CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I RES-1.0-AN 20210305-DEF

Raad 3 juni 2021, gemeente HeumenBij agendapunt: Bod RES 1.0 Regio Arnhem Nijmegen24.018 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

VERHOUDING WIND/ZON IN MW (VERMOGEN) IN CONCEPT BOD

VERHOUDING WIND/ZON IN MW (VERMOGEN) IN RES 1.0

11%

3% WIND

WINDTURBINES

89%

ZONNEVELDEN EN ZON OP DAK

97% ZON

Via het dashboard ‘zon op dak’ is de theoretische potentie van RES-niveau tot op buurtniveau beschikbaar. In het dashboard kun je ook zien wat er mogelijk is tot 15 kWp, hoewel deze kleinschalige zonnedaken niet meetellen in de RES.

VEELGESTELDE VRAGEN Dashboard zon op dak

Initiatieven en projecten

Verhouding wind/zon

In totaal zijn er 88 initiatieven en projecten die meetellen in de RES. Dit aantal is gebaseerd op de stand van zaken van januari 2021. Daarna is de doorrekening gestart en zijn wijzigingen in het bronbestand niet meer verwerkt. Een nieuwe update volgt in de RES 2.0.

De verhouding tussen de opbrengst uit wind en zon was in het concept bod erg uit balans. Het huidige bod laat een goede ontwikkeling zien, maar het is nog niet de gewenste 50%-50% verhouding. Zie paragraaf ‘Netwerk’ voor meer informatie.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

>

> >

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Hoeveel elektriciteit wekt één wind­ turbine op? En wat is de opbrengst van een hectare zonneveld? Kunnen er nu overal windturbines komen in de zoekgebieden? Waarom leggen we niet eerst de daken vol met zonnepanelen?

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

2 7

In de RES van Regio Arnhem Nijmegen wordt ingezet op clustering van windturbines en het voorkomen van versnippering. Vanuit Staatsbosbeheer ondersteunen wij die insteek. Daarvoor is bovenregionale afstemming en regie nodig.”

VERKENNINGSGEBIEDEN WIND IN RES 2.0

Marjolein Kloek, Staatsbosbeheer

Extra verkenningsgebieden windturbines Om de wind/zon-verhouding te verbeteren is een globale verkenning uitgevoerd naar kansrijke gebieden voor extra windturbines. Deze gebieden staan op de kaart rechtsboven weergegeven. Deze zijn geen onderdeel van het bod in deze RES 1.0 en worden nader onderzocht in het traject naar de RES 2.0. Ze zijn op dit moment nog onvoldoende uitgewerkt en nog niet lokaal met het bestuur, de gemeenteraad en de omgeving besproken. Deze gebieden

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

hebben een technische potentie van 21 windturbines van 5,6 MW die gezamenlijk 0,40 TWh opleveren. De wind/zon-verhouding kan daarmee stijgen naar 18% wind en 82% zon uitgedrukt in vermogen (was 3% wind, 97% zon in concept bod). Voor deze gebieden geldt dat een combinatie met zonnevelden nader verkend kan worden. Dit kan ook leiden tot de conclusie dat alleen zonnevelden worden toegepast in deze gebieden.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

2 8

4.1.2 Ruimtelijke afspraken

In de afgelopen maanden is een set richtinggevende ruimtelijke afspraken ontwikkeld. Daarmee kunnen we voorkomen dat windmolens en zonnevelden als confetti verspreid worden over het mooie, kostbare landschap in onze regio. De afspraken zijn ook bedoeld voor het behoud van natuur en het beperken van de overlast voor inwoners. Ten slotte helpen de afspraken om duidelijkheid te geven aan initiatief­ nemers van nieuwe zon- en windprojecten. De af­spraken zijn de uitkomst van een zorgvuldig traject met ambtenaren, bestuurders en een geselecteerde groep stakeholders. Deze lijst met zes ruimtelijke afspraken is onderdeel van de RES 1.0. Ze worden verder uitgewerkt in de periode tot de vaststelling van de RES 2.0 in 2023. Ze worden in die periode ook onderdeel van beleid van alle overheden gemaakt. Er is een verdere ruimtelijke onderbouwing nodig van de gebieden buiten de huidige zoekgebieden, de zoekgebieden en ‘verkenningsgebieden extra wind’ voor alle Gelderse RES-regio’s om deze afspraken uiteindelijk juridisch houvast te geven. Dit houvast is nodig om te voorkomen dat de provincie op gronden van goede ruimtelijke ordening vanuit de Elektriciteitswet gedwongen wordt om via een Provinciaal Inpassingsplan (PiP) windturbines alsnog mogelijk te maken buiten de huidige zoekgebieden en de ‘verkenningsgebieden extra wind’.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

We streven naar regionale samenhang met ruimtelijke kwaliteit waarbij zoveel mogelijk gekoppeld wordt aan gebiedsopgaven. Dit vraagt om regionale regie omdat het schaalniveau van een gemeente daarvoor te klein is. Invulling geven aan de RES is balanceren tussen enerzijds behouden van de gemeentelijke autonomie versus optimaal afstemmen en samen optrekken op regio niveau. Voor dat laatste hebben we gezamenlijk onderstaande afspraken gemaakt om de kracht van het landschap op regionaal niveau te behouden. Gemeenten zullen komende jaren doorgaan met het verder brengen van projecten die op dit moment nog verkeren in de ideefase, dan wel werken aan het opstarten van nieuwe initiatieven. Soms ook buiten de zoekgebieden of de ‘verkenningsgebieden extra windturbines’. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat er altijd eerst overleg plaatsvindt aan de regionale tafel. Dit is het bestuurlijk overleg van de Circulaire Regio onder de Groene Metropoolregio. De exacte werkwijze wordt bij de start van de RES 2.0 verder uitgewerkt, waarbij twee uitgangspunten essentieel zijn: 1. ‘Lokale autonomie waar dat kan en benutten van de kracht van de regio waar dat moet’; 2. Zo min mogelijk frustratie van lopende processen. Dit houdt bijvoorbeeld in dat de regie blijft bij de partijen die initiatieven inbrengen. Maar ook dat het proces zo ingericht wordt dat een voortvarende aanpak geborgd blijft.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Op deze manier is er altijd ruimte voor lokale initiatieven en maatwerk en blijft de kracht van de gezamenlijke afspraken overeind. Het doel is om het onderlinge gesprek en het samen vinden van ruimte voor initiatieven laagdrempelig te houden. De ruimtelijke afspraken zijn alleen van toepassing op grootschalige initiatieven, niet op kleinschalige initiatieven. Met kleinschalige initiatieven bedoelen we: • •

Kleine individuele windturbines die kleiner zijn dan of gelijk aan 26 meter ashoogte; Kleine zon-initiatieven die een vermogen hebben die kleiner is dan of gelijk aan 2 megawatt (en daarmee op het lokale spanningsniveau past).

De ruimtelijke afspraken zijn:

13 Inspanningsverplichting Voor het bod RES 1.0 spreken we een inspanningsverplichting af ten aanzien van de opbrengst van grootschalige windturbines, zonnevelden en grootschalig zon op dak die we in de RES 2.0 nader uitwerken op lokaal niveau. Deze verplichting betekent dat alle RES-partners zich gezamenlijk inspannen om het bod RES 1.0 te realiseren, dus niet alleen de gemeenten waarbinnen zoekgebieden vallen. Het betekent ook dat de gemeenten actief de verkenning starten – zo ver dat nog niet is gebeurd – en op zoek gaan naar mogelijkheden om zon- en windprojecten te ontwikkelen.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

2 9

14 Ontwikkelingen buiten het bod Voor de periode tot besluitvorming van de RES 2.0 zijn er zonder overleg aan de regionale tafel enkel grootschalige ontwikkelingen van zonnevelden en windturbines of combinaties zon-wind mogelijk: • •

•

Binnen de regionale zoekgebieden; Binnen de huidige projecten pijplijn die hoort bij de RES 1.0 vanaf sub-fase ‘Beleidscheck’ tot en met ‘Realisatie’; Binnen de ‘verkenningsgebieden extra windturbines’.

