CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Besluit veilige jaarwisseling.pdf

Gemeenteraad GHG 15 oktober 2026, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 11: Consultatie Ontheffingenbeleid Vuurwerk27.682 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

1 alinea's met “commissievergadering”: 136

Bij de uitwerking moest volgens de indieners van het amendement aandacht zijn voor de veiligheid van transport, opslag en afsteken, en de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Ook de beide Kamers hebben in de debatten aandacht gevraagd voor de veiligheid van afsteken, transport en opslag, en de eisen die aan de ontheffinghouder moeten worden gesteld (zoals rechtsvorm, verzekering). De uitwerking zoals die is opgenomen in het Besluit veilige jaarwisseling past daarbij. Ook de Landelijke Werkgroep Vuurwerkcoördinatoren (LWVC) geeft aan dat scenario 1 niet handhaafbaar is en in de praktijk problemen zal opleveren. Zij is voorstander van scenario 2 omdat deze het dichtst bij de doelstelling en eisen uit de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk komt en een goede balans treft in het zo veilig mogelijk tot ontbranding brengen van vuurwerk door niet-professionals, zonder onnodige eisen. Ook het Vuurwerkmanifest en verschillende particulieren hebben een voorkeur voor scenario 2. Het Longfonds geeft aan dat scenario 1 niet de voorkeur heeft. In een aantal reacties worden voorstellen gedaan voor andere manieren om de ontheffing vorm te geven.

Zo wordt bijvoorbeeld voorgesteld om persoonlijke vuurwerkcertificaten te verstrekken aan particulieren van 18 of 21 jaar oud na het volgen van een verplichte veiligheidstraining, en dat enkel deze certificaathouders vuurwerk mogen kopen en afsteken. Het gekochte vuurwerk krijgt dan een uniek nummer of een code. Wanneer er sprake is van misbruik of overtreding kan het certificaat ingetrokken worden. Ook wordt een pas voorgesteld die iedere Nederlander kan aanvragen. Na een achtergrondcheck kan deze dan afgegeven worden waarmee vervolgens vuurwerk gekocht kan worden. De regering spreekt waardering uit voor deze initiatieven en voorstellen. De genoemde certificeringssystematiek of afgifte van passen past echter niet binnen het doel van een landelijk vuurwerkverbod. Bovendien hadden de initiatiefnemers van de ontheffing blijkens de toelichting voor ogen dat bijvoorbeeld wijk- en buurtverenigingen een ontheffing konden aanvragen, niet particuliere personen. Uitwerking voorwaarden en voorschriften Een deel van de reacties gaat specifiek in op de uitwerking van het Besluit veilige jaarwisseling zoals die voorlag in internetconsultatie. Een aantal van de reacties geeft aan tevreden te zijn met de uitwerking zoals die voorlag.

De LWVC, bestaande uit vertegenwoordigers van de bevoegde gezagen voor het verlenen van ontbrandingstoestemmingen voor professionele vuurwerkontbrandingen en het toezicht daarop, geeft aan dat de in internetconsultatie voorgestelde ontwerpuitwerking een goede opzet is, waarbij het doel van de Wet veilige jaarwisseling behaald kan worden. Ze geeft aan dat het voorstel dat voorlag een goede afweging is van eisen die nodig zijn om de veiligheid te borgen zonder onnodige Staatsblad 2026 168 37 eisen voor verenigingen en stichtingen. Wel geven zij nog een aantal aandachtspunten mee. Een deel van de opmerkingen betreft nuttige adviezen die echter gelet op het beperken van de regeldruk voor vereni- gingen, stichtingen en verkooppunten niet in alle gevallen door de regering zijn overgenomen. Daarbij is door de regering getracht een balans te vinden. Het gaat dan bijvoorbeeld om voorstellen van LWVC om nadere specifieke eisen te stellen aan de vereniging of stichting, het verplichten van het beheersen van de Nederlandse taal door supervisors en ontbranders, het omgaan met onder andere weigeraars en ongewone voorvallen, het opnemen van een tijdstip in de ontheffingsaanvraag, het stellen van nadere eisen aan de situatietekening, en het bijhouden van specifieke registraties door verkooppunten.

Op de andere opmerkingen van LWVC wordt door de regering in deze paragraaf thematisch nader ingegaan. Ook het Vuurwerkmanifest is positief over de in internetconsultatie voorgestelde uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid. Naar de mening van het Vuurwerkmanifest kan hiermee een veilige jaarwisseling 2.0 met consumentenvuurwerk zonder vuurwerkslachtoffers tot stand gebracht worden zoals ook beoogd is door de initiatiefnemers. Zij pleiten nog wel voor uitsluiting van milieutoetsen, duidelijke nationale kaders met slechts minimale aanvullende lokale eisen en een expliciete stimulans aan gemeenten om lokale alternatieven binnen de woonkern te organiseren. Ook de Dierenbescherming is blij met het ontwerpvoorstel en steunt het verbod op consumentenvuurwerk. Zij pleit wel voor terughoudendheid in het verlenen van lokale ontheffingen om lawaai te beperken. Een deel van de reacties geeft aan dat de uitwerking te restrictief is. De vrees is dat het lastig wordt om een ontheffing aan te vragen en aan de gestelde voorwaarden te voldoen. Ook LVKK geeft aan dat de gestelde eisen te streng zijn en niet laagdrempelig genoeg. Ook BPN, Vuurwerk- check, de vereniging van Vuurwerkliefhebbers (HVLV) en de Stichting Nationaal Opleidingscentrum Pyrotechniek (SNOP) vinden het uitgewerkte scenario te strikt of onduidelijk.

Ook belemmert dit scenario volgens hen een passende invulling van de bedoeling van het amendement en de praktijk van buurtinitiatieven. Zij onderschrijven het waarborgen van de veiligheid, beperking van overlast en behoud van traditie maar achten de uitwerking niet uitvoerbaar of proportioneel. Zij doen op meerdere punten voorstellen voor aanpassing. Aangaande bovenstaande benadrukt de regering dat vuurwerk een gevaarlijk product is en jaarlijks tot schade, letsel19 en soms zelfs dodelijke slachtoffers leidt. Het is daarom van groot belang geacht dat een aantal voorwaarden wordt gesteld en voorschriften aan de ontheffing worden verbonden die de veiligheid van zowel ontbranders als omstanders (vrijwilligers en publiek) borgen. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige regels voor professionals wanneer zij gebruik maken van hetzelfde type vuurwerk als is toegestaan binnen de ontheffing (aange- wezen consumentenvuurwerk van de categorie F2) in hun shows. Wel is naar aanleiding van deze reacties getracht te regelen dat bepaalde aspecten, onderdeel zijn van een lokale afweging. Daarmee wordt dichtregelen voorkomen.

Ook is het vestigingsplaatsvereiste vervangen door een eis van lokale binding, zodat verenigingen of stichtingen hun inschrijving bij de Kamer van Koophandel niet per se hoeven te wijzigen wanneer zij bijvoorbeeld in een naburige gemeente vuurwerk wensen af te steken. De Vereniging Evenementenvuurwerk Nederland (VEN), een branche- vereniging voor professionele vuurwerktoepassers, geeft aan dat 19 Tijdens jaarwisseling 2024-2025 waren er in totaal 1.162 vuurwerkletsels. Staatsblad 2026 168 38 Nederland een sterk gereguleerd stelsel voor vuurwerk kent. Zij geeft aan dat dit stelsel de ruimte voor verenigingsshows met grote hoeveelheden F2-vuurwerk in de praktijk al sterk heeft beperkt. Als was beoogd dat dergelijke shows onder soepelere voorwaarden dan professionele ontbrandingen konden plaatsvinden, had dat volgens VEN tot funda- mentele aanpassingen in dit stelsel moeten leiden. Dat is volgens VEN niet gebeurd, omdat het haaks staat op de lijn van risicobeheersing. VEN geeft verder aan dat bij 200 kilogram F2-vuurwerk in aanwezigheid van publiek er feitelijk geen inhoudelijk verschil meer is met een aanzienlijk deel van de professionele shows. De risico’s zijn gelijk, dus moeten de afstanden en voorwaarden dat volgens VEN ook zijn. VEN wijst in dit kader onder andere op de voor professionals verplichte aansprakelijk- heidsverzekering.

