CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Programma van Eisen sporthal De Wielewaal.pdf

Gemeenteraad GHG 29 januari 2026, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 9: Variantkeuze sporthal De Wielewaal19.512 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Niet gevonden in dit document.

8.4 Daglicht Direct zonlicht dient zodanig de ruimten van het gebouw binnen te vallen dat het geen hinder veroorzaakt tijdens werkzaamheden die normaliter in de betreffende ruimte worden uitgevoerd. In de sporthal is geen direct daglicht, e.e.a. conform Handboek Huisvesting Bewegingsonderwijs KVLO 2024.

8.5 Vocht  

Relatieve luchtvochtigheid ligt tussen de 30 % -70 %. Bevochtiging of ontvochtiging anders dan toepassing van een eventueel warmtewiel in de luchtbehandelingskast en warmtepomp wordt niet toegepast. Het hele gebouw dient zodanig te zijn ontworpen en uitgevoerd dat bij de aan te houden binnen condities geen oppervlaktecondensatie kan optreden (geen condensatie op ramen, raamkozijnen en dergelijke). Er dient rekening gehouden te worden dat de vloer van bestaande bouw niet na geïsoleerd kan worden, met condensatie als gevolg.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

30/61

  

Er mag geen vochtophoping voorkomen in of op gebouwonderdelen, constructies of leidingen en dergelijke. Oppervlaktecondensatie op onderdelen van technische installaties dient te worden voorkomen, ook onder extreme zomeromstandigheden. Inwendige condensatie in isolatiematerialen rond installatieonderdelen is slechts toegestaan voor zover op de lange duur geen accumulatie plaatsvindt en geen uitdruppelend condensaat kan optreden of daardoor anderszins schade of overlast kan worden veroorzaakt. Ook de combinatie van condensvocht en bevriezing mag niet leiden tot schade of overlast.

8.6 Luchtdichtheid 

  

  

Met betrekking tot het energiegebruik van het gebouw worden eisen gesteld aan de luchtdoorlatendheid van de uitwendige scheidingsconstructie. De luchtdichtheid dient hierbij zodanig te zijn dat warmteverlies (en ook koude verlies) van het gebouw wordt beperkt. Voor dit gebouw is de minimaal te behalen qv10-waarde) 0,2 dm3/s.m2. Ontwerpende partijen dienen hiertoe bijpassende detaillering te leveren en tijdig productinformatie te betrekken bij hun ontwerp. Aannemer laat de luchtdichtheid van de gevel door een onafhankelijke derde partij controleren door middel van één of meer beproevingen conform geldende NEN-normen. Er dient een blowerdoortest te worden uitgevoerd. De opdrachtgever kan aanvullend een thermo grafisch/ infrarood onderzoek met een warmtebeeldcamera laten uitvoeren, waarna eventueel corrigerende en/of aanvullende maatregelen moeten worden getroffen. De afdichting van begane grondvloer en kruipruimten is zodanig dat emissie van gassen als Radon zo laag mogelijk is. De vloerventilatie mag geen open verbinding hebben met de spouw. Doorvoeringen naar kruipruimte en buitenlucht dienen muisdicht te worden afgewerkt.

8.7 Brandveiligheid Het gebouw moet voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften zoals vastgelegd in het vigerende Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) en de Bouwverordening van de gemeente Hardinxveld-Giessendam. In een vroegtijdig stadium van het ontwerp dient het brandveiligheidsplan te worden opgesteld waarin duidelijk is hoe de eisen uit de Bouwregelgeving zijn verwerkt en voor welke onderdelen een beroep wordt gedaan op het gelijkwaardigheid beginsel. Dit plan dient ter goedkeuring aan de toetsende instanties te worden voorgelegd. Bij de keuze van brandveiligheidsmaatregelen dienen bouwkundige maatregelen te prefereren boven installatietechnische om de beheerskosten zo laag mogelijk te houden. Zo dienen doodlopende einden te worden voorkomen. Voor de brandveiligheid dient rekening gehouden te worden met piekmomenten van 1.000 personen. Enkele keren per jaar vinden er evenementen plaats van maximaal 1.295 personen. Bouwkundige brandveiligheidsvoorzieningen 

 

De deuren (puien en dergelijke) ter plaatse van de brandscheidingen moeten voldoende brand/rookwerend en zelfsluitend zijn en dienen voorzien te zijn van een vastzetinrichting, zoals kleefmagneet of intelligente dranger. De bouwkundige lay-out in combinatie met de vluchtrouteaanduidingen, dient zodanig te zijn, dat het stelsel van wegen, vluchtroutes, trappen en noodtrappen een overzichtelijk, efficiënt en logisch beeld geeft, zodat zowel bij normaal gebruik als in geval van calamiteiten een maximale veiligheid is gewaarborgd. Doorvoeren ten behoeve van onder andere kabels, leidingen en kanalen dienen dezelfde akoestische en/of brandwerende eigenschappen te bezitten; De doorvoeren zijn eenvoudig te openen/sluiten en zijn vastgelegd in een logboek.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

31/61

Installatietechnische brandveiligheidsvoorzieningen 

  

De minimaal noodzakelijke installaties dienen te worden bepaald op basis van het Bbl en/of eventueel in te zetten gelijkwaardige oplossingen. Het betreft hier onder andere brandslanghaspels, brandmeldinstallaties, ontruimingsalarminstallatie, nood- en transparantverlichting; De brandslanghaspels worden bij voorkeur in plaatstalen inbouwkasten geplaatst, welke worden aangesloten op de koudwaterleiding met tussenplaatsing van een keerklep en afsluiter; Daar waar nodig worden handblussers (geen poederbrandblussers) aangebracht, bij voorkeur gecombineerd in op- of inbouwkasten; Ten aanzien van brandbestrijding dienen de werktuigbouwkundige en elektrotechnische installaties te worden voorzien van de benodigde schakelingen. Een en ander in overleg met het bevoegd gezag.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

32/61

9. Bouwkundig In dit hoofdstuk zijn uitgangspunten en aandachtspunten geformuleerd die gespecificeerd per bouwdeel een prestatieniveau aangeven, waarmee in het ontwerpstadium en bij de verdere planuitwerking rekening moet worden gehouden.

9.1 Fundering en bodemvoorziening Een KLIC-melding en een bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd bij start ontwerptraject, en een funderingsadvies dient te worden geschreven voor het deel van de uitbreiding. Naar aanleiding van het Definitief Ontwerp dient een grondbalansberekening uitgevoerd te worden tezamen met een voorstel voor afvoeren/verwerken op terrein. Indien het ontwerp een kruipruimte bevat, dient deze voorzien te worden van een bodemafsluiting met minimaal 15m schoonzand

9.2 Hoofddraagconstructie en vloeren Het gebouw dient een uniforme en marktconforme hoofddraagconstructie te hebben ten behoeve van de uitwisselbaarheid en flexibiliteit. Specificatie van het beton-, hout- en/of staalskelet dient plaats te vinden op grond van het ontwerp en de hierin gehanteerde stramienmaten. Bij de maatvoering wordt uitgegaan van een modulaire opzet. De draagconstructie belemmert de functionaliteit en herindeelbaarheid niet.  

