CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Nota Bodembeheer 2023 gemeente Haarlem

gemeenteraad 21 december 2023, gemeente HaarlemBij agendapunt: Nota bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart 2023-2028 (definitief)18.455 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

Nota Bodembeheer 20232028 gemeente Haarlem 5 september 2023 Gemeente Haarlem Afdeling Omgevingsbeleid, Team Milieu

Inleiding Het doel van het Nederlandse bodembeleid is enerzijds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant die op en in de bodem leven en anderzijds het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. Dit wordt bereikt met drie sporen van het bodembeleid: 1. preventie (voorkomen en herstellen) van nieuwe bodemverontreiniging; 2. bodemonderzoek en bodemsanering op locaties waar door verontreiniging risico's voor mens en milieu aanwezig zijn; 3. bodembeheer (onder andere hergebruik van grond in plaats van inzet van primaire grondstoffen) bij lichte verontreinigingen. Aan spoor 1 en 2 wordt invulling gegeven door de Wet bodembescherming (vanaf 2024 opgenomen in de Omgevingswet) en de Wet milieubeheer. Deze onderdelen worden in de voorliggende nota niet verder besproken. De Nota Bodembeheer 2023-2028 gemeente Haarlem (hierna: nota) gaat in op het bodembeheer in de gemeente Haarlem. Het bodembeheer (spoor 3) mag niet leiden tot nieuwe gevallen van ernstige verontreiniging of het verplaatsen (van gevallen) van ernstige verontreiniging. Uitgangspunt in de normstelling is de relatie tussen de chemische bodemkwaliteit en het gebruik van de bodem, gebaseerd op een risicobenadering. De aanleiding voor deze nota is dat de looptijd van de vorige nota bodembeheer is verstreken. Daarnaast is de bodemkwaliteitskaart aangepast.

De nota dient hierop aangepast te worden. De nota is een richtlijn voor het omgaan met vrijkomende grond en baggerspecie en geeft invulling aan het grondstromenbeleid met lokaal maatwerk en gebiedsspecifiek beleid. Daarin is het mogelijk regels aan te scherpen om de bodem in bepaalde situaties nog sterker te beschermen, of regels juist te versoepelen waar dat verantwoord is. Daarnaast behandelt deze nota het beleidskader wat betreft terugsaneerwaarden voor bodemsaneringen. Deze herziene nota vervangt de Nota Bodembeheer Haarlem van 1 juni 2013.

2

Beleidssamenvatting Het Besluit bodemkwaliteit kent een generiek- en gebiedsspecifiek bodembeleidskader. In het eerste geval sluit een gemeente zich aan bij landelijke bodemkwaliteitsnormen. Bij gebiedsspecifiek beleid stemt een gemeente haar bodemkwaliteitsnormen af op de locatie specifieke kenmerken van haar gemeente. De onderbouwing van de keuzes moet zijn vastgelegd in een nota bodembeheer. Voor het bodembeheer maakt de gemeente Haarlem al vanaf 1998 gebruik van een bodemkwaliteitskaart (Bkk) die iedere vijf jaar wordt geactualiseerd. De Bkk wordt gebruikt voor de beoordeling van de achtergrondkwaliteit in de stad en voor het beoordelen van het toepassen van grond. Met het bodembeheer is sinds 2013 verder ingezet op het hergebruik van vrijkomende grond. Daarbij is de keuze gemaakt voor gebiedsspecifiek beleid, waarbij de chemische kwaliteit van de toe te passen grond geen risico oplevert voor de functies binnen gemeente Haarlem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit vastgelegd in de Bkk geen onbeheersbare risico's oplevert voor het gebruik. Dat betekent veiligheid voor gevoelige functies (wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen) in de binnenstad en omringende zones en mag in die gebieden de kwaliteit alléén onder verhardingen hetzelfde blijven. Voor de overige zones kan globaal worden aangesloten bij de gebiedseigen kwaliteit volgens de Bkk.

Dan wordt voldaan aan het standstill beginsel (er mag geen verslechtering optreden) en aan het meest doelmatige én duurzame beginsel, zodat kosten zo laag mogelijk blijven en de kwaliteit (langzaam) zal verbeteren. Met deze nota wordt het ingezette gebiedsspecifiek beleid voortgezet. Het gekozen gebiedsspecifiek beleid zet in op hergebruik van vrijkomende geschikte grond uit Haarlem, zodat minder primaire grondstoffen worden gebruikt. Verder wordt met het gebiedsspecifiek beleid ingezet om verontreinigingen die niet aanwezig zijn in Haarlem niet alsnog toe te voegen via binnengekomen hergebruiksgrond. Voor parameters die niet of nagenoeg niet voorkomen is een Lokale Maximale Waarde vastgesteld die gelijk is aan de landelijke achtergrondwaarde (AW2000). Voor parameters die diffuus verhoogd voorkomen in gemeente Haarlem is per bodemkwaliteitszone een Lokale Maximale Waarde vastgesteld, gebaseerd op het gemiddelde van de betreffende bodemkwaliteitszone en de voorwaarde dat er geen risico's mogen ontstaan. Indien de Lokale Maximale Waarde op basis van het gemiddelde een risico kan opleveren, wordt voor de betreffende parameter teruggevallen op de waarde voor de functie wonen. Er is voor de functie wonen gekozen, omdat dit de meest voorkomende functieklasse.

Het gebiedsspecifiek beleid maakt het mogelijk om de bodemkwaliteitskaarten als bewijsmiddel te gebruiken voor de toe te passen grond in plaats van partijkeuringen. Hiermee kunnen de onderzoekslasten worden verminderd. De gemeente Haarlem biedt met deze nota een praktische richtlijn aan gemeentelijke diensten, adviesbureaus, aannemers en andere bodemintermediairs over hoe in gemeente Haarlem het beste met vrijkomende grond kan worden omgegaan, waarbij aan zaken als gezond verstand, kostenbesparing, milieuwinst en voldoen aan geldende wet- en regelgeving aandacht is besteed.

3

Inhoudsopgave

Inleiding

2

Beleidssamenvatting

3

1.

Inleiding

6

1.1

Beheergebied en reikwijdte

6

1.2

Omgevingswet

7

1.3

Standaardbodem

7

1.4

Leeswijzer

7

Wettelijk kader

8

2.1

Gebiedsspecifiek beleid

9

2.2

Saneringsbeleid

10

2.3

Overige regelgeving

10

2.

3.

4.

Achtergrond

11

3.1

Karakterisering gebied

11

3.2

Duurzaamheid en toekomst

12

3.3

Gebiedsopgave

12

Bodemkwaliteitskaart (Bkk)

14

4.1

Bodemkwaliteitskaart als regionaal bewijsmiddel

14

4.2

Wijzigingen t.o.v. vorige bodemkwaliteitskaart (2018)

15

4.3

Kaarten in de Bodemkwaliteitskaart

16

4

5.

6.

7.

Gebiedsspecifiek beleid

18

5.1

Gebiedsspecifiek beleid

18

5.2

Uitleg onderbouwing van het voorstel

20

5.3

Toepassen van grond

21

5.4

Specifieke situaties

22

Taken en bevoegdheden

26

6.1

Meldingstermijn en loket

27

6.2

Beoordeling

27

6.3

Toezicht en handhaving

27

Bijlagen

29

1. Toelichting Sanscrit en bodemfuncties in Sanscrit 2. Waarden bodemkwaliteitszones getoetst aan AW2000, tussenwaarde en interventiewaarde 3. Lokale Maximale Waarde per bodemkwaliteitszone en verantwoording 4. Toelichting bij meldingsplicht Besluit Bodemkwaliteit

5

1.

Inleiding Voor u ligt de Nota bodembeheer 2023-2028 gemeente Haarlem (hierna: nota). De nota beschrijft het hergebruik en toepassen van grond in Haarlem. Het gaat om gebiedsspecifiek beleid. Het bodembeleid dient op grond van het Besluit bodemkwaliteit minimaal eens in de 10 jaar te worden herzien. De nota is aangepast op de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart (hierna: Bkk). De Bkk is een belangrijk onderliggend document voor het grondstromenbeleid en wordt dan ook regelmatig vermeld in de nota. Met een Bkk kan het grondverzet worden gefaciliteerd, worden vrijstellingen voor onderzoek gegeven en het is een instrument voor duurzaam bodembeheer (gebaseerd op de uitgangspunten bescherming, hergebruik en sanering). In de geactualiseerde Bkk is de stofgroep per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) opgenomen. Met het opnemen van PFAS in de Bkk is inzichtelijk gemaakt dat deze stofgroep diffuus voorkomt in de Haarlemse bodem, maar geen beperking is voor hergebruik. Deze nota geeft het bodembeheer voor de komende vijf jaar (2023-2028) weer. Het uitgangspunt van de nota is standstill, waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de in Haarlem vrijkomende grond. Het begrip standstill houdt in dat de kwaliteit van de bodem niet substantieel mag verslechteren ten gevolge van de toegepaste grond.

