20220940629 Bijlage 1 onderzoeksrapport
Tekst van het document
Betrekken van derden Veel betrokken overheden beseffen dat er bij Wob-verzoeken ook belangen van anderen dan de verzoeker in het geding (kunnen) zijn. Hier geldt wel hetzelfde als bij de beoordeling welke documenten relevant zijn; kan een bestuursorgaan altijd goed beoordelen of een belanghebbende bedenkingen zal hebben of niet? Het verschilt in welke mate en hoe overheden derdebelanghebbenden bij de procedure betrekken. Zo geven overheden verschillende antwoorden op de vraag wat zij derden verstrekken bij het geven van een zienswijzemogelijkheid bij een voorgenomen Wob-besluit (de ‘gelakte’ of ‘ongelakte’ stukken, of alleen (een omschrijving van) het Wob-verzoek?). Dit kan ook voor dilemma’s zorgen; er kunnen ook voor de derdebelanghebbende nieuwe stukken bij zitten (terwijl er nog geen Wob-beslissing is). Het risico bestaat dat de belanghebbende al iets met de stukken doet, net als het risico dat het
62
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
uiteindelijke besluit (onder andere wat wel en niet wordt weggelakt) afwijkt van het voornemen, terwijl al wel stukken zijn gedeeld. Dat pleit voor zorgvuldigheid vanuit de overheid. Toetsing aan uitzonderingsgronden en beperkingen In veel gevallen was het niet mogelijk om de toepassing van de uitzonderingsgronden en beperkingen van artikel 10 en 11 Wob te beoordelen, omdat we geen beschikking hadden over de niet verstrekte documenten en/of ‘ongelakte’ versies. In het grootste deel van de dossiers waarin deze beoordeling wel mogelijk was, worden de uitzonderingsgronden en beperkingen juist toegepast en gemotiveerd. Wel volstaan veel overheden met een standaardmotivering. Ook zijn hier nog verbeterslagen te maken, bijvoorbeeld dat de uitzonderingsgrond over persoonsgegevens nu ‘gedachteloos’ wordt toegepast zonder expliciete belangenafweging. Termijnen In een kwart tot een derde van de onderzochte gevallen wordt niet op tijd op een Wob-verzoek beslist. De gemiddelde doorlooptijd van verzoek tot besluit is bijna zes weken volgens het vragenlijstonderzoek en zeven weken volgens de dossierstudie. In hun reactie op de vragenlijst cijfers geven overheden aan dat zij op slechts 45% van de Wob-verzoeken binnen vier weken een beslissing hebben genomen.
De termijn van vier weken uit de Wob wordt vaak niet gehaald; sterker nog, vaak verdaagt het bestuursorgaan de beslissing meteen na ontvangst van het Wob-verzoek met een standaardtoelichting. Dit is een aandachtspunt, want een snel besluit op een verzoek of aanvraag is belangrijk voor vertrouwen in de overheid en het gaat om wettelijke termijnen, die met de Woo nog korter worden. Het verschil tussen hoe lang het daadwerkelijk duurt en hoe lang het volgens de Wob zou moeten duren lijkt mee te vallen, maar veel overheden registreren de beslistermijnen op Wobverzoeken niet (op de door ons gevraagde manier), en we kunnen alleen uitspraken doen over de dossiers die ons zijn opgestuurd. Extra aandachtspunten op weg naar de Woo zijn dat het vragen om preciseren van een verzoek straks binnen twee weken na ontvangst moet. Daarnaast kan straks volgens artikel 4.4, tweede lid, Woo alleen nog maar verdaagd worden vanwege de complexiteit of omvang van de informatie. Dat veronderstelt dus een toets, die er nu vaak niet is (er wordt veel standaard verdaagd).
63
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
5 Rechtsbescherming
5.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de rechtsbescherming rondom het afhandelen van verzoeken om informatie. We maken inzichtelijk hoe de processen rondom bezwaar zijn ingericht en beantwoorden de vraag of de beoordelaars van bezwaar- en beroepschriften inzage hebben in de volledige documentatie. Leeswijzer In de volgende paragraaf wordt het thema bezwaar behandeld. De rechtsbescherming rondom (hoger) beroep en verzoeken om voorlopige voorziening wordt behandeld in paragraaf 5.3. De analyse en conclusies zijn opgenomen in de vierde en laatste paragraaf van dit hoofdstuk.
5.2
Bezwaar Op de vraag hoeveel bezwaarschriften per jaar worden ingediend tegen Wob-beslissingen moest een aantal overheden het antwoord schuldig blijven; 57 van de 93 overheden hebben hierover cijfers verstrekt. Opvallend daarbij is dat enkele gemeenten niet over de gevraagde cijfers beschikten. Op jaarbasis worden er gemiddeld twee à drie bezwaarschriften per jaar ingediend bij de gemeenten (vragenlijst cijfers, n=49). Bij de provincies gaat het jaarlijks om vier tot zes stuks (vragenlijst cijfers, n=6). In de periode 2018 tot en met 2020 is zowel in het gemeentelijk beeld als in het provinciale beeld een lichte stijging waarneembaar.
Aantal ingediende bezwaarschriften 2018-2020
4,2 2,2
5 2,5
2018
2019 Gemeenten
64
6 2,8
2020 Provincies
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
Veruit de meeste overheden, 67% (vragenlijst inhoud, n=93), maken bij de behandeling van het merendeel van hun bezwaarschriften, waaronder die tegen Wob-beschikkingen gebruik van een externe adviescommissie. Van de overheden maakt 13% gebruik van een interne adviescommissie (vragenlijst inhoud, n=93) en bij 15% (vragenlijst inhoud, n=93) van de overheden wordt ambtelijk gehoord. In de jaarverslagen van externe commissies die in het kader van de documentenstudie bekeken zijn wordt vrijwel geen tekst gewijd aan de procedure rondom Wob-beschikkingen en -bezwaren. In een incidenteel geval is een opmerking gemaakt over de gebrekkige kwaliteit van de motivering van de bestreden Wob-beschikkingen. Hoorzitting In de meeste gevallen worden belanghebbenden (verzoeker, bestuursorgaan en eventuele derde-belanghebbenden) uitgenodigd voor een hoorzitting (84%, vragenlijst inhoud, n=92). Vijf overheden organiseren een hoorzitting voor verzoeker en bestuursorgaan maar horen eventuele derde-belanghebbenden apart (5%, vragenlijst inhoud, n=92). Bij één overheid worden de drie partijen apart van elkaar gehoord. Toegang tot informatie Op slechts één van de 93 in het onderzoek betrokken websites wordt vermeld dat de (externe) commissie of beoordelaar van een ingediend bezwaarschrift toegang heeft tot de volledige, dus ongelakte, informatie waarop het primaire Wob-verzoek betrekking had.
