Bijlage bij nr. 58 Rapport-GES-2020-Stadspark en voorpark.pdf
Tekst van het document
Monitoring in het kader van de Gemeentelijke Ecologische Structuur Groningen 2020 Kerngebied Stadspark + voorpark – 2e monitoring
G.J. Berg A.R. Balk C.A. Bultstra K.D. Jipping R.E. Modderman H.L. Schepp
Monitoring in het kader van de Gemeentelijke Ecologische Structuur Groningen 2020 Kerngebied Stadspark + voorpark – 2e monitoring G.J. Berg, A.R. Balk, C.A. Bultstra, K.D. Jipping, R.E. Modderman, H.L. Schepp Status uitgave: concept Rapportnummer:
20-191
Projectnummer:
20-0103
Datum uitgave:
14 december 2020
Foto's omslag:
Overzicht GES-gebieden, met in rood Stadspark + voorpark
Projectleider:
drs. G.J. Berg
Tweede lezer:
ir. G.H. Bonhof
Naam en adres opdrachtgever:
Gemeente Groningen, Stadsbeheer Postbus 1144, 9701 BC Groningen
Referentie opdrachtgever:
ordernr: 30077983 OL
Akkoord voor uitgave:
ir. G.H. Bonhof
Paraaf:
Graag citeren als: Berg G.J., A.R. Balk, C.A. Bultstra, K.D. Jipping, R.E. Modderman, H.L. Schepp, G.L. Verweij. 2021. Monitoring in het kader van de Gemeentelijke Ecologische Structuur Groningen 2020. Kerngebied Stadspark + voorpark – 2e monitoring. Bureau Waardenburg Rapportnr. 20-191. Bureau Waardenburg, Haren. Trefwoorden: GES, Gemeentelijke Ecologische Structuur, ecologische monitoring, stadsnatuur, Groningen. Bureau Waardenburg bv is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Waardenburg bv. Opdrachtgever hierboven aangegeven vrijwaart Bureau Waardenburg bv voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © Bureau Waardenburg bv / Gemeente Groningen, Stadsbeheer Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, digitale kopie of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Bureau Waardenburg bv, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus.
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Bureau Waardenburg bv is gecertificeerd door EIK Certificering overeenkomstig ISO 9001:2015. Bureau Waardenburg bv hanteert als algemene voorwaarden de DNR 2011, tenzij schriftelijk anders wordt overeengekomen.
Bureau Waardenburg, Varkensmarkt 9 4101 CK Culemborg, 0345 51 27 10, info@buwa.nl, www.buwa.nl
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
2
Inhoud 1
2
Inleiding
6
1.1
Achtergrond
6
1.2
Doel
8
1.3
Opzet
8
1.4
Volledigheid
8
1.5
Leeswijzer
9
Resultaten
10
2.1
Gebiedsbeschrijving
10
2.2
Analyse knelpunten 0-meting en overzicht genomen maatregelen
13
2.3
Resultaten 2020 en Vergelijking 2012-2020
13
2.3.1
Structuurkartering
14
2.3.2
Vaatplanten
22
2.3.3
Dagvlinders
31
2.3.4
Libellen
37
2.3.5
Amfibieën en reptielen
41
2.3.6
Vogels
47
2.3.7
Zoogdieren
53
2.4 3
4
Samenvatting
59
Conclusies en advies
61
3.1
Conclusies
61
3.2
Knelpunten 2020
62
3.3
Advies voor inrichting en beheer
63
Literatuur
65
Bijlage I
Overzicht transecten 2020
67
Bijlage II
Vegetatie - transecten
68
Bijlage III
Soortenlijst vegetatie
72
Bijlage IV
Soortenlijst dagvlinders
76
Bijlage V
Soortenlijst libellen
77
Bijlage VI
Soortenlijst amfibieën
78
Bijlage VII
Soortenlijst vogels
79
Bijlage VIII
Soortenlijst zoogdieren
81
Bijlage IX
Beschrijving landschapselementen
82
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
3
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
4
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
5
1
Inleiding
1.1
Achtergrond De gemeente Groningen heeft – in verband met de realisatie van de Gemeentelijke Ecologische Structuur (GES, voorheen SES – Stedelijke Ecologische Structuur) en het hierop af te stemmen groenbeheer – een monitoringsprogramma in werking gesteld. De GES is de ecologische infrastructuur van de stad Groningen en de voormalige gemeenten Ten Boer en Haren. Deze bestaat uit groen- en waterelementen en is ingedeeld naar kerngebieden en ecologische verbindingen. De GES-gebieden in en om de stad Groningen zijn opgenomen in Figuur 1.1. Alle kerngebieden, verbindingszones en de daarin aanwezige faunapassages zullen met een frequentie van circa eens per vijf tot tien jaar worden gemonitord. De faunapassages worden hierbij gekoppeld aan de verbindingszones. Voor al deze gebieden zijn doelsoorten en begeleidende soorten vastgesteld. De GES-monitoring is een instrument om te meten of de inrichting en het beheer van groengebieden en verbindingszones voldoen aan de eisen van de doelsoorten. Wanneer tijdens de inventarisaties ten behoeve van de GES-monitoring geen of minder doel- of begeleidende soorten worden aangetroffen, kan dat een indicatie zijn dat de inrichting of het beheer (en dus het beheerplan) van een gebied moet worden aangepast. Zonder monitoring is het niet mogelijk om te bepalen of de vastgestelde doelstellingen zullen worden gehaald.
