Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022 getekend
Tekst van het document
Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2022 De raad van de gemeente Haarlem; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 november 2021
gelet op de artikelen 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h, en artikel 225 van de Ge meentewet en de Parkeerverordening 2018; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2022
Artikel 1 Definities
Voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: A.
parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voer tuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op bin nen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of wegge
deelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verbo den;
B.
motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 van
het RVV 1990; C.
houder: degene op wiens naam het motorrijtuig ten tijde van het parkeren in het kente
kenregister, bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, was ingeschreven; D.
parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeer-
meters, centrale computer, en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; E.
centrale computer: computer van het bedrijf waarmee de gemeente Haarlem een over
eenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een
telefoon, dan wel een ander hulpmiddel; F.
autodafé: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen na
tuurlijke personen uit meer dan een huishouden;
G.
woonadres: een adres dat volgens de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) een
woonfunctie heeft.
H.
kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december,
I.
college: het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam 'parkeerbelastingen' worden de volgende belastingen geheven: A. een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een bij, dan wel krach
tens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;
B.
een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parke
ren van een motorvoertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze.
Artikel 3 Belastingplicht 1.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van de degene die het mo
torvoertuig heeft geparkeerd.
2.
Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:
A.
degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belas
ting te willen voldoen;
B.
zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft
plaatsgevonden: de houder van het voertuig, met dien verstande dat:
i. als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt over
gelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig was, niet de houder maar de huurder wordt
aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd; ii. als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd.
3.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd
wordt aangemerkt, als deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelij kerwijs niet heeft kunnen voorkomen.
4.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergun ning heeft aangevraagd.
5.
De belastingen genoemd in artikel 2, onderdeel a en b zijn niet verschuldigd indien het voertuig voorzien is van een geldige gehandicaptenparkeerkaart, mits deze duidelijk zicht baar achter de voorruit van het motorvoertuig is aangebracht.
Artikel 4 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak 1.
De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.
2.
Voor belastingbedragen tot € 10,00, voor de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel
b, voor zover deze belasting bij wege van aanslag wordt geheven, vindt geen invordering
plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet
verenigde verschuldigde bedragen parkeerbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 5 Wijze van heffing 1.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt het bij de aanvang van het parke
ren in werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met in achtneming van de door het college gestelde voorschriften. 2.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt bij wege van aanslag geheven.
3.
Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd of waarvoor de vergunning geldt worden opgegeven
Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld 1.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het par keren, tenzij het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerappara-
tuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen
op de centrale computer. 2.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.
Artikel 7 Termijnen van betaling 1.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de aangifte betaald
worden bij de aanvang van het parkeren. 2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid moet de belasting overeenkomstig de aan gifte worden betaald binnen een maand na het einde van het parkeren, indien het bij de
aanvang van het parkeren in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een mobiele telefoon of ander communicatiemiddel inloggen op de centrale computer. 3.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet worden betaald binnen twee maan den na dagtekening van het aanslagbiljet.
4.
In afwijking van het derde lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet één aanslag bevat, het bedrag daarvan meer is dan € 100,00 en minder is dan € 5.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door
middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, moeten de aanslagen
worden betaald in negen gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld
en elk van de volgende termijnen steeds één maand later. 5.
In afwijking van het vierde lid, moet de belasting bedoeld in onderdeel 4 van de Tarieven tabel, zolang het verschuldigde bedrag door middel van automatische incasso kan worden
afgeschreven, worden betaald in één termijn. De termijn vervalt op de laatste dag van de
tweede maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 6.
De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de voorgaande leden gestelde termij
nen. 7.
Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaal
Artikel 8 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting
bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het col lege bij openbaar te maken besluit.
Artikel 9 Kosten De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tarieventabel.
Artikel 10 Nadere bepalingen inzake vergunningen 1.
Als een vergunning, als bedoeld in artikel 4 van de Parkeerverordening 2018, wordt ingetrok ken of vervalt, wordt ontheffing van de ter zake verschuldigde parkeerbelasting verleend
over de nog niet aangevangen kalendermaanden waarop de vergunning betrekking heeft. 2.
Indien als gevolg van maatregelen door of met instemming van het college de vergunning houder over een gedeelte van het tijdvak waarvoor de parkeervergunning geldt, geen ge
bruik kan maken van de parkeervergunning, wordt ontheffing van de parkeerbelasting als
bedoeld in artikel 2, onderdeel b, verleend over het aantal volle kalendermaanden waarin
dat gebruik niet mogelijk is geweest. 3.
Over aanslagbedragen welke op jaarbasis lager zijn dan € 10,00 wordt geen ontheffing op basis van het voorgaande lid verleend.
Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel 1.
De 'Verordening Parkeerbelasting 2021’ van 17 december 2020 wordt ingetrokken met in
gang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien ver stande dat zij van toepassing blijven op de belastbare feiten die zich voor die datum heb ben voorgedaan. 2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendma king.
