RO-BP-616.138.30-TOTAAL-VA00.pdf
Tekst van het document
52
Hoofdstuk 8 Archeologie en cultuurhistorie 8.1
Archeologie
8.1.1
Kader
Erfgoedwet De Erfgoedwet uit 2016 bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals dit in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2022. Het gaat daarbij om de volgende zaken:
Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; Bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. Gemeentelijk archeologiebeleid In oktober 2010 is het in regionaal verband opgestelde archeologiebeleid van (onder meer) de gemeente Hardinxveld-Giessendam vastgesteld. Het beleid bestaat uit een beleidsnota waarbij een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart hoort. Het beleid vormt in feite een nadere uitwerking c.q. detaillering van het provinciale beleid. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening, waarin het bestemmingsplan het centrale instrument vormt.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
53
8.1.2
Onderzoek
Afbeelding 8.1: Uitsnede CHS provincie Zuid-Holland inclusief legenda
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
54
Afbeelding 8.2: Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingenkaart inclusief legenda De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
55
Waardering CHS Uit afbeelding 8.1 blijkt dat de kans op het aantreffen van archeologische sporen in het zuidelijk deel van het plangebied redelijk tot hoog is. Er gelden vanuit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart geen beperkende maatregelen. Waardering gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart Zoals blijkt uit afbeelding 8.2 heeft het gebied De Blauwe Zoom in het gemeentelijk beleid een specifiekere en meer gedetailleerde waardering gekregen dan de wat globalere provinciale kaart. De volgende aanduidingen gelden voor De Blauwe Zoom:
Hoofdzakelijk heeft De Blauwe Zoom een 'hoge verwachting dieper dan 5 meter beneden maaiveld' ("Waarde - Archeologie 7"): archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 500 cm; Het westelijk deel van De Blauwe Zoom heeft een 'lage verwachting' (“Waarde – Archeologie 9”): archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm;
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek In opdracht van de gemeente Hardinxveld-Giessendam is in 2011 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in het plangebied van De Blauwe Zoom. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.1 (SIKB 2006a), de provinciale richtlijnen, het vigerende gemeentelijke beleid en het onderzoeksspecifieke plan van aanpak (Emaus, 2011). De rapportage van het archeologisch onderzoek is als Bijlage 7 bij deze toelichting toegevoegd. Het onderzoeksgebied van dit onderzoek wordt omgrensd door de Schapedrift in het noorden en het westen en de bebouwing aan de straat Buitendams in het zuiden. In het oosten wordt het onderzoeksgebied begrensd door een reeds opgehoogd terrein. De oppervlakte van het onderzoeksgebied bedraagt ca. 12 ha. In de rapportage wordt geconcludeerd dat er geen bekende archeologische waarden in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Met betrekking tot toekomstige bodemverstoringen wordt aanbevolen om bij verstoringen dieper dan 1,4 m vervolgonderzoek door middel van karterende boringen in te zetten.
Ook bij het zetten van de boringen voor de heipalen en de lussen voor het eventueel te realiseren systeem voor duurzame energieopslag, dient te worden opgelet dat de verstoring hierbij niet groter is dan 1% van het totale oppervlak. De initiatiefnemer dient dan ook voorafgaand aan de vergunningsaanvraag een voorlopig palenplan op te stellen, zodat aan de hand daarvan bepaald kan worden wat de verstoringsgraad zal worden die samenhangt met dat palenplan. Archeologisch booronderzoek Naast het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uit 2011 is in 2015 een archeologisch booronderzoek uitgevoerd. De resultaten van het booronderzoek worden hieronder beknopt weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Uit het booronderzoek blijkt dat in het plangebied een noordwest-zuidoost geörienteerde band met beddingen geulafzettingen van de Wijngaardense meandergordel (ca. 5.420 - 4.320 v. Chr.) aanwezig is. Ten noorden en ten zuiden hiervan zijn oeverafzettingen aangetroffen. De afzettingen van de Wijngaardense meandergordel bevinden zich beneden 6,5 m -NAP. In het noordoosten van het plangebied is een humeuse laag met daarin een vuursteenafslag in de oeverafzettingen aanwezig. De vuursteenafslag is bewerkt en dateert waarschijnlijk uit het neolithicum.
In het noordoosten van het plangebied kunnen dus archeologische waarden uit het neolithicum in de oeverafzettingen van de Wijngaardense meandergordel aanwezig zijn. In de overige delen van het plangebied zijn in de De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
56
oeverafzettingen geen archeologische indicatoren of archeologische potentiele lagen aangetroffen. Waarschijnlijk zijn in het plangebied geen rivierduinafzettingen aanwezig. Boven 6,5 m -NAP zijn in het plangebied voornamelijk komafzettingen aangetoffen, bestaande uit klei- en veenlagen. Waarschijnlijk vond na de sedimentatie van de Wijngaardense meandergordel een grootschalige vernatting van het gebied plaats. De komafzettingen hebben een lage archeologische verwachting. Omdat in het noordoosten van het plangebied waarschijnlijk nog archeologische waarden aanwezig zijn in de oeverafzettingen van de Wijngaardense meandergordel, wordt geadviseerd om in fase 1 een beperkt heipalenplan te hanteren. Beperkt betekent in dit geval dat 2% van de oppervlakte van het gebied of minder door heipalen verstoord zal worden. Inmiddels is dit gebied thans geheel gerealiseerd en/of vergund. De overige delen van het plangebied kunnen werkzaamheden zonder verder archeologisch onderzoek plaatsvinden voor de voorgenomen ontwikkeling. In deze gebieden kunnen echter nog wel archeologische resten aanwezig zijn, zoals losse vondsten of structuren die niet door het booronderzoek gevonden zijn. Indien toch archeologische resten worden gevonden kan dit gemeld worden bij de gemeente. 8.1.3
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is niet langer nodig om een dubbelbestemming voor archeologie op te nemen.