De stramienen en stramienmaten zijn bij zodanig gekozen dat overal vertrekken van verschillende grootte, passend binnen het huisvestingsconcept. Bij de materialisering van de constructiedelen (vloeren, daken en constructie dragende wanden) worden warmteaccumulatie maar ook geluidsisolatie (gewicht van de constructie) overwogen. Mits thermische en akoestische isolatie geborgd zijn, zijn ook lichtere uitvoeringen zoals houtbouw de overweging waard. Het draagvermogen van de vloeren in het gebouw dient afgestemd te zijn op de specifieke vloerbelasting die bij de functies van de ruimten horen. Door middel van een berekening dient aangetoond te worden of de nuttige vloerbelasting niet overschreden wordt. Houd bij de constructie en de detaillering van vloeren (verdiepings- en dakvloeren) rekening met de onderdelen die hieraan bevestigd moeten worden, zoals plafonds, sportinrichting, geluids- en verlichtingsapparatuur, borden, televisies en overige installatievoorzieningen, alsook (luchtbehandelings)installaties, dakveiligheidsvoorzieningen (bijvoorbeeld ankerpunten) en pv-panelen op het dak. Vrijstaande kolommen in ruimten worden vermeden en staan wanneer noodzakelijk ten minste buiten de verwachte verkeerstromen en buiten de verblijfsgebieden.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

33/61

9.3 Daken De dakvloeren dienen ten behoeve van bouwfysische kwaliteit met nadrukkelijke voorkeur uitgevoerd te worden in steenachtige materialen: gasbeton of prefab beton. Om de eisen te behalen die zijn benoemd in hoofdstuk 1 en 2, is het zeer waarschijnlijk dat er PV-panelen worden toegepast. Daarom dient de architect rekening te houden met het dakoppervlak (m²), benodigde draagkracht voor installaties, opbouw dakpakket (brandverzekering) en esthetische detaillering. Voor vereisten dakpakket en PV-panelen dient rekening gehouden te worden met opgave vanuit verzekeraar. Aandachtspunten:  Rekening houden met aan te brengen installaties en toegankelijkheid daarvan  Bij voorkeur lichte dakbedekking toepassen i.v.m. opwarming van het gebouw, vooral bij platte daken  Accumulatie van water (op platte daken) dient te worden voorkomen  Daken die in het zicht vallen dienen ordentelijk te worden ingedeeld en uitgevoerd.  Indien zonnecollectoren/pv panelen worden toegepast dienen deze esthetisch in het dakvlak te worden ingepast. Toepassen in het geveloppervlak behoort ook tot de opties.  Installaties op het dak mogen niet zichtbaar zijn vanaf maaiveld en/of dienen zorgvuldig architectonisch te zijn ingepast. In de gevelaanzichten en 3D impressies ook de installaties op het dak projecteren en meenemen in de toelichting aan Welstand.

9.4 Binnenwanden  

 

De binnenspouwbladen en binnenwanden moeten mogelijkheden bieden voor de bevestiging van bouw/ installatie en inrichtingsonderdelen. Er wordt vroegtijdig rekening gehouden met toekomstig aan wanden te bevestigen vaste inrichting, gebruikersinstallaties, et cetera. In overleg met een vertegenwoordiging van de toekomstige gebruikers worden deze posities gedurende het ontwerptraject kenbaar gemaakt en op tekening verwerkt. Het tekenen van een inrichtingsvoorstel (ook van losse inrichting) behoort tot de opdracht. Daarbij ook letten op de sporttechnische inrichting van de sportruimte. Deze kunnen ook voorzieningen in de vloer vragen. Voor niet-dragende wanden is het aan te bevelen om eenvoudig te plaatsen, te demonteren en/of eventueel te slopen tussenwanden toe te passen, zodat bij een verbouwing de overlast van stof en afval beperkt blijft. Binnenwanden sluiten aan op het bouwkundige plafond. Wanneer er een verlaagd plafond is, kunnen de wanden aansluiten op dit plafond maar dient de ruimte tussen verlaagd plafond en bouwkundig plafond afgesloten te worden met een geluidwerende voorziening. Wanneer een dergelijke geluidwerende voorziening wordt toegepast, dient deze voorziening (inclusief aansluitingen) tenminste dezelfde waarde te hebben als de geluidwering van de binnenwand zelf. Doorvoeringen door binnenwanden worden geluidsisolerend afgedicht.

Doorvoeringen of openingen in brand- en rookscheidingen worden zoveel mogelijk voorkomen en in ieder geval voorzien van gecertificeerde brandwerende afdichting en/of voorzien van brandkleppen. Wanden achter watertappunten in sanitaire ruimten moeten waterbestendig zijn. Installaties worden in de wand aangebracht, bij voorkeur in de buitengevel of in de dragende kernen en gevoed vanuit het plafond of vloer. Dit betreft zowel aansluitpunten als wandcontactdozen, dataaansluitingen, schakelaars en afvoeren. Bij toepassing van metalstudwanden of stucwerk is het nodig om op scherpe hoeken in de verkeerszones metalen hoekprofielen aan te brengen om het kapot stoten van de hoeken te voorkomen. Hoekprofiel aanbrengen tot een hoogte van minimaal 1 meter vanaf vloerafwerking.

9.5 Buitenwand-, binnenwand-, vloer- en dakopeningen 

Alle entrees zijn voorzien van een tochtportaal.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

34/61

           

De buitendeuren zijn van zware kwaliteit en bestand tegen (mechanische) beschadiging. Achter alle buitendeuren een deurvastzetter (deurhaak) en buffer aanbrengen. Op de buitendeuren deurdrangers met ’vertragingsmechanisme’ aanbrengen. Voor de sportruimtes dubbele deuren toepassen in verband met toestellen verplaatsing en grote in- en uitstroom van bezoekers/sporters. Deuren die verkeersruimte indraaien dienen 180graden draaicirkel te hebben. De draairichting van de toegangsdeuren en ramen dient nooit zaal inwaarts te zijn. Dubbele deuren toepassen in verkeersruimten wanneer het aantal personen dat gebruik maakt van deze verkeersdoorgang dit vraagt. Uitgangspunt is een drempelloos gebouw. Veiligheidsbeglazing (doorvalveilig glas) toepassen waar dit vanuit de wet en het gebruik gevraagd is. Pas, in verband met het voorkomen van glasbreuk, schoonmaak en letsel, geen glas toe onder 40 cm boven vloerniveau in de buitengevel (opspattend vuil). Beglazing in de sporthal dient balvast (gehard en gelaagd) te zijn, conform Kwaliteitskader huisvesting bewegingsonderwijs KVLO 2024. Toestelbergingen conform Kwaliteitskader huisvesting bewegingsonderwijs KVLO 2024

9.6 Trappen, hellingen, balustrades en leuningen    

   

    

Maximaal hoogteverschil 2.400 mm1 per trap, indien hoger dan bordessen toepassen. Benut loze ruimte onder trappen en bordessen ten behoeve van bijvoorbeeld bergruimte. Geen glas of transparant plaatmateriaal toepassen als vloer of trapafscheiding. Middels de materiaalkeuze en het ontwerp wordt voorkomen dat bij het belopen van trappen, hellingen en bordessen geluidsoverlast wordt veroorzaakt. Een zwaar uitgevoerde trap en passende afwerking voorkomt dit probleem. Trappen zijn akoestisch ontkoppeld van de constructie. (Aan)treden zijn stroef en slijtvast. Hellingen, trappen en de daarbij behorende bordessen zijn afgewerkt met een hard, zeer slijtvast, krasvast, antislip en eenvoudig schoon te maken materiaal. Maatvoering minimaal conform Bbl maar bij voorkeur: optreden < 175 mm1, aantreden > 220 mm1 en < 280 mm1. De breedte van de trap is afgestemd op het te verwachten aantal gebruikers in pieksituaties en voldoet minimaal aan de breedte conform het Bbl. Bij voorkeur is de minimale breedte tussen de leuningen 1.500 mm. Trappen en verhogingen van meer dan 0,70m1 hoog hebben doorbalbeveiliging uitgevoerd minimaal conform vereisten Bbl. Balustrades rond vides uitvoeren met een hoogte van minimaal 1,1 meter of hoger. Let op het voorkomen van opklimbaarheid. Leuningen (Arbo): trapbreedte < 1,20 aan één zijde, > 1,20 m aan beide zijden, > 2,20 m beide zijden + tussenleuning.

Zogenaamde ‘dubbele’ leuningen toepassen: een handrail op de hoogte voor volwassen en een op de hoogte voor kinderen. Leuningen zijn aaneengesloten, ter voorkoming van het vasthouden aan de wand. Leuningen laten doorlopen tot ten minste boven de onderste en bovenste trede en teruggebogen. De balustrade op de tribune moet geen belemmering vormen voor het zicht vanaf de tribune (ook niet voor mensen in een rolstoel) Balustrades dienen aan bovenzijde en onderzijde reinigbaar te zijn.

Tribune 

De belijning in de sporthal moet vanaf de tribune goed zichtbaar zijn.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

35/61

  

Verspreid over vier zaaldelen en geschikt voor maximaal 500 personen. De scoreborden dienen vanaf de tribune goed zichtbaar te zijn. Op ieder plek vanaf de tribune dienen de velden in de sporthal goed zichtbaar te zijn (ook voor mensen in een rolstoel). Dit betekent onder andere dat vanaf de bovenste rijen op de tribune het begin van het veld duidelijk te zien moet zijn.

