20221363178 3 Bijlage B Goede ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Staalstraat blok 4 Haarlem
Ruimtelijke onderbouwing
Aveco de Bondt BV Burgemeester van der Borchstraat 2, 7451 CH Holten Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 548 85 33 33 www.avecodebondt.nl
project projectnummer projectverantwoordelijke
opdrachtgever postadres
Staalstraat blok 4 Haarlem 204501 Rianne Arendsen Stichting Pré Wonen Rijksweg 347, 1991AB Velserbroek
status
Definitief
versie
6
auteur
R. (Rianne) Arendsen
gecontroleerd
J.W. (Jeroen) Hendriks
datum referentie
11 februari 2021 204501_R_RAN03_0010
Inhoudsopgave
datum referentie
Inhoudsopgave
2
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding en doel Ligging en begrenzing van het plangebied Vigerende regelingen Leeswijzer
3 3 4 5
2
Beschrijving van het plan
6
2.1 2.2
Bestaande situatie van het plangebied Beoogde situatie van het plangebied
6 8
3
Beleidskader
10
3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
10 12 15
4
Haalbaarheid
16
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14
Geluid Bodem Luchtkwaliteit Water Flora en Fauna Groentoets Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Kabels en leidingen Verkeer en parkeren Bezonning Windhinder Besluit milieueffectrapportage
16 16 17 20 21 23 25 25 27 28 28 29 29 30
5
Uitvoerbaarheid
33
5.1 5.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
33 33
11 februari 2020 204501_R_RAN03_0010
1
Inleiding
1.1 Aanleiding en doel Pré Wonen is voornemens om ter hoogte van het bestaande appartementengebouw aan De Bazellaan 29 t/m 51 een nieuw appartementengebouw te realiseren. De voorgenomen ontwikkeling is nu in strijd met het vigerende bestemmingsplan ‘Zomerzone Noord’. Het nieuwe appartementengebouw wordt deels buiten het bouwvlak gerealiseerd en binnen de bestemming ‘Groen’ ‘Verkeer’ en overschrijdt de toegestane bouwhoogte. Voor het realiseren van het appartementencomplex is het noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen waarmee van het vigerende bestemmingsplan ‘Zomerzone Noord’ kan worden afgeweken. De aanvraag van de omgevingsvergunning gaat daartoe vergezeld van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied is gelegen aan De Bazellaan 29 t/m 51 in de wijk Parkwijk in Haarlem-Oost. In figuur 1 is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 1: Situering plangebied
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 3/44
1.3 Vigerende regelingen Om de ontwikkeling mogelijk te maken, moet van het bestemmingsplan afgeweken worden middels een omgevingsvergunning op basis van artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3 van de Wabo. Dit betreft een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking waarvoor de uitgebreide procedure van toepassing is. Middels de omgevingsvergunning wordt de beoogde ontwikkeling in afwijking van het vigerende bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Ter plaatse van het perceel vigeert het bestemmingsplan ‘Zomerzone Noord’, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Haarlem op 20 juni 2012. In figuur 2 is een uitsnede van de bestemmingsplankaart weergegeven ter hoogte van het plangebied.
Figuur 2: Situering plangebied op vigerend bestemmingsplan
Het plangebied heeft krachtens het vigerende bestemmingsplan ‘Zomerzone Noord de volgende bestemmingen: • Wonen met maatvoering: maximale bouwhoogte 13 meter • Groen • Verkeer • Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 4 Strijdigheid Het appartementengebouw wordt gedeeltelijk buiten de bestemming ‘wonen’ gesitueerd. Binnen de bestemming ‘Groen’ en ‘Verkeer’ is geen wonen toegestaan. Daarnaast wordt het gebouw hoger dan de maximale toegestane bouwhoogte van 13 meter. In paragraaf 4.7 wordt ingegaan op de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 4/44
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie en de beoogde situatie beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader uiteengezet, waarin wordt ingegaan op de rijks, provinciale en gemeentelijke beleidsuitgangspunten ten aanzien van het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de haalbaarheid van het onderhavige plan, door het verantwoorden van milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt tot slot ingegaan op de uitvoerbaarheid van het onderhavige plan.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 5/44
2
Beschrijving van het plan
2.1 Bestaande situatie van het plangebied Het plangebied is gelegen aan De Bazellaan 29 t/m 51 in de wijk Parkwijk in Haarlem-Oost. In de directe omgeving van het plangebied zijn met name appartementengebouwen en grondgebonden woningen gelegen. Aan de oostzijde is een groenstrook gesitueerd. Het bestaande te slopen appartementengebouw is weergegeven in figuur 3. De appartementengebouwen ten zuiden en westen van het plangebied maken tevens de komende jaren plaats voor nieuwe appartementengebouwen. Het appartementengebouw bestaat uit in totaal 48 appartementen verdeeld over 4 bouwlagen met halfverdiepte bergingen.