8.2
Cultuurhistorie
8.2.1
Kader
In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. Er zijn rijks-, provinciale en gemeentelijke monumenten. Uitgangspunt is dat een monument slechts op één lijst voorkomt: Rijksmonumenten zijn terug te vinden in het Monumentenregister. Namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wijst de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beschermde rijksmonumenten aan. Stads- en dorpsgezichten worden mede door de minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen. De Rijksdienst wijst nog maar heel beperkt nieuwe monumenten aan. Op dit moment zijn dat vooral gebouwen uit de wederopbouwperiode. Provinciale monumenten hebben een gemeentelijke monumentenlijst, op basis van een gemeentelijke erfgoedverordening. Regioprofielen Cultuurhistorie De provincie Zuid-Holland wil waardevolle cultuurhistorische elementen behouden of inpassen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Om dit richting te geven, zijn Regioprofielen Cultuurhistorie opgesteld. De zestien regioprofielen dienen als een handreiking en sturingskader voor gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en adviesbureaus om cultuurhistorie op te nemen in ruimtelijke plannen. Ze zijn een uitwerking van de algemene richtlijnen voor cultuurhistorie in ruimtelijke plannen zoals die staan in de provinciale Structuurvisie.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
57
8.2.2
Onderzoek
Ontstaansgeschiedenis Hardinxveld en Giessendam behoren tot de oudste ontginningscentra van de Alblasserwaard. Vanuit de oeverwal aan de benedenloop van het veenriviertje de Giessen zijn in noordwestelijke richting de afwateringssloten gegraven. Aangenomen wordt dat het gebied rond Hardinxveld-Giessendam al in 1270 geheel was ontgonnen. Archeologische vondsten op de oevers van de Giessen geven aan dat de eerste intensieve bewoning al plaatsvond in de 11e eeuw. Deze bewoning heeft zich ontwikkeld langs de Giessen en heeft geleid tot de karakteristieke lintbebouwing op de oeverwallen: een reeks boerderijen die het ontgonnen land aan de achterzijde gebruikten voor agrarische productie. In de loop der eeuwen is de ruimte tussen de boerderijen en de Giessen ingevuld met bebouwing. Door inklinking van de polders en verzanding van de rivier ontstond de noodzaak om het ontgonnen land te beschermen tegen overstromingen bij hoogtij. De rivier de Merwede werd bedijkt en in de Giessen werd een dam aangelegd om de rivier buiten de getijden van de rivier te houden: Giessendam was een feit. Hardinxveld-Giessendam maakt deel uit van een langs de rivier gelegen 'verstedelijkingsreeks' vanaf Gorinchem tot aan Rotterdam. De ontwikkeling van deze 'bandstad' kan gerelateerd worden aan de aanleg van de infrastructuur aan het eind van de 19e en in de loop van de 20e eeuw.
De belangrijke economische aders zijn de spoorlijn, de auto(snel)wegen en de Merwede. De kernen hebben zich vanaf hun ontstaan in de 13e eeuw tot de 20e eeuw nauwelijks ontwikkeld. Er heeft voornamelijk verdichting plaatsgevonden in de lintbebouwing. De industrialisatie en de mobiliteitstoename hebben Hardinxveld en Giessendam in de 20e eeuw explosief doen groeien. De kernen van Giessendam en Neder-Hardinxveld zijn aan elkaar gegroeid, terwijl Boven-Hardinxveld een kleine afzonderlijke kern is gebleven. In 1957 zijn de gemeentes samengevoegd tot de gemeente Hardinxveld-Giessendam. De historische ontwikkeling is nog steeds goed waarneembaar en dit bepaalt in grote mate het karakter van de gemeente. Het ontginningslint Damstraat-Binnendams en de dijklinten Buitendams en de Peulenstraat en Rivierdijk zijn als uitgestrekte ensembles duidelijk herkenbaar en vormen een typerend verschil met de woongebieden. Het gebied De Blauwe Zoom is gelegen direct ten noorden van het lint Buitendams. Door de historische groei kennen de linten een sterke functiemenging. Dit levert een divers en levendig beeld op. Sommige bedrijven zijn echter zodanig gegroeid dat ze hinder ondervinden van of hinder veroorzaken naar de omgeving. De specifieke situatie van de linten, met name de dijklinten, heeft voor veel woningen een specifieke typologie opgeleverd.
