Bijlage 2 Warmteprogramma 2026-2030
Tekst van het document
Warmteprogramma 2026-2030 17 november 2025 Team Duurzaamheid Afdeling ECDW
Inhoudsopgave 1 Inleiding
5
1.1 Van Transitievisie Warmte naar Warmteprogramma
5
1.2 Doelen van de gemeente Haarlem
7
1.3 Over dit Warmteprogramma
8
1.3.1 Functie van dit Warmteprogramma en stappen die hieruit volgen
8
1.3.2 Hoe is het Warmteprogramma tot stand gekomen?
10
1.4 Waar staan we nu
2 Uitgangspunten en leidende principes
10
13
2.1 Inleiding
13
2.2 Uitgangspunten
13
2.2.1 Duurzaamheid
13
2.2.2 Betrouwbaarheid
13
2.2.3 Betaalbaarheid
14
2.2.4 Samen met de stad
14
2.3 Leidende principes
15
2.3.1 Goed organiseerbare warmtevraag
15
2.3.2 Initiatieven van bewoners
15
2.3.3 Nabijheid infrastructuur en warmtebronnen
15
2.3.4 Isolatiestandaard en maximale warmtevraag
15
2.3.5 Integrale aanpak in buurten
16
2.3.6 Betaalbare voorzieningen binnen bereik
16
2.3.7 Natuurlijke transitiemomenten
16
2.3.8 Integrale programmering
16
2.3.9 Intentie om de aanwijsbevoegdheid in te zetten
17
3 Warmteprogramma Haarlem
19
3.1 Inleiding
19
3.2 Visie op de warmtevoorzieningen en warmtebronnen
19
2
3.2.1 Brede afweging om de voorkeur voor warmtevoorzieningen te bepalen
19
3.2.2 Warmtebronnen voor de warmtenetten
20
3.3 Waar gaat de gemeente de komende 5 jaar een Wijkwarmteplan maken
22
3.4 Wat betekent dit voor bewoners en ondernemers
25
4 Bestuurlijke keuzes en randvoorwaarden
28
4.1 Vaststellen van het Warmteprogramma
28
4.2 Warmtekavel en aanwijzing warmtebedrijf
28
4.2.1 Vaststelling voorgenomen Warmtekavel
28
4.2.2 Aanwijzing warmtebedrijf
29
4.2.3 Wat betekent dit voor bewoners, ondernemers en professional partners
32
4.3 Relatie met Omgevingsvisie, Omgevingsplan en PlanMER
33
4.4 Financieel kader: budget, investeringen, risico’s, rol rijksoverheid
34
4.5 Governance en organisatie
36
4.5.1 Regie op betaalbaarheid met een eigen Haarlems warmtebedrijf
36
4.5.2 Van doelgroepen ondersteunen naar gebiedsgericht samenwerken
38
5. Uitvoering en samenwerking
39
5.1 Doelgroepgerichte ondersteuning die Haarlem nu al biedt
39
5.2 Wijkwarmteplannen maken
39
5.2.1 Algemeen
39
5.2.2 Communicatie en participatie
40
5.2.3 Mitigerende maatregelen uit het plan-MER
41
5.3 Gebiedsgerichte aanpakken binnen een warmtekavel of daarbuiten
41
5.3.1 Wijkwarmteplannen maken in Warmtekavels
41
5.3.2 Wijkwarmteplannen maken in volledig elektrische gebieden
43
5.4 Samenwerking met woningcorporaties, marktpartijen en regionale samenwerking 45 5.5 Programmering openbare ruimte en koppeling met andere investeringen
6 Monitoring en evaluatie
46
47
6.1 Voortgang en resultaten van het Warmteprogramma
47
6.2 Monitoring om vast te stellen of in een gebied de aardgaslevering kan stoppen
47
6.3 Monitoring van milieueffecten
48
3
Bijlagen
49
4
1 Inleiding 1.1 Van Transitievisie Warmte naar Warmteprogramma Haarlem wil een duurzame, sociale en toekomstbestendige stad zijn. We werken daarom samen met bedrijven, bewoners en partners aan de beste voorzieningen om in 2040 onze huizen en gebouwen zonder aardgas te verwarmen. Deze ambitie is door de gemeenteraad vastgelegd in de Transitievisie Warmte (TVW, 2021) en in de Routekaart CO2-reductie. De transitie naar een aardgasvrij Haarlem biedt een gezonder en betaalbaarder woonmilieu en draagt bij aan een beter klimaat. Een aardgasvrij Haarlem is ook een bouwsteen voor een weerbaarder en onafhankelijker Nederland. Haarlem ligt tot nu toe op koers om de doelen voor CO2-reductie te halen (jaarverslag 2024 bladzijde 27). Om het tempo vast te houden is de komende jaren veel nodig. In onze stad zelf, maar ook stabiel rijksbeleid, nieuwe wetgeving, toegang tot financiering en technische mogelijkheden. Dit jaar krijgt de Transitievisie Warmte (TVW) uit 2021 de geplande update in de vorm van een Warmteprogramma. Hierin beschrijft het college in welke wijken en buurten ze de komende 5 jaar in gesprek gaat om aan de slag te gaan met het aardgasvrij maken en op welke manier, met een doorkijk naar warmtevoorzieningen voor de hele stad. Zo weten bewoners en ondernemers tijdig waar ze aan toe zijn. Dat gebeurt faciliterend, en er is uiteindelijk voor elk type woning een perspectief.
Het is voor gebouweigenaren altijd mogelijk om een eigen duurzame voorziening te kiezen. Het Warmteprogramma bouwt voort op de door de raad vastgestelde kaders en uitgangspunten uit de TVW: we werken vanuit duurzaamheid, betrouwbaarheid, betaalbaarheid en samen met de stad. Het Warmteprogramma wordt de komende jaren verder uitgewerkt in buurtgerichte Wijkwarmteplannen. Het opstellen van een Wijkwarmteplan voor een buurt is een nadere concretisering van het Warmteprogramma. Een Wijkwarmteplan bevat een beschrijving van de concrete maatregelen die worden genomen om gebouwen in een wijk voldoende te isoleren en aardgasvrij te maken en de ondersteuning die hierbij geboden gaat worden. Doel van het document Het doel van het Warmteprogramma is om de doelen uit een Omgevingsvisie t.a.v. de warmtetransitie concreet te maken met beleid en maatregelen voor een betaalbare transitie voor bewoners en ondernemers en voor een goede fysieke inpassing in de Haarlemse leefomgeving. Het programma beschrijft wat er moet gebeuren, hoe, en met wie, om de gewenste doelen te bereiken. Het programma vertaalt de lange termijn doelen van de omgevingsvisie naar concrete acties en afspraken die de komende vijf jaar worden uitgevoerd. Een Warmteprogramma is enkel zelfbindend en is bedoeld voor onze inwoners, ondernemers, beleidsmakers, stakeholders en de gemeenteraad.
Wat staat er in het warmteprogramma? • Een prognose van de meest kansrijke aardgasvrije alternatieven per buurt • De buurten waar de gemeente de komende vijf jaar met bewoners en stakeholders start om samen Wijkwarmteplannen te maken • Aanvullende beleidskeuzes om tot de uitvoering over te gaan • Handelingsperspectief voor de buurten waar de gemeente de komende jaren nog niet start
5
• Een aanpak met hoe we aan de slag gaan met de buurten die de komende 5 jaar aan de beurt zijn voor een Wijkwarmteplan. Wat staat er niet in het warmteprogramma? • Geen definitief besluit voor het aardgasvrije alternatief • Geen besluit over het jaartal waarin aardgaslevering gestaakt zou worden • Geen exacte kostenberekening • Geen inhoudelijke uitleg over onze lopende stadsbrede isolatie aanpakken zoals de VvE aanpak, Monumentenaanpak of aanpak Energie armoede • Geen schone opwek, elektriciteit infrastructuur of opslag van energie Het warmteprogramma is een overkoepelende visie en strategie. De volgende stap is om concrete plannen te gaan maken op wijk/buurt niveau om alle randvoorwaarden en details verder in te vullen in de vorm van Wijkwarmteplannen. Daarnaast gaat het college door met de stadsbrede ondersteuning gericht op het energiezuiniger maken van gebouwen voor verschillende soorten eigenaren en gebruikers. Wat betekent het warmteprogramma voor Haarlemmers? De overstap naar duurzame warmte gaat stap voor stap. Als een buurt aan de beurt is, krijgen bewoners, verhuurders en ondernemers ruim de tijd om zich voor te bereiden. De gemeente maakt samen met bewoners, woningcorporaties en particuliere verhuurders en bedrijven een Wijkwarmteplan (dat is een concreet wijkuitvoeringsplan).
