bijlage 2 notitie reikwijdte uitspraak
Tekst van het document
NOTITIE Aan Van Dossiernaam Onze ref. Datum
: : : : :
J. Wienen, burgemeester J.C. Binnerts Gemeente Haarlem / Referendumverzoek parkeerbeleid D107806 27 juni 2023
Inleiding 1.
Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter d.d. 22 juni jl. zijn vragen gerezen over de betekenis en reikwijdte daarvan. Hieronder komen aan de orde: - De relatie tussen de door de rechter getroffen voorziening en het besluit tot weigering van het referendum - De vraag wie door de uitspraak is gebonden - De vraag welke besluitvorming daardoor wordt geraakt - De betekenis van het persbericht van de rechtbank in relatie tot herinrichting. Deze notitie beantwoordt die vragen vanuit een juridisch perspectief.
Relatie voorziening en besluit 2.
Verzoekers hebben hangende bezwaar tegen de weigering van het referendumbesluit een voorlopige voorziening gevraagd. Aanvankelijk strekte die tot schorsing van dat besluit. Na aanvulling ter zitting had dit verzoek de strekking dat de raad voorlopig zou dienen te handelen, alsof het referendumverzoek was gehonoreerd. Ten aanzien van beide voorzieningen heeft de rechter geoordeeld dat die niet toewijsbaar zijn (r.o. 12.1 en 12.2).
3.
Vervolgens heeft de voorzieningenrechter zelf een voorziening getroffen, zoals in r.o. 12.3 gemotiveerd. Die voorziening heeft echter geen betrekking op het referendumbesluit, maar strekt – kort gezegd – tot opschorting van de uitvoering van de Nota, dus van het besluit, waarop het referendumverzoek betrekking had.
4.
Op grond van artikel 8.81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening treffen, als er een bezwaarschrift- of beroepsprocedure loopt tegen het bestreden besluit, de zgn. connexiteitseis. Keerzijde van die eis is dat de voorziening ook betrekking moet hebben op dat bestreden besluit en niet op een ander besluit. Bij referendumkwesties is daarom meermaals beslist dat een voorlopige voorziening naar aanleiding van de weigering van een referendumverzoek, niet kon inhouden dat het onderliggende besluit niet mocht worden uitgevoerd. Zie onder meer betrekkelijk onlangs de Voorzieningenrechter Noord-Holland 29 september 20211: 4.2 Het bezwaar richt zich niet tegen de vaststelling van de RES 1.0 Noord-Holland Noord en de vaststelling van de RES 1.0 Noord-Holland Zuid, maar tegen het besluit om die vaststelling niet-referendabel te achten. 4.3 Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe, de uitvoering van RES 1.0 Noord-Holland Noord en de RES 1.0 Noord-Holland Zuid op te schorten. Toewijzing van het voorliggende verzoek zou dus betekenen dat wordt ingegrepen in de
1 ECLI:NL:RBNHO:2021:8411
besluitvorming tot vaststelling van de RES 1.0 Noord-Holland Noord en de vaststelling van de RES 1.0 Noord-Holland Zuid, terwijl die besluitvorming hier niet voorligt. Toewijzing van het verzoek zou daarmee de grenzen van het bestreden besluit (dat is genomen in het kader van de uitvoering van de Referendumverordening) te buiten gaan, hetgeen in strijd is met de strekking van het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb. In de uitspraak van 22 juni jl. is de voorzieningenrechter m.i. ten onrechte aan dit punt voorbijgegaan. 5.
