,33 21,2 8,8 4,67 4,67 0 10,87
0,06 0 0 0,06 0,06 0,06 0 0 0 0,06
1056 0 0 2026 1018 2112 374 747 0 435
emissie stationair NOx
Gem. belasting %
70 75 280 240 200 75 36 40 40 100
emissie stationair NH3
Vermogenscategorie Aerius (kW)
IV IV V IV IV IV IV IV IV IV
AdBlue liters
Vermogen (kW)
2015 2015 2019 2015 2015 2015 2015 2015 2015 2015
Draaitijd totaal aantal uren
Stageklasse
Rupskraan 13 ton Shovel - elektrisch Hijskraan - elektrisch Heistelling Betonstorter Tractor + kieper Knikmops Hoogwerker - elektrisch Trilwals - elektrisch Aggregaat Totaal
Stagejaar
Tabel 1. Geschatte materiaalinzet in de aanlegfase op basis van directe invoer van bouwjaar in Aerius of met stageklasse (LIGTERINK ET AL, 2021).
120 63 0,07 5,54 240 0 0,00 0,00 400 0 0,00 0,00 80 122 0,05 3,69 48 61 0,03 2,22 240 127 0,14 11,08 80 0 0,05 3,69 160 0 0,00 0,00 120 0 0,00 0,00 40 26 0,02 1,85 0,36 28,06
Verkeersaantrekking De verkeersaantrekkende werking van de aanlegfase bestaat uit transport van materialen en personen (bouwvakkers). Het verkeer is gemodelleerd tot de rotonde aan de Weeresteinstraat in Hillegom. Buiten deze wegen wordt het verkeer geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld, omdat het verkeer zich in hoeveelheid, snelheid, rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. De verkeersintensiteit van het verkeer op de Weeresteinstraat/N208 is vanuit beide richtingen (N208 Bennebroek / N2067 Hillegom zuid) ongeveer 20.000 verkeersbewegingen per dag https://www.wegenwiki.nl/N208_(Nederland); Bij 1000 verkeersbewegingen/dag zou onderhavige bijdrage 5% van het wegverkeer innemen, wat in geen van de gevallen wordt bereikt. De verkeersaantrekkende werking is zo accuraat mogelijk ingeschat. Bij de berekening wordt rekening gehouden met een (generiek) filepercentage van 8%. Dit resulteert in: Transport personeel: 8 ritten met licht verkeer per dag, wordt gemodelleerd als 16 ritten per dag, omdat zowel aankomst als vertrek wordt meegerekend. Dit zijn 320 ritten per maand wat resulteert in 3840 ritten licht verkeer per jaar.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
12
Aanvoer bouwmaterieel en bouwmaterialen: bij bepaalde bouwmaterialen zoals een kraan en wals wordt enkel gemoduleerd met éen retour omdat ze bij gebruik kunnen achterblijven op de werkplaats. In totaal wordt gemoduleerd met 48 ritten zwaar verkeer per jaar. De totale bijdrage van het verkeer tijdens de aanlegfase is hierdoor 74,5 kg NOx/jaar en 2,1 kg NH3/jaar.
4.3
Berekening Aanlegfase De totale bijdrage van de aanlegfase (inzet mobiele werktuigen en verkeersaantrekking) komt uit op 75,5 kg NOx/jaar en 2,1 kg NH3/jaar. De uitkomst van de berekeningen (rekenscherm) is opgenomen in Bijlage 1. Separaat worden PDF bestanden opgeleverd als onderlegging van de berekening. Uit de berekeningen blijkt dat op de projectbijdrage van de aanlegfase van het initiatief op Natura 2000-gebieden (Kennemerland-Zuid) maximaal 0,01 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt in principe als vergunningplichtig beschouwd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
5
13
Gebruikfase De stikstofemissies tijdens de gebruikfase is toe te wijzen aan één bron. Het betreft de verkeers-aantrekkende werking. Omdat de precieze uitvoer van de plannen niet bekend is, is gedeeltelijk gerekend met zogenaamde ‘worst-case’ aannames. De verwachting is dat de bebouwing in 2025 volledig in gebruik is. Daarom is 2025 als rekenjaar voor de gebruikfase gekozen. Er wordt bij de berekening met betrekking tot gebruik uitgegaan van 55 woningen. De bebouwing wordt gasloos en zonder andere stookinstallaties aangelegd, zodat hier van emissie geen sprake is. Bij de gebruikfase wordt alleen de bijdrage van de verkeersaantrekkende werking berekend.
