4. Advies Referendumcommissie inzake de nieuwe Referendumverordening van de gemeente Haarlem 2022
Tekst van het document
Aan
Gemeenteraad Haarlem via de commissie Bestuur
Datum
24 januari 2023
Onderwerp
Advies Referendumcommissie inzake de nieuwe Referendumverordening van de gemeente Haarlem 2022
Van
Referendumcommissie Haarlem
Geachte Raad,
U bespreekt op 10 februari de nieuwe referendumverordening van de gemeente Haarlem 2022 (hierna referendumverordening) in de commissie bestuur. De bespreking in uw raadsvergadering volgt op 17 februari. De referendumcommissie heeft na de vergadering van het college op 11 januari het voorstel voor een nieuwe verordening ontvangen ter advisering. Op 18 januari heeft de referendumcommissie de nieuwe verordening digitaal besproken.
De nieuwe referendumverordening is een grote verbetering ten opzichte van de bestaande verordening uit 2009. Op veel punten wordt de VNG modelreferendumverordening uit 2019 gevolgd, die tot stand is gekomen in samenwerking met referendumdeskundigen, raadsleden en griffiers. Het model vormt daarmee een goede basis om een eigen lokale referendumverordening vast te stellen. Wel constateert de referendumcommissie dat op enkele punten de nieuwe Haarlemse referendumverordening inconsequent is of niet goed doordacht lijkt. Wij stellen mede om die reden dan ook enkele aanpassingen voor die wij hieronder toelichten. Waar mogelijk volgen wij de opschriften uit het bij de verordening behorende raadsstuk.
Referendum op initiatief van de raad In het raadsstuk wordt aangegeven dat het niet nodig is om in de verordening op te nemen dat de raad (een raadslid) het initiatief kan nemen tot het houden van een referendum. Een raadslid heeft immers het initiatiefrecht en kan via deze weg (als een meerderheid van de raad hiermee instemt) een referendum tot stand brengen. Dit klopt. In de praktijk kan een raadslid daarnaast via een motie (mits voldoende ondersteund door de raad) aan het college vragen om een referendum te organiseren over een door de raad bepaald onderwerp en dit door het college verder te laten uitwerken. Maar ook referenda op initiatief van de raad hebben spelregels en procedurele inbedding nodig. Voor deze 1
de
referenda zijn bijvoorbeeld afspraken belangrijk over de datum waarop het referendum kan worden gehouden, de vraagstelling, de bepaling van de uitslag en de strafbepaling. Deze spelregels zijn opgenomen in de referendumverordening. Het is naar de mening van de referendumcommissie hoogst ongewenst als er bij een referenduminitiatief van de raad afgeweken wordt van de regels die gelden voor een referendum op initiatief van kiezers. Wij adviseren u dan ook om in de verordening expliciet de mogelijkheid op te nemen dat een raadslid het initiatief kan nemen tot een referendum. Door dit op te nemen in de referendumverordening zijn de relevante spelregels van toepassing op een referendum op initiatief van de raad.
Door het opnemen in de verordening van een artikel waarmee wordt aangegeven dat de raad het initiatief kan nemen tot een referendum worden enkele inconsequenties rechtgezet. Op diverse plaatsen in de nieuwe referendumverordening staan bepalingen die (exclusief) van toepassing zijn op het referendum dat wordt geïnitieerd door de raad. Dit betreft de antwoordcategorieën uit artikel 8, derde en vierde lid en artikel 13, derde lid. Hierover wordt ook e.e.a. opgemerkt in het raadsstuk.
De modelverordening van de VNG maakt een duidelijk onderscheid tussen een referendum op initiatief van kiesgerechtigden en op initiatief van de raad. Als kiesgerechtigden het initiatief nemen, gaat het referendum over een concept raadsbesluit en de referendumvraag luidt in het algemeen: bent u voor of tegen het conceptraadsbesluit. Als de raad het initiatief neemt, is er eventueel meer mogelijk. De raad
ontwerpt
immers
het
referendumonderwerp
en
kan
daarbij
ook
verschillende
antwoordcategorieën of oplossingsrichtingen formuleren (bijvoorbeeld het ontwerp van een nieuw gemeentehuis waarbij twee architecten een ontwerp hebben gemaakt, burgers kunnen aangeven aan welk ontwerp zij de voorkeur geven).