De doelstelling op de lange termijn is het verbeteren van de bodemkwaliteit voor een gezonde leefomgeving.

1.1 Beheergebied en reikwijdte De nota heeft betrekking op het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem op het Haarlems grondgebied. Deze nota vervangt de nota uit 2013 en geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Haarlem. Het omgaan met grond van buiten de gemeente Haarlem is ook in deze nota opgenomen. In deze nota wordt niet ingegaan op het toepassen van baggerspecie op land. Milieuhygiënisch biedt het generieke beleid voldoende ruimte om vrijkomende baggerspecie op aangrenzend land te brengen. Het generieke beleid voor het hergebruik van baggerspecie op land is tevens in lijn met het gebiedsspecifieke bodembeleid dat in deze nota is opgenomen. Deze nota heeft geen betrekking op het toepassen van bouwstoffen. Hiervoor gelden de voorwaarden zoals deze zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Deze nota regelt niet het herschikken van sterk verontreinigde grond en nieuwe verontreinigingen die zijn ontstaan na het jaar 1987. Dit valt onder het saneringsbeleid van de Wet bodembescherming (Wbb). De relatie van deze nota met het saneringsbeleid van de Wbb is dat het bevoegd gezag (Wbb, gemeente Haarlem) voor de terugsaneerwaarde uit mag gaan van de Lokale Maximale Waarden van het gebiedsspecifieke beleid van deze nota.

Er is vrijheid om locatiespecifieke afwegingen te maken en per geval van bodemverontreiniging terugsaneerwaarden vast te stellen, waarbij minimaal de gebruiksfunctie van de locatie wordt beschermd.

6

1.2 Omgevingswet Deze nota is gebaseerd op het huidig wettelijk kader (Wbb en Besluit bodemkwaliteit). Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de lokale regels die zijn vastgesteld op basis van artikel 44 van het Besluit Bodemkwaliteit (voor inwerkingtreding van de Omgevingswet) gelijkgesteld aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De regels die zijn opgenomen in deze nota betreffen de vastgestelde Lokale Maximale Waarden én de vastgestelde afwijkende percentages (bodemvreemde bijmengingen) evenals de bodemfunctieklassenkaart (BFK). De Bkk blijft onder de Omgevingswet bruikbaar om de kwaliteit van de ontvangende bodem of de kwaliteit van de toe te passen grond vast te stellen.

1.3 Standaardbodem De gehalten en toepassingseisen welke genoemd worden in deze nota en de Bkk zijn omgerekend naar standaardbodem. Om te bepalen of een geplande toepassing is toegestaan, dient omgerekend te worden naar de standaardbodem (de berekeningswijze staat beschreven in Bijlage G behorende bij artikel 4.2.1 van de Regeling Bodemkwaliteit).

1.4 Leeswijzer In het eerstvolgende hoofdstuk 2 is het wettelijk kader weergegeven. Dit betreft het Besluit bodemkwaliteit, aanverwante regelgeving en de betekenis voor het saneringsbeleid. Hoofdstuk 3 gaat in op de achtergronden van deze nota. Hoofdstuk 4 gaat over de geactualiseerde Bkk. Hoofdstuk 5 gaat over het gebiedsspecifiek beleid en de uitwerking van het grondstromenbeleid. Ook wordt aan het eind van dit hoofdstuk nog op specifieke situaties ingegaan. In hoofdstuk 6 worden de taken en bevoegdheden van de gemeente voor het gebiedsspecifieke beleid beschreven.

7

2.

Wettelijk kader Het Besluit bodemkwaliteit biedt gemeenten de mogelijkheid om te kiezen voor een generiek beleid of een gebiedsspecifiek beleid. Als gekozen wordt voor gebiedsspecifiek beleid kunnen gemeenten eigen lokale normen stellen voor het hergebruik van grond. In het gebiedsspecifiek kader kan op basis van ruimtelijke ontwikkelingen, kwaliteitsambities en het te verwachten grond- en baggerverzet een lokale afweging worden gemaakt. Er moet een goede balans worden gevonden tussen bodembescherming enerzijds en de afzet van grond en bagger anderzijds. Hulpmiddelen hierbij zijn de Risicotoolbox (RTB), de BFK en de Bkk. Naast de keuze voor generiek beleid of gebiedsspecifiek beleid zijn in het Besluit bodemkwaliteit ook regels opgenomen voor grootschalige toepassingen. In het Besluit bodemkwaliteit worden zeven functies onderscheiden met beleidsmatig vastgestelde maximale waarden. Voor het generiek beleid wordt gewerkt met bodemfunctieklassen. De bodemfunctieklassen zijn een vereenvoudiging van de zeven bodemfuncties. Uit Tabel 1 blijkt dat de bodemfunctieklasse wonen voldoet voor de bodemfuncties wonen met tuin, plaatsen waar kinderen spelen en groen met natuurwaarden. Een grond die voldoet aan de bodemfunctieklasse industrie voldoet voor de bodemfunctie ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie. Bodemfuncties Bodemfunctieklassen 1.

Moestuinen en volkstuinen AW2000 2. Natuur 3. Landbouw 4. Wonen met tuin Wonen 5. Plaatsen waar kinderen spelen 6. Groen met natuurwaarden 7. Ander groen, bebouwing, infrastructuur en Industrie industrie Tabel 1: Bodemfuncties uit het bodembeleid en de bodemfunctieklassen voor generiek beleid Als normstelling voor de bodemkwaliteitsklassen en de bodemfunctieklassen worden de maximale waarden voor de klasse Wonen en de maximale waarden voor de klasse Industrie gebruikt. Deze generieke maximale waarden geven de kwalitatieve bovengrens aan die nodig is om de huidige kwaliteit van een ontvangende bodem niet te sterk te laten verslechteren. Zie onderstaande figuur 1 voor bodemkwaliteitsklassen in Generieke normstelling.

AW2000

Wonen Achtergrondwaarden

Industrie

Maximale waarden Wonen Figuur 1: Kwaliteitsklassen landbodem in generieke normstelling

Niet toepasbaar Maximale waarden Industrie

Bij generiek beleid moet de gemeente een bodemfunctieklassenkaart opstellen. Deze kaart geeft aan welke functie een bepaald gebied heeft en welke bodemkwaliteit hiervoor geldt. Naast de functie moet ook de bodemkwaliteit van een gebied worden bepaald. Hiervoor gelden de klassen AW2000, Wonen of Industrie.

8

Toepassen volgens het generieke kader betekent dat de toe te passen partij grond moet worden getoetst aan zowel de kwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem. Hierbij geldt de beste van deze twee als bodemkwaliteitswaarde voor grondverzet. Als een gebied bijvoorbeeld de functie Industrie heeft en de bodemkwaliteit hiervan is klasse AW2000, dan geldt voor het toepassen van grond en baggerspecie in dit gebied de strengste norm, namelijk AW2000. Meer informatie is te vinden in de Handreiking Besluit bodemkwaliteit van Bodem+.

2.1 Gebiedsspecifiek beleid Gebiedsspecifiek beleid maakt het voor gemeenten mogelijk om eigen beleidskeuzes te maken op het gebied van grondverzet. Door rekening te houden met gebiedsspecifieke kenmerken kan een gemeente per gebied een bodemkwaliteitswaarde vaststellen. In dit geval spreekt het Besluit bodemkwaliteit van Lokale Maximale Waarden voor dat gebied. In het gebiedsspecifieke kader wordt niet gewerkt met een klassenindeling. De kwaliteit wordt beoordeeld op stofniveau en voor bodemfuncties kunnen de zeven bodemfuncties (zie tabel 1) van het bodembeleid worden gebruikt. De ruimte voor het vaststellen van Lokale Maximale Waarden ligt tussen de Achtergrondwaarden en het saneringscriterium, zoals is weergegeven in figuur 2.