5.1
Verkeersaantrekking Voor de berekening wordt op basis van Crow (2018) bepaald wat het aantal verkeersbewegingen in de ‘lichte verkeerscategorie’ per woning per dag is. Uitgegaan van: 1. 16 ‘Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)’ ligging ‘sterk stedelijk’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘maximale verkeersgeneratie’, resulteert dit in 16 * 3,6 = 57,6 verkeersbewegingen per dag. 2. 16 ‘koop, appartement, goedkoop’ ligging ‘sterk stedelijk’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘maximale verkeersgeneratie’, resulteert dit in 16 * 4,7 = 75.2 verkeersbewegingen per dag. 3. 23 ‘Koop, huis, tussen/hoek’ ligging ‘sterk stedelijk’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘maximale verkeersgeneratie’, resulteert dit in 7,2 * 23 = 165,6 verkeersbewegingen per dag. Opgeteld is dit 298,4 verkeersbewegingen per woning per dag in de ‘lichte verkeerscategorie’. Tevens wordt bij de berekening rekening gehouden met een (generiek) filepercentage van 8% en 0,02 verkeersbewegingen zwaar verkeer per woning per dag. Dit resulteert in: 45 * 0,02 = 0,9 vervoersbewegingen per dag, welke in de ‘zware verkeerscategorie’ worden gemodelleerd. Het verkeer is gemodelleerd tot de rotonde aan de Weeresteinstraat in Hillegom. Deze modellering is in lijn met een algemeen criterium voor verkeer aantrekkende werking van wegverkeer.
De gevolgen voor het milieu van dit verkeer kunnen niet meer aan het nieuwe project worden toegerekend wanneer geacht kan worden dat dit verkeer is opgenomen in het “heersende verkeersbeeld”, omdat het verkeer zich in snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
14
De verkeersintensiteit van het verkeer op de Weeresteinstraat/N208 is vanuit beide richtingen (N208 Bennebroek / N2067 Hillegom zuid) ongeveer 20.000 verkeersbewegingen per dag (https://www.wegenwiki.nl/N208_(Nederland)); Bij 1000 verkeersbewegingen/dag zou onderhavige bijdrage 5% van het wegverkeer innemen, wat in geen van de gevallen wordt bereikt. De totale bijdrage van het verkeer tijdens de gebruikfase is hierdoor 17,6 kg NOx/jaar, 0,6 kg NH3/jaar.
5.2
Berekening Gebruikfase De totale bijdrage van de gebruikfase (gebruik bebouwing en verkeersaantrekking) betreft 17,6 kg NOx/jaar, 0,6 kg NH3/jaar. De uitkomst van de berekeningen is opgenomen in Bijlage 2. Separaat worden PDF bestanden opgeleverd als onderlegging van de berekening. Uit de berekeningen blijkt dat op alle natuurgebieden de projectbijdrage van het initiatief 0,00 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
6
15
Saldering Omdat in de aanlegfase sprake was van een zekere uitstoot van stikstof, zie 4.3 en deze bij aanwijzen van de Natura 2000-gebieden reeds bestond, wordt deze gerekend tot ‘bestaand gebruik’ en kan de jaarlijkse uitstoot hiervan worden afgetrokken van de nieuwe uitstoot. Deze verrekening heet ‘saldering’. Volgens de ‘beleidsregels stikstof’ (RIJKSOVERHEID, 2019) wordt onderscheid gemaakt tussen interne en externe saldering. Hierbij is externe saldering vergunningplichtig, maar bij de uitspraak van Raad van State is geen vergunning meer nodig voor interne saldering (RAAD VAN STATE, 2021). Bij interne saldering wordt gekeken naar de activiteiten die plaatsvinden of hebben plaatsgevonden op het terrein waar de huidige stikstofberekening voor geldt; Bij externe saldering wordt gekeken welke mogelijkheden er zijn bij activiteiten buiten het gebied, die invloed hebben op dezelfde Natura 2000-gebieden als berekend voor het terrein van onderhavige stikstofberekening. Bij het voorliggende project wordt intern gesaldeerd.
