06 Bijlage 4 bij bijlage A Randvoorwaarden eisen wensen (PvEL)
Tekst van het document
Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen 4.1 Inleiding In deze bijlage zijn de beleidskaders, opgaven, visie en programma uit hoofdstuk 2 en de ontwerpuitgangspunten uit hoofdstuk 3 van het Masterplan vertaald naar randvoorwaarden, eisen en wensen. Die gelden voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in Hart voor Oostpoort. Volgend aan de Omgevingswet worden deze kaders integraal en vooraf voorgelegd aan de initiatiefnemer en ontwerper (de te selecteren marktpartij). Het maakt duidelijk waar de gemeente plannen in Hart voor Oostpoort aan toetst.
4.1.1 Leeswijzer
De kaders in dit hoofdstuk zijn onderverdeeld in de volgende thema’s:
blz.
4.2 Omgevingswet, -visie en ontwikkelstrategie 2 4.3 Stedenbouwkundige opzet 2 4.4 Programma 2 4.5 Natuur-, klimaat- en duurzaamheidsaspecten 4 4.6 Milieu- en omgevingsaspecten 10 4.7 Mobiliteit 15 4.8 Openbare ruimte 19 4.9 Collectief en privaat maaiveld 21 4.10 Gebouwen 22 4.11 Slotbepalingen 25 Bovenstaande thema’s overlappen elkaar op allerlei vlakken. Duurzaamheid raakt bijvoorbeeld aan de inrichting van de openbare ruimte, maar ook aan de
strategy x design
gebouwontwerpen en aan mobiliteit. Daarom moet deze bijlage altijd helemaal doorgenomen worden, ook als de vraag betrekking heeft op één onderwerp.
4.1.2 Randvoorwaarden, eisen en wensen
Let op: deze bijlage behandelt alleen de hoofdlijnen van wet- en regelgeving die van invloed (kunnen) zijn op het plan voor een bouwlocatie. Bij de vergunningsaanvraag moet de ontwikkelende partij altijd controleren of er ook voldaan wordt aan de kaders die niet hier beschreven staan. Ook moet de ontwikkelende partij altijd controleren of de documenten waarnaar verwezen wordt nog actueel zijn bij het indienen van de vergunningsaanvraag. Een vergunningsaanvraag wordt altijd getoetst aan de dan geldende wet- en regelgeving. Zie ook paragraaf 4.11 Slotbepalingen.
Randvoorwaarden betreffen landelijke wetgeving (bijvoorbeeld de Omgevingswet) of regelgeving van andere instanties (bijvoorbeeld de Waterschapsverordening van Rijnland), waaraan de gemeente zich moet houden. Een project moet altijd voldoen aan deze randvoorwaarden.
Let op: dit hoofdstuk behandelt alleen de hoofd lijnen van wet- en regelgeving die van invloed (kunnen) zijn op het plan voor een locatie. Bij de vergunningsaanvraag moet de ontwikkelende partij altijd controleren of er ook voldaan wordt aan de kaders die niet in dit hoofdstuk staan. Ook moet de ontwikkelende partij altijd control eren of de documenten waarnaar verwezen wordt nog actueel zijn bij het indienen van de vergunnings aanvraag. Een vergunnings aanvraag wordt altijd getoetst aan de dan geldende wet- en regelgeving. Zie ook paragraaf 4.10 Slotbepalingen.
In deze bijlage wordt onderscheid gemaakt tussen randvoorwaarden, eisen en wensen.
Eisen stellen kaders aan een project die voortkomen uit gemeentelijk beleid (bijvoorbeeld de Nota parkeernormen) en het stedenbouwkundig schetsontwerp (o.a. kwaliteitseisen aan maaiveld- en gebouwontwerpen). Afwijken van een eis kan alleen als er een gelijkwaardige oplossing voor gevonden wordt of wanneer het om goed onderbouwde redenen niet mogelijk is om aan de eis te voldoen. Wensen zijn ambities van de gemeente waar het project bij voorkeur aan voldoet, maar die niet afdwingbaar zijn. De gemeente zal de ontwikkelende partijen vragen invulling te geven aan deze wensen en uitleg te geven als er niet aan voldaan kan worden.
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
1
4.2 Omgevingswet, -visie en ontwikkelstrategie Fysieke ontwikkelingen in het projectgebied moeten voldoen aan de Omgevingswet en invulling geven aan de zes strategische keuzes uit de Haarlemse Omgevingsvisie. Ook moeten ontwikkelingen voldoen aan de spelregels zoals vastgelegd in de ontwikkelstrategie.
4.2.1 Omgevingswet
De rijksoverheid wil met de Omgevingswet bijdragen aan duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het De rijksoverheid wil met de Omgevingswet bijdragen aan duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Randvoorwaarden 1. Een fysieke ontwikkeling draagt bij aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. 2. Een fysieke ontwikkeling draagt bij aan het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen. 3. Een fysieke ontwikkeling heeft geen aanzienlijke nadelige gevolgen voor de leefomgeving.
strategy x design
De leefomgeving van een fysieke ontwikkeling omvat de locatie waarop deze ontwikkeling plaatsvindt en de omgeving waarop de ontwikkeling van invloed kan zijn.
4.2.2 Omgevingsvisie
Voor de herontwikkeling van het projectgebied Hart voor Oostpoort, zijn de zes strategische keuzes uit de Omgevingsvisie vertaald naar zes ruimtelijk-programmatische uitgangspunten. In hoofdstuk 2 van het Masterplan is uitgelegd wat deze keuzes betekenen voor de ontwikkeling. De gebouwontwerpen moeten hier samen met de herinrichting van de openbare ruimte en de hoofdinfrastructuur invulling aan geven. Eis 1. De ontwerpen voor de gebouwen en de inrichting van de openbare ruimte en de hoofdinfrastructuur dragen naar rato bij aan de realisatie van de zes ruimtelijk-programmatische uitgangspunten voor het projectgebied Hart voor Oostpoort. Deze zijn in paragraaf 2.3 van het Masterplan uiteengezet.
4.2.3 Ontwikkelstrategie
Als onderdeel van het Masterplan is een ontwikkelstrategie (bijlage 10) opgesteld. Deze geeft antwoord op de vraag hoe het gebied ontwikkeld wordt, welke rol de gemeente daarin voor zich ziet en hoe en met welke (grondbeleids-) instrumenten de gemeente sturing wenst te geven. Hierin zijn onder andere spelregels vastgelegd met betrekking tot gefaseerde ontwikkeling, kosten en publiek parkeren. Eis 1. De spelregels zoals die zijn vastgelegd in de
ontwikkelstrategie zijn integraal van toepassing op de ontwikkeling van de deelgebieden van Hart voor Oostpoort, zie paragraaf 6.2 van het Masterplan en bijlage 10.
4.3 Stedenbouwkundige hoofdopzet De proefverkaveling laat op hoofdlijnen zien hoe het plangebied kan worden ingericht en waar het beoogde programma wordt gepositioneerd. Na vaststelling van het masterplan wordt het uitgewerkt tot een definitief stedenbouwkundig plan (DO SP) waarin onder andere de precieze ruimtereservering voor de aan te leggen infrastructuur en de rooilijnen en bouwhoogten van de te ontwikkelen gebouwen worden vastgelegd. Eis 1. Afwijken van de opzet van de proefverkaveling zoals uiteengezet in hoofdstuk 3 van het Masterplan is mogelijk, mits dit volgens het ambtelijk regieteam en de adviescommissie omgevingskwaliteit (AOK) niet leidt tot een te grote ruimtelijk-programmatische verslechtering van de beoogde ontwikkeling. Zie ook paragraaf 6.7 Kwaliteitsborging van het Masterplan.
