ambtelijke kadernotitie Amsterdamsevaart 38-60
Tekst van het document
Amsterdamsevaart 38-60 Ambtelijke kadernotitie – 18 september 2024
Inhoud 1. Inleiding ............................................................................................................................................................... 2 1.1 Leeswijzer .......................................................................................................................................................................... 2 1.2 Uitleg randvoorwaarden, eisen en wensen ....................................................................................................................... 2
2. Omgevingswet en -visie ...................................................................................................................................... 3 3. Programma.......................................................................................................................................................... 3 3.1 Werkprogramma ............................................................................................................................................................... 3 3.2 Woonprogramma .............................................................................................................................................................. 4
4. Ruimtelijke opzet ................................................................................................................................................ 4 5. Natuur, klimaat en duurzaamheidsaspecten ...................................................................................................... 4 5.1 Natuurinclusiviteit en biodiversiteit .................................................................................................................................. 4 5.2 Bomen ............................................................................................................................................................................... 5 5.3 Water en klimaatadaptatie ............................................................................................................................................... 5 5.4 Energie .............................................................................................................................................................................. 6 5.5 Circulariteit ........................................................................................................................................................................ 7
6. Milieu- en omgevingsaspecten ........................................................................................................................... 7 6.1 Stikstof .............................................................................................................................................................................. 7 6.2 Bezonning .......................................................................................................................................................................... 8 6.3 Geluid ................................................................................................................................................................................ 8 6.4 Bodemkwaliteit ................................................................................................................................................................. 9 6.5 Archeologie ....................................................................................................................................................................... 9
7. Mobiliteit ........................................................................................................................................................... 10 7.1 Fietsparkeren bewoners en bezoekers ........................................................................................................................... 10 7.2 Autoparkeren bewoners en bezoekers ........................................................................................................................... 10 7.3 Toegankelijkheid calamiteitendiensten........................................................................................................................... 11
8. Privaat maaiveld ................................................................................................................................................ 11 8.1 Overgangszone tussen openbare ruimte en gebouw ...................................................................................................... 11 8.2 Voortuintjes en erfafscheidingen bij woningen .............................................................................................................. 11
9. Gebouwen ......................................................................................................................................................... 12 9.1 Sociaal veilig en toegankelijk ........................................................................................................................................... 12 9.2 Gebouwplinten................................................................................................................................................................ 12 9.3 Entreepartijen ................................................................................................................................................................. 13 9.4 Bergingen en collectieve stallingsruimten....................................................................................................................... 14 9.5 Parkeergarages ................................................................................................................................................................ 14 9.6 Technische ruimten en installaties ..................................................................................................................................
14 9.7 Vergroenen daken en gevels ........................................................................................................................................... 15 9.8 Beeldkwaliteit.................................................................................................................................................................. 15
10. Participatie- en inspraak ................................................................................................................................. 16
1/16
1. Inleiding Deze ambtelijke kadernotitie geeft de relevante kaders die voor de herontwikkeling van Amsterdamsevaart 3860 en Vaartstraat 2 gelden. Conform de geest van de omgevingswet worden deze kaders integraal en vooraf aan de initiatiefnemer meegegeven zodat het duidelijk is waar de gemeente aan toetst. 1.1 Leeswijzer De kaders die in deze notitie behandeld worden zijn van invloed (of kunnen invloed hebben) op het plan. De onderzoeken die hierbij nodig zijn moeten in de Ontwerpfase van het Haarlems Ruimtelijke Planproces (HRPP) aangeleverd worden voor de ambtelijke toetsing. Indien uit deze toetsing blijkt dat aanpassingen noodzakelijk zijn, dan dient het plan hierop aangepast te worden. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: • Omgevingswet en -visie • Ruimtelijke opzet • Programma • Natuur-, klimaat- en duurzaamheidsaspecten • Milieu- en omgevingsaspecten • Mobiliteit • Privaat maaiveld • Gebouwen • Participatie Op allerlei vlakken zit er overlap in deze thema’s. Een onderwerp als duurzaamheid heeft bijvoorbeeld betrekking op de gebouwontwerpen maar ook op mobiliteit. Daarom moet de kadernotitie altijd in zijn totaliteit doorgenomen worden, ook als de informatievraag betrekking heeft op één onderwerp. Let op: deze notitie behandelt alleen de hoofdlijnen van wet- en regelgeving die van invloed (kunnen) zijn op het plan.
Bij de vergunningsaanvraag dient de ontwikkelende partij altijd te controleren of er ook voldaan wordt aan de andere kaders die in deze notitie niet benoemd worden. Ook dient de ontwikkelende partij altijd te controleren of de documenten waarnaar verwezen wordt nog actueel zijn tegen de tijd dat de vergunningsaanvraag wordt ingediend. Een vergunningsaanvraag wordt altijd getoetst aan de dan geldende wet- en regelgeving tenzij dit in de anterieure overeenkomst anders vastgelegd wordt. 1.2 Uitleg randvoorwaarden, eisen en wensen In deze notitie wordt onderscheid gemaakt tussen randvoorwaarden, eisen en wensen. Randvoorwaarden betreffen landelijke wetgeving (bijvoorbeeld de Omgevingswet) of regelgeving van andere instanties (bijvoorbeeld de Waterschapsverordening van Rijnland) waar de gemeente zich aan moet houden. Een project moet altijd voldoen aan deze randvoorwaarden. Eisen stellen kaders aan een project die voortkomen uit gemeentelijk beleid (bijvoorbeeld de Nota parkeernormen) en de beoogde kwaliteit van het maaiveld- en gebouwontwerp. Afwijken van een eis kan alleen als er een gelijkwaardige oplossing voor gevonden wordt of dat het om goed onderbouwde redenen niet mogelijk is om aan de eis te voldoen. Wensen zijn ambities van de gemeente waar het project bij voorkeur aan voldoet maar die niet afdwingbaar zijn.