Figuur 3: Situering bestaande bebouwing op luchtfoto
In figuur 4 zijn enkele aanzichten van het plangebied weergegeven.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 6/44
Figuur 4: Luchtfoto's van plangebied
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 7/44
2.2 Beoogde situatie van het plangebied Het voornemen is om ter hoogte van het bestaande appartementengebouw een nieuw appartementengebouw te realiseren. Ten opzichte van het huidige appartementengebouw wordt het nieuwe appartementengebouw gedeeltelijk anders gepositioneerd op het perceel. Het gebouw wordt aan de achterzijde uitgebreid en er is sprake van verspringingen in de bouwhoogtes en verdiepingen. 2.2.1 Programma In totaal worden er 103 appartementen in de sociale huursector gerealiseerd, 79 3-kamer appartementen en 24 2-kamer appartementen. In navolgende figuur zijn impressies weergegeven van de beoogde situatie.
Figuur 5: impressies beoogde situatie
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 8/44
2.2.2 Parkeren In paragraaf 4.11.2 wordt ingegaan op het aspect parkeren. 2.2.3 Duurzaamheid en energie Binnen het project wordt rekening gehouden met duurzaamheid, klimaatadaptie en natuurinclusief bouwen. Het appartementengebouw wordt aardgasvrij gerealiseerd waarbij zonnepanelen en lucht-water-warmtepompen worden toegepast, waarbij de warmtepompen ook een koelfunctie gaan vervullen in de zomermaanden. Het dak zal volledig worden benut met zonnepanelen, wellicht in combinatie met groene daken. Er is nog geen keuze gemaakt voor de definitieve energievoorziening, echter zal er niet gekozen worden voor een WKOsysteem. Door Liander wordt een transformator geplaatst aan de Van Loghemstraat, in het appartementengebouw is geen transformatorruimte voorzien. Op het binnenterrein wordt zoveel mogelijk hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd door het toepassen van een wadi en/of krattensysteem en/of rainaway verharding. Dit om wateroverlast te voorkomen. Het binnenterrein wordt herontwikkeld tot een groene aantrekkelijke omgeving voor de bewoners uit het appartementengebouw. In de bebouwde omgeving vermindert de nestelgelegenheid voor vleermuizen en andere diersoorten. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden er in de bebouwing daarom enkele nestkasten voor vleermuizen geïntegreerd in de kopgevels.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 9/44
3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De SVIR schetst het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid van het rijk met ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte richt zich op de volgende 13 nationale belangen behorende onder drie streefdoelen: Vergroten van de concurrentiekracht van Nederland 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren; 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid 5. Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen; 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; 7.
Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen. Waarborgen kwaliteit leefomgeving 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s; 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 10/44
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De Juridische verankering van de nationale belangen vindt plaats in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen (zoals gedefinieerd in de SVIR) dat noodzakelijk maken. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Ecologische hoofdstructuur, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied en Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Met het rijksbeleid legt het kabinet grotere verantwoordelijkheid bij decentrale overheden. De uitvoering van het beleid ligt primair bij gemeenten, terwijl voor provincies een belangrijke kaderstellende, coördinerende en controlerende taak is weggelegd. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd.
Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. De Ladder geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Echter, uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie met name de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 met nummer ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat niet álle woningbouwprojecten gezien moeten worden als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Zo stelt dat Afdeling dat een bouwplan van niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie kunnen worden beschouwd, in beginsel niet beschouwd moet worden als een stedelijke ontwikkeling waarop de Ladder van toepassing is.
3.1.4 Toetsing plan aan rijksbeleid Voorgenomen plan heeft geen raakvlakken met de verschillende nationale belangen uit de SVIR, anders dan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Voor het plangebied zijn geen regels van toepassing met een directe werking vanuit het Barro die relevant zijn voor de planvorming. Het bestaande appartementengebouw bestaat uit 48 appartementen. Met voornemen bestaat om dit gebouw te vervangen voor een appartementengebouw met 103 appartementen. Er is daarmee sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het is een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. De appartementen betreffen appartementen in de sociale huursector. Uit het provinciaal en gemeentelijk beleid blijkt dat er grote behoefte is aan extra woningen in Haarlem en onder andere in de sociale huursector.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 11/44
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten vastgesteld. De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. In de visie zijn 5 bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving. 1. Dynamisch schiereiland. Hierin is het benutten van de unieke ligging van NoordHolland, te midden van water, leidend. 2. Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. 3. Sterke kernen, sterke regio’s, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden. 4. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie. 5. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, staan het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector centraal. De Omgevingsvisie richt zich op langetermijnambities en –doelen, met oog voor kwaliteiten die ze langjarig willen koesteren en die probeert in te spelen op veranderingen en transities die tijd nodig hebben. De ontwikkelprincipes geven houvast naar de toekomst toe omdat ze op hoofdlijnen beschrijven hoe de provincie ontwikkelingen voor zich ziet.
Toetsing van voorgenomen ontwikkeling aan Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 Het streven is om wonen en werken zoveel mogelijk binnenstedelijk te realiseren en te concentreren. Met voorgenomen ontwikkeling vindt er binnenstedelijke transformatie plaats. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie worden verankerd in de Omgevingsverordening Noord-Holland 2020. In deze Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen dienen te voldoen. 3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 De Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 geldt vanaf 17 november 2020 en vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 geeft een beschrijving waaraan bestemmingsplannen en beheersverordeningen moeten voldoen. Voor de doorwerking van het in de structuurvisie vastgelegde beleid naar gemeenten toe heeft de provincie de beschikking over de zogenaamde provinciale verordening. Deze verordening is het aangewezen instrument als het gaat om algemene regels omtrent de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen. Wel zal hierin duidelijk het provinciaal belang naar voren moeten komen.