Binnendams en Buitendams waren samen met de Damstraat lange tijd de belangrijkste straten in de kern Neder-Hardinxveld/Giessendam. In de naamgeving van deze straten wordt het belang dat de dam had voor de waterhuishouding nog steeds benadrukt. Buitendams maakte tot 1940 onderdeel uit van de hoofdwaterkering van de Alblasserwaard. De rijksweg A15 heeft deze functie overgenomen. Buitendams kan vanaf de Molenstraat worden beschouwd als verlaten waterkering omdat deze geen waterkerende functie meer heeft. Binnendams en de Damstraat hebben die functie nog wel. Na de aanleg van de spoorlijn Dordrecht - Geldermalsen is het gebied tussen Buitendams, de Damstraat en de spoorlijn gedeeltelijk volgebouwd. Aan de noordzijde van de spoorlijn is het woongebiedje 'Over 't Spoor' gebouwd. Vervolgens hebben de uitbreidingen in oostelijke richting (Wielwijk), maar ook in westelijke richting plaatsgevonden. Zo zijn West I en II ontwikkeld, waarbij Buitendams de zuidelijke en de spoorlijn de noordelijke grenzen vormen. De Blauwe Zoom, met daartussen nog de Scholenstrook, was een logische volgende stap. Cultuurhistorische waardering De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
58
Uit de provinciale cultuurhistorische hoofdstructuur blijkt dat ten zuiden van De Blauwe Zoom een historische landschappelijke lijn van hoge waarde aanwezig is. Het betreft de dijk Buitendams en de Zwijnskade. Dit gegeven komt ook terug in de gemeentelijke archeologienota. Het lint is echter niet binnen onderhavig plangebied gelegen. De verschijningsvorm van dit lint blijft dan ook ongeschonden. 'Ons Dorp' is op het Regioprofiel voor de Alblasserwaard - Vijfheerenlanden niet als bijzonder cultuurhistorisch gebied aangemerkt. Binnen het bestemmingsplangebied bevinden zich geen monumenten. 8.2.3
Conclusie
Gelet op het bovenstaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
59
Hoofdstuk 9 Milieu 9.1
Algemeen
In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
9.2
M.e.r-beoordeling
Het voorkómen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De realisatie van 72 woningen valt aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst behorende bij het besluit mer (categorie 11.2). Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) van 2.000 woningen, ook in samenhang met de andere plannen, niet wordt overschreden, dient in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria:
Kenmerken van het project; Plaats van het project; Kenmerken van het potentiële effect.
Dit kan niet uitsluitend in de vorm van een paragraaf in de toelichting, maar daarvoor dient door de initiatiefnemer een 'aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling' te worden opgesteld. Door de wetswijziging van die datum geldt dit voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Voor de realisatie van de 72 woningen is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld waarbij kort is samengevat wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn op de verschillende milieuaspecten. Deze aanmeldnotitie is opgenomen in Bijlage 12. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat er sprake is of kan zijn van nadelige milieueffecten. Deze effecten zijn weloverwogen beoordeeld en waar compensatie gevraagd is zal worden gecompenseerd. Maatregelen zullen worden gevoerd om deze effecten te beperken. Er kan worden geconstateerd dat de nadelige effecten te reguleren zijn en dat een m.e.r.-beoordeling in deze niet noodzakelijk is.
9.3
Bodemkwaliteit
9.3.1
Kader
Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
60
Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen.
Die voorschriften dienen in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
61
Gemeentelijk of regionaal bodembeleid Op de interactieve bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) heeft de locatie grotendeels de kwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde” waarbinnen grondverzet mogelijk is. Voor een kleiner deel is de klasse "Industrie Heterogeen" en "Wonen". De kaart geeft de gemiddelde bodemkwaliteit voor onverdachte locaties binnen een zone. Verkennend bodem onderzoek is noodzakelijk.
Afbeelding 9.1: Uitsnede bodemkwaliteitskaart OZHZ 9.3.2
Onderzoek
Ten behoeve van de voorliggende ontwikkeling zijn een verkennend bodemonderzoek (conform NEN 5740 en NEN 5707) en een waterbodemonderzoek (conform NEN 5720) uitgevoerd. De resultaten worden hieronder beknopt weergegeven, de volledige rapportages zijn als bijlage 9 en 10 bij deze toelichting gevoegd.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
62
Verkennend bodemonderzoek Ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een bodemonderzoek, naar asbest in bodem NEN 5707 uitgevoerd. Voor de uitvoer van het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek is de onderzoeksstrategie bepaald. Doel van het onderzoek is om aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden. De aanleiding voor het bodemonderzoek naar asbest in de bodem wordt gevormd doordat de locatie als verdacht op het voorkomen van asbest moet worden beschouwd op basis van het aantreffen van puin in de bodem tijdens eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. NEN 5740 Op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de grond verhogingen van molybdeen, nikkel, lood en kobalt ten opzicht van de achtergrondwaarde worden aangetroffen. In het grondwater worden verhogingen van barium, naftaleen en minerale olie ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. NEN 5707 Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat zowel zintuiglijk als analytisch op de locatie geen asbest in de bodem wordt aangetroffen.
Aanvullend bodemonderzoek ten behoeve van inkadering Op basis van het uitgevoerde aanvullend onderzoek kan worden geconcludeerd dat de eerder aangetroffen verontreiniging te plaatse van B105 (B39 in voorgaand onderzoek) voldoende is ingekaderd. De verontreiniging betreft een spot van minder dan 25 m3 met een verhoging ten opzichte van de tussenwaarde tot 1,0 m - mv. Er is geen sprake van een ernstige bodemverontreiniging waarvoor een saneringsplicht van toepassing is. In de omliggende boringen worden analytisch enkel verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. In het grondwater ter plaatse van PB38 wordt de verhoging van nikkel in onderhavig onderzoek niet meer aangetroffen. Vermoedelijk betrof de eerder aangetroffen verhoging een eenmalig verhoogde concentratie veroorzaakt door verhoogde achtergrondconcentraties in het grondwater. De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Op basis van dit bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot de geplande ontwikkelingen.
Waterbodemonderzoek Het doel van dit onderzoek is om aan te tonen of in de waterbodem verontreinigende stoffen worden aangetroffen en het bepalen van de milieuhygienische kwaliteit van de waterbodem en de eventueel daaruit vrijkomende baggerspecie. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat verhogingen van diverse parameters ten opzichte van de achtergrondwaarde worden aangetroffen. De locatie kan daarom niet meer als onverdacht worden beschouwd, de resultaten van het bodemonderzoek geven echter geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Bij het dempen van sloten moet rekening worden gehouden met de kwaliteitsklasse van sloot 3, 4 en 8.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
63
Voor de gronden in het gronddepot wordt momenteel een plan van aanpak opgesteld waarin een voorstel wordt gedaan voor het hergebruik van de grond in de volgende fase. Voor het bestemmingsplan levert dit geen belemmeringen op. 9.3.3
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er geen belemmeringen bestaan ten aanzien van voorliggend plan.