Ontzie de laatste natuurgebieden en waardevolle landschappen. In het overgrote deel van Nederland stelt de biodiversiteit technisch gesproken weinig voor. Er zijn dus voldoende alternatieven voorhanden om grootschalige energieopwekking niet ten koste te laten gaan van waardevolle natuur en/of landschap.” Jaap Dirkmaat, Vereniging Nederlands Cultuurlandschap

15 Groepering windturbines

16 Koppeling ruimtelijke kwaliteit

Om visuele ruimtelijke versnippering (‘confetti’) door windturbines te voorkomen is groepering van windturbines nodig. Hiermee houden we andere gebieden vrij van windturbines en borgen we regionale ruimtelijke samenhang. Op basis van een ontworpen totaalcluster is gefaseerde uitvoering wel mogelijk. Voor het plaatsen van windturbines is daarom de afspraak dat grote windturbines:

Combineer ontwikkeling van windturbines en zonnevelden altijd met de ruimtelijke kwaliteit en samenhang van het totale gebied. Houd rekening met het gebruik van de ruimte door lokale partijen, stakeholders en inwoners. We streven naar een integrale aanpak op drie niveaus: • Koppeling met regionale opgaven; • Koppeling met andere opgaven in de gebiedsprocessen, waarin de afweging wordt mee­genomen van te maken investeringen in gebiedscompensaties en gebiedsversterkingen; • Benutten van koppelkansen bij de lokale inpassing.

• • •

•

Niet solitair maar gegroepeerd worden geplaatst; De groepering in een lijnopstelling of in een clusteropstelling wordt uitgevoerd; De onderlinge afstand van deze opstelling zodanig is dat beeldinterferentie zoveel mogelijk wordt voorkomen (= ontwerponderzoek bij uitwerking zoekgebieden en toets bij projecten buiten de zoekgebieden); De inpassing van windlocaties in samenhang met de ontwikkeling in aangrenzende andere RES’en wordt beoordeeld.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

Visie op RES 1.0 VNC

17 Voorkeursvolgorde zon Grootschalige zonnevelden moeten mede worden beoordeeld op: • De mate van aantasting van karakteristieke kenmerken van het landschap; • De samenhang met andere functies in het gebied, (zoals landbouw, biodiversiteit, cultuurhistorie); • De landschappelijke samenhang; • Dubbel ruimtegebruik.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Hiervoor zetten we op regionale schaal in op een voorkeursvolgorde voor zonnevelden waarin zon op dak worden opgenomen. De regionale zoekgebieden van de RES 1.0 maken onderdeel uit van deze voorkeursvolgorde. Deze voorkeursvolgorde werken we in het traject naar RES 2.0 verder uit. Het betekent niet dat eerst alleen de daken benut worden. Er is inzet op alle vlakken tegelijkertijd nodig. Maar de afweging van de gronden die we daarvoor inzetten is cruciaal.

18 Combineer wind/zon Combineer windturbines zoveel mogelijk met zonnevelden en vice versa. Dit zorgt voor lagere maatschappelijke kosten voor de elektriciteitsinfrastructuur. We streven naar een regionale en waar mogelijk lokale verhouding wind/zon van 50/50. Daarbij kijken we binnen de zoekgebieden en gebiedsprocessen naar lokale en optimale haalbaarheid en de optelling per onderstation. De volledige lijst met afspraken staat in hoofdstuk ‘Ons bod’.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 0

VERBRUIK IN RES-REGIO ARNHEM NIJMEGEN VERBRUIK IN RES REGIO ARNHEM NIJMEGEN Een terawattuur (TWh), hoeveel is dat eigenlijk?

In 2016 verbruikte de regio 17,8 TWh aan energie (gas, elektriciteit, warmte en brandstof voor vervoer). De globale verwachting is dat het verbruik tot en met 2030 kan dalen tot 13,5 TWh en in 2050 tot 8,3 TWh. Dit vraagt echter om een zeer forse inzet op alle terreinen van de energietransitie.

1 TWh = 1.000.000.000 kWh Wattuur (Wh) is een eenheid waarin we elektrische energie uitdrukken. Watt is het vermogen en wattuur de hoeveelheid vermogen in een uur. Dus: als een windturbine met een vermogen van 5,6 megawatt (MW) een uur heeft gedraaid, dan heeft hij 5,6 megawattuur (MWh) opgewekt.

ca. 7 0 0 . 0 0 0 inwoners

ca. 3 4 0 . 0 0 0 huishoudens jaarlijks verbruik per huishouden:

2 . 8 3 2 k W h (Nib u d, 2 0 2 0 )

jaarlijks verbruik regio: 17,8 TWh

O P B R EN G S T W I N DT UR BI N ES VERGELIJKING OPBRENGST UIT WIND EN ZON

243 m

1 windturbine van 5,6 MW wekt evenveel elektriciteit op als een zonneveld van 18 ha

18 ha

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Een hoge windturbine met een vermogen van 5,6 MW levert jaarlijks stroom aan 6.700 huishoudens.

Een lagere windturbine met een vermogen van 3 MW levert jaarlijks stroom aan 3.600 huishoudens.

ZON N EV EL D E N Een voorbeeld: zonneveld Lage Woerd in Beuningen heeft 22.000 panelen met een totaal vermogen van 6 MW en levert jaarlijks stroom aan 1.950 huishoudens.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 1

4.1.3 Gebiedsopgaven

4.1.4 Wet- en regelgeving Kaarten (juridische) restricties zon en wind

Kaarten gebiedsopgaven

Het hoofdstuk ‘Integrale aanpak’ beschrijft dat de windturbines en zonnevelden een onderdeel zijn en ruimte claimen binnen de brede leefomgeving. Nederland is een drukbezet land en daarom moeten we verschillende opgaven goed afwegen. In hetzelfde hoofdstuk staat beschreven dat de andere gebiedsopgaven in de regio expliciet zijn meegenomen vanaf de allereerste ontwerpstappen. Door vanuit de identiteit en opgaven van de regio te zoeken naar kansen voor windturbines en zonnevelden krijgen we een goede balans. Sommige opgaven staan loodrecht tegenover elkaar en andere opgaven kunnen elkaar juist versterken. De volgende regionale opgaven zijn meegenomen in het ontwerpproces van de RES en uitgebreider beschreven in de online omgeving. •

Landschappen en identiteit

•

Natuur- en ecologienetwerk

•

Cultuurhistorische identiteit

•

Klimaatadaptatie

•

Stedelijke ontwikkeling en mobiliteit

•

Landbouw

•

Recreatie

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

Er mogen niet zomaar overal zonnevelden en windturbines komen. Er is wet- en regelgeving die de kwaliteit van de leefomgeving beschermt. Harde restricties geven een blokkade, bij zachte restricties is er meer mogelijk, bijvoorbeeld door extra maatregelen te nemen of na extra onderzoek. Over het algemeen zijn restricties voor windturbines dwingender dan die voor zonnevelden. Denk aan geluidsnormen voor windturbines voor de gebouwde omgeving, regelgeving in natuurgebieden, of hoogtebeperkingen door de activiteiten van Defensie. Het lijkt onwaarschijnlijk dat voor 2030 harde restricties worden aangepast, aangezien dit veel tijd kost. Voor 2030 is meer mogelijk binnen de zachte restricties. Uiteraard zijn de gebieden zonder restricties het meest aantrekkelijk, maar bijna overal geldt wel een vorm van restrictie. Als we de huidige beleidsregels strikt hanteren, is er nauwelijks tot geen plaats voor windturbines. Voor de klimaatopgave is het nodig om de belangen opnieuw af te wegen. Die afweging kan het beste vanuit een integrale visie worden gedaan, zodat er aandacht is voor alle verschillende doelstellingen die een impact hebben op het landschap. Op dit moment wordt het beleid nog sterk sectoraal gemaakt en dat komt de integrale klimaatdoelstellingen niet ten goede.