De gemeente zal de ontwikkelende partijen vragen invulling te geven aan deze wensen en uitleg te geven als er niet aan voldaan kan worden.
2/16
2. Omgevingswet en -visie Fysieke ontwikkelingen moeten voldoen aan de Omgevingswet. De rijksoverheid wil dat deze wet bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Haarlem heeft dit in de Omgevingsvisie uitgewerkt in zes strategische keuzes. Drie van deze keuzes zijn van toepassing op de herontwikkeling van Amsterdamsevaart 3860 en Vaartstraat 2. Randvoorwaarden • Een fysieke ontwikkeling draagt bij aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. • Een fysieke ontwikkeling draagt bij aan het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen. • Een fysieke ontwikkeling heeft geen aanzienlijke nadelige gevolgen voor de leefomgeving. De leefomgeving van een fysieke ontwikkeling omvat de locatie waarop deze ontwikkeling plaatsvindt en de omgeving waar de ontwikkeling op van invloed kan zijn.
Eisen De herontwikkeling van Amsterdamsevaart 38-60 en Vaartstraat 2, dient aan drie van de zes strategische keuzes uit de Haarlemse Omgevingsvisie bij te dragen, te weten: • Mengen en verdichten: extra woningen combineren met werkfunctie(s) om bij te dragen dat er in Haarlem voldoende werkplekken zijn en er voor alle doelgroepen een woning is. Waardevolle karakteristieken van Haarlem worden hierbij gekoesterd en behouden. Zie paragrafen 3 en 4. • Vergroenen en vernatten: hoewel op een bescheiden schaal, draagt de ontwikkeling bij aan het vergroenen en vernatten van Haarlem, zie paragraaf 5. • Mobiliteitstransitie: door vanuit de woning sneller bij de fiets dan de auto te zijn, wordt fietsgebruik gestimuleerd, zie paragraaf 7.
3. Programma De locatie heeft een gemengde bestemming. De gemeente is bereid mee te werken aan vervangende nieuwbouw mits een werkfunctie behouden blijft. Hiernaast moeten de woningen voldoen aan het gemeentelijk beleid. 3.1 Werkprogramma De huidige werkfuncties op deze locatie behelzen circa 700m2 bvo. Dit betreffen voornamelijk verzorgende functies. Behoud van werkfuncties is een belangrijke voorwaarde in de herontwikkeling. Hierbij moet worden meegenomen dat het aantal arbeidsplaatsen gelijk zal blijven na herontwikkeling ten opzichte van wat er nu mogelijk is. Daarnaast leent deze plek zich voor functies in de (buurt)verzorgende sector of kleinschalige werk/kantoorlocatie. Eisen • Werkfunctie(s) integreren in de herontwikkeling; omvang van minimaal 400m2 en maximaal 700m2 bvo. • Invulling van de werkfunctie(s) die bijdraagt aan levendige plinten. Zie paragraaf 9.2. Wensen • Voorkeur voor verzorgende economische functies die buurtondersteunend zijn.
3/16
• Verkennen om werkfunctie(s) aan te laten sluiten op de herontwikkeling aan de Poortstraat. 3.2 Woonprogramma Voor dit deel van Haarlem moet het woonprogramma voldoen aan de verdeling 40% sociaal, 40% midden en 20% vrij. Ook moet het voldoen aan de spelregels voor sociale huur en middensegment en de verordening doelgroepen. Eisen • De ontwikkeling dient te voldoen aan de actuele Woonvisie en de Actualisatie Haarlemse spelregels voor woningbouwprogrammering nieuwbouw sociale huur en middensegment. • Grenzen middeldure koop- en huurwoningen conform Verordening Doelgroepen woningbouw Haarlem. • De sociale woningen wordt gelijktijdig met de andere segmenten ontwikkeld. • Voor koopwoningen in het vrije segment geldt een zelfbewoningsplicht en een antispeculatiebeding.
4. Ruimtelijke opzet Voor de kaders met betrekking tot de ruimtelijke opzet van de nieuwe bebouwing, zie reactie team Stedenbouw & Landschap (d.d. 7 augustus 2024) op het schetsontwerp (d.d. 26 juni 2024).
5. Natuur, klimaat en duurzaamheidsaspecten Deze paragraaf geeft de kaders waar de ontwikkeling op de volgende aspecten aan moeten voldoen: 1. Natuurinclusiviteit en biodiversiteit 2. Bomen 3. Water en klimaatadaptatie 4. Energie 5. Circulariteit 5.1 Natuurinclusiviteit en biodiversiteit Natuurinclusiviteit en biodiversiteit dragen ook bij aan natuurbeleving, een gezonde leefomgeving en klimaatadaptatie (voorkomen hittestress, droogte en wateroverlast). Doelstelling voor iedere ontwikkeling in Haarlem is het behouden en creëren van habitats voor gebiedseigen flora en fauna. Randvoorwaarden • Er wordt ontwikkeld conform de Omgevingswet, in het bijzonder de bepalingen opgenomen in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. • De ontwikkeling moet met een Natuurtoets (ecologisch onderzoek) beoordeeld worden op ecologische effecten, inclusief quick-scan ecologie plus eventuele vervolgonderzoeken die hieruit naar voren komen. Eisen • Natuurinclusief bouwen volgens het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw op niveau ‘Brons’: o Voor dit middelgroot project is dit het behouden en realiseren van een hoogwaardige habitat voor minimaal twee soortencategorieën (gebouwbewonend, boombewonend of struweel gebonden). o Per soortencategorie wordt aangeven welke maatregelen worden genomen om dit te bereiken.
Hierbij wordt ingegaan op de samenhang tussen de vier V’s: voedsel, veiligheid, voortplantingsmogelijkheden en variatie. • De te nemen maatregelen moeten voldoen aan het volgende: o Nieuwe beplanting is (zoveel mogelijk) gebiedseigen en biologisch, klimaatbestendig en passend bij de habitatwensen van de doelsoorten.