9.4
Akoestische aspecten
9.4.1
Kader
Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat er akoestisch onderzoek verricht dient te worden gedurende de bestemmingsplanprocedure, indien het bestemmingsplan het volgende mogelijk maakt:
nieuwe infrastructuur; nieuwe geluidsgevoelige functies.
De Wgh geeft aan dat wegen, met een rijsnelheid van 50 km/uur of hoger, wettelijke onderzoekszones hebben. Indien er binnen deze zones een nieuwe geluidgevoelige functie juridisch-planologisch wordt mogelijk gemaakt, dient er een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Het voorliggende akoestisch onderzoek brengt alleen de geluidsbelastingen in beeld voor het plangebied ‘Ons Dorp’ waar nieuwe en uitgebreidere woonbestemmingen worden mogelijk gemaakt. Het plangebied ‘Ons Dorp’ is gelegen binnen de wettelijke zone van de Schapedrift en de Spoorweg. Daarnaast is het plangebied gelegen in de wettelijke zone van de spoorwegen (Betuweroute en Merwede-Lingelijn). In verband hiermee is onderzoek uitgevoerd naar de in de toekomst te verwachten geluidsbelasting ten gevolge van weg- en railverkeerslawaai ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is ook aandacht besteed aan de mogelijke geluidshinder van het wegverkeer op de omliggende 30 km/uur-wegen. In het onderzoek is daarom eveneens de geluidsbelasting in beeld gebracht voor de ontsluitingsweg binnen het plangebied ‘Ons Dorp’. Hoewel het plangebied ‘Ons Dorp’ gelegen is buiten de wettelijke zone van de rijksweg A15, en er dus geen wettelijke onderzoeksplicht geldt, is het geluid van deze weg eveneens bepaald in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
In de volgende paragraaf zijn railverkeerslawaai beschreven. 9.4.2
de
resultaten
voor
de
aspecten
wegverkeerslawaai
en
Onderzoek
Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 13. Wegverkeerslawaai Uit het onderzoek volgt dat de geluidsbelasting door het verkeer op de Schapedrift de voorkeurswaarde van 48 dB met maximaal 6 dB overschrijdt bij 13 woningen direct langs de Schapedrift. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Daarnaast volgt uit het onderzoek dat er in beperkte mate (maximaal 2 dB) overschrijdingen zijn ten gevolge van het verkeer op de Ontsluitingsweg (30 km/uur) en de rijksweg A15.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
64
Stiller wegdek Schapedrift Uit het onderzoek volgt dat door de aanleg van een dunne deklaag type A of B de geluidsbelasting over een lengte van ca. 220 meter (oppervlakte ca. 1.400 m2) kan worden gereduceerd met respectievelijk ca. 2,3 en 3,5 dB. Ook na het treffen van maatregelen wordt de voorkeursgrenswaarde nog overschreden, zodat het vaststellen van hogere waarden noodzakelijk blijft. Het aanbrengen van een stiller wegdek op de Schapedrift is doelmatig op grond van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder. Stiller wegdek ontsluitingswet Ons Dorp (30 km/uur) De geluidsbelasting ten gevolge van de ontsluitingsweg kan worden gereduceerd door de toepassing van een zogenaamde stille elementenverharding over een lengte van 25 meter (oppervlakte ca. 1.50 m2) in plaats van een reguliere elementenverharding (klinkers) in keperverband op de ontsluitingsweg. De stille elementenverharding levert een geluidsreductie op van ca. 2 dB. Deze reductie is afdoende om de aanwezige overschrijding van 2 dB weg te nemen. Afschermende maatregelen Schapedrift en Ontsluitingsweg (30 km/uur) Langs de Schapedrift is het realiseren van een ononderbroken geluidsscherm vanwege de aanwezige (toekomstige) ontsluiting niet mogelijk. Door de benodigde openingen in een geluidsscherm ter plaatse van de ontsluiting(en) wordt het geluidsreducerend effect van een geluidsscherm verminderd.
Daarnaast is het realiseren van een geluidsscherm om stedenbouwkundige, landschappelijke (belemmering doorzichten / visuele barrière / ruimtegebrek) en verkeerskundige (zichtlijnen) redenen ongewenst. Om deze redenen is deze maatregel niet onderzocht. Langs de Ontsluitingsweg Ons Dorp (30 km/uur) is geen ruimte aanwezig voor het realiseren van geluidsschermen. Railverkeerslawaai Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de spoorwegen (Betuweroute en Merwede-Lingelijn) de voorkeurswaarde van 55 dB met maximaal 4 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt niet overschreden. De overschrijding wordt met name veroorzaakt door het railverkeer op de Merwede-Lingelijn en doet zich alleen voor bij de 13 woningen direct langs de Schapedrift. Verlagen geluidproductieplafonds Uit het ‘Nalevingsverslag spoorwegen 2019’ blijkt dat de werkelijke geluidsproductie in 2019 minimaal 4,8 dB lager was dan de maximaal toelaatbare geluidsproductie. Op basis van het feitelijk gebruik van de spoorwegen in 2019 was er geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB en zou het treffen van maatregelen niet noodzakelijk zijn.