4.4 Programma Deze paragraaf geeft de kaders voor het gebouwd programma in het plangebied Hart voor Oostpoort. Deze paragraaf is onderverdeeld in: 1. Economische voorzieningen 2. Maatschappelijke en culturele voorzieningen 3. Wonen
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
2
4.4.1 economische voorzieningen (werkprogramma)
Hart voor Oostpoort wordt een multifunctioneel woon-werkgebied. Het vereiste vloeroppervlak aan commercieel programma bestaat enerzijds uit ondersteunende, kleinschalige horeca, kleinschalige retail en dienstverlening zoals een kapper of fietsreparatiezaak. Een supermarkt past niet in het profiel. Een winkel voor een dagelijkse boodschap wel. Een eventueel hotel dient een duidelijk zakelijk profiel (meetings, congressen, etc.) te hebben, om de omliggende bedrijvigheid goed te bedienen. Eisen 1. Commerciële voorzieningen (werkfuncties) zijn zichtbaar in het gebied en dragen bij aan de levendigheid van de openbare ruimte en de uitstraling als gemengd woon-werkgebied. Het commerciële voorzieningenprogramma wordt in vierkante meters ingevuld volgens de programmatabel in paragraaf 3.3 van het Masterplan. 2. Commerciële voorzieningen zijn van positieve betekenis voor de toekomstige bewoners, werknemers in het omliggende gebied en bezoekers van Hart voor Oostpoort. 3. Minimaal 20% van het totale aanbod aan commerciële ruimten is betaalbaar voor startende en sociaalmaatschappelijke ondernemers. 4. Horeca en kleinschalige retail en dienstverlening zijn zichtbaar, bereikbaar en toegankelijk vanaf de openbare ruimte en gepositioneerd aan de pleinen en looproutes in de plinten van de gebouwen; begane grond met eventuele overloop op de eerste verdieping.
Kantoren en kleinschalige bedrijvigheid kunnen ook op de verdiepingen
strategy x design
gepositioneerd worden. 5. Grootschalige retail- en distributiefuncties zijn niet toegestaan in het projectgebied. 6. Privacygevoelige functies zoals behandelkamers worden niet in de plint gepositioneerd (geen dode gevels). 7. Ruimtes waarin het voorzieningenprogramma gehuisvest wordt zijn toekomstbestendig en flexibel; ze kunnen meebewegen met de veranderende behoeften. 8. Een eventuele hotelontwikkeling dient te voldoen aan het Haarlemse hotelbeleid en dient van toegevoegde waarde te zijn voor het gebied; niet enkel een bijdrage in bedden en lokale werkgelegenheid, maar bijvoorbeeld met een duidelijk zakelijk profiel gericht om de omliggende bedrijvigheid en kennisclusters te bedienen. Te denken valt aan: congres & vergaderruimtes, flexwerkplekken, daghoreca. 9. Het aanbod van voorzieningen houdt rekening met het dag en avondritme van bewoners, bezoekers en werknemers. Wensen 1. Het toepassen van nieuwe werkconcepten en het mengen van verschillende functies. Bijvoorbeeld het mengen van horeca en kantoorlocaties of creatieve bedrijvigheid en sociale voorzieningen (zoals een buurtkamer) die de samenwerking en interactie tussen verschillende gebruikers stimuleren. 2. Realiseren van informele werklocaties. Te denken valt bijvoorbeeld aan multi-tenantruimtes (eigen kantoor binnen een ruimte met
meerdere gebruikers en met gedeelde, collectieve voorzieningen). 3. Om het gebied Oostpoort duurzaam te ontwikkelen en programmeren is het wenselijk dat belanghebbenden worden verenigd in een organisatievorm zoals een gebiedscoöperatie.
4.4.2 Maatschappelijke en culturele voorzieningen
Met de groei van de stad en het toevoegen van nieuwe woningen is de ambitie om in Hart voor Oostpoort een Buurtkamer te realiseren. Een Buurtkamer is een kleinere versie van een Huis van de Wijk (300m2 versus 1100m2). Het PvE Haarlemse Huizen van de Wijk geeft de kaders hiervoor, maar een Buurtkamer hoeft vanwege zijn geringe grootte alleen aan de relevante eisen te voldoen. Eisen 1. Het maatschappelijke en culturele voorzieningenprogramma wordt in vierkante meters ingevuld volgens de programmatabel in paragraaf 3.3 van het Masterplan. 2. Voor maatschappelijke voorzieningen wordt een ander grond en lager huur tarief gerekend. 3. De Buurtkamer (300 m2) wordt in de plint van het gebouw gepositioneerd en heeft een open en transparante uitstraling die mensen uitnodigt om binnen te komen. Wensen 1. De Buurtkamer combineren met andere publieke functies en/of economische voorzieningen die elkaar versterken en bijdragen aan een “hart” in
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
3
de wijk. 2. Naast een buurtkamer ook een plek voor waardevol werk creëren in combinatie met andere functies (zoals een fietsenwerkplaats)
minimale oppervlakte, doelgroepen, toewijzing, indexering maximale huurprijsgrenzen, exploitatieperiode, zelfbewoning, antispeculatie en toegankelijkheid.
3. Ateliers en werkruimten voor makers en creatieve ondernemers, eventueel in een broedplaats met laagdrempelige horeca.
3. Het woningaanbod is gericht op diversiteit aan inkomensgroepen, woonproducten en woonmilieus.
4. Ruimte creëren voor nachtcultuur, mogelijk in combinatie met een broedplaats, zodat het gebied een aantrekkelijke ontmoetingsplek wordt voor een jongere doelgroep, met ruimte voor horeca en culturele activiteiten.
4. De woningbouw in Hart voor Oostpoort richt zich qua doelgroepen op starters, studenten en stellen, aansluitend bij het Volkshuisvestingsprogramma.
4.4.3 Wonen
De ontwikkeling van Hart voor Oostpoort levert een aanzienlijke bijdrage om het tekort op (betaalbare) woningen in Haarlem terug te dringen en biedt ruimte voor woningdifferentiatie en nieuwe woonconcepten. Hart voor Oostpoort richt zich op doelgroepen die kiezen voor de aanwezigheid van het station met het nabijgelegen recreatiegebied. Hierbij wordt gedacht aan studenten, starters en stellen. Dit zijn vaak ook doelgroepen met een laag autobezit. Eisen 1. Het woonprogramma wordt in vierkante meters en positionering ingevuld volgens de programmatabel in paragraaf 3.3 van het Masterplan. 2. De woningen voldoen aan de spelregels zoals opgenomen in de geactualiseerde Haarlemse spelregels voor woningbouwprogrammering. Deze behelzen o.a. maximale prijsgrenzen per woningcategorie (sociaal, middelduur, vrij), onderverdeling prijssegmenten (40-40-20),
strategy x design
5. De sociale huurwoningen worden afgenomen door één of meerdere van de in Haarlem actieve woningcorporaties. Dit wordt vastgelegd in anterieure overeenkomsten. De corporaties worden vroegtijdig bij de planvorming betrokken. 6. Sociale huurwoningen komen in een eigen gebouw met eigen (hoofd)entree. 7. Bij het ontwerp van complexen en woningen wordt nadrukkelijk en aantoonbaar rekening gehouden met (de organisatie van) toekomstig beheer. Wensen 1. Woonconcepten realiseren die inzetten op het delen van (collectieve) ruimtes en dagelijkse gebruiksvoorwerpen (o.a. auto). Dit gaat niet ten koste van woonoppervlak of beoogde publieke voorzieningen. 2. Wooncomplexen worden via co-creatie met toekomstige bewoners ontwikkeld. 3. Community-gericht ontwerpen: de hoeveelheid (kleinere) woningen vragen om architectonisch aspecten van cohousing / community-gericht ontwerpen om in de anonieme wijk ontmoeting te stimuleren. (zichtlijnen, spontane ontmoetingen,
gedeelde ruimtes (bijvoorbeeld wasserette), zitplekken, nadenken over looproutes, gedeelde tuin, soft overgang privé en gemeenschappelijk, gedeelde werkplek)
4.5 Natuur, klimaat en duurzaamheidsaspecten Deze paragraaf geeft de kaders voor de ontwikkelingen in het projectgebied op de volgende aspecten: 1. Natuurinclusiviteit en biodiversiteit 2. Bomen 3. Water en klimaatadaptatie 4. Energie 5. Bodemenergie 6. Circulariteit
4.5.1 Natuurinclusiviteit en biodiversiteit
Natuurinclusiviteit en biodiversiteit dragen bij aan natuurbeleving, een gezonde leefomgeving en klimaatadaptatie (voorkomen hittestress, droogte en wateroverlast). Doelstelling voor Hart voor Oostpoort is het vergroten van de biodiversiteit en het behouden, versterken en creëren van habitats voor gebiedseigen flora en fauna. Dit wordt bereikt door de groenstructuren te verbeteren, ecologische verbindingen te versterken en de bebouwing natuurinclusief te ontwikkelen (zie ook 3.7 van bijlage 14). Randvoorwaarden 1. Er wordt ontwikkeld volgens de Omgevingswet, in het bijzonder de bepalingen opgenomen in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
4
leefomgeving. 2. Elke ruimtelijke ontwikkeling moet met een Natuurtoets (ecologisch onderzoek) beoordeeld worden op ecologische effecten, inclusief quickscan ecologie, plus eventuele vervolgonderzoeken die hieruit naar voren komen. Hierbij hoort ook een inventarisatie van ‘invasieve exoten’ – oprukkende soorten die hier niet van nature voorkomen.