4/16
o Nieuwe beplanting draagt maximaal bij aan de doelstelling dat ten minste 50% van de beplanting in het plangebied inheems dient te zijn. o Daken en/of gevels worden benut voor gebouwbewonende soorten (Insectenstenen, nestkasten, natuurdaken, gevelgroen etc.). Zie ook paragraaf 9.7. • Voor alle maatregelen geldt dat ze aantoonbaar: o Realiseerbaar zijn binnen de invloedsfeer van de uitvoerende partij. o Op deskundige wijze worden uitgevoerd. o In goede staat moeten blijven en niet in een later stadium mogen worden weggehaald. o Zijn goedgekeurd door de gemeente. • Bij werkzaamheden die van invloed zijn op flora en fauna wordt gewerkt volgens de actuele Gedragscode soortbescherming gemeenten. Wens • Natuurinclusief bouwen volgens het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw op niveau ‘Zilver/Goud’: Hoogwaardige habitat creëren voor meer soorten dan geëist bij brons. 5.2 Bomen Bomen dragen bij aan verblijfskwaliteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Daarom dienen monumentale en gezonde bomen behouden te blijven en worden bomen toegevoegd in de openbare ruimte en op privaat terrein. Let hierbij op dat conform de Bomenverordening gezonde bomen van 50 jaar en ouder ook als waardevolle bomen behandeld dienen te worden.
Eisen • Bomeninventarisatie is onderdeel van de ontwerpfase, hierbij dient te worden geïnventariseerd wat de leeftijdsverwachting, gezondheid, beheerbaarheid, kroonprojectie en eventuele verplantbaarheid is van de bomen binnen de invloedsfeer van het project. • Er wordt ontworpen volgens het ‘groen, tenzij’ principe: bestaande bomen blijft behouden tenzij er zwaarwegende argumenten zijn. Te kappen bomen dienen een-op-een vervangen te worden. • Monumentale bomen en gemeentelijk waardevolle bomen dienen behouden te blijven. • Bestaande wortelruimte conform kroonprojectie blijft bij de te behouden bomen onaangetast. • Tijdens de bouw mogen bouwsteigers e.d. niet in de boomkroon geplaatst worden. • Zodra het ontwerp is vastgesteld dient er een Boom Effect Analyse (BEA) te worden gedaan. 5.3 Water en klimaatadaptatie De klimaatverandering brengt langdurige regenbuien, piekbuien, hittestress en perioden van droogte met zich mee. De ontwikkeling moet in staat zijn om de klimaatveranderingen op te vangen en overlast te voorkomen, nu en in de toekomst. Randvoorwaarde • Conform de Waterschapsverordening van Rijnland dient bij verhardingstoename 15% te worden gecompenseerd in de vorm van open water of een alternatieve waterberging binnen een straal van 5km van de ontwikkelinglocatie (en binnen hetzelfde peilgebied).
Eisen • Conform het Plan Stedelijk Water Haarlem moet het ontwerp ook tijdens hitte een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden. Hiervoor worden de volgende kaders gehanteerd: o Ten minste 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten worden warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd om opwarming van het stedelijk gebied en gebouwen zelf te verminderen.
5/16
o Gebouwkoeling leidt niet tot opwarming van de verblijfsruimtes in de directe omgeving. o De ontwikkeling is waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden, in de bodem gebracht en hergebruikt in het plangebied. • Conform de Hemelwaterverordening, gelden de volgende kaders: o Regenwater dat op particulier terrein valt mag niet direct worden afgewenteld naar openbaar terrein. Hiervoor dient een hemelwaterberging op eigen terrein te worden aangelegd (minimale capaciteit van 70 liter per m2). o Voor de afvoer van hemelwater hanteert de gemeente een voorkeursvolgorde waarbij hemelwater alleen mag worden afgevoerd via het gemengd riool als andere afvoermogelijkheden zoals HWA of infiltratie naar de bodem niet mogelijk zijn. De voorkeursvolgorde is eerst infiltratie naar de bodem, dan afvoer via HWA of direct naar oppervlaktewater en dan pas gemengd riool. Binnen bovenstaande beleidsstukken met betrekking tot water, droogte en hitte is inhoudelijke overlap en/of samenhang aanwezig. In overleg met Hoogheemraadschap Rijnland en de gemeente kunnen de maatregelen worden gecombineerd om aan de verschillende randvoorwaarden en eisen te voldoen.
Om aan te tonen dat de initiatiefnemer aan bovenstaande randvoorwaarden en eisen voldoet, dienen de volgende berekeningen in de ontwerpfase aangeleverd te worden: • Berekening areaal verhardingscompensatie. • Waterbergingsberekening volgens Rekentool Hoogheemraadschap Rijnland. • Klimaatstresstest, zie handreiking Kennisplatvorm Klimaatadaptatie. 5.4 Energie De gebouwde omgeving is een grote energiegebruiker maar ook een potentiële energieproducent. Uitgangspunt is dat energieverbruik zo veel mogelijk wordt gereduceerd en de potentiële duurzame energieopwekking zo veel mogelijk wordt benut. Haarlem streeft ernaar om minimaal niveau ‘Brons’ uit het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw te halen. Voor het aandeel hernieuwbare energie is dit een aanscherping ten opzichte van het wettelijk vereiste. Randvoorwaarden • Bij grondgebonden woningen is de maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling 55kWh/m 2/jaar, bij gestapelde woningen is dit 65kWh/m2/jaar (BENG1). • Bij grondgebonden woningen is het minimaal aandeel hernieuwbare energie 50%, bij gestapelde woningen is dit 40% (BENG3). Eisen • Het aandeel hernieuwbare energie is voor grondgebonden woningen minimaal 100% en voor gestapelde woningen minimaal 80% (Energieneutraal). • Trafo’s, WKO-ruimten, e.d. worden niet in de openbare ruimte, maar op privaat terrein en uit het zicht geplaatst, zie ook paragraaf 9.6.
