CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage III ontwerp RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Raad 29 januari 2026, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststellen zienswijze Regionale Energie Strategie (RES 2.0)21.795 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

Eén van de drie samenvattende kaarten uit het milieueffectonderzoek is

Vanwege de onbalans tussen zonne- en windenergie hebben gemeenten

geschikt te maken zijn voor de ontwikkeling van twee of meer windturbines

en provincie in de RES 1.0 afgesproken om onderzoek te doen naar

met een lage geluidsemissie.

weergegeven in figuur 7. De kaart laat zien welke gebieden geschikt zijn, of

extra zoekgebieden voor windenergie. In 2023 heeft de RES GMR een milieueffectonderzoek (planMER) uitgevoerd met de gehele regio als

De kaart heeft gebruik gemaakt van een referentieturbine met een relatief lage

onderzoeksgebied. Dit planMER is als bijlage 1 opgenomen bij deze RES 2.0. Het

geluidsemissie (een Nordex N117). Voor de milieutechnische mogelijkheden is

gehele document is te vinden op de planMER webpagina. In het planMER is

de hoogte of omvang van windturbines niet zo relevant, de geluidsemissie is

gekeken naar de volle breedte van de RES; de mogelijkheden voor windenergie,

leidend. Met andere woorden: een aanzienlijk hogere of grotere windturbine

zonne-energie en warmtebronnen.

met eenzelfde lage geluidsemissie, biedt vergelijkbare milieutechnische

De hoofdvraag is:

mogelijkheden.

Welke gebieden zijn vanuit milieueffecten geschikt, geschikt te maken

De drie samenvattende milieubeoordelingskaarten zijn in hoge resolutie te

of ongeschikt voor de ontwikkeling van ten minste 1,62 TWh duurzame

vinden op de planMER webpagina. Het gaat om de volgende kaarten:

elektriciteitsambitie en regionale warmtebronnen in de Groene

• Milieubeoordeling voor de ontwikkeling van zonnevelden.

Metropoolregio. En hoe kan dit - naast de referentie RES 1.0 - worden

• Milieubeoordeling voor de ontwikkeling van windturbines met een lage

ingevuld aan de hand van drie thematische alternatieven?

geluidsemissie. • Milieubeoordeling voor de ontwikkeling van windturbines met een hoge geluidsemissie.

Deze vraag is in drie stappen beantwoord: 1.  Door ongeschikte gebieden op basis van wet- en regelgeving uit te sluiten en op de kaart onderscheid te maken tussen geschikte en geschikt te maken gebieden. 2.  Door vanuit de RES en de thema’s natuur, landschap en leefomgeving de geschikte en geschikt te maken gebieden te bekijken. 3.  Door vanuit milieueffecten te komen tot mogelijke zoekgebieden in de geschikte en geschikt te maken gebieden. Uit het onderzoek blijkt dat de zoekgebieden voor windturbines in de RES 1.0 vanuit milieuperspectief goed mogelijk zijn. Ook blijkt dat zonne-energie qua milieuaspecten bijna overal mogelijk is. Voor windenergie liggen er goede kansen langs grote doorgaande wegen en in een aantal buitengebieden die niet zijn aangemerkt als cultuurhistorische plek of natuurgebied.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 24

Een nadere uitwerking op gebiedsniveau vindt lokaal plaats op het moment dat projecten concreet worden in een projectMER. Aan de hand van het advies van de Commissie m.e.r om de samenhang tussen gebieden te bewaken, geven we gehoor door nieuwe RES-projecten altijd eerst op de regionale tafel te bespreken. Op basis van de uitkomsten van de PlanMER werken gemeenten aan eigen plannen om windlocaties ruimtelijk te borgen vanuit hun eigen, door raden vastgestelde, beleidsdoelstellingen. Dit proces loopt parallel aan deze rapportage.

Effect van Veluws wespendiefbeleid op de mogelijkheden voor windenergie De provincie Gelderland beschermt diersoorten in het kader van de Omgevingswet, waarin de voormalige Wet natuurbeheer (Wnb) is opgenomen. Een van die diersoorten is de wespendief, een roofvogel die op de Veluwe broedt. Daarom besloten Gedeputeerde Staten eind 2022 dat er geen windturbines mogen komen op de Veluwe en in een zone van 1 kilometer daaromheen. In een cirkel van 1 tot 8 kilometer om de Veluwe zijn (tijdelijk) Figuur 7: Geschiktheidskaart voor windturbines met een lage geluidsemissie in de regio.

beperkt windturbines toegestaan met een stilstandsvoorziening in juli en augustus.

Op 2 november 2023 bracht de Commissie m.e.r. haar advies uit op de planMER. Daarin stelt de commissie twee adviezen centraal:

In de 1 kilometerzone rondom de Veluwe was in onze regio één windproject

• De informatie over natuur en landschap was volgens de Commissie nog van

in voorbereiding. Dit project bevond zich in de idee-fase en is daarom voor

onvoldoende kwaliteit. Natuurgevolgen waren mogelijk onderschat. Voor

0% meegerekend in de RES 1.0. In de 1 tot 8 kilometerzone zijn meerdere

landschap was niet duidelijk of alle voorgestelde zoekgebieden wel ‘geschikt’

windprojecten in voorbereiding. Deze windprojecten kunnen beperkt doorgang

waren. De commissie miste een uitwerking op gebiedsniveau: waarom is

vinden op basis van een stilstandsvoorziening van 4,5 maanden per jaar.

een gebied qua natuur en landschap beter geschikt voor de opwekking van

Ook vinden op de Veluwe twee onderzoeken plaats. Eén om wespendieven

duurzame elektriciteit of warmte dan een ander gebied?

te herkennen via cameradetectie en een ander onderzoek om wespendieven

• Ook vroeg de Commissie bij de gemeenten aandacht voor het bewaken

individueel te volgen via een zender. Als een of beide onderzoeken gunstige

van de samenhang tussen gebieden voor duurzame energieproductie. Dit

resultaten opleveren, worden in de 1 tot 8 kilometerzone meer windprojecten

is belangrijk om bijvoorbeeld onbedoelde opeenstapeling van negatieve

mogelijk met minder stilstand. De resultaten van deze onderzoeken worden in

milieueffecten te voorkomen.

2026 verwacht.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 25

3.4 V  oldoende mogelijkheden voor windenergie binnen de regio De gemeenten Arnhem en Nijmegen zijn sterk verstedelijkt en hebben daardoor beperkte mogelijkheden voor de ontwikkeling van windturbines. Toch hebben beide gemeenten het afgelopen decennium mogelijkheden gevonden om windplannen te ontwikkelen. In Arnhem gaat het om het windproject Koningspleij met vier windturbines. In Nijmegen gaat het om twee windprojecten: Nijmegen-Betuwe met vier turbines en De Groene Delta met twee turbines. Naast de grote steden zijn er acht gemeenten met goede mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie. Naast Arnhem gaat het in het noordelijke deel van de regio om de gemeenten Duiven en Zevenaar. In het middengebied hebben beide gemeenten, Lingewaard en Overbetuwe, goede mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie. Ten zuiden van de Waal liggen die mogelijkheden, naast de ontwikkelde windplannen in Nijmegen, vooral in Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen. De gemeente Berg & Dal tenslotte kent een zeer gevarieerd landschap

Figuur 8: Tien gemeenten met goede mogelijkheden voor windenergie om gemeentelijke beleidsdoelen te faciliteren

met veel natuurwaarden, diersoorten, bos- en heuvelgebieden en drinkwaterwingebieden. Er zijn geen snelwegen of landelijk gelegen provinciale wegen die de gemeente Berg & Dal doorkruisen en waarlangs windturbines kunnen worden ontwikkeld. Dit maakt dat de relatief grote en landelijke gemeente Berg & Dal nagenoeg geen geschikte gebieden heeft voor de ontwikkeling van windenergie. Er zijn wel enkele gebieden die mogelijk geschikt te maken zijn. Windenergie in Berg & Dal is daarmee niet uitgesloten, maar vanuit regioperspectief ligt het ook niet direct voor de hand. Dit leidt tot het volgende beeld van gemeenten met goede mogelijkheden voor de ontwikkeling van windenergie. Met in het blauw de noordelijke gemeenten Arnhem, Duiven en Zevenaar, in het paars Lingewaard en Overbetuwe in het middengebied en de zuidelijke gemeenten Beuningen, Druten, Heumen, Nijmegen en Wijchen in het groen.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 26

Windenergie om gemeentelijke beleidsdoelen te faciliteren

Zevenaar (vier turbines) en de gemeenten Druten en Heumen die nog geen

Binnen deze tien gemeenten zijn er grote verschillen in mogelijkheden,

windprojecten gepland hebben. Voor alle vier de gemeenten geldt dat de potentie

gerealiseerde windprojecten, vergunde windplannen en aangewezen

aan geschikte en geschikt te maken gebieden relatief groot is.

zoekgebieden voor windenergie. In onderstaande tabel staat een overzicht van het aantal windturbines in concrete plannen per gemeente.