In samenwerking met ProRail en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zal naar verwachting in de 2e helft van 2021 worden gestart met een procedure om te komen tot een verlaging van de geluidsproductieplafonds om de maximaal toelaatbare geluidsproductie meer in overeenstemming te brengen met de werkelijke geluidsproductie. Raildempers Merwede-Lingelijn De geluidsbelasting ten gevolge van de spoorwegen kan worden verlaagd door toepassing van raildempers over een lengte van 350 meter op de Merwede-Lingelijn. Dit levert een geluidsreductie op van 2,3 dB. Ook in dat geval is het vaststellen van een hogere waarde noodzakelijk.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
65
Het aanbrengen van raildempers is doelmatig op grond van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder. Afschermende maatregelen Merwede-Lingelijn De overschrijding van de voorkeursgrenswaarde kan geheel worden weggenomen door het plaatsen van een 335 meter lang geluidsscherm met een hoogte van 1,5 meter +BS (bovenkant spoorstaaf) langs de Merwede-Lingelijn. Het realiseren van een geluidsscherm voor alleen de 13 woningen in het plangebied ‘Ons Dorp’ is niet doelmatig is op grond van de Regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder. Indien echter ook de toekomstige woningen, die nog langs de Schapedrift binnen het plangebied De Blauwe Zoom worden gerealiseerd, worden meegenomen dan is een geluidsscherm naar alle waarschijnlijkheid wel doelmatig. Hogere waarden In tabel 15 is een overzicht gegeven van het aantal vast te stellen hogere waarden voor de Schapedrift (afhankelijk van de verharding) en de spoorwegen (Betuweroute en Merwede-Lingelijn).
Voor het railverkeerslawaai is geen rekening gehouden met het treffen van geluidsreducerende of geluidsbeperkende maatregelen, omdat uit het ‘Nalevingsverslag spoorwegen 2019’ blijkt dat de werkelijke geluidsproductie in 2019 minimaal 4,8 dB lager was dan de maximaal toelaatbare geluidsproductie. Op basis van het gebruik van de spoorwegen in 2019 is er geen sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB en is het treffen van maatregelen niet noodzakelijk. Gezien de voorgenomen verlaging van de geluidsproductieplafonds stuit het aanbrengen van dure geluidsreducerende of geluidsbeperkende maatregelen, die bij een verlaging mogelijk niet nodig zijn, op overwegende bezwaren van financiële aard. Het ligt in de rede om na de verlaging van de geluidsproductieplafonds de mogelijke maatregelen (raildempers of een geluidsscherm) opnieuw te beoordelen in het kader van de doelmatigheid, in samenhang met de verdere ontwikkeling van het plangebied ‘De Blauwe Zoom’. Voor het vaststellen van hogere waarden is het noodzakelijk dat bij de betrokken woningen, conform het gemeentelijk geluidbeleid, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervan is sprake indien:
De woningen beschikken over een geluidsluwe gevel gebaseerd op de gecumuleerde geluidsbelasting. Van een geluidsluwe gevel is sprake indien de gecumuleerde geluidsbelasting voor wegverkeerslawaai maximaal 53 dB (zonder aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder) bedraagt en voor railverkeerslawaai maximaal 55 dB; De woningen een geluidsluwe (of een deel daarvan) tuin hebben van minimaal 20 m2.
Om te voldoen aan bovenstaande voorwaarden dient bij de Schapedrift het wegdek minimaal te bestaan uit een dunne deklaag type A of een ander wegdek met een gelijkwaardige geluidsreductie. Voor de spoorwegen zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk om aan de beleidsvoorwaarden De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
66
te voldoen. 9.4.3
Conclusie
Uit het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de voorkeursgrenswaarde voor Schapedrift, de Ontsluitingsweg en de spoorwegen Betuweroute en Merwede-Lingelijn wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Door het treffen van maatregelen kan de reductie worden beperkt. Voor de Schapedrift en de spoorwegen Betuwerouten en Merwede-Lingelijn is het vaststellen van hogere waarden echter nog wel noodzakelijk. Het ontwerpbesluit hogere waarden dient tegelijkertijd met het ontwerpbesluit ter inzage te worden gelegd en is opgenomen in bijlage 16. Om te voldoen aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid dient bij de Schapedrift het wegdek minimaal te bestaan uit een dunne deklaag type A of een ander wegdek met een gelijkwaardige geluidsreductie. Voor de spoorwegen zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk om aan de beleidsvoorwaarden te voldoen. Hierdoor is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
67
9.5
Luchtkwaliteit
9.5.1
Kader
Wettelijk kader Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en interna-tionaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toeneemt dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast.
Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Voor ‘De Blauwe Zoom - Ons Dorp’ geldt dat het gebied niet is opgenomen in het NSL. Binnen het plangebied ‘Ons Dorp’ wordt de realisatie van maximaal 72 woningen mogelijk gemaakt binnen de bestemmingen ‘Wonen - 1’. In de Regeling 'Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën opgenomen voor ontwikkelingen die als NIBM worden aangemerkt. Dit zijn onder andere:
kantoorlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 200.000 m2 omvat; woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat.