Volgens respondenten heeft bij 58 overheden de (externe) commissie of beoordelaar toegang tot deze stukken (vragenlijst inhoud, n=79). Bij dertien overheden wordt de inhoud van weggelakte passages niet standaard maar wel op verzoek wel verstrekt. Zeven overheden geven aan dat de (externe) commissie of beoordelaar geen toegang heeft tot het volledige dossiers en/of de weggelakte passages. TABEL 5.1. VRAGENLIJST INHOUD: HEEFT DEZE COMMISSIE/HET ORGAAN/DE PERSOON DIE HET BEZWAARSCHRIFT BEOORDEELT OF DAAROVER ADVISEERT TOEGANG TOT DE VOLLEDIGE INFORMATIE WAAROVER HET WOB-VERZOEK GAAT? (N=78)
Ja Ja, maar niet inclusief de inhoud van weggelakte passages – die verstrekken we nooit Ja, maar niet inclusief de inhoud van weggelakte passages – die verstrekken we alleen op verzoek Nee
Aantal 57 7
% 73% 9%
13
17%
1
1%
Rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2020:6557 “Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen. De gecensureerde versie van de Wob-stukken is per ongeluk niet aan de bezwaaradviescommissie verstrekt, waardoor zij geen inhoudelijk advies heeft kunnen geven. Dat doet echter niet af aan de bevoegdheid van verweerder om op het bezwaar van eiseres te beslissen. (…) Vaststaat dat de bezwaaradviescommissie geen inhoudelijk advies heeft gegeven. Dit is in strijd met artikel 7:13 van de Awb, de Verordening en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat dit gebrek niet gepasseerd kan worden op grond van artikel 6:22 van de Awb. Niet gezegd kan worden dat het aannemelijk is dat eiseres door het feit dat de bezwaaradviescommissie geen inhoudelijk advies heeft gegeven, geen nadeel heeft ondervonden. Een inhoudelijk advies van de bezwaaradviescommissie biedt een extra waarborg voor de algehele heroverweging, die in bezwaar plaats moet vinden. Juist in een zaak als deze, waarin verweerder met een beroep op de vertrouwelijkheid weigert bepaalde stukken (geheel of gedeeltelijk) te openbaren, heeft eiseres daarbij
65
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
een groot belang. Eiseres had bovendien mogelijk aan de hand van een inhoudelijk advies van de bezwaaradviescommissie haar beroep nader kunnen substantiëren. De beroepsgrond slaagt.”
De wijze waarop de op het bezwaarschrift betrekking hebbende stukken ter inzage worden gelegd114 is wisselend. In onderstaande tabel wordt dit zichtbaar gemaakt. TABEL 5.2. VRAGENLIJST INHOUD: OP WELKE WIJZE WORDEN IN BEZWAAR BIJ WOB-ZAKEN PROCESSTUKKEN TER INZAGE GELEGD? (ARTIKEL 7:4 AWB) (N=92)
Niet Altijd alle documenten Altijd alle processtukken, met uitzondering van de Wob-documenten Altijd alle processtukken, met uitzondering van de Wob-documenten en processtukken waaruit de inhoud van de Wob-documenten kan blijken (zoals zienswijzen van belanghebbenden) Op verzoek alle documenten Op verzoek alle processtukken, met uitzondering van de Wob-documenten Op verzoek alle processtukken, met uitzondering van de Wob-documenten en processtukken waaruit de inhoud van de Wob-documenten kan blijken (zoals zienswijzen van belanghebbenden) Weet ik niet Overige
Aantal 6 13 5
% 7% 14% 5%
21
23%
3 1
3% 1%
8
9%
12 23
13% 25%
Heroverweging Indien sprake is van een commissie of persoon die advies uitbrengt over bezwaarschriften, heeft deze adviseur in 1% van de uitgebrachte adviezen in de jaren 2018, 2019 en 2020 geadviseerd het bestreden besluit (deels) te herroepen en de informatie alsnog openbaar te maken (vragenlijst cijfers, n=44). Respondenten (vragenlijst cijfers, n=48) geven aan dat het niet voorgekomen is dat een advies niet opgevolgd is. Deze uitkomst komt overeen met de antwoorden op de vraag in hoeveel gevallen het bestreden besluit is herroepen en er alsnog informatie openbaar is gemaakt (1% vragenlijst cijfers, n=48). Slechts hoogst incidenteel is een beschikking herroepen zonder dat dat tot gevolg had dat er extra informatie geopenbaard moest worden (<1% vragenlijst cijfers, n=50). In 113 (13%) van de 902 bekeken dossiers is bezwaar aangetekend tegen de beslissing op een Wob-verzoek.115 In 36 dossiers (4%) heeft dit bezwaarschrift geleid tot een aanpassing in de bestreden beschikking, waarbij in 33 (4%) gevallen het aangepaste besluit op bezwaar ervoor gezorgd heeft dat de informatie alsnog openbaar gemaakt is. In de gehele onderzoeksperiode is het zeer zelden voorgekomen (in minder dan 1% van de gevallen, vragenlijst cijfers, n=49) dat een bezwaarschrift is ingetrokken nadat, naar aanleiding van het bezwaarschrift, alsnog informatie openbaar is gemaakt. Ook intrekking van een
114 Artikel 7:4 Awb. 115 Bezwaarzaken zijn, door de wijze waarop de dossiers zijn geselecteerd, mogelijk oververtegenwoordigd in het dossieronder-
zoek; onderzoekers zijn ervan uitgegaan dat in een dossier geen bezwaar is gemaakt als er geen bezwaarstukken zijn aangeleverd en er door de overheid ook niet is aangegeven dat er bezwaar is gemaakt. Overigens zijn er ook overheden die in de vragenlijst aangaven bezwaarschiften ontvangen te hebben maar geen bezwaardossier hebben ingediend in de dossierstudie.
66
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
bezwaarschrift zonder dat alsnog informatie openbaar wordt gemaakt, komt zelden voor (2% vragenlijst cijfers, n=51). Er wordt vrijwel geen bezwaar ingediend tegen het besluit een Wob-verzoek door te zenden naar een ander bestuursorgaan (<1%, vragenlijst cijfers, n=54). Een gelijke constatering kan gedaan worden waar het bezwaar tegen het niet tijdig beslissing op een ingediend verzoek betreft (<1%, n=52). Beslistermijnen Bij de gemeenten is de doorlooptijd tussen beschikking en beslissing op bezwaar veertien weken (vragenlijst cijfers, n=27). De overige gemeenten, waterschappen en provincies hebben hierover geen data doorgegeven.