De regering is met VEN eens dat tijdens het afsteken van vuurwerk binnen een ontheffing de veiligheid van ontbranders en omstanders moet zijn geborgd. Om die reden zijn er diverse voorwaarden en voorschriften in het Besluit veilige jaarwisseling opgenomen, waarbij waar dat opportuun is geacht, is aangesloten bij de regels die voor professionals gelden wanneer zij F2-vuurwerk afsteken. Aansprakelijkheid Diverse reacties gaan in op de aansprakelijkheidsverzekering. Onder andere SBV-NL20 en de BPN stellen het opstellen van collectieve verzeke- ringsoplossingen voor of vragen, zoals HVLV, deze mogelijkheid te onderzoeken. Het is volgens LWVC beter de aansprakelijkheid(sverze- kering) vooraf te regelen en niet achteraf. VEN wijst erop dat professionals verplicht zijn om een aansprakelijkheidsverzekering te hebben, ook als zij enkel consumentenvuurwerk afsteken. De VNG geeft in reactie op de bestuurlijke consultatie aan dat zij een mogelijk risico voor de burge- meester zien wanneer de afweging voor het vereisen van een aansprake- lijkheidsverzekering bij de burgemeester wordt belegd. Meer duidelijkheid verschaffen over de aansprakelijkheid in het geval van ontheffingen zoals in het Vuurwerkbesluit is bedoeld, is volgens VNG noodzakelijk.

De regering geeft in reactie hierop aan dat op grond van het Besluit veilige jaarwisseling een aansprakelijkheidsverzekering niet verplicht wordt gesteld. Een burgemeester kan ervoor kiezen om dit wel verplicht te stellen. Op basis van een gedegen landelijk uniform veiligheidspakket kunnen verzekeraars de risico’s inschatten en de verzekerbaarheid van het afsteken van vuurwerk in het kader van een ontheffing. Meestal zal dit op ad hoc basis plaatsvinden. Het is aan de verzekeraars zelf of zij bijvoor- beeld willen voorzien in collectieve verzekeringsmogelijkheden. Het Verbond van Verzekeraars stelt in haar reactie op de internetconsul- tatie voor om de tekst over een aansprakelijkheidsverzekering in paragraaf 2.11 uit te breiden. Het is volgens het Verbond van Verzekeraars belangrijk voor een vereniging of stichting die een ontheffing aanvraagt, om na te gaan of de eigen (huidige) aansprakelijkheidsverzekering adequate dekking biedt voor afsteken of laten afsteken van professioneel vuurwerk. Hierbij is het verstandig om ook te kijken of en welke specifieke (aanvul- lende) voorwaarden de verzekeraar hierbij stelt. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat een adviseur daarbij kan helpen.

Als de rechtspersoon (nog) geen aansprakelijkheidsverzekering heeft die dekking biedt, zou volgens het Verbond een tijdelijke evenementenverzekering met dekking voor aansprakelijkheid een alternatief kunnen zijn. Naar 20 Vooruitlopend op de inwerkingtreding van dit besluit is een stichting (SBV-NL) opgericht met als doel te functioneren als communicatie- en kennishub voor gemeenten, toezichthouders en de aanvragers van buurtvuurwerkshows. Staatsblad 2026 168 39 aanleiding van deze opmerking is door de regering de toelichting op dit punt aangevuld. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid Een aantal van de reacties ziet op de handhaafbaarheid van het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten in zijn algemeenheid, en meer specifiek de uitwerking van de ontheffingsbevoegdheid. Veelal wordt aangegeven dat raddraaiers moeten worden aangepakt. De VNG geeft in reactie op de bestuurlijke consultatie aan positief tegenover de doelstelling van de Wet veilige jaarwisseling te staan. Gemeenten hechten grote waarde aan een jaarwisseling die veiliger verloopt en leidt tot minder incidenten, slachtoffers en materiële schade. De VNG waardeert dan ook dat in het besluit aandacht is besteed aan de veiligheid en gehoor is gegeven aan de breed gedragen wens om waar dat kan zoveel mogelijk vereisten nationaal vast te leggen.

Tegelijkertijd constateren gemeenten dat er nog punten van zorg zijn rondom de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van het besluit en dan specifiek de ontheffingsmogelijkheid. Deze punten sluiten aan bij de constateringen die de VNG doet in de uitvoeringstoets, zoals besproken in paragraaf 8.2. De invoering van de ontheffingsmogelijkheid voor verenigingen en stichtingen zorgt volgens de VNG ervoor dat gemeenten expliciet beleid moeten vormen over de vraag of, en onder welke voorwaarden, onthef- fingen voor het afsteken van F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling worden toegestaan. Deze afweging moet volgens VNG zorgvuldig en multidisci- plinair plaatsvinden. VNG geeft aan dat gemeenten moeten vastleggen welke beleidslijn wordt gehanteerd, welke criteria worden toegepast bij besluitvorming en welke aanvullende voorschriften eventueel nodig zijn om een veilige, uitvoerbare en handhaafbare toepassing van de onthef- fingsregeling te borgen. Elke gemeente in Nederland, in het totaal 342, dient deze beleidsafweging zelfstandig te maken. Dit betekent volgens VNG dat er landelijk gezien honderden aparte afwegingsprocessen gaan plaatsvinden, met mogelijk uiteenlopende uitkomsten en beleidslijnen. Daarbij rijst volgens VNG de vraag of deze decentrale aanpak strookt met het doel van een landelijk vuurwerkverbod.

VNG geeft verder aan dat er diverse vereisten gelden voor verenigingen en stichtingen die een aanvraag indienen, zoals het opstellen van een veiligheidsplan. In de praktijk kunnen deze verenigingen nieuw zijn opgericht of doorgaans geen evenementen met vuurwerk organiseren. Tegelijkertijd geeft VNG aan dat wel een bepaald niveau van professionaliteit wordt verwacht om de veiligheid te kunnen waarborgen, onder meer via een adequaat veilig- heidsplan. VNG verwacht dat dit zowel in de uitvoering als in de handhaving elkaar kan schuren. Het legt volgens VNG een aanzienlijke druk op zowel de burgemeester – die moet beoordelen of een locatie geschikt is – als op de ambtelijke organisatie, die verantwoordelijk is voor de toetsing en beoordeling van de veiligheidsplannen. De regering geeft hierop aan dat met de uitwerking in voorliggend besluit beoogd is om zoveel mogelijk voorwaarden en voorschriften op landelijk niveau vast te leggen, om te zorgen voor zoveel mogelijk uniformiteit. Daarbij is het wel van belang geacht om de ontheffing daarnaast ook een lokale afweging te laten zijn. Het opstellen van een handreiking kan waar dat gewenst is bijdragen aan een uniforme wijze van uitvoering door gemeenten. Ook LWVC roept in dat kader op om waar dat kan gebruik te maken van bijvoorbeeld standaardaanvraagformulieren en -veiligheidsplannen.

De VNG en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters (NGB) geven aan dat onvoldoende duidelijk is wie de handhaving in de praktijk gaat uitvoeren, nu gemeenten aangeven geen toezicht te kunnen Staatsblad 2026 168 40 uitoefenen tijdens de nachtelijke uren rondom de jaarwisseling in verband met de risico’s die dit met zich meebrengt voor gemeentelijke handhavers (boa’s). De G421 geeft aan dat een ernstig knelpunt betreft dat de voorliggende voorwaarden en voorschriften het toezicht en de operati- onele handhaving erg complex en arbeidsintensief maken. Om te zorgen dat alle voorwaarden en voorschriften nageleefd worden, vraagt dit om fysieke inzet van een gemeentelijke toezichthouder of handhaver op iedere ontheffingslocatie. Dit is in de praktijk volgens de G4 niet haalbaar. De G4 geeft verder aan dat de keuze om de burgemeester primair verantwoordelijk te laten zijn voor het toezicht op, en de handhaving van de voorwaarden en voorschriften die bij de ontheffing horen begrijpelijk is. Hiermee wordt gemeenten ruimte gegeven om lokaal invulling te geven aan óf en voor welke locatie eventueel een ontheffing wordt verleend. Het toezicht en de handhaving op de naleving baart de G4 grote zorgen omdat de verantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving voornamelijk op lokaal niveau wordt gelegd en dit zorgt voor druk op de al schaarse handhavingscapaciteit.