Op basis van artikel 5 Besluit 'Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' (anti-cumulatiebeding) is aangegeven dat diverse ontwikkelingen in elkaars nabijheid niet afzonderlijk mogen worden getoetst aan de normen van de Wet luchtkwaliteit. Aangezien de locatie 'De Blauwe Zoom - Ons Dorp' gelegen is in de nabijheid van andere, met meerdere functies, is de ontwikkeling niet zondermeer aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
68
9.5.2
Onderzoek
Met betrekking tot voorliggende ontwikkeling is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit. Hieronder zijn de resultaten beknopt weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 14 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder zijn de belangrijkst resultaten weergegeven. Op grond van de opgenomen uitgangspunten voor de berekeningen van de luchtkwaliteit zijn in tabel 2 de maximaal berekende jaargemiddelde concentraties luchtverontreinigende stoffen weergegeven. In de resultaten van PM10 is geen rekening gehouden met de zogenaamde zeezoutcorrectie, omdat de jaargemiddelde concentratie de grenswaarde niet overschrijdt.
Uit de resultaten van tabel 2 blijkt dat de berekende concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ruimschoots lager zijn dan de gestelde jaargemiddelde grenswaarden. De jaargemiddelde concentraties binnen de locatie 'De Blauwe Zoom - Ons Dorp' bedragen in 2020 respectievelijk dan 19-20 µg/m3 voor NO2, 18-19 µg/m3 voor PM10 en 11 µg/m3 PM2,5 en in 2030 14 µg/m3 voor NO2, 16 µg/m3 voor PM10 en 9 µg/m3 PM2,5. De concentraties zijn ruimschoots lager dan grenswaarden. 9.5.3
Conclusie
Binnen de plangebied ‘Ons Dorp’ wordt voorzien in de bouw van maximaal 72 woningen. In dit onderzoek is beoordeeld of de concentratie luchtverontreinigende stoffen voldoet aan de gestelde grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit. Aan de hand van berekeningen is aangetoond dat de luchtkwaliteit voor de maatgevende stoffen stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) langs de wegen en binnen het plangebied ruimschoots voldoet aan de grenswaarden. Derhalve leidt het aspect luchtkwaliteit niet tot belemmeringen voor de ontwikkeling van woningen binnen het plangebied.
9.6
Milieuzonering
9.6.1
Kader
Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
69
Voor nieuwe milieugevoelige functies, zoals woningen, dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van nabijgelegen bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering'. De richtafstanden in de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie tot de grens van een bedrijf in de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. 9.6.2
Onderzoek
In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse percelen voorzien van een bedrijfsbestemming, variërend van milieucategorie 2 tot en met 4.1. In afbeelding 9.2. is dit weergegeven voor het gebiedtype 'rustige woonwijk'.
Afbeelding 9.2.: richtafstanden van omliggende bedrijfsbestemmingen, uitgaande van omgevingstype 'rustige woonwijk' Uit deze afbeelding blijkt dat de richtafstand niet tot in het plangebied gelegen zijn.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
70
Bedrijventerrein 't Oog (Westpunt) Aan de noordzijde van de Merwede-Linge-lijn wordt een nieuw bedrijventerrein ontwikkeld. Hiertoe is in 2019 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld en in werking getreden. Het bestemmingsplan voorziet in een bedrijventerrein met milieucategorie 3 en 4. Het terrein is daarbij 'inwaarts gezoneerd' waarbij in de zuidelijke helft van het terrein maximaal milieucategorie 3.2 is toegestaan en in de noordelijke helft milieucategorie 4.1 is toegestaan. Aan de bijbehorende richtafstanden van respectievelijk 100 en 200 meter tot de woonbestemming binnen dit voorliggende bestemmingsplan wordt voldaan, waarmee de nieuwe woningen in Ons Dorp geen beperking vormen voor de bedrijven op het bedrijventerrein. Bij vaststelling van bestemmingsplan Bedrijventerrein 't Oog is bovenstaande afweging eveneens meegenomen.
9.6.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
9.7
Externe veiligheid
9.7.1
Kader
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor bestaande situaties wordt het niveau van 10-5 per jaar als grenswaarde gehanteerd, 10-6 per jaar geldt als richtwaarde. Voor nieuwe situaties geldt een grenswaarde van 10-6 per jaar. Een richtwaarde is daarbij niet van toepassing.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
71
9.7.2
Onderzoek
In de omgeving van de ontwikkelingslocatie bevinden zich verschillende risicobronnen. Dit zijn; A15: afrit 23 (Papendrecht/N3) - afrit 27 (Gorinchem), Spoorlijn Route 202, Kijfhoek – Betuwe-route Meteren en een hogedruk aardgastransportleiding. Door Antea is onderzoek gedaan naar deze risicobronnen. De volledige rapportage is te raadplegen in bijlage 11. In onderzoek is ook een verantwoording van de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid gegeven. Hieronder zijn de belangrijkste en conclusies weergegeven. A15: afrit 23 (Papendrecht/N3) - afrit 27 (Gorinchem) Uit het onderzoek blijkft dat de maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour 46 meter bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden vanuit het Bevt. Daarnaast blijkt dat de hoogte van het groepsrisico toeneemt maar minder dan een factor 0,1 en blijft onder de oriëntatiewaarde. De weg is voorzien van een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG reikt echter niet tot het plangebied. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden vanuit het Bevt. Spoorlijn Router 202, Kijfhoek - Betuweroute Meteren Uit het onderzoek blijkft dat de maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour 30 meter bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden vanuit het Bevt. Daarnaast blijkt dat de hoogte van het groepsrisico toeneemt maar minder dan een factor 0,1 en blijft onder de oriëntatiewaarde.
