CConstaterende datHaarlem
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Bijlage 2: Bestemmingsplan Stephensonstraat 38-46

commissie Ontwikkeling 6 april 2023, gemeente HaarlemBij agendapunt: 21.00 uur Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Stephensonstraat 38-46 (FR)27.598 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Niet gevonden in dit document.

Randvoorwaarden zijn gebaseerd op het rijksbeleid of bestaande wetten zoals bijvoorbeeld aardgasvrij bouwen en compensatiemaatregelen voor water en ecologie. Doeleinden zijn ambities van de gemeente zoals natuurinclusief en circulair bouwen. Als meetinstrument wordt de Gemeentelijke Praktijk Richtlijn Duurzaam Bouwen (GPR) gehanteerd. De GPR is het resultaat van praktijkervaringen in de gemeente Tilburg en 80 andere gemeenten. Met het rekeninstrument kunnen projecteigenaren zelf een alternatief maatregelenpakket samenstellen. GPR Gebouw zet ontwerpgegevens van een gebouw om naar prestaties op het gebied van kwaliteit en duurzaamheid. De gemeente Haarlem heeft een richtlijn duurzaam bouwen opgesteld die als minimale eis geld voor deze ontwikkeling. In de richtlijn is het Haarlemse duurzaamheidsbeleid vertaald naar concrete uitgangspunten, onderverdeeld in 5 verschillende thema's: Energie en warmte; Klimaatadaptatie; Groen en Ecologie; Circulariteit; Mobiliteit. Energie en warmte Randvoorwaarde: Aardgasvrij bouwen

36

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

Aardgasvrij bouwen wordt reeds als voorwaarde bij het bouwen gesteld. Het Rijk heeft per 1 juli 2018 de gaswet gewijzigd waardoor nieuwe gebouwen in principe geen gasaansluiting meer krijgen. Randvoorwaarde: Bijna energieneutraal bouwen (BENG) BENG vervangt per jan 2020 de (EPC). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat alle aanvragen van omgevingsvergunningen per 1 jan 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Deze vervangt de energieprestatiecoëfficiënt (EPC). De BENG is opgebouwd uit drie indicatoren: de maximale energiebehoefte, het maximale primair fossiel energiegebruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. De BENG-eisen gelden alleen voor nieuwbouw. Doeleinde: Energieneutraal en -leverend bouwen De BENG-eisen gaan niet uit van volledige energieneutraliteit. De 'versnelling Duurzaamheidsprogramma' (2017) zet in op een klimaatneutraal Haarlem in 2030. Bij nieuwe bouwontwikkelingen waar de gemeente de randvoorwaarden bepaald, zal maximaal op deze ambitie ingezet moeten worden door energieneutraliteit of energieleverende gebouwen te realiseren. Doeleinde checklist Warmtebron Nieuwbouwprojecten kunnen bijdragen aan de energietransitie van omliggende bestaande bouw. De checklist geeft een indicatie of een ontwikkeling in theorie geschikt is voor een collectief warmtesysteem (Energiestrategie Haarlem, 2019).

Doeleinde: Warmtevoorziening via bodemwarmte Om te voorzien in de benodigde warmtevraag wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van een bodemwarmtevoorziening. Indien in de omgeving al een warmtenet aanwezig is waar op kan worden aangesloten heeft dit de eerste voorkeur. Wanneer dit niet mogelijk is, wordt dit gemotiveerd. Bodemwarmtevoorzieningen moeten passen binnen eventueel aanwezige (lokale) bodemenergieplannen (Routekaart aardgasvrij 2040, en Routekaart Versnelling Duurzaamheidsprogramma). Klimaatadaptatie Randvoorwaarde: Watertoets en watercompensatie Een ontwikkeling mag niet leiden tot verslechtering van de waterhuishouding of een versnelde toename van de af-en aanvoer van water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden op naastgelegen percelen / gebieden en er wordt rekening gehouden met de gewenste stroombaan van het hemelwater. Deze eisen zijn ook opgenomen in het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Haarlem. De watertoets is een wettelijke verplichting bij planvorming en moet uitwijzen of/hoeveel gecompenseerd dient te worden. Het watersysteem wordt robuust ingericht met waterbergings- en afvoermogelijkheden conform de watertoets.

37

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

Doeleinde: Toekomstbestendig watersysteem Het extra hemelwater wordt zoveel bovengronds geborgen en afgevoerd naar open water. Bij nieuwbouw wordt een toekomstbestendig watersysteem aangelegd met voldoende waterbergingscapaciteit. Dat houdt concreet in dat de ontwikkeling minimaal 70 mm water per m² moet kunnen bergen op eigen terrein gedurende in een etmaal. Doeleinde: Aanpak droogte en hittestress Een gebiedsontwikkeling mag niet bijdragen aan een versnelde bodemdaling, verslechtering van waterkwaliteit en hittestress in bestaand stedelijk gebied. Groen en Ecologie Randvoorwaarde: Natuurtoets en compensatiemaatregelen ecologie Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet deze met een natuurtoets beoordeeld worden op ecologische effecten. Een quickscan ecologie maakt standaard deel uit van de uit te voeren onderzoeken. Deze quickscan kan als basis dienen voor een mitigatie- of compensatieplan in het kader van een ontheffingsaanvraag. Het ontwerp houdt rekening met uitkomsten van de quickscan en wordt hierop aangepast en past, als behoud niet mogelijk is, compenserende maatregelen toe. De compenserende maatregelen worden genomen voor de aangetroffen (beschermde) soorten. (o.a.