2/12
Advies 1 Hernummer artikel 7 en de daarop volgende artikelen in artikel 8 en verder. Voeg het volgende artikel 7 toe: Artikel 7. Initiatief van de raad 1. De raad kan besluiten tot het houden van een referendum. 2. Zo spoedig mogelijk nadat dit besluit is genomen, behandelt de raad het ontwerp aadsbesluit waarover het referendum zal worden gehouden. Het ontwerp raadsbesluit zoals dat luidt na verwerking van eventuele aangenomen amendementen, wordt vervolgens aangehouden totdat de uitslag van het referendum bekend is gemaakt. Toelichting Artikel 7. Initiatief van de raad De raad kan zelf het initiatief nemen om een referendum te houden. Vaak zal het voorstel daartoe van een of meer raadsleden of fracties afkomstig zijn. Elk raadslid heeft immers op grond van artikel 147a van de Gemeentewet het recht van initiatief om een (uitgewerkt) voorstel voor bijvoorbeeld een referendum te doen. Ook kan elk raadslid een motie daartoe indienen. Een initiatiefvoorstel of motie kan bijvoorbeeld een voorstel voor een referendum inhouden over een onderwerp waarbij aan kiesgerechtigden alternatieven wordt voorgelegd en waarbij het college wordt verzocht een en ander in een nota uit te werken. Over een initiatiefvoorstel moet op grond van artikel 147a, vierde lid, van de Gemeentewet het college de gelegenheid krijgen wensen en bedenkingen naar voren te brengen.
Initiatiefvoorstellen en moties worden behandeld conform het Reglement van Orde van de raad. Doorgaans heeft ook de referendumcommissie de taak om te adviseren over het referendumonderwerp en of er sprake is van een uitgezonderd besluit.. Het is daarom zaak om een voorgenomen referenduminitiatief zo snel mogelijk bij de referendumcommissie te melden. Het initiatiefvoorstel of de motie kan resulteren in een besluit van de raad tot het houden van een referendum als bedoeld in artikel 7, eerste lid. De bepalingen in deze verordening, met uitzondering van de artikelen over het inleidend – en definitieve verzoek zijn ook van toepassing op een referendum op initiatief van de raad. Als dit artikel niet wordt overgenomen moet in artikel 8, derde en vierde lid en in artikel 13, derde lid de mogelijkheid van antwoordcategorieën geschrapt worden. Benoeming en aantal leden referendumcommissie; rooster van aftreden De raad benoemt de leden van de referendumcommissie. Dat dit gebeurt op voordracht van het college ligt niet voor de hand. Wij hebben dit eerder in onze evaluatie over het parkeerbeleid aangegeven1. De
1
Evaluatierapport Referendumcommissie. Referendum modernisering parkeerbeleid gemeente Haarlem 19 juli 2017, aanbeveling 1. 3/12
referendumcommissie is immers ondergebracht bij de griffie, de commissie adviseert primair aan de raad en het vaststellen van een referendumverordening is een autonome bevoegdheid van de raad. Het college heeft hier doorgaans slechts een bescheiden en ondergeschikte rol bij. Wij stellen voor dat de laatste vijf woorden in artikel 3, eerste lid geschrapt worden.