Heumen: onderzoek Kommengebied in afrondende fase De gemeente Heumen streeft ernaar om in 2050 klimaatneutraal te zijn. Als belangrijke tussenstap wil de gemeente in 2030 elektriciteitsneutraal zijn. Heumen heeft de afgelopen jaren veel onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om dit gemeentelijke duurzaamheidsdoel te behalen. Zo zijn eerst de mogelijkheden voor waterkracht onderzocht en vervolgens die van grootschalige zonne-energie. Tenslotte heeft de gemeente onderzoek gedaan naar windenergie, waarbij twee mogelijke gebieden in het oog sprongen. Enerzijds het gebied tussen de Hatertse/Overasseltse Vennen en de dorpen Overasselt en Nederasselt; het zogenoemde ‘Kommengebied’. Anderzijds de zone tussen de A73 en het Maas-Waalkanaal. In februari 2025 heeft de gemeenteraad gekozen voor het Kommengebied als zoekgebied voor windenergie. Zowel het Kommengebied, als de A73 zone hebben een potentie van 2 tot 3 windturbines.

Tabel 3: Aantal windturbines per gemeente. Bron: NINOX, 2025

Van de tien gemeenten heeft de helft al vijf of meer windturbines gerealiseerd, vergund of gepland. Met name van Nijmegen is dat een behoorlijke prestatie, omdat het van de tien gemeenten feitelijk de minst geschikte, of geschikt te maken gebieden kent. Arnhem zit met vier gerealiseerde turbines weliswaar net onder de grens van vijf, maar ook voor die gemeente geldt dat het aantal geschikte of geschikt te maken gebieden zeer beperkt is. Voor de gemeente Duiven geldt dat in het vastgestelde RES 1.0 zoekgebied W.5 nog potentie is voor 1 tot 2 windturbines. Naast Arnhem zijn er vier andere gemeenten met minder dan vijf gerealiseerde, vergunde of geplande windturbines. Het gaat om Wijchen (drie turbines),

Figuur 9: Geschiktheidskaart Heumen voor windenergie met een lage geluidsemissie, inclusief Kommengebied. RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 27

De vraag is echter hoe realistisch de keuze voor het Kommengebied is. Dit

Begin 2025 heeft Zevenaar haar Omgevingsvisie richting 2040 vastgesteld. De

gebied ligt namelijk volledig in het ‘CNS-vlak’ van het militaire vliegveld

gemeente beschrijft daarin acht samenhangende ambities. Ambitie 5 gaat in op

Volkel. CNS staat voor Communicatie, Navigatie en Surveillance. In essentie

een klimaatneutrale gemeente. Daarin geeft Zevenaar aan: “Voor windenergie

betekent het CNS-beschermingsvlak dat de verkeerstoren zijn werk kan doen

(als onderdeel van de RES-opgave) zien we mogelijkheden nabij bestaande

en daarbij niet door hoge bouwwerken gehinderd wordt. Dit gebied wordt

locaties en langs de A12 (energiecorridor).” … “We geven zoekzones aan waar we

ook wel aangeduid als CTR-zone of Militaire Control Zone. In het regionale

mogelijkheden zien voor grootschalige opwek. We zetten in op zon op daken.

milieueffectonderzoek zijn deze luchtvaartbeperkingen niet meegenomen. Op

Ook op windturbines, mits goed ingepast eventueel in combinatie met zon.”

dit moment wordt nog onderzocht hoe realistisch het gekozen Kommengebied

Met die tekst geeft de gemeenteraad van Zevenaar haar kaders mee voor de

is voor de ontwikkeling van minimaal twee windturbines. Dit onderzoek

ontwikkeling en uitwerking van windenergie binnen de gemeentegrenzen.

verkeert in een afrondende fase. De resultaten worden nog voor oktober 2025 verwacht.

Het college van Zevenaar heeft op 19 augustus 2025, in lijn met de gestelde kaders van de Omgevingsvisie, een drietal zoekgebieden aangewezen voor de ontwikkeling van windenergie. Het gaat om drie gebieden die aansluiten op bestaande windlocaties, namelijk: 1.  Het Zevenaarse gebied aansluitend op het RES-windzoekgebied W.5 bij Innofase in de buurgemeente Duiven. 2. Het gebied rond het bestaande windpark Byvanck. 3. Het gebied ten noorden van de A12 en de kern Zevenaar. Daarmee wijst het Zevenaarse college de gebieden in de bouwsteenkaart Leefomgeving van de Omgevingsvisie Zevenaar (2025) aan als windzoekgebieden binnen de gemeente. De zoekgebieden liggen grotendeels in lijn met de voorkeursgebieden van het Zevenaarse ‘Toets- en afwegingskader grootschalige duurzame energieopwekking’ uit 2020. In de komende periode

Figuur 10: Kommengebied Heumen binnen CNS-vlak of CTR-zone Volkel.

actualiseert het college dit Toets- en afwegingskader en brengt dit in lijn met

Zevenaar kiest drie nieuwe zoekgebieden windenergie

van windenergie. Dit vergt geen volledig nieuw afwegingskader, maar een

De gemeente Zevenaar hanteert de volgende duurzaamheidsdoelen: Zevenaar

aanscherping van de uitgangspunten naar de huidige situatie.

de Omgevingsvisie en de aangewezen zoekgebieden voor de ontwikkeling

wil in 2030 de gemeentelijke CO2-uitstoot met 55% hebben verminderd ten opzichte van het jaar 1990. In 2040 wil de gemeente Zevenaar aardgasvrij zijn en in 2050 energieneutraal.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 28

De gemeente Druten werkt op dit moment aan haar Lokale Energiestrategie (LES). Hierin wordt met het Energy Transistion Model (ETM) uitgerekend hoeveel energie de gemeente in 2040 moet opwekken om energieneutraal te zijn. De zeven zonneparken die Druten inbracht voor de RES 1.0 zijn hiervoor niet voldoende. De gemeente heeft dus ook nog een aanzienlijke opgave om haar doel van een energieneutrale gemeente in 2040 te bereiken. Druten heeft een zeer grote potentie aan geschikte gebieden voor de ontwikkeling van windenergie.

Figuur 11: Drie vastgestelde windzoekgebieden Zevenaar op basis van de Omgevingsvisie (2025).

Druten: veel potentie voor windenergie De gemeente Druten heeft het doel om in 2040 energieneutraal te zijn. Dat

Figuur 12: Geschiktheidskaart Druten voor windenergie met een lage geluidsemissie.

betekent dat de gemeente over 15 jaar lokaal net zoveel schone energie opwekt als dat ze gebruikt. De gemeente heeft dit in 2024 vastgelegd in haar toekomstvisie ‘Samen Sterk, Samen Druten’. Druten richt zich daarbij vooral op zonne-energie. Dat heeft de gemeente in de afgelopen jaren ver gebracht. Zo is in figuur 5 aan het begin van dit hoofdstuk te zien dat Druten binnen de RESregio de derde plaats inneemt bij duurzame elektriciteitsopwek.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 29

Wijchen: tender tussen drie mogelijke windzoekgebieden De gemeente Wijchen wil, in lijn met het Klimaatakkoord, de CO2-uitstoot terugbrengen en op termijn energieneutraal worden. Energieneutraal betekent dat in de gemeente evenveel energie duurzaam wordt opgewekt, als dat er op jaarbasis wordt verbruikt. Uitgesloten hierbij is de energie die gepaard gaat met mobiliteit van en naar de gemeente. De gemeente Wijchen heeft in 2024 een Visie Zon en Wind opgesteld. Op basis van de planMER RES GMR heeft de gemeente acht gebieden onderzocht, die misschien geschikt zijn om windmolens te plaatsen. Daarvan zijn drie gebieden overgebleven: 1. Bij Batenburg 2. Tussen de A50 en de Wezelse Plas 3. Ten westen van de A50 bij Niftrik In een van deze gebieden komt dus een windpark. In figuur 13 staan de drie mogelijke windzoekgebieden van Wijchen genummerd. Waar de windmolens precies komen, hangt af van de plek waar het hoogspanningsstation van TenneT komt.