De huidige uitwerking van het Besluit is met de beperkte capaciteit en middelen die gemeenten hebben, voor gemeenten niet handhaafbaar. Deze punten zijn in lijn met de uitkomsten van de HUF- en uitvoerings- toetsen. Op het vraagstuk rondom de handhaving, en meer specifiek de inzetbaarheid van boa’s, wordt nader ingegaan in paragraaf 8.2 van deze nota van toelichting en het Handhavingsplan dat door het ministerie van JenV is opgesteld. NGB geeft aan dat een van de redenen voor invoering van de Wet veilige jaarwisseling en het besluit het terugdringen van incidenten en agressie richting hulpverleners betreft. Burgemeesters maken zich echter zorgen dat dit besluit de veiligheid van hulpverleners niet aantoonbaar verbetert. Boa’s en politie zullen volgens NGB juist vaker moeten optreden op risicovolle momenten en plekken: bij afsteeklocaties, tijdens controles, bij intrekkingen wegens weersomstandigheden, of bij meningsverschillen tussen aanwezigen. Het besluit lijkt hiermee volgens NGB onvoldoende bij te dragen aan de beoogde verbetering van de veiligheid van hulpver- leners. De regering reageert hierop als volgt. Met de Wet veilige jaarwisseling wordt een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten ingevoerd. Burgemeesters kunnen ontheffingen verlenen aan verenigingen en stichtingen.

In onderhavig besluit worden de voorwaarden en voorschriften die aan de ontheffing moeten worden verbonden uitge- werkt. Deze voorwaarden en voorschriften zien op de veiligheid van onder andere ontbranders en omstanders. Met deze nieuwe regelgeving is vooraf duidelijk of en op welke locatie bij uitzondering op het verbod, F2-vuurwerk mag worden afgestoken. Daarmee is het aantal locaties waar vuurwerk mag worden afgestoken, beperkter dan in de situatie zonder landelijk vuurwerkverbod voor consumenten. Op de handhaafbaarheid wordt nader ingegaan in het Handhavingsplan. Rol burgemeester en gemeenten Een deel van de reacties gaat specifiek in op de rol van de burge- meester. NGB geeft aan dat het besluit een voor burgemeesters nieuwe, exclusieve bevoegdheid om ontheffingen voor het afsteken van F2-vuurwerk te verlenen, introduceert. NGB geeft aan dat vanuit het Kader voor nieuwe burgemeestersbevoegdheden daarbij vragen rijzen. Ook de VNG wijst in reactie op de bestuurlijke consultatie op dit kader. Het kader bepaalt dat een nieuwe bevoegdheid alleen bij de burgemeester hoort te liggen wanneer het vraagstuk primair een openbare-ordeprobleem is, de 21 De G4 bestaat uit de vier grote steden Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Amsterdam.

Staatsblad 2026 168 41 bevoegdheid aansluit bij bestaande taken van de burgemeester, uitvoering niet vraagt om specialistische technische kennis die elders in het stelsel is belegd, en de taak uitvoerbaar en handhaafbaar is binnen de gemeentelijke organisatie. Toegepast op dit besluit vindt het Genootschap het niet evident dat aan dit kader is voldaan. In reactie hierop geeft de regering aan dat de bevoegdheid van de burgemeester niet zijn grondslag vindt in het Besluit veilige jaarwisseling, maar in de Wet veilige jaarwisseling. Het voorliggende Besluit veilige jaarwisseling werkt deze bevoegdheid nader uit, en kan geen wijzigingen aanbrengen in de toedeling van de ontheffingsbevoegdheid. NGB geeft aan dat gemeenten onvoldoende capaciteit en specialistische kennis hebben om de mogelijk grote aantallen aanvragen zorgvuldig te beoordelen. Hierop geeft de regering aan dat de burgemeester zich indien gewenst kan laten adviseren bij het vaststellen van beleid en het beoordelen van ontheffingsaanvragen, bijvoorbeeld door provincies, omgevingsdiensten, brandweer of binnen de lokale driehoek. Op deze manier kan een burgemeester de benodigde expertise inwinnen bij het al dan niet verlenen van een ontheffing, en in voorkomend geval het intrekken daarvan.

Een aantal reacties betreft de vrees van burgers, ondernemingen en brancheverenigingen dat er burgemeesters zullen zijn die geen onthef- fingen zullen gaan verlenen, en dat dit kan leiden tot een lappendeken. Verder geeft het Besluit veilige jaarwisseling volgens de G4-gemeenten nu veel ruimte om eigen beleid te maken over hoe met deze bevoegdheid om te gaan. Deze beleidsvrijheid werkt mogelijk grote verschillen tussen gemeenten, en daarmee willekeur in de hand en draagt niet bij aan de wens om een betrouwbare overheid te zijn met voorspelbaar en uitlegbaar beleid. Zo kan volgens NGB de ene gemeente besluiten in het geheel géén ontheffingen te verlenen en kan de andere gemeente besluiten tientallen ontheffingen te verlenen. Dit kan volgens NGB bij inwoners leiden tot gevoelens van onrechtvaardigheid, en kan ervoor zorgen dat er alsnog veel vuurwerk in omloop zal zijn wat niet bijdraagt aan een veilig verloop van de jaarwisseling. De regering geeft hierop aan dat op grond van de Wet veilige jaarwis- seling de burgemeester ontheffing kan verlenen, maar dat niet hoeft te doen. Hij kan daartoe zelf beleid opstellen al dan niet in een beleidsregel.

Verschillen in beleid tussen gemeenten zijn op zichzelf geen rechtsonge- lijkheid of willekeur, sterker nog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters is juist beoogd dat afhankelijk van lokale omstandigheden verschillen in beleid tussen gemeenten kunnen ontstaan. De burge- meester kan beslissen in overleg met de lokale driehoek om geen, of een maximumaantal, ontheffingen te verlenen in zijn gemeente. Dat is uitdrukkelijk een bevoegdheid van de burgemeester zelf. Het Besluit veilige jaarwisseling kan hier geen verandering in aanbrengen. Gemeenten beschikken volgens NGB nauwelijks over de expertise om op basis van een veiligheidsplan, verzekeringsinformatie of organisato- rische professionaliteit een gewogen oordeel te vellen. Zij vragen om duidelijke landelijke criteria, net als onder andere het Vuurwerkmanifest en een aantal particulieren. Ook de VNG en de G4 pleiten voor het opnemen van zoveel mogelijk objectieve criteria in het Besluit veilige jaarwisseling waaraan lokaal getoetst wordt of een ontheffing kan worden verleend. Hierop geeft de regering aan dat zij het belang hiervan onderstreept. Om die reden is in onderhavig besluit een aantal voorwaarden en voorschriften opgenomen, waarmee de burgemeester verplichte handvatten en kaders wordt meegegeven die gericht zijn op het borgen Staatsblad 2026 168 42 van de veiligheid.

Hiermee wordt gezorgd voor landelijke criteria. Waar dat nodig en gewenst is, zal gewerkt worden aan een handreiking, waarbij het voortouw bij VNG ligt. Ook kan een burgemeester zich desgewenst laten adviseren door de lokale driehoek, brandweer, provincies of omgevingsdiensten. LWVC geeft aan dat het onjuist is dat in sommige gevallen, bijvoorbeeld bij onzorgvuldig handelen, de burgemeester aansprakelijk gesteld kan worden. LWVC is van mening dat een burgemeester niet aansprakelijk gesteld kan worden, enkel de ontheffinghouder. Bedoelde gevallen zullen naar de mening van de regering uitzonderlijk zijn, maar zijn niet bij voorbaat uitgesloten. Daarin zal inderdaad niet de burgemeester aansprakelijk worden gesteld maar de gemeente die vermogen heeft waarop de schade kan worden verhaald. Hierop is de toelichting aangepast. In paragraaf 6.2 is naar aanleiding van een opmerking van LWVC duidelijker aangegeven dat bevoegd gezag voor de professionele vuurwerkontbrandingen de provinciebesturen zijn en dat in veel gevallen die bevoegdheid is gemandateerd aan omgevingsdiensten. Alcoholgebruik Een aantal reacties wijst erop dat alcoholgebruik bij het afsteken van vuurwerk tot gevaarlijke situaties kan leiden en veelal voor problemen zorgt.