De referendumcommissie adviseert positief over de uitbreiding van drie naar vijf leden, waardoor zij minder kwetsbaar is bij ad hoc werkzaamheden, soms onder tijdsdruk, rondom een referendum. Wij begrijpen de wens van de raad om een aftreedrooster te hanteren, zodat capaciteit, kennis en ervaring geborgd zijn. Wel stellen wij voor om dit niet op deze wijze in de verordening op te nemen, maar dit over te laten aan de referendumcommissie, mede omdat de bepaling in artikel 3, lid 5 tegenstrijdig lijkt. Leden worden benoemd voor zes jaar. Als alle leden op één moment worden benoemd kan een aftreedrooster niet de gewenste uitkomst bieden. Enkele leden zullen binnen de zes jaar ontslag moeten nemen om de gewenste borging van kennis en ervaring te bewerkstelligen bij gelijktijdige periodieke vernieuwing. Al met al lijkt het raadzaam in de verordening op te nemen dat de referendumcommissie zelf zorg draagt voor een aftreed- of wisselschema dat vernieuwing en continuïteit garandeert.
In het 7e lid van artikel 3 is bepaald welke vergoeding de leden van de referendumcommissie ontvangen. Deze regeling is overgenomen uit de oude verordening. Bij benoeming van de huidige commissie zijn echter om goede redenen andere afspraken gemaakt gezien het bijzondere karakter en de werkwijze van de referendumcommissie. Zo wordt vaak niet vergaderd, maar vindt regelmatig afstemming plaats via uitvoerige mailwisselingen tussen de leden. Dit heeft vaak te maken met de snelheid waarmee afstemming plaats moet vinden; het beleggen van een commissievergadering zou dan lijden tot onwenselijk verlies aan tijd. Regelmatig is het daarenboven niet goed mogelijk om op de benodigde zeer korte termijn een moment te vinden waarop alle leden voor een vergadering beschikbaar zijn. Daarnaast worden de stukken van de referendumcommissie door de commissie zelf opgesteld (niet door de secretaris). Vanwege deze combinatie van redenen is bij de start van de huidige referendumcommissie een uurtarief (van 75 euro) voor te declareren werkzaamheden afgesproken (inclusief eventuele vergaderingen). Wij kunnen ons overigens voorstellen dat de raad streeft naar gelijke vergoedingsregelingen voor gelijkwaardige adviescommissies aan de raad. Als die overweging doorslaggevend zou zijn, is de regeling voor de rekenkamer het meest passend voor de referendumcommissie.
4/12
Advies 2 Artikel 3, eerste lid, de zinsnede na de komma vervalt en wordt vervangen door ‘op voordracht van de raad’. Artikel 3, vijfde lid, de tweede zin vervalt. Aan de derde zin wordt toegevoegd ‘volgens een door de referendumcommissie opgesteld aftreedschema’ Artikel 3, zevende lid de tekst wordt vervangen door: 7. De leden van de commissie ontvangen een vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie. Die vergoeding bedraagt maximaal 125% van het bedrag dat voor commissies in Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers is vastgelegd. Daarnaast kunnen de leden hun uren voor benodigde werkzaamheden en taken die niet uitgeoefend kunnen worden tijdens vergaderingen overeenkomstig het bij benoeming overeengekomen tarief declareren.
Taken van de referendumcommissie en voorzitter raad Wij hebben in de evaluatie2 van het referendum over het parkeerbeleid aangeven dat de rol van de referendumcommissie bij de beoordeling van een inleidend referendumverzoek onvoldoende duidelijk is. In de nieuwe referendumverordening blijft onduidelijkheid bestaan. De voorzitter van de raad blijft een adviserende rol houden (in artikel 5, lid 5). In artikel 4, eerste lid onder a wordt deze taak niet bij de referendumcommissie belegd. Wij wijzen er nogmaals op dat de voorzitter van de raad zo in een kwetsbare, maar ook in het referendumproces allicht onwenselijke politieke positie wordt geplaatst. Bij de beoordeling van het inleidend verzoek spelen in ieder geval twee vragen: de feitelijke vraag of er voldoende handtekeningen zijn verzameld en, daaraan voorafgaand, de waarschijnlijk politiek beladen vraag – het betreft hier nu eenmaal een per definitie betwist onderwerp of conceptbesluit - of het onderwerp referendabel is (gezien artikel 2, tweede lid).