Het uitgangspunt daarbij is dat de bevoegdheden ter doorwerking van het ruimtelijk beleid zoveel mogelijk proactief worden ingezet en het provinciale beleid daarbij zoveel mogelijk eenduidig wordt geregeld. Toetsing van voorgenomen ontwikkeling aan Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 Het voorliggende plan is een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening. Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is artikel 6.3 van de datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 12/44
Omgevingsverordening van toepassing. Een ruimtelijk plan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. De provincie Noord-Holland heeft een woonagenda 2020-2025 opgesteld, hier wordt in paragraaf 3.2.2 verder op ingegaan. Samen met afzonderlijke gemeenten, Metropoolregio Amsterdam en Bouwend Nederland zet de provincie zich tevens in om knelpunten weg te nemen en tot productie te komen via het ‘uitvoeringsprogramma binnenstedelijke bouwen en versnellen woningbouw’. De provincie richt zich daarmee op bouwprojecten waar behoefte aan is. Uit de bevolkingsprognose Noord-Holland 2019-2040 blijkt dat het aantal huishoudens in Haarlem nog met 13.200 toeneemt in de periode 2019-2040. De provincie voert daarnaast jaarlijks de MonitorWoningbouw uit. Het plangebied en de omliggende blokken zijn opgenomen in de plancapaciteit als in voorbereiding waarbij er 141 woningen in de huursector en in de periode van 2020-2024 gerealiseerd worden. Daarnaast is artikel 6.62 klimaatadaptie van belang voor de voorgenomen ontwikkeling. Een toelichting van een ruimtelijk plan dient een beschrijving te bevatten op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering.
De beschrijving dient in ieder geval in te gaan op wateroverlast, overstroming, hitte en droogte. In paragraaf 2.2.3 wordt hier verder op ingegaan. Er dient geconcludeerd te worden dat het initiatief in overeenstemming is met het provinciale beleid. 3.2.2 Woonagenda 2020-2025 De provincie Noord-Holland wil zorgen voor voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendig woningen voor alle doelgroepen. De woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie Noord-Holland voor vijf jaar. Actieagenda De provincie Noord-Holland heeft de volgende actiepunten: 1. Maatwerkafspraken in regionale woonakkoorden 2. We bieden kennis, meedenkkracht en hulp 3. Versnellen woningbouwproductie 4. Samenwerken stimuleren 5. Gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen 6. Meer flexibiliteit in de woningmarkt 7. Stimuleren circulair bouwen 8. Leveren van informatie en monitoring Ambitie, doelstelling en uitgangspunten voor het woonbeleid De ambitie is als volgt: “Onze ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn of komen. De woningbouw wordt vooral in of aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, overeenkomend met de kwalitatieve behoefte en demografische trends.
Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt.” De doelstelling is als volgt: De provincie Noord-Holland wil zorgen voor voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen. datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 13/44
De uitgangspunten zijn als volgt: 1. Wonen is onderdeel van een integrale verstedelijkingsopgave. 2. We geven ruimte voor woningbouw, uitgaande van zorgvuldig ruimtegebruik en mobiliteit 3. We versterken de rol van de kernen en steden in het regionale netwerk, leidend tot keuzes voor woningbouw- en economische ontwikkeling en het voorzieningenniveau in de regio. 4. We bieden ruimte voor maatwerk en sturen op (inter)regionale samenwerking. Toetsing van voorgenomen ontwikkeling aan Woonagenda 2020-2025 De woningmarkt van Noord-Holland staat onder druk. Geconstateerd in de provinciale MonitorWoningbouw en bevolkingsprognose, is de vraag vele malen groter dan het aanbod. Dit levert problemen op voor zowel de beschikbaarheid als de betaalbaarheid van woningen. Met voorgenomen ontwikkeling worden er op de locatie extra woningen gerealiseerd in de sociale huursector, dit vergroot de beschikbaarheid aan betaalbare woningen.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 14/44
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Woonvisie Haarlem 2021-2025 ‘Samen Doorbouwen aan een Duurzaam (t)huis’ Het college heeft de huidige woonvisie (2017-2020) geactualiseerd en een concept woonvisie Haarlem vastgesteld. Deze woonvisie geeft richting aan het woonbeleid op de lange termijn tot 2030 en handvatten voor de uitvoering ervan in de periode 2021-2025. De visie en ambitie voor 2030 is opgedeeld in 6 thema’s: beschikbaarheid; betaalbaar wonen; bijzondere doelgroepen; duurzaam en toekomstbestendig; vitale en veerkrachtige wijken; samenwerking. Hierna wordt ingegaan op een aantal thema’s welke van belang zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. Beschikbaarheid In 2030 is het woningaanbod van Haarlem gegroeid en sluit het aanbod beter aan op de vraag, met behoud van de ruimtelijke kwaliteit van de stad. De Haarlemse woningmarkt wordt meer in balans gebracht door: • woningen toe te voegen, voornamelijk door nieuwbouw, maar ook door functieverandering, woningsplitsing en optoppen. • meer passende en betaalbare woningen te hebben voor lage en middeninkomens • de bestaande voorraad beter te benutten. Om aan een groot deel van de huidige en toekomstige vraag te kunnen voldoen, worden in de periode 2020 tot 2030 8.000 tot 10.000 woningen toegevoegd, waarvan 3.200 tot 4.000 sociale huurwoningen.
