CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Regeling SPUK RHC

gemeenteraad 28 mei 2026, gemeente HaarlemBij agendapunt: Wijziging van de gemeenschappelijke regeling Noord-Hollands Archief in verband met uittreding van de minister OCW en zienswijzemogelijkheid raad3.535 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van [datum], nr. WJZ/[nummer] (ID[nummer]), houdende regels voor het verstrekken van specifieke uitkeringen voor de uitoefening van de door de minister overgedragen taken en bevoegdheden tot beheer van rijksarchief (Regeling specifieke uitkering beheer rijksarchief) De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Gelet op artikel 3.2 van de Archiefwet 20..; Besluit: HOOFDSTUK 1. BEGRIPSPALINGEN VAN DE REGELING Artikel 1. Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; Regionaal Historisch Centrum: krachtens gemeenschappelijke regeling ingesteld openbaar lichaam, genoemd in artikel 2, tweede lid. HOOFDSTUK 2. SPECIFIEKE UITKERING AAN REGIONAAL HISTORISCHE CENTRA Artikel 2. Specifieke uitkering aan RHC’s 1. De minister verstrekt specifieke uitkeringen aan de Regionaal Historische Centra ten behoeve van de uitoefening van de taken en bevoegdheden die de minister ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Archiefwet 20.., aan het desbetreffende Regionaal Historisch Centrum heeft overgedragen. 2. De minister verstrekt jaarlijks de volgende uitkeringsbedragen aan de volgende Regionaal Historische Centra: Regionaal Historisch Centrum

Bedrag specifieke uitkering1

Brabants Historisch Informatie Centrum

€ [PM bedrag]

Collectie Overijssel

€ [PM bedrag]

Drents Archief

€ [PM bedrag]

Gelders Archief

€ [PM bedrag]

Groninger Archieven

€ [PM bedrag]

Het Flevolands Archief

€ [PM bedrag]

Het Utrechts Archief

€ [PM bedrag]

Historisch Centrum Limburg

€ [PM bedrag]

Noord-Hollands Archief

€ [PM bedrag]

Tresoar

€ [PM bedrag]

Zeeuws Archief

€ [PM bedrag]

3. De minister verleent de specifieke uitkeringen jaarlijks ambtshalve voor 1 oktober, ten behoeve van de uitoefening in het daaropvolgende jaar van de taken en bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid. 4. De minister kan de specifieke uitkering jaarlijks verhogen, rekening houdend met de ontwikkeling van de kosten in de arbeidsvoorwaarden of van de kosten in de ontwikkeling van het prijspeil.

1

Prijspeil 2027. Pagina 1 van 7

5. Indien de specifieke uitkering met toepassing van het vierde lid wordt verhoogd, bepaalt de minister welk percentage van de specifieke uitkering wordt aangemerkt als loongevoelig onderscheidenlijk prijsgevoelig. 6. De minister verstrekt een voorschot van 100%, dat in vier gelijke delen per kwartaal wordt uitbetaald. De betalingen geschieden in de maanden januari, april, juli en oktober van het jaar waarop de specifieke uitkering betrekking heeft. De betaling van een jaarlijkse verhoging als bedoeld in vierde lid geschiedt afzonderlijk. Artikel 3. Verplichtingen Aan de specifieke uitkering zijn de volgende verplichtingen verbonden: a. het Regionaal Historisch Centrum dient de volgende documenten op de hieronder aangegeven momenten in bij de minister: 1°. jaarlijks uiterlijk op 30 september, de vastgestelde begroting, bedoeld in artikel 35 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, met betrekking tot het volgende kalenderjaar; en 2°. vierjaarlijks uiterlijk op 30 september, een meerjarenbeleidsplan. b.

het Regionaal Historisch Centrum werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek en overleg dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de werking van deze regeling en de ontwikkeling van het door de minister te voeren archiefbeleid; en c. het Regionaal Historisch Centrum informeert de minister onverwijld, schriftelijk en onder overlegging van de relevante stukken, indien: 1°. aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht; 2°. aannemelijk is geworden dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de specifieke uitkering zal worden voldaan; of 3°. zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de specifieke uitkering. Artikel 4. Tussentijdse verlaging specifieke uitkering Indien één van de omstandigheden, bedoeld in artikel 3, onderdeel c, van toepassing is, kan de minister het besluit tot verlening van de specifieke uitkering tussentijds ambtshalve verlagen. Artikel 5. Verantwoording 1.