Hierop geeft de regering aan dat in het kader van de ontheffing het voor ontbranders en supervisors niet is toegestaan om onder invloed te zijn van alcohol. Naar aanleiding van een aantal reacties op de internetconsultatie, en de HUF-toets van de ILT, is dit voorschrift door de regering verduidelijkt. In de bepaling is opgenomen dat de supervisor en de ontbranders niet onder invloed zijn van alcohol of andere verdovende of stimulerende middelen als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 gelezen in samenhang met artikel 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmid- delen in het verkeer. Leeftijd In de op de internetconsultatie ontvangen bestuurlijke consultatie geeft de politie aan dat de leeftijdsgrens bijgesteld zou moeten worden naar 18 jaar. Op een ontbrander bij een vuurwerkshow waar mogelijk tientallen of honderden mensen komen kijken, al dan niet onder invloed van alcohol en in feeststemming, rust volgens de politie een grote verantwoorde- lijkheid. Dit is volgens de politie geenszins te vergelijken met – en dus te koppelen aan – de minimumleeftijd voor het afsteken van consumenten- vuurwerk in huiselijke kring, zoals nu nog het geval is. Ook de G4 pleit voor het verhogen van de leeftijdsgrens voor ontbranders en supervisors (naar 21 jaar) en het opnemen van meer concrete uniforme voorschriften aan diegene die het vuurwerk gaat afsteken.

In reactie hierop geeft de regering aan dat mede naar aanleiding van de motie Zwinkels en Kostic´22 de leeftijdgrens van ontbranders is opgehoogd naar 18 jaar. Dit is nader toegelicht in paragraaf 8.4. In een van de ingediende reacties vraagt een burger om een laagdrem- pelige toegang en deelname voor alle leeftijden, ook kinderen. De regering benadrukt dat F1-vuurwerk gedurende het gehele jaar mag 22 Kamerstukken II 2025/26, 35 386 nr. 40. Staatsblad 2026 168 43 worden afgestoken. Wel geldt dat het afsteken van F1-vuurwerk pas mag worden verkocht of anderszins ter beschikking gesteld mag worden aan personen vanaf 12 jaar. Transport en bewaring Een aantal reacties ziet op de veiligheid van het transport. NGB vreest dat doordat er minder verkooppunten komen, verenigingen mogelijk grotere afstanden moeten afleggen om vuurwerk op te halen. Zij vragen om landelijke richtlijnen of een alternatief waarbij vervoer en opslag door professionals wordt verzorgd. Hierop reageert de regering als volgt. Zoals aangegeven in paragraaf 2.7 is op grond van het ADR het vervoer van bepaalde hoeveelheden gevaarlijke goederen vrijgesteld van een aantal verplichtingen uit het ADR, zoals bij een maximumhoeveelheid van 200 kilogram vuurwerk. Het vervoer is niet vrijgesteld van alle verplichtingen uit het ADR.

Zoals toegelicht in paragraaf 2.7 dient een ontheffinghouder wanneer hij het vuurwerk bij het verkooppunt ophaalt, te voldoen aan al die eisen. Het kan daarom wenselijk zijn dat een verkooppunt het vuurwerk bezorgt of dat hij daartoe een vervoerder inschakelt. Deze mogelijkheid bestaat dus reeds. De BPN stelt dat het voldoen aan de ADR-eisen door buurtverenigingen onhaalbaar is en onevenredige administratieve en financiële lasten met zich meebrengt. Zij stelt voor om het vervoer collectief te laten uitvoeren door gecertificeerde vervoerders of door een verkooppunt. De regering waardeert deze suggesties maar laat het aan de markt over om dit verder uit te werken. Wel is in de toelichting opgenomen dat dit vervoer bijvoorbeeld ook door importeurs kan plaatsvinden. Verder vraagt LWVC of voldoende geborgd is dat het gekochte vuurwerk gelijk naar de afsteeklocatie gaat, zonder tussenopslag. Volgens de regering is dit voldoende geborgd nu de terbeschikking- stelling van het vuurwerk aan ontheffinghouders enkel op 31 december mag plaatsvinden, en het vuurwerk veilig neer dient te worden gelegd op de afsteeklocatie. Naar aanleiding van deze opmerking is de toelichting op dat punt verduidelijkt. Veiligheidsafstanden In het ontwerpbesluit was voor de te hanteren veiligheidsafstanden een «PM» opgenomen.

LWVC, VEN, VNG, en NGB roepen op om aan sluiten bij reeds geldende veiligheidsafstanden, zoals die gelden voor professi- onals wanneer zij F2-vuurwerk afsteken tijdens professionele vuurwerk- shows. VEN geeft aan dat het niet verdedigbaar zou zijn als er andere veiligheidsafstanden zouden gelden voor ontheffinghouders. Vuurwerk- Check en BPN pleiten voor het landelijk vaststellen van minimale veiligheidsafstanden, net als de G4. Wat betreft het afsteekterrein zou Longfonds graag zien dat er vuurwerkvrije zones worden opgenomen in de uitwerking, zodat er nergens in Nederland in een straal van 100 meter rondom locaties waar kwetsbare mensen wonen of verblijven, zoals bejaardenhuizen en verpleeghuizen, vuurwerk mag worden afgestoken. BPN geeft aan ten behoeve van rechtszekerheid en duidelijkheid in beginsel minimaal de veiligheidsafstanden uit de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk te hanteren, waarbij deze afstanden volgens BPN met de helft mogen worden verminderd als er maatregelen zijn getroffen om het publiek bij ongewone voorvallen te beschermen. Brancheverenigingen namens de detailhandelaren en vuurwerkliefhebbers pleiten voor het vastleggen van afstanden zonder specifiek een afstand te noemen.

In eerdere gesprekken hebben ze Staatsblad 2026 168 44 voorgesteld een afstand van 8 meter in lijn met de huidige afstandseisen voor particulieren voor het afsteken van F2-vuurwerk te hanteren. De regering heeft nadien de veiligheidsafstanden vastgelegd. Hierbij is aangesloten bij de veiligheidsafstanden zoals opgenomen in de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk die van toepassing is op professionals wanneer zij consumentenvuurwerk tot ontbranding brengen. Overige veiligheidseisen LWVC geeft aan dat niet is omschreven wat onder zeer kwetsbare gebouwen en locaties wordt verstaan. Zij doet de suggestie om hiervoor een definitie of verwijzing (bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefom- geving) op te nemen. De regering heeft ervoor gekozen om een breed begrip te hanteren van kwetsbare gebouwen of locaties. Enerzijds kan daarbij gedacht worden aan de kwetsbaarheid van de mensen die zich in een specifiek gebouw bevinden (zoals een ziekenhuis) en de definitie die hiervoor wordt gehanteerd in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving, anderzijds kan het in dit kader ook gaan om gebouwen die kwetsbaar zijn gelet op het feit dat deze brandbare onderdelen bevatten (zoals een rieten dak). Naar aanleiding van deze opmerking is de toelichting hierop verduidelijkt.

LWVC geeft aan dat het nuttig is om een minimumaantal, soort en inhoud handblusapparaten op te nemen. Ook moet geborgd worden dat het gaat om goedgekeurde brandblusapparaten. Naar aanleiding van deze opmerking, en in overleg met de brandweer, is door de regering artikel 2.3.2a, eerste lid onder g, ingevoegd. LWVC geeft aan dat het afsteken van een dak of vanaf het water in het kader van een ontheffing niet de bedoeling is. Afsteken vanaf een dak betekent immers ook dat 200 kilogram vuurwerk met de lift of via het trappenhuis naar het dak moet worden verplaatst. Beide mogelijkheden maken het er, zowel voor publiek als uitvoerders namens de ontheffing- houder, volgens LWVC niet veiliger op. In reactie hierop geeft de regering aan dat het aan de burgemeester is om het afschieten van een dak of vanaf water al dan niet toe te staan. De regering is het met LWVC eens dat gelet op de veiligheid het in de rede ligt dit in beginsel niet toe te staan. De toelichting is naar aanleiding hiervan aangevuld. LWVC wijst de regering erop dat ten onrechte in de toelichting geïmpliceerd werd dat het tot ontbranding brengen van vuurwerk in een binnenruimte is toegestaan. Naar aanleiding hiervan is deze passage door de regering verwijderd. LWVC geeft verder aan dat niet enkel het afsteekterrein, maar de veiligheidszone verplicht zou moeten worden opgeruimd en schoon opgeleverd.