6.1
Berekening aanlegfase met saldering De in de referentiesituatie berekende emissiewaardes worden afgetrokken van de aanlegfase middels het vergelijken van situaties in Aerius. De uiteindelijke depositie van stikstof, dus na saldering (aanlegfase minus de referentiesituatie), wordt in de pdf-bestanden vanuit Aerius direct doorberekend. Uit de berekeningen blijkt dat op alle natuurgebieden de projectbijdrage van het initiatief 0,00 mol/ha/jaar is. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
16
7
Soort- en overige gebiedsbeschermende natuurwetgeving In de voorgaande hoofdstukken is beschreven in hoeverre er sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De Omgevingswet (Ow) kent tevens soort- en gebiedsbeschermende wet- en regelgeving. Naast bepalingen uit de Ow kunnen gebieden ook beschermd zijn onder de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) als onderdeel van het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (voorheen Ecologische hoofdstructuur, EHS) of als Provinciaal aangewezen ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’, ‘Weidevogelleefgebied’ of ‘Belangrijk weidevogelgebied’. In een separate rapportage (WYTEMA, 2024) zijn, naast de soortbescherming ter plaatse, ook de overige onderdelen van de gebiedsbescherming binnen de Omgevingswet beoordeeld. Zie deze rapportage voor de conclusies aangaande gebiedsbescherming.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
8
17
Conclusie effectbeoordeling stikstof De projectbijdrage tijdens de aanlegfase en/of gebruikfase (zonder saldering) is 0,01 mol/ha/jaar. Bij (interne) saldering van het bestaande gebruik op de referentiedatum blijkt dat de huidige projectbijdrage van zowel aanlegfase als de gebruiksfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Deze bijdrage wordt als verwaarloosbaar beschouwd. Bij de berekening van de aanlegfase is rekening gehouden met een specifieke inzet van mobiele werktuigen en bijbehorende draaiuren. Indien hier (significant) van wordt afgeweken is de berekening niet meer representatief voor het te verwachten effect op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. In de gerealiseerde bebouwing wordt door het afzien van stookinstallaties in de bebouwing (op de verkeersaantrekking na) geen stikstof meer geëmitteerd. De transitie van oude bebouwing met zekere uitstoot van stikstof naar de beoogde bebouwing in dit project draagt daarmee bij aan de gewenste permanente daling van stikstof op Natura 2000-gebieden. De Aeriusberekening ten tijde van het toetsingsmoment is bepalend. Het toetsingsmoment in Aerius voor een bedrijfswijziging is het moment van realisatie van de bedrijfswijziging. Effecten van een latere wijziging in Aerius hebben hier geen effect op. Voor opdrachtgevers is het van belang om de Aeriusberekening te bewaren.
Conclusies omtrent soortbescherming of overige gebiedsbeschermende natuurwetgeving zijn omschreven in een gelijktijdig uitgevoerde quickscan (zie WYTEMA, 2024).