5.3
(Hoger) beroep en verzoeken om voorlopige voorziening In de jaren 2018, 2019, 2020 is er tegen een beslissing op bezwaar van de betrokken overheden ongeveer een beroepschrift per jaar ingediend (vragenlijst cijfers, n=54). Van hoger beroep is in die jaren nauwelijks sprake geweest (0%, vragenlijst cijfers, n=59). Een gelijke constatering kan gedaan worden waar het beroep tegen het niet tijdig beslissen op een ingediend verzoek betreft (<1%, vragenlijst cijfers, n=58). Hoger beroep tegen een niet tijdig nemen van een besluit op een Wob-verzoek is in die periode niet voorgekomen (n=61). In de dossierstudie zijn niet meer dan 29 beroepschriften (3%) en vier hoger beroepschriften116 aangetroffen (zowel tegen een beslissing op bezwaar als wegens niet-tijdig beslissen). Tweemaal heeft een ingediend beroep geleid tot het alsnog openbaar (moeten) maken van informatie.117 In het jurisprudentieonderzoek zijn 32 uitspraken gevonden die betrekking hadden op een in het onderzoek betrokken overheid en een in de onderzoeksperiode ingediend Wob-verzoek. Het betrof 24 beroepszaken (waarvan zeven rondom niet-tijdig beslissen en één gecombineerde behandeling), zes hoger beroepszaken en twee verzoeken om voorlopige voorziening. Twee uitspraken uit de dossierstudie leidden tot het openbaar moeten maken van meer informatie dan bij het bestreden besluit verstrekt was.
Ook de op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraken over de overheden luiden veelal ongegrond. In de jaren 2018, 2019 en 2020 hebben de overheden nauwelijks te maken gehad met verzoeken om voorlopige voorziening (<1%, vragenlijst cijfers, n=56). De (voorzieningen)rechter krijgt volgens de vragenlijst inhoud in 62% van de gevallen (n=92) toegang tot de volledige informatie over het Wob-verzoek. Dat houdt in dat de rechter ook de passages kan inzien die voor de verzoeker zijn weggelakt. 24% van de overheden geeft aan de rechter alleen inzage krijgt in de weggelakte passage als daartoe een verzoek wordt gedaan. Één overheid geeft aan de weggelakte passages nooit te laten inzien. 11% van de overheden weet niet tot welke informatie de rechter toegang krijgt.
116 In vier dossiers was het ingediende beroep nog niet behandeld en is er dus nog een mogelijkheid tot het indienen van een
hoger beroepschrift. 117 Niet op alle ingediende beroepschriften was ten tijde van dit onderzoek een uitspraak gedaan.
67
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
5.4
Analyse en conclusies In de onderzoeksperiode is het gemiddeld aantal bezwaarschriften per overheid volgens de vragenlijst cijfers licht gestegen. In het – beperkte – aantal (hoger)beroepszaken en verzoeken om voorlopige voorziening is geen stijging (of daling) zichtbaar. Daarbij moet wel aangetekend worden dat de slechts 50 tot 60 van de 93 overheden hierover cijfers hebben verstrekt. Het herroepen van een bestreden besluit komt in de bezwaarfase nauwelijks voor. Deze constatering kan in verband gebracht worden met het veelal goed toepassen van de weigeringsgronden. Immers, de gebreken die op dat punt gevonden zijn betreffen met name de motivering van de belangenafweging; een gebrek dat met een beroep op artikel 6:22 Awb in bezwaar hersteld kan worden zonder de bestreden beschikking aan te passen. De personen, adviescommissies en rechters die over de juistheid van een genomen Wob-beslissing moeten adviseren of beslissen krijgen niet altijd als vanzelfsprekend inzage in de volledige (ongelakte) documenten terwijl zij deze stukken wel nodig hebben om tot een beoordeling te kunnen komen. Voor de beoordeling of een tekst of document terecht is geweigerd met een beroep op een van de (absolute of relatieve) weigeringsgronden is het immers noodzakelijk kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte informatie. In de meeste gevallen worden deze stukken op verzoek wel alsnog verstrekt.
In bezwaar krijgt uiteindelijk 10% van de beoordelaars geen toegang tot de stukken, in beroep ligt dat percentage lager, rond de 3%.
68
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
6 Verantwoording aan de volksvertegenwoordiging
6.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verantwoording op het gebied van beleid en uitvoering aan de volksvertegenwoordiging. Ook de eigen rol van de volksvertegenwoordiging komt aan de orde. Leeswijzer De verantwoording(sinformatie) komt aan de orde in paragraaf 6.2. Paragraaf 6.3 belicht kort de rol van de volksvertegenwoordiging. In paragraaf 6.4 zijn de analyse en conclusies opgenomen.
6.2
Verantwoording Uit de vragenlijst inhoud komt naar voren dat bij minimaal 73% (n=91) van de overheden geen afspraken zijn gemaakt met de volksvertegenwoordiging over de informatievoorziening rondom de afhandeling van Wob-verzoeken (bijvoorbeeld over vorm, frequentie en moment). Bij in ieder geval veertien overheden (15%, vragenlijst inhoud, n=91) zijn wel dergelijke afspraken gemaakt. Op de vervolgvraag of deze afspraken ook worden nagekomen, hebben twaalf overheden een antwoord gegeven. Hierdoor kan geen representatief beeld worden gegeven van de naleving van deze afspraken. De manier waarop de volksvertegenwoordiging geïnformeerd wordt over de afhandeling van Wob-verzoeken in het algemeen is wisselend.118 Bij een aantal overheden (37%, vragenlijst inhoud, n=92) gebeurt dit alleen op verzoek van de volksvertegenwoordiging. Zeventien overheden (18%, vragenlijst inhoud, n=92) geven aan dat deze informatie in het geheel niet aan de volksvertegenwoordiging wordt verstrekt. Uit de bestudeerde documenten blijkt bij vier overheden (4%, n=93) dat (schriftelijke) afspraken met de volksvertegenwoordiging zijn gemaakt over de verstrekking van informatie over de uitvoering van de Wob aan de volksvertegenwoordiging. 118 De vraag of en hoe de volksvertegenwoordiging geïnformeerd wordt over de afhandeling van een bij haarzelf ingediend Wob-
verzoek als zij het college/dagelijks bestuur daarvoor gemandateerd heeft, is niet gesteld in het kader van dit onderzoek.