In het Wijkwarmteplan komt welke voorziening het meest geschikt is voor de buurt (bijvoorbeeld een warmtenet of een elektrische voorziening), hoe de planning eruitziet en welke ondersteuning bewoners krijgen van de gemeente bij de uitvoering van het plan. Het maken van een Wijkwarmteplan duurt circa 2 jaar. Na het Wijkwarmteplan vaststellen volgt een periode waarin woning-/pandeigenaren stap voor stap hun woning/pand klaarmaken. Denk aan extra isolatie en/of het aanpassen van de verwarmingsinstallatie. Daarna wordt het pand aangesloten op een warmtenet of installeren de eigenaren een warmtepomp. Het uitvoeren van een Wijkwarmteplan geeft gaat zorgvuldig en in overleg, zodat iedereen voldoende tijd heeft om mee te doen. Bovendien komt er door het maken van een specifiek plan voor de buurt duidelijkheid over de kosten en de ondersteuning vanuit de gemeente. Voor de voorbereiding en aansluiting wordt een redelijke termijn per buurt bepaald en die is minimaal 8 jaar. Eigenaar-bewoners, verhuurders en ondernemers kunnen meedoen met het Wijkwarmteplan, maar mogen ook zelf voor een warmtevoorziening zorgen (zoals zelf een warmtepomp nemen). Voor wijken die niet de eerste jaren op de planning staan, ondersteunt de gemeente met het besparen van energie door de (lopende) isolatie acties en ondersteuning via de duurzaamheidslening of subsidieregelingen.
Bewoners, verhuurders en bedrijven kunnen zelf ook maatregelen treffen, zoals tochtstrips of zuinige verlichting, en grotere stappen zoals isolatie van dak, vloer of gevel. Dit maakt de woning of het bedrijf comfortabeler en verlaagt de energierekening. Buurtinitiatieven kunnen helpen met advies en gezamenlijke inkoop. Voor bewoners, verhuurders en bedrijven verstrekt het Warmteprogramma duidelijkheid over: 1) in welke buurten de gemeente de komende jaren een Wijkwarmteplan gaat maken, 2) welke warmtevoorzieningen daar kansrijk zijn en 3) hoe bewoners en andere stakeholders hierbij worden betrokken. Niet alle wijken komen tegelijk aan de beurt. In de buurten waar de gemeente de komende vijf jaar een Wijkwarmteplan maakt, worden bewoners en andere stakeholders actief betrokken bij de keuzes en stappen die nodig zijn om van het aardgas af te gaan. In hoofdstuk 5 is uitgelegd hoe deze actieve betrokkenheid wordt georganiseerd. Samen kijken we naar de beste voorzieningen voor de buurt, de woningen en de bewoners zelf.
6
Eigenaar-bewoners, pandeigenaren en VvE's houden altijd keuzevrijheid. Ook als er een collectief warmtenet wordt aangelegd, is het voor gebouweigenaren en VvE mogelijk om op eigen terrein een duurzame voorziening te kiezen, bijvoorbeeld met een warmtepomp. Wel geldt dat aardgas stap voor stap verdwijnt uit de stad. De gemeente helpt bewoners en bedrijven bij isoleren, energie besparen en het vinden van passende subsidies en leningen. Huishoudens met een smallere beurs kunnen rekenen op extra ondersteuning. Zo zorgen we ervoor dat de warmtetransitie haalbaar en betaalbaar is voor iedereen. Daarnaast wordt er rekening gehouden met het toenemende risico op hitte in woningen. Bij isolatie en de overstap naar een nieuwe warmtevoorziening kijken we ook naar hoe woningen in de zomer koel kunnen blijven. Denk aan zonwering, ventilatie of passieve koeling. In bijlage B.3 (Klantreizen Warmteprogramma) staan ervaringen van bewoners in verschillende situaties op weg naar duurzame warmte. Dat geeft een beeld van de aanpak van de uitvoering van het Warmteprogramma vanuit het perspectief van bewoners. Kortom: het Warmteprogramma geeft bewoners, verhuurders en ondernemers duidelijkheid over wanneer hun buurt aan de beurt is, welke mogelijkheden er zijn en welke hulp ze kunnen krijgen. De overstap naar aardgasvrij doen we stap voor stap, samen met bewoners en partners in de stad.
1.2 Doelen van de gemeente Haarlem Met het Warmteprogramma werkt Haarlem verder aan de uitvoering van de energietransitie. De stad wil de CO₂-uitstoot snel omlaag brengen door minder gebruik te maken van fossiele brandstoffen. De opgave om aardgasvrij te worden is groot: circa 76.000 woningen en 11.000 andere gebouwen moeten van het gasnet af en overstappen op andere warmtebronnen. Haarlem heeft al stappen gezet: we willen van het aardgas af, werken aan een circulaire economie en wekken steeds meer eigen energie op, bijvoorbeeld met zonnepanelen en lokale warmtebronnen. De Haarlemse Routekaart Duurzaamheid geeft richting aan de CO₂-reductie. In 2030 moet de uitstoot ten minste 60% lager zijn dan in 2017. Haarlem streeft zelfs naar 65% reductie, zodat de minimale doelstelling bij tegenvallers toch binnen bereik blijft. Dit warmteprogramma draagt bij aan de CO₂-reductie van de in de Routekaart opgenomen transitiepaden Wonen (59% minder uitstoot in 2030) en Werken (55% minder uitstoot in 2030) door gebouwen op voldoende isolatie te helpen en deze aan te sluiten op een aardgasvrij warmtevoorziening. De energietransitie legt een grote ruimteclaim op de boven- en ondergrond. Het Warmteprogramma heeft ook als doel om inzicht te geven over de ruimte die nodig is voor de energie-infrastructuur in de stad.
Voor de uitvoering van het Warmteprogramma wordt het nodig om tijdig ruimte te reserveren en te creëren voor energie-infrastructuur. In de Omgevingsvisie is al ruimte gereserveerd waar de gemeente al weet dat deze nodig is, zodat de komende jaren in de buurten, in de Waarderpolder en in het oostelijk landschap de maatregelen die nodig zijn voor de energietransitie ingepast kunnen worden. (Omgevingsvisie Haarlem 2045)
7
1.3 Over dit Warmteprogramma 1.3.1 Functie van dit Warmteprogramma en stappen die hieruit volgen De gemeente heeft bij het aardgasvrij maken van alle gebouwen de regierol van de rijksoverheid gekregen. Elke gemeente is verplicht om een Warmteprogramma vast te stellen. Dat staat in het wetsvoorstel Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). Het is de bedoeling dat de wet in 2026 in werking treedt. Naast de Wgiw wordt naar verwachting januari 2027 ook de Wet collectie warmte (Wcw) van kracht. Die is alleen van belang voor gebieden waar de gemeente warmtenetten wil ontwikkelen. Figuur 1.1 laat de stappen zien die de gemeente gaat doorlopen om invulling te geven aan deze nieuwe wetten. Figuur 1.1: Processtappen die gaan volgen uit de Omgevingswet, de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en de Wet collectieve warmte (WcW)
Stap 1 - Warmteprogramma vaststellen Alhoewel er al veel aanpakken en projecten lopen in Haarlem, is voor het wettelijke proces het maken van het Warmteprogramma stap 1. In het Warmteprogramma beschrijft een gemeente welke aanpak de komende 10 jaar wordt gevolgd voor het aardgasvrij maken van wijken en buurten. Het Warmteprogramma bestaat op hoofdlijnen uit: • Een overzicht van de energie-infrastructuur die ter vervanging van aardgas wordt ingezet en een indicatie van de kosten (het WAT); • Locaties waar de gemeente de komende 5 jaar aan de slag gaat met maken van Wijkwarmteplannen (het WAAR en WANNEER). Ook staat hier dat de gemeente het voornemen heeft om voor deze geselecteerde gebieden de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Met deze aanwijsbevoegdheid, uit de Wgiw, kunnen gemeenten vanuit hun regierol gebieden aanwijzen die binnen een nog te bepalen redelijke termijn aardgasvrij moeten worden en overgaan op een duurzame warmtevoorziening. Dat is belangrijk om de energietransitie voor iedereen zo betaalbaar mogelijk te maken. • De aanpak voor deze geselecteerde gebieden samen met de stad (het HOE). In het Warmteprogramma wordt 'slechts' het voornemen tot inzet van de aanwijsbevoegdheid aangegeven. Het is de start van een doorlopend Participatieproces (stap 2) om samen met de stad plannen uit te werken voor de aangewezen buurten. De haalbaarheid, betaalbaarheid, kosten-
8
efficiëntie en de energie-infrastructuur van dat voornemen wordt verder onderzocht en uitgewerkt in dat gebiedsgerichte Wijkwarmteplan (zie stappen 5 en 6). Als de gemeenteraad de aanwijsbevoegdheid daarna wil inzetten, doet zij dat door in het Omgevingsplan een warmtetransitiegebied aan te wijzen (zie stap 7). Het warmtetransitiegebied is het gebied dat wordt aangewezen om over te stappen op een duurzame energievoorziening. Inzetten van de aanwijsbevoegdheid heeft gevolgen voor bewoners, bedrijven en organisaties in het gebied. Daarom stelt de Wgiw een aantal waarborgen in. De wettelijk vastgelegde waarborgen hebben betrekking op haalbaarheid en betrouwbaarheid, het stellen van een redelijke termijn, de kosteneffectiviteit en betaalbaarheid en de gevolgen voor de energie-infrastructuur. Deze wettelijke waarborgen sluiten goed aan bij de uitgangspunten in hoofdstuk 2. Stappen na het Warmteprogramma zijn: Stap 3 en 4 - Vaststellen warmtekavel en aanwijzen warmtebedrijf De gemeente stelt met het Warmteprogramma een voorgenomen Warmtekavel vast en wijst hiervoor een warmtebedrijf aan. Een Warmtekavel is een gebied waar een warmtebedrijf een warmtenet mag aanbieden en ontwikkelen. Woning-/gebouweigenaren hebben wel altijd de keuzevrijheid om zelf, op eigen terrein, op een andere manier van het aardgas af te gaan. De voorwaarde is wel dat er geen fossiele brandstof wordt gebruikt.