• Voor kozijnen in zuid- en westgevels buitenzonwering standaard toepassen en integreren in gebouwontwerp. Voor beeldkwaliteitscriteria zie paragraaf 9.8. Wensen • Er dient onderzocht te worden of de omliggende bestaande bebouwing aangesloten kunnen worden op de te realiseren warmtevoorziening van de nieuwbouw. • De gemeente, Liander en ontwikkelende partij treden met elkaar in overleg om de mogelijkheden te verkennen van het onderbrengen van een extra trafo voor de omliggende buurt in de nieuwbouw.
6/16
5.5 Circulariteit Haarlem wil stappen zetten in de richting van een circulaire economie. De doelstelling is dat Haarlem per 2040 circulair is. Haarlem streeft ernaar om minimaal niveau ‘Brons’ uit het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw te halen. Voor de milieuprestatie van gebouwen (MPG-score) is dit een lichte aanscherping ten opzichte van het wettelijk vereiste. Randvoorwaarde • MPG-score van 0,8 (en 0,5 vanaf 2030). Eisen • MPG-score van 0,75 en 30% van de grondstoffen is non-virgin en/of biobased. • Vanaf 2025 wordt minimaal 20% van de nieuwe gebouwen in hout gerealiseerd conform het Convenant Houtbouw. • Gebouwen worden opgenomen in Madaster en een demontageplan wordt opgesteld. • Het scheiden van afval wordt zo makkelijk mogelijk gemaakt zodat mensen het eenvoudig kunnen opnemen in de dagelijkse routine. Wensen • Groenafval wordt zoveel mogelijk binnen het gebied gecomposteerd en hergebruikt. • Bij appartementen voedselvermalers toepassen om afvalscheiding (sterk) te verbeteren.
6. Milieu- en omgevingsaspecten Deze paragraaf benoemt milieu- en omgevingsaspecten waarmee vanaf het begin van de ontwerpfase rekening gehouden moet worden om te komen tot een gezonde en veilige leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Het betreft de volgende onderwerpen: 1. Stikstof 2. Bezonning 3. Geluid 4. Bodemkwaliteit 5. Archeologie 6.1 Stikstof Middels een stikstofdepositieberekening (AERIUS-berekening) moet onderzocht worden of het project kan voldoen aan de Omgevingswet. Randvoorwaarden • Er moet voldaan worden aan de zorgplicht als bedoeld in de Omgevingswet en artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De zorgplicht betreft het zo veel mogelijk beperken van uitstoot door middel van inzet van schoon en emissieloos materieel. • Om het effect op de Natura 2000-gebieden te beoordelen moet een AERIUS-berekening worden uitgevoerd aan de hand van de meest recent beschikbare AERIUS-calculator, zoals wordt voorgeschreven in de Wet natuurbescherming. • Indien de ontwikkeling leidt tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied moet worden uitgezocht welke stappen gevolgd moeten worden om te kunnen voldoen aan de randvoorwaarden van de Omgevingswet.
7/16
6.2 Bezonning De nieuwbouw zorgt voor een goede afwisseling van zon en schaduwplekken zodat er ruimte is voor verkoeling in de zomer en opwarming in de winter. De nieuwbouw heeft een acceptabel effect op de bezonning van de directe woonomgeving. Eisen • Er wordt een bezonningsstudie verricht op basis van de TNO-normen in relatie tot de bestaande (woon)bebouwing in de omgeving. • Er moet worden voldaan aan minimaal de ‘lichte’ TNO-norm. • Indien niet voldaan kan worden aan de ‘lichte’ TNO-norm, dient gemotiveerd te worden waarom de ontwikkeling alsnog aanvaardbaar wordt geacht met inachtneming van de maatschappelijke belangen van de ontwikkeling in relatie tot de negatieve effecten op de omwonenden. • Voor verblijfsgebieden binnen en rondom de te ontwikkelen locatie, zoals (horeca-)terrassen, zitplekken in de openbare ruimte en balkons moet worden aangetoond dat sprake zal zijn van voldoende zonuren. 6.3 Geluid Er moet worden voldaan aan de geluidsnormen zodat een gezond leefklimaat gegarandeerd kan worden. Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is de Beleidsregel hogere waarden wet geluidhinder van toepassing met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels en opvolgend beleid. Let hierbij op dat de locatie binnen de vastgestelde geluidzone van de Waarderpolder ligt en dat dit deel van de Amsterdamsevaart een 50km/uur weg blijft.
Alle gemeentelijke wegen, inclusief de 30 km/uur woonstraten, vallen binnen de geldende wetgeving. Randvoorwaarde • Er moet een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd op basis van de geldende wetgeving. Eisen ontwerpproces • Tijdens het ontwerpproces dient een oriënterend akoestisch onderzoek gedaan te worden op basis van de volumestudie. • In het akoestisch onderzoek dient aandacht besteed te worden aan het beperken van mogelijk geluidoverlast van de speelvoorziening in de Vaartstraat op de nieuwe woningen. Eisen kwaliteitsniveau • Bij overschrijding van de standaardwaarde geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, dient minimaal aan het volgende te worden voldaan (met inbegrip van eventuele wijzigingen naar aanleiding van nieuwe beleidsregels): o Een woning dient ten minste één geluidsluwe gevel te hebben die voldoet aan de standaardwaarde zoals gedefinieerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. o Eenzijdig georiënteerde geluidgevoelige gebouwen zijn uitsluitend toegestaan indien sprake is van een geluidluwe gevel. o Bij een geluidsbelasting 5dB hoger dan de standaardwaarde vanwege wegverkeer, 3dB hoger dan de standaardwaarde railverkeer of 5dB hoger dan de standaardwaarde industrielawaai, moet ten minste één slaapkamer aan de geluidsluwe gevel liggen.