AW2000

Ruimte voor Lokale Maximale Waarden Achtergrondwaarden

Interventiewaarden landbodem

Nooit toepasbaar Saneringscriterium

Figuur 2: Kwaliteiten landbodem in gebiedsspecifieke situatie Gebiedsspecifiek beleid verplicht de gemeente haar beleidskeuzes vast te leggen in een nota bodembeheer. Het Besluit bodemkwaliteit geeft een aantal voorwaarden: • Er is sprake van standstill (geen achteruitgang) op gebiedsniveau. • Er is een bodemfunctieklassenkaart opgesteld. • Het risiconiveau van de gekozen Lokale Maximale Waarden wordt berekend met behulp van de Risicotoolbox. • De Lokale Maximale Waarden mogen het saneringscriterium van de Wbb niet overschrijden. In de onderstaande figuur 3 is de normstelling in het generieke beleid in relatie tot de normstelling in het gebiedsspecifieke beleid weergegeven. Maximale Maximale Maximale waarden waarden waarden AW2000 wonen industrie Generiek Gebiedsspecifiek

Altijd toepasbaar AW2000

Wonen

Niet toepasbaar Ruimte voor Lokale Maximale Waarden

Maximale waarden AW2000 Figuur 3: Relatie generiek en gebiedsspecifiek

Industrie

Interventiewaarden landbodem

Nooit toepasbaar

Generiek Gebiedsspecifiek

Saneringscriterium

9

2.2 Saneringsbeleid Het Besluit bodemkwaliteit heeft ook gevolgen voor het saneren van een bodemverontreiniging op grond van de Wbb. Het Besluit bodemkwaliteit is niet van toepassing op het saneren van bodemverontreinigingen. De bodemfunctieklassenkaart kan echter wel een rol spelen bij het saneringsbeleid. In de Circulaire bodemsanering is namelijk aangegeven dat, indien er aanleiding is om te saneren, de standaardaanpak uitgaat van het functiegericht saneren. Dit betekent dat de bodemkwaliteit in de contactzone (bovengrond) in die mate moet worden hersteld dat wordt voldaan aan de bij de bodemfunctieklasse behorende maximale waarden. Het bevoegd gezag voor de Wbb maakt gebruik van maximale waarden van het Besluit bodemkwaliteit. De milieuhygiënische kwaliteit van de leeflaag of aanvulgrond en de terugsaneerwaarden komen in eerste instantie overeen met maximale waarden voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur, wonen of industrie. Is de saneringslocatie echter gelegen in een gebied waarvoor gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld, dan wordt voor de terugsaneerwaarden uitgegaan van de Lokale Maximale Waarden zoals die voor het gebied zijn vastgesteld. Hierdoor zijn grondverzet, bodembescherming en bodemsanering beter op elkaar afgestemd. Per saneringslocatie kan altijd een locatiespecifieke afweging worden gemaakt over de te bereiken terugsaneerwaarden.

Hierbij is de actuele gebruiksfunctie de minimale eis.

2.3 Overige regelgeving Andere wet- en regelgeving kunnen aanvullende voorwaarden stellen voor grondverzet. Het gaat bijvoorbeeld om: • Wet ruimtelijke ordening (Wro) in het geval het opslaan van grond niet in overeenstemming is met de bestemmingsplanvoorschriften. In elk bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit ter plaatsen. De bodemkwaliteit moet dus worden beschreven. • Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit milieubeheer in het geval sprake is van langdurige opslag van grond binnen inrichtingen. • Woningwet en de Bouwverordening van de gemeente Haarlem als het gaat om bouwen op verontreinigde grond. • Ontgrondingenwet. • De Waterwet waarin een algemene zorgplicht voor het behoud van de kwaliteit van het oppervlaktewater is opgenomen en deze geldt zodra grond of baggerspecie in oppervlaktewater wordt toegepast. • Wet Natuurbescherming. Deze wet richt zich op het beschermen en ontwikkelen van de natuur en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

10

3.

Achtergrond De bodem is de drager van vele functies en activiteiten. Voor een goede basismilieukwaliteit is het beheren en saneren van bodemverontreiniging een voorwaarde. De kwaliteit van de bodem is bekend en wordt steeds in lijn gebracht met het beoogde gebruik. Indien functies veranderen moet beoordeeld worden of sanerende maatregelen nodig zijn.

3.1 Karakterisering gebied Geologie De geologische ondergrond van Haarlem wordt gekenmerkt door een aantal evenwijdig aan de kust lopende strandwallen, die voor een groot deel de geschiedenis van de stad bepalen. De strandwallen zijn ongeveer 5600 jaar terug ontstaan. Na een zeespiegelstijging wisselden periodes van sterke zandafzetting zich af met periodes waarin dit langzamer verliep. Een periode van sterke zandafzetting resulteerde in een strandwal. Een aantal herhalingen van dit proces heeft geresulteerd in een reeks strandwallen waardoor de kust steeds verder naar het westen opschoof. De ouderdom van de strandwallen neemt dus richting het westen af. Door de strandwallen had de zee geen invloed meer op het achtergelegen water. Alleen via riviermondingen was de invloed van de zee op het achterland merkbaar. Verdere ontwikkeling van de strandwallen vond plaats onder invloed van de wind die zand vanaf het strand op de strandwallen afzette. In het door de zee niet meer beïnvloedde water trad verzoeting van het milieu op waardoor, mede onder invloed van slechte waterafvoer, veengroei ontstond. Deze veengebieden worden strandvlakten genoemd. Via een uitgebreid stelsel van rivieren waterde het veengebied af. De Liede en het Spaarne zijn als veenrivier ontstaan die water van het hoogveengebied, dat de Haarlemmermeer vroeger was, naar het IJ afvoerden.

Het huidige Haarlem ligt op de oudste strandwal, de op één en twee na oudste strandwal van Nederland. Op deze strandwallen werden aanvankelijk alleen eenvoudige onderkomens gebouwd door jagers en vissers. Later, vanaf circa 4000 jaar geleden, werden er akkers aangelegd en verrezen er grote boerderijen. Op deze plek ontstond vele eeuwen later, in de Karolingische tijd, de nederzetting Harulahem. Harulahem, later verbasterd tot Haarlem, doet zijn naam eer aan: huis(en) op een open plek in een op zandgrond gelegen bos. Zand, wind en water hebben de basis gevormd van Haarlem. De oudste strandwal loopt, globaal, vanaf de plaats Monster in Zuid-Holland, via het oostelijk deel van de gemeente Haarlem, naar Bergen in Noord-Holland. Van deze strandwal is veel, heel veel verdwenen. De vergraving ten behoeve van de huidige bollenvelden, het moderne diepploegen en de moderne woningbouw hebben er voor gezorgd dat van deze vroegste woonlocatie nauwelijks wat over is. Van wat er van deze strandwal nog intact is, ligt het grootste gedeelte in Haarlem (onder andere Liewegje) en Haarlemmerliede (het kerkje van Spaarnwoude). Archeologie Uit archeologisch onderzoek blijkt dat 1500 jaar voor onze jaartelling sprake is van bewoning langs het Spaarne. Over de strandwal liep een landweg die het noorden van Holland met het zuiden verbond. Langs deze landweg op de strandwal ontstond een nederzetting.

De in de 11e maar vooral in de 12e eeuw snel groeiende prestedelijke nederzetting Haarlem, gelegen aan het Spaarne en de landweg midden op de strandwal, kreeg in 1245 stadsrechten.

11

De economie van de stad draaide in de middeleeuwen vooral op bierbrouwerijen, textielnijverheid en scheepsbouw. Aan het eind van de 17e eeuw is de omvang van de stad gegroeid tot het huidige centrum en de Burgwal. Tot eind 19e eeuw is deze omvang voor de stad de grens van het stedelijk gebied geweest. Vanaf het eind van de 19e tot het eind van 20e eeuw heeft in een aantal fases een aanzienlijke groei van de stedelijke omgeving van Haarlem plaatsgevonden tot de huidige situatie. Hierbij zijn ook de kernen Schoten en Spaarndam en delen van Schalkwijk bij Haarlem gevoegd.