a. Nieuwe beplanting is (zoveel mogelijk) gebiedseigen en biologisch, klimaatbestendig en passend bij de habitatwensen van de doelsoorten. b. Nieuwe beplanting draagt maximaal bij aan de doelstelling, dat ten minste 50% van de beplanting in het plangebied inheems dient te zijn. 4. Voor alle maatregelen geldt dat ze aantoonbaar:
Algemene eisen 1. Bij werkzaamheden die invloed hebben op flora en fauna werken we volgens de actuele Gedragscode soortbescherming gemeenten. 2. Natuurinclusief bouwen volgens het Convenant toekomstbestendig bouwen op niveau ‘Brons’: a. Voor grootschalige projecten (oppervlak ≥ 2000m² en maximale hoogte ≥ 30m) betekent dit het aanleggen van een natuurlijke leefomgeving voor ten minste drie soortencategorieën. * b. Per soortcategorie wordt aangegeven welke maatregelen worden genomen voor het realiseren van een hoogwaardige habitat, waarbij wordt ingegaan op de samenhang tussen de 5 V’s: voedsel, veiligheid, voortplantingsmogelijkheden, variatie en verbinding. c. Het horizontale (en verticale) oppervlak wordt in samenhang met de groen-blauwe structuren in de bredere omgeving ingericht met minimaal 30% biodivers en hoogwaardig groen op buurtniveau. 3. De te nemen maatregelen moeten voldoen aan de volgende zaken:
strategy x design
a. Realiseerbaar zijn binnen de invloedsfeer van de uitvoerende partij. b. Op deskundige wijze worden uitgevoerd. c. In goede staat moeten blijven en niet in een later stadium mogen worden weggehaald, m.u.v. de gebieden in de HOV-reservering t.b.v. uitbreiding van het HOV. d. Zijn goedgekeurd door de gemeente. * De soortencategorieën zijn onderverdeeld in vijf hoofdgroepen: gebouwbewonend, boombewonend, struweel-gebonden, bloemrijk grasland-gebonden, aan water en oevers-gebonden. Eisen gebouwen Elk bouwblok moet in ieder geval onderdeel zijn van de hoogwaardig habitat voor de gebouwbewonende soorten. Platte en licht hellende daken worden als natuurdak** uitgevoerd. Voor de eisen met betrekking tot pakketdikten, zie paragraaf 4.10.7 van deze bijlage. Gevels worden benut voor gebouwbewonende soorten (Insectenstenen, nestkasten, verblijfplaatsen, etc.) en waar mogelijk voorzien van gevelgroen, zie paragraaf 4.10.7 van deze bijlage.
** Een natuurdak is een dak bedekt met vegetatie, zoals planten, mossen en kruiden, indien mogelijk aangevuld met nest-, rust- en schuilvoorzieningen voor insecten en andere dieren. Naast het bevorderen van de biodiversiteit heeft het ook andere voordelen zoals het vertraagd afvoeren van regenwater, het verbeteren van de isolatie en de levensduur van de dakbedekking. Een natuurdak kan goed gecombineerd worden met de plaatsing van zonnepanelen. Eisen openbare ruimte 1. De hoofdbomenstructuur wordt aangevuld en versterkt. 2. Groenstructuren worden zo veel mogelijk op elkaar aangesloten. 3. De groen-blauwe structuren worden versterkt (met nestkasten niet-gebouwbewonende soorten, vergroenen bermen, hagen, planten, ecologische wadi’s, natuurvriendelijke oevers, groeiplaatsen bomen verbeteren etc.). 4. Realiseren en/of versterken ecologische verbindingen (faunapassages etc.). 5. Groenvakken worden zonder barrières op het maaiveld aangelegd. 6. Verontreiniging en verrijking van grond wordt voorkomen en aanvullende grond zoveel mogelijk gebiedseigen (humusarm). 7. Langs de natuurverbindingen in de kolken worden hoektrapjes voor amfibieën geplaatst. 8. Ten minste 80% van de beplanting in Natuur Netwerk Haarlem (NNH), in de hoofdbomenstructuur en in parken is inheems. 9. Binnen het NNH wordt gekozen voor
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
5
nachtdiervriendelijke verlichting. 10. Het plangebied zal tijdens de ontwikkeling vrijgemaakt worden van invasieve exoten zoals Japanse duizendknoop of reuzenberenklauw. 11. Bij de verdere planuitwerking wordt ruimte voor natuur gereserveerd om te verzekeren dat voldaan kan worden aan de te treffen mitigerende maatregelen uit de mer-beoordeling (bijlage 14). Wensen 1. Natuurinclusief bouwen volgens het Convenant toekomstbestendig bouwen op niveau ‘Zilver/ Goud’: a. Hoogwaardige habitat voor meer soortencategorieën dan geëist bij niveau ‘Brons’. b. Natuurvriendelijke speelplekken gecombineerd met groen en ruimte om te verblijven en ontmoeten,
4.5.2 Bomen
Bomen dragen bij aan verblijfskwaliteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Daarom behouden we monumentale en waardevolle gezonde bomen en voegen we bomen toe in de openbare ruimte en op privaat terrein. Bomen worden zo geplaatst dat ze optimaal kunnen groeien. De focus ligt op kwaliteit, niet op kwantiteit. Voor bestaande en nieuwe bomen gelden verschillende eisen. Bestaande bomen Eisen met betrekking tot bestaande monumentale, waardevolle en gezonde bomen staan beschreven in de Bomenverordening van Haarlem. Let hierbij op dat gezonde bomen van 50 jaar en ouder als waardevolle
strategy x design
bomen behandeld dienen te worden. Eisen 1. Er wordt ontworpen volgens het ‘groen, tenzij’principe: gezonde bomen blijven behouden tenzij er zwaarwegende argumenten zijn om ze te verplaatsen of te kappen. a. Bij de planuitwerking een ruimtereservering in acht nemen voor het behouden van bestaande bomen, boomstructuren, groengebieden met (ecologische) waarde (rekening houden met het eindbeeld van de boom, (groeiplaatsverbetering/ uitbreiding). Bestaande wortelruimte conform kroonprojectie blijft onaangetast en groeiplaatsverbeteringen toepassen waar nodig. 2. Als onderdeel van het voorlopig stedenbouwkundig plan dient een Boom Effect Analyse (BEA) te worden uitgevoerd. Hierbij wordt de invloed van het ontwerp getoetst op de kwaliteit en levensverwachting van de bestaande bomen, ook worden hier passende beschermende maatregelen in omschreven om de bomen duurzaam in stand te houden. 3. Groeiplaatsverbeteringen toepassen waar nodig (aan de hand van de groen inventarisatie en/of BEA2.0, uitgevoerd conform de eisen gesteld in de Haarlemse Bomenverordening 2021). Wens 1. Compensatie van de te kappen bomen berekenen aan de hand van de baten van boom via een berekening met iTree. Berekenen met 50% van de baten direct compenseren en binnen 10 jaar 100%
van de verloren baten terug. Nieuwe bomen In Hart voor Oostpoort zullen nieuwe bomen geplant worden. Dit wordt uitgewerkt in het ontwerp voor de openbare ruimte en de hoofdinfrastructuur. Voor de eisen ten aanzien van de groeiplaatsinrichting voor nieuwe bomen: zie HIOR-paragraaf 7.2.4. Randvoorwaarde 1. Waterschapsverordening Rijnland, voor plantafstand voor nieuwe bomen ten opzichte van watergang ten behoeve van goed beheer en onderhoud van de oever. Dit is afhankelijk van de het type oever. Eisen 1. Bomenverordening, herplant van de te kappen bomen een-op-een vervangen. 2. Voldoende maat in het profiel voor bestaande en nieuwe boomstructuren inclusief in te richten groeiplaatsen. 3. Soortkeuze baseren op 80% inheemse bomen in de openbare ruimte. 4. Plantafstanden en soortkeuze, boven- en ondergrondse groeiplaats en groeiplaatsinrichting: volgens HIOR en Keur. 5. Diversiteit aan boomsoorten aanplanten, minstens 3 per straat, maar streef naar 5 soorten evenredig verdeeld. Wens 1. Bij boomkeuze wordt rekening gehouden met de gebruikswaarde. Soortkeuze wordt afgestemd
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
6
op de functie van de openbare ruimte en de omgevingsomstandigheden.