9.7 Zon- en lichtwering 

    

  

Aan de zonzijde (zuid en westgevel) moeten alle transparante geveldelen van het gebouw worden voorzien van centraal gestuurde zonwering (aan de buitenzijde), welke bij verblijfsruimten individueel geschakeld kunnen worden. Bezonningsstudie wijst uit of dit ook voor (delen van de) noordgevel geldt. Zonwering moet aan de buitenkant van een raam geplaatst worden, zodat de zonnestralen tegengehouden worden voordat ze het glas bereiken. Zonwering is elektrisch bediend en centraal per gevel schakelbaar. Buitenzonwering is voorzien van centrale zongevoelige programmering, glazenwasser- en stormschakeling. De zonwering is per ruimte bedienbaar waarmee de centrale schakeling wordt overruled. Alle zonwering wordt aan het einde van de dag automatisch omhoog gestuurd en bij invallend zonlicht de volgende ochtend op basis van zonneautomaat omlaag gestuurd om zodoende vroegtijdige opwarming van het gebouw te voorkomen. Te openen raamdelen/spuiventilatie voorzieningen zijn tegelijkertijd met buitenzonwering te gebruiken (screens mogen luchtstroom niet belemmeren). De zonwering moet voldoen aan Europese norm EN 13561 (windklasse 3). Het is mogelijk door de buitenzonwering naar buiten te kijken (ook bij screens).

9.8 Hang- en sluitwerk Het gebouw dient te worden voorzien van een sluit- en sleutelplan volgend op het rest bestaande sluit- en sleutelplan van het pand. In de DO-fase dient de definitieve afstemming van het hang- en sluitwerk, sluitplan en sleutelplan plaats te vinden met de gebruikers. Het gehele gebouw moet voldoen aan het BORGkeurmerk, beveiligingsniveau klasse 2, klasse 3 bij voorkeur.  

     

Het gehele gebouw dient te voldoen aan CVV (Centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid). De inbraakwerendheid van ramen en deuren moet middels een geldig KOMO Attest (-met productcertificaat), waarin een verklaring inzake de inbraakwerendheid is opgenomen, worden aangetoond. Als de eisen tegenstrijdig zijn uitgaan van de zwaarste eis. Het hang- en sluitwerk (scharnieren, beslag, vastzetters, buffers, drangers en vangers c.a.) in zeer degelijke en duurzame uitvoering, gecertificeerd volgens BRL 3104 (SKG-sterren)+w97): klasse Extra Zwaar, leveren onder KOMO-productcertificaat. Hang- en sluitwerk dient minimaal te voldoen aan Gebruikscategorie 3 van de NEN-EN 1906. Hang- en sluitwerk moeten passen bij de zwaarte van de deur. Het hang- en sluitwerk is zo gekozen dat deuren en ramen goed te bedienen zijn en niet te zwaar voor de jongste doelgroep, mensen met een beperking of bezoekers met bijvoorbeeld een buggy. Binnendeuren die afgesloten moeten kunnen worden voorzien van een intelligente cilinder. Vluchtwegen en –deuren zijn waar mogelijk gelijk aan de ‘normale’ verkeersruimten en buitendeuren. Er wordt aangesloten bij het bestaande sleutelplan.

9.9 Vloerafwerking De vloer en de vloerafwerkingen van binnen- en buitenruimten moeten in overeenstemming zijn met de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte. De vloer moet voldoende massa en stijfheid hebben om

2250338 | www.icsadviseurs.nl

36/61

geluidsoverlast in een ‘open’ plattegrond te voorkomen. Vloerafwerking per ruimte dienen conform Kwaliteitskader huisvesting bewegingsonderwijs KVLO 2024 alsmede de norm NEN-EN 14904 te worden ontworpen. Sportvloer met geïntegreerde LED-belijning      

Sportvloer conform EN 14904 en KVLO 2024, aangevuld met eisen LED-integratie. LED-lijnen volledig vlak, slijtvast, stroefheidswaarde minimaal gelijk aan vloer. Impact- en balvast. Bescherming tegen vocht, reiniging en mechanische belasting (machines/tribune). Posities conform NOC*NSF en KVLO veldmaten (tolerantie max. ±2 mm). Functionele levensduur LED-lijnsysteem ≥ 50.000 uur.

De keuze voor de vloerafwerking dient in overleg tussen de opdrachtgever, gebruikers en architect te worden bepaald, waarbij – gelet op de functie en het gebruik van de desbetreffende ruimte – moet worden gelet op een aantal algemeen geldende (praktische) uitgangspunten, zoals weergegeven hieronder. Uitgangspunten:  In natte en sanitaire ruimte (toiletten, kleed- en doucheruimte) een gietvloer toepassen met holplint. In natte en sanitaire ruimte voorzien in een antislip R10 conform NEN 7909.  Onderhoudsvriendelijk/-arm, makkelijk te reinigen, vochtbestendig.  Weerstand tegen chemicaliën (bestand tegen zwakke zuren, basen, oxiderende stoffen, detergenten, oliën en vetten), schoonmaakmiddelen, et cetera.  Beperk het aantal naden zoveel als mogelijk. Toepassing van gietvloeren.  Duurzaamheid en slijtvastheid (onder andere met betrekking tot de verrijdbare bureaustoelen en rolstoelgebruikers)  De entrees voorzien van schoon- en droogloopmatten (minimaal 4 m1) en/of roosters (principe: schrapen (buiten), vegen en drooglopen (beide binnen))  Binnendorpels zijn alleen noodzakelijk tussen droge en natte ruimten, op andere plaatsen zo veel mogelijk voorkomen. Indien het gebruik van een dorpel onvermijdelijk is, is deze afgerond en maximaal 20 mm hoog (zogenaamde ‘ziekenhuisdorpel’) in bezoekersruimten.

Voor toegang naar de sportruimte is de hoogte van de dorpel afhankelijk van de hoogte van de sportvloer.  Sterkte en weerstand tegen indrukken.  Stroefheid/antislip  Kleur en structuur  Representativiteit  Kosten  Akoestische (geluiddempende) eigenschappen (wanneer een ruimte groter wordt, wordt het belang van geluiddempende eigenschappen steeds belangrijker)  Wanneer schrobputten of afvoerputten in de vloer worden aangebracht deze (tegeldikte) verdiept aanbrengen, let op afschot van de gehele vloer.  Stofgevoeligheid; de vloerafwerkingen mogen geen hinder opleveren voor cara- en astmapatiënten.  Voldoen aan eisen HACCP in de keuken

9.10 Wandafwerking (binnen- en buitenwand)   

Er wordt gekozen voor de toepassing van onderhoudsvriendelijke materialen. De kwaliteit en de vormgeving van de wanden of wandafwerking dienen aan te sluiten bij de specifieke gebruiksfunctie van de ruimte. Buitenwandafwerking heeft bij een zeer beperkt onderhoud een nagenoeg oneindige levensduur.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

37/61

 

    

Een onderhoudsarme plint wordt altijd toegepast bij de overgang van wand naar vloer. Ook bij kolommen, trappen en harde ruwe muren. Natte en sanitaire ruimten (ook toiletten, douche- en kleedruimten) zijn voorzien van afwasbaar materiaal (wandtegels) tot aan het bouwkundig plafond. Er wordt gekozen voor een symmetrische verdeling. De resttegel mag nooit kleiner zijn dan een halve tegel. Wandtegels beginnen op vloerniveau altijd met een hele tegel. Wandtegels toepassen achter wastafels, gootstenen en pantry’s en in werkkasten achter de uitstortgootsteen. Beëindiging van tegelwerk en uitwendige hoeken worden voorzien van een metalen tegelhoekprofiel. Aansluitingen met het sanitair worden afgekit. De constructie van de wanden moet stevig zijn voor het kunnen bevestigen van attributen. Voorkom het gebruik van vooruitspringende delen, randen, leidingen en dergelijk zoveel mogelijk. Brandblussers en –haspels worden ingebouwd in verzonken wandnissen en voorzien van een deur. Schakelaars en wandcontactdozen worden ingebouwd. Kolommen worden zoveel mogelijk naar binnen gewerkt, dus niet aan de gangzijde. Kies voor een vlak plintprofiel of sanitaire plint. Deze plint wordt altijd toegepast bij de overgang van wand naar vloer, ook bij kolommen, trappen en harde ruwe muren (ter voorkoming van beschadiging door schrobzuigmachines).

