Bijlage 2. Artikelsgewijze toelichting.pdf
Tekst van het document
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
Artikelsgewijze toelichting Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond (versie 6.5) Deze toelichting hoort bij het ontwerp van de Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond. De toelichting is geschreven voor lezers die niet dagelijks met gemeenschappelijke regelingen werken: raadsleden, ambtenaren buiten het juridische domein, leden van adviesraden en geïnteresseerde inwoners. Per artikel staat in eenvoudige taal beschreven wat het artikel regelt en waarom het in de regeling is opgenomen, met verwijzing naar de wettelijke grondslag. Korte introductie: wat is een gemeenschappelijke regeling? Een gemeenschappelijke regeling, vaak afgekort tot GR, is een publiekrechtelijk samenwerkingsverband tussen overheden. De wettelijke basis is de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Gemeenten gebruiken een GR om taken samen uit te voeren die te groot, te specialistisch of te kostbaar zijn om alleen te doen. De Wgr kent vijf vormen, oplopend van licht naar zwaar. De zwaarste vorm is het openbaar lichaam: een nieuwe organisatie met rechtspersoonlijkheid, een eigen bestuur, eigen personeel en een eigen begroting.
Voor deze regeling is gekozen voor het openbaar lichaam, omdat de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj) verplicht dat de zeven gemeenten in de jeugdregio Zuid-Kennemerland en IJmond hun specialistische jeugdhulp gezamenlijk inkopen en sturen, en omdat deze taken eigen besluitvorming, eigen personeel en een eigen begroting vereisen. Een openbaar lichaam heeft drie verplichte bestuursorganen (artikel 12 Wgr): een algemeen bestuur (AB), een dagelijks bestuur (DB) en een voorzitter. De Wgr schrijft daarnaast voor dat in de regeling minimaal moet staan: het belang dat met de samenwerking wordt gediend, welke bevoegdheden worden overgedragen, de plaats van vestiging, de samenstelling van de bestuursorganen, de begrotingscyclus en de regels over wijziging, toetreding, uittreding en opheffing. Sinds de wijziging van de Wgr per 1 juli 2022 heeft de gemeenteraad meer instrumenten gekregen om grip te houden op gemeenschappelijke regelingen. Deze regeling sluit daarop aan: raden krijgen het ontwerp van de regeling toegezonden, raden geven toestemming, raden krijgen acht weken om een zienswijze te geven op de begroting, en het algemeen bestuur regelt expliciet over welke andere ingrijpende besluiten raden vooraf een zienswijze kunnen geven. Soorten gemeenschappelijke regelingen De Wgr onderscheidt regelingen naar het ambt dat ze treft.
Een collegeregeling wordt getroffen door colleges van burgemeester en wethouders en gaat dus over collegebevoegdheden. Een raadsregeling wordt getroffen door gemeenteraden en gaat over raadsbevoegdheden. Daarnaast bestaat de gemengde regeling, waaraan zowel raden als colleges deelnemen. Deze regeling is een collegeregeling: de zeven colleges treffen de regeling, met toestemming van hun raden (artikel 1, vierde lid, Wgr). Het algemeen bestuur bestaat daarom uit collegeleden, niet uit raadsleden. Dat is een bewuste keuze: de Jeugdwet legt de uitvoering van jeugdhulp bij de colleges, niet bij de raden. De raden behouden hun kaderstellende en controlerende rol via de regiovisie, de begroting, het jaarverslag, het zienswijzerecht en de mogelijkheid om hun eigen wethouder ter verantwoording te roepen. Leeswijzer
Pagina 1 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
Deze toelichting volgt de structuur van de regeling zelf. Elk artikel wordt op een vaste manier behandeld: eerst staat in eigen woorden beschreven wat het artikel inhoudt, vervolgens wordt aangegeven waarom het in de regeling staat, met de wettelijke grondslag erbij. Waar de regeling een keuze maakt die de wet niet voorschrijft, wordt die keuze toegelicht. Verwijzingen naar wetsartikelen worden zo precies mogelijk gegeven; de Wet gemeenschappelijke regelingen wordt afgekort tot Wgr.
Pagina 2 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
Aanhef en overwegingen Wat het inhoudt: De aanhef benoemt de zeven colleges van burgemeester en wethouders die samen de regeling treffen: Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Heemskerk, Heemstede, Velsen en Zandvoort. De overwegingen leggen uit waarom deze regeling tot stand komt: de Wvbj verplicht regionale samenwerking voor specialistische jeugdhulp, de colleges willen alle vormen van jeugdhulp regionaal inkopen, en de raden hebben hiervoor toestemming gegeven. Waarom dit in de regeling staat: Een gemeenschappelijke regeling moet duidelijk maken welke ambten haar treffen en op welke wettelijke grondslag. De Wvbj (Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg) wijzigt de Jeugdwet en verplicht gemeenten in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen jeugdregio’s om gezamenlijk een GR te treffen voor de inkoop en sturing van bovenlokale jeugdhulp (artikelen 2.17 en 2.18 Jeugdwet). De toestemming van de raden is verplicht op grond van artikel 1, vierde lid, Wgr. Zonder die toestemming kan een collegeregeling niet rechtsgeldig tot stand komen.
Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen Artikel 1 – Begripsbepalingen Wat het inhoudt: Dit artikel definieert de belangrijkste begrippen die in de rest van de regeling terugkomen, onder andere wat wordt verstaan onder bovenlokale taken, de colleges, delegatie, het lichaam, de regiovisie, de Wgr en de Wvbj. Daarmee is voor iedere lezer duidelijk wat een term betekent zonder dat de regeling die uitleg telkens hoeft te herhalen. Waarom dit in de regeling staat: Begripsbepalingen zijn standaardpraktijk in regelgeving en voorkomen interpretatieverschillen. Bijzondere aandacht verdient de definitie van delegatie (onderdeel d), die verwijst naar afdeling 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 10:13 tot en met 10:22 Awb). Delegatie betekent dat een bestuursorgaan een bevoegdheid overdraagt aan een ander bestuursorgaan, dat die bevoegdheid daarna in eigen naam uitoefent. Dat is een fundamenteel andere figuur dan mandaat (waarbij de oorspronkelijke bevoegdheid bij het oorspronkelijke orgaan blijft) en is hier expliciet gedefinieerd om misverstanden te voorkomen. De definitie van regiovisie verwijst naar artikel 2.2 Jeugdwet, waarin de raden gezamenlijk een visie op de beschikbaarheid van jeugdhulp moeten vaststellen.
Hoofdstuk 2 – Het openbaar lichaam Artikel 2 – Belang Wat het inhoudt: Dit artikel beschrijft het doel van het samenwerkingsverband: de belangen van de colleges behartigen bij de uitvoering van bovenlokale jeugdhulptaken, gericht op een toereikend aanbod van specialistische jeugdhulp en een effectieve en doelmatige uitvoering. Waarom dit in de regeling staat: Artikel 10, eerste lid, Wgr verplicht elke gemeenschappelijke regeling om het belang of de belangen te benoemen waarvoor zij wordt getroffen. Dit is geen formaliteit: het belang bepaalt de reikwijdte van wat de GR mag doen. Bevoegdheden die niet bijdragen aan het hier beschreven belang kunnen niet aan de GR worden overgedragen. De formulering is daarom bewust ruim genoeg om alle taken in artikel 4 te kunnen dragen, en specifiek genoeg om duidelijk te maken dat het over jeugdhulp gaat en niets anders.
Pagina 3 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
Artikel 3 – Openbaar lichaam Wat het inhoudt: Dit artikel richt het openbaar lichaam formeel op, geeft het de naam Jeugdregio ZuidKennemerland en IJmond, vestigt het in Haarlem, bepaalt dat het werkgebied de zeven deelnemende gemeenten omvat, en benoemt de drie bestuursorganen: algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter. Waarom dit in de regeling staat: De keuze voor de rechtsvorm openbaar lichaam berust op artikel 8, eerste lid, Wgr. Het openbaar lichaam is de enige Wgr-vorm met volledige rechtspersoonlijkheid. Dat betekent dat de jeugdregio op eigen naam personeel in dienst kan nemen, contracten kan sluiten met jeugdhulpaanbieders, kan procederen en eigendommen kan bezitten. Deze rechtspersoonlijkheid is noodzakelijk om de wettelijke inkooptaak uit artikel 2.19 Jeugdwet te kunnen vervullen. De vermelding van de vestigingsplaats is verplicht op grond van artikel 10, derde lid, Wgr en bepaalt onder andere welke rechtbank bevoegd is en welke gemeente verantwoordelijk is voor de bekendmaking. De drie bestuursorganen zijn voorgeschreven in artikel 12, eerste lid, Wgr.
Artikel 4 – Taken en bevoegdheden Wat het inhoudt: Dit is het inhoudelijke kernartikel van de regeling. Het eerste lid draagt de wettelijk verplichte taken aan de jeugdregio over: het regionaal inkopen of subsidiëren van bij AMvB aan te wijzen vormen van specialistische jeugdhulp en van gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering, plus alle handelingen die nodig zijn om die contracten te beheren (gunning, contractmanagement, monitoring, escalatie, beëindiging). Ook de afstemming met andere jeugdregio’s en de organisatie van regionale expertteams hoort hierbij. Het tweede lid bepaalt dat tussen de zeven gemeenten geen verschillen in contractvoorwaarden mogen ontstaan. Het derde lid voegt bovenwettelijke taken toe die de zeven gemeenten in onderlinge afspraak ook regionaal beleggen, zoals data en monitoring, kwaliteitscontrole, beleidsregels, advisering bij verordeningen en samenwerkingsafspraken met aanbieders. Het vierde lid biedt ruimte voor latere uitbreiding mits alle colleges en het AB instemmen. Het vijfde lid geeft het AB de bevoegdheid om beleidsregels
vast
te
stellen.
Het
zesde
lid
maakt
nadere
afspraken
mogelijk
via
een
dienstverleningsovereenkomst. Waarom dit in de regeling staat: De wettelijk verplichte taken in lid 1 vloeien rechtstreeks voort uit artikel 2.18 en 2.19 Jeugdwet, zoals gewijzigd door de Wvbj. De overdracht van bevoegdheden aan het algemeen bestuur gebeurt door delegatie op grond van artikel 30, eerste lid, Wgr. Voor delegatie is gekozen, en niet voor mandaat, omdat de memorie van toelichting bij de Wvbj delegatie als de aangewezen vorm noemt: het algemeen bestuur oefent de bevoegdheden in eigen naam uit, wat de bestuurlijke positie van de jeugdregio versterkt en de democratische lijn duidelijk maakt. Het verbod op verschillen in contractvoorwaarden in lid 2 staat in artikel 2.19, tweede lid, Jeugdwet en voorkomt dat aanbieders met zeven verschillende eisen worden geconfronteerd binnen een regio. De bovenwettelijke taken in lid 3 berusten ook op artikel 30 Wgr, maar zijn niet wettelijk verplicht; de zeven colleges kiezen daar in onderlinge afspraak voor. De beleidsregels in lid 5 hebben hun grondslag in artikel 4:81 Awb (algemene bevoegdheid tot het stellen van beleidsregels door bestuursorganen).