Het Regionaal Historisch Centrum legt verantwoording af over de specifieke uitkering onder toepassing van artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. De minister bepaalt daartoe in de beschikking of de wijze van verantwoording door provincies, hetzij de wijze van verantwoording door gemeenten, ten aanzien van het Regionaal Historisch Centrum van toepassing is. 2. Artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten is van overeenkomstige toepassing. Artikel 6. Vaststelling 1. De minister stelt een specifieke uitkering vast binnen 22 weken na ontvangst van de verantwoording, bedoeld in artikel 5, eerste lid, over het jaar waarin de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend zijn afgerond. 2. De minister kan er bij de vaststelling mee instemmen dat bij een positief resultaat de specifieke uitkering gedeeltelijk wordt aangewend voor de vorming van een reserve of voorziening. 3. De minister kan de specifieke uitkering op een lager bedrag vaststellen als: a. de specifieke uitkering, na de eventuele vorming van de in het tweede lid bedoelde reserves, niet of niet volledig overeenkomstig het doel van deze regeling is besteed, of voor zover de rechtmatigheid van de besteding onzeker is; of b. niet of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 3, of de verplichting tot verantwoording, bedoeld in artikel 5.

Pagina 2 van 7

Artikel 7. Terugvordering verrekening 1. Indien een specifieke uitkering ingevolge artikel 4 tussentijds is verlaagd of ingevolge artikel 6, derde lid, op een lager bedrag is vastgesteld, kan de minister de onverschuldigd betaalde bedragen terugvorderen. 2. Terugvordering van een onverschuldigd bedrag als bedoeld in het eerste lid vindt niet plaats voor zover na de dag waarop de specifieke uitkering is vastgesteld, vijf jaren zijn verstreken. 3. De minister kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met de nog uit te betalen voorschotten van de specifieke uitkering voor hetzelfde kalenderjaar of met de specifieke uitkering voor een daaropvolgend kalenderjaar. HOOFDSTUK 3. SLOTBEPALINGEN Artikel 8. Begrotingsvoorbehoud 1. Indien de minister op grond van deze regeling specifieke uitkeringen verstrekt ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, worden de specifieke uitkeringen verstrekt onder de voorwaarde dat daartoe in de begroting voldoende middelen ter beschikking worden gesteld. 2. Artikel 4:34, derde tot en met vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing. Artikel 9. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2027. Artikel 10. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkering beheer rijksarchief.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

PM

Pagina 3 van 7

TOELICHTING Algemeen Inleiding Wegens de digitalisering van overheid en samenleving wordt de Archiefwet 1995 gemoderniseerd en vervangen door de Archiefwet 20... De Archiefwet 20.. treedt in werking met ingang van [PM datum]. Diezelfde digitalisering heeft ook gevolgen voor de rijksarchieven in de verschillende provincies, die in beheer zijn bij de Regionaal Historische Centra (RHC’s).2 De digitale archieven van in de provincie gevestigde organen van het Rijk of van de overheidsorganen, waarvan de functies zich niet over het gehele rijk uitstrekken of hebben uitgestrekt, worden feitelijk overgebracht naar het centrale e-depot van het Nationaal Archief. De Archiefwet 20.. voorziet bijgevolg één Nationaal Archief als de archiefdienst voor de bewaring van blijvend te bewaren documenten van de centrale overheid, waarbij de algemene rijksarchivaris met het beheer is belast. Echter, voor (digitale kopieën van) papieren en andere analoge rijksarchieven is het kabinet van oordeel dat de samenwerking met de RHC’s voortgezet moet worden. Dit alles vraagt een andere en aangepaste bestuurlijke samenwerking. Wegens de centralisering van digitale rijksarchieven treedt de Staat uit de gemeenschappelijke regelingen van de RHC’s. Wegens de voortzetting van de samenwerking voor (digitale kopieën van) papieren en andere analoge rijksarchieven voorziet de Archiefwet 20..