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
18
9
Literatuur AERIUS CALCULATOR 2023.2. https://calculator.aerius.nl/calculator/ AERIUS, 2018. Emissiewaarden_aerius_def_versie_5_juli_2018. https://www.aerius.nl/nl/factsheets/ruimtelijke-plannenemissiefactoren/05-07-2018 BIJ12, 2023. Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2023. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/10/Instructiegegevensinvoer-voor-AERIUS-Calculator-2023.pdf BIJ12, 2023. Handboek: Werken met Aerius Calculator 2023. https://www.aerius.nl/files/media/publicaties/documenten/han dboek_aerius_calculator_2023.pdf BIJ12, 2023. Handreiking Voortoets Stikstof. https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2021/03/BIJ12Handreiking-Voortoets-Stikstof-%E2%80%93-Februari-2021.pdf, COMPENDIUM VOOR DE LEEFOMGEVING. Vermestende depositie, 19902016. https://www.clo.nl/indicatoren/nl018916-vermestendedepositie CROW, 2018. Toekomstigbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen. CROW, Ede KADASTER, 2023. Basisregistratie adressen & gebouwen. https://bagviewer.kadaster.nl LIGTERINK, N.E. ET AL, 2021. TNO-rapport 2021 R12305. AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele werktuigen. TNO, Den Haag RAAD VAN STATE, 2021. Zaaknummer 201907146/1/R2. Intern salderen niet vergunningplichtig.https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendoc ument?id=ECLI:NL:RVS:2021:71 RIJKSOVERHEID, 2019.
Beleidsregels stikstofaanpak 10 december 2019: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2019/12/04 RIJKSOVERHEID, 2021. Wet van 10 maart 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering). https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-140.html SIPMA, J., M.D.A. RIETBEEK, 2016. Ontwikkeling energiekengetallen utiliteitsgebouwen. ECN-E--15-068, ECN, Putten. VAN DOBBEN, H.F., R. BOBBINK, D. BAL EN A. VAN HINSBERG, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterra rapport 2397, Alterra, Wageningen
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
19
WYTEMA, S.C., 2024. Weeresteinstraat 156 te Hillegom. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. G&G-rapport QS2024-114. Van der Goes en Groot, Alkmaar.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
20
10
Bijlagen
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Berekening aanlegfase Berekening gebruikfase Referentie situatie
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 1 Berekening aanlegfase
Bijlage 1.1 Berekening aanlegfase en salderen
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 2 Berekening gebruikfase
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 3
Referentie situatie
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 4 Huidige natuurwetgeving Bijlage 4.1 Omgevingswet (Ow) De Omgevingswet (Ow) is het nationale wettelijke kader waarin on der andere de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen. In de Wnb waren reeds de eerdere Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet en de Boswet opgenomen. De overgang van de Wnb naar de Ow verloopt beleidsneutraal. Ten opzichte van de Wnb verandert er daarom weinig voor de soortbescherming. De Ow bundelt alle wetten die gaan over regels met betrekking tot activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals bouw, infrastructuur, natuur, milieu, lucht, water, bodem en cultureel erfgoed. In de Ow is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming, die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De basisregels zoals de doelen van de wet, de algemene zorgplicht, regels van zogenaamde kerninstrumenten, vergunningplicht, verantwoordelijkheden en taken van bevoegde gezagen, bevoegdheidsverdeling en overige instructieregels, staan allemaal in de Ow. De doelstellingen van de Ow baseren zich op de erkenning van de intrinsieke waarde van de natuur. Vanwege deze intrinsieke waarde is de wet gericht op het in stand houden en bereiken van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving en een hoge omgevingskwaliteit.