Hoofdstuk 3 – Het algemeen bestuur Artikel 5 – Samenstelling en benoeming Wat het inhoudt: Het algemeen bestuur (AB) bestaat uit zeven leden: een per gemeente. Elk college wijst een lid en een plaatsvervanger aan uit zijn eigen midden. Het lidmaatschap eindigt automatisch wanneer de zittingsperiode van het college afloopt of wanneer het wethouderschap of burgemeesterschap tussentijds eindigt. Iemand mag opnieuw worden aangewezen. Bij een tussentijdse vacature wijst het betreffende college
Pagina 4 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan. Een aftredend lid blijft in functie tot een opvolger is aangewezen, om continuïteit te borgen. Waarom dit in de regeling staat: Artikel 13, zesde lid, Wgr bepaalt dat bij een collegeregeling de leden van het algemeen bestuur door en uit het college worden aangewezen. Raadsleden of inwoners kunnen geen lid zijn van dit AB. De verplichting om een plaatsvervanger aan te wijzen volgt uit artikel 13, tweede lid, Wgr en is praktisch noodzakelijk: zonder plaatsvervanger valt het AB stil bij verhindering. De koppeling aan de zittingsperiode van het college is het logische gevolg van het feit dat alleen wethouders en burgemeesters lid kunnen zijn; verliest iemand die hoedanigheid, dan vervalt automatisch het lidmaatschap.
Artikel 6 – Taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur Wat het inhoudt: Het algemeen bestuur is in beginsel bevoegd voor alles wat de Wgr aan het AB opdraagt, voor de bevoegdheden die in artikel 4 aan het AB zijn overgedragen, en voor alles wat in deze regeling niet expliciet aan het dagelijks bestuur of de voorzitter is opgedragen. Het AB kan bevoegdheden delegeren aan het DB, maar enkele bevoegdheden mogen daarvan worden uitgesloten: de begroting, de jaarrekening, verordeningen, benoeming en ontslag van de directeur, instellen van adviescommissies, oprichten van of deelnemen in andere rechtspersonen, de verrekeningssystematiek voor de financiële bijdragen, en het vaststellen van beleidsregels. Het derde lid regelt het zienswijzerecht van de raden: standaard op de begroting en de wijzigingen daarvan, en daarnaast op andere ingrijpende besluiten die het AB aanwijst. Waarom dit in de regeling staat: De algemene bevoegdheidsregel volgt uit het systeem van artikel 33 Wgr: het AB is het hoofdorgaan, het DB en de voorzitter hebben alleen die bevoegdheden die hun expliciet zijn opgedragen. De uitzonderingen in lid 2 zijn de bevoegdheden die wettelijk of vanwege democratische controle bij het AB moeten blijven; deze keuze sluit aan bij de modelregelingen van de VNG. Het zienswijzerecht in lid 3 voor de begroting volgt uit artikel 35, derde lid, Wgr.
Het tweede deel van lid 3 (zienswijze op andere ingrijpende besluiten) vloeit voort uit de Wgr-wijziging van 1 juli 2022, die de positie van de raad in een GR heeft versterkt; de regeling maakt expliciet dat het AB voorgenomen besluiten kan aanwijzen waarover raden een zienswijze mogen geven.
Artikel 7 – Vergaderingen van het algemeen bestuur Wat het inhoudt: Het AB vergadert minimaal twee keer per jaar, en vaker wanneer de voorzitter of drie leden dat nodig vinden. Vergaderingen zijn openbaar, tenzij het AB anders besluit. De voorzitter bepaalt plaats en tijd in overleg met de directeur. Het AB stelt een eigen reglement van orde vast. Waarom dit in de regeling staat: De openbaarheid van AB-vergaderingen is uitgangspunt op grond van artikel 22 Wgr in samenhang met artikel 23 Gemeentewet (van overeenkomstige toepassing). Het minimum van twee vergaderingen per jaar is praktisch ingegeven: in elk geval voor de begroting en de jaarrekening moet het AB bijeenkomen. Dat drie leden om een vergadering kunnen vragen is een gangbare bepaling die voorkomt dat de voorzitter alleen het tempo bepaalt. Het reglement van orde is een eigen huishoudelijk reglement van het AB dat de gang van zaken in de vergadering regelt (orde van agenda, sprekerstijd, schorsing).
Artikel 8 – Besluitvorming Wat het inhoudt: Dit artikel regelt hoe het AB besluiten neemt. Er geldt een dubbele meerderheidsnorm. 40% van de stemmen wordt gelijk verdeeld over de zeven gemeenten (elke gemeente ongeveer 5,7%) en 60% wordt gewogen naar inwonertal. Een besluit komt tot stand als de meerderheid van de gemeenten instemt en die meerderheid meer dan de helft van het stemgewicht vertegenwoordigt. Voor zware besluiten (wijziging van de stemverhouding zelf, vaststelling of wijziging van de begroting, de verrekeningssystematiek en wijziging van de
Pagina 5 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
regeling) geldt een tweederde meerderheid. Verder zijn er regels over belangenverstrengeling, quorum en de geldigheid van stemmingen. Waarom dit in de regeling staat: Artikel 13, vierde lid, Wgr biedt de mogelijkheid om in de regeling een gewogen stemverhouding op te nemen. De regeling moet die verhouding zelf vastleggen; doet zij dat niet, dan heeft elk lid een stem. De gekozen formule (40% gelijk + 60% gewogen) is een bewuste keuze: zij voorkomt dat de grootste gemeente (Haarlem) op eigen kracht alle besluiten kan dragen, en zorgt tegelijk dat de kleinere gemeenten samen geen besluit tegen de inwonersdemografie in kunnen forceren. De dubbele meerderheidsnorm in lid 2 (meerderheid van deelnemers en meer dan 50% van de stemmen) maakt dat een besluit altijd politiek breed is gedragen. De gekwalificeerde meerderheid in lid 3 voor financiële kernbesluiten en regelingswijzigingen beschermt minderheidsposities bij de meest impactvolle beslissingen. De regels over belangenverstrengeling, quorum en geldigheid van stemmingen volgen het systeem van artikel 22 Wgr in samenhang met de artikelen 28 tot en met 32 Gemeentewet, die van overeenkomstige toepassing zijn.