Een gedifferentieerd nieuwbouwprogramma zorgt los van elkaar toevoeging van aanbod en via doorstroming voor dat zowel starters als alleenstaanden, ouderen en gezinnen naar wens wonen in Haarlem. We benutten de bestaande voorraad optimaal en toewijzings- en voorrangsregels zorgen voor een evenwichtige verdeling van de sociale huurwoningen. Duurzaam en toekomstbestendig Haarlem wil in 2040 aardgasvrij en circulair zijn en in 2050 klimaatbestendig. In de gebouwde omgeving realiseren we in 2030 de doelstelling uit het actieplan Schone Energie voor woningen: 395 terajoules opwekken met zonnepanelen. Uitgangspunt bij de energietransitie is dat de maandelijkse lasten die een huishouden betaalt aan energie en hypotheek of huur gelijk blijven of dalen (woonlastenneutraal). We werken met woningcorporaties, bewoners en andere partijen in de stad aan toekomstbestendige woningen en laten de stad goed achter voor volgende generaties. De hoofdthema’s omtrent duurzaam en toekomstbestendig blijven voor de komende jaren consistent en zijn: • energietransitie • circulair bouwen • klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen • kwaliteit bestaande woningen. Toetsing van voorgenomen ontwikkeling aan Woonvisie Haarlem 2021-2025 Uit de woonvisie blijkt dat er behoefte is aan sociale huurwoningen om aan de huidige en toekomstige vraag te voldoen.
Met de voorgenomen ontwikkeling worden er extra huurwoningen gerealiseerd ten opzichte van de huidige situatie. Het appartementengebouw wordt daarnaast duurzaam gebouwd, in paragraaf 2.2.3 wordt hierop ingegaan.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 15/44
4
Haalbaarheid
4.1 Geluid Ingevolge de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij een ruimtelijke planontwikkeling ter waarborging van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat rekening te worden gehouden met weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai. Voor het oprichten van geluidsgevoelige bestemmingen, waaronder woningen, die binnen de onderzoekszone van (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen liggen, dient een toets aan de geluidsnormen plaatsvinden. 4.1.1 Situatie plangebied Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidbelasting op de gevels van het appartementengebouw als gevolg van wegen en de spoorlijn te bepalen en deze te toetsen aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Het akoestisch onderzoek is opgenomen als bijlage 1. Hier wordt enkel de conclusie uit dit onderzoek weergegeven. In het akoestisch onderzoek is gebleken dat het plan geen beperking ondervindt van Luchthaven Schiphol en buiten de geluidzone van het industrieterrein Waarderpolder ligt. De berekende geluidbelasting als gevolg van gezoneerde wegen bedraagt ten hoogste: • 37 dB vanwege de Prins Bernhardlaan (na aftrek van 5 dB conform artikel 110g Wgh); • 39 dB vanwege de Amsterdamsevaart (na aftrek van 5 dB conform artikel 110g Wgh); • 33 dB vanwege de Camera Obscuraweg (na aftrek van 5 dB conform artikel 110g Wgh); • 46 dB vanwege de A200 (na aftrek van 2 dB conform artikel 110g Wgh).
De geluidbelasting als gevolg van de spoorlijn Amsterdam – Haarlem is ten hoogste 54 dB. De geluidbelastingen zijn lager dan de wettelijke voorkeurswaarde, hiermee is wat betreft weg- en railverkeerslawaai betreft voldaan aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting vanwege het Prinses Beatrixplein, De Bazellaan en de Berlagelaan (als één weg beschouwd) is ten hoogste 52 dB, na aftrek van 5 dB conform artikel 110g Wgh. De geluidbelasting vanwege de 30 km/uur-wegen dient te worden beschouwd in het kader van een goede ruimtelijke ordening en is hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB, maar ruimschoots lager dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Gebleken is dat bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen stuiten op een overwegend bezwaar van verkeerskundige aard, onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel niet mogelijk zijn. Voor het plan kunnen gevelmaatregelen overwogen worden. 4.1.2 Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. 4.2 Bodem Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of omgevingsvergunning voor bouwen dient, op grond van de Wet bodembescherming (Wbb), te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en/of deze aspecten optimaal datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 16/44
op elkaar kunnen worden afgestemd. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie of het gebruik van het plangebied. Om hierin inzicht te krijgen dient een bodemonderzoek te worden verricht. 4.2.1 Situatie plangebied De gemeente Haarlem heeft een bodemtoets uitgevoerd. Deze bodemtoets is als bijlage 2 toegevoegd. Uit de bodemtoets is gebleken dat de locatie Staalstraat / De Bazellaan onverdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging. Ter plaatse van de locatie is een voldoende actueel bodemonderzoek uitgevoerd. Echter de informatie omtrent de diepte van de uit te voeren bouwwerkzaamheden is onvoldoende duidelijk om te bepalen of het uitgevoerd onderzoek hiertoe voldoende is. Om dit te kunnen beoordelen dient aanvullende informatie verstrekt te worden omtrent de diepte van de uit te voeren werkzaamheden. Aanvullend is er informatie verstuurd naar de gemeente Haarlem over de diepte van de uit te voeren werkzaamheden. Het bestaande gebouw is voorzien van half verdiepte bergingen. Met het nieuwe gebouw zit de onderkant van de fundering 1040 minus peil. Dit houdt in dat de fundering bij de bestaande bebouwing lager ligt dan de fundering van de nieuwbouw.