Figuur 13: Drie mogelijke windzoekgebieden windenergie Wijchen. Bron: Visie wind- en zonne-energie Wijchen, 2024

Op dit moment werkt de landelijke netbeheerder TenneT samen met de gemeente Wijchen en de provincie Gelderland aan een locatiekeuze

Samenvatting zoekgebieden RES 2.0

voor een hoogspanningsstation. Dit hoogspanningsstation kent een

Figuur 14 geeft een samenvatting van de zoekgebieden voor zonne- en

aanzienlijke ruimteclaim van zo’n 31 hectare. De precieze locatie van het

windenergie in de regio. Hierin zijn de RES 1.0 zoekgebieden opgenomen,

hoogspanningsstation is nog niet bekend en concurreert met de zoekgebieden

aangevuld met de vastgestelde windzoekgebieden in de gemeente Zevenaar.

voor windenergie. De locatiekeuze voor het hoogspanningsstation gaat voor

Voor de gemeente Overbetuwe geldt ten opzichte van de RES 1.0 een aanpassing

de aanwijzing van een windzoekgebied. De keuze voor het uiteindelijke

van de zoekgebieden langs de A15.

windzoekgebied wacht daarmee de komende jaren op duidelijkheid over de locatie en impact van het hoogspanningsstation.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 30

3.5 Gedragscode Acceptatie & participatie windenergie op land Om acceptatie van windenergie te bevorderen, hebben verschillende organisaties de ‘Gedragscode Acceptatie & Participatie windenergie op land’ opgesteld. De Gedragscode is een initiatief van Greenpeace, Milieudefensie, NedZero, Natuur & Milieu, de Natuur- en Milieufederaties, de Nederlandse Vereniging omwonenden windturbines (NLVOW) en EnergieSamen. De kern van de gedragscode is dat de omgeving in een zo vroeg mogelijk stadium bij windprojecten wordt betrokken. Voor ieder project wordt in overleg met belanghebbenden en het bevoegd gezag een participatieplan opgesteld, waarmee afspraken over participatie door inwoners vast komen te liggen. Hierbij staat maatwerk centraal. De Gedragscode bindt de leden van NedZero (voorheen NWEA) aan een aantal basisprincipes ten aanzien van participatie, communicatie en het leveren van een bijdrage aan het versterken van acceptatie. Ook de natuuren milieuorganisaties, de NLVOW en de energiecoöperaties binden zich door ondertekening van de code aan het verbeteren van participatie waardoor Figuur 14: Samenvattende kaart met RES 2.0 zoekgebieden wind en zon

acceptatie van windenergie wordt vergroot. De gedragscode verbindt alle ondertekenaars aan de basisprincipes voor lokale betrokkenheid en werd in 2014 positief gewaardeerd door de minister van Economische Zaken. In 2020 is de Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land herzien. Zo zijn de afspraken uit het Klimaatakkoord over het streven naar minimaal 50% lokaal eigendom toegevoegd en is een paragraaf opgenomen over natuur en landschap. We onderschrijven het belang van deze gedragscode en het gelijke speelveld dat hierdoor ontstaat voor alle initiatiefnemers en projectontwikkelaars. We spreken af om deze gedragscode bij windprojecten in de regio te hanteren. Dit is bij de vaststelling van de Verrijking RES 2024 benoemd als wens vanuit de gemeente Wijchen. Het staat gemeenten en provincie vrij om hierop zelf aanvullend beleid te maken.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 31

3.6 Lokaal eigendom in de RES

productie van wind- en zon-op-landstroom gehalveerd; van 20% naar 10%. Als het om nog te verwezenlijken plannen gaat is het aandeel van de coöperaties in

In de RES 1.0 is afgesproken om te streven naar minimaal 50% lokaal eigendom

onze regio veel groter: 34%. Van andere vormen van lokaal eigendom zijn geen

bij de ontwikkeling van wind- en zonprojecten in de regio. Dit streven sluit aan

cijfers beschikbaar.

bij het Klimaatakkoord van 2019. De motivatie is dat de energietransitie meer kans op succes heeft als de lokale bevolking er actief bij betrokken is en er ook

De energiecoöperaties hebben nog veel plannen en staan klaar om de

de vruchten van plukt. Dat is belangrijk omdat windturbines en zonneparken

gemeenten te helpen naar 50% lokaal eigendom toe te werken. Netcongestie

worden ingepast in de leefomgeving van mensen. Een goede betrokkenheid

speelt hen ook parten, en in sommige gevallen hardnekkige weerstand van

van de omgeving leidt daarbij tot beter ingepaste projecten, waar een gebrek aan

enkelen die tot in de Raad van State doorvechten.

betrokkenheid juist weerstand oproept. De doelstelling te streven naar minimaal 50% lokaal eigendom blijft relevant en Lokaal eigendom kent diverse vormen. Individuele lokale eigenaren horen

nodig. Daar waar het belang van decentrale oplossingen in het energiesysteem

daarbij, inclusief lokale bedrijven en agrariërs. In dat geval blijft de opbrengst

groeit, gaat ook het belang van lokaal eigendom groeien. Bij lokaal eigendom

van de projecten in de lokale gemeenschap. Maar als het gaat om betrokkenheid

worden middelen en opbrengsten voor een belangrijk deel ingezet ten dienste

bij de besluitvorming zijn bredere samenwerkingsverbanden, zoals

van de lokale inwoners en partners. Gemeenten kunnen een cruciale rol spelen

energiecoöperaties een betere oplossing. Energiecoöperaties bestaan in vrijwel

in het realiseren daarvan. Zij kunnen onverbloemd voor lokaal eigendom kiezen

alle gemeenten in onze regio, zij het in verschillende stadia van ontwikkeling

en dat ook in woord en daad uitdragen. Daar zijn goede voorbeelden van, ook in

en realisatie van projecten.

onze regio. Zoals de gemeente Beuningen, die dit niet alleen als voorwaarde had gesteld voor de realisatie van een flink windpark, maar ook de vorming van een

Die lokale betrokkenheid is in de meeste gevallen bij zon-op-dak projecten van

lokale coöperatie heeft gesteund en nog steeds doet. De provincie heeft in juni

meer dan 15 kWP (de minimum omvang om mee te tellen voor het halen van

een beleidsregel uitgevaardigd om dit concreet te maken (Beleidsregel lokaal

de RES-doelen) gewaarborgd. Meestal is de eigenaar van het dak ook eigenaar

eigendom en participatie bij duurzame energie. Lokale wet- en regelgeving).

van het project en in veel gevallen kan die eigenaar beschouwd worden

Maar gemeenten kunnen nog verder gaan, zoals in enkele delen van Nederland

als onderdeel van de lokale gemeenschap. In een aantal gevallen wordt het

al gebeurt, door het zelf gaan deelnemen in lokale projecten, samen met

project beheerd door een energiecoöperatie. Bovendien is het belang van lokaal

coöperaties. Dat betekent enerzijds een organisatorische en institutionele

eigendom bij zon-op-dakprojecten wat minder relevant, gezien de beperkte

versterking en waarborgt anderzijds dat de lokale bevolking, voor zover die dat

impact op de leefomgeving.

wil, via de coöperatie veel meer kan betekenen dan wanneer het een traditionele gemeentelijke activiteit zou zijn.

Belangrijker is lokaal eigendom bij windturbines en zon-op-landprojecten. Voor beide typen projecten is helaas sprake van een relatief dalende trend, in

Voor meer info over dit onderwerp zie de webpagina lokaal eigendom op de

elk geval voor zover het de bijdrage van energiecoöperaties betreft. Hoewel in

GMR website.

absolute zin de coöperatieve productie van zon- en windenergie tussen 2020 en 2024 in onze regio met bijna 150% is toegenomen, is het aandeel in de totale

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 32

4 Warmte

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 33

4 Warmte 4.1 Doelstellingen, bod en afspraken RES 1.0

Individuele of collectieve aanpak Bij de overstap naar aardgasvrije alternatieven onderscheiden we een individuele en een collectieve aanpak. Bij een individuele aanpak vervangen woningeigenaren zelf hun cv-ketel, bijvoorbeeld door een warmtepomp. Vaak gebeurt dit op een natuurlijk moment, zoals een verhuizing of verbouwing. Bij een collectieve aanpak schakelt een heel gebied, in een projectmatige

Doelstellingen warmtetransitie bestaande woningvoorraad

aanpak, over naar een duurzame warmteoplossing. Dat kan een warmtenet zijn,

De regionale doelstellingen voor warmte zijn afgeleid uit het Nationaal

maar ook een collectieve actie om warmtepompen te installeren. Hier kan de

Klimaatakkoord (2019) en de Europese klimaatwet (2021). Deze leiden tot:

aanwijsbevoegdheid van de gemeente een rol spelen.