Hoofdstuk 4 – Het dagelijks bestuur Artikel 9 – Samenstelling Wat het inhoudt: Het dagelijks bestuur (DB) bestaat uit de voorzitter van het AB en maximaal twee andere leden, die door en uit het AB worden aangewezen. De aanwijzing vindt plaats in de eerste AB-vergadering na een nieuwe raadsperiode. Het DB-lidmaatschap eindigt zodra iemand geen lid meer is van het AB. Elk DB-lid heeft een stem; besluitvorming bij volstrekte meerderheid; quorum is de helft van de zittende leden. Waarom dit in de regeling staat: De samenstelling van het DB is geregeld in artikel 14 Wgr. Lid 1 van dat artikel bepaalt dat de voorzitter van het AB ook voorzitter van het DB is. Lid 3 van artikel 14 Wgr verbiedt dat de leden van het DB de meerderheid van het AB uitmaken; met drie DB-leden op zeven AB-leden is aan die voorwaarde voldaan. De keuze voor maximaal drie DB-leden is een bewuste keuze: een klein DB werkt slagvaardiger en past bij de uitvoeringsgerichte rol van het orgaan, terwijl het AB de politieke regie houdt.
Artikel 10 – Taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur Wat het inhoudt: Het DB voert de dagelijkse leiding van het lichaam, bereidt besluiten van het AB voor en voert ze uit, stelt regels vast over de ambtelijke organisatie, benoemt en ontslaat ambtenaren (behalve de directeur), neemt privaatrechtelijke besluiten, voert procedures, beheert activa en passiva en is verantwoordelijk voor de financiële controle. Het DB stelt de ontwerpbegroting en ontwerpjaarrekening op en brengt jaarlijks verslag uit aan het AB. Waarom dit in de regeling staat: De bevoegdheden van het DB zijn sinds de Wgr-wijziging van 2015 expliciet opgenomen in artikel 33b Wgr. Artikel 10 van de regeling werkt deze wettelijke bevoegdheden uit en concretiseert ze voor de jeugdregio. De verplichting om een ontwerpbegroting en ontwerpjaarrekening op te stellen volgt uit artikel 34 en 34b Wgr. Het jaarverslag aan het AB sluit aan bij de verantwoordingsplicht van het DB jegens het AB op grond van artikel 19a Wgr.
Artikel 11 – Vergaderingen van het dagelijks bestuur Wat het inhoudt: Het DB vergadert zo vaak als een of meer leden dat nodig vinden en stelt een eigen reglement van orde vast voor zijn vergaderingen. Waarom dit in de regeling staat: Anders dan voor het AB schrijft de Wgr voor het DB geen openbaarheid van vergaderingen voor. DB-vergaderingen zijn naar hun aard besloten, omdat het DB voorbereidt en uitvoert, niet
Pagina 6 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
besluit op hoofdlijnen. De praktische frequentie wordt overgelaten aan het DB zelf, omdat de werkbelasting per periode kan verschillen.
Hoofdstuk 5 – De voorzitter Artikel 12 – Voorzitter Wat het inhoudt: Het AB-lid dat door het college van Haarlem is aangewezen, is automatisch voorzitter. Het AB wijst uit zijn midden ook een plaatsvervangend voorzitter aan. De voorzitter leidt de vergaderingen van AB en DB, voert besluiten van het DB uit, ondertekent uitgaande stukken (tenzij hij dit aan de directeur opdraagt) en vertegenwoordigt de jeugdregio in en buiten rechte. De voorzitter kan die vertegenwoordiging opdragen aan een gevolmachtigde. Waarom dit in de regeling staat: Artikel 13, negende lid, Wgr bepaalt dat de voorzitter door en uit het AB wordt aangewezen. De Wgr laat het aan de regeling om aanvullende voorwaarden te stellen, en hier is gekozen om het voorzitterschap aan Haarlem te koppelen vanwege de positie van Haarlem als grootste gemeente en als vestigingsplaats. De bevoegdheden van de voorzitter zijn opgenomen in artikel 33d Wgr; het tweede lid van dat artikel kent de voorzitter de bevoegdheid toe om de jeugdregio te vertegenwoordigen in en buiten rechte. De mogelijkheid om de ondertekening van bepaalde stukken aan de directeur op te dragen is een praktische delegatie die in de meeste GR-en gebruikelijk is.
Hoofdstuk 6 – De directeur Artikel 13 – Aanstellen, wijzigen en beëindigen arbeidsovereenkomst directeur Wat het inhoudt: Het AB beslist over het aangaan, wijzigen en beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de directeur. Het DB doet daarvoor een voordracht. Waarom dit in de regeling staat: Het werkgeverschap van de directeur is een zwaarwegende beslissing en hoort bij het hoogste bestuursorgaan thuis. De wettelijke basis ligt in de combinatie van artikel 33 Wgr (algemene bevoegdheid AB) en artikel 33b Wgr (DB-bevoegdheden). De voordracht door het DB voorkomt dat het AB zonder voorbereiding moet kiezen en sluit aan bij de gangbare praktijk in vergelijkbare openbare lichamen. Voor de directeur als topfunctionaris geldt overigens de Wet normering topinkomens (WNT), met een algemeen bezoldigingsmaximum dat jaarlijks wordt geindexeerd; voor 2026 bedraagt dit 262.000 euro inclusief pensioen en belaste onkostenvergoedingen.