Deze stappen zijn alleen van toepassing in warmtenetgebieden. Stap 5 en 6 - Uitvoering uitwerken in kavelplannen en Wijkwarmteplannen Voor de buurten die aan de beurt zijn maakt de gemeente uitvoeringsplannen. Die noemen we 'Wijkwarmteplannen'. Die komen tot stand in gesprek met de buurten en samenwerkingspartners. De haalbaarheid, betaalbaarheid, kosten-efficiëntie en de energie-infrastructuur van dat voornemen wordt onderbouwd en uitgewerkt in dat Wijkwarmteplan. In deze fase wordt intensief met de omgeving geparticipeerd. In warmtenetgebieden maakt het warmtebedrijf voor de Wijkwarmteplannen een gedetailleerd plan voor een warmtenet, zowel technisch als financieel. Dat heet in de wet een Kavelplan. Het Wijkwarmteplan bevat de motivering en onderbouwing om het Omgevingsplan te kunnen wijzigen. Hiervoor staat een indicatieve periode van 2 jaar. Zowel het Kavelplan als het Wijkwarmteplan moeten door het college worden vastgesteld. Stap 7 - Omgevingsplan wijzigen. In het omgevingsplan worden planregels opgenomen wanneer en hoe de wijk van het aardgas afgaat en welk duurzaam alternatief voor aardgas wordt gekozen. Deze planregels zijn bindend voor bewoners, gebouweigenaren (van woningen en utiliteitsbouw) en bedrijven binnen het aangewezen gebied. De Raad is altijd de sleutel tot het daadwerkelijk inzetten van de aanwijsbevoegdheid door het wijzigen van het Omgevingsplan.
De wijziging van het Omgevingsplan wordt na vaststelling van het Wijkwarmteprogramma door het college voorgelegd aan de Raad. Hiervoor staat een indicatieve periode van 1 jaar na vaststelling van het Wijkwarmteplan. Na vaststelling van het Omgevingsplan start de uitvoering. Hiervoor stelt de gemeente in het Omgevingsplan een redelijke termijn vast die past bij de complexiteit van een gebied. Die redelijke termijn voordat de levering van aardgas stopt is wettelijk minimaal 8 jaar, maar in het Wijkwarmteplan kan ook opgenomen zijn dat meer tijd nodig is. Stap 8 en 9 - Inventarisatie opt-out en Investeringsplan, aanleg en exploitatie Deze stappen zijn alleen van toepassing in warmtenetgebieden. Het warmtebedrijf doet alle woning-/gebouweigenaren volgens het vastgestelde Kavelplan een concreet aanbod. Hier komt wettelijk vastgelegde opt-out in beeld; een eigenaar mag zelf een fossielvrij alternatief nemen om zijn woning/gebouw te verwarmen; bijvoorbeeld een warmtepomp. De gemeente inventariseert welke gebouwen gebruik willen maken van die opt-out. Daarna legt het warmtebedrijf een
9
Investeringsplan voor ter besluitvorming (investeringsbesluiten) en start de aanleg van warmtenetten en de exploitatie. 1.3.2 Hoe is het Warmteprogramma tot stand gekomen? De gemeente Haarlem is heel blij dat er initiatiefnemers zijn die zich inzetten voor het verduurzamen van hun buurt en het enthousiasmeren van medebewoners. En inwoners nemen steeds vaker het initiatief bij de energietransitie. Met veel van deze bewonersinitiatieven is daarom intensief geparticipeerd om te komen tot het Warmteprogramma. Daarnaast organiseerde de gemeente vier inloopbijeenkomsten voor bewoners en ondernemers en heeft de gemeente digitaal veel reacties gekregen via een online survey en via inspraak. Ook is intensief samengewerkt met onze professionele partners in de stad, zoals met de woningcorporaties en de netbeheerders. Participatie is een belangrijk onderdeel geweest bij het opstellen van het Warmteprogramma. Het participatieproces is vormgegeven volgens het participatiebeleid (‘Verordening participatie en uitdaagrecht gemeente Haarlem 2024’). De participatie en hoe de participatie heeft bijgedragen aan de kwaliteit van het Warmteprogramma is beschreven in de Participatieverantwoording die als bijlage B.1 is toegevoegd bij het Warmteprogramma.
1.4 Waar staan we nu Al vele jaren biedt Haarlem haar bewoners en ondernemers ondersteuning bij het energiezuinig maken van de eigen woning/pand door middel van campagnes, een energieloket, collectieve inkoopacties en energiecoaches. Innovatieve oplossingen zoals gebouw-gebonden financiering zijn getoetst op toepasbaarheid in Haarlem en al jaren is er een gunstige duurzaamheidslening met een ruim budget beschikbaar. Met woningcorporaties zijn lokaal ambitieuze afspraken gemaakt en is gemeentelijke subsidie beschikbaar voor bovenwettelijke prestaties. Met het beroepsonderwijs zijn programma’s opgezet om de benodigde arbeidskrachten op te leiden en lokale bedrijven zijn door de gemeente bijeengebracht in consortia om innovatieve maatregelpakketten voor woningeigenaren te ontwikkelen. Voor huishoudens met een smalle beurs zijn al meerdere jaren verschillende vormen van gemeentelijke ondersteuning beschikbaar waaronder gratis isolatie- en andere energiebesparende maatregelen, energiezuinige huishoudelijke apparaten, energiecoaches en advies. Ook ondernemers uit verschillende sectoren ontvingen al advies over zonnepanelen, advies over isolatiemaatregelen, toegespitst energie-advies en subsidie voor slimme oplossingen. Er is onderzoek gedaan naar grootschalige warmtebronnen en er is advies ingewonnen over de benodigde governance van verschillende warmte-entiteiten.
In Meerwijk is intensief samengewerkt met de woningcorporaties, netbeheerders en energiebedrijven om tot een warmtenet te komen. Er is een publiek warmtebedrijf opgericht. Het eigen vastgoed wordt verbeterd en er is gezocht naar kansen voor collectieve opwekinstallaties. Verenigingen van eigenaren worden intensief geadviseerd en begeleid naar toekomstbestendige investeringen. Bewonersinitiatieven worden intensief ondersteund met subsidie, kennis en netwerk. Scholen en sportverenigingen krijgen advies en subsidie om te verduurzamen. Energiecoöperaties worden betrokken bij gemeentelijke vastgoed- en opwekprojecten. Middels goede voorbeelden, gerichte campagnes en educatieprojecten wordt gewerkt aan bewustwording en handelingsperspectief bij een veelvoud aan doelgroepen. Met alle bovenstaande activiteiten ligt Haarlem tot nu toe goed op koers om haar CO₂-reductie doelen te halen en heeft zij een schat aan praktijkkennis opgedaan. In het jaarverslag en de
10
halfjaarlijkse update van de uitvoeringsagenda TVW wordt over de huidige projecten en instrumenten gerapporteerd. Sinds de TVW 2021 zijn netcapaciteit, nieuwe wetgeving en beschikbaarheid van duurzaam gas belangrijkere aspecten, waarmee bij het opstellen van het Warmteprogramma rekening is gehouden. Netcapaciteit en integraal programmeren Er is onvoldoende transportcapaciteit op het elektriciteitsnet in Nederland, zowel op het landelijke hoogspanningsnet als op het lokale laagspanningsnet. Het laagspanningsnet wordt door de netbeheerder gestaag uitgebreid, ondanks complexe ruimtelijke inpassingen van transformatorhuisjes en een tekort aan personeel. Het hoogspanningsnet in onze regio is ook overvol, maar oplossingen zijn ingewikkelder dan die op het laagspanningsnet. Met name hoogspanningsstation Vijfhuizen zit tegen de grenzen van zijn capaciteit aan en gaat daar verwachting in de winter van 2026-2027 overheen met mogelijke stroomuitval tot gevolg. Structurele verruiming van capaciteit lijkt pas mogelijk met de realisatie van het nieuwe hoogspanningsstation A9-Zuid in 2033 en de verzwaring van verschillende transportleidingen.