Wet natuurbescherming 2017 en Ecologisch Beleidsplan 2013-2030, gemeente Haarlem) Doeleinde: Natuurinclusief bouwen Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en (openbare) ruimte hier omheen. Behoud en aansluiten op de bestaande ecologische waarden is uitgangspunt. Indien behoud niet mogelijk is, dienen in het bouwproject compensatiemaatregelen te worden getroffen. Daarnaast liggen er grote kansen voor bevordering van natuur binnen bouwprojecten d.m.v natuurinclusief bouwen. Circulair bouwen en ontwikkelen Randvoorwaarde: Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouw dienen de waardes gehanteerd te worden conform bouwbesluit 2018. De Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. De MPG is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. Er geldt voor de MPG een maximum grenswaarde van 1,0. (Bouwbesluit 2018). Doeleinde: verbeterde Milieu Prestatie Gebouwen Het verhogen van de ambitie ten aanzien van de MPG is een concrete maatregel die bijdraagt aan deze doelstelling. Dat betekent dat waar mogelijk 38

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

een lagere MPG-norm wordt voorgeschreven (hoe lager de norm, hoe beter de prestatie), te weten: 0,8. Doeleinde: Duurzame GWW De Aanpak Duurzaam GWW helpt om op een uniforme en systematische manier de juiste processtappen te zetten. Door duurzaamheid te verankeren in de bedrijfsprocessen geven partijen binnen de GWW-sector op een zelfde manier invulling aan duurzaamheid in projecten en zijn verwachtingen vooraf duidelijk. De aanpak Duurzaam GWW wordt gevolgd voor planvorming, aanleg, aanbesteding, beheer en onderhoud. Van de private partijen die GWW aanleggen wordt gevraagd mee te werken aan deze aanpak. (Grondstoffenakkoord, Green Deal Duurzaam GWW 2.0). Doeleinde: Registratie materialen De bestaande stad is de grondstoffenmijn van de toekomst. Het opstellen van een materialenpaspoort en de registratie daarvan in het Madaster 7, of vergelijkbaar registratiesysteem, draagt bij aan het hergebruik van materialen. Het betreft een relatief eenvoudig uitvoerbare maatregel omdat het in de ontwerpfase wordt toegepast en geen uitvoeringskosten betreft. Doeleinde: Toekomstbestendig ontwerpen Flexibiliteit bieden voor functionele verandering op termijn kan hoge kosten en materiaalverspilling bij een herbestemming of woningaanpassing voorkomen. De woonvisie vraagt aandacht voor flexibiliteit en duurzaamheid. (Doorbouwen aan een (t)huis, Woonvisie Haarlem 2017 - 2020).

Doeleinde: Afvalinzameling integreren in ontwerp De voorzieningen voor (gescheiden) inzameling van afval dienen bij de oplevering van nieuwbouwlocaties al op orde moeten zijn, zodat geen noodoplossingen worden ingezet. Daarom dienen voorzieningen zoals ondergrondse en inpandige containers in een vroege fase van het ontwerp geïntegreerd te worden. Mobiliteit Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de bebouwing Voor iedere nieuwe woning schrijft het Bouwbesluit 2012 voor om een eigen berging voor het stallen van fietsen en scootmobielen met een minimale oppervlakte te realiseren. Op grond van de gelijkwaardigheidsbepaling mag er op een andere manier aan worden voldaan dan is aangegeven. De "Beleidsregel bergingen nieuwe woongebouwen Haarlem 2018" geeft voorwaarden daar aan. Tevens wordt er bij woongebouwen rekening gehouden met levensloopbestendigheid (d.m.v. stalling voor scootmobielen). Doeleinde: Stimuleren fiets en voetgangers door de openbare ruimte Het aantal autoritten moet gereduceerd worden en het is de bedoeling dat er minder parkeerplaatsen in de openbare ruimte komen. Ook bij (ver)bouwprojecten moet dit principe leidend zijn. Bijvoorbeeld met een aantrekkelijke looproute naar de dichtstbijzijnde HOV-halte of NS-station, autoparkeren op afstand en voldoende en comfortabele fietsenbergingen of

39

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

-stallingen die gemakkelijker bereikbaar zijn dan de parkeerplaatsen voor auto's. Doeleinde Duurzaam mobiliteitsplan Binnen de 'beleidsregels parkeernormen' is het mogelijk om gebruik te maken van een mobiliteitsplan. Het uitwerken van een locatie specifiek mobiliteitsplan is een goede methode om bij te dragen aan de duurzame mobiliteitstransitie én te voorzien in voldoende ruimte voor parkeren. Het mobiliteitsplan wordt opgesteld door de initiatiefnemer en kan elementen bevatten over bijvoorbeeld deelauto's, goede fietsontsluiting i.c.m. nabijheid en OV etc. Doeleinde: Fietsparkeren in ontwerp In het ontwerp moet er aandacht zijn voor het fietsparkeren voor bewoners, maar ook voor bezoekers. Slimme locaties, goed bereikbaar en zeer comfortabel waardoor gebruikers verleid worden de fiets te verkiezen boven de auto. Een goede integratie van (voldoende) fietsparkeren in het ontwerp moet als doel hebben de ruimtelijke kwaliteit vergroten én om het gebruik van de fiets te stimuleren. Doeleinde: Laadpunten auto Als onderdeel van de energiestransitie wordt elektrisch rijden gestimuleerd door het vergroten van de laadinfrastructuur (laadvoorzieningen). Bouwontwikkelingen moeten voldoende laadvoorzieningen realiseren. Het CROW heeft hiervoor een richtlijn opgesteld, dit kan als basis gebruikt worden. (CROW ,publicatie 381, 2018).