Artikel 14 – Taken directeur Wat het inhoudt: De directeur is secretaris van het AB en het DB, staat aan het hoofd van de ambtelijke organisatie, voert besluiten van het DB uit, bereidt vergaderingen voor, verstrekt gevraagde inlichtingen en heeft een adviserende stem in de vergaderingen. Waarom dit in de regeling staat: De rol van secretaris is geregeld in artikel 33e Wgr. De combinatie van directeur en secretaris in een persoon is gangbaar in openbare lichamen en zorgt voor korte lijnen tussen ambtelijke en bestuurlijke laag. De adviserende stem in vergaderingen geeft de directeur ruimte om als professional te adviseren zonder formeel mee te stemmen.
Artikel 15 – Uitvoeringsorganisatie
Pagina 7 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
Wat het inhoudt: De jeugdregio heeft een eigen uitvoeringsorganisatie onder leiding van de directeur. Het AB stelt op voorstel van het DB de formatie en organisatiestructuur vast. Op het personeel is de CAO Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (CAO SGO) van toepassing. De jeugdregio kan personeel detacheren naar of vanuit de deelnemende gemeenten. Waarom dit in de regeling staat: De CAO SGO geldt voor circa 200 GR-werkgevers in Nederland en is materieel vrijwel identiek aan de CAO Gemeenten. De keuze voor deze CAO is geen vrije keuze: de jeugdregio wordt automatisch lid van de Werkgeversvereniging Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (WSGO) en valt daarmee onder de CAO SGO. Hetzelfde geldt voor het pensioen: dat loopt verplicht via het ABP. De mogelijkheid van detachering geeft praktische ruimte om medewerkers van gemeenten tijdelijk in te zetten zonder dat zij van werkgever hoeven te wisselen, en omgekeerd.
Hoofdstuk 7 – Financiën Artikel 16 – Begroting Wat het inhoudt: Het DB stuurt jaarlijks voor 15 maart een kadernota aan colleges en raden, met de financiële en beleidsmatige kaders voor het volgende jaar. Voor 1 mei stelt het DB een ontwerpbegroting op, met toelichting. De ontwerpbegroting wordt minimaal twaalf weken voor de vaststelling door het AB aan de raden gezonden. Raden hebben acht weken om hun zienswijze in te dienen. Het AB stelt de begroting vast en het DB stelt de raden gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen. De vastgestelde begroting gaat binnen twee weken naar de colleges, raden en Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. Waarom dit in de regeling staat: De begrotingscyclus van een GR is strak geregeld in de Wgr. Artikel 34b Wgr verplicht het toezenden van een kadernota (de zogenoemde algemene financiële en beleidsmatige kaders) voor 30 april. De keuze voor 15 maart in deze regeling is strenger dan de wet vereist en geeft de raden meer voorbereidingstijd. Artikel 35, derde lid, Wgr verplicht het toezenden van de ontwerpbegroting aan de raden minimaal acht weken voor vaststelling; ook hier kiest de regeling voor twaalf weken om raden meer ruimte te geven. Het zienswijzenrecht van acht weken volgt rechtstreeks uit artikel 35 Wgr.
De toezending aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland is verplicht op grond van artikel 35 Wgr en heeft als doel financieel toezicht.
Artikel 17 – Begrotingswijziging Wat het inhoudt: Begrotingswijzigingen kunnen tot het einde van het begrotingsjaar worden besloten. Voor begrotingswijzigingen die de financiële bijdragen van de colleges raken, gelden dezelfde procedure-eisen als voor de begroting zelf (twaalf weken aan raden, acht weken zienswijze, gemotiveerde reactie). Wijzigingen worden binnen vier weken aan Gedeputeerde Staten gestuurd. Waarom dit in de regeling staat: De Wgr (artikel 35, vijfde lid) eist dat raden ook bij begrotingswijzigingen die hun financiële bijdrage raken, kunnen meedenken via een zienswijze. Voor wijzigingen die alleen interne herschikkingen betreffen geldt die zienswijzeprocedure niet, omdat die de gemeenten financieel niet raken. Dit voorkomt dat het AB voor elke kleine technische wijziging een traject van enkele maanden moet doorlopen.
Artikel 18 – Financiële bijdragen Wat het inhoudt: De kosten van de jeugdregio worden gedekt door bijdragen van de colleges, rijksbijdragen, specifieke uitkeringen en andere inkomsten. De jeugdregio kan zelf specifieke uitkeringen aanvragen. Het AB
Pagina 8 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
stelt met tweederde meerderheid de verrekeningssystematiek vast; uitgangspunt is verdeling naar inwoneraantal. De financiële bijdragen worden jaarlijks bij de begroting vastgesteld. Waarom dit in de regeling staat: Artikel 34a, eerste lid, Wgr maakt het mogelijk dat een GR rechtstreeks specifieke uitkeringen ontvangt van het Rijk; dat betekent dat geld voor jeugdhulp niet via de gemeenten hoeft te lopen, wat administratief efficiënter is. De keuze voor verdeling naar inwoneraantal is gangbaar en transparant; alternatieven zijn verdeling naar daadwerkelijk gebruik (rechtvaardiger maar bewerkelijker) of een hybride
model.
De
gekwalificeerde
meerderheid
voor
de
verrekeningssystematiek
beschermt
minderheidsposities, omdat een wijziging van de verdeelsleutel grote financiële consequenties kan hebben voor individuele gemeenten.
Artikel 19 – Rekening en verantwoording Wat het inhoudt: Voor 15 april stuurt het DB een voorlopige jaarrekening aan de colleges. Daarna stelt het DB de ontwerpjaarrekening op en stuurt die aan colleges en raden. Het AB stelt de jaarrekening vast. De vastgestelde jaarrekening gaat binnen twee weken naar colleges, raden en Gedeputeerde Staten van NoordHolland. Waarom dit in de regeling staat: Artikel 34b Wgr verplicht het toezenden van een voorlopige jaarrekening voor 15 april, zodat colleges deze kunnen meenemen in hun eigen jaarstukken. Artikel 34, derde lid, Wgr regelt de vaststelling van de jaarrekening door het AB voor 15 juli van het jaar volgend op het boekjaar. De toezending aan Gedeputeerde Staten is verplicht op grond van artikel 34 Wgr en dient het financieel toezicht. De koppeling met de gemeentelijke begrotingscyclus is essentieel: gemeenten moeten de cijfers van de GR tijdig in hun eigen jaarstukken kunnen verwerken.