Veel van het afval van vuurwerk komt immers buiten het afsteekterrein maar binnen de veiligheidszone terecht. Naar aanleiding van deze opmerking is het artikel hierop aangepast. LWVC vraagt in haar reactie hoe wordt geborgd dat bij de beoordeling van de locatie rekening wordt gehouden met de omgeving (dieren, vliegveld, gebouwen en (water)wegen). De regering geeft hierop aan dat het aan de burgemeester is om de geschiktheid van de locatie te beoordelen. Daarbij houdt deze rekening met de kenmerken en gevoeligheden van de omgeving. Staatsblad 2026 168 45 Maximumaantal ontheffingen Een aantal reacties geeft aan dat het wenselijk zou zijn als er binnen een gemeente meerdere afsteekplaatsen worden aangewezen of er meerdere afsteekmomenten per afsteeklocatie komen. Dit voorkomt overmatige drukte en komt tegemoet aan de saamhorigheid binnen woonwijken of straten. De G4 geeft aan dat verschillen tussen gemeenten beperkt zouden kunnen worden door een maximumaantal ontheffingen op te nemen in onderhavig besluit, bijvoorbeeld naar rato van het inwoneraantal. In reactie hierop geeft de regering aan dat de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen bij de burgemeester ligt. De burgemeester kan hiertoe beleid vaststellen. Daarin kan hij bijvoorbeeld een maximumaantal ontheffingen vastleggen, of locaties benoemen waar ontheffingen voor kunnen worden aangevraagd.

Hierbij kan de burgemeester, bijvoorbeeld in overleg met de lokale driehoek, ook rekening houden met het voorkomen van grote druktes op bepaalde plekken of het stimuleren van de saamhorigheid binnen zijn gemeente. Toegestaan vuurwerk Een aantal reacties, waaronder van de stichting voor vuurwerklief- hebbers (HVLV), pleit voor een verhoging van de toegestane hoeveelheid vuurwerk. De G4 pleit voor een verlaging van de maximumhoeveelheid vuurwerk. Door de regering is gekozen voor een maximumhoeveelheid van 200 kilogram vuurwerk per ontheffinghouder. Hiermee wordt aangesloten bij bestaande grenzen in de vuurwerkregelgeving. Ook valt deze maximum- hoeveelheid binnen de geldende vrijstellingen in het kader van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit is toegelicht in paragraaf 2.1 van de nota van toelichting. Deskundigheid Een aantal reacties geeft aan dat het van belang is om een cursus te introduceren voor het veilig afsteken van vuurwerk. BPN en SNOP stellen voor om een verplichte e-learning en examen via erkende instellingen in te voeren voor de ontbranders en de supervisors zodat aangesloten wordt bij de bestaande certificeringspraktijk voor vuurwerkdeskundigen en een uniform en hoog opleidingsniveau gewaarborgd wordt.

Naast theore- tische kennis moet de e-learning ook praktische vaardigheden met risicobeoordeling, omgang met incidenten, communicatie met hulpdiensten en naleven van het veiligheidsplan bevatten. Ook LWVC heeft vragen bij de wijze van borging van kennis, en geeft aan dat een toets zou moeten worden afgerond, of het overleggen van een bewijs of een getuigschrift van deelname. In reactie hierop onderstreept de regering het belang dat de ontbranders en de supervisors kennis hebben over het veilig afsteken van vuurwerk. Hiertoe wordt namens het Rijk een e-learning of voorlichtings- pakket opgesteld. Hierin zal worden ingegaan op het veilig afsteken van vuurwerk. Een aantal reacties, waaronder die van SBV-NL, stelt voor om daarin ook in te gaan op het veilig neerleggen en transporteren van vuurwerk. Naar aanleiding hiervan is het betreffende artikel en de toelichting aangevuld. SBV-NL geeft aan dat de voorgestelde e-learning in verhouding tot de bestaande regels voor vuurwerkdeskundigen zoals opgenomen in de Arbeidsomstandighedenregeling onvoldoende diepgaand is. SBV-NL stelt voor in gesprek te treden met de bestaande erkende exameninstellingen over hoe proportioneel invulling kan worden gegeven aan een e-learning voor ontbranders en supervisors.

Staatsblad 2026 168 46 In reactie hierop geeft de regering aan dat het wenselijk is om de e-learning of voorlichtingspakket behapbaar te houden voor ontbranders en supervisors van een ontheffinghouder. Daarbij is het niet proportioneel om bijvoorbeeld aan te sluiten bij de certificeringseisen die gelden voor professionals, omdat deze certificaten zien op Groot Vuurwerk (professi- oneel vuurwerk) en PSE (pyrotechnische artikelen voor theatergebruik). In het kader van de ontheffing kan immers enkel aangewezen F2-vuurwerk worden afgestoken. Eisen aan de ontheffinghouder SBV-NL acht de eis van inschrijving bij de Kamer van Koophandel, gemeentelijke inschrijving en vestigingsadres te beperkend en stelt voor de eis dat verenigingen en stichtingen in de gemeente moeten staan ingeschreven waar de vuurwerkshow wordt verzorgd, te laten vallen. BPN en SNOP stellen dit ook voor maar met de voorwaarde dat de ontbranders en supervisors een aantoonbare binding moeten hebben met de gemeente waar vuurwerk wordt afgestoken. Verder geeft SBV-NL aan dat het mogelijk moet zijn voor alternatieve rechtsvormen om vuurwerkshows te mogen verzorgen. De regering heeft mede naar aanleiding van bovenstaande ervoor gekozen om de vestigingseis te vervangen door een eis van lokale binding.

Verder brengt de regering naar voren dat zoals aangegeven in paragraaf 2.2.1 van de toelichting, er wel sprake moet zijn van een inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Met deze voorwaarde wordt geborgd dat een ontheffinghouder een kenbare rechtspersoon is die aansprakelijk kan worden gesteld voor schade of letsel veroorzaakt in het kader van de verleende ontheffing. NGB geeft aan dat het besluit onvoldoende richting geeft voor het bepalen welke verenigingen en stichtingen in aanmerking komen voor ontheffing. Hoewel het besluit voorschrijft dat elke vereniging of stichting die bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven ontheffing kan aanvragen, ontstaat een situatie waarin theoretisch elke willekeurige vriendengroep die een stichting opricht in aanmerking kan komen. LWVC geeft aan dat er bij de Kamer van Koophandel veel verenigingen en stichtingen staan ingeschreven, en dat het daarnaast aannemelijk is dat er speciale verenigingen voor het ontbranden van vuurwerk worden opgericht. Volgens LWVC zijn de eisen om een ontheffing aan te vragen te laagdrempelig. Het is volgens LWVC beter om meer specifieke eisen te stellen aan de vereniging of stichting die vuurwerk tot ontbranding mag brengen. Hierop reageert de regering als volgt. Zoals toegelicht in paragraaf 2.2.1 van de toelichting worden er geen eisen gesteld aan het type vereniging of stichting.