69
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
TABEL 6.1. VRAGENLIJST INHOUD: OP WELKE WIJZE VINDT INFORMATIEVOORZIENING OVER DE AFHANDELING VAN WOB-VERZOEKEN PLAATS AAN HET DESBETREFFENDE VOLKSVERTEGENWOORDIGENDE ORGAAN? (N=92)
Alleen in de jaarstukken/bestuursrapportages In een specifieke (periodieke) Wobrapportage Deze informatie wordt alleen op verzoek aan het volksvertegenwoordigende orgaan verstrekt Deze informatie wordt niet aan het volksvertegenwoordigende orgaan verstrekt Weet ik niet Overige
Aantal 16
% 17%
4
4%
34
37%
17
18%
6 15
7% 16%
Onder ‘overig’ worden uiteenlopende vormen van informatievoorziening genoemd, zoals: — ‘In gevoelige zaken/zaken die naar GS gaan wordt PS standaard per brief geïnformeerd’; — ‘Wob-rapportage, beantwoording mondelinge en schriftelijke vragen van raad’; — ‘In een bundel met de jaarverslagen Klachten, mediation, dienstverlening, bezwaar & beroep, en dus Wob’; — ‘Hangt af van het Wob-verzoek; soms raadsinformatiebrief’; — ‘Bij elk Wob-besluit ontvangen Provinciale Staten een Statenbrief waarin zij hierover geïnformeerd worden’; — ‘In het burgerjaarverslag’; — ‘Wekelijks overzicht’; — ‘Bij gevoelige zaken wordt geïnformeerd. Over de periode 2018-2020 vond geen rapportage over de Wob plaats.’
6.3
Rol volksvertegenwoordiging De volksvertegenwoordiging lijkt óf zoekend naar hoe zij haar (kaderstellende en controlerende) rol kan vormgeven waar het de Wob/Woo betreft óf is zich niet bewust van haar eigen rol hierin. Opvallend is dat de volksvertegenwoordigers tijdens de diverse focusgroepen in mindere mate over de Wob praatten vanuit het perspectief en belang van hun inwoners maar over het belang van de Wob voor hun rol als volksvertegenwoordiger. Zij waren ook niet of nauwelijks bekend met klachten of andere opvattingen van inwoners of organisaties over de afhandeling van Wob-verzoeken. De Wob wordt door de volksvertegenwoordigers ook ingezet om informatie te verkrijgen die door hun eigen dagelijks bestuur niet op hun verzoek verstrekt is of wordt. Volksvertegenwoordigers geven aan zich tot gebruik van de Wob gedwongen te voelen om over de juiste informatie voor hun eigen besluitvorming te beschikken en hun inwoners te laten zien dat zij de openbaarheid van informatie belangrijk vinden. Ook in de dossierstudie zijn Wob-verzoeken van volksvertegenwoordigers aangetroffen; in totaal tien stuks.
70
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
6.4
Analyse en conclusies Hoewel de Gemeentewet, Provinciewet en Waterschapswet de volksvertegenwoordiging een verderstrekkende informatiemogelijkheid geven, lijkt de Wob voor de volksvertegenwoordigers een voorliggend, meer tastbaar instrument te zijn om informatie te vergaren waar bovendien ook nog eens een politieke werking vanuit gaat. De volksvertegenwoordigingen lijken blijk te geven van onvoldoende besef en urgentie bij het bestaan en belang van de eigen informatiehuishouding. Veelal is er zelfs geen verantwoordingsinformatie beschikbaar. Richting de Woo, waarin geregeld is dat de minister het zogenoemde meerjarenplan aanvult met de nodige maatregelen tot de digitale overheidsinformatie voldoende duurzaam toegankelijk is,119 is dat een zorgelijk punt.
119 Artikel 6.2, vierde lid, Woo.
71
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
7 Conclusies en slotbeschouwing
7.1
Inleiding De voorgaande hoofdstukken brengen – overeenkomstig de centrale onderzoeksvraag – in beeld hoe door de decentrale overheden vorm is gegeven aan de afhandeling van Wob-verzoeken, in hoeverre dat rechtmatig gebeurt en hoe daarover verantwoording wordt afgelegd. Leeswijzer In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk wordt een korte beantwoording gegeven op de onderliggende onderzoeksvragen. In de tweede paragraaf van dit hoofdstuk is een slotbeschouwing opgenomen waarin gereflecteerd wordt op de uitkomsten van het onderzoek en de betekenis daarvan op weg naar de Woo.
7.2
Beantwoording onderzoeksvragen 1. Hoe hebben de decentrale overheden de afhandeling van Wob-verzoeken beleidsmatig en organisatorisch vormgegeven? Er is vrijwel geen inhoudelijk beleid vastgesteld door de overheden voor de uitvoering van de Wob. Wel zijn er bij de meeste overheden werkinstructies, procesbeschrijvingen en andere interne documenten voorhanden. Die geven vooral een interne vertaling van de wet, gericht op het goede verloop van de uitvoering. 42% van de overheden geeft aan niet tevreden te zijn over de beschikbare capaciteit voor het uitvoeren van de Wob. 2. Tot welke resultaten heeft dit geleid? De uitvoering van de Wob is bij afwezigheid van beleid met name een kwestie van uitvoering door de ambtelijke organisaties. De passieve openbaarmaking krijgt hierbij aanmerkelijk meer aandacht dan de actieve openbaarmaking. 3. In hoeverre gebeurt afhandeling van Wob-verzoeken rechtmatig? We hebben gesignaleerd dat, hoewel in strijd met de Wob, indiening per post als enige weg om een Wob-verzoek in te dienen in de praktijk wel voorkomt. Met het oog op de digitalisering van de samenleving verbaast het ook dat het indienen van Wob-verzoeken per mail bij maar weinig overheden een optie is; een mail sturen is voor (mogelijke) verzoekers toch een van de simpelste manieren. In veel gevallen was het niet mogelijk om de toepassing van de
72
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
uitzonderingsgronden en beperkingen van artikel 10 en 11 Wob te beoordelen, omdat we geen beschikking hadden over de niet verstrekte documenten en/of ‘ongelakte’ versies. In het grootste deel van de dossiers waarin deze beoordeling wel mogelijk was, worden de uitzonderingsgronden juist toegepast. Wel volstaan veel overheden met een standaardmotivering en daarmee is de motivering een aandachtspunt. Het betreft dan niet alleen de motivering rondom te toepassing van de weigeringsgronden maar zeker ook de motivering van de wijze waarop naar documenten is gezocht en het onderbouwen van de stelling dat er niet meer documenten aanwezig (zouden) zijn. Een ander aandachtspunt is het feitelijk weglakken van informatie; regelmatig is deze informatie toch nog te lezen of te achterhalen waardoor onbedoeld niet-openbare informatie voor anderen toegankelijk wordt. In een kwart (volgens de dossierstudie) tot een derde (volgens het vragenlijstonderzoek) van de gevallen wordt niet op tijd op een Wob-verzoek beslist. De gemiddelde doorlooptijd ‘van verzoek tot besluit’ is bijna zes weken volgens het vragenlijstonderzoek en zeven weken volgens de dossierstudie. In hun reactie op de vragenlijst cijfers geven overheden aan dat zij op slechts 45% van de Wob-verzoeken binnen vier weken een beslissing hebben genomen.