Interactieve GIS kaart met daarin voor zowel wind als zon de harde en zachte restricties en voor wind de restrictievrije gebieden als clickable kaartlagen. Kaarten in de online omgeving tonen de harde en zachte restricties voor windturbines en zonnevelden.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Opwek uit wind is effectiever, sluit beter aan op het vraagpatroon en kost geen landbouwruimte. Samen met de overheden wil LTO Noord zich maximaal inspannen om de uitrol van zon op dak, erf en restgronden te benutten, in combinatie met opwek uit wind.” LTO Noord, regio Oost

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 2

Visie op de RES 1.0 van LTO Noord

4.1.5 Gemeentelijk beleid

Kaart gemeentelijk beleid

Veel gemeenten werken actief aan de energietransitie. De realisatie van windturbines en zonnevelden is onderdeel van hun duurzaamheidsprogramma’s en routekaarten. De meeste gemeenten in Regio Arnhem Nijmegen hebben momenteel lokaal beleid voor windturbines en zonnevelden. Het regionaal overzicht geeft een heel divers beeld.

op voor de RES 2.0: hoe verhouden 16 (op elkaar afgestemde) versies van lokaal beleid zich tot een duidelijke regionale regie? Is een samenhangend regionaal beleid met lokaal maatwerk niet effectiever? Dit vraagstuk gaat mee naar RES 2.0.

Sommige gemeenten wijzen voorkeursgebieden aan, anderen wijzen uitsluitingsgebieden aan en weer anderen beide. Soms wordt hierbij benoemd hoeveel windturbines en/of zonnevelden worden toegestaan, en werken gemeenten met aanbestedingen om dit per tijdsperiode in te vullen. Sommige gemeenten laten op dit moment geen windenergie toe. Ook stellen gemeenten diverse voorwaarden rondom economische, ruimtelijke, technische of omgevingsgerichte aspecten. Bijvoorbeeld de voorwaarde dat een deel van het project door of in nauwe samenwerking met inwoners en maatschappelijke organisaties moet zijn ontwikkeld, of de voorwaarde dat er altijd sprake moet zijn van natuurversterking of landschapsherstel. Een deel van de gemeenten heeft de randvoorwaarde van (deels) lokaal eigendom opgenomen in beleid, anderen zijn daarmee bezig. Het gemeentelijk beleid in de RES is een moment­ opname. Het verandert met regelmaat, wat logisch is in dit soort processen. De ruimtelijke afspraken van de RES 1.0 werpen een belangrijk vraagstuk

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 3

Vijf alternatieven voor aardgas 4.2 Warmte

4.2.1 De overstap naar duurzame warmte Nederland gaat de komende jaren 7 miljoen woningen en 1,5 miljoen gebouwen aardgasvrij maken. Het streven is om in 2030 de eerste 1,5 miljoen aardgasvrije woningen en gebouwen gereed te hebben. Ook voor onze regio is deze warmtetransitie een grote opgave, waarbij voor iedere woonwijk of kleinere kern bekeken wordt wat het meest geschikte alternatief voor aardgas is, en op welke termijn deze overstap haalbaar en betaalbaar is. Het onderdeel binnen de RES dat over het warmte­ vraagstuk gaat heet de RSW; Regionale Structuur Warmte. Hiermee wordt de regionale vraag, het aanbod en de infrastructuur in kaart gebracht. Ook een aanzet voor een mogelijke toedeling van warmtebronnen maakt hier onderdeel van uit. De RSW moet gezien worden als een eerste verkenning, een vertrekpunt, op basis waarvan de komende jaren verder overleg en aanvullend onderzoek zal worden uitgevoerd. Regio Arnhem Nijmegen heeft voldoende potentie voor de ontwikkeling van een regionale warmteinfrastructuur. Die zal nodig zijn om een deel van de woningen en andere gebouwen aan te sluiten op een zogenaamd warmtenet.

Dit is een collectieve warmteoplossing, waarbij in plaats van aardgas warmte wordt geleverd, afkomstig van warmtebronnen zoals papierfabrieken of andere industriële bedrijven, afvalverbranders, of van warmte uit de omgeving (denk aan warmte uit de bodem of uit oppervlaktewater). R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

Warmtenet met middentot hogetemperatuurbron

Individuele elektrische warmtepomp

Warmtenet met lagetemperatuurbron

Toekomstige oplossing

Groengas

WELKE ALTERNATIEVEN VOOR AARDGAS ZIJN ER? In 2050 willen we heel Nederland van het aardgas af hebben. Wat daarvoor in de plaats komt, is nog onzeker. Er wordt volop geëxperimenteerd met verschillende ‘nieuwe’ warmtebronnen zoals aard­ warmte, warmte uit oppervlaktewater (aquathermie) en restwarmte. Ook wordt er gezocht naar duurzame manieren om zonnewarmte langer op te slaan.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 4

STATUS TRANSITIEVISIE WARMTE 4.2.3 Lokaal regie bij gemeente De regie op de lokale warmtetransitie ligt bij de gemeenten. Ze hebben daartoe verschillende instrumenten binnen de kaders van de Warmtewet en de Omgevingswet, en andere beleidsruimte om de afspraken over warmte te borgen. In de digitale omgeving is een uitgebreidere toelichting opgenomen over de verschillende instrumenten. Het is van belang om te begrijpen in welke mate

warmtebron. Hieruit valt op de maken dat ook gemeenten die nog geen TVW hebben vastgesteld, al wel nadenken over hun bronnenstrategie. Komende tijd zullen we de voortgang op de uitwerking van TVW’s blijven volgen. In de RES 2.0 wordt scherp in beeld gebracht hoe deze TVW’s zich verhouden tot de geschetste kansrijke regionale (infra)structuur warmte (RSW). De in het concept bod opgenomen warmtekansenkaart zal op basis van deze nieuwe inzichten in de RES 2.0 worden geactualiseerd.

WARMTE - LOKALE REGIE 4.2.2 Wat doen we regionaal, en wat lokaal?

INSTRUMENTEN UIT WARMTEWET 2.0

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten aan de lat staan voor de uitvoering van de warmtetransitie, de regie ligt dus op lokaal niveau. Maar om de uitvoering op lokaal niveau goed te laten verlopen is het nodig om op regionale schaal afspraken te maken over het verdelingsvraagstuk van warmte, en dan specifiek binnen gebieden waar meerdere partijen belang hebben bij de inzet van dezelfde warmtebron.

Transitievisie Warmte + wijkuitvoeringsplannen

Op het niveau van de RES kijken we dus vooral naar díe gebieden in onze regio waar de ontwikkeling van grote warmtenetten kansrijk is, en nemen daarbij de warmtebronnen mee die op regionaal niveau inzetbaar zijn. Rond deze bovenlokale (of soms zelfs bovenregionale) warmtebronnen zal de komende jaren een structureel gesprek plaatsvinden met alle betrokken partijen, om af te stemmen op welke wijze deze bronnen zo efficiënt mogelijk kunnen worden ingezet om de warmtetransitie te doen slagen. R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

INSTRUMENTEN UIT OMGEVINGSWET

OVERIGE BELEIDSRUIMTE

Warmteprogramma

Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (AVOI)

Toelichting instrumen­ ten

Privaatrechtelijke afspraken rond eigendom

Vaststellen warmtekavel Aanwijzen warmtebedrijf Uitwerken kavelplan

gemeenten kunnen sturen op de warmte afspraken. In onze regio hebben inmiddels drie gemeenten een TVW vastgesteld, de andere gemeenten zijn nog bezig met de uitwerking daarvan. Alle TVWs moeten eind 2021 door de gemeenteraden zijn vastgesteld. De transitievisies geven per gemeente een beter beeld van de lokale alternatieven voor aardgas. Ook blijkt, uit een eerste inventarisatie, dat een aantal gemeenten gebruik denkt te gaan maken van een bovenlokale

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

VEELGESTELDE VRAGEN > > >

Wat is een warmtenet? Is restwarmte uit de industrie wel een duurzame bron? Is er ook aandacht voor waterstof?