Een andere doelstelling van de Ow is het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de vergunningsverlening en handhaving. Het stelsel Ow bestaat uit een algemene wettekst (de Ow zelf) dat per procesonderdeel nader is uitgewerkt in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s), zogenaamde uitvoeringswetten, en de Omgevingsregeling. Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) In het stelsel Ow staat de regelgeving uitgewerkt in vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Deze zijn: Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); hierin staan de algemene regels voor Natura 2000- en flora- en fauna-activiteiten waaronder de vergunningplicht (voor overheden en initiatiefnemers) en de regels voor de aanwijzing van vergunningsvrije gevallen en mogelijkheden voor maatwerk.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); hierin staat de uitwerking van algemene regels voor bouwwerken die rechtstreeks werken, eveneens voor initiatiefnemers en overheden. Het Bbl is de vervanger van het Bouwbesluit. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de uitwerking van normen en instructieregels voor bestuursorganen, waaronder de kaders voor vergunningverlening, zoals beoordelingsregels. Omgevingsbesluit (Ob); hierin staan regels voor initiatiefnemers en bestuursorganen, onder meer met betrekking tot bevoegdheden, totstandkomingsprocedures en handhavingsbepalingen. De Omgevingsregeling (Or) bestaat naast de AMvB’s voor de uitwerking van de administratieve en technische regels. Het invoeringsbesluit regelt het overgangsrecht, wijzigingen in bestaande besluiten en aanpassingen van de AMvB’s. Bijlage 4.1.1 Zorgplicht Algemene zorgplicht De algemene zorgplicht in de Ow is een brede zorgplicht en geldt voor de gehele fysieke leefomgeving (afdeling 1.3 Ow & art. 1.6 en 1.7).
‘Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit of het nalaten ervan nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht om deze gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken dan wel de activiteit achterwege te laten.’ De algemene zorgplicht is in principe altijd van toepassing, tenzij een specifieke zorgplicht (art. 1.8 Ow en art. 11.6 Bal) is opgenomen voor een bepaalde activiteit in de Ow. Specifieke zorgplicht flora en fauna De specifieke zorgplicht staat uitgewerkt in het Bal (art. 11.6) en onder diverse artikelen in het Bbl. De specifieke zorgplicht kent een andere reikwijdte dan de algemene zorgplicht. Alle activiteiten die door het verrichten, of juist nalaten hiervan, negatieve gevolgen kunnen hebben op de fysieke leefomgeving zijn verboden volgens de Ow (art. 1.7a, zie ook art. 11.27 Bal). De activiteiten waar het hier over gaat zijn nader begrensd, ook ter uitvoering van de richtlijn milieustrafrecht (art. 1.3 Ob). Hierin staat onder andere het verbod op het in lucht, bodem of water brengen van trillingen, geluid, stoffen of warmte die gevolgen voor natuur of landschappen kunnen hebben. Ook staat hierin het verbod om beschermde natuur of landschappen te verwaarlozen met aanzienlijke gevolgen.
De specifieke zorgplicht is van toepassing wanneer er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van specifieke soorten, welke van nature in Nederland voorkomen, die kwetsbaar of bedreigd zijn en vallen onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, nationaal beschermde soorten en soorten die opgenomen zijn op de (nationale) Rode lijsten. Ook natuurlijke habitats of belangrijke leefgebieden van deze soorten vallen onder de specifieke zorgplicht.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Als deze aanwijzingen er zijn, moet worden vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor deze soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rust- of groeiplaatsen en hun eieren. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten, dan wordt gevraagd om na te gaan welke nadelige gevolgen kunnen optreden en passende preventieve maatregelen te nemen, de activiteit te staken, of, als dat niet kan, passende herstelmaatregelen te nemen. Mochten de zorgplichtbepalingen niet helder genoeg zijn, dan staat het aan bevoegd gezag vrij om middels maatwerkregels (art. 11.29 Bal) of maatwerkvoorschriften (art. 11.31 Bal) deze te verduidelijken. Bijvoorbeeld door het opnemen van regels in een provinciale Omgevingsverordening of het stellen van een maatwerkvoorschrift of vergunningsvoorschrift.