Artikel 20 – Financiële administratie en beheer Wat het inhoudt: Het AB stelt regels vast over de financiële administratie, het kasbeheer en de boekhouding, wijst aan welke functionarissen ontvangsten en betalingen mogen doen, regelt de controle daarop, en stelt bij verordening regels over de uitgangspunten van financieel beleid en beheer en over de controle daarop. De artikelen 186 tot en met 213 Gemeentewet en het Besluit begroting en verantwoording (BBV) en de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido) zijn van overeenkomstige toepassing. Waarom dit in de regeling staat: Het BBV stelt eisen aan de inrichting van de begroting en de jaarrekening van decentrale overheden, inclusief GR-en. De Wet Fido reguleert het treasurybeleid (lenen, beleggen, financieringsrisico’s) en is van toepassing op alle decentrale overheden. De artikelen 186 tot en met 213 Gemeentewet bevatten de financiële beheers- en controlebepalingen voor gemeenten en zijn op grond van artikel 35 Wgr van overeenkomstige toepassing op openbare lichamen. Door dit artikel weet iedereen, ook de externe accountant, welk financieel regelregime geldt.
Hoofdstuk 8 – Archief Artikel 21 – Archief Wat het inhoudt: Het AB stelt een archiefverordening vast. De archiefbewaarplaats bevindt zich bij de jeugdregio of een andere daartoe aangewezen plaats. Het AB kan een dienstverleningsovereenkomst sluiten met een van de colleges voor het feitelijke archiefbeheer. Waarom dit in de regeling staat: De Archiefwet 1995 verplicht ieder bestuursorgaan, dus ook een openbaar lichaam, om zorg te dragen voor de archivering en duurzame toegankelijkheid van zijn archiefbescheiden. Artikel
Pagina 9 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
40 Archiefwet 1995 verplicht het AB tot het vaststellen van een archiefverordening. De mogelijkheid om het archiefbeheer onder te brengen bij een gemeente of een regionaal historisch centrum is praktisch en kostenefficiënt: opbouw van een eigen archiefdienst voor een relatief kleine organisatie is onnodig duur. Per 1 januari 2027 treedt naar verwachting een nieuwe Archiefwet in werking met aangescherpte eisen voor digitale duurzaamheid; de informatiearchitectuur van de jeugdregio moet daarop voorbereid zijn.
Hoofdstuk 9 – Informatie en verantwoording Artikel 22 – Informatieverstrekking aan raden Wat het inhoudt: Het AB verstrekt de raden jaarlijks de begroting, de jaarrekening en een inhoudelijk jaarverslag. Op verzoek levert het AB alle inlichtingen die de raden nodig hebben. Het lichaam zorgt voor actieve informatievoorziening; minimaal twee keer per jaar gaat een voortgangsrapportage naar de raden. Individuele raadsleden kunnen schriftelijke inlichtingen vragen, die binnen vier weken worden beantwoord. Waarom dit in de regeling staat: Artikel 17 Wgr verplicht het bestuur van een openbaar lichaam om de raden alle inlichtingen te verstrekken die zij voor hun controlerende taak nodig hebben. De Wgr-wijziging van 2022 heeft de actieve informatieplicht versterkt: niet alleen op verzoek leveren, maar ook proactief delen van wat relevant is. De voortgangsrapportage twee keer per jaar is een concretisering van die actieve informatieplicht. Het inlichtingenrecht voor individuele raadsleden is een verzwaarde versie van de wettelijke regel: in de Wgr is dit recht aan de raad als orgaan toegekend, maar deze regeling kent het ook aan individuele raadsleden toe om de raadscontrole te versterken.
Artikel 23 – Verantwoording Wat het inhoudt: Het AB legt minimaal een keer per jaar verantwoording af aan de raden via de jaarrekening en het jaarverslag. De raden kunnen het AB uitnodigen voor mondelinge toelichting. Elk individueel AB-lid legt op verzoek verantwoording af aan zijn eigen college over het in het AB gevoerde beleid en verstrekt aan dat college de gevraagde inlichtingen. Het college kan dat AB-lid ontslaan als het vertrouwen ontbreekt. Waarom dit in de regeling staat: De verantwoordingsrelaties bij een collegeregeling zijn geregeld in artikel 16 jo artikel 18 Wgr: een AB-lid is verantwoording schuldig aan het college dat hem heeft aangewezen, niet rechtstreeks aan de raad. De raad controleert via zijn eigen wethouder. Het ontslagrecht van het college ligt in artikel 19 Wgr en is een belangrijke stok achter de deur: een AB-lid dat het vertrouwen verliest, kan worden teruggeroepen. De jaarlijkse verantwoording aan de raden via de jaarstukken is een uitwerking van de informatieverplichting uit artikel 17 Wgr.
Artikel 24 – Openbaarheid en privacy Wat het inhoudt: Het DB wijst een contactpersoon aan voor verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo). De jeugdregio beschermt persoonsgegevens conform de AVG en wijst een functionaris voor gegevensbescherming aan. Het DB stelt een klachtenregeling vast op grond van hoofdstuk 9 Algemene wet bestuursrecht. Waarom dit in de regeling staat: De Woo verplicht ieder bestuursorgaan tot openbaarmaking van overheidsinformatie en tot het inrichten van een procedure voor verzoeken om informatie. De AVG verplicht overheidsinstanties (artikel 37 AVG) tot het aanwijzen van een Functionaris voor Gegevensbescherming (FG); een openbaar lichaam is een overheidsinstantie en kan deze verplichting niet ontlopen. De FG mag worden gedeeld met de deelnemende gemeenten. De klachtenregeling vloeit voort uit hoofdstuk 9 Awb, dat ieder
Pagina 10 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
bestuursorgaan verplicht tot een behoorlijke afhandeling van klachten over zijn gedragingen, met termijnen en hoorplicht.