3.2 Duurzaamheid en toekomst Duurzaamheid heeft vanouds een belangrijke rol in bodembeheer. Met duurzaam bodembeheer wordt bedoeld dat de bodem zodanig wordt gebruikt en beschermd, dat deze ook voor toekomstige generaties beschikbaar is. Uitgangspunt van het beleid is dat er door grondverzet geen nieuwe risico’s mogen ontstaan bij toekomstig gebruik. Neveneffect is dat herbruikbare grond zo lang mogelijk in omloop blijft, zodat geen onnodig beslag wordt gelegd op primaire grondstoffen. Op langere termijn is verbetering van de gebiedskwaliteit de doelstelling. Duurzaam bodembeheer kan ook faciliteren in de verduurzaming van ander thema’s, bijvoorbeeld het behoud van het veenweidelandschap voor de opslag van CO2 en het opwekken van groene energie.

3.3 Gebiedsopgave Het besluit bodemkwaliteit biedt mogelijkheden om rekening te houden met de “gebiedsopgave”. Met gebiedsopgave wordt bedoeld: ‘voor welke opgave staat het gebied met betrekking tot gronden baggerverzet?’ Baggerspecie Regelmatig baggeren is noodzakelijk om het watersysteem goed te laten functioneren. Deze onderhoudsinspanning levert jaarlijks een aanzienlijke hoeveelheid baggerspecie (slib) op waarvoor de gemeente Haarlem op grond van de Waterwet een ontvangstplicht heeft. Baggerspecie kan worden beschouwd als waardevolle grondstof voor bijvoorbeeld het toevoegen van organisch materiaal aan de bodem. Hiervoor is er in het generieke kader van het Besluit Bodemkwaliteit een regel opgenomen voor het verspreiden van baggerspecie op een aangrenzend perceel of in een weilanddepot. Voorwaarde hiervoor is dat de kwaliteit van de baggerspecie vooraf wordt vastgesteld. In Haarlem wordt vanwege ecologische gronden het verspreiden van baggerspecie op land niet toegestaan. Om deze reden is tot op heden de ontvangstplicht op grond van de waterwet ingevuld met het aanwijzen van een weilanddepot. Een weilanddepot is een vorm van tijdelijke opslag waar de baggerspecie gedurende 3 jaar kan rijpen en ontwateren. Na rijping (circa 3 jaar) wordt de baggerspecie beoordeeld als grond waarvoor een nuttige toepassing gezocht kan worden.

Ruimtelijke ontwikkelingen en civiele projecten In de gemeente Haarlem ligt een grote bouwopgave en zullen de komende jaren woningen worden bijgebouwd. Daarnaast zal bij onderhoud en renovatie van de ondergrondse infrastructuur grond worden uitgegraven. In de afgelopen jaren is gebleken dat er meer grond vrijkomt dan er wordt toegevoegd. Echter daar waar grond werd toegevoegd, is veelal om civieltechnische redenen geen gebruik gemaakt van hergebruiksgrond.

12

Over het algemeen komt er meer grond vrij dan grond die wordt toegepast. Voor gerijpte baggerspecie die in weilanddepots ligt opgeslagen, moet een definitieve toepassing gezocht worden. Het is de uitdaging om in projecten nog minder gebruik te maken van de aanvoer van grond als primair product en hiervoor geschikte hergebruiksgrond toe te passen. Het gebiedspecifieke beleid zoals opgenomen in deze nota geeft hier nadere invulling aan. Dit biedt milieuhygiënisch voldoende mogelijkheden om hergebruik van binnen gemeente Haarlem en omringende gemeenten vrijkomende grond mogelijk te maken.

13

4.

Bodemkwaliteitskaart (Bkk) Vele oude steden kennen een diffuse achtergrondbelasting met verontreinigingen in de bodem. In het algemeen geldt dat naarmate de bodem langer in gebruik is, de belasting hoger is. In gemeente Haarlem zijn de randgebieden veel schoner dan de binnenstad en de bouwblokken daar omheen. Gebiedsspecifiek beleid biedt de kans om beter om te gaan met de plaatselijke verschillen in bodemkwaliteit. Al vanaf 1990 worden bodemgegevens in het bodeminformatiesysteem opgeslagen. Deze gegevens worden gebruikt om bodemkwaliteitskaarten te maken. De Bkk doet een uitspraak over de diffuse bodemkwaliteit: deze is voornamelijk bepaald door het gebruik van de bodem, ophogingen in het verleden en atmosferische depositie. De kaart geeft een verwachting van de gemiddelde kwaliteit van een zone; op individuele locaties in een zone kan de kwaliteit beter of juist minder goed zijn dan dit gemiddelde. De kaart doet geen uitspraak over de kwaliteit van locaties met puntbronnen zoals tanks of bedrijven. De bodemkwaliteitszones zijn vastgesteld op basis van het meest voorkomende bodemgebruik, bebouwingsgeschiedenis en bodemtype binnen een bepaalde zone. De grenzen tussen zones sluiten hier zo goed mogelijk bij aan, maar in enkele gevallen zijn de grenzen meer arbitrair gekozen. Op de Bkk zijn zones met een bepaalde gemiddelde bodemkwaliteit aangegeven.

Binnen een zone is de kwaliteit min of meer gelijk, terwijl de zones onderling van kwaliteit kunnen verschillen. De bodemkwaliteit heeft consequenties voor het toegestane grondverzet en hergebruik van grond en bagger. De Bkk is in wezen een verzameling kaarten, waarvan de ontgravingskaarten een uitspraak doet over de kwaliteit van vrijkomende grond. Er is een ontgravingskaart voor de bovengrond (0,0 tot 0,5 meter beneden maaiveld) en ondergrond (0,5 tot 2 meter beneden maaiveld). Van de totstandkoming van de Bkk is een rapportage bodemkwaliteit opgesteld. In 2023 is op basis van gegevens uit het bodeminformatiesysteem en nieuw verzamelde data een nieuwe Bkk opgesteld conform de Richtlijn Bodemkwaliteitskaarten. De richtlijn schrijft voor dat de dataset gegevens bevat van de afgelopen vijf jaren. Als er onvoldoende waarnemingen beschikbaar zijn, is het geoorloofd deze dataset uit te breiden. Dit is in Haarlem het geval. Om te komen tot een statistisch betrouwbare dataset is bij het opstellen van de Bkk gebruik gemaakt van de onderzoeksgegevens vanaf 1998.

4.1 Bodemkwaliteitskaart als regionaal bewijsmiddel Het Besluit bodemkwaliteit geeft aan dat grond alleen mag worden toegepast als hiervoor een bewijsmiddel aanwezig is. Dit bewijsmiddel moet aangeven wat de kwaliteit is van de betreffende grond. De Bkk is een dergelijk bewijsmiddel. In de meeste gevallen van grondverzet kan de Bkk als bewijsmiddel worden gebruikt. Alleen als sprake is van een verdachte locatie kan en mag de Bkk niet worden gebruikt. In deze gevallen moet een ander bewijsmiddel worden aangeleverd waaruit de kwaliteit van de grond blijkt. Een voorbeeld hiervan is een partijkeuring. Een historisch vooronderzoek dat is uitgevoerd conform de NEN5725 moet uitsluitsel geven of een locatie verdacht is van bodemverontreiniging of niet.

14

De Bkk kan ook als bewijsmiddel worden gebruikt bij een voornemen tot bodemsanering conform het Besluit Uniforme Sanering (BUS-melding). Dit geldt voor onverdachte locaties waar de bodem op basis van de Bkk van gemeente Haarlem mogelijk sterk is verontreinigd. Hier hoeft dus geen concreet onderzoek te zijn uitgevoerd op de locatie zelf en kan voor het uitvoeren van de werkzaamheden volstaan worden met een melding. Uit vooronderzoek (NEN5725) moet blijken dat het gaat om een onverdachte locatie. Dat wil zeggen dat er geen bodembedreigende activiteiten bekend mogen zijn waardoor de bodem daar mogelijk meer verontreinigd is dan op basis van de Bkk kan worden verwacht. Als een nuts- of telecombedrijf wil werken in een bodem die volgens de Bkk mogelijk sterk is verontreinigd, dan kan dit bedrijf er ook voor kiezen toch eerst bodemonderzoek te doen. Uit de resultaten van dit onderzoek kan dan blijken dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging op die specifieke plek. Er hoeft dan geen verdere melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. Wel moet bij controle dit onderzoek direct beschikbaar zijn.