Het spoor is voorzien van een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG reikt echter niet tot het plangebied. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden vanuit het Bevt. Hogedruk aardgastransportleiding Uit het onderzoek blijkft dat de leiding geen maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour kent. Het plaatsgebonden risico levert daarmee geen belemmeringen op. Daarnaast blijkt dat de hoogte van het groepsrisico van de hogedruk aardgastransportleiding zich in zowel de huidige als de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde bevindt. Het groepsrisico van deze leiding neemt in de toekomstige situatie niet toe ten opzichte van de huidige situatie. Voor alle bronnen is een beperkte verantwoording van het groepsrisico van toepassing. In de rapportage zijn elementen ter verantwoording van het groepsrisico aangedragen. 9.7.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
9.8
Overige belemmeringen
Inleidend Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
72
Onderzoek Riool(pers)leiding Onder de centrale singel, de oost-westverbinding in het nieuwe woongebied, is een nieuwe rioolpersleiding gerealiseerd. Ter plaatse van het tracé is, met een breedte van 2 meter ter weerszijden van de hartlijn van de leiding, een dubbelbestemming “Leiding - Riool" opgenomen. Hier geldt een beschermende regeling ten behoeve van het veiligstellen van de belangen van de leiding. Conclusie Voor de aanwezige rioolpersleiding is een dubbelbestemming opgenomen. Voor het overige zijn er geen belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig, waartoe een regeling dient te worden opgenomen in het bestemmingsplan.
9.9
Duurzaamheid
9.9.1
Kader
Regionaal beleid De regio Drechtsteden wil bijdragen aan een toekomstbestendige, energieneutrale aarde. Om actief beleid te voeren heeft de regio ingezet op de uitwerking van een toekomstperspectief waarbij gezamelijk wordt gewerkt aan een energieneutrale regio in 2050. Het regionaal beleid dat zich richt op duurzaamheid is opgesteld in 2017 en bestaat uit een drieluik: 1. Het Toekomstperspectief Drechtsteden Energieneutraal 2050: een toekomstperspectief dat beschrijft hoe de Drechtsteden energieneutraal kunnen worden, wat dit voor de regionale werkgelegenheid betekend en wat de toegevoegde waarde hiervan is. 2. De Energiestrategie Drechtsteden 2050: geeft de strategie voor een energieneutrale regio in 2050 weer aan de hand van een uitgewerkt Toekomstperspectief met werkwijze. 3. Samenwerkingsagenda Drechtsteden Energieneutraal: geeft de actiepunten per partij: wie doet wat? De Energiestrategie Drechtsteden geeft een duidelijke werkwijze voor het Toekomstperspectief 2050, dat kan worden gezien als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen. De belangrijkste ontwikkelingen zijn het stoppen met gebruik van aardgas, het sterk inzetten op energiebesparing, het stoppen met gebruik van benzine, diesel e.d., de duurzame opwekking van elektriciteit en de realisering van de hoogst haalbare maatschappelijke opbrengst.
Stoppen met het gebruik van aardgas Een belangrijk onderdeel van een energieneutrale toekomst is de aardgasreductie: vanaf 1 juli 2018 mogen woningen niet meer op aardgas worden aangesloten. In de Energiestrategie is een Wamtetransitieplan opgesteld om de uitfasering van aardgas te plannen. Hierin is opgenomen dat nieuwbouw niet langer op aardgas wordt aangesloten. Duurzame energie Vanuit de regio worden besparingsconcepten ondersteund en opgenomen in omgevingsvisies. Er worden kaders ontwikkeld voor initiatieven, kansen onderzocht voor smart grids en energiebuffering, en wordt een zonneoffensief ingezet en nieuwbouw wordt energie producerend gerealiseerd. Voor nieuwbouw wordt de nieuwe BENG-norm als uitgangspositie gehanteerd.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
73
Gemeentelijk beleid De Gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft de ambitie om bij ontwikkeling van De Blauwe Zoom een aanmerkelijke reductie van de uitstoot van CO2 te bereiken. Voor het woongebied is een minimum EPL (energieprestatie op locatie) van 7,2 vastgelegd. Dit dient behaald te worden via een duurzame energievoorziening. Duurzaam bouwen Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoeften te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. 9.9.2
Onderzoek en conclusie
Bij de ontwikkeling van 'Ons Dorp' is duurzaamheid een belangrijk aandachtspunt. In het plan worden natuurvriendelijke oevers gerealiseerd. Deze langzaam oplopende natuurvriendelijke oevers worden ook op veel plaatsen in het uitgeefbaar gebied van Ons Dorp toegepast, inclusief bijpassende beplanting waarin allerlei diersoorten (van insecten tot vogels) zich thuis voelen. Daarnaast worden de watergangen voorzien van verschillende diepten en structuurverhogende elementen. Gestuurd wordt op het behoud van zo veel mogelijk diversiteit diersoorten in de wijk. Zo zitten er nestkasten in de topgevels van de woningen opgenomen ten behoeve van de huismus, gierzwaluw en vleermuis. Daarnaast wordt de onderste rij pannen van de huizen verhoogd om ruimte te creëren voor het nestelen van huismussen. Op verschillende plaatsen in het groen (met name in de parkzone aan de westkant) zullen diverse structuurverhogende elementen worden geplaatst in de vorm van steenhopen, insectenhotels, takkenrillen etc. Bij de ontwikkeling van 'Ons Dorp' is aan duurzaamheid via enkele thema's al aandacht geschonken. Vooral water, energie en ecologie/groen zijn in de planvorming (bijvoorbeeld bij de gemaakte proefverkaveling) meegenomen. Er wordt voldaan aan de wettelijke vereisten.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
74
Hoofdstuk 10 10.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Exploitatieverplichting Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Exploitatieplan Bij dit bestemmingsplangebied is een exploitatieplan opgesteld. Zoals reeds in paragraaf 2.2 is vermeld, is dit exploitatieplan één van de documenten, waarin de uitgangspunten c.q. randvoorwaarden voor de ontwikkeling van het gebied zijn vastgelegd.