expliciet in mogelijkheid om voortaan aan de RHC’s bepaalde taken en bevoegdheden te delegeren voor nader te omschrijven rijksarchieven. Dit betreft dus de (digitale kopieën van) papieren en andere analoge rijksarchieven in beheer bij de RHC’s. De financiële middelen die daarvoor beschikbaar zijn worden conform diezelfde Archiefwet 20.. middels een specifieke uitkering als lumpsum aan de RHC’s verstrekt. Waarom overdracht van taken en bevoegdheden voor (digitale kopieën van) papieren en andere analoge rijksarchieven aan de Regionaal Historische Centra Om te beginnen vanuit het oogpunt van cultureel erfgoed. Het blijft van groot belang dat de rijksarchieven in de provincie ter plaatse kunnen worden geraadpleegd, op of in de buurt van de plek waar ze zijn ontstaan. Deze documenten hebben vaak een sterk verband met de regionale geschiedenis, wat een breed publiek aanspreekt. Bovendien zijn beperkt toegankelijke archieven doorgaans alleen lokaal in te zien, net als kostbare en kwetsbare archiefstukken. De digitale voorzieningen van de RHC’s zijn ook geschikt voor de opslag, het beheer en de terbeschikkingstelling van digitale kopieën van papieren en andere analoge rijksarchieven. Een laatste voordeel is dat deze archieven van het Rijk zo in samenhang met de archieven van andere overheden uit dezelfde regio toegankelijk zijn en blijven.

Dit alles pleit voor het behoud van het RHC als (gevestigd) centrum van regionale historie en cultuurgeschiedenis. Bovendien zullen de RHC’s via het beheer van deze rijksarchieven ook een belangrijke rol blijven spelen voor de andere belangen die in de Archiefwet 20.. genoemd worden: verantwoording van overheidshandelen, kennisneming van en de uitoefening van rechten en plichten en onderzoek. Uitgangspunten voor de hoogte van de specifieke uitkeringen De hoogte van de specifieke uitkering is gelijk aan de bijdrage van het Rijk als deelnemer aan de gemeenschappelijke regeling van een RHC in het laatste jaar voor de uittreding van het Rijk uit genoemde gemeenschappelijke regeling, met inbegrip van een eventuele loon- en prijsbijstelling over dat jaar. De specifieke uitkering kan voorts jaarlijks verhoogd worden in verband met loon- en prijsbijstellingen. Uit artikel 3.2 van de Archiefwet 20.. vloeit voort dat de minister verplicht is om aan een RHC een specifieke uitkering te verstrekken die adequaat is voor de uitvoering van de taken en bevoegdheden die de minister aan het RHC heeft overgedragen. Een verlaging van de specifieke uitkering kan enkel plaatsvinden door wijziging van deze regeling, waarbij de minister samen met het desbetreffende RHC zal moeten borgen dat de gedelegeerde taken en bevoegdheden nog uitgevoerd kunnen worden.

Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid Bij het vormgeven van de regeling is uitgebreid aandacht besteed aan de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Daarnaast zijn RHC’s betrokken geweest bij de voorbereiding. Hun suggesties zijn beoordeeld en verwerkt in de regeling.