4.2 Wijzigingen t.o.v. vorige bodemkwaliteitskaart (2018) Wijziging parameters Arseen en chroom zijn in de eerder opgestelde Bkk in alle bodemkwaliteitszones gemiddeld onder de Achtergrondwaarden (AW2000) vastgesteld. Arseen en chroom behoren al langere tijd (sinds de introductie van het Besluit bodemkwaliteit in 2008) niet meer tot het zogenaamde standaard stoffenpakket. In de onderzoeken van de laatste jaren zijn deze zware metalen dan ook nauwelijks onderzocht. Arseen en chroom zijn niet meer in de Bkk opgenomen. PFAS De stof PFAS is in 2023 voor het eerst opgenomen in de Bkk. De bodemlagen vanaf het maaiveld tot 1,0 meter diepte zijn verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen als gevolg van atmosferische depositie, uitspoeling en grondroering. PFAS is diffuus aanwezig in de bodemlagen tot 1,0 meter minus maaiveld. Binnen de gemeente Haarlem wordt een homogene kwaliteit verwacht voor PFAS. Hierdoor wordt volstaan met één zone voor PFAS voor de bovengrond (0,0 tot 0,5 meter beneden maaiveld) voor de hele gemeente. Alhoewel GenX tot de stofgroep PFAS behoort is deze in de Bkk niet opgenomen. In gemeente Haarlem is het gebruik of toepassing van GenX niet bekend en daarom niet opgenomen in de onderzoeken naar het voorkomen van PFAS in bodem.

Voor de tussenlaag van 0,5 tot 1,0 meter beneden maaiveld zijn op basis van grondsoort twee bodemkwaliteitszones voor PFAS-verbindingen te onderscheiden. In het buitengebied van gemeente Haarlem is aan de noordoostzijde is een bodemlaag met een sterk organisch aandeel (venige laag in de rapportage aangeduid met TB) aanwezig. In het overgrote deel van gemeente Haarlem is aan de zuidoostzijde een mineraalrijke bodemlaag (zand/kleigrond in de rapportage aangeduid met TA) aanwezig. De te onderscheiden zones zijn opgenomen in kaartnummer 2B van Kaartbijlage 1 van de Bkk 2023-2028. Voor beide zones is de kwaliteitsklasse landbouw/natuur vastgesteld. Deze parameters zijn voor deze bodemlaag niet van invloed op de uiteindelijke kwaliteitsklasse van de bodemkwaliteitszones van de ondergrond en vormen geen belemmering voor toepassing van de vrijkomende grond uit die bodemkwaliteitszones. Diepe ondergrond (2,0 - 5,0 beneden maaiveld) Er wordt een nieuw deelgebied onderscheiden voor de bodemlaag 2,0 tot en met 5,0 meter diepte (aangeduid met codering ‘DO’: diepere ondergrond). Dit deelgebied heeft geen regionale onderverdeling en is gedefinieerd voor de gehele gemeente Haarlem.

15

Vergelijking bodemkwaliteit Als de meetgegevens uit de nieuwe Bkk 2023 worden vergeleken met de meetgegevens uit voorgaande bodemkwaliteitskaarten dan valt op dat voor enkele stoffen de waarden hoger uitkomen dan voorheen. Voor andere stoffen is dit juist weer lager. Dit is een gevolg van dat er steeds meer meetgegevens uit bodemonderzoeken beschikbaar komen waardoor het vaststellen van de bodemkwaliteit steeds nauwkeuriger wordt. De algemene kwaliteit van de gemeente is in het algemeen gelijk gebleven. Daarnaast vindt er ook veel inspanning plaats om de bodemkwaliteit (bijvoorbeeld door saneringen) te verbeteren.

4.3 Kaarten in de Bodemkwaliteitskaart In de Bkk Haarlem zijn de volgende kaarten opgenomen. Bodemfunctieklassenkaart Bij het opstellen van de bodemfunctieklassenkaart is zoveel mogelijk gekeken naar het huidige bodemgebruik in gebieden. Gebieden zijn buurten, wijken of aaneengesloten gebied. Het overheersende gebruik van de bodem bepaalt de functie. Voor solitair liggende erven in het industriegebied of natuurgebied is op perceelniveau de functie wonen toegekend. Bodemkwaliteitszonekaart De bodemkwaliteitszonekaart bestaat uit de kaarten voor bovengrond (0,0-0,5 beneden maaiveld) inclusief PFAS, ondergrond (0,5-2,0 beneden maaiveld) inclusief PFAS (in de bodemlaag 0,5-1,0 beneden maaiveld) en diepe ondergrond (2,0-5,0 beneden maaiveld). In feite worden vier bodemlagen onderscheiden waarbij de bodemlagen 0,0-0,5 beneden maaiveld en 0,5-1,0 beneden maaiveld naast het standaard stoffenpakket ook PFAS is opgenomen als diffuse verontreiniging. In de bodemlagen 1,0-2,0 beneden maaiveld en 2,0-5,0 beneden maaiveld is alleen het standaard stoffenpakket opgenomen. In de bijlagen van de rapportage van de Bkk zijn de statistische parameters van de bodemkwaliteitszones weergegeven. In de Haarlemse Bkk worden in totaal 26 zones onderscheiden.

Dit zijn er 8 (B1-B8) voor de bodemlaag 0,0-0,5 beneden maaiveld, 9 (O1-O4a, O4b-O8, met stofgroep PFAS) voor de bodemlaag 0,5-1,0 beneden maaiveld), 9 (O1-O4a, O4b-O8, zonder stofgroep PFAS) voor de bodemlaag 1,0-2,0 beneden maaiveld en 1 voor de bodemlaag 2,0-5,0 beneden maaiveld. De bodemkwaliteitszone B8 en O8 hebben betrekking op de bodem ter plaatse van de openbare wegen in Haarlem. Ter plaatse van de openbare wegen in de bodemkwaliteitszones B1, B2, B3, O1, O2 en O3 wordt veelal een betere kwaliteit geconstateerd dan in de betreffende zones zelf. Kaart met verdachte locaties en uitgesloten gebieden De Bkk doet een uitspraak over de diffuse bodemkwaliteit. Op deze kaart zijn de verdachte locaties weergegeven waarvoor deze kaart niet geldt. Voor het gebruik van de Bkk moet vooraf worden gecheckt of sprake is van een verdachte locatie. Op deze kaart staan in grijs uitgesloten gebieden aangegeven. Deze gebieden zijn uitgesloten van de Bkk, omdat in deze gebieden binnen gemeente Haarlem de gemeente niet de beheerder is van de gebieden. Het gaat om rijkswegen, spoorwegen en een locatie in beheer bij de provincie Noord-Holland. Ontgravingskaarten De ontgravingskaart geeft de te verwachten kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond op een voor de Bkk niet uitgesloten locatie/gebied.

Voorafgaand aan het grondverzet moet informatie worden ingewonnen waaruit blijkt dat de locatie onderdeel uitmaakt van de Bkk. Dit kan via email:

16

bodeminformatie@haarlem.nl. De kaart doet alleen een uitspraak over welke bodemkwaliteit in het algemeen verwacht mag worden binnen de van toepassing zijnde zone. Toepassingskaarten generiek beleid De toepassingskaart toont welke klasse waar in gemeente Haarlem kan worden toegepast op basis van de gebruiksfunctie en de bodemkwaliteit, waarbij de gevoeligste bodemklasse doorslaggevend is. De kaart laat zien dat grond met kwaliteit industrie niet kan worden toegepast in gemeente Haarlem.

17

5.

Gebiedsspecifiek beleid In hoofdstuk 4 is de geactualiseerde Bkk beschreven. Het bodembeleid van de gemeente Haarlem is gebiedsspecifiek. Hieronder wordt toegelicht waarom gemeente Haarlem kiest voor gebiedsspecifiek beleid. • Verhoogde achtergrondwaarden in gemeente Haarlem die geen risico zijn voor de gebruiksfuncties passen niet in de generieke functieklasse. • Voor gemeente Haarlem is voor het grondverzet al langere tijd de gemiddelde achtergrondkwaliteit bepalend geweest om grond uit gemeente Haarlem toe te passen. Met het gebiedsspecifiek beleid wordt dit beleid voortgezet. • De gemiddelde achtergrondkwaliteit levert geen risico's voor de functie in gemeente Haarlem. • Invullen van het principe van standstill in het beheersgebied om het hergebruik van grond mogelijk te maken. Dit is bij generiek beleid niet mogelijk zonder schone gebieden viezer te maken. • Het gebiedsspecifiek beleid laat ruimte voor beoordeling op stofniveau. Met een stofspecifieke beoordeling kan menging met verschillende kwaliteiten worden tegengegaan. Parameters die niet voorkomen als diffuse verontreiniging mogen niet in het gebied worden gebracht (door het toepassen van verontreinigde grond).