Hoofdstuk 10 – Inspraak en evaluatie Artikel 25 – Inspraak Wat het inhoudt: Het AB stelt regels vast over hoe inwoners en belanghebbenden worden betrokken bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Het AB kan adviescommissies instellen met vertegenwoordigers
van
jeugdigen,
jeugdhulpaanbieders,
gecertificeerde
instellingen
en
andere
belanghebbenden. Waarom dit in de regeling staat: De Wgr-wijziging van 2022 heeft de positie van inwoners en belanghebbenden binnen GR-en versterkt. Inspraak is geen vrijblijvende keuze: in de Jeugdwet is verankerd dat jeugdigen, ouders en pleegouders worden betrokken bij beleid en uitvoering. Door deze regels onder het AB te brengen blijft er ruimte voor maatwerk per onderwerp, terwijl de verplichting tot betrokkenheid is geborgd. De adviescommissies bieden een formele structuur voor inbreng van het veld, en zijn een toepassing van artikel 24 Wgr (instellen van adviescommissies door bestuursorganen van het openbaar lichaam).
Artikel 26 – Evaluatie Wat het inhoudt: Twee jaar na inwerkingtreding van de regeling, en daarna telkens na vier jaar, stuurt het AB de raden een evaluatieverslag. Het verslag beoordeelt of de doelstellingen zijn gehaald, hoe de samenwerking verloopt, hoe de financiën zich ontwikkelen, hoe het lichaam en de formatie functioneren, en bevat zo nodig voorstellen tot aanpassing. Waarom dit in de regeling staat: Periodieke evaluatie is een breed gedragen praktijk in modelregelingen en in de VNG-handreiking voor GR-en. De keuze voor de eerste evaluatie na twee jaar is bewust korter dan de gangbare vierjaarlijkse cyclus: bij een nieuwe organisatie is het van belang om al na twee jaar te kunnen bijsturen, op basis van de eerste praktijkervaringen. De vaste evaluatiemomenten geven raden een natuurlijk moment om de regeling tegen het licht te houden, zonder dat zij daarvoor zelf een politiek initiatief hoeven te nemen.
Hoofdstuk 11 – Wijziging en toetreding Artikel 27 – Wijziging van de regeling Wat het inhoudt: De regeling kan worden gewijzigd door een besluit van de colleges, na voorafgaande toestemming van de raden. Een wijzigingsvoorstel kan worden ingediend door het AB of door minimaal twee colleges. Het DB stuurt het voorstel naar de colleges. Waarom dit in de regeling staat: De toestemming van de raden bij wijziging is verplicht op grond van artikel 1, vierde lid, Wgr; dezelfde regel die geldt bij het treffen van de regeling, geldt bij wijziging. De Wgr eist verder op grond van artikel 9 dat de regeling zelf bepalingen bevat over wijziging. De drempel van minimaal twee colleges voor het indienen van een voorstel voorkomt dat een individuele gemeente eindeloos wijzigingsvoorstellen kan indienen, en zorgt dat er altijd al een minimum aan draagvlak is voordat het traject begint.
Artikel 28 – Toetreding en uittreding
Pagina 11 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
Wat het inhoudt: Toetreding van een college is alleen mogelijk na een wijziging van de wettelijke regio-indeling. Uittreden vergt een opzegtermijn van minimaal twee jaar, met uitzondering van een wijziging van de regioindeling. Het AB stelt bij uittreding een uittredingsplan vast met afspraken over personeel, lopende contracten, huisvesting, investeringen en financiële verplichtingen. Het uitgangspunt is dat de uittredende gemeente de kosten draagt die rechtstreeks gevolg zijn van de uittreding; de overige gemeenten ondervinden geen financieel nadeel. Waarom dit in de regeling staat: Artikel 9 Wgr verplicht elke regeling om bepalingen over toetreding, uittreding en de gevolgen daarvan op te nemen. De koppeling van toetreding aan een gewijzigde regio-indeling op grond van artikel 2.17 Jeugdwet sluit aan bij het wettelijk systeem: de jeugdregio’s zijn bij AMvB vastgesteld, dus toetreding kan niet via een eenvoudig politiek besluit. De opzegtermijn van twee jaar is een evenwichtige keuze tussen de belangen van de uittredende gemeente (niet eindeloos vastzitten) en de overblijvende gemeenten (tijd om de organisatie aan te passen). De financiële verdeelsleutel bij uittreding (uittredende gemeente betaalt desintegratiekosten) volgt de jurisprudentie en de aanbevelingen van de VNG.
Hoofdstuk 12 – Opheffing Artikel 29 – Opheffing Wat het inhoudt: De regeling kan alleen worden opgeheven als de wettelijke verplichting tot een GR voor jeugdhulp komt te vervallen, en alle colleges daartoe besluiten met toestemming van hun raden. Bij opheffing besluit het AB tot liquidatie en stelt het AB minimaal zes maanden voor de opheffing een liquidatieplan en een sociaal plan vast. Waarom dit in de regeling staat: Artikel 9 Wgr eist dat de regeling bepalingen bevat over opheffing. De koppeling aan de wettelijke verplichting voorkomt dat een politieke meerderheid de regeling kan opheffen terwijl de wettelijke samenwerkingsplicht uit de Jeugdwet nog bestaat. Het sociaal plan is van groot belang voor het personeel: het regelt de rechten en verplichtingen bij beëindiging van het dienstverband, en moet aan de wettelijke en CAO-eisen voldoen. De zes maanden voorbereidingstijd is een reele termijn om een ordentelijke afwikkeling te organiseren.