4.5.3 Water en klimaatadaptatie
De klimaatverandering brengt langdurige regenbuien, piekbuien, hittestress en perioden van droogte met zich mee. Ontwikkellocaties in de zone moeten in staat zijn om de klimaatveranderingen op te vangen en overlast te voorkomen, nu en in de toekomst. Randvoorwaarden 1. Volgens de Waterschapsverordening dient bij verhardingstoename 15% te worden gecompenseerd, binnen hetzelfde peilgebied. Bij zeer omvangrijke ontwikkeling (groter dan 50.000 m2 worden aanvullende eisen gesteld, waaronder meer compensatie in de vorm van oppervlakte water en niet uit alternatieve waterbergingsmethoden. 2. Volgens de Waterschapsverordening gelden voor een ontwikkellocatie waarbij meer dan 5.000m² wordt verhard de volgende kaders: a. Er moet worden aangetoond dat het gebied waarin de ontwikkeling ligt een bui van 90mm in een etmaal kan bergen. b. Hevige neerslag (1/100 jaar, 70mm in een uur) zorgt niet voor schade in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. c. Bij hevige neerslag (1/250 jaar, 90mm in een uur) blijven vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen functioneren en bereikbaar. . Eisen 1. Klimaatadaptief bouwen volgens het Convenant
strategy x design
toekomstbestendig bouwen op niveau ‘Brons’. 2. Volgens het Plan Stedelijk Water gelden de volgende kaders met betrekking tot droogte: a. De ontwikkeling vindt plaats volgens een grondwaterneutraal ontwerp. Hiervoor moet worden onderzocht wat de effecten zijn op de mogelijk aanwezige grondwaterstromen. Dit vereist een geohydrologisch onderzoek, dat aantoont dat de ontwikkeling grondwaterneutraal is. b. De ontwikkeling is waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden, in de bodem gebracht en hergebruikt in het plangebied. c. De inrichting van de locatie is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de zoetwaterbeschikbaarheid tijdens droogte. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte. d. Er dienen maatregelen in het ontwerp te worden opgenomen die schade door bodemdaling tegengaan en kostenefficiënt zijn over de levensduur van 60 jaar. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte. 3. Volgens het Plan Stedelijk Water moet het ontwerp ook tijdens hitte een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden. Hiervoor worden de volgende kaders gehanteerd: a. Er is tenminste 40% schaduw voor langzaamverkeerroutes en verblijfsplekken in het plangebied tijdens de hoogste zonnestand in de zomer. b. Koele plekken (minimaal 200m²) zijn op
loopafstand (maximaal 300m) aanwezig. c. Ten minste 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten worden warmtewerend of verkoelend ingericht/gebouwd om opwarming van het stedelijk gebied en gebouwen zelf te verminderen. d. Gebouwkoeling leidt niet tot opwarming van de (verblijfs)ruimtes in de directe omgeving. 4. Volgens Afdeling 3.3. van het omgevingsplan gemeente Haarlem gelden de o.a. de volgende kaders: a. Regenwater dat op particulier terrein valt mag niet direct worden afgewenteld naar openbaar terrein. Hiervoor dient een hemelwaterberging op eigen terrein te worden aangelegd (minimale capaciteit van 70 liter per m²). b. Voor de afvoer van hemelwater hanteert de gemeente een voorkeursvolgorde waarbij hemelwater alleen mag worden afgevoerd via het gemengd riool als andere afvoermogelijkheden zoals HWA of infiltratie naar de bodem niet mogelijk zijn. De voorkeursvolgorde is eerst infiltratie naar de bodem, dan afvoer via HWA of direct naar oppervlaktewater en dan pas gemengd riool. 5. Volgens het Convenant toekomstbestendig bouwen niveau ‘Brons’, dient afhankelijk van de plaatselijke overstromingskans en optredende waterdiepte ingezet te worden op het voorkomen van schade, het beperken van schade of het voorkomen van slachtoffers. Voor vitale en kwetsbare functies gelden aanvullende eisen.
Welke eisen gelden voor het plangebied is dus afhankelijk van de overstromingskans en diepte. Wat de overstromingskans per waterdiepte is, is te vinden
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
7
in de Klimaateffectatlas. 6. Om aan te tonen dat de initiatiefnemer aan bovenstaande randvoorwaarden en eisen voldoet, dienen de volgende berekeningen in de ontwerpfase van HRPP aangeleverd te worden: a. Berekening areaal verhardingscompensatie per peilvak waarvan de plaatsaanduiding is omschreven in de peilbesluiten van Rijnland. b. Waterbergingsberekening volgens rekentool Hoogheemraadschap Rijnland. c. Klimaatstresstest, zie handreiking Kennisplatform Klimaatadaptatie. Binnen bovenstaande beleidsstukken met betrekking tot water, droogte en hitte bestaat inhoudelijke overlap en/of samenhang. In overleg met Hoogheemraadschap Rijnland en de gemeente kunnen de maatregelen worden gecombineerd om aan de verschillende randvoorwaarden en eisen te voldoen.
4.5.4 Energie
In het plangebied zetten we in op een lage energievraag, duurzame energieopwekking en lokale warmte met als doel (ten minste) energieneutraliteit. De eis is om minimaal niveau ‘Brons’ uit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen te halen. De ambitie is echter om netbewuste en/of passieve bouw te realiseren dat aansluit bij niveau ‘Zilver’ of hoger. Hiermee krijgt de gebruiker lagere energielasten en wordt het elektriciteitsnet minder belast. Analyse en afstemming over de impact op de netcapaciteit is vereist in verband met netcongestie. Randvoorwaarde
strategy x design
1. BENG-eisen uit het BBL-paragraaf Energiezuinigheid. De BENG-eisen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen) worden uiterlijk vanaf 2030 omgezet naar ENG (Energie Neutrale Gebouwen). Eisen 1. Voor thema Energie minimaal niveau ‘Brons’ uit het Convenant Toekomstbestendig Bouwen. 2. Analyse en afstemming over de impact op de netcapaciteit met stakeholders. 3. De toepassing van conventionele koel- of verwarmingsinstallaties, zoals lucht-waterwarmtepompen, elektrische boilers, conventionele koelmachines en gasverbranders, zijn niet toegestaan. 4. De gebouwen worden in principe aangesloten op een collectief warmtesysteem. Het aangewezen warmtebedrijf is de eerstaangewezen partij om deze voorziening te realiseren. 5. Duurzame energieopwekking wordt in samenhang met groen, natuur en waterberging uitgewerkt en geïntegreerd in het architectonisch ontwerp, zie paragraaf 4.10.7 van deze bijlage. 6. Het minimaal aandeel hernieuwbare energie van grondgebonden/ gestapelde woningen is 100/60% (CTTB) 7. Het installatieplan is onderdeel van het goed te keuren voorlopig en definitief gebouwontwerp, zie paragraaf 6.7 van het Masterplan. 8. Ruimten voor trafo’s, WKO-installaties, warmtehubs e.d. worden met een zodanige overmaat ontworpen dat de openbare ruimte ook
in de toekomst gevrijwaard blijft van trafo’s en andere facilitaire bouwwerken, zie ook paragraaf 4.10.6 van deze bijlage. 9. Voor kozijnen in zuid- en westgevels buitenzonwering standaard toepassen en integreren in gebouwontwerp. Voor beeldkwaliteitscriteria zie hoofdstuk 5 van het Masterplan en bijlage 5. 10. De maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling van grondgebonden/ gestapelde woningen is < 55/65 kWh / m2 / jaar (CTBB) 11. Het maximaal primair fossiel energiegebruik van grondgebonden/ gestapelde woningen is 0/35 kWh / m2 / jaar (CTBB)
Wensen 1. De ambitie is om netbewuste en/of passieve bouw te realiseren dat aansluit bij niveau ‘Zilver’ of hoger met een maximale kwantitatieve energiebehoefte voor verwarming en koeling van grondgebonden/ gestapelde woningen < 52,5/60 kWh / m2 / jaar (CTBB zilver) Convenant Toekomstbestendig Bouwen. 2. Het maximaal primair fossiel energiegebruik van gestapelde woningen is ≤ 35 kWh / m2 / jaar (CTBB zilver) 3. Het minimaal aandeel hernieuwbare energie van grondgebonden/ gestapelde woningen is 125/80% (CTTB zilver) 4. Er liggen kansen voor een Slim Energienet (Smart GRID) i.c.m. energieopslag waarmee energie wordt bespaard, opgeslagen, netcongestie wordt tegengegaan en energie slim wordt ingezet voor
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
8
duurzame installaties en laden van elektrische vervoersmiddelen. 5. Onderzoek naar mogelijkheden en locatie voor energie- en mobiliteitshub, die collectieve energieopwekking en -opslag koppelt aan het faciliteren van de P&R programma.