Aanvullende eisen met betrekking tot de wandafwerking per ruimte zijn beschreven in Kwaliteitskader huisvesting bewegingsonderwijs KVLO 2024. Hierin staan ook eisen omtrent de flexibele scheidingswand omschreven. Deze dienen allen als eis meegenomen te worden in het ontwerp.

9.11 Plafondafwerking De hoogtes van ruimten dienen gerelateerd te zijn aan de omvang en de functie van de ruimten. De kwaliteit en de vormgeving van de plafonds of plafondafwerkingen dienen aan te sluiten bij de specifieke gebruiksfunctie van de ruimte. Daarnaast zijn enkele algemene eisen te noemen:    

Toepassing van waterbestendige plafonds in vochtige ruimten. Zo min mogelijk sprongen in hoogte van plafonds, tenzij deze bij scheidingen van ruimten zijn opgenomen. Goede uitneembaarheid geldt voor het gehele plafond. Houd voldoende ruimte tussen het verlaagde en bouwkundig plafond ten behoeve van het aanbrengen van kabels, leidingen, et cetera. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met toekomstige uitbreidingen, met name op die plekken waar al veel kabels, kanalen en leidingen aanwezig zijn.

De volgende vrije hoogtes ten opzichte van de vloerafwerking dienen minimaal gerealiseerd te worden voor de sport gerelateerde ruimten: De sport gerelateerde ruimten zijn conform Handboek huisvesting bewegingsonderwijs KVLO 2024. De overige ruimten zijn conform Bbl. Sport gerelateerde ruimten Ruimte Sporthal Kleedruimte Doucheruimte EHBO/beheerdersruimte/docentenruimte Doucheruimte leerkracht Toestellenberging

Vrije hoogte (m) 7,0 2,6 2,6 2,6 2,6 2,8

In Kwaliteitskader huisvesting bewegingsonderwijs KVLO 2024 zijn eisen met betrekking tot de plafondafwerking opgenomen per ruimte, deze dienen als eis opgenomen te worden in het ontwerp.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

38/61

9.12 Dakafwerking   

 

Dakbedekking op platte daken dient eenvoudig te vervangen en recyclebaar te zijn. Naast de algemeen geldende voorschriften is bij platte daken tevens van toepassing de ‘Vakrichtlijn gesloten dakbedekkingsystemen’ uitgegeven door VEBIDAK, DAKMERK en BDA Dakadvies b.v. Voor de dakafwerking zijn de isolatie en de waterdichte afdichting van belang. Waterdichtheid dient door juiste detaillering van dakafwerking, aansluiting op opstanden, daklichten en toepassing van daktegels op de looppaden en dergelijke te worden gegarandeerd. Toepassen van valbeveiliging. Bij oplevering een tas met alle veiligheidsvoorzieningen ten behoeve van het dakwerk (harnas et cetera) leveren. Dakbeveiliging door toepassen verhoogde dakranden.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

39/61

10. Installatietechnisch 10.1 Algemeen In het gebouw wordt een installatie aangelegd welke bestaat uit een E- en W-installatie (netaansluitingen, opwekking, koeling, verwarming en luchtbehandeling, luchtbehandeling, riolering, water en brandbestrijding) en een elektrotechnische installatie (netaansluitingen, hoofd en onderverdeelinrichting, bedieningspanelen, gebouwbeheersysteem, meet- en regelinstallatie, verlichting, wandcontactdozen, communicatie-, data en beveiligingsinstallatie). De complete installatie werkt coherent met elkaar en het gebouw waar het onderdeel van is samen. Daarbij gelden de volgende ontwerpcriteria:                

Faciliteert en sluit daardoor aan bij het gebruik; Sluit aan bij de gebouwcompartimentering; Capaciteit en aantallen van de aansluitingen en vermogens is afgestemd op doelgroep en ruimten; BENG is uitgangspunt, er wordt onderzocht of ENG financieel haalbaar is; Beperking van de installatiecomponent (installatiearm ontwerpen) met nadruk op passief ontwerp/bouwen; Robuust, eenvoudig bedienbaar en begrijpelijk voor de gebruiker; Goed binnenmilieu en binnenklimaat; Hoge graad van bedrijfszekerheid; Onderhouds- en milieubewust in exploitatiefase; Sober en doelmatig maar kwalitatief verantwoord; Eenvoud, helder en structuurmatig; Flexibiliteit ten aanzien van het gebruik en herindeelbaarheid van het gebouw Beperkt investeringskosten- en exploitatiekostenniveau; Uitvoering conform voorwaarden nutsbedrijven, keuringsinstituten, overheid, et cetera waaronder de NEN 1010. Dakinstallaties zijn ‘mee ontworpen’. Installaties worden in de wand aangebracht, bij voorkeur in de buitengevel of in de dragende kernen en gevoed vanuit het plafond in verband met een flexibele ruimte-indeling. Geen opbouw van installaties toepassen in gebruiksruimten.

10.2 Aansluitingen 

 

Het gebouw wordt voorzien van de benodigde nutsaansluitingen. Bij het bepalen van de nutsaansluiting dient rekening gehouden te worden met een reservecapaciteit. Er dient rekening gehouden te worden met netcongestie. In een vroeg stadium moeten bindende afspraken worden gemaakt met de nutsbedrijven over: ─ de aanvraag; ─ de capaciteit; ─ de plaats van de aansluitingen; ─ omvang en inrichting van de technische ruimte; ─ de kosten; ─ extra voorwaarden en eisen met betrekking tot hemelwaterafvoer, riolering, nieuwe vetvangput, aansluiting op bijvoorbeeld stadsverwarming en waterhuishouding. Adviseur installaties is verantwoordelijk voor afstemming met nutsbedrijven in de ontwerpfase. Aannemer neemt deze verantwoordelijkheid over na contractering. Een eventuele uitbreiding dient eenvoudig op de bestaande installaties te kunnen worden aangesloten.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

40/61

10.3 Energie opwekking   

 

Het gebouw voldoet minimaal aan de BENG eisen. Het energieverbruik en -gebruik en de eventueel daarvoor benodigde opwekking is daarop afgestemd. Opwekkingseenheden toepassen met een zo hoog mogelijk jaarrendement. De totale dekking van de warmte- en koude opwekkingsinstallatie dient circa 110% van het maximaal benodigd vermogen te bedragen. Uitval van een installatiecomponent mag niet leiden tot uitval van de gehele installatie (in dat geval moet de installatie minimaal 50% kunnen blijven leveren van de warmtevraag). De energieprestatie en werking van de warmte- en koude opwekking installatie kan op afstand worden gemonitord. Alle dakdelen moeten geschikt zijn om zonnepanelen op te kunnen situeren. Minimaal dienen de voorbereidende installatie- en constructievoorzieningen in het ontwerp te worden meegenomen zodat na oplevering de zonnestroominstallatie kan worden uitgebreid. Afhankelijk van de constructieberekening kan het aantal dakdelen wijzigen. Toepassen van tussenmeters tussen horeca en overige ruimten, om direct verbruik en kosten te scheiden.

10.4 Koeling, verwarming en luchtbehandeling Bij het ontwerp dient rekening gehouden te worden met het kunnen bijplaatsen van installaties ten behoeve van verwarming, koeling en ventilatie. Koelinstallatie  Geen toepassing van losse airco’s.      

Beperk zo mogelijk de interne warmte. Houd rekening met vakantieperiodes. Benut het accumulerend vermogen van het gebouw. Pas mechanische ventilatie toe Pas nachtventilatie toe. Pas effectieve zonwering toe.

  

Koeling regelbaar per verblijfsruimte. Extra aandacht dient te worden gegeven aan koeling van ruimten waar ICT-apparatuur staat opgesteld. De mate van benodigde koeling dient te worden aangetoond door een temperatuur overschrijdingsberekening en simulatieberekeningen en dient in overleg met opdrachtgever te worden bepaald.