Wel geldt de eis van lokale binding. Het kan daarbij gaan om een wijk- of buurtvereniging, een sportvereniging, of een speciaal opgerichte vuurwerkvereniging. In het kader van het zorgen voor een laagdrempelige ontheffingsmogelijkheid, is door de regering ervoor gekozen om geen specifieke nadere eisen te stellen aan de vereniging of stichting. LWVC geeft aan dat het voor één of twee supervisors erg veel is om acht ontbranders in de gaten te houden. De regering heeft voor dit aantal gekozen zodat voor gemeenten en hulpverleningsdiensten maximaal één of twee personen verantwoordelijk zijn en als contactpersoon fungeren. Verder doet LWVC de suggestie om een telefoonnummer in de ontheffingsaanvraag op te nemen, zodat bevoegd gezag en hulpdiensten contact kunnen opnemen. Deze suggestie is overgenomen. Staatsblad 2026 168 47 LWVC geeft aan dat in onderhavig besluit op sommige plekken het begrip «ontheffinghouder» wordt gehanteerd terwijl daar volgens LWVC «supervisor» zou moeten staan. In reactie hierop geeft de regering aan dat op sommige plekken bewust is gekozen voor «ontheffinghouder» omdat getracht is duidelijk te maken dat de verantwoordelijkheid op die punten ligt bij de ontheffinghouder. Het is aan de ontheffinghouder te bepalen wie feitelijk invulling geeft aan die verantwoordelijkheid.

Evenementenvergunning Een aantal reacties, waaronder die van BPN, heeft betrekking op de evenementenvergunning. Voorgesteld wordt om de aanvraag voor de ontheffing en die van de evenementenvergunning aan elkaar te koppelen. Vuurwerkcheck pleit voor een vereenvoudigde en proportionele vergun- ningprocedure. In reactie hierop geeft de regering aan dat of een evenementenver- gunning vereist is, afhankelijk is van de regels die daarover zijn gesteld door de gemeente in de APV. Een gemeente kan ervoor kiezen om de aanvragen samen te voegen of te koppelen. Dat is echter aan de gemeente, en wordt niet verplicht gesteld in het Vuurwerkbesluit. Op dit punt wordt tevens ingegaan in paragraaf 2.10. Verkoop, terbeschikkingstelling en teruglevering Een enkele reactie wijst erop dat de dag waarop het vuurwerk ter beschikking kan worden gesteld aan ontheffinghouders, namelijk 31 december, ook op een zondag kan vallen. In reactie hierop geeft de regering aan dat in de Wet veilige jaarwisseling voor wat betreft de verkoopdagen geen uitzondering meer wordt gemaakt voor zondagen. Uit een aantal reacties blijkt dat men vragen heeft over waar ontheffing- houders het vuurwerk kunnen kopen. In reactie hierop geeft de regering aan dat het toegestaan blijft om in Nederland consumentenvuurwerk te verkopen aan houders van een ontheffing.

Het is de verwachting dat als gevolg van het landelijk vuurwerkverbod voor consumenten, het aantal verkooppunten zal afnemen. Hoeveel verkooppunten dat zijn, of dit importeurs of detail- handels zijn en waar de verkooppunten zich bevinden, wordt aan de markt overgelaten. Hierover zijn in het Vuurwerkbesluit geen regels gesteld. Vuurwerkcheck geeft aan dat het praktisch noodzakelijk is dat bestel- lingen ruim voor de verkoopdagen worden geplaatst omdat de schietlijst bij de melding moet worden ingediend. Zij stellen voor dat bestellingen die voor de ontheffing zijn gedaan en op de schietlijst staan, als rechts- geldige aankoopverplichtingen gelden zodra de ontheffing wordt verleend. De regering acht het mogelijk om, net als voor het landelijk vuurwerk- verbod, bestellingen ruim voor de verkoopdagen te plaatsen. De daadwerkelijke terbeschikkingstelling is echter enkel mogelijk op 31 december en op vertoon van een afgegeven ontheffing. Een aantal reacties geeft aan dat de verplichte retourname op 1 januari disproportioneel en onveilig is. In de reacties, waaronder die van BPN, wordt voorgesteld de verplichting te schrappen dan wel de termijn te verlengen. Hierop geeft de regering aan dat het gelet op de veiligheid, van belang is dat overgebleven vuurwerk veilig wordt terug geleverd aan het verkooppunt waar het vuurwerk is gekocht.

Om ervoor te zorgen dat het vuurwerk zo kort mogelijk in het bezit is van de ontheffinghouder, was de Staatsblad 2026 168 48 retourtermijn vastgesteld op 1 januari 12.00 uur. Wanneer deze termijn te ruim wordt, wordt de periode waarin het vuurwerk onder de verantwoor- delijkheid en het toezicht van de ontheffinghouder valt, te lang. Dit kan niet worden verwacht van een vereniging of stichting, en kan bovendien leiden tot onveilige situaties. Wel is ervoor gekozen om naar aanleiding van deze opmerkingen de teruglevertermijn werkbaarder te maken, door deze vast te stellen op 1 januari 18.00 uur. In het kader van de terugnameplicht is verder in de consultatie naar voren gekomen dat het voor verkooppunten niet mogelijk is om geopende dozen vuurwerk terug te nemen. Ook wordt door LWVC gevraagd hoe om moet worden gegaan met onverpakt overgebleven vuurwerk. Hierop geeft de regering aan dat met de wijziging van de Rac23 enkel vuurwerk met de transportklasse 1.4G en 1.4S is aangewezen als consumentenvuurwerk. Dit betekent dat het vuurwerk dat verenigingen en stichtingen in het kader van een ontheffing mogen afsteken altijd ADR-klasse 1.4 heeft. Vuurwerk van klasse 1.4G (UN 0336) en 1.4S (UN 0337) mag in dezelfde doos worden verpakt en vervoerd. Dit moet een gesloten UN-goedgekeurde verpakking (doos) zijn.

Ook het retourneren dient in een dergelijke UN goedgekeurde verpakking te gebeuren, of in een pyro-pack (voor niet nat geworden vuurwerk). Dit kan door het vuurwerk opnieuw te verpakken in een UN goedgekeurde verpakking en te vervoeren overeenkomstig dezelfde eisen die gelden voor het vervoer vanuit de verkooppunten naar de afsteeklocaties. Een doos kan met tape worden gesloten. Milieu, dieren en gezondheid Zero Waste Nederland verzoekt om de voorschriften aan te vullen met een schoonmaakplan, gebruik te maken van productconform, afbreekbaar en recyclebaar vuurwerk, en het uitbreiden van de retour- en innameplicht met de mogelijkheid om vuurwerkafval in te leveren. In reactie hierop geeft de regering aan dat in artikel 2.3.2a als voorschrift dat aan de ontheffing moet worden verbonden is opgenomen dat de locatie direct na afloop van het tot ontbranding brengen van het vuurwerk wordt opgeruimd en schoon opgeleverd. Dit is de verantwoor- delijkheid van de ontheffinghouder. Op dit moment dient het vuurwerk dat binnen de EU op de markt wordt gebracht aan conformiteitseisen te voldoen. Het is van belang dat vuurwerk geen onnodig plastic bevat. Veel van het consumentenvuurwerk in Nederlands is reeds plasticvrij.

Wel zal de regering de ontwikkelingen rondom de beperking van milieuschade als gevolg van plastic door vuurwerk in Europees verband en binnen de normcommissie Pyrotechnische voorwerpen (NEN) blijven volgen. Hierbij geldt wel dat overstappen naar een plasticvrij alternatief niet ten koste mag gaan van de veiligheid van het vuurwerk voor de consument. De Dierenbescherming wijst erop dat bij een ruim ontheffingsbeleid schadelijke lucht-, water, en bodemvervuiling door vuurwerk in stand blijft. De regering geeft hierop aan dat de burgemeester in het lokale beleid of bij het al dan niet verlenen van ontheffingen op een bepaalde locatie, hier rekening mee kan houden. De Dierenbescherming geeft aan dat een passende afstand moet worden aangehouden van de afsteekplek tot bedrijfsmatig gehouden dieren. Verder geeft de Dierenbescherming aan dat bij het aanwijzen van afsteeklocaties rekening dient te worden gehouden met nabije natuurge- bieden. Ook in het Tweeminutendebat van 25 maart 2026 is hier aandacht 23 Stcrt. 2025, 33808 en Stcrt. 2025, 38778. Staatsblad 2026 168 49 voor gevraagd. De regering geeft hierop aan dat de burgemeester hier rekening mee kan houden bij het beslissen op een ontheffingsaanvraag. Naar aanleiding van deze reactie is de toelichting aangevuld. In diverse reacties, zoals die van het Landelijk Vuurwerkmanifest, wordt gepleit voor uitsluiting van milieutoetsen.