De termijn van vier weken uit de Wob wordt dus vaak niet gehaald; sterker nog, vaak verdaagt het bestuursorgaan de beslissing meteen na ontvangst van het Wob-verzoek met een standaardtoelichting. 4. Hoe wordt informatie openbaar gemaakt over de uitkomsten van besluiten op afzonderlijke Wob-verzoeken? Na het nemen van een besluit tot openbaarmaking van informatie in documenten, volstaan vrijwel alle overheden met het toezenden van die informatie aan de verzoeker. Slechts in een enkel geval wordt de informatie ook daadwerkelijk voor eenieder toegankelijk gemaakt, bijvoorbeeld door plaatsing van de documenten op de eigen website. 5. Hoe worden volksvertegenwoordigers geïnformeerd over Wob-verzoeken? Het dagelijks bestuur voorziet de volksvertegenwoordiging slechts in beperkte mate van informatie over de toepassing van de wet. Veelal gebeurt dat alleen op verzoek. De volksvertegenwoordigers controleren de uitvoering van de Wob niet of nauwelijks, waardoor het opvragen van informatie over de uitvoeringspraktijk ook achterwege blijft. Opvallend is dat volksvertegenwoordigers de Wob soms wel gebruiken ten behoeve van het verbeteren van hun eigen informatiepositie, wat gelet op de bepalingen daarover in de Provinciewet, de Gemeentewet en de Waterschapswet niet nodig zou moeten zijn. 6.
Hoe is actieve openbaarmaking van informatie beleidsmatig en organisatorisch vormgegeven? Slechts vier van de 93 overheden (4%) hebben beleid over actieve openbaarheid, zo blijkt uit de documentstudie. Zeven van de 93 overheden (8%) beschikken wel over interne werkinstructies of procesbeschrijvingen. Dat strookt met de vaststelling dat aan de actieve openbaarheid slechts beperkt invulling wordt gegeven. De verantwoordelijkheid voor actieve openbaarheid is bij 47% (n=86, vragenlijst inhoud) van de overheden niet belegd. Duidelijk is geworden dat op de actieve openbaarmaking niet de nadruk ligt bij de overheden. Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoek dat veel overheden inmiddels wel bezig zijn met het treffen van voorbereidingen op de komst van de Wet open overheid per 1 mei 2022. Omdat bij
73
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
een aantal overheden de informatiehuishouding op dit moment waarschijnlijk nog niet op orde is, is het nodig dat daar aandacht naar uitgaat. 7. Hoe verhouden de antwoorden op vraag 1 t/m 6 zich tot de eisen die de Wet open overheid straks gaat stellen? De actieve informatieplicht wordt in de Woo geformuleerd als inspanningsverplichting. Bestuursorganen moeten bij de uitvoering van hun taken informatie (neergelegd in documenten) voor eenieder uit eigen beweging openbaar maken. Deze informatie betreft in ieder geval informatie over het beleid, inclusief de voorbereiding, uitvoering, naleving, handhaving en evaluatie.120 Uit dit onderzoek is duidelijk geworden dat op het punt van het verstrekken van informatie uit eigen beweging nog grote stappen te zetten zijn, met name op het gebied van de organisatorische inbedding.121 De actieve openbaarheidsplicht van de Woo geldt per 1 mei 2022 alleen voor nieuwe documenten en ziet niet op documenten van voor de inwerkingtreding van de verplichtingen uit artikel 3.3.122 Op dit moment is nog niet bekend wanneer de verplichting in volle omvang in werking gaat treden. Gelet op de uitspraken van demissionair minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tijdens de behandeling van de Woo in Eerste Kamer op 28 september 2021 zal dat niet eerder zijn dan over enkele jaren.
Op het gebied van de passieve openbaarmaking, het beslissen op verzoeken om het openbaar maken van informatie, verandert er op hoofdlijnen met de komst van de Woo niet zoveel. Ook onder de Woo moeten documenten worden opgezocht en beoordeeld aan de hand van wettelijke weigeringsgronden. Nu de toepassing van deze weigeringsgronden onder de Wob – op motiveringsgebreken na – weinig aanleiding tot zorgen geeft is de verwachting dat dat onder de Woo, na een opstartperiode, niet veel anders zal zijn. Het verlengen van de beslistermijn op een Woo-verzoek kan met maximaal twee weken. Onder de Wob is dat nog vier weken. Gelet op de constatering dat de huidige beslistermijn overschreden wordt is dit wel een aandachtspunt. Dat geldt ook voor het mogen verdagen van een beslistermijn met twee weken; dat is onder de Woo alleen mogelijk als de omvang of de gecompliceerdheid van de informatie een verlenging rechtvaardigt.123 Eindconclusie De behandeling van Wob-verzoeken is voor decentrale overheden geen gemakkelijke opgave. De termijnen van behandeling worden regelmatig overschreden en veel overheden rapporteren capaciteitsproblemen. Dat neemt niet weg dat veel ook goed gaat. De informatie op de websites is over het algemeen toegankelijk en leesbaar en dat geldt ook voor de beslissingen op verzoeken, zij het dat die informatie vaak redelijk summier is.
De uitzonderingsgronden van de Wob worden (in de dossiers waarin we dit konden beoordelen) veelal goed toegepast, ook al is de motivering van de besluiten veelal wel wat algemeen. Wat beter moet is aandacht voor de actieve openbaarheid, die met de komende Wet open overheid ook meer accent krijgt. Dat noopt overheden te investeren in hun informatiehuishouding. Tot slot: het zou goed zijn dat staten, raden en algemene besturen meer aandacht geven aan de uitvoeringspraktijk van de openbaarheid van overheidsinformatie. Openbaarheid is immers een belangrijk uitgangspunt
120 Artikel 3.1, eerste lid, Woo. 121 Kanttekening bij deze constatering is dat dit onderzoek zich niet gericht heeft op de daadwerkelijke uitvoering van deze infor-
matieplicht. 122 Artikel 10.2a Woo. 123 Artikel 4.4 Woo.