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 5

4.2.4 Vraag en aanbod van warmte in onze regio

REGIONALE EN BOVENREGIONALE WARMTECLUSTERS

De vraag, het aanbod en de al aanwezige en geplande warmte-infrastructuur zijn in beeld gebracht in de warmteatlas. Kortgezegd blijkt daaruit dat onze regio twee grote stedelijke gebieden heeft – rond de stadskernen van Arnhem en Nijmegen – met een relatief grote warmtevraag. In de kleinere kernen is de warmtevraag wel geconcentreerd, maar minder omvangrijk dan in stedelijk gebied. De dichtheid van de warmtevraag in het buitengebied is klein door de grote afstanden tussen bebouwing. Daarnaast blijkt dat er verschillende warmte­bronnen beschikbaar zijn binnen onze regio: omgevingswarmte, restwarmte en warmte uit biomassa. Voorbeelden van warmtebronnen uit de omgeving zijn ondiepe bodemenergiesystemen, (ondiepe) geothermie en thermische energie uit oppervlakte (TEO) en afvalwater (TEA)-bronnen. Restwarmte komt beschikbaar via industrie, datacentra, condensatiewarmte van bedrijven, rioolwaterzuiveringinstallaties (RWZI) en riool­gemalen. Het beschikbare aanbod van biomassa binnen onze regio is beperkt van omvang. Het betreft voornamelijk het aanbod van laagwaardige verbrandbare en vergistbare biomassa, waarbij alleen het jaarlijkse (groei)overschot in beeld is. Om de beschikbare warmte vanuit de warmtebron te distribueren is ook een warmte-infrastructuur nodig. Op dit moment liggen er grootschalige warmte­­netten in Nijmegen en Duiven-WestervoortArnhem.

Beide warmtenetten worden gevoed vanuit restwarmtebronnen (afvalverbrandingsinstallaties ARN en AVR). R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

Gelderland Warmte Atlas

Daarnaast is er een warmtenet vanaf tuinbouwgebied NEXTgarden, Lingewaard, met een warmtebron die vanaf het voorjaar van 2021 ook een snoeihout­centrale kent.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

Deze al aanwezige warmte-infrastructuur biedt kansen voor uitbreiding en ontwikkeling van een Regionale Warmte (infra)Structuur binnen onze regio.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 6

HOOFDCRITERIA MCA VOOR WARMTE

4.2.5 Structurele gesprek rond kansrijke regionale warmteclusters

Warmte­ kaart

De warmtevraag en het warmteaanbod binnen onze regio zijn gekoppeld via een multicriteria-analyse (MCA). Die geeft voor elk warmtevraagcluster aan wat de meest logische warmtebronnen lijken. Bij deze MCA zijn drie criteria gebruikt: is de warmtebron duurzaam, betrouwbaar en betaalbaar? In deze drie hoofdcriteria komen onder andere criteria als CO2-emissie, afstanden, temperatuur en dekkingsgraad terug. De uitkomsten van de MCA vormen de basis voor een eerste beeld hoe vraag en aanbod aan

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

elkaar gekoppeld kunnen worden, en dan met name voor het identificeren van de kansrijke warmte­ clusters waarvoor op RES-niveau het structurele gesprek met betrokken partijen zal worden gevoerd. Dit struc­turele gesprek heeft als doel om tijdig kansen en knelpunten te signaleren en te zoeken naar de meest efficiënte inzet van bovenlokale warmtebronnen tegen de laagst maatschappelijke kosten. Op basis van deze afweging zien we bij grote restwarmtebronnen in onze regio competitie ontstaan tussen verschillende warmtevragers uit

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

de regio. In die gevallen moet de regionale warmteinfrastructuur verder onderzocht worden. Dit geldt specifiek voor de nog niet maximaal benutte restwarmte van de afvalcentrales AVR (Duiven) en ARN (Weurt) en ook voor de grote naastliggende rioolwaterzuiveringsinstallaties. De vraag die binnen deze warmteclusters speelt is of deze alleen beschikbaar blijft voor gemeenten die nu al gebruik maken van dit warmtenet, of dat in de toekomst ook de kernen en wijken van Velp, Zevenaar, Didam, Wijchen, Heumen en Beuningen gebruik kunnen maken van deze warmtebronnen.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 7

Ook is afstemming nodig tussen de verschillende RES-regio’s, bijvoorbeeld als het gaat om de verdeling van restwarmte van papierfabriek Parenco uit Renkum. Het gebruik van die warmte is kansrijk in het stedelijk gebied van EdeWageningen (Regio Foodvalley), maar ook Renkum zal in de toekomst gebruik willen maken van een deel van de restwarmte. Andersom geldt dat beschikbare warmte vanuit andere regio’s ook weer in onze regio kan worden benut: restwarmte van de RWZI Olburgen (mits niet gebruikt binnen Regio Achterhoek) is mogelijk in te zetten in de kern van Dieren of Doesburg en restwarmte van de papierfabriek in Eerbeek kan ook interessant zijn voor de kern van Dieren en Laag-Soeren. In het concept bod werd eerder gesproken over de inzet van warmte vanuit de bio-energiecentrale Cuijk naar Malden of Groesbeek, maar uit gesprekken met Regio Noordoost Brabant en gemeente Cuijck lijkt de kans daarop minimaal, gelet op te overbruggen afstand en voorzien gebruik van restwarmte binnen de eigen regio. Naast het structurele gesprek over de warmte­ verdeling binnen deze kansrijke regionale warmte­ clusters zal in de verdere uitwerking van de regionale warmte(infra)structuur komende jaren worden afgewogen of de koppeling tussen de netten van Arnhem en Nijmegen meerwaarde heeft, waarbij het regionale kassengebied NEXTgarden in Lingewaard mogelijk als energieknooppunt kan dienen.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

4.2.6 Nieuwe inzichten De warmtetransitie is nog volop in ontwikkeling. Zo wordt voortdurend onderzoek uitgevoerd naar beschikbare, aanvullende warmtebronnen, worden nieuwe warmtetechnieken getest en vindt beleidsontwikkeling plaats om de mogelijkheden van warmtebronnen te vergroten. Hieronder volgt een overzicht van recente inzichten die relevant zijn voor de warmtetransitie binnen onze regio.

> Haalbaarheidsonderzoek collectieve warmte­ systemen Gelderland Royal HaskoningDHV is voor de provincie Gelderland in 2020 een onderzoek gestart naar de haalbaarheid van collectieve duurzame warmtesystemen. De resultaten geven een eerste beeld van de financiële en technische haalbaarheid van een nieuwe warmtevoorziening (‘Quickscan’). Ondanks dat iedere warmteoplossing om maatwerk vraagt, kunnen de belangrijkste inzichten worden gebruikt door alle gemeenten binnen Gelderland die aan de slag gaan met collectieve warmteoplossingen. Tot februari 2021 zijn 41 scenario’s onderzocht in 18 gebieden in Gelderland (met in totaal 16 betrokken gemeenten). Op dit moment lopen nog onderzoeken in 9 andere gebieden. In de 18 onderzochte gebieden wordt voor in totaal 34.004 (88%) woningen en 4.490 (12%) andere gebouwen zoals scholen, zieken­huizen en bedrijven een warmtesysteem op haal­baarheid getoetst. Belangrijke inzichten tot nog toe zijn:

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

1. Voor de aanleg van een collectief warmtenet in alle onderzochte gebieden, is bijna 650 strekkende kilometer leidingennetwerk nodig. 2. In slechts 7 scenario’s wordt na 30 jaar de investe­ring terugverdiend. De winst loopt uiteen van € 0 voor een warmtenet voor een aquathermie-systeem, tot € 50.000.000 voor een warmtenet op restwarmte. 3. Het meest verliesgevende scenario binnen het onderzoek betreft een warmtenet op geothermie (aardwarmte).

Succes­ factoren

4. Voor een aantal scenario’s worden aanbevelingen gedaan voor vervolgonderzoek.

> 6 proeftuinen programma aardgasvrije wijken binnen de regio In 2018 zijn de eerste twee proeftuinen in onze regio van start gegaan (Arnhem, Nijmegen), en afgelopen najaar (2020) zijn hier nog eens vier proeftuinen aan toegevoegd binnen het Programma Aardgasvrije Wijken (Arnhem, Doesburg, Lingewaard en Nijmegen). Hiermee wordt de komende jaren intensief ervaring opgedaan met de wijkgerichte aanpak richting ‘aardgasvrij’, zowel qua inrichting als opschaling. De ervaringen die zijn opgedaan in deze proeftuinen, kunnen de komende tijd helpen om in onze regio goed aan de slag te gaan met de warmtetransitie.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 8

> Potentie aquathermie De potentie voor aquathermie komt steeds beter in beeld. Uit landelijk onderzoek blijkt dat het als warmtebron (en koudebron) een belangrijke bijdrage kan leveren aan de warmtetransitie. Afhankelijk van het aanbod (beschikbaarheid van water) en de vraag (nabij gelegen afzetmogelijkheden) zijn er grote verschillen over de regio. Dit vraagt om maatwerk. De komende tijd wordt daarom ook in Regio Arnhem Nijmegen besproken hoe we een beter beeld krijgen van de potentie van aquathermie.