Hoofdstuk 13 – Geschillenbeslechting Artikel 30 – Geschillen Wat het inhoudt: Geschillen tussen colleges of tussen een college en de jeugdregio worden eerst voorgelegd aan het AB. Lukt dat niet, dan volgt mediation. Lukt mediation niet, dan beslist Gedeputeerde Staten van NoordHolland. In afwijking daarvan kunnen partijen samen kiezen voor een bindend adviseur, arbiter of de bevoegde rechter. Waarom dit in de regeling staat: Artikel 28 Wgr regelt dat geschillen over de toepassing van een gemeenschappelijke regeling worden voorgelegd aan Gedeputeerde Staten. Deze regeling bouwt daar een getrapte procedure overheen: eerst intern oplossen, dan mediation, dan pas naar GS. Dit voorkomt dat elk meningsverschil onmiddellijk de provincie bereikt en bevordert dat partijen er onderling uitkomen. De mogelijkheid om in afwijking te kiezen voor een andere geschilbeslechting biedt flexibiliteit voor situaties waarin de wettelijke route niet de meest passende is, bijvoorbeeld bij geschillen over technische of contractuele kwesties die zich beter lenen voor arbitrage.
Pagina 12 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
Hoofdstuk 14 – Overgangsbepalingen Artikel 31 – Overgangsrecht Wat het inhoudt: Overeenkomsten en subsidiebesluiten die voor de inwerkingtreding van deze regeling door of namens de colleges gezamenlijk zijn aangegaan op het terrein van jeugdhulp, gelden vanaf 1 januari 2027 als overeenkomsten of besluiten van de jeugdregio. Eerdere besluiten in het kader van de regionale samenwerking blijven van kracht totdat het AB anders besluit. Voor de eerste begroting geldt een ruimere termijn van drie maanden; tot die eerste begroting wordt vastgesteld worden de kosten gedragen volgens de oude verdeelsleutel. Waarom dit in de regeling staat: Op 1 januari 2027 wordt de jeugdregio rechtsopvolger voor de regionale jeugdhulptaken. Zonder overgangsbepaling zou onduidelijk zijn welke organisatie verantwoordelijk is voor lopende contracten en subsidies. Dit artikel zorgt ervoor dat de continuïteit van zorg gegarandeerd is: voor jeugdhulpaanbieders en cliënten verandert in de praktijk niets aan de afspraken; alleen de juridische tegenhanger wijzigt. De ruimere begrotingstermijn voor de eerste begroting is praktisch noodzakelijk omdat de inwerkingtreding op 1 januari valt en de gewone begrotingscyclus dan niet kan worden gevolgd. De terugval op de oude verdeelsleutel zorgt dat de financiering doorloopt zonder onderbreking.
Hoofdstuk 15 – Slotbepalingen Artikel 32 – Inwerkingtreding Wat het inhoudt: De regeling treedt in werking op 1 januari 2027, nadat zij op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Waarom dit in de regeling staat: De datum 1 januari 2027 is geen vrije keuze: de Wvbj verplicht dat de jeugdregio op die datum operationeel is. De voorwaarde van bekendmaking is geregeld in artikel 26 Wgr in samenhang met de Bekendmakingswet. Bekendmaking gebeurt elektronisch in het Gemeenteblad van de gemeente Haarlem (de vestigingsplaats). Zonder bekendmaking treedt de regeling niet in werking, ook al is 1 januari 2027 verstreken. De gemeente Haarlem is daarom mede verantwoordelijk om de bekendmaking tijdig te verzorgen.
Artikel 33 – Citeertitel Wat het inhoudt: De regeling kan worden aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Jeugdregio ZuidKennemerland en IJmond. Waarom dit in de regeling staat: Een citeertitel maakt verwijzing naar de regeling in andere besluiten en documenten kort en eenduidig. Dit is geen wettelijke verplichting, maar gebruikelijk in alle regelingen van enige omvang.
Ondertekening Wat het inhoudt: Het sluitstuk van de regeling: ondertekening per gemeente door de burgemeester en de gemeentesecretaris, met datum. Waarom dit in de regeling staat: De ondertekening is het formele bewijs dat het college de regeling heeft vastgesteld. Per gemeente tekenen de burgemeester (als voorzitter van het college) en de gemeentesecretaris.
Pagina 13 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
De datum is van belang omdat zij bepaalt op welk moment het collegebesluit is genomen; alle zeven besluiten samen vormen, met de toestemmingsbesluiten van de raden, de juridische basis voor de regeling.
Pagina 14 van 15
Artikelsgewijze toelichting GR Jeugdregio ZKIJ
Geraadpleegde wet- en regelgeving Deze toelichting verwijst naar de volgende wet- en regelgeving, in de versie die geldt op het moment van vaststelling van de regeling: Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Jeugdwet, zoals gewijzigd door de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg (Wvbj), Stb. 2025, 283. Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het bijzonder afdeling 10.1.2 over delegatie en hoofdstuk 9 over klachtbehandeling. Gemeentewet, in het bijzonder de artikelen 186 tot en met 213 over financieel beheer. Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), in het bijzonder artikel 37 over de Functionaris voor Gegevensbescherming. Wet open overheid (Woo). Archiefwet 1995. Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido). Wet normering topinkomens (WNT). Bekendmakingswet en het daarop gebaseerde Bekendmakingsbesluit. CAO Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties (CAO SGO) 2025-2027. Voor de feitelijke wettekst wordt verwezen naar wetten.overheid.nl. Aanvullende achtergrondinformatie over de Wgr-wijziging van 2022 is te vinden in de VNG-Handreiking Wijziging Wgr (oktober 2022).
Pagina 15 van 15