Bijlage 4.2 Soortbescherming Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een flora- en fauna-activiteit, tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Bijlage 4.2.1 Categorieën soortbescherming Onder de Ow worden bepaalde planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die Europees zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (Hrl) en soorten genoemd in de Vogelrichtlijn (Vrl). Naast deze Europees beschermde soorten is een extra categorie soorten toegevoegd, de ‘andere soorten’. Deze soorten zijn op nationaal niveau beschermd. Per provincie geldt daarnaast een vierde categorie, de ‘vrijgestelde soorten’ (art. 3.11). Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van vergunningsplicht bij schadelijke handelingen (zie Bijlage 4.2.2), bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 4.2.2 Schadelijke handelingen De Ow bepaalt dat de volgende zaken verboden zijn (zie art. 3.1, 3.5 en 3.10): Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende dieren genoemd in de Habitatrichtlijn, vogels genoemd in de Vogelrichtlijn en aangewezen ‘andere soorten’ opzettelijk te doden of te vangen.¹ Het is verboden dieren genoemd in de Habitatrichtlijn opzettelijk te verstoren. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van hierboven genoemde soorten te vernielen of te beschadigen of nesten of eieren van vogels weg te nemen. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste punt opzettelijk te verstoren als deze verstoring van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het is verboden planten van soorten genoemd in de Habitatrichtlijn (bijlage IV, Bijlage 1 Verdrag van Bern) of als ‘andere soorten’ (Bijlage B bij de wet) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Omgevingsvergunning Daarnaast geldt er een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een flora- en fauna-activiteit of een Natura 2000-activiteit (zie Bijlage 4.3.1), tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Indien geen vrijstelling geldt van de vergunningplicht, dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt in een enkelvoudige vergunningsaanvraag (voor één activiteit) en meervoudige aanvraag (voor meer dan één activiteit), in verband met een verschil in procedure. Een meervoudige aanvraag is van toepassing als sprake is van bijvoorbeeld een flora- en faunaactiviteit én een Natura 2000-activiteit. De initiatiefnemer kan zelf kiezen tussen los of gelijktijdig aanvragen (art. 5.7 Ow). Er is geen eis met betrekking tot een gelijktijdige aanvraag van onlosmakelijke activiteiten. Het bevoegd gezag heeft evenwel de verplichting om de aanvrager te informeren over andere
¹Het betreft soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Alsmede andere soorten, genoemd in bijlage, onderdeel A, bij de wet.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
vergunningplichtige activiteiten, voor zover in te schatten door het bevoegd gezag. Bijlage 4.2.3 Vergunningsmogelijkheid Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals realisatie, sloop of renovatie van bebouwing, kappen van bomen, dempen van wateren of schonen van sloten, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan vergunning voor de Ow verkregen worden. Als beschermde soorten (zie Bijlage 4.2.1) voorkomen die niet zijn vrijgesteld én sprake is van mogelijke schadelijke handelingen (zie Bijlage 4.2.2), dan is een omgevingsvergunning vereist, of moet, indien mogelijk, conform artikel 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode. De vraag of vergunning kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Belangrijk daarbij is de vraag in hoeverre schade optreedt, of de gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort(en) in gevaar komt en of er bevredigende alternatieven voorhanden zijn voor de ingreep of de locatie daarvan.
Bijlage 4.2.4 Wettelijk belang Per categorie is het bij het al dan niet verkrijgen van een vergunning belangrijk wat het belang is van het uit te voeren plan en de te verkrijgen vergunning. Als schade niet te voorkomen is, dan dient één van de onderstaande wettelijke belangen van toepassing te zijn: Soorten van de Vogelrichtlijn In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer. In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Ter bescherming van flora en fauna. Soorten van de Habitatrichtlijn In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Ter bescherming van flora en fauna. Andere soorten In het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang met Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. In het kader van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting van gebieden en het toekomstig gebruik daarvan. Ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen. Ter bescherming van flora en fauna. Bijlage 4.2.5 Gedragscodes Indien men in het bezit is van een door de minister van LNV goedgekeurde gedragscode, hoeft bij werkzaamheden in het kader van natuurbeheer, van bestendig beheer of onderhoud, van bestendig gebruik en van ruimtelijke ontwikkeling of inrichting voor Vogelsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10) geen vergunning te worden aangevraagd, mits aantoonbaar wordt gewerkt met deze gedragscode (art. 3.31). De bewijslast dat correct is en wordt gehandeld volgens de gevolgde gedragscode ligt bij de initiatiefnemer. Het is ook mogelijk te werken conform een dergelijke goedgekeurde gedragscode zonder deze zelf te hebben opgesteld. De relevante soorten dienen dan wel in de gebruikte gedragscode te worden behandeld. Bijlage 4.2.6 Flora- en fauna-activiteit Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is een ‘activiteit met mogelijke nadelige gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’ (art 1.1 Ow).