5.1 Gebiedsspecifiek beleid Haarlem heeft de gemiddelde achtergrondkwaliteit gebruikt voor het vaststellen van Lokale Maximale Waarden. In de geactualiseerde Bkk blijkt dat in enkele zones (B1, B2, B8 en O1) de gemiddelden van enkele parameters (koper, lood en zink) sinds 2013 significant gestegen zijn. Voor deze parameters is beoordeeld of de daarvan afgeleide Lokale Maximale Waarde een belemmering zou zijn voor de functies in gemeente Haarlem. Het blijkt dat de afgeleide Lokale Maximale Waarde lood voor de bodemkwaliteitszones B1 en B2 een risico oplevert waar het gevoelige functies als wonen met tuin en plaatsen waar kinderen spelen. Voor deze zones wordt voor lood de Lokale Maximale waarde op 370 mg/kg ds vastgesteld. In bijlage 3 zijn de Lokale Maximale Waarden weergegeven per bodemkwaliteitszone en is de verantwoording voor de keuze van die Lokale Maximale Waarde opgenomen. In Haarlem geldt de 95-percentielwaarden als de gehanteerde kwaliteit van de zone van herkomst die is getoetst aan de Lokale Maximale Waarden in de zone die van toepassing is. Uitzondering op de 95-percentielwaarde is vrijkomende grond die binnen dezelfde zone wordt toegepast. Voor vrijkomende grond als toepassing in dezelfde zone is het gemiddelde maatgevend. Met deze uitzondering wordt gebruikgemaakt van het standstill op gebiedsniveau en om het hergebruik van vrijkomende grond te bevorderen.

Een tweede uitzondering is dat deze toetsing niet wordt uitgevoerd als de 95-percentielwaarde de tussenwaarde niet overschrijdt. Dat geldt dan weer niet voor PAK, omdat de Lokale Maximale Waarde hier op 17 is vastgesteld, waarbij bodemkwaliteitszone B6 als referentie fungeert. Uit toetsing is gebleken dat met de gemiddelde kwaliteit per zone de functies in het gebied niet worden geschaad. In onderstaande tabel is in een grondstromenmatrix uitgewerkt waaruit afgeleid kan worden welke grond vrij kan worden toegepast in de zones van de gemeente Haarlem. Dit voorstel leidt tot de grondstromenmatrix zoals die is weergegeven in tabel 2.

18

Toepassing

bovengrond

ondergrond

diepe ondergrond B1 B2 B3 B4 B5 B6 B7 B8 O1 O2 O3 O4a O4b O5 O6 O7 O8 DO-1

B1 B2 B3 B4 B5 B6 B7 B8 O1 O2 O3 O4a O4b O5 O6 O7 O8 DO1-8

* * * *

* * * * * *

diepe ondergrond

ondergrond

bovengrond

Ontgraving

Legenda Toepassing met Bkk toegestaan * Toepassing met Bkk toegestaan, uitzonderlijk functies met onbedekte grond Toepassing met Bkk niet toegestaan, onderzoek met toetsing aan Lokale Maximale Waarden Tabel 2: Grondstromenmatrix Bkk Uit de tabel is af te leiden dat vrijkomende grond uit de zones B5, B7, O5, O6 en O7 in enkele andere zones zonder onderzoek op basis van de Bkk kan worden toegepast. Voor alle overige vrijkomende grond is in ieder geval een onderzoek nodig. Het toevoegen van PFAS in de Bkk beïnvloedt deze toets niet. Voor het benodigde onderzoek gelden dezelfde eisen als in het generieke kader. Vanzelfsprekend gaat het om een partijkeuring AP04 en de volgende strategieën uit de NEN5740 worden gebruikt: • Onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie. • Onderzoeksstrategie voor een grootschalig onverdachte locatie. • Onderzoeksstrategie bij een onbekende bodembelasting. • Onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem. • Onderzoeksstrategie voor de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties. • Onderzoeksstrategie voor de partijkeuring van niet-schone grond uit diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof.

Deze onderzoeksstrategieën van de NEN5740 gaan uit van een monsternemingsintensiteit die in een zelfde orde van grootte ligt als bij de partijkeuring en de erkende kwaliteitsverklaringen. Voor

19

de bodemkwaliteit op een bepaalde locatie zijn deze onderzoeksstrategieën uit de NEN5740 toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit.

5.2 Uitleg onderbouwing van het voorstel In deze paragraaf wordt ingegaan op de vraag of de bestaande kwaliteit een risico is voor de huidige functies. Vervolgens vindt een beoordeling plaats of de toepassingskwaliteit veilig is voor de bestaande functies. Toetsing huidige kwaliteit en functie Om te bepalen of de huidige bodemkwaliteit geschikt is voor de functie, is gekeken of de diffuse kwaliteit een risico vormt voor het huidige gebruik. Daarna wordt getoetst of er werkelijk risico aanwezig is. In de gebiedsspecifieke beoordeling zijn zeven bodemfuncties aanwezig waaraan de bodemkwaliteit kan worden getoetst. Daarmee is het mogelijk om een beoordeling uit te voeren die beter past bij de actuele situatie dan het geval is in de beoordeling van het generieke stelsel, die maar drie categorieën heeft. De beoordeling van de mogelijke risico's vindt plaats in Sanscrit. Sanscrit is de afkorting voor saneringscriterium. Dit is de grens die door het rijk is vastgesteld om te bepalen of sanering noodzakelijk is. In bijlage 1 wordt een toelichting gegeven op de zeven gebruiksfuncties uit het besluit bodemkwaliteit. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat met de gebiedsspecifieke beoordeling geen risico’s zijn voor de gebruiksfuncties op basis van de gemiddelde kwaliteit.

Op basis van 95-percentielwaarde wordt voor bodemkwaliteitszone 1 een humaan risico ingeschat voor de functie wonen met tuin. Concluderend kan in zone 1 voor wonen met tuin risico ontstaan. Omdat deze gebruiksvorm weinig voorkomt in zone 1 en voor de overige functies in deze zone geen risico bestaat, is grondverzet binnen deze zone toelaatbaar. Een beperking hierbij is dat moet worden getoetst aan het gewenste gebruik van de toe te passen grond. Bijvoorbeeld een kinderspeelplaats waar contact met de grond mogelijk is. Indien uit bodemonderzoek blijkt dat daadwerkelijk een risico optreedt, dan wordt via het spoor van bodemsanering en beheermaatregelen aangegeven of er kan worden gesaneerd. Toetsing kwaliteit toepassing en functie In bijlage 2 worden de vastgestelde waarden voor de bodemkwaliteitszones getoetst aan de achtergrondwaarden en interventiewaarden van de Wbb. Algemeen zijn op basis van de gemiddelde kwaliteit per zone Lokale Maximale Waarden bepaald. De Lokale Maximale Waarde wordt berekend met behulp van het gemiddelde van de kwaliteitszone vermenigvuldigt met 1,2. De berekende maximale waarde is vervolgens getoetst in de webapplicatie www.sanscrit.nl aan het saneringscriterium om te boordelen of de gehanteerde Lokale Maximale Waarde een conflict met de functies in het gebied oplevert.

In paragraaf 5.1 is al beschreven dat voor de parameter lood in de bodemkwaliteitszones B1 en B2 een risico werd geconstateerd en hoe dit is opgelost. Voor de parameter kwik is in geen enkele zone gerekend met het gemiddelde kwaliteit van de zone. Kwik komt in de bodem van geheel gemeente Haarlem als diffuse verontreiniging voor. Er is gekozen om voor geheel gemeente Haarlem een Lokale Maximale Waarde van 2,0 mg/kg ds vast te leggen.

20

Voor stoffen die gemiddeld niet boven de AW2000 voorkomen en waarvan de 95-percentielwaarde beneden de tussenwaarde is, is de AW2000 als Lokale Maximale Waarde vastgelegd. Voor PAK is de keuze pragmatisch geweest om de Lokale Maximale Waarde te bepalen op basis van 95percentielwaarde van bodemkwaliteitszone 6. In bijlage 3 wordt per parameter de keuze voor Lokale Maximale Waarde weergegeven en hoe met de Lokale Maximale Waarde wordt gebruikt in de beoordeling van het toepassen van grond.