2 Dit is enkel anders voor de rijksarchieven in de provincie Zuid-Holland, die in beheer zijn bij het Nationaal Archief.

Pagina 4 van 7

Internetconsultatie Er is afgezien van een internetconsultatie. Alle direct betrokken partijen, te weten de RHC’s, zijn bij de totstandkoming van de regeling betrokken. Regeldruk Op grond van deze regeling worden specifieke uitkeringen verstrekt aan de RHC’s. De RHC’s zijn openbare lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Deze regeling leidt derhalve niet tot regeldruk voor burgers, bedrijven of professionals. Bij de uitwerking van deze regeling is getracht de uitvoeringslasten voor de RHC’s zo beperkt mogelijk te houden. Zo is ervoor gekozen de specifieke uitkeringen jaarlijks ambtshalve toe te kennen, en sluit de wijze van verantwoording aan bij de gebruikelijke wijze van verantwoorden via de sisa-systematiek. Tot slot vervangt de specifieke uitkering de vroegere bijdrage van het Rijk aan de gemeenschappelijke regeling en de bijhorende bredere sturing en verantwoording. Artikelsgewijs Artikel 1 Artikel 1 bevat de begripsbepalingen. Met het begrip ‘Regionaal Historisch Centrum’ wordt specifiek verwezen naar de krachtens gemeenschappelijke regelingen ingestelde openbare lichamen, die zijn genoemd in artikel 2, tweede lid, van deze regeling. Met dit begrip worden in deze regeling kortom uitsluitend de elf genoemde RHC’s bedoeld. Artikel 2 Artikel 2 regelt de verstrekking van de specifieke uitkeringen aan de RHC’s.

De minister verstrekt jaarlijks een specifieke uitkering aan de in het tweede lid genoemde RHC’s voor het beheer van rijksarchieven. Deze dekt ook de bijhorende kosten voor de inzet van medewerkers en voor de huisvesting. De bedragen van de specifieke uitkeringen zijn per RHC eveneens in het tweede lid gespecificeerd. De minister verstrekt de specifieke uitkeringen op grond van het derde lid jaarlijks ambtshalve voor 1 oktober. Omdat de verstrekking van de specifieke uitkeringen ambtshalve plaatsvindt, hoeven de RHC’s geen jaarlijkse aanvragen in te dienen. De jaarlijkse verstrekking van de specifieke uitkering, doet niet af aan het feit dat de specifieke uitkering een structureel karakter heeft. Op grond van artikel 3.2, eerste lid, van de wet is de minister immers verplicht om een specifieke uitkering te verstrekken voor de uitvoering van de taken die de minister op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Archiefwet 20.. aan de RHC’s heeft overgedragen. Deze taakoverdracht is in beginsel voor onbepaalde tijd, en kan uitsluitend in een aantal specifieke gevallen – opgenomen in artikel 3.3, eerste lid, van de wet – worden ingetrokken. Het vierde lid maakt mogelijk dat de specifieke uitkering tussentijds wordt verhoogd in verband met een loonen prijsbijstelling.

Op grond van het vijfde lid geeft de minister daarbij aan welk percentage van de specifieke uitkering wordt aangemerkt als loongevoelig, onderscheidenlijk prijsgevoelig. Deze kenmerking heeft geen consequenties voor de bestedingsvrijheid ten aanzien van de specifieke uitkering. Het zesde lid regelt de bevoorschotting. De specifieke uitkering wordt jaarlijks 100% bevoorschot, in vier gelijke delen per kwartaal. De betaling van een jaarlijkse verhoging als bedoeld in het vierde lid geschiedt afzonderlijk. Artikel 3 In artikel 3 zijn de verplichtingen opgenomen die aan de specifieke uitkering verbonden zijn. Onderdeel a regelt dat elk RHC verplicht is een aantal documenten jaarlijks en vierjaarlijks in te dienen bij de minister. Elk RHC dient jaarlijks voor 30 september bij de minister de begroting met betrekking tot het volgende jaar in. Daarnaast dient elk RHC vierjaarlijks het meerjarenbeleidsplan bij de minister in. Op grond van onderdeel b is het RHC verplicht om mee te werken aan beleidsmatig onderzoek door de minister. Onderdeel c voorziet ten slotte in een meldingsplicht.