Het lijkt passend de onafhankelijke referendumcommissie als begeleider van het gehele referendumproces te laten adviseren aan de raad ook over de referendabiliteit van een onderwerp waarover de raad uiteindelijk formeel besluit. In een recente evaluatie3 van het referendumproces in de
2
Evaluatierapport Referendumcommissie. Referendum modernisering parkeerbeleid gemeente Haarlem 19 juli 2017, aanbeveling 7 en 8. 3 Evaluatie referendum Toekomstgerichte werklocaties (Wijkevoort). Verslag van de evaluatie van het inleidend verzoek tot het referendum 2 juli 2021 5/12
gemeente Tilburg heeft een extern bureau onderzocht hoe de initiatiefnemers de behandeling van het inleidend verzoek ervaren hebben. Een van de ook voor Haarlem wellicht relevante aanbevelingen is: “Een gemeenteraad die moet beslissen over een referendum over zijn eigen besluit heeft de schijn tegen. Laat niet de gemeenteraad, maar een onafhankelijk orgaan de toets op ontvankelijkheid van een referendumaanvraag doen.” Advies 3 Artikel 5, vijfde lid, tweede zin vervalt. In artikel 4, eerste lid onder a wordt toegevoegd: 3°. de vraag of sprake is van een uitgezonderd besluit als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
Drempel en geldigheid In artikel 11 is een opkomstdrempel opgenomen van 30%. Deze drempel is overgenomen uit de oude verordening. In het raadsstuk is aangeven dat deze drempel, in afwijking van het VNG model waarin geen drempel is opgenomen, wenselijk is omdat het duidelijkheid biedt over de vraag wanneer de raad het referendum als geldig beschouwt. Wij willen erop wijzen dat, als hiervan al sprake zou zijn, dit in nog sterkere mate geldt voor de burgers. Zij zullen er bij aanwezigheid van een drempel vanuit gaan dat als de opkomst minimaal 30% gehaald is het referendum niet alleen geldig maar daarmee ‘bindend’ is en de raad de uitslag zal volgen. Echter, een raadgevend referendum is altijd en per definitie een advies aan de raad, die uiteindelijk het besluit neemt met inachtneming van dat advies. In de praktijk zorgt een opkomstdrempel daarnaast voor verwarring en mogelijk strategisch stemgedrag in de vorm van thuisblijven van bepaalde groepen burgers, afhankelijk van hun mening over de voorliggende keuze. Dat strookt, zacht gezegd, niet met de gedachte dat een referendum een participatie instrument van en voor burgers is.
Als kiesgerechtigden die een inhoudelijke positie hebben over de referendumvraag thuisblijven, omdat het uitbrengen van hun stem het door hen gewenste resultaat juist minder kansrijk maakt, moet dat tenslotte als een ongewenst, pervers effect van de geldende procedure worden beschouwd.
6/12
Advies 4 Schrap artikel 11. Hernummer de artikelen 12 tot en met 17 naar artikel 11 tot en met 16. Subsidieverstrekking ten behoeve van een referendum
Er zijn goede argumenten om de subsidieregels rondom het referendum in de referendumverordening op te nemen, zodat burgers duidelijkheid hebben over alle regels en mogelijkheden rondom het referendum in één verordening. Het is echter jammer dat de subsidieregeling die gebruikt is bij het referendum in 2019 niet in de nieuwe verordening overgenomen is. Deze regeling heeft in de praktijk gewerkt. Uitgangspunt in die oude regeling is dat alle subsidieaanvragen in samenhang met elkaar worden beoordeeld, zodat de campagneactiviteiten over het geheel bezien zo divers mogelijk zijn. Daarmee kunnen zoveel mogelijk verschillende doelgroepen bereikt worden. In artikel 10 en 11 is nu een tendersysteem opgenomen. Dit is een methode waarbij per afzonderlijke aanvraag, los van de andere aanvragen, punten worden toegekend. Dit lijkt objectief: na beoordeling van afzonderlijke aanvragen en het vervolgens opstellen van een ranglijst is in één oogopslag duidelijk welke aanvragen op basis van hun relatief hoge puntenaantal gehonoreerd kunnen worden. Het is echter niet duidelijk hoe de afweging tot stand komt op basis waarvan per aspect punten worden toegediend. Wat is het kader waardoor de ene aanvraag 10 punten krijgt voor het bereik van de verschillende doelgroepen en een andere aanvraag 20? De beoordeling is immers per aanvraag en niet alle aanvragen in verhouding tot elkaar.