Door dit tekort aan capaciteit zijn vanaf oktober 2023 alle nieuwe aanvragen voor een grootverbruikersaansluiting in een wachtrij gezet op basis van ‘first come, first served.’ De Autoriteit Consument en Markt (ACM), toezichthouder voor het functioneren van het Nederlands elektriciteitsnet, heeft een maatschappelijk prioriteringskader opgesteld om functies van groot maatschappelijk belang, zoals woningbouw, voorrang te kunnen geven. Het prioritering van capaciteit aan maatschappelijke belangrijk functies is natuurlijk alleen mogelijk als er ook daadwerkelijk capaciteit vrijkomt om toe te wijzen. De verschillende warmtevoorzieningen vragen ieder een andere capaciteit van het elektriciteitsnet: zo heeft een warmtenet een lagere belasting van het net dan heel veel individuele warmtepompen. Investeren in warmtenetten betekent daarmee minder ook een verminderde noodzaak om het elektriciteitsnet te verzwaren met het bijkomende extra ruimtebeslag. Gezamenlijk integraal programmeren met netbeheerders is cruciaal om te borgen dat Wijkwarmteplannen ook qua netcapaciteit haalbaar en uitvoerbaar zijn. De eerste wijken uit dit Warmteprogramma zijn dan ook mede in samenspraak met de netbeheerders benoemd. Ook streeft de gemeente met partners naar het voorkomen van desinvesteringen in gasleidingen.
Door gezamenlijk te programmeren kan groot onderhoud of vervanging van gasleidingen worden voorkomen in gebieden die binnen 10 jaar waarschijnlijk van het aardgas af gaan. Nieuwe wetgeving In het Klimaatakkoord van 2019 zijn ook afspraken gemaakt over benodigde gewijzigde of nieuwe wetgeving. Deze zogenaamde wetgevingsagenda bevatte een overzicht van instrumenten die gemeenten in staat stellen om hun verantwoordelijkheid voor met name de warmtetransitie te kunnen vervullen. Met name de nieuwe wetten Wet collectieve warmte (Wcw) en Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) zijn voor gemeenten belangrijke instrumenten om de in het Klimaatakkoord afgesproken doelen te halen. De Wcw maakt de komst van publieke warmtebedrijven mogelijk. Daarnaast zorgt de Wcw voor een ontkoppeling van de prijs van warmte met die van aardgas. De verwachting is dat daardoor warmtenetten grootschalig worden ontwikkeld en dat zorgt voor een betaalbaar alternatief voor aardgas. Tot dusver zijn warmtenetten ontwikkeld en geëxploiteerd door commerciële partijen met een monopoliepositie. De afgelopen jaren hebben warmtenetten (soms terecht) te kampen met een slecht imago, omdat zij niet overal de voorspelbare en grootschalige bron van goedkope
11
warmte zijn gebleken. Inwerkingtreding van de Wcw is niet voldoende om dit imago te verbeteren: er zijn ook voorbeelden nodig van warmtenetten die onder de nieuwe wet tot stand komen. Alleen dan zal het broodnodige vertrouwen in warmtenetten kunnen worden hersteld. De Wgiw maakt het voor netbeheerders, onder regie van de gemeente, mogelijk om niet meer verplicht aardgas aan gebouwen te leveren. Nu is dat nog een wettelijke taak. De gemeenteraad kan buurten aanwijzen waar de aardgaslevering over minimaal 8 jaar wordt beëindigd. Met de Wgiw in de hand kunnen gemeenten aan gebouweigenaren duidelijkheid geven over benodigde maatregelen, investeringen en tijdspad. De inwerkingtreding van beide wetten is naar verwachting in 2026.
Beschikbaarheid van (groen) gas In juli 2023 heeft de toenmalige minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening alle colleges een brief gestuurd met het dringende advies om groen gas niet meer als warmtevoorziening op te nemen in de Transitievisie Warmte. Het kabinet heeft de bijmengverplichting voor groen gas verlaagd en vertraagd, omdat de productiegroei van groen gas achterblijft. Daarmee is een van de alternatieve warmtevoorzieningen komen te vervallen. Groen gas werd vaak gezien als een goed alternatief voor aardgas bij monumenten en in historische binnensteden: beide kenmerkend voor Haarlem. Een ander geschikte alternatieve warmtevoorziening voor dit type gebouwen is niet zomaar voor handen. De prijs van (aard)gas zal naar verwachting de komende jaren sterk stijgen door de bijmengverplichting van (duur) groen gas, het onderbrengen van aardgas onder het emissiehandelsysteem (ETS) en door eerder afgesproken belastingverhogingen op aardgas. Geopolitieke ontwikkelingen hebben ook invloed op de aardgasprijs, maar zijn lastig te voorspellen. De gemeente gaat het advies van het Rijk opvolgen en voert nader onderzoek uit naar alternatieve warmtevoorzieningen.
12
2 Uitgangspunten en leidende principes 2.1 Inleiding De gemeente hanteert bij dit Warmteprogramma een aantal uitgangspunten en leidende principes. De uitgangspunten zijn overgenomen uit de TVW. Deze zijn tot stand gekomen door uitgebreide participatie met de stad en zijn vastgesteld door de gemeenteraad.
2.2 Uitgangspunten Het Warmteprogramma bouwt voort op de TVW uit 2021. De vier centrale uitgangspunten zijn Duurzaamheid, Betrouwbaarheid, Betaalbaarheid en Samen met de stad. Hieronder worden deze uitgewerkt. Met de TVW is ook een Bronnenstrategie door de Raad vastgesteld. Deze bronnenstrategie is eveneens uitgangspunt voor dit Warmteprogramma. 2.2.1 Duurzaamheid Nederland moet van het aardgas af (Klimaatakkoord, 2019). De duurzaamheid van warmtebronnen is een belangrijk uitgangspunt in de warmtetransitie. Dit geldt vooral voor de buurten die overgaan op collectieve warmtenetten. Deze netten worden gevoed met duurzame warmtebronnen. Duurzame warmtebronnen zijn onder andere geothermie, warmte uit oppervlaktewater en rioolwater (aquathermie) en restwarmte van bijvoorbeeld datacenters. De gemeenteraad heeft zich in 2019 al uitgesproken tegen de inzet van houtige biomassa als duurzame warmtebron (het amendement Biomassa-snijdt-geen-hout, Gemeente Haarlem, 2019). In 2021 is de Bronnenstrategie voor de TVW vastgesteld. Deze strategie beschrijft hoe de gemeente Haarlem strategisch omgaat met het realiseren van warmtebronnen voor de collectieve warmtenetten in Haarlem. De Bronnenstrategie is voor het Warmteprogramma verder uitgewerkt. Bij elk nieuw Warmteprogramma wordt de bronnenstrategie beoordeeld op nieuw ontwikkelingen en innovaties.