Op grond van deze meldingsplicht is een RHC verplicht om onverwijld bij de minister melding te doen, (i) indien aannemelijk is geworden dat de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, (ii) indien aannemelijk is geworden dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de verplichtingen die verbonden zijn aan de specifieke uitkering zal worden voldaan, of (iii) indien zich andere omstandigheden voordoen of zullen voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de

Pagina 5 van 7

specifieke uitkering. In deze gevallen is het van belang dat een tijdige melding plaatsvindt, zodat de minister en het desbetreffende RHC tijdig met elkaar in gesprek kunnen gaan. Artikel 4 Artikel 4 biedt een grondslag voor een tussentijdse verlaging van een specifieke uitkering (met andere woorden: een verlaging tijdens het jaar waarvoor de desbetreffende specifieke uitkering is verstrekt). Artikel 4 kan uitsluitend worden toegepast indien één van de omstandigheden van de meldingsplicht van toepassing is (zie nader de toelichting bij artikel 3 hierboven). Dit artikel is opgenomen om bijvoorbeeld mogelijk te maken dat de specifieke uitkering tussentijds wordt verlaagd, indien in overleg tussen het RHC en de minister is gebleken dat de verleende specifieke uitkering niet volledig zal kunnen worden besteed. Artikel 5 Artikel 5 betreft de verantwoording. De verantwoording van de specifieke uitkering vindt plaats via de sisasystematiek. Hierbij is de verantwoordingssystematiek die geldt op grond van artikel 17a van de Financiëleverhoudingswet van overeenkomstige toepassing verklaard. Op basis van dit artikel wordt verantwoording afgelegd door middel van een jaarrekening en jaarverslag, alsmede een accountantsverklaring en verslag van bevindingen.

Omdat het per RHC verschilt of de wijze van verantwoording door gemeenten of de wijze van verantwoording door provincies wordt gevolgd, is in de regeling opgenomen dat de minister de toe te passen wijze van verantwoording in de beschikking bepaalt. Hiervoor is in afstemming met de RHC’s gekozen, omdat voor de verantwoording van de specifieke uitkering zo goed mogelijk te kunnen aansluiten bij de financiële administratie van de RHC’s. Hierbij is ook artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van overeenkomstige toepassing verklaard, omdat uit dit artikel voortvloeit (conform de sisa-systematiek) dat bij de jaarrekening een bijlage wordt gevoegd met verantwoordingsinformatie over de ontvangen specifieke uitkeringen op basis van indicatoren. Voor de onderhavige specifieke uitkeringen zal voor de sisa-verantwoording worden gewerkt met vijf verantwoordingsindicatoren. De eerste indicator is de stand van de algemene reserve van het RHC aan het einde van het boekjaar (na toevoeging van een eventueel batig saldo over dat jaar). De tweede indicator zijn de totale baten die het RHC conform de jaarrekening voor het boekjaar heeft ontvangen, met inbegrip van het bedrag van de specifieke uitkering. Bij de derde indicator wordt de eerste indicator gedeeld door de tweede indicator en vermenigvuldigd met 100 tot een percentage.

De vierde indicator vermeldt het maximumpercentage van de reserve dat voor elk RHC bepaald is in, of wordt vastgesteld op basis van de desbetreffende gemeenschappelijke regeling (in de meeste gevallen is dit een percentage van 10%) . De vijfde en laatste indicator geeft aan of de derde indicator lager of gelijk is aan de vierde indicator. Deze verantwoordingssystematiek is in overleg met de RHC’s gekozen, omdat het de uitvoeringslasten voor de RHC’s zoveel mogelijk beperkt. Tegelijkertijd kan met deze systematiek, in combinatie met de delegatiesystematiek die voortvloeit uit de Archiefwet 20.. en flankerende maatregelen, voldoende zekerheid worden geboden over de aanwending van de specifieke uitkering voor de uitvoering van de taken ten behoeve van het rijksarchief. Hierbij is ten eerste van belang dat de hoogte van de specifieke uitkering gelijk is aan de eerdere deelnemersbijdrage van het Rijk voor de RHC’s, en derhalve een historische basis heeft. Daarnaast kan de minister op verschillende manieren toezien op de adequate uitvoering van de overgedragen taken door RHC.