De regering geeft hierop aan dat onderhavig wijzigingsbesluit geen regels vaststelt omtrent het al dan niet verplicht uitvoeren van een milieutoets in het kader van een ontheffingsaanvraag. Er is geen sprake van een mer-plicht omdat het afsteken van vuurwerk niet een project is in de zin van de mer richtlijn. Evenmin is het afsteken van vuurwerk een (vergunningplichtige) mba. Het Longfonds geeft aan dat het bij het verlenen van een ontheffing de focus terecht ligt op veiligheid, maar dat het gezondheidsperspectief niet zou mogen ontbreken. Longfonds stelt daarom voor dat elke aanvraag verplicht een gedegen gezondheidsplan moet bevatten, waarin staat hoe de aanvrager de gezondheid van burgers beschermt en op welke manier omwonenden vooraf worden geïnformeerd over naderende vuurwerkeve- nementen. Longfonds vraagt om een toevoeging ten aanzien van het intrekken van de verleende ontheffing wanneer er in het gebied een code Rood of code Oranje geldt van de Stookwijzer van het RIVM. De regering geeft in reactie hierop aan dat aan de burgemeester wordt overgelaten om lokaal een afweging te maken over het meewegen van de genoemde gezondheidseffecten bij het al dan niet verlenen van een ontheffing. Ook kan hij besluiten om in lokaal beleid een maximumaantal ontheffingen in zijn gemeente op te nemen, of om ontheffingen op bepaalde locaties niet mogelijk te maken.

Overig Een aantal reacties geeft aan dat het Besluit veilige jaarwisseling geen eisen stelt aan het maximumaantal bezoekers (publiek) bij de onthef- fingslocatie. De regering geeft hierop aan dat het correct is dat het besluit daar geen nadere voorwaarden of voorschriften over geeft. Het is wel zo dat in veel gemeenten bij evenementen met een bepaald aantal bezoekers een evenementenvergunning is vereist. Daaraan kunnen voorschriften worden verbonden ter regulering van de bezoekersaantallen. Een aantal reacties wijst op de kosten die met het organiseren van een vuurwerkevenement in het kader van een ontheffing gepaard gaan. De regering geeft hierop aan dat voorliggend besluit daarover geen voorzieningen bevat. Afhankelijk van de situatie kan in sommige gevallen wellicht gedacht worden aan financiering met lokaal gemeenschapsgeld of op basis van (lokale) sponsoren. Een reactie gaat specifiek in op artikel 2.3.2a, derde lid, onderdeel h. Hierin staat in het kort dat indien nabij de veiligheidszone vuurwerk afgestoken wordt dit dient te leiden tot het onmiddellijk staken van het tot ontbranding brengen van het vuurwerk. In de reactie wordt aangegeven dat dit onrechtvaardig zou zijn voor de ontheffinghouder die moeite heeft gestoken in de voorbereidingen, en dat de handhaving een verantwoorde- lijkheid is van gemeente en politie.

Hierop geeft de regering aan dat het klopt dat gemeenten verantwoor- delijk zijn voor het houden van toezicht en de handhaving op de onthef- fingsvoorwaarden en -voorschriften. Er ligt echter ook een verantwoorde- lijkheid bij de ontheffinghouder zelf. Met artikel 2.3.2a, derde lid, onderdeel h, wordt ervoor gezorgd dat als er een situatie ontstaat waarbij de openbare orde en de veiligheid in het geding is – in dit geval wanneer Staatsblad 2026 168 50 vuurwerk door particulieren wordt afgestoken die daartoe niet bevoegd zijn – de ontbranding door de ontheffinghouder moet worden gestaakt. Afhankelijk van de situatie kan ervoor worden gekozen om – als de situatie weer op orde is – de ontbranding door de ontheffinghouder te hervatten, mits binnen de kaders van de verleende ontheffing. Verder vragen VuurwerkCheck en LWVC wat de termijn is voor het indienen en de behandeling van de aanvraag. De regering geeft in reactie hierop aan dat in onderhavig besluit geen nadere eisen hierover worden gesteld. Dit wordt overgelaten aan burgemeesters om te bepalen binnen de kaders van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onder andere LWVC vraagt verder hoe het werkt als meerdere ontheffingsaanvragen voor dezelfde locatie ingediend worden, met een verschillend tijdsraam van afsteken.

Zij vragen of de ontheffinghouder bijvoorbeeld meerdere keren een ontheffing kan aanvragen voor 200 kilogram vuurwerk, die dan een aantal keer achter elkaar tot ontbranding worden gebracht. De regering geeft in reactie hierop aan dat het aan de burgemeester is om daarover een beslissing te nemen. Het kan voor de hand liggen om dit als burgemeester niet toe te staan op grond van artikel 2.3.2 onder c van onderhavig besluit. Dat artikel stelt immers als voorwaarde dat het afsteekterrein waarop de aanvraag ziet naar het oordeel van de burge- meester geschikt is voor het op veilige wijze tot ontbranding brengen én het daaraan voorafgaand bewaren van vuurwerk. Als voor eenzelfde locatie meerdere ontheffingen worden aangevraagd (door dezelfde aanvrager of door verschillende aanvragers), ligt het in de rede dat niet meer gezorgd kan worden voor het veilig bewaren (tijdelijk neerleggen) van het vuurwerk door een vereniging of stichting op de afsteeklocatie. Het wordt dan immers mogelijk gemaakt om een veelvoud van de 200 kilogram op eenzelfde locatie te hebben liggen. Dat is onwenselijk. LWVC vraagt aan welke eisen een schietlijst moet voldoen, en of een aankoopbon voldoende is. Hierop reageert de regering als volgt. In de voorwaarden is opgenomen dat een aanvraag voor een ontheffing vergezeld gaat van een overzicht van het af te steken vuurwerk.

In het kader van een laagdrempelige aanvraag, is ervoor gekozen geen nadere specifieke eisen te stellen. Een aankoopbon kan voldoende zijn, mits daarop duidelijk is aangegeven om welk vuurwerk het gaat. Tevens vraagt LWVC wat er gebeurt als de ontheffing niet wordt verleend maar het vuurwerk al wel is gekocht. In reactie hierop wordt aangegeven dat artikel 2.3.3 van onderhavig besluit regelt dat het verplicht is voor een verkoper om voor tot terbe- schikkingstelling over te gaan, de ontheffing te controleren. LWVC wijst erop dat het overtreden van ontheffingsvoorwaarden of voorschriften kan leiden tot een misdrijf. De regering geeft aan dat het juist is dat het overtreden van ontheffings- voorwaarden en -voorschriften strafbaar is op grond van de WED. Het is aan het OM om in individuele gevallen te bepalen of vervolging opportuun is en welke straf binnen de wettelijke strafmaxima in de rede ligt. LWVC geeft aan dat in artikel 2.3.2, onder b en c, onnodig de zinsnede «naar het oordeel van de burgemeester» is opgenomen, nu de burge- meester reeds de beoordeling maakt of hij een ontheffing verleent. Staatsblad 2026 168 51 De regering is het met LWVC eens dat deze zinsnede strikt genomen niet noodzakelijk is. Echter, door toevoeging van deze zinsnede wordt benadrukt dat deze beoordeling bij de burgemeester ligt. Ook kan hij ervoor kiezen om hieromtrent nadere regels te stellen.

LWVC geeft aan dat aan het voorschrift dat vuurwerk stabiel en op de grond moet worden opgesteld, loodrecht op het grondoppervlak, zou moeten worden toegevoegd dat voorkomen moet worden dat het vuurwerk omvalt. De regering is van oordeel dat dit reeds besloten zit in de gehanteerde formulering. Naar aanleiding van deze opmerking is wel de toelichting verduidelijkt. Tevens heeft LWVC vragen over wanneer sprake is van weersomstan- digheden die het tot ontbranding brengen van vuurwerk bemoeilijken of belemmeren. Zij adviseert te benoemen wanneer het afsteken van vuurwerk niet door kan gaan. De regering geeft hierop aan dat dit in de toelichting reeds is opgenomen. LWVC vraagt of het eerste en tweede lid van artikel 2.3.2b kunnen worden samengevoegd omdat deze artikelleden op elkaar lijken. De regering geeft hierop aan dat dit niet mogelijk is omdat het eerste artikellid de situatie betreft waarin de burgemeester een verleende ontheffing onverwijld geheel of gedeeltelijk moet intrekken, en het tweede lid de situatie waarin de burgemeester dit kan doen. LWVC wijst de regering er verder op dat in de toelichting stond aangegeven dat handelingen nabij vuurwerk die kunnen leiden tot statische elektriciteit, brand, brandgevaar of onbedoelde ontsteking verboden zijn, maar dat dit in het artikel niet terugkomt.