Nationale Doelstelling

Beide aanpakken brengen aanzienlijke kosten met zich mee voor

• 2050: 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen

woningeigenaren, ook al kunnen ze deze deels of geheel terugverdienen.

zijn van het aardgas af. • 2030: de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen zijn verduurzaamd.

Investeringen in isolatie en vervanging van verwarmingsinstallaties zijn niet altijd eenvoudig te financieren. Ook woningcorporaties kunnen een collectieve aanpak hanteren; zij hebben hierover met het Rijk prestatieafspraken gemaakt.

Regionale Doelstelling Groene Metropoolregio Vertaling van deze doelstellingen naar het aantal woningen in de Groene Metropoolregio leidt tot: • 2050: alle woningen verduurzaamd en aardgasvrij (347.000 woningen). • 2030: de eerste 20% (75.000 woningen) verduurzaamd en aardgasvrij. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 alle woningen en utiliteitsbouw (zoals scholen, winkels en kantoren) goed geïsoleerd zijn en dat aardgas niet langer de standaard is om gebouwen te verwarmen. Dit noemen we de warmtetransitie van de gebouwde omgeving. In de RES 2.0 richten we ons specifiek op de warmtetransitie van de bestaande woningvoorraad. De relatie tussen de warmtetransities van de gebouwde omgeving, industrie en bedrijventerreinen en de ontwikkeling van warmtebronnen wordt onderzocht in het kader van het uitvoeringsplan energiesysteem van de regio. In deze RES komen utiliteitsbouw en nieuwbouw alleen aan bod als deze relevant zijn voor de warmtetransitie van de bestaande woningvoorraad. Voor nieuwbouw geldt dat deze op basis van het bouwbesluit gasloos en duurzaam wordt gerealiseerd.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 34

4.2 De rol van gemeenten

Nieuwe wetgeving Om gemeenten te ondersteunen in hun regierol wordt een nieuw wettelijk kader

Gemeenten hebben de regierol in de wijkgerichte aanpak van de

ontwikkeld:

warmtetransitie. Uiterlijk eind 2021 hebben zij daarvoor een Transitievisie

• De Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie (WGIW) is een

Warmte (TVW) opgesteld. Voor eind 2026 stellen gemeenten daarnaast een

aanvulling op de omgevingswet die gemeenten in staat stelt om, binnen

warmteprogramma vast waarin zij minimaal tien jaar vooruitkijken en een

strikte regels, te bepalen waar en wanneer wijken van het gas af gaan. Dit

visie geven op de lange termijn. Dit warmteprogramma moet elke vijf jaar

wordt vastgelegd in een warmteprogramma, dat uiterlijk 31 december 2026

geactualiseerd worden. De provincie Gelderland geeft in haar Beleidskader Energiesysteem richting aan deze leidende principes: focus op energiebesparing,

moet zijn vastgesteld. • De Wet collectieve warmte (Wcw) geeft gemeenten de regie bij

focus op lokale decentrale inrichting van het energiesysteem en focus op een

de ontwikkeling en exploitatie van warmtenetten en beschermt

diverse energiemix. In de warmteprogramma’s wordt per wijk aangegeven

woningeigenaren door middel van gereguleerde tarieven en toezicht op

wanneer deze overstapt op een andere warmtevoorziening dan aardgas.

warmtebedrijven. In de wet staat dat warmtebedrijven voor meer dan 50%

Daarmee helpen gemeenten de woningeigenaar met de keuze en ondersteunen

in handen dienen te zijn van publieke partijen. De Wet collectieve warmte

ze bij de overschakeling naar aardgasvrij verwarmen.

(Wcw) is op 3 juli 2025 aangenomen door de Tweede Kamer en treedt naar verwachting op 1 januari 2026 in werking, na behandeling en goedkeuring door de Eerste Kamer.

Figuur 15: Tijdlijn warmtetransitie. RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 35

4.3 Waar staan we nu in de regionale warmtetransitie? De warmtetransitie is in de regio Arnhem-Nijmegen een grote uitdaging. Van de 350.000 woningen wordt circa 85% nog verwarmd met aardgas2. Bij de resterende 15% is het hoofdverwarmingssysteem een warmtenet, warmtepomp of ontbreekt informatie. In onze regio zijn ongeveer 28.000 woningen aangesloten op warmtenetten van Vattenfall. In de TVW’s maakten de gemeenten nog weinig keuzes voor warmteoplossingen op de lange termijn. Er werden veelal no regret-maatregelen aangekondigd zoals isolatie, vaak met een gemeentebrede aanpak. In enkele gevallen werd de keuze gemaakt voor een warmtenet of onderzoek aangekondigd naar de haalbaarheid ervan. Tijdens het opstellen van de TVW’s ontbrak het veel gemeenten aan benodigde kennis en capaciteit. Inmiddels zijn sommige plannen bijgesteld of (tijdelijk) stilgelegd. In de afgelopen jaren is de kennis over de warmtetransitie bij gemeenten en hun partners aanzienlijk gegroeid, onder meer door deelname aan het nationale Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) en het provinciale programma ‘Wijk van de Toekomst’. Landelijke organisaties zoals NPRES en NPLW bieden hierbij ondersteuning. Hierdoor zijn gemeenten steeds beter in staat om in hun warmteprogramma’s duidelijke keuzes te maken.

Omdat iedereen mee moet kunnen in de warmtetransitie, doen gemeenten onderzoek naar de haalbaarheid en betaalbaarheid van hun aanpak en zijn zij in gesprek met betrokken buurten en wijken.

Figuur 16: S  tatus ontwikkeling warmtenetten in Transitievisies Warmte gemeenten. Bron: Analyse van GMR warmteteam.

2 https://klimaatmonitor.databank.nl/dashboard/dashboard/energie-installaties

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 36

4.4 De maatschappelijk gewenste warmteoplossing Bij de overstap naar aardgasloos verwarmen maken we onderscheid tussen individuele warmteoplossingen, bijvoorbeeld met een individuele warmtepomp, en collectieve warmteoplossingen met bijvoorbeeld een warmtenet dat met restwarmte, geothermie, WKO of andere warmte-/koudebron gevoed wordt. Welke oplossing in financieel opzicht het beste is, hangt niet alleen af van het financiële plaatje voor de woningeigenaar maar ook van de nationale meerkosten. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar de noodzakelijke verzwaring van het elektriciteitsnet. Deze kosten zijn voor bewoners niet direct zichtbaar, omdat ze landelijk worden gesocialiseerd en dus gedeeld door alle gebruikers. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in haar startanalyse van 2021 voor alle buurten en wijken in Nederland een inschatting gemaakt van de maatschappelijk wenselijke warmte-oplossing. In 2025 is deze analyse verrijkt. De uitkomsten schetsen een beeld van de aardgasvrije technische opties in 2050, maar zijn nadrukkelijk geen eindbeeld. Lokale factoren spelen namelijk een grote rol en zijn niet overal in de analyse meegenomen. De PBL-analyse vormt daarom vooral een startpunt voor het gesprek.