Indien gemotiveerd niet voldaan kan worden aan het vereiste kwaliteitsniveau, kan na instemming van de Gemeente van deze eisen worden afgeweken mits compenserende maatregelen worden getroffen in de volgende volgorde: • Geluidcompenserende maatregelen. Bij geluid compenserende maatregel kan gedacht worden aan een
8/16
loggia voorzieningen als alternatief voor een geluidsluwe zijde bij bijvoorbeeld moeilijk oplosbare hoekwoningen. • Alternatieve compenserende maatregelen die bijdragen aan een gezonde leefomgeving. Bij alternatieve compenserende maatregelen kan gedacht worden aan extra groen rondom de woning, wat kan worden toegepast als aanvulling op de geluid compenserende maatregelen. Met een combinatie van bovengenoemde maatregelen wordt zodoende een acceptabel alternatief kwaliteitsniveau bereikt. 6.4 Bodemkwaliteit Het doel van bodembeleid is enerzijds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant die op en in de bodem leven en anderzijds het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. Randvoorwaarden • Er wordt ontwikkeld conform de Omgevingswet, in het bijzonder de bepalingen opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Om in het kader van de Omgevingsvergunning te kunnen toetsen of de bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie kan worden toegelaten, is het nodig om een Verkennend Bodemonderzoek volgens de NEN 5740 uit te voeren. Eisen • Het bodembeheer mag niet leiden tot nieuwe gevallen van ernstige verontreiniging of het verplaatsen van ernstige verontreiniging. • Grondverzet moet uitgevoerd worden volgens de regels van de Nota bodembeheer.
• De locatie Amsterdamsevaart 38- 60 ligt binnen de invloedssfeer van de grondwaterverontreiniging Amsterdamsevaart 28-32. Deze locatie valt onder het overgangsrecht vanuit de Wet Bodembescherming. Hier dient vroegtijdig rekening mee gehouden te worden. • Aan het begin van de planvorming rekening houden met huidige bezetting van ondergrondse ruimte voor kabels en leidingen, ruimtebehoefte bodemenergiesystemen, boomwortelpakketten, hemelwaterberging en grondwatervoorzieningen. Wens • Mogelijk kan met de ontwikkeling van Amsterdamsevaart 38-60 samenloop gezocht worden met sanering van de grondwaterverontreiniging ter plaatse van de Amsterdamsevaart 28-32. 6.5 Archeologie De gemeente is op basis van de Omgevingswet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De drie belangrijkste uitgangspunten zijn: het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; de initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek; het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening. Zie nota Haarlems Erfgoed, Kwaliteit in ontwikkeling.
Randvoorwaarden • Als de voor archeologie geldende vrijstellingsgrenzen worden overschreden (bij projectoppervlak groter dan 50m2 en dieper dan 1,5m onder het maaiveld: Waarde-Archeologie 2B) moet een bureau- en verkennend archeologisch booronderzoek worden uitgevoerd. Op basis van de resultaten van dat onderzoek zal door de gemeente bepaald worden of archeologische vervolgstappen noodzakelijk zijn.
9/16
• Het archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een gecertificeerd archeologisch bedrijf (BRL SIKB 4000, voor de betreffende activiteit). Het onderzoek moet naast de eisen in het daartoe te overleggen Plan van Aanpak (PvA) voldoen aan de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en de Haarlemse Richtlijnen voor archeologisch onderzoek. Eis • Als behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, moet er naar gestreefd worden om die in de bodem te behouden, bijvoorbeeld door planaanpassing of beschermende maatregelen. Indien dat niet mogelijk is, moeten de archeologische resten worden opgegraven. Wens • De resultaten van het archeologisch onderzoek meenemen in het ontwerp of als inspiratie daarvoor gebruiken om het verhaal van de plek een rol te kunnen laten spelen in de nieuwe ontwikkeling.
7. Mobiliteit In deze paragraaf worden de kaders voor de volgende mobiliteitsaspecten behandeld: 1. Fietsparkeren bewoners, werknemers en bezoekers 2. Autoparkeren bewoners, werknemers en bezoekers 3. Toegankelijkheid calamiteitendiensten De ontwikkelaar onderbouwd de uitwerking van deze aspecten in een mobiliteitsplan. 7.1 Fietsparkeren bewoners, werknemers en bezoekers Fietsparkeren is een integraal onderdeel van de ontwerpopgave. Voldoende en kwalitatief goede fietsparkeervoorzieningen zijn een belangrijke voorwaarde om fietsgebruik te stimuleren. Bewoners worden gestimuleerd om de fiets inpandig te parkeren zodat de buitenruimte beschikbaar is voor andere doeleinden (groen en ontmoeten). Parkeervoorzieningen van de fietsende bezoeker moeten aantrekkelijk en in voldoende mate aanwezig zijn. Zie ook paragraaf 8.1. Eisen • Voldaan wordt aan de fietsparkeernormen, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. • Voldaan wordt aan de kwaliteitseisen fietsparkeren, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. Zie ook paragraaf 9.4. • Uitgangspunt voor het toepassen van collectieve fietsenstallingen is de Haarlemse Beleidsregel bergingen bij nieuwe woongebouwen. Zie ook paragraaf 9.4. • Aanvullend op de nota parkeernormen en de beleidsregels bergingen geldt: o De entree tot het inpandig fietsparkeren intern koppelen aan de hoofdentree van de woningen.
o De fietsenstalling toegankelijk, aantrekkelijk en bereikbaar zijn vanuit de buitenruimte en bewoners en werknemers gestimuleerd worden de fietsen inpandig te stallen. 7.2 Autoparkeren bewoners, werknemers en bezoekers Parkeren wordt zo veel mogelijk op eigen terrein en uit het zicht opgelost. Zie ook paragraaf 9.5. Eisen • Voldaan wordt aan de parkeernormen, zoals verwoord in de Nota parkeernormen. • De parkeerbehoefte moet op eigen terrein worden opgelost (met uitzondering van het aantal parkeerplaatsen dat gesaldeerd mag worden).