Doeleinde: Smart Mobility in ontwikkelzones De ontwikkelzones worden duurzame toekomstwijken, waarbij op het gebied van mobiliteitsconcepten geëxperimenteerd wordt en met zo efficiënt mogelijke ruimtebehoefte wordt gebouwd. Initiatiefnemers worden uitgedaagd om te komen met een passend experiment voor een mobiliteitsconcept, waarbij ze ook oog hebben voor de bestaande omgeving. Beoordeling Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). Het uitgangspunt van de ontwikkeling is dat woningen energieneutraal, gasloos en onderhoudsarm worden geproduceerd. De ambitie van dit plan is om zoveel mogelijk duurzame systemen in de woningen te implementeren en zo klimaat bestendig te bouwen. Daarbij kan worden gedacht aan een warmtepompsysteem, ventilatiesysteem en zonnepanelen. Een warmtepomp verwarmt de woningen en zorgt voor warm water om te douchen. Een door CO² sensoren gestuurde ventilatie meet hoeveel lucht er moet worden aan- en afgevoerd. Door dit slimme systeem gaat er nauwelijks energie verloren aan het verwarmen van overtollige lucht. De energiemonitor geeft continu aan hoeveel energie er verbruikt én opwekt 40

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

wordt. Daken kunnen worden bekleed met zonnepanelen waarmee eigen energie wordt opwekt. Dankzij deze maatregelen hebben bewoners die bewust met energie omgaan nauwelijks energiekosten meer. Conclusie Het plan houdt rekening met duurzaamheid en voldoet aan de geldende duurzaamheidsnormen.

41

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

42

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

Hoofdstuk 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECT EN 5.1

Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan.

5.2

Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten 'geluid', 'geur', 'stof' en 'gevaar', waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken.

43

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

Richtafstanden bedrijven en milieuzonering. De bovengenoemde richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Voor gemengde gebieden waar wonen en werken samengaan, is gekozen voor een andere categorie aanduiding, namelijk 'functiemengingsgebieden'. Binnen gebieden met functiemenging heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. De richtafstanden uit de VNG-handreiking zijn dan niet toepasbaar. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijk relevante milieucategorieën: categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen; categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen; categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Beoordeling Het grondgebied van Haarlem is ingedeeld in gebieden of zones. Deze opdeling is bepaald door specifieke kenmerken van die gebieden (waaronder aanwezige functies, bebouwingsdichtheid, ligging ten opzichte van wegen en stations e.d.). Het plangebied valt in de gebiedstypering wonen met een maximaal toegestane hindercategorie B (wonen met overwegend laagbouw in een lage dichtheid).

Direct ten oosten en noorden van het plangebied komen diverse bedrijfsbestemmingen voor (Stephensonstraat 4, 6, 7, 8, 10, 15, 19, 23 en 25). Deze bedrijfsbestemmingen hebben tot doel een functiemenging van wonen en werken mogelijk te maken. Binnen deze bestemming zijn categorie A en B bedrijven uit de lijst functiemenging uit de VNG-brochure toegestaan. Bedrijfsactiviteiten tot maximaal milieucategorie B passen binnen een woonomgeving, omdat zij niet conflicteren met de woonsituatie. Omdat er in de beoogde situatie geen sprake is van een aanpandige situatie ten opzichte van deze bedrijven, wordt er voldaan aan de voorwaarde van de categorie A en B bedrijven. Naast de bedrijfsbestemmingen bevinden zich in de directe omgeving van het 44

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

plangebied tevens een maatschappelijke bestemming (Stephensonstraat 1 en 3) en een gemengde bestemming (Stephensonstraat 50). Binnen de maatschappelijke bestemming zijn o.a. buitenschoolse opvang en levensbeschouwelijke voorzieningen toegestaan. Het betreft hier bedrijvigheid uit ten hoogste milieucategorie 2 met een bijbehorende richtafstand (uitgaande van de ligging in een gemengd gebied) van 10 meter. Aan deze richtafstand wordt ten opzichte van het plangebied ruimschoots voldaan. Binnen de gemengde bestemming is o.a. detailhandel en een supermarkt toegestaan. Ook dit betreft bedrijvigheid uit ten hoogste milieucategorie 2 met een bijbehorende richtafstand van 10 meter. Ook aan deze richtafstand wordt voldaan. Daarmee is een goed woon- en leefklimaat vanwege omliggende bedrijvigheid ter hoogte van het plangebied verzekerd en kan worden gewaarborgd dat omliggend bedrijvigheid vanwege het planvoornemen niet wordt belemmerd in de bedrijfsvoering. Het planvoornemen zelf voorziet eveneens in een mix van wonen en werken, omdat op de begane grond ruimte wordt geboden aan commerciële functies. Voor deze functies geldt dat deze eveneens uitsluitend kunnen worden gebruikt voor activiteiten tot ten hoogste categorie B zoals genoemd in de ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten – functiemenging’, opgenomen als bijlage bij de regels van dit bestemmingsplan.