5.3 Toepassen van grond Toepassen van schone grond Grond die voldoet aan de achtergrondwaarde volgens art 4.2.2, vierde en vijfde lid van de Regeling bodemkwaliteit wordt aangeduid met de term “schone grond”. Deze kan altijd worden toegepast, mits deze toepassing wordt gemeld. Het kwaliteitsbewijs van de schone grond is een erkende kwaliteitsverklaring conform het Besluit bodemkwaliteit. Een Bkk geldt niet als een bewijsmiddel om een partij grond het predicaat “schone grond” te geven. Toepassen van grond met een partijkeuring als bewijsmiddel Als een partij grond voorzien is van een ander geldig bewijsmiddel, zoals een partijkeuring of een erkende milieuhygiënische kwaliteitsverklaring, dan gaat dit andere bewijsmiddel boven de Bkk als milieuhygiënische verklaring, omdat deze een directere uitspraak doet over de kwaliteit van de betreffende partij grond. Toepassen van grond met de Bkk als kwaliteitsverklaring De Bkk van de gemeente Haarlem kan als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt bij het toepassen van grond in het eigen beheergebied. Het moet dan wel gaan om grond van een locatie die onverdacht is voor wat betreft bodemverontreiniging. Voor toepassing van Haarlemse grond in een ander beheergebied moet de kaart van gemeente Haarlem door de betreffende toepasser worden erkend als bewijsmiddel of moet een andere erkende milieuhygiënische verklaring worden gebruikt.

In het gebiedsspecifieke kader wordt van een partij grond geen indeling in bodemkwaliteitsklassen (Wonen en Industrie) gehanteerd. De kwaliteit wordt beoordeeld op stofniveau en wordt getoetst aan de Lokale Maximale Waarden voor de zone van toepassing. De Bkk kan worden gebruikt als milieuhygiënische verklaring als volgens de kaart de kwaliteit in de herkomstzone voldoet voor de toepassingszone. Een verklaring van de gemeente Haarlem op basis van de Bkk geldt als erkende kwaliteitsverklaring. Deze verklaring is aan te vragen via bodeminformatie@haarlem.nl. Toepassen van grond van buiten Haarlem Voor grond afkomstig buiten het beheergebied van de gemeente Haarlem zijn de 95percentielwaarden van de vastgestelde bodemkwaliteitskaarten de waarden die gebruikt worden voor toetsing aan de Lokale Maximale Waarden van de toepassingszone. De herkomst van de aangeboden grond moet (kunnen) worden bevestigd door de gemeente van herkomst. Naast toetsing aan de bodemkwaliteitszone is toetsing aan de specifieke functie mogelijk, waarbij de betreffende toepassingskaart van de Bkk gehanteerd wordt.

21

5.4 Specifieke situaties Asbest In Nederland is van circa 1955 tot 1993 asbest toegepast. In de periode van 1955-1978 is op grote schaal gewerkt met asbesthoudende materialen. Asbest kan in de bodem terecht zijn gekomen op locaties waar asbest is gebruikt in gebouwen, door het zagen of breken van asbestplaten, (afval)stortingen of brand. De aanwezigheid van asbest in de bodem kan risico’s opleveren voor de volksgezondheid. Om deze reden is onderzoek naar het voorkomen van asbest in de bodem in sommige gevallen verplicht. De Bkk geeft geen uitsluitsel of er sprake is van asbesthoudende grond of bodem. In de gemeente Haarlem is een asbestkansenkaart opgesteld. Dit is een signaleringskaart die aangeeft waar een verhoogde kans is dat asbest aanwezig is. De kans op aanwezigheid van asbest zegt niets over de feitelijke risico’s als gevolg van het (mogelijk) aanwezige asbest. De asbestkansenkaart maakt zichtbaar waar in het verleden asbesthoudende producten zijn geproduceerd, toegepast of als afval zijn gestort. Ook zijn die locaties opgenomen waar in het verleden tijdens bodemonderzoek asbest is aangetroffen. De Haarlemse asbestkansenkaart is opgesteld aan de hand van de publicatie “Asbest in kaart” (Register HO, 10 maart 2006).

De Haarlemse asbestkansenkaart bestaat uit een kaart van asbest in de bodem en een kaart met asbest in gebouwen met een bijbehorend rapport (Eindrapportage Asbestkansenkaart Haarlem 1.2, projectnummer 07019, 17 juni 2008, ReGister, Historisch onderzoeksbureau). De asbestkansenkaart is de basis voor het vooronderzoek en bodemonderzoek naar asbest. Wanneer er andere bronnen zijn die wat kunnen zeggen over de aanwezigheid van asbest in de bodem, dan moeten deze ook geraadpleegd worden bij het vooronderzoek. De asbestkansenkaart vervangt dus niet het gehele vooronderzoek, maar kan daarbinnen een onderdeel zijn. Bij het aantreffen van visueel asbestverdacht (plaat)materiaal dient altijd een van onderstaande onderzoeken uitgevoerd te worden: • Asbestonderzoek volgens onderzoeksprotocol NEN 5707 (bij minder dan 50% (m/m) puin in de bodem); • Asbestonderzoek volgens onderzoeksprotocol NEN 5897 (bij meer dan 50% (m/m) puin in de bodem); • Asbestonderzoek volgens onderzoeksprotocol NTA5725 voor waterbodems en natte baggerspecie. Asbest in de bodem wordt meestal aangetroffen in combinatie met puinbijmengingen. Bij het aantreffen van puin in de bodem moet men dus bedacht zijn op de aanwezigheid van asbest. Of puin daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat aanwezig is en het historisch gebruik van de locatie.

De onderstaande type puinbijmengingen zijn in de regel niet asbestverdacht: • Puin van asfalt; • Puin van cement; • Puin van klinkers en straatstenen; • Historisch puin (periode van voor 1953). Indien één van bovengenoemde bijmengingen enkelvoudig of in combinatie in de bodem wordt aangetroffen, is geen asbestonderzoek noodzakelijk. Overige puinsoorten of bijmengingen zijn in de regel asbestverdacht, bijv. verschillende soorten bouwpuin en funderingspuin.

22

Indien een partij grond asbest bevat en deze partij grond wordt toegepast binnen het bodembeheergebied, dan gelden de volgende voorwaarden: • De hoeveelheid asbest mag het wettelijk criterium dat geldt voor asbest niet overschrijden (indien dit wel gebeurt dan is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging die op grond van de Wbb moet worden gesaneerd). • De toe te passen grond moet visueel vrij zijn van asbesthoudend (plaat)materiaal (> 20 mm). Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg aan -gewogen- asbest mag bevatten. Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. De toe te passen grond moet visueel vrij zijn van asbesthoudend (plaat)materiaal (> 20 mm). Voor toepassingen van grond ter plaatse van locaties met gevoelig bodemgebruik (speelterreinen, wonen met tuin, natuur-, sport- en recreatiegebieden) is het niet toegestaan met asbest verontreinigde grond toe te passen. Kabels en leidingen In het Besluit bodemkwaliteit (artikel 36) is beschreven dat het tijdelijk verplaatsen of uit een toepassing wegnemen van grond is toegestaan indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities in die toepassing wordt teruggebracht. Formeel betekent dit dat de vrijgekomen grond in dezelfde laag moet worden teruggebracht.

Het gescheiden ontgraven en houden van de boven- en ondergrond is in de praktijk echter moeilijk realiseerbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen. De grond die bij dit soort werkzaamheden wordt ontgraven, wordt namelijk vaak in één depot geplaatst. Daarbij wordt over het algemeen geen onderscheid gemaakt in grond afkomstig uit de bovengrond of uit de ondergrond, met als gevolg dat de grond geroerd in de sleuf wordt teruggebracht. Gezien de ervaringen uit de praktijk, wordt binnen de reikwijdte van deze nota toegestaan om bij de tijdelijke uitname van grond, specifiek bij werkzaamheden aan kabels en leidingen (exclusief rioolleidingen, omdat deze veelal dieper gelegen zijn), het gescheiden ontgraven en terugplaatsen van de bovenen ondergrond niet strikt te handhaven. Dit betekent dat in het traject 0,0-1,0 meter minus maaiveld de boven- en ondergrond geroerd mag worden teruggeplaatst. Overige bepalingen (zorgplicht en functionaliteit) en wetgeving (bijvoorbeeld Wbb, afvalstoffen- en arboregelgeving, Wro en Waterwet) blijven bij tijdelijke uitname onverminderd van kracht. Consequentie van deze werkwijze is dat de bodem ter plaatse van leidingtracés geroerd raakt met als mogelijk gevolg het opmengen van verschillende kwaliteitsklassen. De vermenging wordt geaccepteerd omdat: • Het betreft een relatief kleinschalige ingreep.