In het exploitatieplan is onder meer geregeld dat voor de gronden die nog niet in eigendom zijn van de gemeente, de mogelijkheid bestaat voor de eigenaren om tot realisatie op eigen initiatief over te gaan. In geval van zelfrealisatie bepaalt het exploitatieplan aan welke eisen voldaan moeten worden om te komen tot de aanleg van de openbare hoofdstructuur en voorzieningen; zoals wegen, wateren en groengebieden. Het ontwerpexploitatieplan wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan in procedure gebracht. Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
10.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Plan(vormings)proces Met de realisatie van het 'Ons Dorp' in woongebied De Blauwe Zoom wordt tegemoet gekomen aan de vraag naar nieuwe woningen in de regio. Al geruime tijd wordt gewerkt aan de planvorming omtrent De Blauwe Zoom. Gedurende het planproces wordt op diverse momenten naar buiten getreden met als doel de omwonenden, belanghebbenden en andere geïnteresseerden te informeren. Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
75
10.3
Handhavingsaspecten
Inleidend Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een mogelijkheid tot afwijken. Vertaling naar bestemmingsregeling In dit bestemmingsplan is aangesloten bij de actuele maatschappelijke behoefte voor wat betreft bouwen en gebruik. Vervolgens is door middel van het opnemen van flexibiliteitsbepalingen (algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingen) ingespeeld op eventuele toekomstige ontwikkelingen.
De opzet van het plan is globaal; realisatie van het plan zal plaatsvinden volgens de doelstellingen van de gemeente die onder meer via het exploitatieplan worden afgedwongen. Na de oplevering van de woningen zal een controle plaatsvinden. De verbeelding, de regels en de toelichting zijn, tot slot, zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieproblemen en problemen met betrekking tot de uitvoering (en dus: het mogelijk ontstaan van handhavingssituaties) zo veel mogelijk worden voorkomen.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
76
Hoofdstuk 11 11.1
Procedure
Voorbereidingsfase
Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan is conform de gemeentelijke inspraakverordening, voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure, voor inspraak worden vrijgegeven. Gedurende de inspraaktermijn is een ieder in de mogelijkheid gesteld schriftelijk en/of mondeling te reageren op het bestemmingsplan. Tijdens de inspraaktermijn zijn er twee inspraakreacties binnen gekomen. Deze inspraakreacties zijn samengevat en beantwoord in de nota van beantwoording inspraakreacties, zie bijlage 15. De inspraakreacties hebben niet geleid tot aanpassingen in het bestemmingsplan. Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen, en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan diverse overleginstanties. De ontvangen overlegreacties zijn samengevat in de nota van beantwoording inspraakreacties, zie bijlage 15. Door de Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid zijn een aantal punten aangedragen die moeten worden aangepast in het bestemmingsplan. Deze opmerkingen zijn met name gemaakt op het akoestisch onderzoek.
Ook het luchtkwaliteitsonderzoek is naar aanleidin hiervan aangepast. Daarnaast hebben de veiligheidsdiensten aangeeven dat de eilanden aan de zuidzijde maar aan één kant worden ontsloten. Het advies van de veiligheidsdiensten, om een tweede ontsluitingsmogelijkheid te bieden, wordt overgenomen. Naar aanleiding van deze reactie wordt een extra brug geplaatst die beiden met elkaar verbindt. Beide eilanden zijn hierdoor tweezijdig ontsloten.
11.2
Ontwerpfase
Na afronding van de inspraakprocedure en het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die eventueel volgen uit de inspraakreacties en de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Ook zijn er ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 1 april tot en met woensdag 12 mei voor eenieder ter inzage gelegen. Tevens was het ontwerpbestemmingsplan digitaal raadpleegbaar op de website www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze termijn van 6 weken zijn belanghebbenden en belangstellenden in de gelegenheid gesteld zijn of haar inspraak in te dienen. Gedurende deze periode zijn er meerdere zienswijzen ontvangen op het ontwerpbestemmingsplan. Alle ingediende zienswijzen zijn samengevat en van een beantwoording voorzien en opgenomen in de Nota van beantwoording zienswijzen, zie bijlage 17.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
77
11.3
Vaststellingsfase
Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
Regels
1
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
INLEIDENDE REGELS Begrippen Wijze van meten
3 3 12
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
BESTEMMINGSREGELS Groen Tuin Verkeer - Verblijfsgebied Water Wonen Wonen - 1 Woongebied Leiding - Riool
13 13 14 16 18 19 22 25 29
Hoofdstuk 3 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17
ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
31 31 32 33 34 35 36 37
Hoofdstuk 4 Artikel 18 Artikel 19
OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht Slotregel
39 39 40
Bijlagen bij de regels
Bijlage 1
Staat van Bedrijfsactiviteiten
Bijlage 2
Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging
Bijlage 3
Document "Locatie-eisen De Blauwe Zoom
Bijlage 4
Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2012-2022
Bijlage 5
Erfafscheidingen Ons Dorp
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
2
De Blauwe Zoom - Ons Dorp Vast te stellen – 25 mei 2021
3
Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan "De Blauwe Zoom - Ons Dorp" met identificatienummer NL.IMRO.0523.BP2021DBZWNFASE2-VA01 van de gemeente Hardinxveld-Giessendam. 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aanbouw:
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.4
aaneengebouwde woning:
een woning waarvan het hoofdgebouw onderdeel uitmaakt van (een rij van) minimaal drie hoofdgebouwen, die minimaal aan één zijde met het naastgelegen hoofdgebouw zijn verbonden. 1.5
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6