De commerciële ruimtes zijn bouwkundig afgescheiden van de te realiseren woningen, waardoor voor de nieuwe woningen, gelet op de ligging van de woningen in een functiemengingsgebied, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. De nieuwe commerciële functies betreffen daarnaast geen bedrijvigheid uit een hogere milieucategorie dan reeds binnen de vigerende bedrijfsbestemming in het plangebied is toegestaan, waardoor de commerciële functies evenmin van negatieve invloed zijn op omliggende bestaande woningen of andere gevoelige objecten. Aldus wordt voor wat betreft de commerciële functies die dit bestemmingsplan mogelijk maakt tevens voldaan aan de VNG-publicatie. Onderhavig initiatief voorziet tot slot in de mogelijkheid tot het vestigen van horeca tot en met categorie 2. Bij deze horeca wordt mogelijk voorzien in een aansluitend terras, als onderdeel van de beoogde horeca. Voor dit type bedrijvigheid (SBI-2008: 561, 563) geldt op basis van de VNG-brochure in het omgevingstype 'gemengd gebied' een richtafstand van 0 meter tot gevoelige functies ten aanzien van de aspecten 'geur', 'stof', en 'geluid'. De richtafstand met betrekking tot gevaar kan niet worden teruggebracht en bedraagt om die reden 10 meter.

Ten aanzien van geur, stof en geluid kan op basis van de VNG-brochure derhalve worden aangenomen dat een goed woon- en leefklimaat rondom het plangebied is gegarandeerd. Omdat gevoelige bestemmingen (de bovenwoningen) binnen de richtafstand van 10 meter ten aanzien van het aspect 'gevaar' liggen, wordt hierop navolgend ingegaan. Gevaar In de VNG-brochure is opgenomen dat de reductie met één afstandstap bij een gemengd gebied, niet leidt tot een lager beschermingsniveau voor het aspect gevaar omdat voor aspecten waarbij gevaar maatgevend is voor de richtafstanden, vrijwel altijd specifieke regelgeving (zoals Bevi of het Vuurwerkbesluit) geldt. Het onderhavige planvoornemen voorziet in de 45

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

toevoeging van een horecafunctie, waardoor ter plaatse ten hoogste een restaurant mogelijk kan worden gemaakt. Deze milieubelastende activiteit wordt in de VNG-brochure ingedeeld in milieucategorie 1. Voor het aspect gevaar geldt bij de activiteit 'restaurant' een richtafstand van 10 meter. Bij de activiteit 'restaurant' is in de VNG-brochure geen indicatie opgenomen dat het hier mogelijk een Bevi-bedrijf betreft. Hoewel sprake is van een gemengd gebied mag voor dit aspect de richtafstand niet zonder meer met één afstandstap worden verminderd. De betreffende activiteit valt echter onder de werkingssfeer van het 'Activiteitenbesluit milieubeheer'. Voor activiteiten/installaties/opslagen die voorkomen bij een restaurant zijn in het Activiteitenbesluit geen te respecteren veiligheidsafstanden opgenomen die reiken tot buiten de inrichtingsgrens. Op basis van het bovenstaande is het derhalve in deze specifieke situatie gerechtvaardigd om de richtafstand van 10 meter voor het aspect 'gevaar' hier met één afstandstap te reduceren. Vanuit de horecafunctie is geen sprake van gevaar naar de omgeving. Het aspect 'gevaar' vanuit het restaurant heeft derhalve geen invloed op het woon- en leefklimaat ter hoogte van omliggende gevoelige functies. In een restaurant vindt geen opslag plaats van relevante gevaarlijke stoffen en de keuken zal aan brandveiligheidseisen voldoen.

Geur en geluid Hoewel in het kader van milieuzonering in onderhavig geval de aspecten geur en geluid geen rol spelen, geldt niet dat de beoogde horeca niet aan regelgeving hieromtrent is onderworpen. Het 'Activiteitenbesluit milieubeheer' en de' Activiteitenregeling' vormen voor beide aspecten het wettelijk kader. Geur Specifiek geldt ten aanzien van geur dat bij het bereiden van voedingsmiddelen volgens de Activiteitenregeling sprake is van 'bedrijfsmatige voedselbereiding'. Voor het voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder moet voldaan worden aan de voorschriften die staan in de Activiteitenregeling. Geur is voor deze activiteit uitputtend geregeld in artikel 3.103 van de Activiteitenregeling. Aangezien er bestaande geurgevoelige objecten (niet alleen woningen, maar ook winkels, kantoren en andere verblijfsobjecten) binnen 25 meter van het plangebied zijn gelegen, moet de beoogde horeca conform dit artikel over een ontgeuringsinstallatie beschikken om geurhinder in de bestaande omgeving te voorkomen. Uit artikel 3.103, lid 1 Activiteitenregeling blijkt dat met een ontgeuringsinstallatie geen sprake is van geurhinder in de omgeving. Geluid De horecafunctie valt onder de regels van het Activiteitenbesluit. Voor wat betreft het aspect geluid moet worden voldaan aan de grenswaarden die zijn opgenomen in tabel 2.17a:

46

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

De dichtstbijzijnde woningen zijn de aanpandige bovenwoningen en niet-aanpandige woningen op het Remiseterrein (op een afstand van ongeveer 15 meter). Mogelijke geluidsbronnen bij de beoogde horeca zijn: binnenniveau; afzuigingen; terras. Aangezien het gaat om horeca tot maximaal categorie 2 (horecabedrijven die hoofdzakelijk maaltijden verstrekken en als nevenactiviteit alcoholische en niet-alcoholische dranken verstrekken waarbij de nadruk ligt op het verstrekken van maaltijden, zoals restaurants en eethuisjes, snackbars en daarmee gelijk te stellen horecabedrijven), is geen relevant binnenniveau te verwachten. Er is geen sprake van versterkt muziekgeluid anders dan achtergrondmuziek (< 80 dB(A)). De afzuiging wordt gesitueerd op het dak dan wel inpandig (recirculatie). Op deze locatie is gezien de afscherming en afstand tot de gevels van de gevoelige gebouwen (ook de bovenwoningen) geen hinder te verwachten. De maatgevende bron voor de geluidemissie van de beoogde horeca wordt gevormd door het buitenterras. De omvang van een potentieel terras staat op dit moment nog niet vast. Daarom wordt uitgegaan van een worstcasescenario dat het terras ruimte biedt aan ongeveer 80 personen. Het bronvermogen van stemgeluid volgt uit het “Journaal Geluid, december 2009, nr. 10” van de Nederlandse Stichting Geluidshinder. Uitgegaan wordt van normaal sprekende personen.

Het bronvermogen bedraagt 65 dB(A) per persoon. Bezoekers zullen grotendeels met groepen van 2 of 4 personen zijn. Gemiddeld is dan 1 op de 3 bezoekers aan het praten. Er zijn dan maximaal 27 personen tegelijk aan het praten. Het bronvermogen bedraagt dan 65 + 10 x log (27) = 79 dB(A). Tijdens het spreken zullen de sprekers naar elkaar toegewend zijn, zodat een deel van de sprekers richting een bepaalde woning spreekt, en een ander deel van de sprekers van een bepaalde woning af spreekt. Vanwege de richtingsindex wordt een correctie van 3 dB toegepast. Het bronvermogen van het gehele terras bedraagt dan 76 dB(A) wanneer het gehele terras vol zit met sprekende personen. Dit stemgeluid kan zich gedurende de dag- en avondperiode voordoen. In de nachtperiode is het terras gesloten. Op een afstand van (bijvoorbeeld) 10 meter bedraagt het geluidniveau dan 76 – 20 x log (10) – 11 = 45 dB(A) , wanneer er constant sprake is van sprekende personen (dus zonder bedrijfsduurcorrectie). Op een afstand van 10 meter (een goede

47

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

inschatting van het afstand van het terras tot de dichtstbijzijnde gevel van een gevoelige gebouw) wordt dus voldaan aan de grenswaarden voor geluid uit het Activiteitenbesluit van 50 dB(A) in de dagperiode en 45 dB(A) in de avondperiode. Deze berekening vormt een overschatting, omdat in de berekening al het geluid afkomstig is van één emissiepunt op 10 meter van een immissiepunt. In de praktijk is de geluidemissie over een grotere oppervlakte verspreid. Ten aanzien van geluid geldt voorts dat op basis van artikel 2.17, lid 1 van het Activiteitenbesluit, de geluidsbelasting op de gevel van gevoelige gebouwen vanwege de horeca maximaal 50/45/40 dB(A) in de dag/avond/nachtperiode mag bedragen. Uit artikel 2.17, lid 1 van het Activiteitenbesluit is op te maken dat bij een equivalent geluidniveau van 35/30/25 dB(A) in de dag/avond/nachtperiode in gevoelige gebouwen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij een geluidbelasting van 45 dB(A) in de avondperiode op de gevel moet de gevel over een geluidwering van 45 - 30 = 15 dB(A) beschikken om te kunnen spreken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het Bouwbesluit 2012 volgt dat elke gevel van normale bouwkundige opzet al over een geluidwering van op zijn minst 20 dB beschikt.

Daar het buitenterras maatgevend zal zijn voor geluid, kan in redelijkheid worden aangenomen dat het binnenniveau in gevoelige gebouwen niet wordt overschreden. Op basis van bovenstaande is de beoogde horeca inpasbaar binnen het besluitgebied in relatie tot haar omgeving. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een acceptabel woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief belemmert daarnaast omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering.

5.3

Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. 48

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

Beoordeling Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Haarlemse bodemkwaliteitskaart vastgesteld (zie onderstaande afbeeldingen). In de Haarlemse bodemkwaliteitskaart worden acht bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Zeven zones zijn op de kaart zichtbaar als geografische eenheden. Zone 8 heeft betrekking op openbare gebieden. Het bestaansrecht van zone 8 bestaat in het feit dat ter plaatse van wegen en openbare ruimte een afwijkende kwaliteit wordt aangetoond dan de kwaliteit van het omliggende gebied. Het oppervlak van de bovengrond en ondergrond van deze zone verschillen van elkaar. Het bestemmingsplangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 4B.

Zones bovengrond.

49

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

Zones ondergrond. Bodemkwaliteitszone 4B In deze bodemkwaliteitszone is de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) gemiddeld licht verontreinigd met kwik, lood, zink, PCB en PAK. Plaatselijk komen matige verontreinigingen voor met koper, lood en zink en lichte verontreinigingen met cadmium, nikkel en minerale olie. De ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv) is gemiddeld licht verontreinigd met kwik, lood en PAK. In de ondergrond komen plaatselijk matige verontreinigingen voor met lood en zink. Cadmium, kobalt, koper, nikkel, PCB en minerale olie komen plaatselijk als lichte verontreiniging voor. In onderstaande tabel zijn de gemiddelden en de P95-waarden van de bovengrond (0,0-0,5 m-mv) en ondergrond (0,5-1,5 m-mv) van de bodemkwaliteitszone 4B weergegeven.