Op grond van deze regeling zijn de RHC’s verplicht om (in aanvulling op de jaarverslaggeving die via de sisa-systematiek wordt ingediend) jaarlijks de begroting, en vierjaarlijks het meerjarenbeleidsplan bij de minister in te dienen, maar de minister kan ook, op de voet van artikel 10:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht indien nodig bij het RHC aanvullende inlichtingen vragen over de uitvoering van de overgedragen taken. Ten slotte is de minister voornemens om met de RHC’s een ‘Bestuursconvenant structurele samenwerkingsafspraken’ te sluiten om nader invulling te geven aan de samenwerking tussen de minister en de RHC’s. In dit convenant zal in ieder geval worden vastgelegd dat jaarlijks overleg plaatsvindt tussen de minister en de RHC’s over de belangrijkste ontwikkelingen. Artikel 6 Artikel 6 regelt de vaststelling van de specifieke uitkeringen. Op grond van het eerste lid stelt de minister een specifieke uitkering vast binnen 22 weken na ontvangst van de verantwoording over het jaar waarin de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verleend. Op grond van het tweede lid kan de minister er bij de vaststelling mee instemmen dat bij een positief resultaat de specifieke uitkering gedeeltelijk wordt aangewend voor de vorming van een reserve of voorziening. Instemming ligt voor de hand wanneer het in de betreffende Pagina 6 van 7

gemeenschappelijke regeling vastgestelde maximumpercentage van de reserve niet wordt overschreden. Indien een RHC de specifieke uitkering gedeeltelijk op deze manier wil aanwenden, ligt voor de hand dat hierover reeds vroegtijdig met de minister wordt afgestemd. De begrotingscyclus van de RHC’s biedt daarvoor voldoende ruimte. Ook deze bepaling draagt ertoe bij dat voldoende zekerheid kan worden geboden over de aanwending van de specifieke uitkering voor de uitvoering van de taken ten behoeve van het rijksarchief. Op grond van het derde lid kan de specifieke uitkering in een aantal specifieke gevallen lager worden vastgesteld. Een lagere vaststelling is alleen mogelijk indien de specifieke uitkering niet of niet volledig overeenkomstig het doel van de regeling is besteed (bijvoorbeeld door onderbesteding of door misbruik, oneigenlijk gebruik of fraude), of indien niet of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen die aan de specifieke uitkering verbonden zijn. Artikel 7 Artikel 7 bevat een grondslag voor de minister om een onverschuldigd betaald bedrag terug te vorderen. Hiervan kan sprake zijn indien de minister de specifieke uitkering tussentijds heeft verlaagd onder toepassing van artikel 4, of lager heeft vastgesteld onder toepassing van artikel 6.

Het tweede lid van artikel 7 maakt het mogelijk dat de minister de terug te vorderen bedragen verrekent met nog te betalen voorschotten van de specifieke uitkering voor het desbetreffende kalenderjaar, of met de specifieke uitkering voor een daaropvolgend kalenderjaar. Artikel 8 In artikel 8 is een begrotingsvoorbehoud opgenomen. Op grond van dit artikel worden de specifieke uitkeringen die worden verstrekt ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld, verstrekt onder de voorwaarde dat daartoe in de begroting voldoende middelen ter beschikking worden gesteld. Met dit begrotingsvoorbehoud wordt aangesloten bij het begrotingsvoorbehoud dat op grond van artikel 4:34, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij de verstrekking van subsidies kan worden gemaakt. Voor de volledigheid zijn het derde tot en met vijfde lid van artikel 4:34 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing verklaard. Artikel 9 Artikel 9 regelt de inwerkingtreding van de regeling. De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2027. Daarmee sluit de inwerkingtredingsdatum aan op het moment waarop de Archiefwet 20.. en de onderliggende regelgeving in werking treedt.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

PM

Pagina 7 van 7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16965217/2