Wij adviseren om aquathermie voorrang te geven boven warmte uit de bodem. Aquathermie is een veelbelovende technologie en kent niet de nadelen van bodemwarmte via Warmte-Koude-Opslag. Waterschap Vallei en Veluwe en Vitens willen graag hun kennis van het (grond)watersysteem delen en beschikbaar stellen en worden bij voorkeur betrokken om een brede afweging van warmtebronnen mogelijk te maken in de gemeentelijke warmtevisies en de volgende RES-plannen.”

> Potentie geothermie Recent onderzoek (studie WARM) laat zien dat geothermie ook veel potentie heeft als warmtebron en in een aanzienlijk deel van de totale warmtevraag kan voorzien in Regio Arnhem Nijmegen. Zie ‘studie WARM’ voor het volledige onderzoek. De ondergrond in deze regio is echter nog niet voldoende in beeld gebracht. De ondergrond wordt in beeld gebracht in het SCANprogramma: er vinden in het hele land boringen plaats om onderzoek te doen naar de potentie van aardwarmte. Zo ook in Regio Arnhem Nijmegen. De uitkomsten worden verwacht tegen het einde van eerste kwartaal in 2021.

>P  otentie zonthermie De potentie van zonthermie voor onze regio is nog niet in beeld gebracht. Bij zonthermie zetten zonnecollectoren de zonne-energie om in warmte (in plaats van elektriciteit uit zonnepanelen). Uit onderzoek van Berenschot blijkt dat zonnewarmte de meeste energie per vierkante meter levert.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

Boodschap van Waterschap Vallei en Veluwe en Vitens

Waterschap Vallei en Veluwe en Vitens

Omdat de gewonnen warmte in de bodem kan worden opgeslagen, is zonnewarmte ook flexibel inzetbaar en goed toe te passen in woningen en voor warmtenetten. Bijkomend voordeel is dat bij het gebruik van warmtenetten, zonthermie een uitkomst kan zijn om levering van warmte door geothermie of restwarmte aan te vullen, als die bronnen niet toereikend zijn. Ook kunnen zonnecollectoren een rol vervullen bij het energetisch in balans brengen van een WKOsysteem. Verder kan thermische energie bijdragen aan de verlaging van het aantal pieken in het elektriciteitsnet, omdat de elektriciteitsvraag voor warmteopwekking via een warmtepomp sterk vermindert. De combinatie van zonnewarmte met andere duurzame bronnen resulteert ook in een

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

grotere CO2-besparing dan wanneer je alternatieve duurzame bronnen inzet zonder de combinatie met zonthermie. De jaarlijkse kosten van een grootschalig zonthermiesysteem (afschrijvings-, financierings- en energiekosten) liggen lager dan die van andere duurzame systemen met een vergelijkbaar opwekvermogen. Binnen Regio Rivierenland is een haalbaarheidsonderzoek gestart naar de inzet van zonthermie ten behoeve van de warmtetransitie. Provincie Gelderland bekijkt in hoeverre alle Gelderse RESregio’s in dit onderzoek betrokken kunnen worden. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen worden meegenomen in de RES 2.0.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

3 9

AFVALVERWERKER

RIOOL OPPERVLAKTEWATER DIEPE ONDERGROND

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

4 0

4.2.7 Afspraken voor een optimaal warmtesysteem

9 Vanuit regionaal perspectief maakt het verschil

We weten dat de overstap naar een duurzame warmtevoorziening binnen onze regio technisch uitvoerbaar is, maar we weten ook dat deze transitie niet alleen vraagt om een technische oplossing. Ook de financiële en organisatorische haalbaarheid moeten ingevuld worden, waarbij kostenneutraliteit voor bewoners het uitgangspunt blijft. Vragen als: wat kost het, wie gaat het betalen, wie gaat het doen, van wie is het straks en willen we het wel moeten nog worden verwerkt. Duurzame verwarming zal niet gaan zonder ons verwarmingssysteem in de basis te veranderen. En dat kost tijd, capaciteit en middelen. Daarnaast vereist het onderlinge samenwerking tussen gemeenten én raakt het aan de samenwerking op (boven)regionaal niveau. Veel taken kunnen gemeenten zelfstandig en zonder onderlinge afstemming uitvoeren. Voor het optimaal en eerlijk verdelen van de schaarse warmtebronnen binnen onze regio is een zekere mate van afstemming en samenwerking noodzakelijk. Om als regio de komende jaren voldoende vooruitgang te blijven maken zetten we in op de volgende set afspraken:

welke bron wordt gebruikt op welke plek; we willen voorkomen dat een bron al door de ene gemeente is ingezet terwijl hij voor een andere gemeente van vitaal belang zou zijn geweest. In het belang van ons RES-partnerschap bepalen we gezamenlijk waar welke bovenlokale bron uiteindelijk wordt ingezet.

4.2.8 Proces naar de RES 2.0 Met de RES 1.0 wordt een eerste basis gelegd voor de komende jaren, die we richting RES 2.0 gaan versterken en door ontwikkelen. Vanuit de RES blijven we daarom de komende tijd in gesprek met de gemeenten om te kijken hoe de TVW’s zich ontwikkelen en hoe deze zich verhouden tot de Regionale Warmte(infra)Structuur.

10 Binnen de relevante warmteclusters waar dit verdelingsvraagstuk aan de orde is, richten we een xstructureel overleg in om daarover in gesprek te zijn en te blijven.

11 Gemeenten zetten daarbij verschillende instru­­men­ten in die binnen de kaders van de Warmtewet, de Omgevingswet en andere beleidsruimten passen om de bovenlokale warmte afspraken te borgen.

12 Als regio doen we een gezamenlijke oproep aan het Rijk om partijen in stelling te brengen om de benodigde regie te voeren op de warmte­ transitie. Dat kan door te zorgen voor beter aan­sluitende wet- en regelgeving voor het uitrollen van warmtenetten, hogere en structurele financiële ondersteuning voor alternatieve warmtevarianten (waaronder warmtenetten) via subsidies of Rijksbijdragen en een structurele Rijksbijdrage voor het ambtenarenapparaat om de warmtetransitie ook daadwerkelijk in goede banen te leiden, te begeleiden en uit te voeren.

In de RES 2.0 gaan we verder in op de match tussen vraag en aanbod: welke warmtebronnen zijn nu nog onbenut (of niet optimaal benut) en welke bronnen moeten opschalen om de warmtetransitie uit te kunnen voeren? Wat is ervoor nodig om een onbenutte bron te gebruiken, en hoe zou de opschaling van reeds bestaande warmtebronnen eruitzien? Wie pakt welke rol op binnen de uitvoering daarvan. Daarbij maken we gebruik van nieuwe inzichten uit lopend onderzoek en beschikbare nieuwe instrumenten zoals de Warmtewet 2.0. Ook zullen we in de RES 2.0 de brug moeten slaan tussen warmte en elektriciteit. De inzet van bepaalde warmtebronnen, hoe duurzaam en overvloedig ook, zal leiden tot een stijging van de elektriciteitsvraag. Al het gasverbruik in onze regio dat níet wordt vervangen door duurzame warmte, zal namelijk een beroep doen op de all-electric optie voor aardgas. Dat brengt een flinke stijging van de elektriciteitsvraag en bijbehorende infrastructuur met zich mee. Ook bij warmtenet-oplossingen zal er een beperkte, maar zeker een groeiende vraag zijn naar elektriciteit.