74
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
van onze democratie; het is een belangrijke taak van de volksvertegenwoordiging om te controleren of daarvan voldoende sprake is en daarvoor de nodige kaders te stellen.
7.3
Slotbeschouwing De Wet openbaarheid van bestuur geeft invulling aan een belangrijk – Grondwettelijk – beginsel in onze rechtsstaat dat de transparantie van het overheidsbestuur betreft. De wet doet dat in een politiek-bestuurlijke omgeving waardoor sprake is van een spanningsveld tussen beide verschillende belangen. In het onderzoek zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat de politiek-bestuurlijke belangen de transparantie in de weg staan. Zo worden de wettelijke weigeringsgronden over het algemeen goed toegepast en is er voor de volksvertegenwoordigingen geen reden hun besturen om verantwoording over de uitvoering van de wetgeving te vragen. Wel wordt de uitvoering als ‘lastig’ ervaren. Naast verklaringen als te weinig capaciteit, complexiteit en de afhandeling ‘naast het eigen werk te moeten doen’ heeft de Wob aan de tussen 2009 en 2016 geldende Wet dwangsom en beroep niet tijdig beslissen een negatieve connotatie overgehouden. De Wob is destijds veelvuldig ingezet als middel overheden te dwingen hoge dwangsommen uit te keren omdat omvangrijke en complexe verzoeken werden ingediend die veelal onmogelijk tijdig afgehandeld konden worden.
Mogelijk zijn de sporen van deze dwangsomwetgeving nog te zien in de constatering dat overheden nog altijd een sterke voorkeur hebben voor het per post indienen van Wob-verzoeken en het soms zelf formeel afsluiten van laagdrempelige (en dus destijds zeer ongewenste) mogelijkheid om per email een verzoek in te dienen. De vraag rijst of de gemaakte keuzes hieromtrent na 2016 wel geëvalueerd en aangepast zijn. Gezien het feit dat er vrijwel geen inhoudelijk beleid is vastgesteld over de uitvoering van de wet, geven de regels uit de Wob gemeenten, provincies en waterschappen kennelijk voldoende houvast. Overheden zien meer aanleiding in het vastleggen van hun eigen procedures en werkafspraken. Niet verwonderlijk nu met name bij de afhandeling van Wob-verzoeken veelal meerdere afdelingen (zoals DIV, vakafdelingen en Juridische Zaken) en dus medewerkers betrokken zijn. Het proces rondom uitvoering van de passieve informatieverstrekking is dus vaak op papier gezet in tegenstelling tot het proces rondom de actieve informatieverstrekking. Weinig overheden lijken zich bewust te zijn van het gegeven dat besluiten rondom actieve openbaarmaking, op het moment dat er derde-belanghebbenden betrokken zijn, besluiten als bedoeld in de Awb zijn. Dat betekent dat tegen deze besluiten bezwaar en beroep ingediend kan worden.
Het niet onderkennen hiervan heeft daarmee consequenties voor de rechtsbescherming van belanghebbenden. We constateren dat 42% van de overheden aangeeft niet tevreden te zijn over de beschikbare capaciteit voor het uitvoeren van de Wob. Een duidelijke indicatie dat de beschikbare capaciteit ook daadwerkelijk onvoldoende zou kunnen zijn is de constatering dat de wettelijke beslistermijn veelal niet gehaald wordt en aan beslissingen geregeld motiveringsgebreken kleven (terwijl de weigeringsgronden als zodanig wel goed zijn toegepast). Voor de geconstateerde stijging van het aantal ingediende Wob-verzoeken in de periode van 2018 tot en met 2020 is in dit onderzoek geen verklaring gevonden. Hetzelfde geldt voor de indruk dat ook de omvang en complexiteit van de ingediende verzoeken toeneemt. Mogelijk kan een deel van de verklaring hiervoor gevonden worden in het steeds mondiger worden van
75
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
burgers. Steeds beter weten zij de weg te vinden naar de overheid om te horen wat hun rechten zijn en welke informatie er beschikbaar is. Het gebruik van de Wob door volksvertegenwoordigers voor hun eigen informatiepositie lijkt op het eerste gezicht een wonderlijke bevinding. Immers, de wet verplicht de colleges en dagelijks besturen hun volksvertegenwoordigers te voorzien van alle inlichtingen die zij voor de uitoefening van hun taak nodig hebben. Enige beperking hierop is verstrekking ‘in strijd met het openbaar belang’.124 Deze inlichtingen mogen mondeling en schriftelijk worden verstrekt. Dat betekent dat een dagelijks bestuur(der) ervoor kan kiezen vragen te beantwoorden zonder de achterliggende documenten te verstrekken. Gebruik van de Wob, dat ziet op informatie neergelegd in documenten, geeft volksvertegenwoordigers daarmee een concreet handvat de beschikking te krijgen over deze stukken. Bovendien kan bij een Wob-verzoek volstaan worden met een verzoek gericht op álle informatie (neergelegd in documenten) rondom een bepaald thema of onderwerp. Het uitzoekwerk is dan voor rekening van het dagelijks bestuur, wat de volksvertegenwoordiger het formuleren van kritische vragen bespaart én voorkomt dat genoegen genomen moet worden met een politiek gekleurd of politiek correct antwoord.
In deze omstandigheden is wellicht de verklaring van het gebruik van de Wob door volksvertegenwoordigers te vinden. Een groter aandachtspunt is de beperkte betrokkenheid van volksvertegenwoordigingen bij de beleids- en uitvoeringspraktijk rondom openbaarheid van overheidsinformatie. Het is een belangrijke taak van de volksvertegenwoordiging om te controleren of van openbaarheid voldoende sprake is en daarvoor de nodige kaders te stellen. We constateren dat de verantwoordingsinformatie niet als vanzelfsprekend aan de volksvertegenwoordigingen wordt aangereikt maar ook dat deze informatie nauwelijks opgevraagd wordt door de volksvertegenwoordigingen. Hoewel enerzijds gesteld kan worden dat door de duidelijke normen uit de Wob minder behoefte is aan kaders, geldt anderzijds dat het belang van een transparante overheid nog niet eerder zo groot is geweest als anno 2021. De parlementaire ondervragingscommissie kinderopvangtoeslag constateerde o.a. dat transparantie, openheid en volledigheid van informatie in de praktijk voor het kabinet niet de leidende principes zijn geweest bij de beantwoording van Kamervragen, het opstellen van Kamerbrieven, het reageren op Wob-verzoeken en het samenstellen van dossiers voor rechtszaken.