10/16
• Uitgangspunt is dat de nieuwe adressen binnen de ontwikkeling worden uitgesloten van openbare parkeerrechten, op deze adressen kunnen geen parkeervergunningen worden aangevraagd. • Voor parkeerplaatsen gelegen op parkeerterreinen en in parkeergarages geldt NEN 2443, Parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en in parkeergarages. • Een woongebouw met parkeergelegenheid in het gebouw of buiten het gebouw op hetzelfde perceel, met meer dan tien parkeerplaatsen, heeft leidingdoorvoeren voor oplaadpunten voor ieder parkeervak. • Uitritten parkeergarages dienen verkeersveilig ontworpen te worden (conform CROW-richtlijnen). Het is mogelijk om in het mobiliteitsplan onderbouwd af te wijken van de parkeernormen door de inzet van deelauto’s voor bewoners. 7.3 Toegankelijkheid calamiteitendiensten Politie, ambulance en brandweer dienen te alle tijden toegang te hebben tot de gebouwen. Het gebouwontwerp en het mobiliteitsplan zal beoordeeld worden door de hulpdiensten. Hieronder volgen de kaders met betrekking tot toegankelijkheid op hoofdlijnen Randvoorwaarden • Alle gebouwen zijn goed bereikbaar voor calamiteitendiensten waarbij de betreffende voertuigen op minimaal 10 meter van de hoofdentree van de gebouwen kunnen komen.
• Toegangen tot de entrees van gebouwen dienen altijd een vrije doorgang voor brancards te hebben (onder andere van belang bij entrees waar de mogelijkheid bestaat dat de toegang wordt belemmerd door wild geparkeerde fietsen en scooters). • Bij de ingebruikname van de gebouwen (bij de sleuteloverdracht) is het maaiveld rond de gebouwen opgeleverd en toegankelijk voor de hulpdiensten.
8. Privaat maaiveld Deze paragraaf geeft de kaders waaraan de inrichting van het private maaiveld rond de gebouwen moet voldoen. De kaders zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Overgangszone tussen openbare ruimte en gebouw 2. Erfafscheidingen bij woningen 8.1 Overgangszone tussen openbare ruimte en gebouw De overgangszone tussen straat en gebouw moet zorgvuldig vormgegeven worden. De inrichting ervan is namelijk van grote invloed op het straatbeeld en of mensen zich er prettig in voelen. De inrichting en afmeting van deze zone bepaald ook of bewoners en gebruikers voldoende privacy ervaren zodat de plinten van gebouwen een levendige uitstraling krijgen. Eisen • Tussen de openbare ruimte en privéterrein moet een duidelijke scheiding zijn i.v.m. aansprakelijkheid. • Bij de (hoofd)entrees van appartementen- en voorzieningengebouwen worden op eigen terrein voldoende opstelplekken voor fietsen van bezoekers geplaatst. • Het ontwerp van de entreezone wordt zorgvuldig afgestemd op het ontwerp van de (hoofd)entree van het gebouw. 8.2 Voortuintjes en erfafscheidingen bij woningen Eengezinswoningen en appartementen op de begane grond krijgen bij voorkeur voortuinen met hagen als erfafscheiding. Dit verhoogd de woonkwaliteit, is positief voor een groen en levendig straatbeeld en het
11/16
creëren van voldoende afstand tussen de woonvertrekken en de straat (privacy). Het bevordert ook informele contacten tussen bewoners en sociaal toezicht op de straat. Eisen • Uitgangspunt bij grondgebonden woningen en appartementengebouwen is een voortuin met een diepte van minimaal 1,8 meter inclusief erfafscheiding. • Erfafscheidingen worden in principe als haag of heesterstrook uitgevoerd, maximaal 1 meter hoog aan de voorzijde. • Hagen of heesterstrook bestaan uit bloeiende, inheems en gebiedseigen soorten. Plantsoorten afstemmen op de te realiseren natuurhabitat. Zie paragraaf 5.1. • Hagen bestaan overwegend uit bladhoudende soorten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan liguster en haagbeuk. • Daar waar nodig kan voor de haag of heesterstrook een opstaande rand of laag muurtje geplaatst worden. • De ontwikkelaar dient de hagen of heesterstroken de eerste 5 jaar te onderhouden. • Gebouweigenaren dienen de hagen en heesterstroken in stand te houden en te onderhouden. Voor koopwoningen wordt in het verkoopcontract een instandhoudings- en onderhoudsplicht opgenomen.
9. Gebouwen De algemene kaders voor de gebouwontwerpen zijn onderverdeeld in de volgende thema’s: 1. Sociaal veilig en toegankelijk 2. Gebouwplinten 3. Entreepartijen 4. Bergingen en (collectieve) stallingsruimten 5. Parkeergarages 6. Technische ruimten en installaties 7. Vergroenen daken en gevels 8. Beeldkwaliteit 9.1 Sociaal veilig en toegankelijk Gebouwen dienen zodanig ontwerpen te worden dat ze bijdragen aan een sociaal veilige leefomgeving. Gebouwen dienen voor iedereen goed toegankelijk te zijn. Gebouwen worden zodanig ontwerpen dat bewoners en gebruikers elkaar kunnen ontmoeten. Dit draagt bij aan het tegengaan van anonimiteit en vereenzaming. Randvoorwaarden • Gebouwen worden sociaal veilig ontworpen en voldoen aan het Politiekeurmerk. • Gebouwen zijn toegankelijk zijn voor personen met een handicap en voldoen aan de betreffende eisen in het Bouwbesluit en het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Eisen • Gebouwen worden zodanig ontworpen dat bewoners en gebruikers elkaar op een prettige (informele) manier kunnen ontmoeten. Dit draagt bij aan het voorkomen van anonimiteit en vereenzaming. • Gebouwen worden zodanig ontwerpen dat overlastsituaties (geluid, stank) en aantasting van privacy zo veel mogelijk voorkomen wordt.