• De kwaliteit van de bovengrond verbetert. • Er geen bodemhygiënische risico’s optreden. • Na de werkzaamheden de bovengrond veelal weer wordt afgedekt met bestrating. • De grond ter plaatse van leidingtracés in het verleden al vermengd is geraakt bij de aanleg van de kabels en leidingen (incl. riolering) dan wel dat de kabelgoten destijds mogelijk zijn aangevuld met schone grond. Lintbebouwing Langs de oudste strandwal komen gebieden (met lintbebouwing) voor die afwijkend zijn van het gemiddelde van de bodemkwaliteitszone waar zij gelegen zijn. Deze afwijking is een gevolg van langdurig extensief gebruik van de omgeving. Naast de lintbebouwing op de strandwal is in het omliggende weidegebied een toemaakdek aanwezig. Het gaat met name om de bebouwing langs het Liewegje en de Noord- en Zuid-Schalkwijkerweg. Uit onderzoeken ter plaatse is bekend dat een

23

heterogeen verontreinigingsbeeld met koper en lood waarneembaar is boven de interventiewaarde. Een sanering kan dan nodig zijn. Er hoeft dan niet te worden gesaneerd tot het niveau van de Lokale Maximale Waarde, maar tot een niveau dat voor de beoogde functie acceptabel is. Voor het aanvullen van de ontgraving geldt dat de toe te passen grond voldoet aan de Lokale Maximale Waarde van de zone waar de locatie is gelegen. Hiervoor is afstemming met het bevoegd gezag nodig. De beoogde functie na het saneren is hierbij bepalend in de risicobeoordeling. Zie ook paragraaf 2.2 Saneringsbeleid in deze nota. In de risicobeoordeling van Sanscrit zijn verschillende grenzen opgenomen voor verschillende gebruiksfuncties. Ter illustratie van de risicogrenzen in Sanscrit de onderstaande tabel en toelichting

Humane biobeschikbaarheidsfactor Bodemfunctie

Natuur/groen1) Plaatsen waar kinderen spelen1) Wonen met tuin1)

Scenario consumptie % blad- en knolgewassen 0% 0%

Scenario mate bodemcontact weinig veel

Sanscrit, standaard in stap 2

Sanscrit, oude ophooglagen, kan in stap 3

Sanscrit, lagere biobeschikbaarheid, kan in stap 3

0,74

0,403)

bv. 0,2054)

3650 730

6720 1350

13300 2690

10% blad veel 530 810 1150 10% knol Grote moestuin1) 100% blad veel 140 150 160 50% knol Kleine moestuin2) 50% blad veel 230 270 300 25% knol Tabel 3: Risicogrenzen voor lood voor humane spoed (in de vorm van bodemconcentraties in mg/kg ds) bij verschillende bodemgebruiksfuncties en verschillende humane biobeschikbaarheid 1) Bodemfuncties zoals vastgelegd in het NOBO-rapport en ook doorgevoerd in Sanscrit. ‘Natuur/groen’ staat voor de bodemfuncties ‘Natuur’, ‘Groen met natuurwaarden’ en ‘Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’. Onder de bodemfunctie ‘Plaatsen waar kinderen spelen’, kan ook de siertuin vallen. Voor meer informatie zie paragraaf 6.4 van het NOBO-rapport. 2) Bodemfunctie vastgelegd in het NOBO-rapport, opgenomen in de Risicotoolbox en instelbaar in stap 3 van Sanscrit (aanpassen fractie verontreinigd gewas). Voor de kleine moestuin wordt uitgegaan van een oppervlakte van minimaal ca. 100 m2 in gebruik als moestuin en voor de grote moestuin is dit minimaal ca. 200 m2.

3) In de Circulaire bodemsanering wordt toegelicht dat een relatieve humane biobeschikbaarheidsfactor van 0,4 kan worden toegepast voor stedelijke ophooglagen met een historische loodverontreiniging, voor toemaakdekken (bodems met een organisch stofgehalte van minimaal 20% en een historische loodverontreiniging) en hiermee vergelijkbare bodems waarvan kan worden aangetoond dat de loodverontreiniging een lage humane biobeschikbaarheid heeft. 4) Een relatieve humane biobeschikbaarheidsfactor anders dan 0,4 kan vastgesteld worden via onderzoek, het gehalte van 0,2 wordt gehanteerd in de gemeente Rotterdam.

24

In deze tabel is te zien dat de risicogrens voor lood lager (strenger) wordt bij veel bodemcontact in plaats van weinig bodemcontact en bij meer gewasconsumptie. Ook wordt de risicogrens lager (strenger) als wordt uitgegaan van een hogere humane biobeschikbaarheidsfactor. Overige bijzondere situaties Voor situaties die niet beschreven zijn in deze nota moet contact worden opgenomen met de afdeling OMB via meldpuntbodem@haarlem.nl .

25

6.

Taken en bevoegdheden De gemeente Haarlem is onder de Wbb bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit. De meldingen voor het toepassen van grond gaan via het landelijk meldpunt Bodemkwaliteit (digitaal loket Meldpunt Bodemkwaliteit) en worden voor afhandeling doorgestuurd naar het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk worden de taken en bevoegdheden van de gemeente beschreven. Wanneer melden De onderstaande tabel geeft in grote lijnen de melding en toetsing weer onder het Besluit bodemkwaliteit en het gebiedsspecifieke beleid van de gemeente Haarlem. Meldingsplicht (bij gebruik op landbodem) ja, eenmalig

Toepassen van ‘AW2000’grond > 50 m3 Toepassen van grond ja 3 grootschalig > 5000 m Toepassen van licht ja verontreinigde grond Tijdelijk opslaan ja Verspreiden van baggerspecie nee op aangrenzend perceel Verspreidbare baggerspecie in ja weilanddepot Tabel 4: Meldingsplicht besluit bodemkwaliteit

Toetsing aan LMW Kwaliteitsgegevens bodemkwaliteitszone nee

ja, in de melding

nee

ja, in melding

ja

ja, in melding

ja nee

ja, in melding ja, in eigen beheer

nee

ja, in melding

Voor een toelichting op deze tabel wordt verwezen naar bijlage 4. In de volgende situaties is geen melding nodig: • Toepassen van grond of baggerspecie door particulieren. • Toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf als de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waarop de grond of baggerspecie wordt toegepast. Voor de definitie van een landbouwbedrijf wordt verwezen naar artikel 1.1 van de Meststoffenwet. • Het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen. • Het toepassen van schone (AW2000) grond en baggerspecie in hoeveelheden kleiner dan 50 m3. Voor het toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld (zie tabel in bijlage 4). Het feit dat geen meldingsverplichting bestaat betekent uiteraard dat de toepassing aantoonbaar moet voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit.

26

6.1 Meldingstermijn en loket Degene die grond of baggerspecie gaat toepassen (ook in tijdelijke depots) moet dit ten minste vijf werkdagen van tevoren melden via het landelijke Meldpunt Bodemkwaliteit. Het Meldpunt Bodemkwaliteit stuurt een ontvangstbevestiging en stuurt de melding door naar het bevoegd gezag. Op de website van het meldpunt zijn de meldingsformulieren te vinden en ook de informatie over welke gegevens bij de melding moeten worden gevoegd. Men kan bij het meldpunt ook terecht voor vragen over het invullen van de meldingsformulieren of het aanvragen van een account om digitaal te kunnen melden. Een verklaring van de gemeente Haarlem op basis van de Bkk geldt als erkende kwaliteitsverklaring. Deze verklaring is aan te vragen via bodeminformatie@haarlem.nl.

6.2 Beoordeling De Omgevingsdienst IJmond (hierna: ODIJ) toetst de voorgenomen toepassing en de eventueel bijgeleverde stukken aan het Besluit bodemkwaliteit en onderliggende Nota bodembeheer. Er wordt nagegaan of de gegevens van de melding juist zijn, of de werkzaamheden onder het juiste toepassingskader zijn aangemeld en ook of er terecht van de Bkk of andere documenten als bewijsmiddel gebruik is gemaakt. Verder wordt nagegaan of er sprake is van bijzondere omstandigheden of onverwachte situaties. Uiteindelijk volgt de conclusie over de toepasbaarheid van de partij grond of baggerspecie. Indien noodzakelijk zal ODIJ contact opnemen met de melder als er bijzonderheden zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13635293/2