Warmteregeling

 

Het type warmteafgifte-installatie is afgestemd op het type warmte-opwekkingsinstallatie. All air verwarming of een vloerverwarming gecombineerd met luchtverwarming verdient de voorkeur. Het gebouw heeft energie efficiënte verwarmingssystemen: ─ Verwarmingssysteem heeft aanvoertemperatuur van maximaal 60 graden ─ Warmte-opwekking wordt minimaal geregeld op basis van kloktijden (inclusief een weekend- en vakantieprogramma) ─ Stooklijn is weersafhankelijk in te regelen ─ Verwarming kan per ruimte worden (na)geregeld De warmtedistributie en afgifte dienen bestuurd te worden (via EMS protocol) door een regeling die zorg draagt voor een efficiënte benutting van energie en een comfortabel binnenklimaat. De regeling moet gevarieerd gebruik van ruimten toelaten. Storingen in het systeem dienen op een centrale beheerpost gemeld te worden.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

41/61

   

De regeling dient voor verschillende (gebruikers)groepen te voorzien in: weersafhankelijke optimalisering, temperatuurbewaking buiten bedrijfstijd, zomer/winterschakeling en pompschakeling. Tevens dient voor de verschillende (gebruikers)groepen een klok- en overwerkregeling opgenomen te worden. Overwerktimers uitsluitend bedienbaar vanuit GBS. De regelblokken en besturing verlopen volautomatisch en zijn centraal, eenduidig en logisch bedienbaar (en buiten het bereik van bezoekers en leerlingen). “Warme hoeken” en hotspots ter plaatse van knooppunten en concentraties van warmwater/CVleidingen worden voorkomen. Regeling in verblijfsruimten gebeurt bij voorkeur automatisch middels ruimte temperatuuropnemers Losse, verplaatsbare verwarmingselementen of airco-units zijn niet toegestaan.

Luchtbehandelingsinstallatie  Toepassen HR-ventilatoren met frequentieregeling tenminste conform IE4, of gelijkstroom en HRwarmteterugwinning.  Het type warmteterugwinning dient te worden gerelateerd aan de investeringskosten en de ongewenste mogelijkheid van kortsluiting van toegevoerde en afgevoerde lucht zodat een optimale investering/exploitatie verhouding wordt bereikt.  De LBK moet zodanig worden geplaatst dat alle secties uit te nemen zijn en dat bij storingen veilig (voldoende licht en valbeveiliging) aan de installatie kan worden gewerkt.  De luchtkanalen dienen te voldoen aan de Luka-normering (Luka klasse C) voor zowel de kanalen als alle luchttechnische componenten zoals dempers, (brand)kleppen et cetera).  Luchtbehandelingskasten dienen minimaal te voldoen aan ERP 2018 klasse B volgens EN 13053.  Ventilatoren in luchtbehandelingskasten uit te voeren met toerengeregelde gelijkstroommotoren.  Het rendement van luchtfilters van de mechanische ventilatiesystemen, bepaald volgens de verkleuringsmethode ASHRAE-standard 52-76, moet ten minste voldoen aan: ─ voor retourfilters bij warmteterugwinning 45% (EU 5); ─ voor buitenluchtfilters 85% (EU 7).  Bij positionering van de LBK dient rekening te worden gehouden met een eventuele toekomstige uitbreiding.  De luchtbehandelingskasten dienen koudebrugvrij te worden uitgevoerd.

 De luchtsnelheid in de luchtbehandelingskasten conform Eurovent klasse A.  Alle inblaas- en afzuigvoorzieningen dienen separaat inregelbaar te zijn door middel van deugdelijke volumeregelaars.  Luchttoevoerkanalen uitwendig isoleren met isolatiematerialen welke voldoen aan de gestelde brandveiligheidseisen en milieueisen. Inwendige isolatie van de luchtkanalen is niet toegestaan.  De aanzuigopeningen van schone lucht regen- en stuifsneeuwvrij aanbrengen en maximaal verwijderd situeren ten opzichte van de uitblaasopeningen voor verontreinigde lucht zoals schoorstenen, condensors, standleidingen van toiletten, koeltorens, afblaasopeningen van de mechanische afzuiginstallatie, afvoer kanalen van de keuken, et cetera. Hierbij tevens rekening houden met windinvloed en meest voorkomende windrichting.  Aanzuigopening bij voorkeur niet boven platte daken en aan de koude gevelzijde in verband met het voorkomen van aanzuigen van opgewarmde lucht.  De uitblaasopeningen bij voorkeur niet boven platte daken en let bij plaatsing op de overwegende windrichting en de plaats van aanzuigopeningen.  Afvoervoorziening van keukenvoorziening vindt onafhankelijk van de overige ventilatie plaats.  In de luchtkanalen dienen zowel aan de aanzuigzijde als aan de uitblaaszijde geluiddempers te worden aangebracht. Houd rekening met de vereisten uit het Bal inzake geluidsdruk op omringende gevels.

10.5 Afvoeren 

Een gescheiden rioleringsstelsel wordt aangelegd (HWA, VWA) dat wordt aangesloten op het gemeentelijk riool.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

42/61

  

Terreinriolering tot en met de aansluiting op het gemeenteriool is (net als de overige ondergrondse en bovengrondse terreininfrastructuur) onderdeel van de ontwerpopgave. De hemelwaterafvoerleidingen als geïsoleerd zichtwerk onder dakvloer uitvoeren en niet instorten. Het leidingstelsel dient binnen voorzien te worden van de benodigde ontspanningsleidingen, ontstoppings- en expansiestukken en buiten voorzien te worden van controleputten en ontstoppingsstukken. Nadrukkelijk wordt aandacht gevraagd voor de locatie van de opening van de standleidingen/ontspanningsleidingen. Deze zijn niet gelegen bij (te openen) kozijnen, inblaasopeningen, en dergelijke.

10.5.1 Vuilwaterafvoer Het gebouw dient voorzien te worden van een leidingenstelsel dat geschikt is voor de afvoer van, middels lozingstoestellen afgevoerd, vuil drinkwater en overige stoffen op het openbaar riool. Uitgangspunten:  Het stelsel dient binnen voorzien te worden van de benodigde ontspanningsleidingen, ontstoppings- en expansiestukken en buiten voorzien te worden van controleputten en ontstoppingsstukken.  Indien noodzakelijk uit oogpunt van gezondheid of veiligheid dient het gebouw voorzien te worden van lozingstoestellen waar specifieke stoffen geloosd worden. Het stelsel dient bestand te zijn tegen de lozing van zuren en basen op plaatsen waar, vanuit het gebruik, dergelijke lozingen verwacht kunnen worden.  In keukens dient in de afvoerleidingen een olieafscheider/vetvangput te worden opgenomen.  Voor het reinigen van keuken(s) en toiletgroepen kunnen vloerputjes handig zijn. Het is raadzaam de schoonmaakdienst bij deze keuze te betrekken.

10.6 Water (warm en koud) Het ontwerp van de installatie voldoet aan de NEN1006 Algemene voorschriften voor drinkwaterinstallaties, Vewin bladen, Drinkwaterwet (o.a. BRL6010) en Brandbeveiligingsinstallatie (NVBR). Op de volgende plaatsen is (warm) tapwater gewenst:     

De wastafels van sanitaire ruimtes (inclusief intergraal toegankelijk toilet); De doucheruimtes; In horecaruimte/keuken; De werkkasten ten behoeve van schoonmaak; Ruimtes waar dit op aangeven van de gebruiker gewenst is.

Aandachtspunten:  Breng waterleidingen zoveel mogelijk buiten het zicht, maar wel makkelijk bereikbaar aan.  Voor het onderhoud, vervangen van kranen/sanitaire toestellen, worden stopkranen voorzien.  Uitsluitend kranen met keramische schijven toepassen.  Tappunten buiten vorstvrij en vandaalbestendig uitvoeren. Een tappunt op het dak ten behoeve van bewassing PV-panelen overwegen (i.o.m. gebruikers/beheerder). Op dakterrassen ook een dergelijk voorziening in het ontwerp opnemen.  Waar warm tapwater wordt toegepast dient de water temperatuur begrensd te worden op 38 graden. De capaciteit voor warmwater installatie voor de doucheruimtes is minimaal 6 liter warm water per persoon per minuut gedurende 5 minuten. De douches moeten worden voorzien van drukknoppen. Alle kranen en douches zijn voorzien van volumebegrenzers om duurzaam gebruik te bevorderen.  De waterinstallatie dient voorzien te worden van een waterontharder teneinde kalkaanslag te voorkomen.  Brandslanghaspels dienen op een apart koudtapwater leidingnet te worden aangesloten.  De warm-watertappunten moeten een constante waterstroom geven passend bij de functie van de aangesloten sanitaire apparaten

2250338 | www.icsadviseurs.nl

43/61

Legionella De tapwaterinstallatie dient te voldoen aan de voorschriften voor legionellapreventie en te worden aangesloten op het openbare drinkwaternet. Er dient dusdanig te worden ontworpen dat de beheersmaatregelen ten behoeve van legionella preventie zo gering mogelijk zijn. Denk hierbij aan beheersing van de ruimtetemperatuur waar waterleidingen door heen lopen. De koudwaterleidingen dienen in basis via de kruipruimten te lopen. Er dient een thermische spoelmogelijkheid te worden voorzien.    

