06. Zienswijze (geanonimiseerd)
Tekst van het document
2 Wij realiseren ons dat een dergelijke functiewijziging niet binnen de procedure tot aanwijzing als gemeentelijk monument zelf kan of hoeft te worden besloten. Daarvoor bestaan afzonderlijke procedures binnen het omgevingsrecht. Dat neemt echter niet weg dat beide onderwerpen naar onze mening bestuurlijk onlosmakelijk met elkaar samenhangen: **wie behoud verlangt, moet ook ruimte bieden voor een economisch haalbare vorm van behoud. 3. Verzoek om positieve bestuurlijke grondhouding Wij verzoeken het college daarom om bij het voorstel aan de gemeenteraad niet uitsluitend aandacht te besteden aan de bescherming van het object, maar eveneens aan het noodzakelijke toekomstperspectief. Concreet verzoeken wij het college en de gemeenteraad om bij een eventuele aanwijzing als gemeentelijk monument tevens uit te spreken dat de gemeente: een positieve grondhouding aanneemt ten aanzien van een toekomstige verruiming of wijziging van de planologische gebruiksmogelijkheden van het object aan de 1e Loosterweg 1A, voor zover deze ontwikkeling bijdraagt aan een duurzame economische instandhouding van het monument en met respect voor de te beschermen monumentale waarden kan worden gerealiseerd. Daarbij verzoeken wij de gemeente in het bijzonder open te staan voor onderzoek naar woningbouw/appartementen, kantoorfuncties dan wel een passende combinatie van functies.
Wij vragen nadrukkelijk niet om binnen de monumentenprocedure reeds een definitief planologisch besluit te nemen. Wij vragen wel om een bestuurlijke uitspraak over de bereidheid om in een afzonderlijk formeel proces constructief mee te werken aan een passende herontwikkeling. 4. Evenredige verdeling van lasten en baten Een dergelijke benadering achten wij ook redelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige belangenafweging. De aanwijzing als gemeentelijk monument dient in belangrijke mate een publiek belang: het behoud van cultuurhistorisch waardevol erfgoed voor Hillegom en toekomstige generaties. De financiële gevolgen van die bescherming, waaronder onderhoud, instandhouding en beperkingen ten aanzien van aanpassingen van het object, komen daarentegen bij de eigenaar terecht. Daar komt in dit specifieke geval bij dat de gemeente zelf vaststelt dat voor dit object geen aanspraak bestaat op de gemeentelijke monumentensubsidie. Naar onze mening rechtvaardigt dit dat de gemeente bij het opleggen van de monumentale status tegelijkertijd bereid is om binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders ruimte te bieden aan functies waarmee de noodzakelijke investeringen in behoud en instandhouding economisch kunnen worden gedragen.
Een positieve grondhouding ten aanzien van herontwikkeling vormt daarmee geen aantasting van de monumentale bescherming, maar kan juist een belangrijke voorwaarde zijn om die bescherming op langere termijn daadwerkelijk succesvol te laten zijn. 5. Verzoek tot aanvulling van het raadsvoorstel Wij verzoeken het college onze zienswijze integraal bij de verdere besluitvorming te betrekken en het raadsvoorstel op dit punt aan te vullen. Onze voorkeur gaat ernaar uit dat daarin expliciet wordt opgenomen dat de gemeente, naast de aanwijzing als gemeentelijk monument, bereid is om samen met de eigenaar de toekomstige gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van het object te onderzoeken en daarbij een positieve grondhouding aanneemt ten aanzien van een passende planologische verruiming, waaronder wonen/appartementen en kantoorfuncties. Op die manier worden het publieke belang van monumentaal behoud en het gerechtvaardigde belang van de eigenaar bij een economisch duurzame exploitatie met elkaar in balans gebracht. 6.
Conclusie 3 Wij verzoeken het college en de gemeenteraad derhalve om bij de verdere besluitvorming: • deze zienswijze nadrukkelijk mee te wegen bij het besluit over de monumentale aanwijzing; • te onderkennen dat de aanwijzing voor de eigenaar substantiële financiële verplichtingen en beperkingen met zich meebrengt, waarvoor geen gemeentelijke subsidieregeling beschikbaar is; • vast te stellen dat duurzame instandhouding alleen realistisch is wanneer tevens voldoende economische gebruiksmogelijkheden voor het object bestaan; • een positieve bestuurlijke grondhouding uit te spreken ten aanzien van een toekomstige verruiming van de gebruiksmogelijkheden, waaronder appartementen/wonen, kantoorfuncties of een passende combinatie daarvan; • deze mogelijke planologische verruiming in een afzonderlijk formeel proces samen met de eigenaar nader te onderzoeken en uit te werken. Wij zijn graag bereid hierover op korte termijn met het college en de betrokken medewerkers in gesprek te gaan.