De informatievoorziening was in meerdere gevallen ingegeven door gewenste juridische of politieke uitkomsten, resulterend in het slechts gedeeltelijk, vertraagd of niet verstrekken van informatie.125 De maatschappelijke opinie is, zeker ook na het bekend worden van de vele weggelakte teksten op de pagina’s van een over de kinderopvangtoeslag ingediend Wob-verzoek, eenduidig: ‘zo zou het niet moeten kunnen’. Het op orde brengen én houden van de informatiehuishouding is sinds de digitalisering niet eenvoudiger geworden. Door de invoering van e-mail, WhatsApp en andere communicatiemiddelen is de informatie vluchtig en verspreid geraakt. De invoering van digitale zaaksystemen verlegt de verantwoordelijkheid over informatiebeheer meer en meer richting de behandelend ambtenaar. De medewerker DIV die eerder in het papieren archief alle inkomende stukken beoordeelde en op de juiste plaats opborg krijgt een steeds beperktere rol in het geheel. Maar we moeten het vroegere beeld ook niet romantiseren; het niet archiveren van aantekeningen is van alle tijden. Zoals treffend opgemerkt door een van de respondenten: ‘WhatsApp is de post-it van de jaren ’90 en de paperclip van de jaren ’80.’
124 Zie o.a. artikel 169, tweede en derde lid, Gemeentewet. 125 Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag 2020, p. 8-9.
76
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
Burgers moeten kunnen vertrouwen op hun overheid. Het nu uitgevoerde onderzoek geeft geen reden de consequenties en naleving van dat uitgangpunt in twijfel te trekken, maar laat wel zien dat burgers en organisaties een informatieachterstand hebben. Bovendien is het lastig aantonen dat stukken er wel moeten zijn als je er niet over beschikt en wordt al snel aangenomen dat een overheid voldoende gezocht heeft. Deze onevenwichtigheid tussen burger en overheid is niet weg te nemen, maar wel te verkleinen en te beheersen wanneer de overheid daar oog voor wil hebben. In die onevenwichtigheid ontstaat namelijk nog meer noodzaak voor de verzoeker om door de overheid goed inzichtelijk en gemotiveerd te krijgen wat er op zijn verzoek om informatie is besloten, op welke wijze naar informatie is gezocht en welke informatie wel én niet openbaar is gemaakt en dus is verstrekt. Ook het melden van de redenen om informatie niet te verstrekken weegt daarbij zwaar. Om diezelfde reden verdient ook de beoordeling van de vraag of een ingediend verzoek wel een Wob-verzoek is meer aandacht. Immers, de mogelijk verstrekkende consequenties van behandeling op grond van de Wob is dat verstrekte informatie daardoor toegankelijk wordt voor eenieder. Tegelijkertijd is het ook van belang de uitvoerbaarheid voor de betrokken overheid niet uit het oog te verliezen.
Niemand is gebaat bij een uitvoeringsprobleem waardoor de openbaarheid van informatie alsnog onder druk komt te staan. De genoemde onevenwichtigheid is ook sterk aanwezig bij bezwaar- en beroepsprocedures. Daarom zouden externe beoordelaars van bezwaarschriften en rechters altijd en zonder meer toegang tot alle – ongelakte – stukken moeten krijgen. Dit is namelijk de enige waarborg voor inwoners dat er een adequate toets op de beslissing van het bestuursorgaan plaatsvindt. De essentie is dan het zorgvuldig en goed uitvoeren van de bezwaar- en beroepsprocedures. Bovendien wordt door het niet verstrekken van alle, ongelakte informatie aan externe beoordelaars van bezwaarschriften en de rechters door de betrokken overheden een kans om te leren van de gemaakte afwegingen gemist. Doelstelling van de Wob is het reguleren van de openbaarheid van het bestuur en de informatievoorziening, ten behoeve van een goede en democratische bestuursvoering. Dat betekent dat openbaar gemaakte documenten ook daadwerkelijk openbaar zouden moeten zijn. We hebben gezien dat vrijwel alle overheden volstaan met het toezenden van de gevraagde informatie aan de verzoeker (en andere belanghebbenden). Enige betekenis die dus aan die openbaarmaking toekomt is dat de verzoeker er kennis van kan nemen en er in een eventueel later Wob-verzoek naar verwezen kan worden door het bestuursorgaan.
Bestuursorganen zouden zich meer moeten inspannen de informatie ook daadwerkelijk voor eenieder openbaar te maken. Dat kan eenvoudig door het plaatsen van de beslissingen én de openbaar gemaakte stukken op de eigen website, hetgeen nu door slechts een handvol bestuursorganen gedaan wordt. De Wet open overheid verplicht daartoe vanaf 1 mei 2022. Het onderzoek laat zien dat de overheden hard werken aan een gedegen uitvoering van de Wob en inmiddels op weg zijn naar de Woo. De bevindingen van dit onderzoek kunnen overheden daarbij van pas komen; er zijn nog de nodige verbeterslagen te maken.