Daarbij heeft de gemeente Haarlem aangegeven dat de boringen in het reeds bekende bodemonderzoek uitgevoerd zijn tot 2 m-mv zijn uitgevoerd en daarmee het reeds bekende bodemonderzoek met de bevindingen voldoende is. Er wordt bij de voorgenomen ontwikkeling geen grond afgevoerd naar een locatie elders, er hoeft om deze reden geen onderzoek naar PFAS plaats te vinden. 4.2.2 Conclusie Uit de bodemtoets is gebleken dat de grond vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht wordt voor het huidige gebruik en voorgenomen nieuwbouw. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. 4.3 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet Luchtkwaliteit. De Wet Luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het 'Besluit luchtkwaliteit 2005'.
De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De wet voorziet ondermeer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat enerzijds alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren en anderzijds alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren. De positieve effecten (maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren) overtreffen de negatieve effecten (ruimtelijke projecten die de luchtkwaliteit
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 17/44
verslechteren). Het doel van het NSL is te voldoen aan de Europese grenswaarden voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe wet geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m² kantoorruimte met één ontsluitingsweg); • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL. Bij ieder ruimtelijke ontwikkeling moet toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit plaatsvinden, met andere woorden het moet duidelijk zijn welke gevolgen het project heeft voor de luchtkwaliteit. Uitgangspunt is dat de luchtkwaliteit niet verslechtert c.q. dat het project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. 4.3.1 Situatie plangebied In het plangebied worden 103 wooneenheden gerealiseerd in het appartementengebouw, dit aantal blijft onder de grenswaarde van circa 1.500 woningen. Dit houdt in dat het onderhavige plan ‘niet in betekenende mate’ van invloed is op de luchtkwaliteit.
Naast de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren wooneenheden voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat zijn verschillende bronnen onderzocht (NSL en Atlas Leefomgeving). Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Op basis van de verscheidene bronnen blijkt dat de achtergrondconcentraties fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied ver onder de wettelijke norm zit. In 2018 was de achtergrondbelasting circa 21 µg/m³ fijnstof PM10 en circa 22 µg/m³ stikstofdioxide NO2. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke norm van 40 µg/m³.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 18/44
Figuur 9: Fijnstof PM10 (bron: Atlas Leefomgeving)
Figuur 10: Stikstofdioxide NO2 (bron: Atlas Leefomgeving)
4.3.2 Conclusie De plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat. Vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het aspect luchtkwaliteit derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling draagt bovendien niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 19/44
4.4 Water In onder andere de Europese Kaderrichtlijn water, de vierde Nota Waterhuishouding en de adviezen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is het beleid met betrekking tot het water(beheer) vastgelegd. Het beleid is gericht op het duurzaam behandelen van water. Dit betekent onder andere het waarborgen van voldoende veiligheid en het beperken van de kans op hinder vanwege water. Dit ook in verhouding tot ontwikkelingen als de verandering van het klimaat, het dalen van de bodem en het stijgen van de zeespiegel. De relatie tussen water en ruimtelijke ordening wordt steeds belangrijker. In de nota ‘Anders omgaan met water’ is bepaald dat de gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding uitdrukkelijk moeten worden overwogen. 4.4.1 Watertoets De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten door, bijvoorbeeld, gemeenten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Op 17 november 2020 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets uitgevoerd.
Het plangebied is gelegen binnen het beheergebied van Hoogheemraadschap van Rijnland. Op basis van de digitale watertoets is gebleken dat het waterschap waterbelang heeft bij de plannen. De plannen zijn op 17 november 2020 aanvullend ingediend te worden bij ruimtelijkeplannen@rijnland.net. Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 25 november 2020 gereageerd op de digitale watertoets. Het advies is als volgt: “Ik heb geen bezwaar tegen het plan. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding. Een verhardingstoename 245 m2 met versnelde afvoer naar riolering of oppervlaktewater beschouwt Rijnland als een geringe belasting op het watersysteem. Een toename verharding onder de 500 m2 valt onder de zorgplicht. Er is geen watervergunning benodigd.”. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt als volgt omgegaan met het hemel- en vuilwaterafvoer. Het hemelwater wordt zoveel mogelijk op eigen terrein geïnfiltreerd door het toepassen van een wadi en/of krattensysteem en/of rainaway verharding. Met een overstort naar het gemeentelijk riool. De gemeente heeft een gemengd rioolstelstel. Bij de nieuwbouw wordt een gescheiden riool aangelegd tot aan de erfgrens. Na de erfgrens worden beide riolen samengevoegd en aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Het aansluiten op het gemeentelijke rioolstelsel is afgestemd met de gemeente, het riool beschikt over voldoende capaciteit.