Er is sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ wanneer sprake is van mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levend dieren of planten, ongeacht of deze soorten beschermd zijn krachtens de Ow. Deze regel geldt dus niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld. Wanneer sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient rekening te worden gehouden met de specifieke zorgplicht (zie Bijlage 4.1.1). Daarnaast zijn Huismuis, Bosmuis, Veldmuis, Bruine rat, Huisspitsmuis en Mol buiten beschermde gebieden in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden (art. 3.10).
Bijlage 4.3 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming in de Ow bestaat uit een beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Onder de Ow geldt een algemeen verbod om zonder omgevingsvergunning bepaalde activiteiten te mogen verrichten (§ 5.1.1 Ow), waaronder een Natura 2000-activiteit, tenzij anders geregeld in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit waarbij kans is op een significant gevolg voor een Natura 2000-gebied en is daarmee vergunningplichtig. Bijlage 4.3.1 Natura 2000 Nederland en andere EU-lidstaten hebben in overleg met de Europese Commissie speciale beschermingszones aangewezen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. Een overzicht van Natura 2000gebieden is te vinden op: https://www.natura2000.nl/ Voortoets Wanneer plannen bestaan een project in of rond een Natura 2000gebied uit te voeren, neemt de initiatiefnemer contact op met het bevoegde gezag. In principe is dit Gedeputeerde Staten van de Provincie waarin een gebied (grotendeels) ligt. Indien negatieve effecten van een project niet kunnen worden uitgesloten, dient een toetsing te worden uitgevoerd. Als uit deze Voortoets blijkt dat een plan (mogelijk) significante negatieve gevolgen heeft, vindt de vergunningaanvraag plaats via een ‘passende beoordeling’. Daarbij moeten ook cumulatieve effecten zijn meegenomen.
Alleen als uit de passende beoordeling met zekerheid blijkt dat geen significante gevolgen zullen optreden, of als het gaat om activiteiten met een groot openbaar belang en waarvoor geen alternatieven zijn, wordt vergunning verleend. Als uit de ‘Voortoets’ blijkt dat een activiteit negatieve gevolgen kan hebben die niet significant zijn, beoordeelt het bevoegd gezag of deze negatieve gevolgen in het licht van de instandhoudings-doelstellingen aanvaardbaar zijn (zie Bijlage 1.6). Externe werking Belangrijk bij de bepalingen rond Natura 2000-gebieden is de ‘externe werking’. Dit betekent dat ook projecten buiten het Natura 2000- netwerk met mogelijk negatieve gevolgen binnen het netwerk, getoetst moeten worden aan doelen van betrokken gebied of gebieden. Een bijzondere vorm van externe werking is de (extra) uitstoot van stikstof door een project die kan neerslaan binnen Natura 2000-gebieden en daar voor schade kan zorgen. Aangetoond moet worden dat geen negatieve gevolgen mogelijk kunnen zijn op Natura 2000-gebieden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Specifieke zorgplicht Natura 2000 In de Ow is een specifieke zorgplicht opgenomen voor Natura 2000gebieden en bijzondere nationaal natuurgebieden (art. 11.6 Bal). Iedereen die activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben, moet nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken (art. 11.6, 1e lid Bal). Ook moet worden nagegaan of nadelige gevolgen op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan moeten passende preventieve maatregelen genomen worden (art. 11.6, 2e lid onder d). Wanneer dit niet mogelijk is dienen passende herstelmaatregelen getroffen worden (art. 11.6, 2e lid onder f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze maatregelen worden gemonitord. De specifieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 2000-activiteiten, maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd of activiteiten die géén kans hebben op een significant gevolg. Bijlage 4.3.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Aanwijzing en begrenzing De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform art.