Naar aanleiding van deze opmerking is dit voorschrift door de regering ook opgenomen in het artikel. Tot slot is naar aanleiding van de reactie van LWVC een aantal aanpas- singen gedaan zodat er sprake is van consistent gebruik van terminologie (zoals aanduidingen van vuurwerkcategorieën en termen als «ontbrander» en «afsteker»). 8.4 Inbreng Eerste en Tweede Kamer Een ontwerp van dit besluit is bij brief van 16 januari 2026 voorge- hangen bij de Eerste Kamer24 | en Tweede Kamer.25 | De leden van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat van de Tweede Kamer hebben op 11 februari 2026 inbreng voor het verslag van een schriftelijk overleg geleverd. De vragen hadden onder meer betrekking op de gemaakte keuzes in het Ontwerpbesluit, zoals de leeftijdseis voor ontbranders, het vestigingsplaatsvereiste, de aansprakelijkheid en de veiligheidsafstanden. Ook zijn er vragen gesteld over de ruimte voor gemeentes voor het voeren van eigen beleid, de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, bescherming van dieren en milieu en het tijdpad van inwerkingtreding. Daarnaast was in de vragen veel aandacht voor de uitvoeringslasten voor zowel gemeenten als aanvragers van ontheffingen. Op deze vragen is bij brief van 20 februari 2026 geantwoord.26 | Vervolgens is op 25 maart 2026 een Tweeminutendebat gevoerd. In dit debat is aandacht gevraagd voor milieuaspecten waaronder Pfas in blusschuim.

24 | Kamerstukken I 2025/26, 35 386, nr. K. 25 | Kamerstukken II 2025/26, 35 386, nr. 34. 26 | Kamerstukken II 2025/26, 35 386, nr. 35. Staatsblad 2026 | 168 | 52 Daarover zullen gemeenten worden geïnformeerd. Daarnaast zijn drie moties ingediend. De motie van leden Zwinkels en Kostic´ | 27 | zag op het verhogen van de leeftijdsgrens voor ontbranders van 16 naar 18 jaar omdat minderjarigen relatief vaak slachtoffer worden van vuurwerkinci- denten en een leeftijdsgrens van 18 jaar beter aansluit bij bestaande regels rond veiligheid en verantwoordelijkheid. De motie van het lid Kostic´ | verzocht de gemeenten op het hart te drukken om zo veel mogelijk rekening te houden met wilde dieren bij de afweging om een ontheffing te verlenen, bijvoorbeeld door geen ontheffingen te verlenen in de buurt van parken, het NNN (Natuurnetwerk Nederland) en Natura 2000-gebieden.28 Beide moties zijn aangenomen door de Kamer en verwerkt in het Besluit veilige jaarwisseling. Ook wordt de VNG gevraagd in de op te stellen handreiking bij de afweging voor het verlenen van een ontheffing aandacht te vragen voor wilde dieren ten opzichte van de ligging van de afsteeklocatie. De motie van lid Van der Plas29, die stelde dat de nadeelcompensatie onderdeel moet blijven van het Besluit veilige jaarwisseling en beide gelijktijdig aan de Kamer voor te leggen, is verworpen.

Daarmee is de voorhang voor wat betreft de Tweede Kamer afgerond. De leden van de Eerste Kamercommissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hebben in een schriftelijke ronde diverse vragen gesteld.30 | Deze vragen hadden betrekking op de gemaakte keuzes in het Ontwerpbesluit, de uitvoer- baarheid en handhaafbaarheid. Op deze vragen is bij brief van 20 februari 2026 geantwoord.31 | Hierna zijn nadere vragen gesteld op 24 maart 2026.32 Deze vragen hadden betrekking op de compensatie, de planning van inwerkingtreding, de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, gemeentelijke beleidsvrijheid, de ontheffingsregeling, grensproblematiek en de minimumleeftijd van ontbranders. Deze vragen zijn eveneens bij brief van 27 maart 2026 beantwoord. In de commissievergadering van 31 maart 2026 heeft de Eerste Kamer de voorhang afgerond. 8.5 Voorpublicatie De voorpublicatie van het ontwerpbesluit heeft niet geleid tot schrifte- lijke reacties.33 9. Communicatie Het is van belang dat de doelgroep (burgers, verenigingen, stichtingen) en de relevante stakeholders (gemeenten, handhaving, branche) tijdig op de hoogte zijn van de gewijzigde regelgeving, en zich daarop kunnen voorbereiden. Op diverse momenten en via diverse kanalen zal vanuit het Rijk informatie worden gegeven over de ontheffingsmogelijkheid.

Omdat de burgemeester de bevoegdheid heeft voor het verlenen van onthef- fingen, zal de informatievoorziening voor een groot deel ook via de gemeente plaatsvinden. In het Handhavingsplan is nader ingegaan op de communicatie rondom de Wet veilige jaarwisseling en de ontheffingsmo- gelijkheid. 27 | Kamerstukken II 2025/26, 35 386, nr. 40. 28 | Kamerstukken II 2025/26, 35 386, nr. 38. 29 | Kamerstukken II 2025/26, 35 386, nr. 39. 30 | Kamerstukken I 2025/26, 35 386, nr. N. 31 | Kamerstukken I 2025/26, 35 386, nr. N. 32 | Kamerstukken I 2025/26, 35 386, nr. nnb. 33 | Stcrt. 2026, 1559. Staatsblad 2026 | 168 | 53 10. Evaluatie Hoewel in de Wet veilige jaarwisseling geen evaluatiebepaling is opgenomen, wordt het verstandig geacht om de Wet veilige jaarwisseling en de uitwerking van de ontheffingsmogelijkheid in het Vuurwerkbesluit, in samenhang te evalueren. De ontheffingsmogelijkheid zal na drie jaar geëvalueerd worden. 11. Inwerkingtreding Het wijzigingsbesluit treedt in werking met ingang van 1 augustus 2026. Hiermee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en vaste invoeringstermijn. Deze afwijking is echter gerechtvaardigd omdat hiermee gelet op de jaarindeling onwenselijke private en publieke nadelen voorkomen worden (artikel 4.17, vijfde lid, onderdeel a, van de Aanwij- zingen voor de regelgeving).

Het is wenselijk dat het Besluit veilige jaarwisseling ruim voor de jaarwisseling in werking treedt zodat alle uitvoerende partijen voldoende de tijd hebben om zich voor te bereiden. Artikelsgewijs Artikel I A In artikel 1.1.1, eerste lid, is de begripsomschrijving van het nieuwe, centrale begrip ontheffinghouder ingevoegd. In het tweede lid is de verwijzing naar de artikelen 2.3.2 en 2.3.3 vervallen, omdat de term particulier in de nieuwe redactie van deze artikelen niet meer voorkomt. Ten slotte is een vijfde artikellid toegevoegd teneinde de begrippen afsteekplaats, afsteekterrein, grondvuurwerk, luchtvuurwerk, ontbrander, supervisor, veiligheidsafstand en veiligheidszone voor de toepassing van de nieuwe artikelen 2.3.2, 2.3.2a, 2.3.3 en 2.3.4 te definiëren. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsomschrijvingen in de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk. B Artikel 1.2.4 dat over het voorhanden hebben van vuurwerk gaat, is gewijzigd teneinde toe te staan dat een ontheffinghouder rondom de jaarwisseling maximaal 200 kilogram aangewezen vuurwerk van categorie F2 voorhanden heeft. C Artikel 1.2.5 dat over het vervoer van vuurwerk gaat, is gewijzigd teneinde toe te staan dat voor of door ontheffinghouders vuurwerk wordt vervoerd. D Artikel 2.1.3 is gewijzigd om een taalkundige onjuistheid te corrigeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/1205/documents/36654