Binnen de GMR is samen met gemeenten, op basis van de startanalyse uit 2020 en aanvullend onderzoek door het provinciaal Expertteam warmte, een inschatting gemaakt van de wenselijke warmteoplossing voor de bestaande woningvoorraad van de regio, zie figuur 17. We gaan nog steeds uit van deze grove inschatting waar warmtenetten mogelijk zijn. Ook klimaatneutraal gas

Figuur 17: R  egionale analyse van wenselijke warmteoplossing. Bron: Provinciaal expertteam warmte met aanvullend onderzoek GMR.

wordt gezien als individuele oplossing. • Voor circa 180.000 woningen is een warmtenet wenselijk. • Voor 124.150 woningen is de individuele warmte-oplossing wenselijk. Wat uiteindelijk de oplossing gaat worden, zullen gemeenten in samenspraak met wijken en buurten besluiten in warmteprogramma’s en wijkuitvoeringsplannen.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 37

4.5 Regionale synergie door samenwerking

ondersteunen met subsidies, leningen, energieloketten en advies. Gemeenten kunnen gezamenlijk slimme oplossingen ontwikkelen, van elkaar leren en

De collectieve, maar ook de individuele warmteoplossingen zijn ingrijpende

schaalvoordelen bereiken. De regio kan hierbij ondersteunen.

transities met veel knelpunten. Gemeenten kunnen de haalbaarheid vergroten en de kosten verlagen door samen te werken bij de aanleg en exploitatie van

Samenwerking bij aanpak warmtepompen

warmtenetten, bronnen en transportleidingen. Schaalgrootte, standaardisatie en

Volgens de regionale analyse is voor ongeveer 124.500 woningen een elektrische

financiering helpen daarbij. Voor individuele oplossingen kan een gezamenlijke

verwarming met een individuele verwarmingsinstallatie (warmtepomp)

aanpak van gemeenten zich richten op kostprijsverlaging, ontzorging en

wenselijk. Er zijn ook woningeigenaren in warmtenetgebieden die de voorkeur

handelingsperspectief. Hierdoor wordt het voor woningeigenaren betaalbaar

geven aan een individuele verwarmingsinstallatie. Voor de woningeigenaar

en aantrekkelijk gemaakt. Woningisolatie is bij beide routes een noodzakelijke

is het vervangen van een CV door een warmtepomp een complexe en kostbare

stap. Ook hier kunnen gemeenten samenwerken aan slimme aanpakken om

operatie, ondanks subsidies. De woning vereist een sterkere isolatie en vaak

kosten naar beneden te krijgen en inwoners te ontzorgen.

moeten radiatoren worden vervangen of is de aanleg van vloerverwarming nodig. Deze maatregelen zijn kostbaar en ingrijpend. Bovendien maakt het

Knelpunten

op grote schaal aansluiten van warmtepompen het noodzakelijk om het

De gemeenten hebben aangegeven dat ze aanlopen tegen knelpunten: gebrek

elektriciteitsnet te verzwaren.

aan capaciteit, beperkte juridische, organisatorische en financiële kennis, beperkte financiële middelen, onzekerheid over hun rol en gebrek aan ervaring

Ook hier geldt dat gemeenten gezamenlijk slimme oplossingen kunnen

met grootschalige transitieprocessen. Op deze knelpunten werken de gemeenten

ontwikkelen waarbij ze van elkaar leren en schaalvoordelen behalen. Dit is

samen, bijvoorbeeld met ondersteuning van middelen van de SPUK (Specifieke

in het bijzonder nodig om inwoners een haalbaar en betaalbaar alternatief te

Uitkering) regionale structuur warmte in de periode 2024-2027.

kunnen bieden wanneer gemeenten wijkgericht aan de slag gaan met een allelectric oplossing.

Samenwerking bij isolatie-aanpak Vanwege kosten en netcongestie is het wenselijk om de warmtevraag

Samenwerking bij warmtenetten

van woningen naar beneden te brengen. Dat betekent isoleren. Voor

Bij de regionale analyse is geschat dat voor ongeveer 180.000 woningen een

woningeigenaren zijn isolatiemaatregelen vaak ingrijpend. Ze vereisen een

middentemperatuur warmtenet mogelijk is. Voor woningeigenaren biedt

flinke verbouwing, forse investeringen en ecologisch onderzoek. De kosten

een middentemperatuur warmtenet in principe een eenvoudige en zorgeloze

daarvan zijn niet door alle woningeigenaren op te brengen. Ook verdienen ze

overschakeling: zware isolatie is minder nodig en radiatoren hoeven

zich niet altijd binnen een redelijke termijn terug, ondanks de subsidies die

meestal niet vervangen te worden. Vergeleken met de warmtepomp zijn de

het Rijk en gemeenten verstrekken. Door te isoleren op natuurlijke momenten

investeringen voor de woningeigenaar lager en is er minder overlast. Echter

zoals verhuizing of verbouwing worden de kosten van isoleren verlaagd,

maken woningeigenaren zich zorgen over de kosten van een warmtenet en

meegefinancierd en daarmee betaalbaar gemaakt. Maar niet iedereen heeft

is het voor hen onduidelijk wat ze zelf aan werk moeten doen in hun woning.

die kans, het zijn vaak specifieke groepen die bij het isoleren van de woning in

Bovendien willen ze ook keuzevrijheid hebben. Ze gaan dus niet altijd voor de

de knel komen. Veel gemeenten hebben een aanpak om woningeigenaren te

warmteoplossing met de laagste maatschappelijke kosten.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 38

Wanneer woningeigenaren zelf overstappen op een individuele warmtepomp,

4.6 Warmtebronnen in regio

daalt het aantal potentiële aansluitingen op een warmtenet. Dit maakt de businesscase voor een warmtenet in dat gebied minder haalbaar. Het is dus niet vanzelfsprekend dat een wijk met een aangewezen warmtekavel ook daadwerkelijk een warmtenet krijgt. De collectieve aanpak vraagt daarom om nieuwe inzichten en het delen van ervaringen door gemeenten. De gemeenten in de regio willen dan ook nadrukkelijk samenwerken om te leren van de verschillende aanpakken. Ook kunnen ze een rol spelen bij de ondersteuning van woningeigenaren door ontzorging en financiering. De laagtemperatuur (LT) en de zeer laagtemperatuur (ZLT) warmtenetten komen steeds meer in beeld als alternatief voor de middentemperatuur warmtenetten en de individuele oplossingen. In de regio zijn er nog geen voorbeelden van deze ontwikkeling en het kennisniveau is nog laag. ZLT warmtenetten zijn mogelijk een alternatief en kunnen ook koeling bieden. In de regio wordt dit verder onderzocht.

Figuur 18: Warmteproductie voor de warmtenetten in 2022 en verwachting 2030. Bron: Rapport ‘Verduurzaming bronnen voor warmtenetten’, 2023, CE Delft

Warmtenetten worden gevoed met duurzame bronnen. Figuur 18 geeft een inschatting van de warmtebronnen in Nederland. Voor de toekomstige warmtenetten in onze regio is er een aantal opties voor duurzame bronnen: • De twee afvalverwerkers AVR en ARN • De rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) • Geothermiebronnen • Warmtebuffers HTO’s (en overige boven- en ondergrondse opslag) • Aquathermie • Zonthermie op daken • Bodemwarmte (WKO) • Restwarmte

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 39

Op basis van deze bronnen onderscheiden we in de regio verschillende clusters

Ontwikkelingen

van gemeenten:

De gemeenten zijn in mei 2024 een actieplan overeengekomen waarin

• Het AVR-cluster bestaat uit vijf gemeenten die samen in gesprek gaan over

bestuurlijke afspraken zijn gemaakt om de bestaande AVR-warmte in te zetten

de ontwikkeling van een robuust warmtenet op basis van AVR-warmte en

voor de meest concrete en actuele projecten. Daarin is de realisatie van de

andere nog te ontwikkelen bronnen zoals de rwzi Nieuwgraaf en het ‘warmte

prioritaire projecten opgenomen die de overstap mogelijk maakt van 31.300

uit water’ project van Arnhem en Lingewaard.

woningen met een warmtevraag van 1.115 TJ, op grootschalige collectieve

• Het ARN-cluster telt drie gemeenten die warmtenetten ontwikkelen voor delen van hun gemeenten. • Bij het LOAN geothermie initiatief onderzoeken vier gemeenten de

warmte (op basis van een inventarisatie en analyse van november 2023 en maart 2024). Het gaat hierbij om woningen in Malburgen-Oost, de Startwijken, Velp en de eerste wijken van stad-Zevenaar.

haalbaarheid van geothermie waarbij nadrukkelijk het tuinbouwcluster

De gemeenten zijn nu in gesprek over de doorontwikkeling van het bestaande

NEXTgarden in Lingewaard en later ook de gebouwde omgeving van warmte

warmtenet tot een meerbronnensysteem dat betaalbaarheid, maatschappelijke

kunnen worden voorzien.

kosten, CO2-reductie, leveringszekerheid en technische en organisatorische uitvoerbaarheid combineert. Daarbij staan een aantal opgaven centraal:

In 2025 wordt binnen de regio een warmtebronnenstrategie ontwikkeld die op

• Voortzetten van nu al lopende ontwikkelingen met in totaal 26.000 nieuwe

een later moment aanleiding kan geven om de clustering van gemeenten naar

aansluitingen van bestaande woningen in het cluster. Hiermee wordt de

warmtebron bij te stellen.

bestaande capaciteit van AVR benut. • Onderzoek naar de haalbaarheid van nieuwe duurzame bronnen, energie-

Niet alle gemeenten nemen deel aan de bovengenoemde clusters en binnen vrijwel elke gemeenten zijn er kernen die zich er niet voor lenen. In de toekomst kunnen voor deze gemeenten en kernen op basis van behoeften nieuwe clusters

infrastructuur, seizoensopslag en de daarbij behorende warmtenetten. • Concretiseren van de samenwerking tussen de betrokken gemeenten en bedrijven die nu al actief betrokken zijn bij het warmtesysteem.

worden gevormd. Bijvoorbeeld bij de gezamenlijke aanpak van aquathermie, benutting van warmte van rwzi’s en thema’s zoals warmtevraagreductie,

Het verdelingsvraagstuk dat in de RES 1.0 gesignaleerd is bij de AVR wordt

warmtebuffers en koeling.

zo door gemeenten, warmtebedrijven en warmteproducenten bij voorkeur gezamenlijk (publiek en privaat) opgepakt. Dat leidt naar verwachting tot een

AVR-cluster

duurzaam warmtesysteem met de laagste maatschappelijke kosten.

Feiten en cijfers • Arnhem, Duiven, Westervoort, Rheden en Zevenaar • Totaal 135.000 woningen • 110.000 woningen potentieel geschikt voor aansluiting op het warmtenet • Jaarlijks ca. 2,8 PJ nodig • Warmteproductie AVR tot 2030: 1,13 PJ per jaar • Groei tot 2,7 PJ mogelijk door ontwikkeling warmtebronnen (rwzi, geothermie), seizoenswarmtebuffers en aquathermie

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 40

ARN-cluster

zijn dat er op enkele locaties mogelijkheden voor geothermie zijn maar dat die

Feiten en cijfers

omgeven zijn door onzekerheden. Voor het wegnemen van die onzekerheden

• Nijmegen, Wijchen en Beuningen

zijn proefboringen nodig. De gemeenten onderzoeken momenteel Locatie 3

• Totaal 117.000 woningen

(zie figuur 19) boven het dorp Elst. Deze ligt op acceptabele afstand van de wijk

• Ontwikkelgebieden Waalsprong en Waalfront in Nijmegen al aangesloten op

Schuytgraaf (Arnhem), Elst en het tuinbouwcluster NEXTgarden. Op die locatie

warmtenet • Warmtenet in ontwikkeling in wijk Dukenburg, Nijmegen

bevindt zich waarschijnlijk een interessant geothermisch reservoir van ca. 47 à 56 °C op een diepte van 1 à 1,5 kilometer.

• Gemeenten onderzoeken voor ca. 64.300 woningen een warmtenet als oplossing • ARN belangrijkste bron warmtenet • Gemeenten in overleg over benutting ARN-warmte, ontwikkeling van warmtenetten en een bronnenstrategie Ontwikkelingen Het Expertteam Warmte heeft de mogelijkheden van een warmtenet in dit deel van de regio onderzocht. Een eerste inschatting is dat de huidige warmteproductie van ARN, zonder aanvullende duurzame warmtebronnen en warmtebuffers, voldoende is voor de beoogde nieuwe warmtenetten in de gemeenten Beuningen, Wijchen en Nijmegen. In Nijmegen wordt in de wijk Dukenburg gewerkt aan de ontwikkeling van een warmtenet. Voor meer wijken in Nijmegen geldt dat warmtenetten kansrijk zijn. Als alle potentiegebieden in de drie gemeenten van warmte voorzien gaan worden, vraagt dat om de ontwikkeling van extra warmtebronnen en buffers. De ontwikkelingsopgave voor het ARN-cluster bestaat dus uit het zekerstellen van voldoende warmte voor de toekomstige wijken. Gemeenten zullen, na een eventueel besluit tot aanleg van warmtenetten, die uitdaging op termijn gezamenlijk moeten oppakken om tot synergie te komen.

LOAN In vervolg op het in 2022 verschenen ‘Potentie-onderzoek naar geothermie in Gelderland’, onderzoeken vier gemeenten (Lingewaard, Overbetuwe, Arnhem, Nijmegen: LOAN) de potentie van geothermie. In dat kader is door het bedrijf IF-technology aanvullend onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste conclusies

Figuur 19: Locaties in de regio met mogelijkheden voor geothermie.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 41

De gemeenten werken samen toe naar een proefboring en seismisch onderzoek

Gemeenten en kernen buiten de clusters

om daarmee de onzekerheid te verkleinen en inzicht te verkrijgen in de

Kleinere kernen die vanwege hun ligging geen onderdeel zijn van deze clusters

haalbaarheid van een geothermiebron. Een lobbytraject richting het Rijk gericht

hebben vaak nog weinig zicht op de haalbaarheid van warmtenetten. Vaak

op medefinanciering is hier onderdeel van.

omdat ze geen toegang hebben tot regionale warmtebronnen, geen lokale bron hebben of de haalbaarheid daarvan nog niet bepaald is. Ook profiteren ze niet

Hoewel het onderzoek zich richt op de belangen van de vier gemeenten, is

van de voordelen van samenwerking. Met deze gemeenten werken we samen

het van breder regionaal belang. De bron ligt namelijk dichtbij de ARN- en

aan meer lokale oplossingen, zoals een kleine kernen aanpak of kleinschaligere

AVR-clusters en kan bijdragen aan de ontwikkeling van hun warmtenetten.

bronnen. Daar kunnen mogelijk nieuwe concepten voor worden ontwikkeld.

Bovendien biedt dit inzicht in de bredere potentie van geothermie in de regio. Als de diepe ondergrond zich hier voor geothermie leent, dan waarschijnlijk ook op de andere kansrijke locaties.

4.7 Het perspectief voor collectieve warmte

4.8 Uitdagingen bij de gemeentelijke aanpak In de warmtetransitie hebben gemeenten te maken met diverse uitdagingen: technisch, economisch, organisatorisch-juridisch, personele en op het gebied van draagvlak.

De regionale uitdaging voor 2050 is om 180.000 woningen op een warmtenet aan te sluiten. Dit is gebaseerd op een analyse van onderzoeksbureau Haskoning, aangevuld met inschattingen van GMR. Dit wordt in vervolganalyses door gemeenten nader onderzocht. Een meer-bronnen warmteinfrastructuur maakt efficiënt gebruik van schaalvoordelen, heeft het voordeel dat de bronnen als elkaars piek- en backupvoorzieningen kunnen fungeren én biedt de mogelijkheid om in de toekomst bronnen in en uit te faseren. In de komende jaren heeft de restwarmte van de afvalverwerkingsinstallaties een groot aandeel in de regionale bronnenmix. Omdat deze productie naar verwachting richting 2050 afneemt door kleinere afvalstromen, is het noodzakelijk al eerder alternatieve bronnen te ontwikkelen. Ook om de collectieve warmtevoorziening robuuster te maken én om gemeenten alternatieve warmtebronnen te kunnen bieden, is het wenselijk om al ruim voor 2050 te starten met de ontwikkeling van andere duurzame bronnen. Bijvoorbeeld restwarmte van electrolysers of grootschalige toepassing van aquathermie of zonthermie. Verschillende gemeenten werken om die reden aan een bronnenstrategie. Die wordt momenteel verbreed naar een regionale bronnenstrategie. Dit geeft ons inzicht in nog te ontwikkelen regionale bronnen en een tijdspad hiervoor.

Figuur 20: Holarchische benadering van het energiesysteem. Bron: Naar een holarchisch energiesysteem, topsector energie, 2022. RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 42

Technische uitdagingen

veel gemeenten op nummer één. Subsidies zijn vaak onvoldoende om de hoge

In technisch opzicht ligt de focus voor collectieve warmte in de regio op de

kosten te dekken. Het is dan ook noodzakelijk om kosten flink naar beneden te

grootschalige warmtenetten van ARN en AVR. De benodigde bronnen en

brengen. Schaalvergroting en innovatie kunnen voor collectieve en individuele

systeemcomponenten (geothermie, rwzi, aquathermie en warmtebuffers) staan

warmteoplossingen een flinke bijdrage leveren aan kostprijsverlaging. Voor

aan het begin van de opschalings- en kostprijsdalingscurves.

warmtenetten kunnen de kosten van aanleg en exploitatie naar verwachting flink worden verlaagd door vergaande standaardisering en schaalvergroting.