4.5.5 Bodemenergie
Een bodemenergiesysteem maakt voor de verwarming en koeling van gebouwen gebruik van de warmte en koude in de bodem. De organisatorische – en daarmee samenhangende technische keuze voor type bodemenergiesysteem maakt geen onderdeel uit van dit Masterplan. Het is aan het warmtebedrijf om met de beste warmteoplossing te komen. Randvoorwaarden 1. De aanleg en het gebruik van zowel open als gesloten bodemenergiesystemen is onder de Omgevingswet een aangewezen milieubelastende activiteit. 2. Onder de Omgevingswet gelden algemene rijksregels voor open en gesloten systemen. Het aanleggen of gebruiken van zowel een open als gesloten systeem is vergunningplichtig. 3. Ook de lozingen die horen bij de aanleg en het gebruik van bodemenergiesystemen, zijn onderdeel van deze milieubelastende activiteit (artikel 2.3 Bal). Eis 1. Bij aanleg van een bodemenergiesysteem moet voldaan worden aan de afdeling 6.2 van het omgevingsplan gemeente Haarlem.
strategy x design
4.5.6 Circulariteit
Haarlem wil stappen zetten in de richting van een circulaire economie. De doelstelling is dat Haarlem per 2040 circulair is. Met het Actieprogramma Circulaire Economie kiest Haarlem voor het niveau ‘Zilver’ bij circulair bouwen uit het Convenant Toekomstbestendige Bouwen. Voor de milieuprestatie van gebouwen (MPG-score) is dit een aanscherping ten opzichte van het wettelijk vereiste. Voor andere circulaire indicatoren als CO2-budget, herkomst materialen en losmaakbaarheid wordt hierdoor een grenswaarde geïntroduceerd. De ambitie is echter primair materiaalgebruik en materiaal gebonden energie bij de aanleg van de wijk te reduceren dat het aansluit bij niveau zilver van het CTBB (conform actieprogramma circulair bij projecten van derden) Randvoorwaarde 1. MPG-score van 0,8 €/m²/bvo. Eisen 1. Voor thema Circulair minimaal niveau ‘Zilver’ uit het Convenant Toekomstbestendige Bouwen. a. De MPG-score van grondgebonden/ gestapelde woningen is gelijk of lager dan 0,45/0,5 €/m²/bvo b. Het materiaalgebonden budget van grondgebonden/ gestapelde woningen is ≤ 200/220 kg CO2-eq / m2 BVO (conform Rekenprotocol Paris Proof Embodied Carbon) c. Het massapercentage van grondgebonden/ gestapelde woningen is ≥ 20 % hernieuwbaar, hergebruikt of gerecycled. Woningen die gebouwd zijn conform de definitie van houtbouw uit het Convenant Houtbouw
voldoen hier automatisch aan. d. De % losmaakbaarheid (conform meetmethodiek Circular Buildings 2.0) voor grondgebonden/ gestapelde woningen is ≥ 55/50 2. Conform de eisen uit het Convenant Houtbouw is minimaal 20% van de gebouwen houtbouw, tenzij wordt onderbouwd dat dit constructief en/of financieel niet haalbaar is. a. ≥ 20% van de woningen worden constructief in hout uitgevoerd, waarbij het volume van de draagconstructie (excl. fundering) voor grondgebonden/ onder 10 lagen gestapelde/ vanaf 10 lagen gestapelde woningen minimaal 80/65/50% van het volume biobased is (CHB) b. Per bouwkavel dient onderzocht te worden in hoeverre het technisch en financieel haalbaar is om aan de gezamenlijke verplichting van 20% houtbouw te voldoen. 3. Gebouwen worden opgenomen in materialenpaspoort (Madaster) en er wordt een demontageplan opgesteld. Dit om in de toekomst de materialen te kunnen hergebruiken. 4. Het scheiden van afval wordt zo makkelijk mogelijk gemaakt/gefaciliteerd, zodat mensen het eenvoudig kunnen opnemen in de dagelijkse routine. Wensen 1. Streven naar een massapercentage van hernieuwbaar, hergebruikt of gerecycled materiaal bij grondgebonden/ gestapelde woningen van ≥ 40 % hernieuwbaar, hergebruikt of gerecycled (CTBB zilver), waarbij er voorkeur is om de materialen zichtbar toe te passen.
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
9
a. Streven naar een materiaal gebonden budget van grondgebonden/ gestapelde woningen is ≤ 126/139 kg CO2-eq / m2 BVO (conform Rekenprotocol Paris Proof Embodied Carbon) b. Streven naar een % losmaakbaarheid (conform meetmethodiek Circular Buildings 2.0) voor grondgebonden/ gestapelde woningen van ≥ 75/70 2. Groenafval wordt zoveel mogelijk binnen het gebied gecomposteerd en hergebruikt. 3. Faciliteren op kavel dat bewoners hun afval kunnen scheiden – glas, papier, plastic, textiel, GFE (groente fruit en etensresten) en grijs (rest) – zodat we het gescheiden afval kunnen inzamelen via de ondergrondse afvalcontainers in de openbare ruimte. 4. Pilot inzet voedselvermalers GFE en perscontainers bij rest en plastic. 5. Rapporteren op aanvullende circulaire indicatoren, zoals materiaal gebonden CO2-opslag en adaptief vermogen van de woningen 6. Sloop van bestaande gebouwen en infra middels een zo hoogwaardig mogelijke herbruikbaarheid van vrijkomende producten en materialen en een zo hoog mogelijke gerealiseerde losmaakbaarheid. Organisatie van een zo goed mogelijke herleidbaarheid van vrijkomende bouwproducten of -materialen.