50

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

Grondverzet De gemeente Haarlem heeft voor haar beheersgebied gebieds-specifiek beleid vastgesteld (Nota bodembeheer 5-9-2013, BBV nr.: STZ/MIL 2013/232071). Voor het toepassen van grond in bodemkwaliteitszone 4 zijn Lokale Maximale Waarden vastgesteld. In de onderstaande tabellen zijn de Lokale Maximale waarden voor bodemkwaliteitszone 4 weergegeven.

Op basis van de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart is vrij grondverzet op de locatie of binnen de bodemkwaliteitszone 4 toegestaan, mits het gaat om grond van een onverdachte locatie. Voor het in andere bodemkwaliteitszones toepassen van bovengrond uit bodemkwaliteitszone 4 is een partijkeuring nodig. Toepassen van de ondergrond uit bodemkwaliteitszone 4 in andere bodemkwaliteitszones is op basis van de bodemkwaliteitskaart 51

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

zonder partijkeuring mogelijk, mits het gaat om grond van een onverdachte locatie. Bodemonderzoeken/bekende verontreinigingen De bodem van het voormalige Connexxion-terrein (nu nieuwbouwlocatie de Remise) ten oosten van de Stephensonstraat is voor de herinrichting naar woonwijk gesaneerd. Het evaluatieverslag van het bodemsanering is door de gemeente Haarlem in 2019 beschikt. Bij deze sanering was het voornemen om geval 4 geheel en dus perceeloverschrijdend op adres Stephensonstraat 8/10 en nummer 38 te saneren. Tijdens de uitvoering van de sanering is hier vanaf gezien omdat het belendende perceel nog niet herontwikkeld werd. Er is gesaneerd tot aan de westelijke perceelgrens. Ter plaatse is geen putwandmonster genomen. Wel is tegen de putwand een waterdicht folie geplaatst. Het betreft een verontreiniging met minerale olie. Onbekend is hoe actueel en hoe groot deze vlek op het terrein van Stephensonstraat 38 is. Bij de herontwikkeling van de Stephensonstraat is de sanering van de restverontreiniging een aandachtspunt. Op Stephensonstraat 38 is in 2004 een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd naar de eventuele verontreiniging als gevolg van bodembedreigende activiteiten uit het verleden op deze locatie.

Hier werden van 1954-1982 farmaceutische producten vervaardigd en is in 1985 een vergunning verleend voor het repareren van watermeters met daarbij een garage en bezinepompinstallatie met een ondergrondse tank. Hier is in de ondergrond (dieper dan een halve meter) een sterke loodverontreiniging aangetroffen naast verontreinigingen met PAK en andere zware metalen. De bovengrond is schoon. De verontreinigingen in de ondergrond hangen waarschijnlijk samen met puin en andere bijmengingen in de bodem. In het grondwater zijn matige verontreinigingen met minerale olie aangetroffen die het gevolg zijn van de voormalige tanks. Deze verontreinigingen waren beperkt van omvang. In 1995 is van dit perceel een ondergrondse tank verwijderd. Op Stephensonstraat 44-46 hebben onderzoeken (2000 en 2001) laten zien dat ook daar in de ondergrond sterke verontreiniging met lood aanwezig is. De bovengrond bestond uit relatief schone aanvulgrond. In 1993 is hier voorafgaand aan nieuwbouw een functionele sanering uitgevoerd. Voorafgaand aan de nieuwbouw is, waar dat technisch nodig was, verontreinigde grond afgevoerd en de restverontreiniging is afgedekt met de nieuwbouw. Daarbij is een ondergrondse tank gevuld met zand maar niet verwijderd.

Wanneer in deze zone ontwikkeld gaat worden en de huidige bedrijven hun activiteiten staken, zullen mogelijk eindsituatie bodemonderzoeken moeten worden uitgevoerd. Dit geldt met name voor bedrijven die bodembedreigende activiteiten hebben uitgevoerd. Bedrijven zijn verantwoordelijk voor het verwijderen van de verontreiniging die ze hebben veroorzaakt. Het beleid rond bodemverontreiniging is gericht op het voorkomen en wegnemen van risico's als gevolg van bodemverontreiniging. Bij ontwikkelingen wordt altijd getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Recent onderzoek moet dit aantonen. Dit is een indieningsvereiste bij 52