Voor het warmwatersysteem dient er gebruik te worden gemaakt van circulatiesysteem. Voor het koudwatersysteem dient een veelgebruikt toilet aan het eind van de streng te zitten. De installatie dient te worden uitgevoerd in koper. Alle leidingen dienen dampdicht, respectievelijk thermisch te worden geïsoleerd. Sanitaire groepen dienen afzonderlijk afsluitbaar te zijn.

10.7 Installatieruimten, kanalisatie, schachten en kabelgoten Het is noodzakelijk dat de technische installaties in een gebouw eenvoudig bereikbaar zijn om deze te onderhouden, repareren of vervangen. Zie hieronder de eisen hiervoor. Kruipruimten Er wordt minimaal een kruipruimte toegepast onder de delen waar leidingen onder de vloer liggen, maar bij voorkeur onder het gehele gebouw (voor het bestaande gebouw, de bestaande toestand aanhouden). Aandachtspunten voor deze kruipruimten zijn:  Voldoen aan de Arbo-voorschriften (werken in afgesloten ruimten).  Minimale vrije hoogte 650 mm, bij voorkeur 900 mm.  Kruipluiken mogen niet in verblijfsruimten of in intensief belaste doorgangen voorkomen. Goede locaties zijn werkkasten of bergingen. In beide gevallen kort achter de deur / onder het draaivlak van de deur omdat deze zone vrij wordt gehouden van voorraad en opslag. Stem deze posities nadrukkelijk af met opdrachtgever en gebruiker. Kruipluiken worden verzonken aangelegd en afgewerkt met een vloerafwerking.  Kruipluiken zodanig aanbrengen dat de afstand tot installatieonderdelen en tussen twee kruipluiken onder de vloer maximaal 20 meter is, rekening houdend met de fundering en indelingen.      

Afmetingen kruipluiken minimaal 400 x 700 mm. Vorstvrije en droge aanleg. Zwak geventileerd. Bodemafsluiting, minimaal 15 cm schoonzand. In kruipruimten is langs de gevel voldoende gronddruk aanwezig om onderspoeling te voorkomen. Kruipluiken geïsoleerd uitvoeren en buiten het zicht te realiseren in overleg met gebruiker.

Kruipruimte is voorzien van drainage bij hoge grondwaterstand en/of bij slecht waterdoorlatende grondlagen. Kruipruimten worden vorstvrij en droog aangelegd. De kruipruimte wordt schoon (ontdaan van bouwafval) en vlak opgeleverd.

 

Schachten en goten Bij het toepassen van een schacht gelden de volgende aandachtspunten: 

 

Goede toegankelijkheid van schachten door deuren of toegangsluiken zodat de te controleren onderdelen bereikbaar en te onderhouden zijn. Schachten mogen zonder toegang zijn indien er geen te inspecteren of te onderhouden onderdelen in zitten. Zijn stofvrij en voldoende akoestisch gedetailleerd en afgewerkt. Roosters op vloerniveau voor noodzakelijke veiligheid.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

44/61

  

 

Goede geluidsisolerende eigenschappen. Positie en plaats te bepalen vanuit het bouwkundig ontwerp en af te stemmen op de omvang van de installaties, wettelijke eisen en vereisten van nuts bedrijven. De kabel- en wandgoteninfrastructuur dienen zodanig gedimensioneerd te worden dat hierin de bekabeling voor voedingen, signalen (inclusief regeltechnisch), data- en telecommunicatie kan worden ondergebracht, rekening houdend met een overcapaciteit van 20% reserveruimte. Kabelgoten zijn voorzien van scheidingsschotten. Indien sprake is van zichtwerk dienen de goten te worden voorzien van deksels. De horizontale en verticale kabelwegen zijn zodanig gedimensioneerd dat bekabelingen voor zwakstroom en sterkstroom in afzonderlijke compartimenten of in afzonderlijke buizen kunnen worden gelegd. Ook een apart compartiment van data- en telecommunicatie voorzien. De bekabeling van de communicatie- en beveiligingsinstallaties en de regeling van de sanitaire en klimaatinstallaties mogen worden opgenomen in de kabelgoten en ladderbanen van de elektrotechnische installaties. De kabelinfrastructuur is geschikt voor glasvezels met een buigstraal van 70 mm. De in de ruimten aanwezige kabel- en leidinggoten worden zodanig geplaatst dat een efficiënte inrichting van ruimten niet belemmerd wordt. De bekabeling wordt zoveel mogelijk in aaneengesloten kabelwegen aangelegd.

Er is voldoende schachtruimte voor uitbreiding van luchtkanalen.

Technische ruimten 

  

In het gebouw dienen de nodige technische ruimten te worden gereserveerd voor de opstelling van nutsinvoer, warmte- en koudeopwekkingsinstallaties, meters, luchtbehandelingsunits en overige installatieonderdelen. Positie en plaats te bepalen vanuit het bouwkundig ontwerp en af te stemmen op de omvang van de installaties, wettelijke eisen en vereisten van nuts bedrijven. Voor de technische ruimte gelden de volgende uitgangspunten: ─ Bieden ruimte voor service, onderhoud (conform leveranciersvoorschriften) en vervanging. Vervangingen zijn mogelijk zonder bouwkundige sloop- en demontage werkzaamheden. ─ Zijn voorzien van een werkverlichting, minimaal 200 lux. ─ Voldoen aan de eisen van nutsbedrijven en brandweer. ─ Zijn zodanig ingericht dat een efficiënte inrichting van de ruimten wordt gerealiseerd. Centrale installatieruimten is geschikt voor opstelling van computerapparatuur ten behoeve van onderhoud aan de GBS. Houd rekening met het plaatsen van een bruto productie meter en voorwaarden aanvraag subsidies op duurzame installatie componenten. Houd rekening met geluidsisolatie tussen technische ruimtes en de verblijfsruimten.

10.8 Verdeelinrichting Het gebouw dient te zijn voorzien van een elektrische installatie die zodanig is ontworpen dat zij geschikt is voor het storingsvrij en doelmatig voeden, schakelen en bedienen van alle in het gebouw aanwezige elektrische apparaten en installaties. Het sportgebouw dient voorzien te worden van een eigen elektra aansluiting. De (onder)verdeling van de elektra dient op een logische wijze te zijn opgebouwd, met voldoende ruimte voor eventuele uitbreiding of aanpassing. Capaciteiten Er dient rekening te worden gehouden met de beschikbare vermogens en nader te bepalen gelijktijdigheden.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

45/61

Er is ruimte gereserveerd om toekomstige pv-panelen aan te brengen. Dit geldt zowel voor de verdelers, voedingskabels, kabelgoten als voor de centrale apparatuur (zoals brandmeldcentrale inbraakcentrale, telefooncentrale, bedieningspaneel, toegangscontrolesysteem, UPS, et cetera.) op de verdiepingen. De elektravoorzieningen (verdelers en groepenkasten) dienen modulair te worden opgebouwd en te worden bemeterd. Er dient krachtstroom (400 V) in voldoende mate aanwezig te zijn voor permanent aan te sluiten gebouwgebonden installaties. Voor de buitenverlichting en sportveldverlichting dienen gekalibreerde tussenmeters geplaatst te worden, gekoppeld aan het GBS. Denk hierbij aan de horeca-keuken. In de kabeltracés dienen laagspanning, ICT en beveiliging van elkaar te worden gescheiden middels compartimenten.

