20220834810 Bijlage 1 reactie NHA op vervolgvragen na onderzoeksverslag ‘Roof en eerherstel in Haarlem’
Tekst van het document
Memo Reactie NHA op vervolgvragen na onderzoeksverslag ‘Roof en eerherstel in Haarlem’
Aan
De gemeenteraad van Haarlem
Datum
8 juni 2022
Onderwerp
Reactie NHA op vervolgvragen na onderzoeksverslag ‘Roof en eerherstel in Haarlem’
Betreft: reactie NHA op vervolgvragen na onderzoeksverslag ‘Roof en eerherstel in Haarlem’ In antwoord op de drie vragen volgen hieronder de antwoorden vanuit het Noord-Hollands Archief. Algemeen Een goed antwoord op de vragen vraagt echt een vervolgonderzoek. In de afgelopen periode en met beperkte tijd hebben medewerkers van het Noord-Hollands Archief gezocht maar geen sluitend antwoord kunnen vinden. Voor een betrouwbaar antwoord op de vragen moeten de beschikbare bronnen nauwkeurig en uitgebreider dan nu mogelijk was worden doorgenomen. Dat is tijdsintensief en is een vervolgonderzoek op zich. Een aantal van de beschikbare bronnen, zoals het Kadaster, is erg omvangrijk. Het is niet direct duidelijk waar in zo’n bron bruikbare informatie zou kunnen bevinden. Het Kadaster bijvoorbeeld geeft geen overzicht van alle Joodse eigenaren, maar bij de vermelding van Joodse vastgoedeigenaren staat wel een stempel en notitie. Overigens bestaat ook na nauwkeurig onderzoek de kans dat deze vervolgvragen niet beantwoord kunnen worden, omdat de nog beschikbare bronnen daar geen antwoord op bieden. Hieronder staat per vervolgvraag wat we daar tot nu toe in hebben kunnen vinden. 1.
Zijn er door gemeente Haarlem rekeningen/declaraties gestuurd naar BZK voor het instellen van anti-Joodse maatregelen tijdens de Tweede Wereldoorlog? In het archief van het gemeentebestuur Haarlem zijn niet directe aanwijzingen voor declaraties gericht aan BZK aangetroffen voor het instellen van anti-Joodse maatregelen tijdens de oorlog. Wel zijn er aanwijzingen voor gedeclareerde kosten die voor een definitief antwoord verder onderzoek vragen. Zo bevat het cahier ‘Toegang op de afwikkeling van rijksvergoeding van oorlogsschade en tijdens de oorlog door de gemeente gemaakte onkosten met betrekking tot diverse objecten, tevens bevattende een staat van gedeclareerde oorlogsschade’ (Archief Gemeentebestuur Haarlem, inv.nr. 14025) aanwijzingen. Het cahier met een overzicht van allerlei schade en door de gemeente gemaakte onkosten vermeldt de na de oorlog te declareren kosten voor de invoering van antiJoodse maatregelen. Wat de status was van dit overzicht en of er meer in het achief te vinden is zou verder onderzocht moeten worden. Ook in inv. 14026, de ‘Index op de afwikkeling van vergoeding van oorlogsschade’, staan verwijzingen naar een kaart ‘Joodse burgers’ met verwijsnummer. Het verwijsnummer staat voor ‘Kosten van maatregelen tegen Joodse burgers’.
Bij een eventueel vervolgonderzoek zou precies gekeken kunnen worden naar de betekenis van deze verwijzingen en naar welk gemeentelijk handelen deze vermeldingen verwijzen.