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

de aanvraag van een omgevingsvergunning. Aan de hand van deze actuele gegevens wordt bepaald of er nadere stappen genomen moeten worden (nader onderzoek of sanering). Nader onderzoek dient nog plaats te vinden. Bodemenergie De potentie om de nieuwbouw te verwarmen en te koelen met bodemenergie (door middel van gesloten systemen en open WKO-systemen) is op deze locatie groot. Beleidsmatig is er een voorkeur voor een gemeenschappelijk open WKO-systeem boven individuele gesloten WKO-systemen. Een gesloten WKO-systeem moet op eigen terrein gerealiseerd worden. De ontwikkelzone Zuidwest, waar binnen dit terrein valt, is in 2021 aangewezen als interferentiegebied voor bodemenenergiesystemen. Het rechtsgevolg van het aanwijzen van een interferentiegebied is dat kleine gesloten bodemenergiesystemen vergunningplichtig zijn. Hierdoor zijn er voor alle bodemenergiesystemen die worden aangelegd in het interferentiegebied beleidsregels opgesteld waaraan bij de vergunningverlening moet worden getoetst. Deze regels heeft de gemeente vastgelegd in de Beleidsregel gronden weigering vergunning bodemenergiesystemen interferentiegebieden Zuidwest en Europaweg (vastgesteld door het college van B&W op 12-10-2021). Conclusie Het aspect bodemkwaliteit levert geen belemmering op voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Wel moet rekening worden gehouden met eerder aangetoonde ernstige verontreiniging met lood in met name de ondergrond. Ook is een van De Remise (voormalig Connexxion-terrein) afkomstige olieverontreiniging aanwezig op het noordelijke deel van Stephensonstraat 38 waarvoor is vastgesteld dat bij ontwikkeling deze verwijderd moet worden. Algemeen geldt dat in het kader van de omgevingsvergunning een actualiserend bodemonderzoek moet worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit ter plaatse. Afhankelijk van de resultaten worden mogelijk nadere eisen gesteld aan nader onderzoek of mogelijk sanering. Een actueel verkennend bodemonderzoek wordt nog uitgevoerd. Er is een Beleidsregel van kracht met eisen voor WKO-systemen (open en gesloten bodemenergiesystemen) in dit gebied.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en

53

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Specifiek voor LPG-tankstations is tevens de 'circulaire effectafstanden LPG-tankstations' relevant. Met deze circulaire wordt een handreiking gegeven ten behoeve van de beoordeling van externe veiligheid van LPG-tankstations. Daarbij staat het rekening houden met effectafstanden centraal en wordt aangesloten bij hetgeen geregeld is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). In de circulaire wordt het bevoegd gezag verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd.

Uitsnede van de risicokaart. Met de gele ster is globaal het plangebied geduid. Bron: risicokaart.nl, 2022.

De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting aan de Grijpensteinweg 17a-19, gelegen op een afstand van circa 575 meter tot het plangebied. Er is geen sprake van een Bevi-inrichting of een pr 10-6-risicocontour. Deze inrichting heeft derhalve geen invloed op onderhavig planvoornemen.

54

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

Voor het overige zijn er geen inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico gelegen nabij het plangebied. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.4.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.

Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicorelevante transportassen gelegen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied voor toxische scenario’s op de Rijksweg A200. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.4.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat

55

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk buisleiding is gelegen op een afstand van circa 1.850 meter. Gelet op de ruime afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de leiding geen belemmering voor onderhavig voornemen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavig plan.

5.5

Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkingsof wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:

Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Stedelijk Buitenstedelijk Aantal meters aan weerszijden van de weg 350 m 600 m 350 m 400 m 200 m 250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn

56

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling Het onderhavige planvoornemen voorziet in de realisatie van woningen. Deze woningen liggen binnen de onderzoekszone van de Leidsevaart, Pijlslaan, Stephensonstraat en de Westelijke Randweg N208. Daarnaast ligt het plangebied binnen de geluidzone van het traject Haarlem-Leiden. Omdat door middel van onderhavig initiatief ter plaatse nieuwe geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Rapportage hiervan is als Bijlage 4 gevoegd bij deze toelichting. Uit het onderzoek volgt dat ten aanzien van de Leidsevaart, Pijlslaan en de Westelijke Randweg N208 voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting ten gevolge van de gezoneerde Stephensonstraat bedraagt hoogstens 58 dB (inclusief aftrek ex art. 110g Wgh). Hiermee wordt voor deze weg de voorkeursgrenswaarde wel overschreden. De hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt echter niet overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van het railverkeer bedraagt ten hoogste 59 dB, waarmee de voorkeursgrenswaarde van 55 dB eveneens wordt overschreden. De hoogst toelaatbare geluidbelasting van 68 dB wordt echter niet overschreden.

Aangezien de voorkeursgrenswaarde vanwege de spoorweg en de Stephensonstraat wordt overschreden, dient te worden onderzocht of maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Hierbij is gekeken naar bron- en overdrachtsmaatregelen. Het treffen van maatregelen blijkt echter niet doelmatig te zijn. Daarom dient voor beide (spoor)wegen een hogere waarde te worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Haarlem. In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ is tevens inzicht verkregen in de cumulatieve geluidsbelasting. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een geluidsbelasting van ten hoogste 65 dB, hetgeen als acceptabel wordt geacht. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor ‘bouwen’ is het noodzakelijk dat wordt voldaan aan de eisen voor de minimale geluidwering van de gevels. De binnenwaarde van de woningen zal daardoor aan de wettelijke eisen voldoen. Daarmee is een binnenniveau van maximaal 33 dB gewaarborgd. Bovendien geldt dat de beoogde woningen in zijn algemeenheid met de voorzijde zijn gericht op bestaande wegen, derhalve dat de achterzijde een lagere geluidbelasting kent.

Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten gevolge van de Stephensonstraat en de spoorweg Haarlem-Leiden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB respectievelijk 55 dB wordt overschreden. Vanwege beide wegen is een hogere waarde noodzakelijk. Wegverkeerslawaai staat het planvoornemen niet in de weg. Het besluit hogere waarde is als Bijlage 5 toegevoegd.

57

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

5.6

Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO 2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO 2).

Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO 2. In

artikel

4

van

het

Besluit

niet 58

in

betekenende

mate

bijdragen

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

(luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Door Antea Group is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd, bijgevoegd als Bijlage 6 bij deze toelichting. Hieruit volgt dat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit er geen belemmeringen zijn voor de herontwikkeling van de Stephensonstraat 38-46 te Haarlem. Het plan is niet in betekende mate voor de luchtkwaliteit. Daarnaast voldoet de luchtkwaliteit ter plaatsen aan de maatgevende waarden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze wegen onder de grenswaarden lagen (< 35 µg/m3). Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

5.7

Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Holland In de provincie Noord-Holland dienen in het kader van het behoud van

59

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

Uitsnede Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie. Het plangebied is geduid met een rode contour. Beoordeling Op basis van de provinciale Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie maakt het plangebied geen deel uit van een cultuurhistorisch waardevol gebied. De bebouwing binnen het plangebied is niet aangemerkt als Rijks- of gemeentelijk monument. Tot slot bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied evenmin cultuurhistorische waarden van invloed op het plan. Het voornemen doet daarmee geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied. Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.

5.8

Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect 'archeologie' is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, 60

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. De Haarlemse bodem Het huidige Haarlem ligt zowel op de oudste strandwal, 56 eeuwen geleden ontstaan als de op één na oudste strandwal van Nederland. Op deze strandwallen bouwden jagers en vissers in de nieuwe steentijd (vanaf 3600 v. Chr.) eenvoudige onderkomens. Vanaf de bronstijd (2000-800 v. Chr.) legden de mensen akkers aan en bouwden ze boerderijen. Vele eeuwen later, vanaf de Karolingische tijd, ontstond op een strategische plek aan het Spaarne de nederzetting Harulahem. Harulahem, wat huis(en) op een open plek in een op zandgrond gelegen bos betekent, is later verbasterd tot Haarlem.

Haarlem ontwikkelde zich al snel tot een belangrijke stad in Holland en kreeg in 1245 stadsrechten. De resten van woningen, huisraad en andere sporen van vroegere bewoning zijn in de loop der eeuwen door natuurlijke processen en kunstmatige ophogingen verborgen geraakt in de Haarlemse bodem. Zo is de Haarlemse bodem een opeenstapeling geworden van diverse lagen van 56 eeuwen bewoningsgeschiedenis.

Archeologische Beleidskaart Haarlem (ABH). Het plangebied is geduid met een rode contour. Beoordeling Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Haarlem is het

61

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

plangebied geheel gelegen in een gebied dat is aangemerkt als categorie 5. Ter plaatse van categorie 5 geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een verstoringsdiepte van meer dan 30 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 10.000 m2. De beleidsmatige vertaling heeft in het vigerende bestemmingsplan plaatsgevonden door het toekennen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' aan de gronden binnen het plangebied. De drempelwaarden voor archeologisch onderzoek zullen vanwege het voorliggende woningbouwplan niet worden overschreden. Op basis van de toegekende archeologische verwachtingswaarde behoeft op voorhand geen rekening te worden gehouden met het doen van archeologisch onderzoek. Wel geldt dat als er archeologische resten (vondsten, sporen et cetera) worden aangetroffen bij de grondwerkzaamheden, deze op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet gemeld moeten worden bij de Minister van OCW en bij de gemeente. Bovendien blijft de archeologisch dubbelbestemming evenwel van kracht. Mocht bij de latere planuitwerking blijken dat de maximale oppervlakte wordt overschreden, zal door middel van archeologisch onderzoek dienen te worden aangetoond dat geen archeologische waarden verloren gaan. Conclusie De vigerende archeologische dubbelbestemming wordt overgenomen.

5.9

Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

62

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

5.10 Niet-gesprongen explosieven In opdracht van de gemeente Haarlem heeft het bureau REASeuro in 2016 historisch vooronderzoek gedaan naar niet gesprongen explosieven uit de Tweede Oorlog. Op Open Data Portaal van de gemeente Haarlem is een kaart beschikbaar gesteld met de locaties waar waarschijnlijk niet gesprongen explosieven aangetroffen kunnen worden bij werkzaamheden aan de bodem. Deze kaart is verwerkt in de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan "Reparatieplan C". Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een locatie waar niet gesprongen explosieven zijn te verwachten.

5.11 Ecologie 5.11.1

Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Natura 2000-gebieden Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft 'Kennemerland-Zuid' dat is gelegen op een afstand van ca. 830 m tot onderhavig plangebied. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake.

Mogelijk kan depositie van stikstof vanwege het planvoornemen wel negatieve gevolgen hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. De exacte mate van stikstof is zowel voor de aanlegfase als de gebruiksfase bepaald door middel van een AERIUS-berekening, bijgevoegd als Bijlage 7 bij deze toelichting. Uit de berekening blijkt dat het voornemen niet leidt tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar op omliggende Natura 2000-gebieden.

63

bestemmingsplan "Stephensonstraat 38-46" (vastgesteld)

Natuurnetwerk Nederland en overige natuurgebieden In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbij gelegen Natuurnetwerk Nederland ligt op circa 400 meter ten noordwesten van het plangebied. Op 380 meter ten noordwesten ligt een gebied dat is aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap 'Zuid-Kennemerland'. BPLs zijn gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn én niet vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Omdat geen sprake is van verstoring binnen het Natuurnetwerk Nederland of het Bijzonder Provinciaal Landschap, doet het planvoornemen geen afbreuk aan natuurlijke waarden binnen of in de omgeving van het plangebied. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming. 5.11.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12602447/2