De volledige lijst met afspraken staat in hoofdstuk ‘Ons bod’.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

4 1

4.3 Netwerk

Netimpact­ analyse

Om de impact van de RES 1.0 op het elektriciteitsnetwerk te bepalen is een doorrekening gemaakt van het elektriciteitsnetwerk; een netimpactanalyse. Hiervoor zijn de door de regio aangeleverde cijfers voor grootschalige opwek van zon en wind gebruikt, en cijfers van Liander over bijvoorbeeld mobiliteit en de vraag vanuit gebouwen. Op basis van deze analyse is inzichtelijk geworden dat de kosten voor de netuitbreiding worden geschat op € 37 miljoen. Voor een deel gaat het dan om reeds geplande investeringen, maar er zijn ook nieuwe investeringen die een gevolg zijn van de RES-plannen.

4.3.1 Hoe werkt de netimpactanalyse? Toelichting netimpact­ analyse

Als invoer voor de netimpactanalyse is gebruik gemaakt van gegevens over projecten en zoekgebieden die door de regio in nauwe afstemming met de gemeenten zijn verzameld. Op basis van de omvang van de aansluitingen zijn de projecten op de juiste manier gekoppeld aan het net. Zodoende wordt inzichtelijk welke onderstations en kleinere regelen schakelstations verzwaard en/of nieuw gebouwd moeten worden.

4.3.2 Uitkomsten en inzichten uit de netimpactanalyse De netimpactanalyse geeft als gezegd aan dat er de komende jaren een investering van € 37 miljoen nodig is om alle plannen te kunnen aansluiten. Deze investeringen gaan uit van de huidige capaciteit van R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

het elektriciteitsnet. Los van de RES is Liander al bezig met investeringen voor verbetering en uitbreiding in het elektriciteitsnet. Vanuit de RES komen daar de noodzakelijke investeringen bij op. Naast kosten, zijn in de netimpact analyse ook de ruimtelijke gevolgen van de netuitbreiding beschreven.

kijken, is er meer tijd voor het zoeken van geschikte locaties voor kabels en elektriciteitsstations, het doorlopen van planprocedures en het inplannen van schaarse technici om al het werk te realiseren. Verder vooruitkijken, vergroot de kans dat we de regionale ambities samen op tijd realiseren.

4.3.4 Oplossingen zonder investeringen 4.3.3 Ruimte en tijd voor uitbreiding van het netwerk Energieopwekking is een nieuwe ruimtevrager. Ook is door de toenemende energie-opwek meer ruimte nodig voor de distributie ervan. Het gaat dan om nieuwe stations en ondergrondse kabels. Deze ontwikkelingen doen een beroep op de schaarse ruimte van Nederland, ruimte die ook voor andere belangrijke doeleinden kan worden ingezet. In totaal zijn er op 5 stations uitbreidingen nodig en zijn er 3 nieuwe onderstations nodig. De investeringen en de benodigde ruimte zijn in de netimpactanalyse beschreven. Het inpassen van de nieuwe stations en stationsuitbreidingen vraagt om een zorgvuldige ruimtelijke inpassing. Hierbij moet zowel gekeken worden naar het directe ruimtegebruik, maar ook naar de ondergrondse verbindingsmogelijkheden van en naar het station.

Naast investeringen, zijn er ook slimme oplossingen mogelijk die niet vragen om een investering. Deze ‘slimme oplossingen’ zijn toepasbaar op 4 stations. Bij de meeste oplossingen is overeenstemming nodig tussen netbeheerder en de klant. De belangrijkste oplossing is het loslaten van de reservecapaciteit op het net. Deze reservecapaciteit kan onder bepaalde omstandigheden worden vrijgegeven, zodat meer duurzaam opgewekte elektriciteit kan worden aangesloten op het bestaande net. Het principe is vergelijkbaar met de spitsstrook op snelwegen: deze wordt afgesloten bij calamiteiten. Bij storing of onderhoud zal het vervoer van duurzame elektriciteit tijdelijk worden stopgezet.

VEELGESTELDE VRAGEN: >

Voor de netuitbreidingen is tijd nodig. Het is belang­­rijk om te beseffen dat uitbreiding van het energienet doorgaans langer duurt dan de realisatie van een wind- of zonnepark. Door de uitbreidingen van het energienet te koppelen aan ruimtelijke ontwikkelingen, kunnen we zorgen dat gewenste regionale ontwikkelingen tijdig worden aangesloten op de energie-infrastructuur. Door verder vooruit te

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

> >

Is er wel ruimte op ons elektriciteits­ netwerk voor al die duurzame elektriciteit? Waarom is een scheve verhouding tussen wind en zon een probleem? Wat zijn de voordelen van wind en zon, samen op één locatie?

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

4 2

Een andere mogelijkheid is om op nieuwe stations niet het maximale vermogen aan te sluiten, maar slechts een deel. Hierdoor blijft er ruimte op het net over voor nieuwe initiatieven. Er is ook winst te halen uit slimme timing. Zo zijn er elektriciteitsstations die nog capaciteit vrij hebben, of kunnen die op relatief korte termijn (2023/2024) uitgebreid worden. Door samen eerst op deze gebieden te focussen, geven we onszelf tijd voor het realiseren van uitbreidingen in andere gebieden die meer tijd kosten.

4.3.5 Opslag en conversie Met het toenemen van het aandeel duurzame opgewekte elektriciteit neemt ook het belang van opslag en conversie toe. Bij conversie gaat het om het omzetten van elektriciteit naar warmte of waterstof en andersom. Door opslag en conversie toe te passen, neemt de belasting van het netwerk af. Zowel door de netbeheerders als door marktpartijen wordt momenteel onderzoek verricht naar de toepasbaarheid van waterstof en batterijopslag. In Regio Arnhem Nijmegen zijn Innofase in Duiven, het terrein van de voormalige Gelderse Energiecentrale (Nijmegen) en bedrijventerrein Bijsterhuizen (Wijchen) belangrijke voorbeelden. De ontwikkeling van opslag van elektriciteit mag nooit los gezien worden van de overige onderdelen van het elektriciteitssysteem. Het is bijvoorbeeld slim om conversie dichtbij de locatie van opwekking uit te voeren en tegelijkertijd te bedenken waar die energie na opslag gebruikt gaat worden. Waterstof kan bijvoorbeeld getankt worden bij XXL-locaties of ingezet worden in de industrie. Overschotten van de opbrengst van windturbines kunnen bijvoorbeeld grote warmtepompen aandrijven die warmte opslaan waarmee op R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

een later moment via een collectieve warmtevoorziening woningen worden verwarmd. Die overschotten passen op dat moment niet op het netwerk en zijn dus erg goedkoop. Er zijn diverse vormen van dag-, weeken seizoensopslag in ontwikkeling om dit mogelijk te maken. De kennis die nu in ontwikkeling is, zal in de vervolg RES’en een plek te krijgen.

4.3.6 Aansluiten vraag en aanbod Om de belasting op het netwerk te verkleinen, is het van belang om vraag en aanbod op elkaar aan te laten sluiten. Dit is zowel op lokaal als op regionaal niveau van belang. Bij lokale optimalisatie kan er gedacht worden aan het combineren van opwek met vraag. Op regionaal niveau is het vooral van belang om aan te sluiten op de bestaande energie-infrastructuur,

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

deze is vooral georiënteerd op de energievraag vanuit de gebouwde omgeving. Het is vanuit netefficiëntie wenselijk om de duurzame opwek in de buurt van de verdeelstations te plaatsen, dus in de gebouwde omgeving. In de praktijk is het zaak om de locatie van de opwek af te stemmen met de netbeheerder. Windparken en zonnevelden worden aangesloten op de beste plek in het netwerk. Dat is niet altijd direct in de omgeving van het project. De vermogens van windturbines en grote zonneparken passen bijvoorbeeld niet bij de energievraag van een kleinere kern. Hierdoor kan het voorkomen dat de opwek in een kleinere kern niet in eigen dorp of stad aangesloten wordt. Dit klinkt onwenselijk voor de duurzaamheidsambities in de eigen leefomgeving. Vanuit net­perspectief is het echter noodzakelijk. N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