4.6 Milieu- en omgevingsaspecten Deze paragraaf benoemt milieu- en omgevingsaspecten waarmee vanaf het begin van de ontwerpfase rekening gehouden moet worden
strategy x design
voor een gezonde en veilige leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Het betreft de volgende onderwerpen: 1. Windklimaat 2. Bezonning 3. Geluid 4. Trillingen 5. Stikstof 6. Luchtkwaliteit 7. Externe veiligheid 8. Bodemkwaliteit 9. Archeologie 10. Cultuurhistorie
4.6.1 Windklimaat
De proefverkaveling is geanalyseerd op windhinder door middel van een computersimulatie, zie bijlage 12* van het Masterplan. Uitgangspunt bij de uitwerking van de bouwblokken is dat eventuele aanpassingen aan de volumes niet leiden tot een significante verslechtering van het windklimaat van de openbare ruimte en gebouwen in en om het projectgebied. Het streven is een beter windklimaat dan de proefverkaveling. Eisen ontwerpproces 1. Vanaf een bouwhoogte van 15m dient windhinderonderzoek te worden verricht conform NEN 8100: 2006. 2. Voor de toetsing van het voorlopig en definitief stedenbouwkundig plan wordt het windhinderonderzoek verder verfijnd zodat de effecten op onderdelen van de openbare en collectieve buitenruimten inzichtelijk worden. 3. Voor de toetsing van de voorlopige en definitieve gebouwontwerpen laat de ontwikkelende partij een gedetailleerd windhinderonderzoek uitvoeren,
waarbij ook inzichtelijk gemaakt wordt wat de effecten zijn op de private buitenruimten en de woningen. Eisen kwaliteitsniveau 1. Het uit te werken bouwvolume leidt niet tot een significante verslechtering van het windklimaat van de openbare, collectieve en private buitenruimten ten opzichte van het stedenbouwkundig ontwerp. 2. Nergens mag sprake zijn van (beperkt) risico op windgevaar ten gevolge van de nieuwbouw. 3. Bij windhindergevoelige functies zoals (horeca) terrassen, zitplekken in de openbare ruimte én private buitenruimten zoals balkons, dient sprake te zijn van kwaliteitsklasse A (goed)*. 4. Voor zover nodig wordt aangetoond welke maatregelen worden genomen om de vereiste kwaliteitsklasse te bereiken. Wens 1. De bouwvolumen worden zodanig gepositioneerd en vormgegeven dat het windklimaat van openbare ruimte en gebouwen wordt verbeterd ten opzichte van het stedenbouwkundig plan. * Indien niet voldaan kan worden aan het vereiste kwaliteitsniveau vanwege specifieke locatieomstandigheden en het windklimaat in redelijkheid niet kan worden verbeterd, kan na instemming van de gemeente van deze eis worden afgeweken. Er kan dan gebruikgemaakt worden van een aangepaste normstelling, mits deze door een windhinderdeskundige is onderbouwd.
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
10
4.6.2 Bezonning
inachtneming van de maatschappelijke belangen van de ontwikkeling in relatie tot de negatieve effecten op de omwonenden.
De proefverkaveling is geanalyseerd op schaduwwerking met een bezonningsstudie, zie bijlage 13 van het Masterplan. Uitgangspunt bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan en de bouwblokken is dat eventuele aanpassingen aan de volumes niet leiden tot een significante verslechtering van de bezonning van de openbare ruimte en gebouwen in en om het plangebied.
3. Voor verblijfsgebieden binnen en rondom de te ontwikkelen locatie, zoals (horeca-)terrassen, zitplekken in de openbare ruimte en balkons moet worden aangetoond dat sprake zal zijn van voldoende zonuren.
Eisen ontwerpproces 1. Het voorlopig stedenbouwkundig plan moet voorzien worden van een volledige en inzichtelijke bezonningstudie op basis van de TNO-normen, waardoor getoetst kan worden wat de effecten zijn op de bouwvolumen en de openbare en collectieve buitenruimten in en rondom het plangebied.
4.6.3 Geluid
2. Voor de toetsing van het voorlopige en definitieve gebouwontwerp wordt deze studie door de ontwikkelende partij verder verfijnd, waarbij ook inzichtelijk gemaakt wordt wat de effecten zijn op de private buitenruimten en woningen in en rond het betreffende gebouw. Eisen kwaliteitsniveau 1. Het uit te werken bouwvolume leidt niet tot een significante verslechtering van de bezonning van de openbare ruimte en de (omliggende) gebouwen ten opzichte van de proefverkaveling. 2. Er moet minimaal worden voldaan aan de ‘lichte’ TNO-norm voor alle nieuwe bebouwing. Indien hier niet aan voldaan kan worden, dient gemotiveerd te worden waarom de ontwikkeling alsnog aanvaardbaar wordt geacht, met
strategy x design
Wens 1. Het bouwvolume wordt zodanig gepositioneerd en vormgegeven dat de bezonning verbeterd ten opzichte van de proefverkaveling.
Hart voor Oostpoort is een zwaar geluidsbelaste locatie. De noordzijde van het plangebied is gelegen op een geluidgezoneerd industrieterrein Waarderpolder. De noord- en de zuidzijde worden gescheiden door een drukke ontsluitingsweg (Amsterdamsevaart) en een spoorlijn met het station Haarlem Spaarnwoude. Het plan ligt tevens binnen het geluidaandachtsgebied voor de rijksweg A200. Uit de quickscan geluid (bijlage 11) komt naar voren dat bij de bebouwing uit de proefverkaveling rekening gehouden moet worden met overschrijding van de normwaarden voor geluid. Door het nemen van maatregelen kan de overschrijding bij de bebouwing worden teruggebracht. Met aanvullende maatregelen aan de bebouwing kan worden toegestaan dat de resterende overschrijdingen aanvaardbaar zijn, zodat op deze geluidsbelaste locatie toch een gezond leefklimaat gegarandeerd kan worden. Randvoorwaarde 1. Er moet een akoestisch onderzoek worden
uitgevoerd. Eisen ontwerpproces 1. Op basis van het voorlopig stedenbouwkundig ontwerp moet een akoestisch onderzoek uitgevoerd worden. 2. Inzichtelijk moet worden gemaakt bij welke woningen de standaardwaarde wordt overschreden en wat het cumulatieve geluid is; 3. In het akoestisch onderzoek moet advies worden uitgebracht over de te treffen maatregelen om geluidhinder zo veel mogelijk te beperken. Cumulatie wordt daarin betrokken. 4. In het definitief stedenbouwkundig plan en de daaropvolgende gebouwontwerpen moeten de geadviseerde maatregelen worden toegepast. Eisen kwaliteitsniveau 1. Bij overschrijding van de standaardwaarde voor geluid, dient minimaal aan het volgende te worden voldaan (met inbegrip van eventuele wijzigingen naar aanleiding van nieuwe beleidsregels): a. Ten minste 75% van de woningen dient ten minste één geluidsluwe gevel te hebben die voldoet aan de standaardwaarde. Het effect van maatregelen bij balkons die het gebruik niet beperken, zoals een gesloten uitgevoerde borstwering met een normale hoogte en geluidsabsorberende plafond kan daarbij worden meegenomen b. Eenzijdig georiënteerde woningen zijn uitsluitend toegestaan indien sprake is van een geluidluwe gevel. c. Bij een waarde voor geluid die 5 dB hoger is
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
11
dan de standaardwaarde, moet ten minste één slaapkamer aan de geluidsluwe gevel liggen. d. Binnenhoven dienen zodanig te worden ontworpen dat geluid wordt gedempt en diffuus weerkaatst. Dit kan worden bereikt door het gebruik van geluidsabsorberende materialen, het strategisch positioneren van wanden en andere constructies die geluidsgolven verstrooien, en het vermijden van harde reflecterende oppervlakken.
in de nabijheid van het spoor en de N200 is een quickscan trillingen (zie bijlage 15) uitgevoerd naar de te verwachten trillingen van (zwaar) verkeer op de beoogde ontwikkeling. Eisen 1. Binnen een afstand van circa 60 meter van het spoor zijn niet alle gebouwtypen mogelijk. 2. Zware bouw (bijvoorbeeld meerlaagse appartementengebouwen) is alleen mogelijk vanaf circa 20 meter van het spoor.
Indien gemotiveerd niet voldaan kan worden aan het vereiste kwaliteitsniveau, kan na instemming van de gemeente van deze eisen worden afgeweken mits compenserende maatregelen worden getroffen in deze volgorde: 1. Geluidreducerende gebouwmaatregelen. Denk aan een (deels) afsluitbare loggia als alternatief voor een geluidsluwe zijde bij bijvoorbeeld moeilijk oplosbare hoekwoningen.
3. Trillingsonderzoek is noodzakelijk om eventuele aanvullende maatregelen aan de bebouwing te treffen.
2. Alternatieve maatregelen die bijdragen aan een gezonde leefomgeving (genoemd in bijlage 11). Denk aan extra groen rond de woning als aanvulling op de, in lid 1 genoemde geluidreducerende gebouwmaatregelen en rustige, recreatief te gebruiken buitenruimten in de directe omgeving van de woning/woongebouw.
Randvoorwaarden 1. Er moet voldaan worden aan de zorgplicht als bedoeld in de Omgevingswet en artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De zorgplicht betreft het zo veel mogelijk beperken van uitstoot door de inzet van schoon en emissieloos materieel aanvullen en het werken in strikte werktijden tijdens de aanleg- en uitvoeringsfase..