9.2 Gebouwplinten De juiste programmering en vormgeving van de begane grond gericht op de openbare ruimte - de zogenaamde gebouwplint, draagt bij aan sociale interactie en een prettige leefomgeving waar het zowel overdag als ’s
12/16
avonds sociaal veilig is. Algemene eisen gebouwplinten • Plinten met doods programma zijn niet toegestaan. Denk hierbij aan bergingen, autoparkeren, etc. • Plinten met te veel technische ruimten naast elkaar zijn niet toegestaan. Denk hierbij aan ruimten voor trafo’s en WKO’s. • Begane grondgevels worden zorgvuldig vormgegeven met als doel het creëren van een sterke relatie en interactie tussen gebouw en openbare ruimte. Eisen commerciële en voorzieningenplinten • Het bedrijf of voorziening krijgt in principe een eigen entree aan de straat zodat de openbare ruimte direct geactiveerd wordt. • De begane grond heeft een vrije hoogte van minimaal 4 meter (van vloer tot plafond). • Behandelkamers of andere vertrekken die privacy nodig hebben zijn geen levendige functies en zijn op de begane grond aan de kant van de openbare ruimte niet toegestaan. • Kozijnen worden in principe voorzien van een borstwering van voldoende hoogte (geeft privacy en draagt bij aan het voorkomen dat ramen afgeplakt of met lamellen dichtgezet worden). • Reclame-uitingen zijn ingetogen en passen qua afmetingen bij de architectuur van de gevel. Zie ook Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Eisen woonplinten • Woningen op de begane grond krijgen een eigen voordeur aan de straat zodat de openbare ruimte direct geactiveerd wordt.
• Woningen op de begane grond hebben een vrije hoogte van minimaal 3,7 meter (van vloer tot plafond). • Aan de kant van de openbare ruimte zijn alleen levendige functies toegestaan. Denk hierbij aan keuken, kantoor of woonkamer. Slaapkamers zijn geen levendige functies en zijn op de begane grond aan de kant van de openbare ruimte niet toegestaan. • Kozijnen worden voorzien van een borstwering van voldoende hoogte (geeft privacy en draagt bij aan het voorkomen dat ramen afgeplakt of met gordijnen of lamellen dichtgezet worden). 9.3 Entreepartijen De juiste afmeting, vormgeving, inrichting en verlichting van een entreepartij is een belangrijk aandachtspunt. Niet alleen voor de sociale veiligheid, maar ook voor het bevorderen van (informele) contacten tussen bewoners en gebruikers waardoor anonimiteit wordt verminderd. Bij woongebouwen moet het aantal woningen op één entreepartij niet te hoog zijn. Algemene eisen entreepartijen • Een entreepartij is vanaf de openbare ruimte goed vindbaar en toegankelijk. • Een entreepartij is transparant, overzichtelijk en ’s avonds goed verlicht. • Entreepartijen krijgen royale afmetingen in breedte en hoogte passend bij de grootte van de voorziening of het aantal woningen dat vanuit deze entree wordt ontsloten. • Een entreepartij is integraal onderdeel van de architectuur en worden verfijnd en aantrekkelijk vormgegeven.
Eisen entreepartijen woongebouwen • Maximaal 35 woningen ontsluiten op één entreepartij. • Bij een entreepartij waar veel woningen op ontsloten zijn, worden brievenbussen niet aan de buitenzijde,
13/16
maar in de entreehal tegen de achter- of zijwand geplaatst. Deze is overdag vrij toegankelijk en ’s avonds gesloten. Wensen entreepartijen woongebouwen • Richt een entreepartij van een woongebouw zodanig in dat het contacten tussen bewoners op een informele manier bevorderd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het plaatsen van een leestafel in een huiselijk ingericht deel van de entreepartij (gemeenschappelijke woonkamer). 9.4 Bergingen en collectieve stallingsruimten Goed toegankelijke fietsenstallingen zijn cruciaal voor de Haarlemse mobiliteitstransitie. Fietsenstallingen voor bewoners en werknemers worden inpandig bij de (hoofd)entrees van de gebouwen geplaatst. Zie paragraaf 7.1. Eis bergingen • Bergingen zijn vanaf de openbare ruimte niet zichtbaar en leiden niet tot een dode plint. Eisen collectieve stallingsruimten • Overdekte stallingsruimten voor fietsen, scooters, scootmobielen, e.d. worden bij de (hoofd)entrees geplaatst. • Openbare en collectieve stallingsruimten worden sociaal veilig ontworpen; zijn overzichtelijk ingericht en bij gebruik goed verlicht. • Stallingsruimten fietsen, scooters, scootmobielen, e.d. worden zodanig gepositioneerd en ontworpen dat ze de gebouwplint niet domineren en niet tot een dode plint leiden.
9.5 Parkeergarages Conform het Haarlems parkeerbeleid wordt het autoparkeren voor bewoners, werknemers en bezoekers van nieuwe gebouwen op eigen terrein en uit het zicht opgelost. Zie paragraaf 7.2. Eisen • Entree van een parkeergarage wordt geïntegreerd in het gebouwontwerp waarbij de kwaliteit van de gebouwplint zo min mogelijk wordt verstoord. • Eventuele hellingbanen worden binnen het gebouw opgelost en zijn niet zichtbaar vanaf de buitenkant. • Parkeergarages worden sociaal veilig ontworpen: zijn overzichtelijk ingericht en bij gebruik goed verlicht. • Ontsluiting van parkeergarages naar de woningen niet rechtstreeks vanuit de garage, maar via de (centrale) entreepartij van het gebouw. 9.6 Technische ruimten en installaties Noodzakelijke ruimten voor trafo’s, WKO-installaties, e.d. worden binnen de gebouwen opgelost. Vanaf de openbare ruimte zijn deze ruimten zo min mogelijk zichtbaar. Ook installaties en liftopbouwen op het dak zijn vanaf de openbare ruimte niet zichtbaar of krijgen een schil passend bij de architectuur van het gebouw. Randvoorwaarden • Traforuimten dienen zodanig ontworpen en gepositioneerd te worden dat het jaargemiddelde magneetveld op de omliggende verblijfsruimten binnen de richtlijnen blijft. • Brandwerendheid van traforuimten dient te voldoen aan de richtlijnen.