77
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
Bijlage 1: Rekenkamer(commissie)s en overheden
Rekenkamer(commissie) Rekenkamercommissie Alkmaar Rekenkamer Almere Rekenkamercommissie Alphen aan den Rijn Rekenkamercommissie waterschap Amstel Gooi en Vecht Rekenkamer Metropool Amsterdam Rekenkamercommissie Vallei en Veluwerand Rekenkamercommissie Beesel Rekenkamercommissie Berg en Dal Rekenkamer BEL Rekenkamercommissie Bloemendaal Groene Hart Rekenkamer Rekenkamer Breda Rekenkamercommissie Brunssum Rekenkamercommissie Vallei en Veluwerand Rekenkamercommissie Vallei en Veluwerand Rekenkamercommissie A2 gemeenten Rekenkamercommissie Culemborg Rekenkamercommissie Noardeast Fryslan/Dantumadiel Rekenkamercommissie Den Helder Rekenkamer Deventer Rekenkamercommissie Doetinchem Rekenkamercommissie Dongen, Goirle en Loon op Zand Rekenkamercommissie Dordrecht Rekenkamercommissie SED Rekenkamer Dronten Rekenkamer BEL Rekenkamercommissie SED Rekenkamercommissie Enschede Randstedelijke Rekenkamer Rekenkamer Oost-Nederland Rekenkamercommissie Geldrop-Mierlo
Overheid Alkmaar Almere Alphen aan den Rijn Amstel Gooi en Vecht (waterschap) Amsterdam Barneveld Beesel Berg en Dal Blaricum Bloemendaal Bodegraven-Reeuwijk Breda Brunssum Bunnik Bunschoten Cranendonck Culemborg Dantumadiel en Noardeast-Fryslân (behandeld als één gemeente) Den Helder Deventer Doetinchem Dongen Dordrecht Drechterland Dronten Eemnes Enkhuizen Enschede Flevoland (provincie) Gelderland (provincie) Geldrop-Mierlo
i
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
Rekenkamercommissie Dongen, Goirle en Loon op Zand Rekenkamercommissie Gorinchem Groene Hart Rekenkamer Rekenkamercommissie Haarlem Rekenkamercommissie Haarlemmermeer Rekenkamercommissie Hattem Rekenkamer Heerlen Rekenkamercommissie A2 gemeenten Rekenkamercommissie Hillegom en Lisse Rekenkamer Hilversum Rekenkamercommissie Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Rekenkamercommissie Huizen Rekenkamer IJsselstein Rekenkamercommissie Kaag en Braassem Rekenkamercommissie Katwijk Rekenkamercommissie Koggenland Rekenkamercommissie Landgraaf Rekenkamer BEL Rekenkamer Leeuwarden Zuidelijke Rekenkamer Rekenkamercommissie Lingewaard Rekenkamercommissie Hillegom en Lisse Rekenkamercommissie Dongen, Goirle en Loon op Zand Rekenkamer Maastricht Rekenkamercommissie Medembik en Opmeer Rekenkamercommissie Vallei en Veluwerand Rekenkamer Nijmegen Zuidelijke Rekenkamer Randstedelijke Rekenkamer Rekenkamer Noordwijk Rekenkamercommissie Ooststellingwerf Rekenkamercommissie Medembik en Opmeer Rekenkamercommissie Opsterland Rekenkamercommissie Oss Rekenkamercommissie Overbetuwe Rekenkamer Oost-Nederland Rekenkamer Rotterdam Rekenkamercommissie Schagen Rekenkamercommissie Vallei en Veluwerand Rekenkamercommissie Son en Breugel Rekenkamercommissie SED Rekenkamercommissie gemeente Steenbergen Rekenkamercommissie Stichtse Vecht Rekenkamercommissie Teylingen Rekenkamer Utrecht Randstedelijke
Rekenkamer Rekenkamercommissie A2 gemeenten Rekenkamer Vijfheerenlanden Groene Hart Rekenkamer Rekenkamercommissie Weststellingwerf Rekenkamercommissie Woensdrecht Rekenkamercommissie Woerden
Goirle Gorinchem Gouda Haarlem Haarlemmermeer Hattem Heerlen Heeze - Leende Hillegom Hilversum Hollands Noorderkwartier (hoogheemraadschap) Huizen IJsselstein Kaag en Braassem Katwijk Koggenland Landgraaf Laren Leeuwarden Limburg (provincie) Lingewaard Lisse Loon op Zand Maastricht Medemblik Nijkerk Nijmegen Noord-Brabant (provincie) Noord-Holland (provincie) Noordwijk Ooststellingwerf Opmeer Opsterland Oss Overbetuwe Overijssel (provincie) Rotterdam Schagen Scherpenzeel Son en Breugel Stede Broec Steenbergen Stichtse Vecht Teylingen Utrecht (gemeente) Utrecht (provincie) Valkenswaard Vijfheerenlanden Waddinxveen Weststellingwerf Woensdrecht Woerden
ii
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
Rekenkamercommissie Vallei en Veluwerand Rekenkamer Metropool Amsterdam Rekenkamercommissie Zaltbommel Rekenkamer Zandvoort Rekenkamer Zeist Rekenkamercommissie Zoetermeer Randstedelijke Rekenkamer Groene Hart Rekenkamer Rekenkamercommissie Zutphen Rekenkamer Zwijndrecht
Woudenberg Zaanstad Zaltbommel Zandvoort Zeist Zoetermeer Zuid-Holland (provincie) Zuidplas Zutphen Zwijndrecht
iii
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
Bijlage 2: Literatuurlijst
Commissie-Polak 1983 Evaluatiecommissie Wet openbaarheid van bestuur (commissie-Polak), Openbaarheid tussen gunst en recht, Den Haag: 1983 Nationale ombudsman 2019 Nationale ombudsman, Behoorlijkheidswijzer, juni 2019 (online via www.nationaleombudsman.nl, laatst geraadpleegd op 8 november 2021) Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag 2020 Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag, Ongekend onrecht, bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 35 510, 2 Van der Sluis 2021 C.N. van der Sluis, Wet open overheid. Toegelicht door de wetgever, besproken door C.N. van der Sluis, Rotterdam: 2021 VNG 2021 VNG, Van Wob naar Woo. Een juridische handreiking voor gemeenten over de Wet open overheid, Den Haag: 2021
iv
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
Bijlage 3: Jurisprudentielijst
Europees Hof voor de Rechten van de Mens EHRM 18 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011 (Magyar) Hoge Raad HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ0693 Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1000 ABRvS 3 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1198 ABRvS 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883 ABRvS 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:466 ABRvS 9 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:37 ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1231 ABRvS 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268 ABRvS 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:556 ABRvS 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:774 ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1743 Rechtbanken Rb. Overijssel 13 maart 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:856 Rb. Noord-Holland 20 juli 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:6557 Rb. Den Haag 29 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7125 Rb. Amsterdam 10 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1123 Rb. Noord-Holland 28 april 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:4585
v
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
Bijlage 4: Lijst gesprekpartners
Gesprekspartners interviews — Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG): senior juridisch adviseur, senior beleidsmedewerker Overheidsinformatie en projectleider — Provincie: jurist/Wob-coördinator en junior jurist — Provincie: Wob-coördinator — Waterschap: twee juridisch adviseurs — Gemeente: Wob-coördinator126 — Gemeente: strategisch adviseur en programmamanager127 — Gemeente: senior juridisch adviseur — Coördinator onderzoeksjournalistiek bij een regionale omroep — Advocaat Deelnemers focusgroepen volksvertegenwoordiging — Gemeenten: vier raadsleden van vier gemeenten — Provincies: drie Statenleden van twee provincies — Waterschappen: vier AB-leden van twee waterschappen
126 Bureauhoofd rekenkamer was aanwezig. 127 Secretaris rekenkamer was aanwezig.
vi
DE PRAKTIJK VAN DE WOB BIJ DECENTRALE OVERHEDEN – EINDRAPPORTAGE
vii