Binnen, maar ook buiten onze RES, kijken gemeenten naar specifieke

Dat kunnen we alleen maar bereiken met intensieve samenwerking tussen

technieken:

gemeenten, publieke en private partijen. Omdat kostprijsverlaging tijd

• Laagtemperatuur warmtenetten (tussen 10°C en 55°C). Deze warmtenetten

kost, zijn rijkssubsidies vooralsnog onmisbaar en is het ook noodzakelijk

hebben het voordeel dat ze bronnen op lagere temperatuurniveaus kunnen

om warmtetransportnetten buiten de business case van de gemeentelijke

benutten zoals bodemwarmte, lage temperatuur restwarmte, aqua- en

warmtenetten te houden. Voor collectieve warmteoplossingen maakt de GMR

riothermie. Daarvoor is een goede isolatie van de woningen belangrijk. Ze

zich sterk voor aanvullende financiering van onder meer het Rijk. Voor de

bieden soms ook de mogelijkheid om te koelen.

warmtetransportnetten zet de GMR een eerste stap met een maatschappelijke

• Buurtenergiesystemen (BES). Dit zijn kleinschalige warmtenetten gevoed door een collectieve warmtepomp.

kostenbatenstudie. Deze voert ze in het kader van pMIEK, samen met andere regio’s uit.

• De holarchische benadering van Topsector Kennis en Innovatie (TKI). Hierbij wordt de energievraag binnen een gebied integraal aangepakt en zoveel

Juridisch-organisatorische uitdagingen

mogelijk gedekt door lokale bronnen. Zo worden bovenlokale bronnen alleen

Ook de juridisch-organisatorische uitdagingen zijn groot voor gemeenten. De

ingezet voor het in evenwicht houden van vraag en aanbod. Daardoor hoeft

Wet collectieve warmte verandert de markt voor warmtenetten fundamenteel.

de transportinfrastructuur minder verzwaard te worden, wordt het systeem

• De sector verandert van hoofdzakelijk privaat naar publiek. Gemeenten

meer autonoom en robuust en wordt congestie op de transportnetten verlicht.

moeten bepalen hoeveel invloed ze op het warmtenet willen hebben. Voor

Bij een holarchische benadering kunnen energiegemeenschappen een rol

vergaande invloed op de duurzaamheid, tarieven en de activiteiten van het

spelen. Opwek, opslag, verkoop, uitwisseling en afname van energie komen

warmtebedrijf kan een gemeentelijk aandeel in een warmtebedrijf wenselijk

daar in diverse vormen coöperatief binnen één energiegemeenschap samen.

zijn. Verschillende gemeenten richten al gemeentelijke warmtebedrijven op of

Tegelijkertijd kan sturing op energieprofielen plaatsvinden aan de opwek- en

denken na over hun rol.

afnamekant. Hiermee kan de energiegemeenschap bij uitstek de vorm zijn waarin een ‘holon’ (zie figuur 20) kan worden gerealiseerd.

• De warmtetarieven zullen niet langer op de prijs van aardgas gebaseerd zijn, maar op de werkelijke kosten van het betreffende warmtenet. Dat

Door binnen de regio met elkaar deze innovatieve concepten nader te

kan leiden tot prijsverschillen tussen grote en kleine gemeenten, tussen

onderzoeken en pilots uit te voeren, kunnen we sneller leren.

landelijke en stedelijke gebieden en tussen gebieden met goedkope en dure warmtebronnen die de warmtetransitie in de weg kunnen staan.

Economische uitdagingen

In deze sterk veranderende omgeving zoeken veel gemeenten naar de

De economische uitdaging van de warmtetransitie is groot voor gemeenten.

juiste organisatorische vorm. Daarbij bestaat het risico dat gemeenten los

Alle inwoners moeten meekunnen in de warmetransitie. De betaalbaarheid

van elkaar tot andere keuzes komen. Hierdoor kan een lappendeken van

van aansluiting op een warmtenet, een warmtepomp en isolatie staan bij

warmtebedrijven ontstaan die de standaardisatie en schaalvergroting in de RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 43

weg staan. Het is wenselijk dat gemeenten gezamenlijk onderzoeken hoe

1.  We streven naar collectieve warmtesystemen waar dat uit het oogpunt van

ze kunnen komen tot een regiobrede organisatie die de warmtetransitie

nationale kosten de beste oplossing is, maar ook waar dat beter past in het

optimaal ondersteunt. Gemeenten kunnen de hulp inroepen van het GWIB

integrale energiesysteem en het beschikbare ‘doen-vermogen’ in een wijk

(Gelders WarmteInfraBedrijf). Het GWIB helpt hen bij de ontwikkeling van een

of buurt. Samen onderzoeken we de technische en financiële kant van de

gemeentelijk warmte-infrabedrijf en kan een rol spelen bij het ontwikkelen van

regionale warmtetransitie.

regionale warmtebedrijven.

2.  We ondersteunen de ontwikkeling van gemeentelijke of subregionale warmtebedrijven om te komen tot een betaalbaar aanbod voor onze

Uitdagingen op het gebied van draagvlak

bewoners en de borging van onze publieke waarden.

Draagvlak voor de warmtetransitie bij inwoners en politiek is essentieel.

3.  We ontwikkelen samen een visie op een optimaal warmtesysteem waar dat

Gemeenten stellen warmteprogramma’s en wijkuitvoeringsplannen op

gewenst en relevant is. Dat kan op subregionaal niveau zijn. De visie omvat

waarbij ze inwoners intensief betrekken. Betaalbaarheid, ontzorging en

tenminste de technisch-economische, bestuurlijke en sociale aspecten.

handelingsperspectief zijn onmisbare elementen voor het creëren van

Het doel is versnippering te voorkomen en schaal- en efficiencyvoordelen

draagvlak. Daarbij kan socialisatie van kosten tussen dure en minder dure

te benutten, zodat de warmtetransitie betaalbaar en toegankelijk blijft.

warmtenetaansluitingen het draagvlak vergroten. Specifiek voor restwarmte

Gemeenten kunnen in hun eigen tempo en binnen hun eigen mogelijkheden

kan er beperkt draagvlak zijn als het voortbestaan van een vervuilend

aansluiten, waarbij de visie wordt meegenomen in warmteprogramma’s die

bedrijfsproces wordt gelegitimeerd door levering van restwarmte. Sommige gemeenten binnen onze regio hebben aangegeven behoefte te hebben aan

gemeenten momenteel ontwikkelen. 4.  We werken waar mogelijk en nodig in gezamenlijkheid aan

intensieve samenwerking om regionaal tot wijkuitvoeringsplannen te komen

bovengemeentelijke oplossingen, wisselen informatie over business cases

die ontzorgen, draagvlak hebben en betaalbaar zijn.

uit en benutten logische koppelkansen. Waar het kan, werken we met lokale warmtebronnen en -buffers (local for local).

4.9 Voorstellen voor gezamenlijke actie

5.  We werken regiobreed samen, delen kennis en leren gezamenlijk, hierbij zetten we in op: • Pilots die als voorbeeld voor alle gemeenten kunnen dienen.