2.2.2 Betrouwbaarheid De gemeente wil voor alle Haarlemmers een betrouwbaar duurzaam alternatief voor aardgas. In het Warmteprogramma zijn enkel technieken opgenomen die op de korte en middellange termijn realiseerbaar zijn: bewezen en betrouwbaar. De gemeente houdt rekening met wat nu mogelijk en bekend is. In volgende Warmteprogramma's worden nieuwe ontwikkelingen meegenomen. Echter, er is niet altijd een eenduidige oplossing voor het aardgasvrij maken van gebouwen. Daarom vindt de gemeente het belangrijk om betrouwbare en duidelijke informatie aan bewoners te verstrekken en goede begeleiding te bieden. De gemeente communiceert open en transparant naar de stad over wat er te gebeuren staat en welke keuzes zij nog niet maken, wat bewoners zelf al kunnen doen en welke onzekerheden er nog zijn. Voor advies werken we via ons eigen platform toe naar één betrouwbare ingang. Betrouwbaarheid van warmtebronnen Een warmtenet wordt bij voorkeur gevoed door meerdere bronnen. Hierdoor worden de risico's gespreid, wordt het systeem robuuster en stijgt de leveringszekerheid. Daarbij stelt ook de ACM strenge eisen aan de leveringszekerheid door warmtebedrijven. Op lange termijn kunnen
13
warmtenetten gekoppeld worden en zouden de bronnen kunnen worden aangesloten op een regionaal warmtetransportsysteem waardoor een nog robuuster systeem ontstaat. De gemeente wil dat de bronnen van de warmtenetten, naast duurzaam, ook betrouwbaar zijn. Voldoende zeggenschap door gemeente of publieke warmtebedrijf over de bronnen is daarom belangrijk voor de gemeente. Ook is het belangrijk voor de gemeente om warmte uit bodem of oppervlaktewater zo optimaal mogelijk te verdelen. 2.2.3 Betaalbaarheid De gemeente Haarlem vindt het belangrijk dat de warmtetransitie voor alle inwoners betaalbaar blijft en dat iedereen mee kan doen. Betaalbaarheid is ook één van de wettelijke waarborgen bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid, zoals opgenomen in het ontwerp-Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw).
Wij verstaan onder betaalbaarheid dat: Redelijke verhouding kosten en baten - Voor het overgrote deel van de bewoners en ondernemers mogen de verwachte kosten van verduurzamingsmaatregelen niet hoger zijn dan de verwachte baten over de levensduur van de maatregelen. De gemeente volgt hiervoor de rekenregel die het Rijk op dit moment opstelt als onderdeel van de Wgiw/Bgiw. Op dit moment lijkt het om minimaal 70% van een buurt te gaan. Financiële haalbaarheid voor bewoners - Bij de beoordeling van de betaalbaarheid kijken wij ook naar de gevolgen voor de energielasten (eindgebruikerskosten) en naar de mogelijkheden voor bewoners om de benodigde investeringen te financieren. Daarbij hebben wij specifieke aandacht voor kwetsbare huishoudens, zodat zij niet buiten de boot vallen en mee kunnen doen aan de warmtetransitie. Naast deze eindgebruikerskosten nemen wij ook de nationale kosten in ogenschouw, zodat we zowel vanuit maatschappelijk als vanuit bewonersperspectief verantwoorde keuzes maken. De betaalbaarheid wordt steeds uitgewerkt in het Wijkwarmteplan. Daarin werkt de gemeente maatregelen concreet uit, raamt kosten en baten en past de wettelijke rekenregels voor het bepalen van de betaalbaarheid toe. Daarbij leveren stakeholders input. Indien blijkt dat betaalbaarheid onvoldoende geborgd is, worden aanvullende ondersteuningsmaatregelen getroffen of wordt meer tijd genomen.
2.2.4 Samen met de stad De warmtetransitie is een opgave die alleen gezamenlijk aangepakt kan worden. Iedereen is nodig om de warmtetransitie succesvol te laten verlopen: individuele woningeigenaren, huurders, corporaties en andere verhuurders, organisaties en bedrijven. Daarnaast is de gemeente zelf in bezit van gebouwen verspreid door de stad. Bovendien is de verscheidenheid in gebouwen groot: van nieuwbouwcomplexen tot vooroorlogse woningen en van stadsappartementen tot vrijstaande villa’s. Daarom maakt de gemeente ruimte voor maatwerk. Verspreid over de stad zijn al veel duurzame initiatieven actief. De gemeente ziet deze initiatieven als belangrijke partners in de energietransitie. Daarom heeft de gemeente veel Haarlemmers betrokken bij de Transitievisie warmte en bij dit Warmteprogramma. Ook zal de gemeente Haarlemmers vragen om bij te dragen aan het opstellen van Wijkwarmteplannen voor buurten en aan de uitvoering. De gemeente werkt samen met inwoners en stakeholders in de stad, met als doel een zo passend mogelijke aanpak te ontwikkelen die aansluit bij de verschillende buurten en gebouwtypen. De manier waarop gemeente en Haarlemmers samenwerken verschilt per plan.
14
2.3 Leidende principes Na laagste nationale en eindgebruikerskosten, zijn de volgende principes leidend bij de keuze voor een warmtevoorziening: 2.3.1 Goed organiseerbare warmtevraag Als de overgang naar collectieve warmtetechnieken georganiseerd kan plaatsvinden, is de kans van slagen voor een klein-of grootschalig warmtenet groter. Bijvoorbeeld als er in een buurt veel corporatiebezit en gemeentelijk vastgoed is, als VvE's en particuliere verhuurders willen meedenken over een warmtenet, als een buurtinitiatief zich inzet of als woningen vergelijkbaar zijn. De vraag naar warmte kan dan gebundeld worden. Collectieve warmtetechnieken vormen in die situatie vaak een passende warmtevoorziening. 2.3.2 Initiatieven van bewoners Als bewoners zelf initiatieven ontwikkelen en er een breder draagvlak is voor gezamenlijke isolatieacties, collectieve inkopen van warmtepompen en/of gezamenlijke warmtevoorzieningen, ontstaat er beweging. In sommige buurten nemen bewoners het initiatief om gezamenlijk van het aardgas af te gaan. Bewonersinitiatieven beschouwen we als vliegwiel voor de warmtetransitie in de gemeente. Daarnaast lopen verbouwingen succesvoller als buren hierin met elkaar en de gemeente optrekken. We kiezen ervoor om deze initiatieven met raad en daad te ondersteunen en voorzien ook een belangrijke rol voor ze tijdens het opstellen van de Wijkwarmteplannen.
2.3.3 Nabijheid infrastructuur en warmtebronnen De nabijheid van een warmtenet, warmtetransportleiding en warmtebronnen, maakt de overgang naar een vergelijkbare techniek meer laagdrempelig. Dit biedt aanknopingspunten voor een naastgelegen wijk of buurt om te starten. 2.3.4 Isolatiestandaard en maximale warmtevraag Haarlem hanteert de landelijke isolatiestandaard met bijbehorende maximale warmtevraag als leidend principe voor woningen en ruimteverwarming voor ondernemingen. De isolatiestandaard (ook wel De Standaard) is de landelijke standaard die aangeeft wanneer een woning goed genoeg is geïsoleerd om aardgasvrij te worden. Naast een standaard voor de gehele woning bestaan er ook streefwaarden voor de afzonderlijke bouwdelen. Ze geven aan wanneer een enkel bouwdeel (zoals het dak, de vloer of ramen) goed geïsoleerd en ‘toekomstbestendig’ is. Bouwdelen die geïsoleerd zijn naar de streefwaarde hoeven dus niet meer aangepakt te worden wanneer er een duurzame warmtevoorziening voor aardgas in de plaats komt. De isolatiestandaard betekent dat woningen zo goed geïsoleerd zijn dat ze klaar zijn voor duurzame verwarmingssystemen, zonder onnodig energieverlies. Dit zorgt voor meer comfort in huis, lagere en stabielere energielasten en een betere bescherming tegen kou in de winter.
We geven hieronder per toekomstig warmteoplossingsgebied een maximale warmtevraag (kWh/m² per jaar) mee: Collectieve gebieden - Voor aansluiting op het warmtenet moet met isolatie een maximale warmtevraag van 150 kWh/m²·jr als ondergrens bereikt worden. Een betere isolatie leidt tot een lagere warmterekening en hoger comfort, dus ook na aansluiting op het warmtenet, kan het zinvol zijn om, op eigen tempo, te isoleren. Voor alle type woningen binnen een aangewezen warmtenetgebied hanteren we daarom de landelijke Isolatie standaard als leidend principe.
15
Individuele gebieden - Om betrouwbaar met warmtepompen te kunnen verwarmen, moet de warmtevraag voor een gemiddelde tussenwoning worden teruggebracht naar ≈ 50 kWh/m²·jr (laagtemperatuur-niveau). 2.3.5 Integrale aanpak in buurten We werken aan toekomstbestendige buurten die aardgasvrij zijn en bestand zijn tegen weersextremen. Buurtgerichte uitvoering van de energietransitie combineert de gemeente zo veel mogelijk met groot onderhoud of herinrichting van de openbare ruimte, zodat meerdere opgaven integraal opgepakt worden. Denk aan vervanging van riool of gasleidingen, maar óók aan maatregelen die de buurt klimaatadaptief maken, zoals extra groen, wateropvang of hitte-bestrijding (koeling). Door deze ingrepen slim te combineren voorkomen we desinvesteringen en beperken we overlast: de straat hoeft minder vaak open. Dat drukt de kosten van de warmtetransitie én verhoogt de leefbaarheid voor Haarlemmers. 2.3.6 Betaalbare voorzieningen binnen bereik Op het moment dat er een betaalbare voorziening binnen bereik is, wordt het voor alle stakeholders eenvoudiger om aan de slag te gaan. De bundeling van de vraag, het benutten van natuurlijke transitiemomenten, de aanwezigheid van basisisolatie, inpasbaarheid in en om de woning en 'werk met werk maken' dragen allemaal bij aan de betaalbaarheid en wegen mee in het bepalen van passende warmtevoorzieningen voor buurten.