Het effect van de betreffende ranglijst kan ook zijn, dat de hoogst scorende aanvragen zich op sterk vergelijkbare doelgroepen en/of activiteiten richten, terwijl andere aanvragen met een andere doelgroep en/of activiteit afvallen. Tevens is het zo dat en beoordeling van afzonderlijke aanvragen het lastiger maakt om initiatiefnemers met sterk vergelijkbare voornemens met elkaar in contact te brengen om te zoeken naar gezamenlijke activiteiten. Kortom, de voorgestelde systematiek gericht op de pseudo-objectieve beoordeling van afzonderlijke aanvragen biedt niet de ruimte voor de benodigde weging en onderlinge afstemming.
Het totale subsidiebedrag voor campagnevoering wordt verdeeld in drie delen (voor, tegen en neutraal). Het is raadzaam om reeds in de verordening op te nemen dat dit drie gelijke delen betreft, of althans dat voor- en tegenstanders een gelijk deel van deze middelen kunnen krijgen. 7/12
In artikel 9 wordt in absolute termen aangeven dat loonkosten niet subsidiabel zijn, maar in de toelichting op dit artikel wordt aangegeven dat loonkosten (in beperkte mate) mogelijk zijn. De variant van de toelichting valt te prefereren (en is gebruikelijk in andere lokale regelingen van deze kwestie). Het is goed om loonkosten onder voorwaarden en in een beperkte mate toe te staan, te weten voor specialistisch kennis of kunde waarover een gemiddelde kiesgerechtigde of collectief van kiesgerechtigden niet beschikt en eventueel gemaximeerd tot een bepaald bedrag van de aanvraag dan wel per uur aan ingehuurde specialistische arbeid.
Doordat in Haarlem ook 16 jarigen mogen stemmen en volgens deze verordening kiesgerechtigd zijn, is het noodzakelijk om te bepalen dat de contactpersoon voor een subsidieaanvraag wel meerderjarig dient te zijn. In de verordening ontbreken bepalingen over de subsidieaanvraag zelf. Welke informatie is nodig om een aanvraag te kunnen beoordelen? Het is verstandig om dit ook voordat een referendumproces van start gaat vast te leggen.
Samenvattend adviseert de referendumcommissie om de artikelen 9 en 10 te vervangen door onderstaande vier artikelen. Dit zorgt voor een compleet subsidieproces volgens een bewezen methode van beoordeling en toekenning. Advies 5 Vervang artikel 9 en 10 door de volgende artikelen: Artikel 9. Budget en subsidieplafond 1. Onmiddellijk nadat is besloten tot het houden van een referendum, stelt de raad een budget vast voor de organisatie van en de voorlichting over het referendum. 2. Tevens stelt de raad een budget vast voor subsidie voor activiteiten ter ondersteuning van het publieke debat en de meningsvorming over het onderwerp waarop het referendum betrekking heeft. Dit budget wordt onderverdeeld in drie gelijke deelplafonds of althans twee gelijke deelplafonds voor de onder a) en b) genoemde groepen voor activiteiten die tot doel hebben: a. de kiesgerechtigden te laten stemmen voor het ontwerp dan wel genomen raadsbesluit dan wel een van de oplossingsrichtingen; b. de kiesgerechtigden te laten stemmen tegen het ontwerp dan wel genomen raadsbesluit [dan wel een van de oplossingsrichtingen]; en c. het debat over het ontwerp dan wel genomen raadsbesluit of de oplossingsrichtingen op 8/12 neutrale wijze te bevorderen.
3.
4.