3. Met een combinatie van bovengenoemde maatregelen wordt zodoende een acceptabel alternatief kwaliteitsniveau bereikt.
4.6.4 Trillingen
Haarlem kiest voor het beperken van trillingshinder als gevolg van trein- en wegverkeer ter bevordering van een gezonde leefomgeving. Gezien de ligging
strategy x design
4.6.5 Stikstof
Met een stikstofdepositieberekening (AERIUSberekening) is onderzocht of dit Masterplan voldoet aan de Omgevingswet, zie bijlage 14.
2. Om het effect op de Natura 2000-gebieden te beoordelen, moet zowel in de aanleg- en gebruiksfase een AERIUS‑berekening worden uitgevoerd. 3. Als de ontwikkeling leidt tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied, moet
worden uitgezocht welke stappen nodig zijn om te voldoen aan de Omgevingswet. In ieder geval een ecologische Voortoets Stikstof is hierbij verplicht (zie bijlage 14).
4.6.6 Luchtkwaliteit
De luchtkwaliteit is van belang voor de gezondheid van mens en dier en voor de kwaliteit van het milieu. Aan de huidige Rijksomgevingswaarden wordt overal in het plangebied voldaan o.a. voor fijnstof en stikstofdioxide. Naar verwachting is dit ook het geval voor de aangescherpte Rijksomgevingswaarden die per 2030 ingaan. Ook beneden deze waarden zijn gezondheidseffecten voor kwetsbare of gevoelige groepen niet uitgesloten. Daarom werkt Haarlem samen met andere overheden en het Rijk aan een verdere, permanente verbetering van de luchtkwaliteit in het Schone Lucht Akkoord. Eisen 1. Tussen nieuwe gevoelige functies* in eerstelijnsbebouwing en drukke wegen (verkeersintensiteit >10.000 motorvoertuigen per etmaal) dient 25m afstand aangehouden te worden. Dit is van toepassing op de Amsterdamsevaart, de Oudeweg (N200) en het Kegge Stastok-viaduct over het spoor. 2. Om zeer plaatselijke blootstelling aan houtrook tegen te gaan, worden in grondgebonden nieuwbouw geen rookgaskanalen voor houtstook aangebracht. 3. Waar horeca nabij woningen mogelijk wordt gemaakt, wordt bijzondere aandacht gegeven aan voorkoming van geuroverlast bij de woningen. 4. Voor woningen nabij infrastructuur worden met
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
12
de situering van luchtinlaten aan geluidsluwe zijden en toepassing van fijnstoffilters de binnenmilieubelasting gereduceerd. * Gevoelige functies zijn in elk geval: basisscholen, kinderopvang (kinderdagverblijven, crèches, peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang), woonzorgcentra voor ouderen. Voor deze functies gelden de afstandscriteria als eis. Hiervan kan, na inwinning van een GGD-advies, gemotiveerd worden afgeweken als de vereiste afstand redelijkerwijs niet mogelijk is, en (redelijkerwijs) mogelijke maatregelen worden getroffen om de blootstelling binnenshuis te verlagen (zie ook onder wensen). Wensen 1. Woningen kunnen ook gevoelige personen huisvesten en zijn daarmee in principe ook een gevoelige bestemming. Vanwege het belang van voldoende huisvestingsmogelijkheden in onze compacte stad gelden de afstandscriteria hier echter als wens. Bij afwijking hiervan moet wel gemotiveerd worden welke mogelijkheden wel en niet worden toegepast om blootstelling te verlagen en/of toename van het aantal belaste gevoelige personen te voorkomen. 2. Tot de mogelijkheden om de blootstelling binnenshuis of het aantal blootgestelden te verlagen behoren in elk geval: a. Aanpassing van de doelgroep of functie van een gebouw (bijvoorbeeld meer starterwoningen en minder ouderen in de eerstelijnsbebouwing). b. Gevoelige functies of doelgroepen binnen het gebouw op grotere afstand van de weg
strategy x design
plaatsen, bij voorkeur aan de andere kant ten opzichte van de weg (gebouw is een effectief scherm). c. Woningentrees en aanzuiging luchtverversing aan de afzijdige kant van gebouw ten opzichte van de weg. d. Speelplaatsen aan de afzijdige kant van het gebouw. e. Hogere verdiepingen voor gevoelige functies of groepen (ook hoogte draagt bij aan de afstand). 3. Vanuit een algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving (natuur, luchtkwaliteit en klimaat) en vanuit het Schone Lucht Akkoord heeft Haarlem het Convenant Schoon en Emissieloos Bouwen ondertekend en streeft naar een zoveel mogelijk toepassen van emissiearme- en emissievrije oplossingen in bouw- en onderhoudsprocessen, ook als de stikstofregels voor een project daar niet toe dwingen.
4.6.7 Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Hart voor oostpoort grenst o.a. aan categorie 3/4 bedrijventerrein, spoorlijn, drukke autowegen, hoofdgasleiding. Voor woningen nabij infrastructuur worden met de situering van luchtinlaten aan geluidsluwe zijden en toepassing van fijnstoffilters de binnenmilieubelasting gereduceerd.
Randvoorwaarden 1. Voor inrichtingen is de Omgevingswet en de daaronder vallende Algemene maatregelen van bestuur het relevante kader. 2. In het kader van de groepsrisicoverantwoording moet advies worden ingewonnen bij de Veiligheidsregio Kennemerland.
4.6.8 Bodemkwaliteit
Het doel van bodembeleid is enerzijds de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant die op en in de bodem leven en anderzijds het behoud van de functionele eigenschappen van de bodem, zodat deze geschikt blijft om te gebruiken. Een belangrijk uitgangspunt is dat nieuwe verontreinigingen voorkomen moeten worden. Met de Nota Bodembeheer en de Bodemkwaliteitskaart regelt de gemeente het bodembeheer en het omgaan met vrijkomende grond in Haarlem. Bijlage 14 geeft een lijst met de bij de gemeente bekende uitgevoerde bodemonderzoeken in en rond het plangebied. Randvoorwaarden 1. Er wordt ontwikkeld volgens de eisen die de Omgevingswet hieraan stelt, in het bijzonder de bepalingen opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. 2. Om in het kader van de Omgevingsvergunning te kunnen toetsen of de bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie kan worden toegelaten en om de openbare ruimte in te richten is het nodig om voor het plangebied de bodemkwaliteit in beeld te hebben. Hiervoor moet een verkennend bodemonderzoek worden gedaan volgens de NEN 5740.
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
13
Eisen 1. Grondverzet mag niet leiden tot nieuwe verontreiniging of het verplaatsen van verontreiniging en moet uitgevoerd worden volgens de regels van de Nota Bodembeheer. 2. Voor het toepassen van grond gelden de ‘lokale maximale waarden’ van zone B5 van de Nota Bodembeheer. 3. Er wordt gebruik gemaakt van vrijkomende grond uit het gebied zelf. Zo hoeft zo min mogelijk gebruik gemaakt te worden van primaire grondstoffen, zonder dat de bestaande bodemkwaliteit achteruitgaat. Wens Mocht tijdens de uitvoering blijken dat historische ernstige verontreinigingen met een humaan risico voor het beoogde gebruik aanwezig zijn, dan is de wens deze te verwijderen. Daarvoor kan financiering voor sanering vanuit het Bodemprogramma Haarlem worden aangevraagd.