Voor collectieve warmtevoorzieningen zijn een hoge warmtevraagdichtheid, beschikbaarheid van voldoende en betaalbare warmtebronnen en ruimte in ondergrond en bovengrond ook belangrijke factoren om goedkoop warmte te kunnen bieden. De volgende leidende principes zijn toegepast voor de fasering van de uitvoering: 2.3.7 Natuurlijke transitiemomenten Als een groot deel van een wijk of buurt in een natuurlijk transitiemoment verkeert, kan de overstap naar aardgasvrij makkelijker te maken zijn. Natuurlijke transitiemomenten zijn bijvoorbeeld groot onderhoud, grootschalige renovatie, nieuwbouw of ingrepen aan de infrastructuur en openbare ruimte. Ook voor individuele woningeigenaren is het voordelig om werk met werk te maken. Natuurlijke transitiemomenten zijn dan bijvoorbeeld een verhuizing, verbouwing of groot onderhoud. We begrijpen dat bewoners en ondernemers vragen hebben over de vervanging van hun CV-ketel. Dit krijgt veel aandacht in de communicatie en in de aanpak voor Wijkwarmteplannen. Warmte-as-a-service concepten worden onderzocht als tussentijdse oplossing. 2.3.8 Integrale programmering Door werkzaamheden slim te koppelen – bijvoorbeeld rioleringsvervanging met warmtebuizen of groot onderhoud gebouwen met netverzwaring – voorkomen we dubbele kosten, beperken we overlast en zorgen we dat alle partijen op tijd klaar zijn voor een aardgasvrije buurt.
Gemeente, Liander en woningcorporaties Ymere, Elan Wonen en Pré Wonen hebben hierover het convenant Integrale programmering verduurzaming gebouwen en energie-infrastructuur 20252040 gesloten. Dit levert de buurtvolgorde op van dit Warmteprogramma. De programmeringsrichtlijnen voor het bepalen van de buurtvolgorde zijn: Warmtenetten • Uitrol volgt planning groot onderhoud riolering/openbare ruimte; • Met corporaties wordt geprobeerd om de plannen zo goed mogelijk op elkaar aan te laten sluiten, zodat woningen voorbereiden en aansluiten wordt gecoördineerd;
16
• We faciliteren voor de aanleg van zeer-lage-temperatuur warmtenetten de planning van de ontwikkelprojecten in ontwikkelzones. Individuele of kleinschalige collectieve warmtevoorzieningen • Planning volgt beschikbare netcapaciteit van Liander; • Buurten met weinig corporatiebezit of een redelijk isolatieniveau komen eerder aan de beurt. • Randbuurten < 100 woningen komen als laatste aan de beurt, omdat een maatwerk Wijkwarmteplan daar waarschijnlijk niet nodig is. 2.3.9 Intentie om de aanwijsbevoegdheid in te zetten De gemeente heeft de intentie om op termijn de aanwijsbevoegdheid in te zetten voor alle buurten. Met deze aanwijsbevoegdheid uit de Wgiw, kan de gemeente vanuit haar regierol gebieden aanwijzen die binnen een redelijke termijn over moeten gaan op een duurzame warmtevoorziening. Hierbij zijn een paar belangrijke overwegingen: • Een warmtetransitiegebied is de locatie die in een omgevingsplan kan worden aangewezen voor de verduurzaming van de warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover op dezelfde locatie milieubelastende activiteiten worden verricht, de energievoorziening voor die milieubelastende activiteiten. Als warmtetransitiegebied kunnen alleen locaties worden aangewezen voor zover die in het Warmteprogramma zijn opgenomen.
In het Warmteprogramma moet dus het voornemen voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid worden benoemd om die uiteindelijk in het Omgevingsplan vast te leggen. • Het inzetten van de aanwijsbevoegdheid is een zorgvuldig en langdurig (wettelijk vastgelegd) proces en kost daarmee jaren. Eerst moet het gebied benoemd zijn in het Warmteprogramma (dat kan slechts eens in de 5 jaar), dan moet met intensieve wijkparticipatie een Wijkwarmteplan gemaakt worden, dan moet de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan doorlopen worden en dan moet nog een redelijke termijn, zoals 8 jaar, voor de uitvoering gegeven worden. In het meest optimistische scenario kost dit proces al minimaal 10 jaar. Dat pleit ervoor om in elk Warmteprogramma het voornemen uit te spreken voor aanwijzing voor alle buurten waar de gemeente in die periode aan de slag gaat. • De 'redelijke termijn' wordt met de Wijkwarmteplannen bepaald en is maatwerk en afhankelijk van zaken zoals levensduur van CV-ketels, de complexiteit van een gebied, de netcapaciteit, capaciteit in de markt, etc. Pas als het echt kan, wordt de aanwijsbevoegdheid ingezet door wijziging van het Omgevingsplan. • Met de aanwijsbevoegdheid als stok achter de deur kan worden voorkomen dat het gasnetwerk in de toekomst tegen hoge kosten voor een gering aantal aansluitingen in stand moet worden gehouden.
• De aanwijsbevoegdheid helpt de haalbaarheid en betaalbaarheid van collectieve warmtenetten te verbeteren, netcongestie tegen te gaan en toe te werken naar een duurzamere, onafhankelijke en rechtvaardige warmtevoorziening. • De inzet van de aanwijsbevoegdheid schept duidelijkheid richting bewoners, ondernemers, verhuurders en netbeheerders. • Door op te nemen dat de gemeente de intentie heeft om de aanwijsbevoegdheid in te zetten, blijft dit instrument in de 'gereedschapskist' en wordt bij het maken van het Wijkwarmteplan verder uitgewerkt wanneer en hoe dat instrument ingezet wordt in een buurt. Voor de gebieden die de komende 5 jaar aan de beurt komen met dit Warmteprogramma wordt samen met de buurt en samenwerkingspartners een Wijkwarmteplan uitgewerkt. Hierin wordt de mogelijkheid om de aanwijsbevoegdheid in te zetten (en het beste moment hiervoor) verder onderzocht en uitgewerkt. De inzet van de aanwijsbevoegdheid heeft gevolgen voor bewoners, bedrijven en organisaties in het gebied waar de aanwijzing betrekking op heeft. De inzet van de gebiedsgerichte aanpak is dat bewoners en gebouweigenaren/VvE’s weten wat er in hun wijk staat
17
te gebeuren en wat ze zelf kunnen verbeteren aan hun woning of gebouw en dat ze daarbij zoveel als mogelijk worden ontzorgd. We vinden daarom een zorgvuldig proces belangrijk om de haalbaarheid en betaalbaarheid voor iedereen te borgen. Bovendien moet iedereen mee kunnen (en, waar nodig, ontzorgd worden).
18
3 Warmteprogramma Haarlem 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt op een kaart aangegeven wat de toegedachte infrastructuur is voor de energietransitie: warmtenetten en/of individuele en kleinschalige warmtevoorzieningen. De onderbouwing voor die voorkeur wordt uitgelegd. Ook gaat dit hoofdstuk in op de ontwikkeling van voldoende duurzame en betrouwbare warmtebronnen; voor de uitvoering van dit Warmteprogramma, en ook de verdere energietransitie in Haarlem. In paragraaf 3.2 kunnen bewoners, ondernemers en samenwerkingspartners zien in welke buurten de gemeente de komende 5 jaar aan de slag gaat. Tot slot wordt uitgelegd wat het Warmteprogramma voor hen gaat betekenen. Er wordt ingegaan op handelingsperspectief, ondersteuning en subsidie.