4.4.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met waterbeleid en vormt geen belemmeringen.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 20/44
4.5 Flora en Fauna De Wet natuurbescherming (Wnb) vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. Soortenbescherming Soortenbescherming is onder de Wnb geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland.
Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). Natuur Netwerk Nederland De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd. Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor NoordHolland uitgewerkt in de Omgevingsverordening Noord Holland 2020. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
4.5.1 Situatie plangebied Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. Soortenbescherming Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt het bestaande gebouw gesloopt. Er is om deze reden een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of er geen beschermde soorten worden verstoord of vernield. Het verkennend natuuronderzoek is als bijlage 3 bijgevoegd. datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 21/44
Uit het verkennend natuuronderzoek is het volgende gebleken: De bebouwing in het onderzoeksgebied is potentieel geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Aan de hand van aanvullend vleermuisonderzoek dient vastgesteld te worden of de bebouwing in het onderzoeksgebied daadwerkelijk door vleermuizen wordt gebruikt als verblijfplaats. Indien dit het geval is, dan is mogelijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Ten aanzien van andere niet-vrijgestelde beschermde soorten en vogels met een jaarrond beschermde nestplaats geldt dat geen sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming omdat geschikte verblijfplaatsen of essentieel leefgebied ontbreekt. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is wat dat betreft niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met aanwezigheid van broedvogels in de begroeiing in het onderzoeksgebied en op het platte dak van het gebouw. Nesten van deze vogels zijn niet jaarrond beschermd. Dergelijke broedende vogels mogen niet verstoord worden tijdens het broeden en in gebruik zijnde nesten mogen tijdens het broedseizoen niet worden aangetast. Er heeft aan aanvullend vleermuisonderzoek (bijlage 4) plaatsgevonden.
Behalve gedrag van de gewone dwergvleermuis dat er op wees dat opnieuw1 de zijgevel van De Bazellaan 51 als schuilplaats van – dit maal 1 – baltsterritorium werd gebruikt, werd ook baltsactiviteit van de gewone dwergvleermuis waargenomen bij de zijgevel van De Bazellaan 29. Tijdens de onderzoeksrondes in de zomer werd bij het woningblok geen activiteit van vleermuizen waargenomen die wees op gebruik van het woningblok als schuilplaats. Door het slopen van de bebouwing gaat de schuilplaats van de gewone dwergvleermuis verloren. Voordat overgegaan kan worden tot sloop dient er een ontheffing Wet natuurbeschermingsvergunning verleend te worden door de provincie Noord-Holland. De aanvraag voor een ontheffing is reeds ingediend bij de provincie Noord-Holland. Een onderdeel van deze aanvraag is het opgestelde activiteitenplan, waarin aangegeven wordt welke mitigerende en compenseren maatregelen getroffen worden. Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd. Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland.
De voorgenomen herontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie NoordHolland ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Verdere toetsing in de vorm van een “Nee, tenzij-toets” is niet aan de orde.
1 In 2017 is een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd voor de Bazeldijk 29-51 en voor drie andere
woonblokken in de omgeving. Daarbij is vastgesteld dat in de nazomer door de gewone dwergvleermuis de zijgevel van De Bazellaan 51 als schuilplaats werd gebruikt, behorend bij 1-2 baltsterritoria. datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 22/44
Natura 2000-gebieden Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft tevens als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. De voorgenomen herontwikkeling leidt – los van het aspect stikstofdepositie – niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. De stikstofdepositie als gevolg van de realisatiefase (sloop van bestaande appartementengebouw en realisatie nieuwe appartementengebouw) en de gebruiksfase (verkeersgeneratie van en naar het appartementengebouw) is in beeld gebracht middels een stikstofdepositie onderzoek (AERIUS-calculatie). Uit het stikstofdepositie onderzoek, welke als bijlage 5 is opgenomen, blijkt dat de stikstofemissie in de realisatie en gebruiksfase niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. 4.5.2 Conclusie Eén zijgevel van het gebouw wordt als schuilplaats van een gewone dwergvleermuis baltsterritorium gebruikt. En bij één zijgevel wordt een baltsactiviteit van de gewone dwergvleermuis waargenomen.
Tijdens de onderzoeksrondes in de zomer werd bij het woningblok geen activiteit van vleermuizen waargenomen die wees op gebruik van het woningblok als schuilplaats. Door het slopen van de bebouwing gaat de schuilplaats van de gewone dwergvleermuis verloren. Voordat overgegaan kan worden tot sloop dient er een ontheffing Wet natuurbeschermingsvergunning verleend te worden door de provincie Noord-Holland. De aanvraag voor een ontheffing is reeds ingediend bij de provincie Noord-Holland. Een onderdeel van deze aanvraag is het opgestelde activiteitenplan, waarin aangegeven wordt welke mitigerende en compenseren maatregelen getroffen worden. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met aanwezigheid van broedvogels in de begroeiing in het onderzoeksgebied en op het platte dak van het gebouw. Nesten van deze vogels zijn niet jaarrond beschermd. Dergelijke broedende vogels mogen niet verstoord worden tijdens het broeden en in gebruik zijnde nesten mogen tijdens het broedseizoen niet worden aangetast. Ten aanzien van gebiedsbescherming blijkt uit de AERIUS-calculatie dat het plan in de realisatiefase dan wel de gebruiksfase niet zorgt voor een toename van stikstofdepositie in (nabijgelegen) Natura 2000 gebieden.