Burgemeester en wethouders maken het subsidieplafond en de deelplafonds en de beginen einddatum van de aanvraagtermijn, plus een redelijke termijn waarop eventuele onvolledige aanvragen dienen te worden aangevuld, bekend. Op subsidies verstrekt op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening gemeente Haarlem 2021 niet van toepassing.
Artikel 10. Subsidiecriteria 1. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan: a. collectieven van ten minste zes kiesgerechtigden (in de zin van artikel 18, lid 1) van wie de contactpersoon van het betreffende collectief op de dag van de aanvraag achttien jaar of ouder is; en b. rechtspersonen, met uitzondering van politieke groeperingen als bedoeld in hoofdstuk G van de Kieswet. 2. Niet voor subsidie komen in aanmerking activiteiten die: a. geheel of gedeeltelijk plaatsvinden na de dag van stemming; b. met winstoogmerk worden ondernomen; c. die zijn begonnen voordat over de subsidieaanvraag is beslist. 3. De subsidie bedraagt 100% van de redelijke kosten van de activiteiten tot een maximum van € 5.000,- per campagne-activiteit. 4. Loonkosten of kosten voor eigen arbeid komen in beginsel niet in aanmerking voor subsidie. 5. Indien loonkosten voor externe professionals noodzakelijk zijn, dan worden deze gemaximeerd op € 45,00 per uur met een maximum van 20 uur per campagne-activiteit. 6. Subsidieverlening vindt plaats aan de hand van de volgende criteria: a. de activiteiten leveren naar redelijke verwachting een bijdrage aan het publieke debat en de meningsvorming; en b. de activiteiten zijn voldoende voor kiesgerechtigden toegankelijk en/of de uitingen zijn voldoende openbaar; en c.
de activiteiten zijn vooraf bekend gemaakt bij de kiesgerechtigden, althans wanneer de activiteiten zich daar redelijkerwijs voor lenen; en d. er is sprake van voldoende spreiding over aanvragers, soort en inhoud van de activiteiten; en e. het gevraagde bedrag staat in redelijke verhouding tot het ermee te realiseren product of het verwachte bereik van de activiteit. Artikel 11. Subsidieaanvragen Burgemeester en wethouders stellen een aanvraagformulier beschikbaar dat een opgave bevat van de volgende gegevens: a. de aard en inhoud van de activiteit en of deze in de zin van artikel 9, lid 2, voor het ontwerp dan wel genomen raadsbesluit of een van de oplossingsrichtingen, tegen het ontwerp dan wel genomen raadsbesluit of een van de oplossingsrichtingen, of neutraal is;
9/12
b. c. d. e.
f.
g.
de wijze waarop een bijdrage aan het publieke debat en de meningsvorming wordt gerealiseerd en het beoogde publieksbereik van de bijdrage; een gespecificeerde begroting die inzicht geeft in de geraamde inkomsten en uitgaven voor zover deze betrekking hebben op de activiteit; een zo concreet mogelijke tijdsplanning; indien het een rechtspersoon betreft: de rechtsvorm, de statutaire naam, en het vestigingsadres van de rechtspersoon namens welke de aanvraag wordt gedaan en de handtekeningen van degene(n) die bevoegd is/zijn de rechtspersoon te vertegenwoordigen; indien het een collectief van kiesgerechtigden betreft: de achternaam, voorletter(s), het adres, de woonplaats, de geboortedatum en de handtekening van zes kiesgerechtigden van wie één kiesgerechtigde als contactpersoon is aangemerkt; en het rekeningnummer waarop het subsidiebedrag bij toekenning overgemaakt dient te worden.
Artikel 12. Subsidieverlening en vaststelling 1. Twee weken na afloop van de sluitingsdatum van de aanvraagtermijn beslissen burgemeester en wethouders over de subsidieverlening. 2. De verleende subsidie wordt uitgekeerd in de vorm van een voorschot. 3. Uiterlijk acht weken na het referendum dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in. De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag en bewijsstukken waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 4. Burgemeester en wethouders besluiten uiterlijk acht weken na de datum van de aanvraag over de vaststelling van de subsidie.