4.6.9 Archeologie
De gemeente is op basis van de Omgevingswet verplicht om rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. De drie belangrijkste uitgangspunten zijn: Het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem. De initiatiefnemer van het project dat tot bodemverstoring leidt, betaalt de kosten van archeologisch onderzoek. Het vroegtijdig integreren van de zorg voor het archeologisch erfgoed in de procedures van de ruimtelijke ordening.
strategy x design
Randvoorwaarden 1. Het archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd door een gecertificeerd bedrijf (BRL SIKB 4000). Het onderzoek moet naast de eisen in het daartoe te overleggen Plan van Aanpak voldoen aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Eisen 1. Bij overschrijding van de voor archeologie geldende vrijstellingsgrenzen in het omgevingsplan dient in eerste instantie een bureau- en verkennend archeologisch booronderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de resultaten van dat onderzoek bepaalt de gemeente Haarlem of archeologische vervolgstappen noodzakelijk zijn. 2. Het archeologisch onderzoek moet ook voldoen aan de Haarlemse Richtlijnen voor archeologisch onderzoek. 3. Als behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, is het streven die in de bodem te behouden, bijvoorbeeld door planaanpassing of beschermende maatregelen. Als dat niet mogelijk is, moeten de archeologische resten worden opgegraven. Wens 1. De resultaten van het archeologisch onderzoek meenemen in het ontwerp of als inspiratie daarvoor gebruiken, om het verhaal van de plek een rol te geven in de nieuwe ontwikkeling.
de Stelling van Amsterdam (SvA) (UNESCO werelderfgoed) en ligt gedeeltelijk binnen een schootscirkel van de SvA. Het Beeldkwaliteitsplan SvA (2008) gaat uit van het behoud en zo mogelijk de versterking van de SvA in het MRA-landschap. Eisen 1. Voor de ontwikkeling van Hart voor Oostpoort betekent dit dat de bouwvolumes gezien vanuit de SvA-zone zodanig gepositioneerd en vormgegeven dienen te worden, dat het zicht vanuit het schootsveld geen substantiele verstoring ondervindt. Tegelijk dient de openbare ruimte van het Hart voor Oostpoort een groene en landschappelijke inrichting en uitstraling te krijgen die samenhangt met het landschap van de SvAzone. 2. De historische verbinding AmsterdamsevaartSpoorlijn loopt dwars door het projectgebied; deze verbinding is aangemerkt als een waardevolle historische (water-) lijn in Dit is Haarlem. Cultuurhistorische hoofdstructuur van de stad (2019). In de Structuurvisie Openbare Ruimte (2017) staan bovendien de voorwaarden aangegeven waaraan ontwikkelingen m.b.t. de lange lijnen moeten voldoen. 3. Bij de ontwikkeling van het Oostpoortgebied dienen de lange zichtlijnen van deze historische verbinding in beide richtingen (Oost-West) behouden te blijven en moeten de historische karakteristieken en profielen zo veel mogelijk behouden blijven om de historische leesbaarheid te waarborgen.
4.6.10 Cultuurhistorie
Het projectgebied grenst aan de oostzijde aan
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
14
4. Het plangebied grenst aan de westzijde aan de zone met de Joodse begraafplaats, een gemeentelijk monument. De ontwikkeling van het Oostpoortgebied mag de directe omgeving en de rust van de Joodse begraafplaats niet verstoren, fysiek noch visueel.
4.7 Mobiliteit In deze paragraaf worden de kaders behandeld voor de volgende mobiliteitsaspecten: 1. Mobiliteitsplan 2. Aanpassingen auto-infrastructuur 3. Wandelroutes en -paden 4. Fietsinfrastructuur 5. Fietsparkeren en stalling scootmobielen 6. Autoparkeren 7. Bushaltes 8. Treinstation 9. Voorzieningen OV-Knooppunt 10. Toegankelijkheid calamiteitendiensten 11. Afvalinzameling, laden & lossen, et cetera
4.7.1 Mobiliteitsplan
In dit Masterplan zijn maatregelen verwerkt om woningbouw op deze locatie mogelijk te maken en bij te dragen aan de mobiliteitstransitie zoals beschreven in het Haarlems Mobiliteitsbeleid. Bijlage 17 geeft het mobiliteitsplan voor Hart voor Oostpoort. Per bouwlocatie stelt de ontwikkelende partij ook een mobiliteitsplan op. Hiermee onderbouwt de ontwikkelaar hoe wordt voldaan aan de geldende beleidsregels, waaronder de vastgestelde parkeernorm.
strategy x design
Eisen 1. Met een mobiliteitsplan onderbouwt de ontwikkelende partij hoe voor de betreffende bouwlocatie voldaan wordt aan de relevante mobiliteitsaspecten zoals beschreven in onderstaande paragrafen. 2. Toepassen van omgekeerd ontwerpen volgens het STOMP-principe: dit principe benadrukt duurzame mobiliteit en het stimuleren van actieve vervoerswijzen zoals lopen en fietsen. Eerst wordt de benodigde ruimte gecreëerd voor de voetganger en fiets, waarna vervolgens gekeken wordt wat de beschikbare overgebleven ruimte is voor de auto.
4.7.2 Aanpassingen auto-infrastructuur
Zoals in het Masterplanen het mobiliteitsplan is uitgelegd, moet het Keggeviaduct, de Camera Obscuraweg, de Robertus Nurksweg en de Amsterdamsevaart ingrijpend aangepast worden om het zuidelijke deel van Hart voor Oostpoort te kunnen realiseren. Voor het noordelijke deel moeten de Busweg, Laan van Decima en het P+R-terrein worden aangepast. Eisen 1. De noodzakelijke aanpassingen aan de autoinfrastructuur in het plangebied zoals in de proefverkaveling in hoofdstuk 3 van het masterplan en in bijlage 7 en 8 verbeeld, worden parallel aan de uitwerking het stedenbouwkundig plan en het ontwerp openbare ruimte uitgewerkt tot een ontwerp van de hoofdinfrastructuur, zie paragraaf 6.6 van het Masterplan. 2. Het infrastructuurontwerp van de gemeente is
integraal onderdeel van het ontwerp openbare ruimte en sluit nauwkeurig aan om de andere onderdelen van de openbare ruimte in het plangebied. 3. Het ontwerp van de civiele kunstwerken voldoet aan de betreffende beeldkwaliteitscriteria uit hoofdstuk 5 en bijlage 5 van het Masterplan.
4.7.3 Wandelroutes en -paden
Belangrijke projectdoelstelling is het verbeteren van de bereikbaarheid van station HaarlemSpaarnwoude voor voetgangers. Voetgangers kunnen makkelijk, veilig en comfortabel het station bereiken. Looproutes in het gebied sluiten goed aan op routes vanuit Zuiderpolder en Waarderpolder. Voorzieningen en woningen in het plangebied zijn gemakkelijk toegankelijk en veilig bereikbaar voor voetgangers. Eisen 1. De proefverkaveling zoals uiteengezet in hoofdstuk 3 geeft aan wat de looproutes en voetgangersgebieden in het plangebied kunnen zijn, de fiets is hier te gast, de auto is niet toegestaan. 2. Looproutes naar het trein- en busstation en entrees van gebouwen sluiten op een logische en veilige manier aan op de doorgaande routes naar en door het plangebied. 3. Looproutes zijn sociaal veilig; voldoende breed, obstakelvrij, goed verlicht en hebben geen blinde hoeken. 4. Alle voetpaden worden ingericht conform HIOR en Leidraad Toegankelijkheid. 5. Er moet bij de inrichting rekening gehouden worden met mensen met een (visuele, auditieve,
Hart voor Oostpoort | Masterplan | Bijlage 4 - Randvoorwaarden, eisen en wensen
15
fysieke, cognitieve) beperking. Ook zijn er voldoende rustmogelijkheden (bankjes)Bij het ontwerp, uitvoering en beheer moet ook aandacht worden geschonken aan mensen met kinderwagens, ouderen, mensen met een beperking en rolstoel- en rollatorgebruikers door na te denken over licht, verkleuring, kleur, contrast, materiaalgebruik, hoogteverschillen, reflecties en routing. Consistentie en logica zijn daarbij essentieel.
4.7.4 Fietsinfrastructuur
De toegankelijkheid van station Haarlem Spaarnwoude voor fietsers wordt verbeterd door barrières in de routes vanuit Zuiderpolder en Waarderpolder naar het station weg te nemen. Daarnaast worden de twee regionale oost-west doorfietsroutes (F200en G200) in het gebied verbeterd (tevens belangrijkste verbinding van Oostpoort met het centrum van Haarlem). Door het toevoegen van een nieuwe fietsbrug over het spoor en de Amsterdamsevaart als onderdeel van de F205 wordt de barrière die het spoor en de weg voor noord-zuid fietsverkeer is, geslecht en wordt ook de fietsbereikbaarheid van de Waarderpolder verbeterd. De fietspaden en de nieuwe fietsbrug zijn voldoende breed om comfortabel en veilig gebruikt te worden door uiteenlopende gebruikers. Eisen 1. De proefverkaveling zoals uiteengezet in hoofdstuk 3 geeft aan wat de fietsroutes kunnen zijn. Routes naar het trein- en busstation en stallingen, zowel aan de noord- als zuidzijde van het plangebied, sluiten op een logische manier aan op de doorgaande routes naar en door het plangebied.