1/5
2/5
2. Zijn er gegevens over gevorderd Joods vastgoed waarbij de gelden die daartegenover stonden niet ten goede kwamen aan de Joodse eigenaren maar naar een vermogensbeheerder? Waarbij de vraag eigenlijk specifiek is of de gemeente dit faciliteerde ofwel profijt van had. Ook bij de beantwoording van deze vraag past eerder een apart vervolgonderzoek, vanuit context. Maili Blauw heeft in haar rapport de vorderingen kort behandeld. De vorderingen waren tijdens en direct na de bezetting én na de oorlog niet specifiek op Joodse eigenaren gericht. In de eerste jaren waren ook de vorderingen vanuit de bezetter generiek vanwege huisvesting van militairen. De gemeente was een schakel tussen de bezetter en de huiseigenaar. Stel dat de uitkering van de gevorderde percelen overgemaakt werd op de rekening van een vermogensbeheerder, dan nog is het de vraag of de gemeente Haarlem hiervan geprofiteerd heeft. Dan zou de gemeente zelf als Verwalter (Verwalter = door het Duitse Militair Bestuur aangestelde beheerder en liquidator van vijandelijke en joodse bedrijven, eigendommen en vermogens) aangesteld moeten zijn of er zou een connectie tussen de gemeente en de Verwalter moeten zijn. Inv.nr. 14024 van toegang 2295 (Gemeentebestuur Haarlem) heet ‘Kaartenbak betreffende de uitkering van huurwaarde van gevorderde percelen en schadeloosstelling voor in gebruik genomen onroerende goederen’.
De afbeelding hieronder is een voorbeeld van zo’n kaart. Op de kaarten staat niet expliciet of de eigenaar Joods was. We hebben voor dit voorbeeld gekeken naar een Joodse naam: Cohen. Zo kwamen we uit bij de N.V. Margarinefabriek Cohen & Van der Laan. Het zou kunnen dat.. A. in bovenstaand voorbeeld ‘Lever Brothers’ de Verwalter van deze N.V. was.; B. en het zou kunnen dat de vermelding rechtsonder betekent, dat de uitkering voor de gevorderde percelen op de rekening van Lever Brothers overgemaakt werd. C. Uit dit voorbeeld blijkt niet duidelijk dat de gemeente hiervan profijt had; wel was de gemeente de schakel bij de uitkering van de gevorderde percelen. 3. Is er directe informatie over de rol van de gemeente bij de huisvestingsvergunningen na de Tweede Wereldoorlog (bij de terugkomst van Joden), waarbij de gemeente bijvoorbeeld Joodse huiseigenaren geen toegang gaf tot hun eigen panden? Het is mogelijk, de gemeente had een grote rol bij de toewijzing van woningen tijdens en na de oorlog. Optie vervolgonderzoek Om hier zorgvuldig antwoord op te geven is verder onderzoek nodig, daarbij ook publicaties, getuigenverslagen en interviews meenemend. Er is bijvoorbeeld een interview in het Visual History Archive van de USC Shoah Foundation Institute waarin een Joodse overlevende vertelt dat hij bij terugkeer in Haarlem bewoners aantrof in zijn ouderlijk huis.
Die kreeg hij er met weinig moeite uit, maar daarna kreeg hij wel een conflict met de gemeente. In de correspondentie van het archief van de Nederlands Israëlitische Gemeente te Haarlem (toegang 3417, nr 565, 1946-1947) gaat het in een enkel geval over het verplicht opnemen van inwonenden door een Joodse huiseigenaar. De correspondentie is niet uitputtend doorgenomen.
3/5
Addendum Kadaster als bron, oral history en publicaties Niet al het joods vastgoed was vastgelegd in de Verkaufsbucher, zoals ook Maili Blauw in haar rapport vermeldt (Landelijk werden zo’n 20.000 percelen in beheer genomen. Bijna 8.000 daarvan stonden in de Verkaufsbucher). Een compleet beeld van Joods vastgoedbezit tijdens de oorlogsperiode kunnen de kadastrale registers geven. Joodse eigenaars zijn doorgaans te herkennen aan een stempel met informatie over de inbeheername door de Niederländische Grundstücksverwaltung (NGV). Mike Hos noemt in zijn masterscriptie en artikel een aantal voorbeelden van mensen die na de oorlog een conflict hadden met de gemeente over hun woning.1 Mevrouw Barends moest daklozen opnemen, raakte zwaar overspannen en werd naar een rustoord gestuurd. Dit blijkt ook uit correspondentie van de Nederlands Israëlitische Gemeente te Haarlem. (Toegang 3417, inventaris 565.) Jacob Davids kreeg problemen met de gemeente nadat hij de nieuwe bewoners van zijn
4/5
ouderlijk huis de deur uit gezet had. Dit blijkt uit interviews van het Visual History Archive. USC Shoah Foundation Institute.
5/5