Daarnaast leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Noord-Holland ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. 4.6 Groentoets Met een groentoets wordt in beeld gebracht wat het bestaande groen in het plangebied is en de consequenties voor het groen als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling. 4.6.1 Situatie plangebied Om voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken dienen er drie bomen gekapt te worden. In navolgende figuur is te zien dat er drie bomen binnen de contouren van het nieuwe appartementengebouw zijn gelegen. datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 23/44
Figuur 11: bomen binnen contouren nieuwe appartementengebouw
Er is een groentoets uitgevoerd ter hoogte van het nieuwe appartementengebouw en de openbare ruimte achter het appartementengebouw. De openbare ruimte achter het appartementengebouw valt buiten deze aanvraag. Er wordt enkel ingegaan op de bomen binnen de contouren van het nieuwe appartementengebouw. De groentoets is als bijlage 6 bijgevoegd. De drie bomen welke binnen de contouren van het nieuwe appartementengebouw vallen zijn in de groentoets opgenomen als nummer 30, 31 en 32. Zowel boom 30, 31 als 31 betreft een ‘Iep’. De drie bomen maken onderdeel uit van de laanstructuur van de gemeente Haarlem. De conditie van de drie bomen is als voldoende beschouwd, de huidige leeftijd van de boom wordt geschat op 50 jaar waarbij de toekomstverwachting meer dan 15 jaar bedraagt. De waarde van de bomen worden geschat op € 5.225,91 per boom. Het niet mogelijk dat de 3 aangegeven bomen op de huidige positie gehandhaafd blijven. Pré Wonen komt met een voorstel om het binnenterrein onder architectuur te laten inrichten, waarbij ook de stedenbouwkundige van de gemeente Haarlem, de nieuwe bewoners en de bomenwacht zullen worden betrokken. De bomen welke zijn gekapt en nu nog worden gekapt worden verdeeld op het binnen terrein herplant door minimaal hetzelfde aantal. Type en afmetingen van deze bomen in overeenstemming met de gemeente op voorstel van de landschapsarchitect.
4.6.2 Conclusie Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken dient er een omgevingsvergunning voor het kappen van deze boom aangevraagd te worden.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 24/44
4.7 Archeologie en cultuurhistorie De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.7.1 Situatie plangebied Voor het plangebied geldt binnen het geldende bestemming ‘Zomerzone Noord’ de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’.
Het betreft een gebied met een middellage archeologische verwachting. Voor terreinen die onder deze categorie vallen geldt dat archeologische waarden in een relatief lage dichtheid te verwachten zijn. Ter plaatse van de aanduiding ‘Waarde – Archeologie 4’ dient de aanvrager van een omgevingsvergunning waarvan bodemverstorende werkzaamheden deel uit maken, in geval de oppervlakte van het project meer dan 2.500 m2 betreft en de werkzaamheden dieper dan 0,3 m onder het maaiveld plaatsvinden, een archeologisch rapport te overleggen. Het huidige appartementengebouw heeft een oppervlakte van circa 1.400 en het nieuwe appartementengebouw heeft een oppervlakte van circa 1.650 m2. De bodemverstorende werkzaamheden vallen hiermee onder de 2.500 m2. Gezien deze grens, de middellage verwachting en de reeds verstoorde ondergrond door de huidige bebouwing is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Aan het huidige appartementengebouw is geen bijzondere cultuurhistorische waarde toegekend. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich ook geen cultuurhistorische waardevolle structuren of objecten. 4.7.2 Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormen voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door bedrijf- en milieuzonering. Onder bedrijf- en milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 25/44
milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Bedrijf- en milieuzonering heeft twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.
Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieugevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieugevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieugevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). 4.8.1 Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling omvat uitsluitend een woonbestemming.
De functie wonen wordt niet gekenmerkt als een milieubelastende activiteit. Dit betekent dat het appartementengebouw geen hinder op milieugevoelige bestemmingen in de directe omgeving kan creëren. Aangezien de functie wél een milieugevoelige functie betreft is onderzoek verricht naar de effecten van in de omgeving aanwezige bedrijvigheid op het plangebied. De directe omgeving kenmerkt zich grotendeels door woningbouw. Ten zuiden van het plangebied (Bijvoetstraat 5) is een maatschappelijk functie toegestaan. Dit perceel en bebouwing ligt op circa 34 meter respectievelijk 63 meter vanaf de nieuwe bebouwing. Op de Bijvoetstraat 5 is nu een fysiotherapie, activiteitenaccommodatie en fightclub gesitueerd. Er is voldoende afstand tussen deze maatschappelijk functies en het appartementengebouw, waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat en de milieubelastende activiteiten datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 26/44
worden niet belemmerd door het appartementengebouw. Daarnaast is de huidige functie binnen het plangebied ook wonen en wordt het appartementengebouw niet dichterbij de maatschappelijke bestemming gesitueerd. 4.8.2 Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. 4.9 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).
Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: • het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; • het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag en productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 4.9.1 Situatie plangebied Voorgenomen ontwikkeling moet worden getoetst worden aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water en transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Beoordeeld moet worden of het plangebied is gelegen binnen geldende risicocontouren en veiligheidsafstanden. Uit een inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen risicocontouren van risicovolle bedrijven en transportroutes van gevaarlijke stoffen. 4.9.2 Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 27/44
4.10
Kabels en leidingen
4.10.1 Situatie plangebied Binnen het plangebied zijn geen planologische relevante kabels gesitueerd. De KLIC-melding is als bijlage 7 openomen. 4.10.2 Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. 4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Verkeer De bestaande infrastructuur in de omgeving blijft onveranderd ten opzichte van de huidige situatie. 4.11.2 Parkeren In de gemeente Haarlem is de parapluplan parkeernormen Haarlem 2018 vigerend. In dit parapluplan wordt verwezen naar de beleidsregels voor het parkeren van de gemeente Haarlem: de ‘Beleidsregels parkeernormen 2015’. Het plangebied is gelegen in de gebiedszonering ‘schil/overloopgebied’. Voor ‘sociale huurwoningen’ binnen de gebiedszonering ‘schil/overloopgebied’ geldt een parkeernorm van 0,9 waarvan 0,3 bezoekers per woning. In totaal worden er met de voorgenomen ontwikkeling en de ontwikkelingen in de directe omgeving 136 appartementen gesloopt en komen hier 180 appartementen voor in de plaats. Ten opzichte van de huidige situatie worden er 44 extra appartementen gerealiseerd. De parkeernorm voor bewoners bedraagt 0,6 parkeerplaatsen per woning. Dit houdt in dat er 27 extra parkeerplaatsen voor de bewoners benodigd zijn. In juni 2021 is er een verkeerstelling uitgevoerd ter hoogte van het plangebied en de omgeving. Deze parkeertelling is als bijlage 8 toegevoegd. De verkeerstelling op 1 juni tussen 23:00 uur en 05:00 uur geeft aan dat in het onderzoeksgebied een bezetting is van 81% (497 parkeerplaatsen). De totale capaciteit bedraagt 617 parkeerplaatsen.
De maximale parkeerbezetting bedraagt, inclusief de parkeerbehoefte van de 44 extra appartementen, in totaal 524 auto’s. De maximale parkeerbezetting bedraagt hiermee 85,4%, hiermee is er geen sprake van een aanvaardbare parkeerdruk. Om te zorgen voor een aanvaarbare parkeerdruk (85%) worden er drie langsparkeerplaatsen gerealiseerd ter hoogte van de kop van het gebouw aan de zijde van de Berlagelaan. 4.11.3 Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling.
datum referentie
11 februari 2022 204501_R_RAN03_0010
P 28/44
4.12 Bezonning Aangezien de voorgenomen ontwikkeling een andere bouwmassa kent dan de huidige bebouwing is er mogelijk sprake van vermindering van zontoetreding ter plaatse van omliggende woningen. Voor voorgenomen ontwikkeling is een bezonningstudie opgesteld. De bezonningsstudie is bijgevoegd als bijlage 9. Voor bezonning van woningen is in het verleden een zogenaamde “strenge TNO-norm” en een “lichte TNO-norm” geformuleerd voor bezonning van woonkamers: • •
“strenge TNO-norm”: ten minste drie mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari tot 22 november; ”lichte TNO-norm”: ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 19 februari tot 21 oktober.
Voor het opstellen van een bezonningsstudie voor voorgenomen ontwikkeling is uitgegaan van de zogenaamde “lichte TNO – norm” voor bezonning in woonkamers. Deze norm is aanvaard door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (LJN AY5061, uitspraak van 26 juli 2006; r.o. 2.12.1.1.). 4.12.1 Situatie plangebied Om direct inzicht te krijgen in de schaduwwerking als gevolg van voorgenomen ontwikkeling is een virtueel 3D model gemaakt. In dit model wordt op verschillende data en tijdstippen de bezonning gevisualiseerd. Voor vier jaargetijden is de schaduwwerking bepaald; • hoogste zonnebaan aan de hemel op 21 juni, • laagste zonnebaan aan de hemel op 22 december, • lentepunt (middelste zonnebaan) op 21 maart, • herfstpunt (middelste zonnebaan) op 23 september. De volgende tijdstippen zijn gehanteerd: 9:00 uur, 12:00 uur, 15:00 uur, 18:00 uur en op 21 juni ook 20:00 uur. Uit de bezonningsstudie kan geconcludeerd worden dat de “lichte TNO-norm” gehaald wordt. De omliggende woningen hebben ten minste twee mogelijke bezonningsuren per dag. Voorgenomen ontwikkeling levert geen belemmering op voor de omliggende woningen. 4.12.2 Conclusie Voorgenomen ontwikkeling vormt geen belemmering voor omliggende woningen wat betreft bezonning.