Ook gaat de voorzieningenrechter met de door haar geformuleerde voorziening voorbij aan een ander punt, t.w. dat het besluit tot vaststelling van de Nota geen besluit is in de zin van artikel 1.3 Awb. De Nota legt immers slechte beleid vast, dat moet leiden tot aanpassing van verordeningen en tot ter uitvoering daarvan te nemen Awb-besluiten. Omdat de Nota geen Awb-beslut is, kan daartegen geen bezwaar of beroep worden ingesteld en kan de Nota dus ook niet lopende een dergelijke procedure geschorst worden. Toch is dat wat de getroffen voorziening in essentie inhoudt. Ook dit punt is in de hierboven aangehaalde, recente uitspraak van de Voorzieningenrechter Noord-Holland een radicaal andere lijn gekozen dan in de uitspraak van 22 juni jl. is gedaan: 5. Daarbij komt dat de vaststelling van de RES 1.0 Noord-Holland Noord en de vaststelling van de RES 1.0 Noord-Holland Zuid, geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat de vaststelling daarvan geen (externe) rechtsgevolgen met zich meebrengt en geen juridische binding heeft, maar slechts een strategische verkenning is die nog dient te worden geoperationaliseerd in provinciale verordeningen, bestemmings- en omgevingsplannen. De bestuursrechter kan de RES-vaststellingsbesluiten ook daarom niet schorsen. 6.
Dat het honoreren van het verzoek om een raadgevend referendum als consequentie zou hebben gehad dat de besluitvorming over de RES zou moeten worden aangehouden leidt niet tot een andere conclusie. Dat doet er immers niet aan af dat de gevraagde voorziening uitsluitend gericht is op het ingrijpen in de RES- besluitvormingen niet op het treffen van een voorlopige maatregel betreffende de toepassing van de referendumverordening Noord-Holland 2018. In de uitspraak van 22 juni jl. is de voorzieningenrechter m.i. ten onrechte ook aan dit punt voorbijgegaan.
6.
Tegen de uitspraak staat echter geen hoger beroep of ander rechtsmiddel open.
Wie is gebonden? 7.
De getroffen voorziening luidt dat verweerder alle nadere uitvoerende besluitvorming, die zijn grondslag vindt in de Nota aanhoudt tot twee weken nadat op het bezwaar van verzoekers is beslist.
8.
Als eerste is van belang dat de uitspraak juridisch alleen de raad bindt. Het college is geen partij in het geding en door de uitspraak juridisch niet gebonden. In hoeverre het opportuun en of wenselijk is als het college wél nadere besluiten neemt ter uitvoering van de Nota, is een andere vraag.
2
Welke besluitvorming van de raad wordt daardoor geraakt? 9.
Vervolgens is de vraag wat verstaan moet worden onder “alle nadere uitvoerende besluitvorming, die zijn grondslag vindt in de Nota”. Deze termen zijn niet in stukken van verzoekers nader geduid, want zij kwamen daar niet in voor. Het ligt m.i. voor de hand om de slotsom van de uitspraak, de getroffen voorziening, te lezen in de context van de uitspraak. In r.o. 4.3 spreekt de rechter van "... het nemen van de nodige besluiten ter uitvoering van de Nota, zoals het wijzigen van de Parkeerverordening, de Verordening Parkeerbelastingen en het opstellen van aanwijzingsbesluiten voor het invoeren van parkeerregulering in Haarlemse wijken", waarmee de raad niet wil wachten hangende bezwaar. Ik acht het volkomen verdedigbaar dat de slotsom van de uitspraak dan ook betrekking heeft op besluiten als bedoeld in r.o. 4.3. Daarbij past dan nog de kanttekening dat aanwijzingsbesluiten geen raadsbevoegdheid zijn, zodat juridisch de werking van de uitspraak zich met name richt tot de aanpassing van verordeningen.