3.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022.
4.
Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening parkeerbelastingen 2022’.
Vastgesteld in de raadsvergadering d.d.
2 3 DEC 2021 de voorzitter,
Tarieventabel parkeerbelastingen 2022 i. Het tarief voor parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van
de 'Verordening parkeerbelastingen 2022 bedraagt per tijdseenheid van 60 minuten:
a. bij parkeerapparatuur in Zone B
€5,20
b. bij parkeerapparatuur in Zone S:
voor de eerst drie tijdseenheden van 60 minuten
€0,60
voor de vierde en opvolgende tijdseenheden van 60 minuten
€1,10
c. bij parkeerapparatuur in Zone C
€3,80
d. Bij parkeerapparatuur in Zone Stop&Shop: voor een parkeerrecht van max 30 minuten
€0,60
ii Voor een parkeerrecht van langer dan 30 min, per tijdseenheid van 60 minuten
€3,80
e. bij parkeerapparatuur in Zone D tot een maximum van € 4,55 per dag
€3,80
2. Het tarief per tijdseenheid van één kalenderjaar voor een vergunning als bedoeld in:
a. art. 4, derde lid, onderdeel a, van de Parkeerverordening 2018 (voor Zone B en Zone S)
€ 205,00
b. art. 4, derde lid, onderdeel c, van de Parkeerverordening 2018 (voor Zone B en Zone S) € 226,00
c. art. 4, derde lid, onderdeel b van de Parkeerverordening 2018 voor Zone C voor de ver
gunning verleend voor: i. de eerste auto geregistreerd op het woonadres, zoals gedefinieerd in de parkeerveror
€ 112,00
dening 2018
ii. de tweede auto geregistreerd op het woonadres, zoals gedefinieerd in de parkeerveror
€ 420,00
dening 2018 d. art. 4, derde lid, onderdeel c van de Parkeerverordening 2018 voor zover de vergunning
€ 211,00
betreft Zone C e. art. 4, derde lid, onderdeel e, van de Parkeerverordening 2018, voor de zone A
€ 346,00
f art. 4, derde lid, onderdeel h, van de Parkeerverordening 2018 voor zone C
€ 165,00
3. Indien het college een vergunning heeft verleend wordt voor de berekening van de on der 2 a, 2 b, 2 c en 2 genoemde tarieven uitgegaan van de geldigheidsduur van de ver
leende vergunning. Voor een vergunning aangevraagd voor de aanvang van het kalen derjaar wordt uitgegaan van een geldigheidsduur van een kalenderjaar. Vangt de ver
leende vergunning aan in de loop van het kalenderjaar dan is verschuldigd zoveel
twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht in de loop van het kalenderjaar eindigt, bestaat er aanspraak op onthef
fing voor de naar jaartarieven geheven belasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de aanvraag niet leidt tot vergunning
verlening is geen belasting verschuldigd, het eventueel betaalde bedrag dient te wor den terugbetaald.
4. Het tarief voor het parkeren bij gebruik van de (digitale) bezoekersregeling, als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Parkeerverordening 2020, bedraagt per tijdseenheid van 60 minuten:
a. In zone Ctot een maximum van € 125,- per jaar: Van maandag t/m vrijdag van 09:00 uur tot 17:00 uur
€0,12
ii. Van maandag t/m vrijdag van 17:00 uur tot 23:00 uur
€0,25
Op zaterdag van 09:00 tot 23:00 uur Op zondag van 13:00 tot 23:00 uur
b. In zone B tot een maximum van € 25,- per jaar: Van maandag t/m vrijdag van 09:00 uur tot 17:00 uur
ii. Op zondag van 13:00 tot 23:00 uur
€0,12 €0,25
5. Het tarief voor een tijdelijke vergunning als bedoeld in: a. art. 4, zesde lid, onderdeel a en b van de Parkeerverordening 2018 bedraagt per tijds eenheid:
i. van één dag voor zone B
€41,30
ii. van een dagdeel (van 09.00 uur tot 13.30 uur of van 13.30 uur tot 18.00 uur) voor zone B iii van één dag voor zone C
€ 20,70 € 23,30
iiii van een dagdeel (van 09.00 uur tot 13.30 uur of van 13.30 uur tot 18.00 uur) voor zone
C________________________________________________________________________
€ 11,70
b. art. 4, zesde lid, onderdeel c van de Parkeerverordening 2018 bedraagt:
€0,00
6. De kosten van de naheffingsaanslag bedragen
€ 65,30
7. Het tarief voor het parkeren bij gebruik van de mantelzorgvergunning en maatschappe
€0,00
lijke vergunning, als bedoeld in artikel 5 van de Parkeerverordening 2020, tot een max. van € 60,- conform de tarieven in onderdeel 4
B( horende bij het raadsbesluit van 23 d^^n^jp^D^I Df griffier van Haarlem
j