10.9 Meet- en regelinstallatie, gebouwbeheersysteem Alle regelapparatuur dient geschikt te zijn voor aansluiting op een Gebouwbeheerssysteem (GBS), dit systeem heeft als kenmerken:   

     

   

  

Uitgangspunt is een gezamenlijk gebouwbeheersysteem en brandmeldinstallatie die per gebruikersgroep ingesteld en beheerd kan worden. Gebouwbeheerssysteem voor alle installaties in DDC-techniek (PRIVA of gelijkwaardig). Bediening GBS middels een computer via vaste inter-/intranettoepassing. Bediening op afstand is mogelijk. In de patchkast van de sporthal wordt ALTIJD een aparte kleur kabel aangelegd voor dit afstandsbeheer. Het gebouwbeheersysteem is zonder al te veel kennis van zaken bedienbaar. Updates zijn mogelijk door aanpassing van de software en niet door vervanging van de hardware. Het Gebouwbeheersysteem wordt gescheiden gehouden van het datanetwerk in verband met veiligheid. Alle codes, wachtwoorden, inlogcodes van alle installaties, computers en dergelijke zijn en blijven eigendom van de opdrachtgever. De gehanteerde software moet nog minimaal 25 jaar ondersteund worden. Software wordt opgezet met een Windows-tool. Updates van software dienen kosteloos door de leverancier te worden aangeboden.

De meet- en regelsoftware moeten door de opdrachtnemer geprogrammeerd kunnen worden en aan te passen zijn (geen afhankelijkheid van leveranciers applicatiesoftware ofwel, er moet sprake zijn van een open-systeem) Alle digitale in- en uitgangen en instellingen zijn qua status duidelijk afleesbaar in grafische schematische beeldscherm overzichten Energieverbruik, temperaturen per ruimte, CO2-concentraties per ruimte en flows dienen per uur, maandelijks en jaarlijks opgeslagen te worden, met een minimale opslaghistorie van 48 uur. Gebruikte taal in de beschrijving en codes op bedieningsschermen dienen opgesteld te zijn in het Nederlands. Plattegronden worden opgenomen in weergave, waarbij ingestelde en actuele waarden met betrekking tot ventilatie (klepstand en CO2-concentratie), verwarmen/koelen (temperatuur en klepstand), verlichting (aan/uit) en zonwering (open/dicht. Aanpasbaarheid van diverse regelingsinstallaties is mogelijk. LED-belijning onderdeel van GBS, bediening via touch-paneel in toestellenberging en beheerpost. Event-scenes selecteerbaar door beheerder.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

46/61

10.10 Gebruikersaansluitingen en schakelmateriaal 

 

     

Het aantal aansluitpunten voor energievoeding in het gebouw dient van zodanige omvang te zijn dat alle vast geïnstalleerde elektronische installaties en apparatuur van de juiste spanning voorzien worden. Het dient mogelijk te zijn om in het hele gebouw mogelijk elektronische apparaten permanent aan te sluiten en er dienen voldoende aansluitpunten te resteren voor incidenteel gebruik. Het gebouw moet worden voorzien van veilig, uniform, gebruiksvriendelijk, kindvriendelijk schakelmateriaal en aansluitpunten. Het dient voor de gebruiker in het hele gebouw mogelijk te zijn om elektronische apparaten permanent aan te sluiten en er dienen voldoende aansluitpunten te resteren voor incidenteel gebruik (gebruikersapparatuur). Alle wandcontactdozen uitvoeren met randaarde in kindveilige uitvoering. Uitgaan van contactdozen en schakelmateriaal in slagvaste uitvoering. Daarenboven waar nodig in spatwaterdicht materiaal voorzien. Alle wandcontactdozen (data en 230V), schakelaars voor sterkstroominstallatie en vaste aansluitingen van machines/apparatuur voorzien van groepenaanduiding. Er dient rekening gehouden te worden met aansluitpunten ten behoeve van de vaste sportinrichting. Posities dienen in nader overleg met de gebruikers/beheerder bepaald te worden waarbij de plaats van de contactdozen geen belemmering mag vormen bij de inrichting van ruimten.

Een centraal bedienings- en signaleringspaneel aanbrengen, voor de centrale signalering en bediening van onder andere verlichting, centrale verwarming, luchtbehandeling, mechanische ventilatie, overbrugging buitenverlichting, (verzamel)storingsmeldingen, signalering mindervaliden en veegschakeling. Neem ook vier reserveposities op.

10.11 Verlichting Voor de sportruimte dient de verlichting te voldoen aan klasse II van de NOC*NSF-US1-BF, Verlichting Overdekte Multidisciplinaire Sportaccommodaties en de daarin vermelde NEN-EN 12193. Voor de projectering van het lichtplan dient er te worden voldaan aan de eisen welke voor de verschillende sporten zijn geformuleerd (houd hier rekening met volleybal en badminton; een sport waarin mensen veel omhoog kijken en waarbij het licht niet direct in de ogen mag schijnen). In onderstaande tabel zijn de eisen met betrekking tot verlichting opgenomen voor de sport gerelateerde ruimten. De overige ruimten zijn conform Bbl. Sportgerelateerde ruimten (conform KVLO 2024) Ruimte Sportruimte (conform NOC*NSF-US1-BF) 800 lux (let op! hogere eis dan KVLO 2024)

Bediening Beweging & manueel

Kleedruimte Doucheruimte EHBO/beheerdersruimte/docentenruimte Doucheruimte leerkracht Toestellenberging

Beweging Beweging Beweging Beweging Beweging

150 lux 150 lux 150 lux 150 lux 150 lux

Opmerking  Dimbaar en schakelbaar per zaaldeel  Balvast  Gelijkmatigheid verlichting ≥0,7. Spatwaterdicht Spatwaterdicht

Lichtreflectiepercentage Plafond 60-80%

2250338 | www.icsadviseurs.nl

47/61

Vloer vloer

45-60% 25-40%

Lichtreflectiefactor sporthal (conform Kwaliteitskader Huisvesting Bewegingsonderwijs KVLO 2024)

Lichtinstallatie De kunstlichtinstallatie, uitgangspunt is LED, in het gebouw dient zodanig te zijn dat in elke ruimte bij elk daglichtniveau een verlichtingssituatie te realiseren is, die een optimum vormt uit oogpunt van gebruik en energiezuinigheid.  In het gehele gebouw dienen afgeschermde armaturen te worden toegepast, waarbij rekening wordt gehouden met beeldschermvriendelijke, sfeervolle en functionele verlichting. De kleurtemperatuur TCP van het licht dient ongeveer 3000 of 4000 graden Kelvin te zijn. Voor de verlichtingsberekening wordt uitgegaan van 3000 Kelvin.  Het type armatuur past bij het gebruik van de ruimte.  De groepsindeling van de verlichting heeft een logische relatie met de functionele hoofdstructuur van het gebouw en met de gebruiksaanwending van de afzonderlijke ruimten.  Het plafondplan (combinatie van armaturen, luchtroosters en andere componenten aan het plafond) geeft een rustig en geordend beeld. Schakelinrichting   

 

Ruimten die bij beweging worden ingeschakeld, zijn ook door middel van een veegschakelaar (GBS, centraal bedieningspaneel) centraal in- en uit te schakelen. Eventueel afwezigheidsdetectie toepassen. In ruimten groter dan 30m2 dient de mogelijkheid te bestaan om slechts een deel van de verlichting te schakelen. De terreinverlichting dient te worden in- en uitgeschakeld middels een schemerschakeling en een klok voorzien van een automatische zomer-/wintertijd omschakeling. De buitenverlichting moet worden vrijgegeven op het GBS. Op een centraal punt dient een overbruggingsschakelaar voorzien te worden. Bergingen en sanitaire ruimten voorzien van aanwezigheidsdetectie. In de sportzalen dient de verlichting per zaaldeel geschakeld te kunnen worden, middels een (overbruggings-) schakelaar gepositioneerd in de toestellenberging. Tevens dient er in minimaal 3 verlichtingsniveaus te kunnen worden geschakeld. De verlichting dient gekoppeld te worden aan het gebouwbeheerssysteem en de toegangscontrole.

LED-belijning sportvloer     

Dynamische LED-belijning, minimaal 6 sportmodi (basketbal, volleybal, badminton, zaalvoetbal, korfbal zaaldelen). Helderheid instelbaar, geen verblinding, gelijkmatig lichtbeeld. Schakelbaar per zaaldeel en centraal via GBS. Voorgeprogrammeerde sport-presets. Fallback: vaste belijning voor hoofdveld (basketbal/volleybal) aanwezig.