Datum stemming In de verordening is opgenomen dat het referendum plaatsvindt binnen 12 maanden nadat de raad heeft besloten dat er een referendum komt; deze termijn kan verlengd worden. Deze verlenging is niet in de tijd beperkt. Het is dus in beginsel mogelijk dat een referendum jaren wordt uitgesteld. De referendumcommissie vindt dit ongewenst. Burgers die succesvol een referenduminitiatief hebben gestart mogen niet jaren hoeven te wachten op de dag van stemming. Een in veel gemeenten gangbare redelijke termijn is 4 of 6 maanden na de dag waarop de raad besluit tot het houden van een referendum, met de mogelijkheid om deze termijn te verlengen met 2 maanden om de stemming te kunnen combineren met een reguliere verkiezing of om te voorkomen dat het referendum samenvalt met een voor de betreffende regio geldende schoolvakantie.
10/12
Advies 6 Wijzig in artikel 7, tweede lid ‘twaalf’ in ‘zes’. In artikel 7, tweede lid, in de tweede volzin wordt na het woord termijn toegevoegd met maximaal twee maanden
Enkele meer technische opmerkingen Bij het raadsvoorstel is een zogenoemde was-wordt lijst gevoegd, Deze blijkt op verschillende punten onjuist. Het is verstandig deze lijst nog een keer kritisch door te lopen en de erin aanwezige onjuistheden te corrigeren.
In artikel 12 is aangeven welke onderdelen van de Kieswet van toepassing zijn. Op dit moment geldt de Tijdelijke wet verkiezingen covid 19. Het valt te overwegen de bepaling toe te voegen dat ook tijdelijke aanvullingen en/of wijzigingen van de Kieswet automatisch van toepassing zijn. Advies 7 Aan artikel 12 wordt toegevoegd: Tevens zijn tijdelijke of experimentele wetten die een aanvulling zijn op de Kieswet van toepassing. Toelichting Het kan voorkomen dat naast de Kieswet een tijdelijke wet van toepassing is op het verkiezingsproces. In 2020 is de Tijdelijke wet verkiezingen covid 19 vastgesteld. Deze heeft een vervaldatum (1 juli 2022) maar kan verlengt worden. Nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot het verkiezingsproces worden doorgaans eerst op kleine schaal getest op basis van een experimenten wet, welke ook tijdelijk is. Op dit moment is er een experiment met het centraal tellen van de stemmen en komt er een experiment met een nieuw stembiljet dat ook elektronisch telbaar is. Indien de gemeente Haarlem meedoet aan een experiment of indien er een (landelijke) tijdelijke wet is, zijn de relevante bepalingen ook van toepassing op het referendumproces
In artikel 5, lid 4 en in artikel 6, lid 4 Toevoegen … waarop in ieder geval de titel van het ontwerp raadsbesluit is opgenomen.
11/12
In de praktijk kan het voorkomen dat de titel van een ontwerp raadsbesluit niet voldoende duidelijk is als dit los van het raadsvoorstel gebruikt wordt als aanduiding op een formulier. Het is in dat geval wenselijk om de mogelijkheid te hebben om een kleine informatieve toelichting te geven.
Eveneens in artikel 5 en 6, vierde lid. In aanvulling hierop voorziet de gemeente vervangen door: Tevens voorziet de gemeentelijke website… Digitale
ondersteuningsverklaringen
afleggen
is
gelijkwaardig
aan
het
afleggen
van
ondersteuningsverklaringen op papier.
Advies 8 Artikel 5, vierde lid, voeg de woorden in ieder geval toegevoegd na het woord waarop. Artikel 5, vierde lid, vervang In aanvulling hierop door Tevens. Artikel 6, vierde lid, voeg de woorden in ieder geval toegevoegd na het woord waarop. Artikel 6, vierde lid, vervang In aanvulling hierop door Tevens.
Wij gaan graag met u in gesprek over ons advies.
Hoogachtend, De referendumcommissie Haarlem Namens deze,
Mw. drs. M. Veerbeek, voorzitter
12/12