Sinds de RES 1.0 zijn er binnen de regio grote stappen gemaakt. De uitdaging

• Het op projectniveau ontdekken van de voordelen van samenwerking om zo

is echter groot: er moeten meer dan 300.000 woningen van het aardgas af

te groeien naar haalbare en betaalbare warmtesystemen.

waarvan idealiter meer dan de helft met een collectieve warmtevoorziening

• Het aansluiten op de energievisie Gelderland waarin wordt opgeroepen tot

wordt verwarmd. Dat vraagt om afspraken over samenwerking en, vanwege

een slim en decentraal energiesysteem met een diverse energiemix en een

de schaarste aan duurzame warmte, over de ontwikkeling en inzet van

flexibel systeem om vraag en aanbod met elkaar te combineren.

warmtebronnen. De gemeenten spreken daarom het volgende af:

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 44

COLOFON Regionale Energie Strategie

Fotoverantwoording

Arnhem-Nijmegen 2025

Rien Ramerman

RES 2.0

Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen

Opdrachtgever

We hebben geprobeerd alle rechthebbenden

• Bestuurlijk Platform Circulaire Regio - RES

met betrekking tot foto’s in het document

• Bestuurlijk Opdrachtgever RES:

te achterhalen. Mocht u desondanks foto’s

Maarten van den Bos, wethouder Ruimtelijke

tegenkomen, waarvan u rechthebbende bent

Ordening, handhaving, duurzaamheid en

en u heeft geen toestemming gegeven voor de

milieu gemeente Lingewaard

publicatie ervan, neemt u dan contact

• Ambtelijk Opdrachtgever RES:

op via res@gmr.nl

Michiel Hustinx, opgavemanager Circulaire Regio

Vormgeving Groep 5700 Meer info www.gmr.nl/res

Proces en contact Ine van den Hurk, procesregisseur RES Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Elst, oktober 2025

res@gmr.nl Opgesteld door Regionaal project team RES in samenwerking met de gemeenten Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar, de waterschappen Rijn en IJssel, Rivierenland en Vallei en Veluwe, provincie Gelderland en Liander. RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 45

Verklarende afkortingen- en definitielijst Afkortingen

Verklarende woordenlijst

EZK

= Ministerie van Economische Zaken

Aquathermie

GEA

= Gelders Energieakkoord

Aquathermie is de verzamelnaam voor de winning, opslag en distributie van

GEIS

= Gelderse Energie Infrastructuur

warmte en/of koude uit riool-, afval-, drink- en oppervlaktewater.

GWIB

= Gelders Warmte Infra Bedrijf

HT

= Hoge Temperatuur warmte

Energietransitie

LT

= Lage Temperatuur warmte

Structurele verandering van de samenleving naar een samenleving met

m.e.r.

= Milieueffectrapportage

duurzame fossielvrije energiehuishouding.

MT

= Midden Temperatuur warmte

NPRES

= Nationaal Programma Regionale Energie Strategie

Gebouwde omgeving

OER

= Opwek Energie op Rijksgronden

De verzameling bestaande woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen,

PBL

= Planbureau voor de Leefomgeving

enzovoorts.

PS

= Provinciale Staten

RES

= Regionale Energiestrategie

Gelders Energieakkoord (GEA)

RSW

= Regionale Structuur Warmte

In het netwerk van het Gelders Energie Akkoord werken bijna 250 Gelderse

RVO

= Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

organisaties samen. Inzet: 55% minder CO2- uitstoot in 2030 en een

RWS

= Rijkswaterstaat

klimaatneutrale provincie in 2050.

TVW

= Transitievisie Warmte

WUP

= Wijkuitvoeringsplan

Groene Metropoolregio

TWh

= Terawattuur

De Groene Metropoolregio is een samenwerking tussen 18 gemeenten uit de regio. Vanaf 1 januari 2021 werken zij, vanuit een gezamenlijke visie en een regionale agenda van vijf opgaven, aan een goede balans tussen groei en leefkwaliteit.

Klimaatakkoord De Nederlandse invulling (juni 2019) van het Klimaatakkoord van Parijs, bestaande uit meer dan 600 afspraken tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 te halveren ten opzichte van 1990.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 46

Lokaal eigendom en zeggenschap

Regionale Energiestrategie (RES)

Bij lokaal eigendom doen lokale partijen (waaronder inwoners) zowel in

De Regionale Energietransitie is een instrument om met maatschappelijke

financieel opzicht als in zeggenschap mee in een vorm van duurzame

betrokkenheid te komen tot regionale keuzes voor:

opwekking. Voor nieuwe grootschalige zonnevelden en windmolens geldt

D  e opwekking van duurzame elektriciteit;

vanuit het Klimaatakkoord en de RES Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen

D  e warmtetransitie;

een streven naar minimaal 50% lokaal eigendom. Lokaal eigendom is anders

D  e daarvoor benodigde energie infrastructuur.

dan alleen financiële participatie. Bij die laatste zijn er geen afspraken over zeggenschap van de omgeving gemaakt. Een voorbeeld van financiële

De RES is ook een manier om de samenwerking tussen alle regionale partijen

participatie zonder zeggenschap is het uitgeven van obligaties aan het eind van

(overheden en maatschappelijke organisaties) te organiseren in voorbereiding

het ontwikkelproces. Andere voorbeelden van financiële participatie zijn het

op concrete projecten die voortkomen uit de RES.

kopen van aandelen in een windpark of zonneveld of een omgevingsfonds.

Tot slot is de RES een product waarin staat beschreven welke strategie de RES-regio hanteert om lokale/regionale energiedoelstellingen te bepalen en te

Nationaal Programma RES (NPRES)

behalen. De RES heeft een horizon van 2030 met een doorkijk naar 2050.

NPRES heeft tot doel om de regio’s zo veel mogelijk te ondersteunen bij het opstellen van hun RES. Het programma wordt getrokken door de drie

RES-deelnemers

koepelorganisaties (VNG, IPO, en Unie van Waterschappen) en de ministeries

De deelnemers die samen de RES vormgeven en daarover besluiten: de

van EZK en BZK

gemeenten Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort,

Omgevingsvisie

Wijchen en Zevenaar, de waterschappen Rijn en IJssel, Rivierenland en Vallei

Rijk, provincies en gemeenten stellen ieder een omgevingsvisie op: een

en Veluwe, provincie Gelderland en Liander. Liander neemt geen besluiten

strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving.

over de RES. Liander (en TenneT) besluiten over de investeringsplannen voor infrastructuur.

Participatie Meedenken, meepraten en meedoen bij de totstandkoming van een plan of

Regionale Structuur Warmte (RSW)

een project door een brede groep van stakeholders. Dit kunnen zijn bewoners,

De Regionale Structuur Warmte brengt de vraag naar, het aanbod aan en de

bedrijven, maatschappelijke organisaties, (semi) overheden die direct te maken

infrastructuur van warmte in kaart. Het is onderdeel van de RES.

krijgen met het plan of het project. Participatie in het kader van de RES kun je onderscheiden in proces- en projectparticipatie.

Terawattuur Terawattuur is een meeteenheid voor energie. In het kader van de RES wordt de term onder andere gebruikt voor de hoeveelheid energie die per jaar wordt gebruikt of opgewekt. 1 terawattuur = 1 miljard kilowattuur = 1.000.000.000 kilowattuur. 1 TWh staat gelijk aan circa 1.000 hectare zonnepanelen of ongeveer 70 windturbines van 4 MW.

RES 2.0 Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen - 47

Transitievisie Warmte In de Transitievisie Warmte leggen gemeenten hun visie vast op de warmtetransitie en lichten ze hun voorziene strategie op inzet van warmtebronnen toe. Ook wordt vastgelegd op welke termijn wijken aardgasvrij worden en welke alternatieve warmtevoorziening voor elke wijk het meest voor de hand ligt.

Warmtecluster In een warmtecluster komen vraag en aanbod van warmte bij elkaar: er is een warmtebron met daar omheen gelegen warmtevraagclusters die interesse hebben in de afname van warmte uit die bron.

Warmtevraagcluster Een cluster van gebouwen (woningen, bedrijven, enzovoorts) met een bepaalde vraag naar warmte. De gebouwen vormen samen een cluster omdat ze dicht bij elkaar liggen en samen een vraag naar warmte hebben ter grootte van minimaal 1.500 woningen. Rondom clusters vanaf die omvang is de aanleg van een grootschalig warmtenet kansrijk.

Zoekgebied Een zoekgebied is een bepaald gebied waar windturbines of zonnevelden zouden kunnen komen. Dit wil dus niet zeggen dat zomaar overal in het zoekgebied turbines of zonnevelden geplaatst gaan worden. Slechts een deel van het totale gebied zal benut worden. Initiatiefnemers kunnen een voorstel voor een wind- of zonnepark indienen bij de gemeente. Of een voorstel uitgevoerd gaat worden, hangt er onder andere van af of er restricties gelden, zoals wetgeving ten aanzien van natuur en veiligheid. Ook speelt het maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak een rol. De gemeente, de netwerkbeheerder, ontwikkelaars, inwoners en andere belanghebbenden bepalen samen hoe en waar er gaat worden opgewekt. Voordat de eerste schop de grond in gaat doorloopt elk nieuw project verschillende stappen, zoals een toets op de omgevingsvisie, een milieutoets en een vergunningsaanvraag. Dat biedt inwoners en belanghebbenden meerdere momenten om mee te praten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16385058/1