3.2 Visie op de warmtevoorzieningen en warmtebronnen 3.2.1 Brede afweging om de voorkeur voor warmtevoorzieningen te bepalen Een gebouweigenaar is in principe vrij om het alternatief voor een CV-ketel te kiezen, mits het alternatief aardgasvrij en duurzaam is. Het is immers zijn woning of bedrijf. Voor veel gebouwen is een warmtepomp een goed alternatief. Dat kan individueel, maar ook met andere gebouweigenaren in de buurt (bijvoorbeeld gezamenlijke bodemwarmte). Voor veel gebouwen / buurten is het ingrijpend om met een warmtepomp aardgasvrij te worden. Voorbeelden hiervan zijn buurten waar: • veel monumenten staan (deze zijn moeilijk isoleerbaar; en/of • woningen en/of tuinen overwegend erg krap zijn om warmtepompen en bijbehorende installaties (zoals buffervaten) te plaatsen; en/of • de financiële draagkracht in een buurt gemiddeld laag is, waardoor de financiering voor isolatie, een warmtepomp, en andere installaties voor eigenaren een grote drempel kan zijn; en/of • om diverse redenen een grotere mate van ontzorging wenselijk is; en/of • veel woningen in een buurt dicht op elkaar staan, zodat het risico op geluidsoverlast door warmtepompen bestaat. Voor die buurten wil de gemeente een aanvullende keus bieden, namelijk een warmtenet van het Warmtebedrijf Haarlem.
Dat is geen commercieel warmtebedrijf, maar een publiek bedrijf (50 % van de gemeente) dat zich inzet voor zo laag mogelijke warmtetarieven. In hoofdstuk 4 leggen we de voordelen van het Warmtebedrijf Haarlem voor bewoners en ondernemers uit. Om te bepalen in welke buurten een publiek warmtenet nodig is, is onderzoek gedaan. In bijlage A.3 en A.4 zijn deze onderzoeken te lezen. Er is met de Warmtetool van DWTM onderzocht welke warmtevoorzieningen voor een buurt het goedkoopste zijn en er is op basis van data-analyse beoordeeld in welke buurten een warmtenet als aanvullende optie nodig is. Op basis van de onderzoeken is een warmtenetgebied samengesteld. Dat heet in de Wet collectieve Warmte een 'Warmtekavel'. Het Warmtebedrijf Haarlem gaat hier verder onderzoeken met technische ontwerpen, gedetailleerde kostenramingen en business cases waar en hoe precies een haalbaar en betaalbaar warmtenet aangelegd kan worden; betaalbaar voor klanten én ook voor de gemeente. Het staat gebouweigenaren in warmtenetgebieden overigens vrij om wel of niet aan te sluiten bij het warmtenet, mits het eigen alternatief fossielvrij is. Dat staat in een wettelijk vastgelegde opt-
19
out regeling. Echter, des te meer woning-/pandeigenaren aansluiten, des te lager de kosten voor iedereen. Buiten het Warmtekavel moet gekozen worden voor verschillende individuele warmtevoorzieningen of kleinschalige collectieve warmtetechnieken. Op de kaart in figuur 3.1 staat de gemeentelijk voorkeursrichting voor de warmtevoorzieningen in de stad. Effect plan-MER op keuze warmtevoorziening De keuze voor een bepaalde warmtevoorziening in een gebied heeft invloed op de leefomgeving. Denk aan effecten op geluid, bodem, natuur, luchtkwaliteit en ruimtelijke inpassing. In het plan-MER zijn deze effecten in beeld gebracht en beoordeeld. Er zijn risico's op milieueffecten, in sommige buurttypen groter dan in andere, maar deze waren niet sturend in de uiteindelijke keuze voor een individuele warmtevoorziening. Veel van de potentiële negatieve effecten zijn goed te mitigeren. Deze mitigerende maatregelen nemen we mee in de gebiedsgerichte aanpakken, om toe te werken naar een zo optimaal mogelijk ontwerp voor de definitieve warmtevoorziening. De inzichten uit het plan-MER zijn daarmee ook een integraal onderdeel in de buurtgerichte aanpakken, waarbij ontwerpen steeds concreter worden gemaakt. 3.2.2 Warmtebronnen voor de warmtenetten De in 2021 vastgesteld Bronnenstrategie is verder uitgewerkt voor het warmtenetgebied.
Daarbij is niet alleen de hoeveelheid warmte uit bronnen van belang, maar ook de beschikbaarheid van die warmte voor de realisatie van dit Warmteprogramma 2026-2030. De nadere uitwerking van de bronnenstrategie voor het Warmteprogramma is bijlage A.5. De belangrijkste bronnen voor de warmtenetten zijn nog steeds geothermie, datathermie en aquathermie. De combinatie van de bronnen is nodig om op termijn voldoende warmte voor de warmtenetten beschikbaar te krijgen, te meer omdat nog niet alle bronnen voldoende zeker zijn. Op veel plekken in de stad zijn mogelijkheden om gebruik te maken van aquathermie; daarmee kunnen warmtenetten, zoals in Meerwijk, nu al ontwikkeld worden. De vooruitzichten voor geothermie zijn positief, maar er is nog veel geld nodig voor onderzoek om voldoende zekerheid te hebben, voordat een geothermiebron kan worden geboord. In de Waarderpolder en op het bedrijventerrein Polanenpark in de gemeente Haarlemmermeer liggen datacenters. De bestaande en vergunde datacenters kunnen veel restwarmte leveren aan de warmtenetten. Om warmte uit oppervlaktewater en restwarmte op de juiste temperatuur te brengen zijn grote lucht- en/of water-warmtepompen nodig. piek- en backup installaties op gas nodig voor de koudste dagen van het jaar. Op termijn is aardgas hiervoor te vervangen door een duurzame bron.
Naast deze bronnen wordt er ingezet op het realiseren van warmtebuffers. Grote warmtebronnen leveren het hele jaar door warmte. In de winter is echter de vraag veel groter dan in de zomer, waardoor er in de zomer een overschot aan warmte is. Door het realiseren van warmtebuffers kan deze warmte opgeslagen worden voor gebruik in de winter. Ook kunnen warmtebuffers een deel van de piekvraag opvangen als het erg koud is in de winter. In welke verhouding de verschillende warmtebronnen precies worden ingezet, wordt uitgewerkt door het warmtebedrijf. Als regisseur van de energietransitie is ten aanzien van de ontwikkeling van bronnen een belangrijke rol voor de gemeente weggelegd. De gemeente moet het plan van het warmtebedrijf beoordelen en vaststellen. Voor de robuustheid van het systeem en ontwikkeling van grote bronnen is regionale samenwerking interessant. Het kan de leveringszekerheid en betaalbaarheid ten goede komen als op langere termijn grote warmtebronnen zoals geothermie en datathermie via een regionaal warmtetransportnet met elkaar worden verbonden. De gemeente blijft hierover de komende jaren in gesprek met de regio.
20
Figuur 3.1: Gemeentelijke voorkeursrichting voor warmtevoorziening, gebaseerd op een breed afwegingskader
21
3.3 Waar gaat de gemeente de komende 5 jaar een Wijkwarmteplan maken In Haarlem zijn al veel woningeigenaren en ondernemers aan de slag gegaan! In de Waarderpolder en in Meerwijk worden warmtenetten ontwikkeld, in het Ramplaankwartier wordt intensief gewerkt aan de ontwikkeling van een concept met zonnewarmte, verschillende VvE's ontwikkelen samen collectieve warmtevoorzieningen en veel huiseigenaren en de woningcorporaties isoleren en nemen warmtepompen. Inwoners, ondernemers en samenwerkingspartners, zoals netbeheerders en de woningcorporaties, moeten weten wanneer de gemeente ook in hun buurt aan de slag gaat. Dit Warmteprogramma, dat loopt vanaf januari 2026 tot en met december 2030, geeft aan waar de gemeente in deze periode van 5 jaar gaat starten met nieuwe plannen. Het Warmteprogramma geeft in bijlage A.1 ook een doorkijk naar de 5 jaar erna, maar dat wordt over 5 jaar bevestigd in het Warmteprogramma 2031-2035. Buurten die niet genoemd zijn in dit Warmteprogramma, komen waarschijnlijk pas na 2035 aan de beurt. In tabel 3.1 staan de gebieden waarvoor de gemeente de komende 5 jaar gaat starten met het maken van concrete, gedegen en gedragen Wijkwarmteplannen samen met de buurt en de samenwerkingspartners. Voor alle geselecteerde gebieden heeft de gemeente het voornemen tot aanwijzing conform de Wgiw.
De haalbaarheid en redelijke termijn hiervan voor de uitvoering worden verder uitgewerkt in het Wijkwarmteplan. Wat in zo'n 'Wijkwarmteplan' staat en hoe deze plannen met de buurten en andere samenwerkingspartners tot stand gaan komen, is uitgelegd in hoofdstuk 5.
22
Figuur 3.2: Buurten waar de gemeente de komende 5 jaar gaat starten met het maken van Wijkwarmteplannen.