4 3

4.3.7 Verhouding wind/zon In het verlengde van het aansluiten van vraag en aanbod is het ook van belang om de verhouding wind/ zon te optimaliseren. Een gezonde verhouding tussen zon en wind is van belang omdat zon en wind zelden gelijktijdig pieken. Indien zon en wind slim aangesloten worden kunnen zij met aanzienlijk minder investeringen en dus lagere maatschappelijke kosten, meer duurzame opwek genereren. Als zon en wind gecombineerd worden op eenzelfde aansluiting (cable pooling) dan is de efficiënte inrichting van het netwerk impliciet geregeld. De inpassing van zon op dak is nu gebaseerd op het potentieel van de daken, de bouwkundige geschiktheid en de inpassingsmogelijkheden op het net zijn nog niet onderzocht. Op basis van de netberekeningen werkt Liander aan praktische handreikingen voor het verbeteren van de afstemming tussen dakpotentieel en netinpassing.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

Energiehub NEXTgarden

Energiehub InnoFase

Het warmtenet binnen het glastuinbouw­ gebied NEXTgarden bij Lingewaard wordt uitgebreid naar omliggende bedrijventerreinen en woningen. Duurzame warmtebronnen die hiervoor worden toegepast zijn Biogas van Groen Gas Gelderland (ongeveer 8 miljoen m3), een snoeihoutcentrale van tuinders (oplevering in voorjaar 2021) en grootschalige zon­thermie (besluitvorming verwacht in 2021). Ook wordt ter plaatse gewerkt aan de ont­wik­keling van Hoge Temparatuur Opslag als onderdeel van het Energy Storage Lab dat TNO in heel Nederland uitrolt.

Bedrijventerrein InnoFase rondom de AVR in Duiven is één van de drie genoemde kansrijke innovatieve energiehubs. InnoFase is onlangs uitgeroepen tot het duurzaamste bedrijventerrein van Nederland. De bedrijven op InnoFase richten zich op hergebruik van grond­stoffen en energie en hebben de ambitie om dit uit te bouwen. Vanuit de overheid en met medewerking van het bedrijfsleven is daarom het initiatief genomen om gezamenlijk onderzoek te doen naar koppelkansen voor waterstof, biogas, warmte en duurzame elektriciteit in de gehele keten van productie, conversie, opslag en afzet.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

4 4

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

4 5

4.4 Toekomstperspectief elektriciteit, warmte en netwerk

Met de ontwikkeling van regionale zoekgebieden voor windturbines en zonnevelden en het benoemen van (boven)regionale warmteclusters spreekt uit deze RES 1.0 een duidelijke richting. Het vervolg is dat deze gebieden verder uitgewerkt gaan worden. We gaan zoeken naar exacte locaties voor windturbines en zonnevelden en maken afspraken over de benutting van de warmteclusters en de verdeling van die warmte. We zien twee belangrijke ontwikkelrichtingen voor het traject naar de RES 2.0:

4.4.2 Het gebied In het hoofdstuk ‘Integrale aanpak’ staat onze visie om de energietransitie zoveel mogelijk te koppelen aan andere opgaven in de regio. Binnen de RES 1.0 zijn diverse andere opgaven beschreven en waar mogelijk opgenomen. In de RES 2.0 start de grote uitdaging om de sectorale benadering om te buigen naar een gebiedsbenadering. Daarbij staat de ontwikkeling en versterking van een gebied centraal waarbinnen ruimte wordt gezocht voor windturbines, zonnevelden en regionale warmteoplossingen. De identiteit en mogelijkheden van het gebied zijn daarbij het uitgangspunt en niet de opgave van de energietransitie. We adviseren alle overheden in de regio om de RES 2.0 het startpunt te laten worden van deze integrale gebiedsprocessen. Betrek de inwoners en lokale stakeholders actief vanaf het eerste uur en stel aan de

voorkant samen spelregels op waar alle betrokkenen zich in kunnen vinden. Op die manier ontstaat er kwalitatief en kwantitatief profijt voor de woon- en leefomgeving. Als hulpmiddel bij het opstarten van gebiedsproces­ sen komen er vanuit de RES ‘gebiedspaspoorten’ beschikbaar waarin per zoekgebied alle RES-infor­matie is opgenomen. Deze paspoorten zijn bedoeld als levende documenten waarin nieuwe inzichten continu verwerkt worden. De bedoeling is om dit onder te brengen bij de Groene Metropoolregio en niet te beperken tot de RES alleen. In de pas­poor­ten wordt de koppeling met andere opgaven benoemd maar ook andere relevante aspecten van de ontwikkeling. De eerste opzet van deze gebiedspaspoorten wordt in de periode maart tot en met juli 2021 opgesteld en zal niet direct compleet zijn.

4.4.1 Het energiesysteem De ontwikkeling van zoekgebieden elektriciteit en warmteclusters richting concrete projecten zal gebeuren door vanuit het bredere energiesysteem te kijken. Een goede match van de uitvoeringsplanning van de duurzame projecten en die van Liander is daarbij essentieel. We zien nu al dat de onbalans op het elektriciteitsnetwerk en op een deel van het toekomstige warmtenetwerk, een grote uitdaging wordt. Opslag met behulp van diverse energiedragers (zoals accu’s, geothermie of waterstof) is nodig om deze onbalans op te lossen. Dit gaat alleen slagen als we de opslag volledig integreren met de vraag vanuit de verschillende sectoren. Daarom is het van belang om bij de uitwerking van de zoekgebieden en clusters nu al na te denken over toekomstige oplossingen van opslag, zodat de systemen niet als losse delen worden ontwikkeld terwijl ze elkaar hard nodig gaan hebben.

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

4 6

5. DRAAGVLAK

5. DRAAGVLAK

Iedereen in Regio Arnhem Nijmegen krijgt met de RES te maken. Daarom Opleg­notitie

is het belangrijk dat alle partijen betrokken worden. Bestuurders, volks­ vertegenwoordigers en ambtenaren, maar zeker ook maatschappelijke en

Reactienota

natuur­organisaties, het bedrijfsleven, agra­riërs en landeigenaren, energie­ coöperaties, inwoners en specifiek jongeren. Het uitgangspunt uit de RES-Startnotitie ‘Van, voor en door de regio’ is op de volgende wijze doorvertaald in het proces.

5.1 Bestuurlijk draagvlak 5.1.1 Vastgesteld concept bod en wensen & bedenkingen

Voorlopig concept bod

Voor de RES 1.0 verschenen eerst het voor­lopig concept bod (juni 2020) en het concept bod (september 2020). In het najaar van 2020 hebben de gemeenten, waterschappen en de provincie de het concept bod met bijbehorende reactienota unaniem vastgesteld. De reactienota kwam als volgt tot stand. Voorafgaand aan het concept bod is op 5 juni 2020 het voorlopig concept bod aangeboden aan de diverse deelnemende

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

partijen binnen Regio Arnhem Nijmegen. De reacties zijn samengevat in een oplegnotitie. Deze oplegnotitie maakt onderdeel uit van het concept bod dat op 1 oktober 2020 is ingediend bij NPRES. In het proces naar het opstellen van de RES 1.0 is door de werkorganisatie – in overleg met betrokkenen – een reactienota opgesteld, daarin wordt antwoord gegeven op alle in de oplegnotitie geuite wensen en bedenkingen. De reactienota maakt onderdeel uit van deze RES 1.0 die wordt vastgesteld door de volksvertegenwoordigers.

5.1.2 Interactief samenspel Deze RES is van zestien gemeenten, drie waterschappen en de provincie Gelderland. In de werkorganisatie zijn medewerkers vanuit de betrokken partners gedetacheerd. Zij hebben als taak het proces te organiseren. De Regiegroep (een afvaardiging van de gemeenten, provincie, waterschappen en Liander) is opdrachtgever van de RES en legt besluiten voor aan alle betrokken bestuurders in het Portefeuillehouders overleg Duurzaamheid (PFO-D). De leden van het PFO-D keuren documenten goed om voor te leggen aan de volksvertegenwoordigers (de colleges, de gemeenteraden, Gedeputeerde Staten en de algemene besturen van de waterschappen) voor besluitvorming. Naast de samenwerkende overheidspartijen is een grote, diverse groep van 500 stakeholders intensief betrokken bij het opstellen van RES 1.0 via een intensief participatie- en communicatietraject.