Eisen technische ruimten op de begane grond • De ontwikkelende partij inventariseert zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces bij de verschillende nuts- en
14/16
• •
• •
telecombedrijven de behoefte aan technische ruimten voor trafostations, stadsverwarming, WKOinstallaties, etc. en bijbehorende technische randvoorwaarden waaronder toegankelijkheid. Technische ruimten voor trafostations, WKO-installaties, etc. worden niet in de openbare ruimte en niet op maaiveld geplaatst, maar op eigen terrein (inpandig) opgelost. Technische ruimten en toegangen daartoe worden zo veel mogelijk uit het zicht geplaatst. Indien ze toch in de (zichtbare) gebouwplint opgenomen moeten worden dan worden ze zodanig gepositioneerd en geïntegreerd in de gebouwontwerpen dat ze de kwaliteit van de begane grondgevel zo min mogelijk verstoren. Toegangen tot technische ruimten voldoen aan de toegankelijkheidscriteria van de verschillende nutsbedrijven. Let hierbij op of dit de eisen of wensen betreffen. Toegangen tot technische ruimten veroorzaken geen onveilige situaties of overlast van onderhoudsvoertuigen op fiets- en wandelpaden.
Eisen installaties en andere opbouwen op het dak • De ontwikkelende partij inventariseert zo vroeg mogelijk in het ontwerpproces wat de omvang van de installaties en ander opbouwen op het dak gaat worden. Denk hierbij aan liftopbouwen, klimaatinstallaties en duurzame energieopwekking. • Installaties en ander opbouwen op het dak zijn door een verhoogde dakrand niet zichtbaar vanaf de openbare ruimte of krijgen een schil passend bij de architectuur van het gebouw (worden mee-ontworpen). 9.7 Vergroenen daken en gevels Zoals in paragraaf 5.1 beschreven staat, is natuurinclusief-ontwikkelen vereist. Voor platte of licht hellende daken betekent dit dat deze als Natuurdak uitgevoerd worden. Voor de gevels wordt ontwikkelaars gevraagd nest- en rustplekken te realiseren voor gebouwbewonende soorten. Eisen daken • Platte en licht hellende daken worden minimaal als (extensief) natuurdak uitgevoerd, ook als dit samengaat met het plaatsen van zonnepanelen. Dit betekent een bodemdikte van minimaal 15cm waarop een sedumen/of kruidenmengel wordt aangelegd met een ruim assortiment aan plantsoorten. Dit levert het heel jaar door een aantrekkelijk beeld op inclusief seizoenswisselingen. Zie ook paragraaf 5.1. • Daken die moeten bijdragen aan de opvang van hemelwater krijgen een dakopbouw dat voldoet aan de betreffende waterbergingseisen. Zie paragraaf 5.2.
Eis gevels • Gevels en dakranden worden voorzien van voldoende nestkasten en rustplekken voor vogels, vleermuizen, solitaire bijen en vlinders. Deze worden op een zodanige manier in de gevelontwerpen integreren dat het een verrijking van de plastiek en textuur van de gevels oplevert. Aantal en type nestkasten en rustplekken afstemmen op de diersoorten van de te realiseren natuurhabitat. Zie paragraaf 5.1. Wensen gevels • Daar waar mogelijk gevels minimaal voorzien van een grondgebonden groensysteem met klimmende plantsoorten passend bij de te realiseren natuurhabitat. • Integreren van bloembakken aan de balustraden van balkons. Dit vergroot niet alleen het groene beeld, maar heeft ook een gunstig effect op verkoeling, individuele expressie en geborgenheid. Bij voorkeur bewateren met collectief bewateringssysteem gevoed vanuit regenwaterberging. 9.8 Beeldkwaliteit Voor de locatie gelden de betreffende criteria uit de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Naast deze criteria en de in de
15/16
reactie van team Stedenbouw & Landschap benoemde punten, dienen alleen materialen toegepast te worden die mooi verouderen. De toe te passen materialen, kleuren en detaillering dient de tand des tijds goed te doorstaan zodat de gebouwen ook lang nadat ze zijn opgeleverd er nog mooi uitzien. Eisen • Kwetsbare materialen of kleuren die gevoelig zijn voor vernielingen of graffiti, worden niet toegepast op plekken bereikbaar vanaf de openbare ruimte. • Alle toe te passen materialen, kleuren en detaillering dragen ertoe bij dat de gebouwen op een mooie manier verouderen. Materialen die dit niet in zich hebben, bijvoorbeeld kunststoffen zoals pvc, worden niet toegepast of aan het zicht onttrokken door materialen die wel mooi verouderen. • Indien voor gebouwonderdelen beton moet worden toegepast, dan dient de kwaliteit, afwerking en detaillering ervoor te zorgen dat algengroei en streepvorming zo min mogelijk optreedt en dient de kleur te passen in het architectonische concept van het gebouw. • Toe te passen materialen zijn kleurvast en doorstaan weersinvloeden zoals uv-straling van de zon goed. • Buitenzonwering voor kozijnen in zuid- en westgevels en (eventuele) vergroening van gevels meeontwerpen in de architectuur.
10. Participatie- en inspraak Conform de Omgevingswet en het Haarlems ruimtelijk planproces (HRPP) stelt de initiatiefnemer een Participatie- en inspraakplan (PIP) op waarin de huidige bewoners en gebruikers van de panden Amsterdamsevaart 38-60 en Vaartstraat 2, de omwonenden en andere stakeholders tijdig en op de geijkte momenten gedurende het proces betrokken worden bij de planontwikkeling. Dit PIP wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de gemeente.
16/16