23
Tabel 3.1: Buurten waar de gemeente de komende 5 jaar gaat starten met het maken van Wijkwarmteplannen. Voor alle geselecteerde gebieden heeft de gemeente het voornemen tot aanwijzing conform de Wgiw. Buurt Toegedachte voorziening Wanneer starten met Wijkwarmteplan maken Archimedesbuurt & Erasmusbuurt Midden-temperatuur 0–3 jaar (Meerwijk) warmtenet Geleerdenbuurt, Geneesherenbuurt, Professorenbuurt (Boerhaavewijk)
Midden-temperatuur warmtenet
0–3 jaar
Rozenprieel Noord & Zuid
Midden-temperatuur warmtenet Individuele of kleinschalige collectieve warmtevoorzieningen Midden-temperatuur warmtenet Midden-temperatuur warmtenet Midden-temperatuur warmtenet (m.u.v. delen na 1995)
0–3 jaar
Individuele of kleinschalige collectieve warmtevoorzieningen Individuele of kleinschalige collectieve warmtevoorzieningen Individuele of kleinschalige collectieve warmtevoorzieningen Individuele of kleinschalige collectieve warmtevoorzieningen Individuele of kleinschalige collectieve warmtevoorzieningen Midden-temperatuur warmtenet
0–3 jaar
Midden-temperatuur warmtenet (m.u.v. delen na 1995) Midden-temperatuur warmtenet
3–5 jaar
Ramplaankwartier
Waarderpolder Zuiderpolder Noord & Zuid Delen van Molenwijk (Ellertsveld, Hondsbos-Dever, De Burgen, Saeftinge-Nemelaar, Waddenbuurt) De Krim (Te Zaanenkwartier)
Schoterveenpolder (Ter Kleefkwartier)
Kweektuinbuurt (Ter Kleefkwartier)
Bloemenbuurt (Duinwijk)
Veldzigt (Duinwijk)
Nelson Mandelabuurt & De Goede Hoop (Transvaalwijk) Nieuw-Guineabuurt (Indische wijk)
Koninginnebuurt
0–3 jaar
0–3 jaar 0–3 jaar 0–3 jaar
0–3 jaar
0–3 jaar
0–3 jaar
0–3 jaar
3–5 jaar
3–5 jaar
24
Zeeheldenbuurt (Houtvaartkwartier)
Natuurkundigenbuurt-West (Houtvaartkwartier) Oosterduin (Houtvaartkwartier)
Burgemeesterskwartier (Te Zaanenkwartier)
Individuele of kleinschalige collectieve warmtevoorzieningen Individuele of kleinschalige collectieve warmtevoorzieningen Individuele of kleinschalige collectieve warmtevoorzieningen Individuele of kleinschalige collectieve warmtevoorzieningen
3–5 jaar
3–5 jaar
3–5 jaar
3–5 jaar
Voor alle genoemde gebieden heeft de gemeente het voornemen tot aanwijzing. In bijlage A.2 staat meer informatie over deze buurten.
3.4 Wat betekent dit voor bewoners en ondernemers Op de kaarten kan iedereen zien wat het Warmteprogramma voor hen betekent. In deze paragraaf staat het handelingsperspectief en de voorgenomen (financiële) ondersteuning door de gemeente. De categorieën die in de legenda van de kaarten staat zijn hierin als leidraad genomen, zodat iedereen in de stad kan kijken wat dit Warmteprogramma voor zijn/haar buurt betekent. Individuele en kleinschalige warmtevoorzieningen In deze gebieden moeten bewoners en ondernemers kiezen voor een individuele warmtepomp of kleinschalige collectieve voorzieningen. Het elektriciteitsnet wordt in deze gebieden meer verzwaard dan in collectieve warmtenet gebieden. Om betrouwbaar met warmtepompen te kunnen verwarmen, moet de warmtevraag voor een gemiddelde tussenwoning worden teruggebracht naar ≈ 50 kWh/m²·jr (laagtemperatuur-niveau). De gemeente heeft niet de intentie om in deze gebieden een midden-temperatuur warmtenet te ontwikkelen, omdat een individuele en kleinschalige warmtevoorzieningen qua kosten ongeveer gelijk of zelfs goedkoper zijn en omdat deze technisch en financieel haalbaar lijken. Individuele en kleinschalige warmtevoorzieningen: Wijkwarmteplannen binnen 5 jaar De gemeente start in deze gebieden de komende vijf jaar met het maken van een Wijkwarmteplan, o.a.
omdat veel gebouwen al goed geïsoleerd zijn en/of Liander het elektriciteitsnet de komende jaren gaat verzwaren. Per buurt wordt in deze periode onderzocht welke warmtevoorzieningen het best passend zijn voor de gebouwen in het gebied, wat het gaat kosten en of een betaalbare voorziening mogelijk is. Iedereen in de buurt wordt geïnformeerd als het maken van het Wijkwarmteplan start en er komen verschillende mogelijkheden om te participeren, zodat het plan goed aansluit bij de behoeften van de buurt. De gemeente heeft in deze gebieden het voornemen tot aanwijzing conform de Wgiw. De gemeente gaat de haalbaarheid, betaalbaarheid, kostenefficiëntie en de energie-infrastructuur voor de inzet van de aanwijsbevoegdheid, met de buurt en samenwerkingspartners onderzoeken en uitwerken in een gebiedsgericht Wijkwarmteplan. Een belangrijk onderdeel van het Wijkwarmteplan is het bieden van gerichte ondersteuning en ontzorging bij het verduurzamen van de woningen en bedrijven. Die ondersteuning wordt nader ingevuld bij het maken van het Wijkwarmteplan, maar kan bestaan uit deskundig advies, collectieve isolatieaanpakken en collectieve inkoop van warmtepompen en ondersteuning bij financiering.
25
Individuele en kleinschalige warmtevoorzieningen: Wijkwarmteplannen 6 jaar en later De gemeente wil in de toekomst voor deze gebieden een plan maken voor passende individuele en kleinschalige warmtevoorzieningen. De gemeente gaat in deze gebieden de komende vijf jaar nog niet aan de slag. In het volgende Warmteprogramma wordt aangegeven welke buurten dan aan de beurt zijn. De gemeente blijft verschillende doelgroepen in deze gebieden ondersteunen bij het verduurzamen van woningen en bedrijven. Midden-temperatuur warmtenet In deze gebieden zet de gemeente in op de ontwikkeling van midden-temperatuur warmtenetten. Het zijn gebieden met een hoge warmtevraag, vaak veel corporatiebezit, relatief veel moeilijk te isoleren gebouwen (b.v. monumenten) en relatief weinig ruimte om individuele warmtevoorzieningen goed in te passen in en om de gebouwen. In deze gebieden lijkt levering van betaalbare warmte kansrijk. Een warmtenet brengt warm water van warmtebronnen naar gebouwen via een netwerk van leidingen. Een midden-temperatuur-warmtenet heeft een temperatuur van circa 70°C. De warmte wordt geleverd via een afleverset (een warmtewisselaar, vaak in de meterkast) in het gebouw. De warmte is direct te gebruiken voor ruimteverwarming via de bestaande radiatoren en onbeperkt warm tapwater.
Beschikbare bronnen zijn warmte uit oppervlaktewater (aquathermie), restwarmte van bijvoorbeeld datacentra, warmte uit de diepe ondergrond (geothermie) en verschillende soorten grootschalige warmtepompen. Bewoners en ondernemers worden door de gemeente tijdig geïnformeerd over ontwikkelingen van een warmtenet in hun buurt. Het is niet verplicht om op het warmtenet aan te sluiten. Op basis van landelijke wetgeving is het toegestaan om een individuele voorziening op eigen terrein te kiezen om zonder fossiele brandstoffen te verwarmen, zoals een warmtepomp. Wel geldt hier dat warmtenetten voor alle afnemers betaalbaarder worden, zodra er meer gebouwen aangesloten zijn. Oftewel, hoe hoger het aandeel van gebouwen dat meedoet in een bepaald gebied, des te betaalbaarder kan het warmtenet worden aangelegd. Midden-temperatuur warmtenet, Wijkwarmteplannen binnen 5 jaar De gemeente gaat in deze geselecteerde gebieden de komende vijf jaar starten met het maken van een Wijkwarmteplan, o.a. omdat er groot onderhoud aan b.v. de riolering of herinrichting van de openbare ruimte moet plaatsvinden. Per buurt wordt de komende 5 jaar onderzocht hoe het warmtenet kan worden aangelegd, wat het gaat kosten en of het goed werkt voor alle bewoners/eigenaren.