10. In elk geval kan m.i. in gemoede niet worden volgehouden dat een willekeurig bestemmingsplan of ruimtelijk besluit waarin naar de Nota wordt verwezen, door de voorziening wordt getroffen. Dergelijke besluiten strekken niet ter uitvoering van de Nota en zullen m.i. ook niet kunnen gelden als besluiten die hun grondslag vinden in de Nota. Het persbericht – herinrichting. 11. In het persbericht dat de rechtbank heeft doen uitgaan is vermeld: “De gemeente is al bezig met de planning van de invoering van het betaald parkeren en met de herinrichting van bepaalde wijken”. Het persbericht sluit af met: “Dat betekent (onder andere) dat de gemeente Haarlem op dit moment niet verder mag gaan met het plannen van de invoering van het betaald parkeren en de herinrichting van de wijken”. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat het persbericht hier refereert aan de drie straten in de Vogelenwijk, waar in r.o. 4.2 van wordt gesproken. Het gaat hier om de Reijer Anslostraat e.o. Volgens verzoekers – zo staat daar – wordt bij de herinrichting van die straten betaald parkeren voorbereid en geïmplementeerd. 12. Vooropgesteld; juridisch is uitsluitend de uitspraak van belang en is het persbericht zonder enige betekenis. De uitspraak dwingt de raad tot aanhouding van besluitvorming ter uitvoering van de Nota.
De uitspraak verplicht de gemeente niet tot opschorting van feitelijke herinrichtingswerkzaamheden. Als daar geen besluitvorming van de raad meer voor nodig is, wordt de uitvoering van die herinrichting alleen al daarom niet door de uitspraak getroffen. 13. Bij de raad ligt ter vaststelling voor de Startnotitie herinrichting Reijer Anslostraat e.o. Daarmee stelt de raad een kader vast waarbinnen het ontwerp van de herinrichting Reijer Anslotstraat e.o.. kan worden opgesteld. De vraag kan rijzen of de voorziening nu de reikwijdte heeft dat de raad daarover geen besluit meer kan nemen. Daarbij is van belang dat uit de Startnotitie blijkt dat beoogd wordt om het aantal parkeerplaatsen in de wijk te reduceren. Ter onderbouwing daarvan wordt in het stuk gewezen op o.m. de Omgevingsvisie (p. 4), het coalitieakkoord (p.1) en het groenbeleid en mobiliteitsbeleid (p.4, onder 4.3 en p.6, onder 4.8.1)) , terwijl op twee plaatsen gerefereerd wordt aan de Nota (p.3, onder 4, p.7 onder 5.1). . 14. De Startnotitie roept geen rechtsgevolgen in het leven en vaststelling ervan vindt niet plaats ter uitvoering van de Nota, maar omdat het gebied toe is aan een groot onderhoud.
Dat het aan de hand van de Startnotitie op te stellen herinrichtingsplan parkeerplaatsen zal doen verdwijnen in de verwachting dat de parkeerbehoefte ter plaatse zal afnemen, maakt daarom niet dat een besluit tot vaststelling van de Startnotitie kan gelden als een besluit dat zijn grondslag vindt in de
3
Nota (zie hierboven). Met het uiteindelijk vast te stellen herinrichtingsplan wordt geen gereguleerd parkeren voorbereid of geïmplementeerd.. 15. Daartegen kan worden ingebracht dat de Startnotitie op twee punten verwijst naar de Nota. Op p.3, onder 4.8 wordt vermeld immers dat de beoogde herinrichting vooruitlopend op gereguleerd parkeren plaatsvindt. Dat is echter iets anders dan dat invoering daarvan de aanleiding is om het aantal parkeerplaatsen in het gebied terug te brengen. Naar ik heb begrepen is dat laatste ook niet het geval, maar vloeit die keuze voort uit het groenbeleid. De tweede verwijzing (p. 7, onder 5.1) luidt dat zowel invoering van gereguleerd parkeren in dit gebied als uitvoering van de herinrichting zijn voorzien in 2025. Ook hiervoor geldt dat daar geen oorzakelijk verband tussen beide voornemens uit blijkt. Per saldo meen ik daarom dat deze tegenwerpingen niet overtuigen. Een besluit tot vaststelling van de Startnotitie is naar mijn inzicht dan ook geen besluit, dat de raad juridisch bezien als gevolg van de voorziening niet zou kunnen nemen.
4