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

5.1.3 Gezamenlijk regionaal proces Het opstellen van de RES is een gezamenlijk regionaal proces dat alle betrokken partijen met elkaar aangaan. In het najaar van 2019 is de Startnotitie RES Regio Arnhem Nijmegen door alle gemeenteraden, Provinciale Staten en de algemene besturen van de waterschappen vastgesteld. In deze startnotitie zijn de uitgangspunten en afspraken vastgelegd voor het gezamenlijke proces. Tevens zijn hierin afspraken gemaakt over de opgave, het proces, de op te leveren resultaten, de uitgangspunten en ‘spelregels’ die we hanteren en de planning en besluitvorming. In de paragraaf ‘Integraliteit in ons proces’, is goed te zien welke stappen zijn gezet op het gebied van bestuurlijke besluitvorming, vanaf de Startnotitie tot een bestuurlijk gedragen RES 1.0. Daarnaast hebben tijdens dit proces individuele maatwerkgesprekken op ambtelijk- en bestuurlijk niveau plaatsgevonden met alle gemeenten, waterschappen en de provincie. Bij het opstellen van de RES 1.0 hanteren we als uitgangspunt consensus. Mocht volledige consensus (unanimiteit) onverhoopt niet lukken, dan vraagt de regio de provincie – in lijn met de beginselen van het ‘Huis van Thorbecke’ – om het voortouw te nemen via het goede gesprek de partners in de regio alsnog te bewegen om samen tot een RES en een daarbij behorend definitief bod te komen.

Dit betekent dat de provincie haar rol richting haar partners zal pakken.

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

4 8

5.1.4 Bestuurlijk proces vaststelling RES 1.0 De RES 1.0 is begin maart 2021 via het PFO Duurzaamheid aangeboden aan de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland en het dagelijks bestuur van de waterschappen met het verzoek deze ter besluitvorming voor te leggen aan de volksvertegenwoordigers. De volksvertegenwoordigers nemen uiterlijk 15 juni 2021 een besluit over de RES 1.0. Alle reacties hierop zullen worden verzameld en worden meegezonden bij het indienen van de RES 1.0 bij NPRES. Deze reacties worden verwerkt in het proces naar de RES 2.0.

5.1.5 Toekomstperspectief bestuurlijk draagvlak Nieuwe bestuurlijke samenwerking: Groene Metropool Regio De regio werkt aan een nieuwe versterkte samenwerking. 1 januari 2021 is een Gemeenschappelijke Regeling voor de nieuwe Groene Metropoolregio van kracht gegaan. Daarin werken 18 gemeenten samen; het draagvlak is groot. De visie van de regio en bijbehorende regionale investeringsagenda worden in 2021 uitgewerkt. De RES maakt daar onderdeel van uit, namelijk in de opgave Circulaire Regio. Samen met de provincie en The Economic Board wordt toegewerkt naar een bestuursakkoord waarin de afspraken en ambities worden vastgelegd. Op 7 april 2021 wordt hierover een besluit genomen. De gemeenteraden kiezen ieder voor zich aan welke opgave van de Groene Metropool zij deelnemen. Mochten gemeenteraden niet voor de opgave Circulaire Regio kiezen, dan zullen er additief afspraken gemaakt

R E S

1 . 0

/

R E G I O N A L E

moeten worden over regionale besluitvorming ten aanzien van de RES gemaakt aangezien de RES een Rijksopdracht is voor alle gemeenten. Solidariteit onderling De realisatie van de opgave is binnen de regio niet gelijkwaardig over de gemeenten verdeeld. Niet alle gemeenten hebben evenveel mogelijkheden voor grootschalige opwek. In het geval van een niet evenredige lastenverdeling als gevolg van de duurzame energieproductie in het kader van de RES, zoeken we naar mogelijkheden om de lusten en de lasten onderling te compenseren. In het traject naar de RES 1.0 is gestart met een eerste verkenningsronde langs gemeenten. De regiogemeenten zijn het erover eens dat er afspraken gemaakt moeten worden over de lusten- en lastenverdeling in de RES. Dit moet echter zorgvuldig gebeuren. De afgelopen maanden was daar niet voldoende tijd en ruimte voor. In het traject naar de RES 2.0 zet de regio het gesprek hierover voort. Daarbij kiest de regio een positieve insteek: hoe kunnen gemeenten elkaar helpen bij deze complexe opgave? Bijvoorbeeld door het beschikbaar stellen van capaciteit en/of kennis door de gemeenten Arnhem en Nijmegen voor gemeenten die qua capaciteit en/of expertise in de knel komen met de uitvoering van de RES. Ook is een (regionaal) omgevingsfonds een mogelijkheid.

De ongelijke verdeling van realisatie van plannen zal de komende jaren in de regio ook vanuit andere disciplines komen. De uitvoering van de verstedelijkingsstrategie zal straks, bijvoorbeeld ruimteclaims

E N E R G I E S T R A T E G I E

/

R E S

R E G I O

A R N H E M

brengen die van invloed zijn op het landschap en de natuur. Daarmee ontstaat een compleet integraal plaa tje van ruimteclaims en kan een meer complete afweging gemaakt worden welke gemeente op welke wijze het best geholpen kan worden. Wij vragen de Groene Metropoolregio om vanuit deze integrale benadering te werken om tot samenwerkings­afspraken te komen. Deze nadere uitwerking behelst naast de inhoudelijke verkenning tevens het maken van de afweging voor de wijze van besluitvorming via de GR van de Groene Metropool danwel via alle gemeenteraden afzonderlijk. Voorgaande leidt tot de volgende afspraak voor de toekomst:

6 De afspraken over solidariteit tussen gemeenten onderling en de verdere uitwerking hiervan worden, samen met de uitvoering van RES 1.0, overgedragen aan de (nieuwe) regionale samenwerking binnen de Groene Metropoolregio. De volledige lijst met afspraken staat in hoofdstuk ‘Ons bod’. Op nationaal niveau vindt er ook een verkenning plaats naar de verdeling van lusten en lasten. Deze kan goede voorbeelden en creatieve oplossingen opleveren die de regio kunnen helpen. Doorwerking RES in omgevingsbeleid en vergunningen De Handreiking RES en de Routeplanner RES gaan ervan uit dat de RES op enig moment wordt geborgd in het Omgevingswet-instrumentarium. Regio’s zijn

N I J M E G E N

/

M A A R T

2 0 2 1

4 9

Handreiking RES

RES en Omgevingswet

vrij om zelf keuzes te maken over de wijze van borging. Het proces en de besluitvorming van de RES is de eerste stap van de beleidsvoorbereiding. Dat moet daarom in ieder geval passen in de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Welke keuze maken we vanuit Regio Arnhem Nijmegen over de borging van keuze locaties en concrete projecten vanuit de RES 1.0 naar een RES 2.0? Deze keuze is bepalend voor de voorbereiding, de inhoudelijke vereisten (bijvoorbeeld op het gebied van participatie en inspraak) en het proces van totstandkoming van RES 2.0. Uiteindelijke doel

atelier stakeholderintermezzo

PFO duurzaamheid

is vergunningverlening voor de energieprojecten uiterlijk op 1 januari 2025 om realisatie voor 2030 mogelijk te maken. Daarom zal over deze keuze in de periode van RES 1.0 naar RES 2.0 door de deelnemende overheden een besluit genomen moeten worden. MER Een breed gedeeld uitgangspunt is dat de RES 1.0 een strategisch document is en formeel geen omgevingsrechtelijk besluit, zoals een regionale structuurvisie of een regionaal omgevingsprogramma dat wel zijn. De MER-verplichting is er bij de RES wettelijk gezien dus ook niet. Daarom heeft onderzoeksbureau Berenschot onderzocht of het noodzakelijk is om een strategie te bepalen over de inzet van MER voor RES 1.0 en RES 2.0. Berenschot heeft voor vier Gelderse RES-regio’s een voortoets uitgevoerd op de voorliggende concept-RES’en.

bestuurlijk intermezzo

•

Beleidsbeperkingen en landschap vormen een belangrijke basis onder het analyse- en ontwerpproces van het concept bod; Het concept bod heeft beperkt aandacht voor milieueffecten; Transparantie en navolgbaarheid is een belangrijk aandachtspunt en behoeft verbetering.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9983874/1