2.44, lid 4 Ow en art. 7.6, 1e lid Bkl. De instructieregels voor de aanwijzing, begrenzing en de reikwijdte van het NNN zijn opgenomen in artikel 7.5 en artikel 7.6 Bkl. In de Omgevingsverordening zijn (instructie)regels gesteld voor Omgevingsplannen van gemeenten en projectbesluiten (art. 7.8, 1e lid Bkl). Deze regels zijn gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie (art 7.7 Bkl). In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. Per provincie kunnen de wezenlijke kenmerken en waarden verschillend zijn gedefinieerd. Beschermingsregime Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art. 7.8, 2e lid Bkl, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies:
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
In elk geval wordt verzekerd dat de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland niet achteruit gaat, dat de samenhang tussen de verschillende gebieden van het netwerk wordt behouden en dat, als binnen het NNN activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN behouden blijven. Onder de Ow geldt geen strikt ‘nee, tenzij’-principe meer, maar een ‘ja, mits’-principe. Bijlage 4.3.3 Overige gebiedsbescherming Provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). Een voorbeeld hiervan zijn de ‘Bijzonder Provinciale Landschappen’ van de Provincie Noord-Holland. De regels met betrekking tot juridische bescherming van deze gebieden zijn gepubliceerd in de provinciale Omgevingsverordening. Bijlage 4.3.4 Houtopstanden Anders dan bij beschermde gebieden en soorten kent de Ow geen specifieke term voor een activiteit waarbij een houtopstand wordt gekapt. De regels voor de bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bal. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door een algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art.
11.129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 hectare of bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’ (art. 11.111, lid 2 Bal).
Bijlage 4.4 Procedure Als bij aanvang van een project niet uitgesloten is dat beschermde soorten voorkomen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden, is een ecologische quickscan nodig. Als op grond van deze quickscan de aanwezigheid van dergelijke soorten of gevolgen niet zijn uit te sluiten én wordt gezien dat negatieve effecten kunnen optreden, is vervolgonderzoek noodzakelijk. Tijdens het vervolgonderzoek wordt het plangebied geïnventariseerd op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. Indien aanwezig worden de gebruiksfuncties van deze soorten in beeld gebracht. Vervolgens wordt opnieuw onderzocht of negatieve gevolgen mogelijk zijn door uitvoering van de plannen.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Weeresteinstraat 156 te Hillegom
Bijlage 4.4.1 Omgevingsvergunning Ow Indien negatieve effecten niet uit te sluiten zijn en geen alternatieven zijn, is een aanvraag omgevingsvergunning waarschijnlijk aan de orde. Een dergelijke aanvraag dient onder andere vergezeld te gaan van: Een activiteitenplan waarin onder meer de locatie, de werkwijze, de te verwachten schade, de te nemen maatregelen, de alternatievenstudie en het wettelijk belang gedetailleerd worden beschreven. Een actuele en volledige inventarisatie naar het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten in het plangebied. Deze is drie 3 tot 5 jaar geldig. De overheid heeft een digitale omgeving ingericht voor alle uitgewerkte regels, namelijk het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Alle vergunningsaanvragen met betrekking tot de Ow en het contact hierover lopen via het DSO. Het is ook mogelijk ‘aan te haken’ bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de ‘Wet algemene bepalingen omgevingsrecht’ (WABO). Het bevoegd gezag handhaaft bepalingen uit vergunningen en de eventuele werking van de Ow bij projecten waar geen vergunning is aangevraagd. Ook het volgen van gedragscodes wordt gehandhaafd door bevoegd gezag. Mogelijke sancties zijn geldelijke boetes, strafrechtelijke vervolging en het stilleggen van werkzaamheden.
Van der Goes en Groot
ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
AE2024-021
Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau
Hazenkoog 35A Bovendijk 35-G 1822 BS Alkmaar 2295 RV Kwintsheul www.vandergoesengroot.nl