10.12 Communicatie- en data installatie Het gebouw wordt uitgevoerd met bij het gebruik passende communicatie – en data installaties. Onderzocht wordt of en op welke wijze de verschillende communicatie-installaties zo efficiënt mogelijk kunnen worden gecombineerd.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

48/61

10.12.1

Telefoon

Er is geen telefooninstallatie noodzakelijk.

10.12.2

Intercom

Er wordt voorzien in een intercom/omroep installatie. Type nader te bepalen met de gebruikers/beheerder.

10.12.3

Geluidsinstallatie

Ten behoeve van sportwedstrijden dient een nader te bepalen audio-/visuele installaties, in zaaldelen, rekening te houden met 1.000 m ledigbuisleiding gemonteerd in de voorzetwand. Tot aan een nader te bepalen centraalpunt. Combinatie met ontruimingsinstallatie is niet toegestaan. De specificatie van de geluidsinstallatie wordt geleverd door de gebruikers.

10.12.4      

   

Data (bekabeling, distributie, apparatuur)

Aansluiting op glasvezel, minimaal CAT6A gebouwbekabeling en is geschikt voor POE (Power Over Ethernet) is uitgangspunt. Installaties voor communicatie, beveiliging en gebouwbeheer zijn integraal ontworpen en op elkaar afgestemd (op basis van IP-protocol). Integratie vindt plaats op gebied van bekabeling, centrale apparatuur en functionaliteit. Indien de gebouwomvang daar om vraagt voorzien in een of meerdere SER ruimten die middels een backbone van glasvezel aan de MER zijn verbonden. Maximale lengte netwerkkabel = 90 meter. Patchkast op te nemen in het ontwerp. Centrale patchkasten en servers worden geplaatst in een aparte ruimte die eventueel gekoeld moet worden. Deze ruimtes moeten voorzien zijn van diverse spanningsgroepen om belasting en uitval te voorkomen. Het gehele gebouw afdoende voorzien van data aansluitpunten voor Wifi-routers (boven het plafond) geschikt voor power over ethernet (POE). Een dekkend wifi systeem in het hele gebouw met voldoende (piek) capaciteit is eis. In het aantal en de spreiding van het aantal data aansluitpunten voor wifi-routers wordt daarin voorzien. De infrastructuur vormt in de benodigde bandbreedte niet de beperkende factor. Routers en actieve apparatuur zijn voor rekening opdrachtgever. Bekabeling aanbrengen in kabelgoten, rekening houdend met uitbreidingsmogelijkheden.

De bekabeling vormt een netwerk dat een flexibele ruimte-indeling mogelijk maakt.

10.13 Beveiligingsinstallatie 10.13.1

Aarding, potentiaalvereffening en bliksembeveiliging

Het gebouw en de installaties dienen overeenkomstig de wettelijke voorschriften (onder andere NEN 1010, NEN 3140, alsmede de EMC-richtlijnen) van een afdoende aarding te worden voorzien.

De aardverspreidingsweerstand bepalen aan de hand van de grootste zekeringwaarde.

Tot de aarding behoort eveneens de aarding van metalen delen die niet tot de laagspanningsinstallaties behoren en waarvoor krachtens de installatievoorschriften wel aardingsvoorzieningen moeten worden getroffen.

Voor de ICT dient een ‘schone’ aardingsinstallatie met een geïsoleerde aardelektrode te worden opgenomen.

Het gebouw moet worden voorzien van een bliksemafleiderinstallatie conform NEN-EN-IEC 62305 en de NPR 1014, tenzij uit de onderbouwde adviezen in de ontwerpfase (inclusief eventuele berekeningen) blijkt dat dit geen noodzaak is. Dit laatste is afhankelijk van de objecteigenschappen zoals oppervlakte, hoogte, constructie, situering en lokale inslagfrequentie.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

49/61

10.13.2 

Het gebouw dient te worden voorzien van een elektronisch toegangssysteem. De definitieve keuze van de leverancier en type systeem dient in overleg met gebruikers/beheerder plaats te vinden.

10.13.3  

 

 

Brandmeld- en ontruimingsinstallatie

Het ontwerp van de brandmeld- en ontruimingsinstallatie moet voldoen aan de wettelijke eisen. Bij de plaatsing van de brandmeldcentrale dient rekening te worden gehouden met het gebruik van de sporthal of multifunctionele ruimtes in situaties waarbij er geen beheerder namens de exploitant aanwezig is. Signaalgevers dienen in elke ruimte (volgens regelgeving) hoorbaar te zijn. De voorziening in de sporthal voorzien van beschermkorf.

10.13.5 

Inbraakinstallatie en cameraobservatie

Het gebouw is voorzien van een eenvoudig elektronisch inbraaksignaleringssysteem. Specificaties van de installatie op advies van ontwerpende partijen in overleg met de opdrachtgever vast te stellen en uit te werken. De gehele beveiligingsinstallatie dient BORG-gecertificeerd te zijn, beveiligingsniveau klasse 2, klasse 3 bij voorkeur. Het ontwerp van de inbraakbeveiliging dient te worden afgestemd op de resultaten van een beveiligingsonderzoek en eisen van de verzekeringsmaatschappij. Vanuit het oogpunt van sociale veiligheid en het voorkomen van vandalisme in en rondom het gebouw cameraobservatie overwegen. De regels uit de AVG (privacy wetgeving) dienen daarbij in acht genomen te worden. Afhankelijk van het bouwkundige ontwerp worden op strategische plekken op de buitengevel camera’s opgehangen. Aantal en positie in overleg met opdrachtgever. In de basis moet het ruimtelijk ontwerp zorgdragen voor een sociaal veilige omgeving, en dient het camera toezicht als additioneel en preventief middel ter inbraakpreventie en tegen vandalisme.

10.13.4  

Toegangscontrole

Noodverlichting en vluchtwegaanduiding

Deze verlichting dient een veilig vluchten bij calamiteiten zoals brand. De noodverlichting functioneert op een accu. De eisen voor noodverlichting beperken zich tot de vereisten volgende uit de wettelijke voorschriften. De noodverlichting wordt uitgevoerd in LED met zelftestinrichting. De vluchtwegaanduiding moet aangelegd worden conform wet- en regelgeving en uitgevoerd zijn in LED met zelftestinrichting. De (permanent verlichte) vluchtwegaanduidingen met pictogrammen kunnen gecombineerd worden met de noodverlichting.

10.13.6

Noodstroom/No break

De eisen voor noodstroom beperken zich tot de vereisten volgende uit de wettelijke voorschriften.

10.13.7

Waakverlichting

Waak- en veiligheidsverlichting in enkele nader aan te wijzen (inbraakgevoelige) ruimten aanbrengen waaronder ook enkele ruimten (op de begane grond) met gevelopening zodat na sluiting het gebouw een prettige uitstraling behoud en een sociaal veilige situatie rondom het gebouw wordt gecreëerd. Denk aan een schakeling waarbij gebruik wordt gemaakt van een schemerschakelaar, geblokkeerd door de gangverlichting of de verlichting in de ruimte zelf. De waakverlichting gaat in dat geval automatisch uit als de gangverlichting aan gaat. Indien bijvoorbeeld de vluchtwegaanduiding voldoende verlichting geeft, kan de waakverlichting vervallen.

10.13.8 

Sociale alarmering (integraal toegankelijk)

Het integraal toegankelijk toilet moet worden voorzien van een signalering door middel van een trekkoord, een trekschakelaar en een bel met signaleringslamp, een en ander conform “Handboek voor Toegankelijkheid”.

2250338 | www.icsadviseurs.nl

50/61

Registratie van deze signalering vindt plaats op de werkplek van de administratie/receptie in de centrale ruimte en is ook hoorbaar en zichtbaar in de horecaruimte.

10.14 Bouwkundige voorzieningen t.b.v. installaties Het ontwerpen van de bouwkundige voorzieningen ten behoeve van de installaties is onderdeel van dit T-PvE. Ten behoeve van de technische installaties worden tenminste onderstaande bouwkundige voorzieningen getroffen:    

Benodigde opstortingen in technische ruimten (indien van toepassing). Benodigde sparingen in vloeren en wanden ten behoeve van leidingen en kanalen. Benodigde schachten, leidingschachten en ruimten voor verdeelkasten. Bouwkundige voorzieningen die een flexibele opstelling in alle ruimten mogelijk maken zonder dat de voorzieningen, zoals elektra, spraak- en databekabelingen hinderlijk dan wel zichtbaar aanwezig zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/1184/documents/34720