In 2008 is op verzoek van de Gemeente Groningen door Bureau Waardenburg-vestiging noord (voorheen Koeman en Bijkerk bv) een monitoringsplan opgesteld en is een start gemaakt met de monitoringactiviteiten. In de periode 2008-2012 zijn vrijwel alle GESgebieden gemonitord. Het uitgevoerde onderzoek kan worden gezien als 0-meting (T0). In 2013 is gestart met de tweede ronde (T1) en in 2019 is gestart met de derde ronde. Omdat echter nog lang niet alle gebieden voor een tweede keer zijn bezocht zullen ook de komende jaren grotendeels gebruikt worden voor T1-metingen. Door de gegevens van de T0-meting en de T1-meting naast elkaar te leggen, wil de gemeente een beeld krijgen van de toe- dan wel afname van het aantal (doel)soorten. Na uitvoering van de 0-meting zijn adviezen opgesteld voor aanpassingen van het groenbeheer en/of de inrichting van een gebied. Bij de T1-meting zal dan ook gekeken worden of veranderingen die hebben plaatsgevonden in beheer en inrichting een positieve uitwerking hebben gehad op het voorkomen van de gewenste doelsoorten. Voor 2020 staan 5 gebieden op het programma (Tabel 1.1). Al deze gebieden zijn reeds eerder gemonitord.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
6
Tabel 1.1
Overzicht van de GES gebieden die in 2020 zijn gemonitord.
West SV RR
Stadspark + voorpark Roderwolderdijk - Rozenburglaan
Zuid VH GW IB
Volkstuinen Helperzoom Geluidswal de Wijert Ina Boudierplantsoen – Van Lenneplaan
Figuur 1.1 Overzicht van alle GES-gebieden in en rond de stad Groningen
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
7
1.2
Doel Het doel van de GES-monitoring: 1 Nagaan of de nagestreefde doelsoorten in een gebied aanwezig zijn. 2 Signaleren van ontwikkelingen met betrekking tot flora en fauna door inrichting en beheer. 3 Nagaan welke beschermde planten en dieren (in het kader van de Wet natuurbescherming) in het gebied voorkomen.
1.3
Opzet De methodiek en tijdsinspanning voor wat betreft de monitoring blijft ongewijzigd in vergelijking met de T0-meting. Alleen op die manier is een betrouwbare vergelijking met de eerste monitoringsronde mogelijk. De wijze waarop de structuurkartering en de monitoring van de soortgroepen worden uitgevoerd en hoe de gegevens moeten worden aangeleverd staat beschreven in het Monitoringsplan Stedelijke Ecologische Structuur (SES) Groningen, Achtergrondrapportage en de bijbehorende handleidingen (zie Hoofdstuk 4). Belangrijk is dat de monitoring een goed beeld geeft van de effecten van veranderingen in beheer en inrichting in relatie tot de aangetroffen (doel)soorten. Vaatplanten, zoogdieren en vogels worden vlakdekkend geïnventariseerd, waardoor het effect van een genomen maatregel op deze soortgroepen goed te meten is. Vlinders, libellen en amfibieën worden langs transecten gemonitord. Maatregelen zijn echter niet altijd genomen langs transecten. Aangenomen wordt dat een maatregel enige uitstralende werking heeft naar de omgeving. Om optimaal te kunnen meten wat het effect is van een maatregel kan het soms nodig zijn een nieuw transect aan te wijzen.
1.4
Volledigheid Hoewel voor de meeste soortgroepen gedurende het jaar meerdere inventarisatierondes zijn uitgevoerd, is het niet uit te sluiten dat de aantallen van een aantal soorten zijn onderschat. Dit geldt onder andere voor het oranjetipje, welke zeer vroeg in het voorjaar vliegt. Omdat te ondervangen is een extra vroege inventarisatieronde uitgevoerd voor het oranjetipje. Om een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de aanwezige vaatplanten vindt er een voorjaarsronde en een zomerronde plaats. Desondanks kan niet voorkomen worden dat de aantallen van bepaalde soorten worden onderschat doordat de inventarisatie net voor of na de bloei van de desbetreffende soort plaatsvindt. Voorbeelden hiervan zijn pinksterbloem en vogelmelk. Ten tijde van de voorjaarsronde bloeien deze soorten nog niet en bij aanvang van de zomerronde zijn de meeste exemplaren al weer uitgebloeid. De kans dat een soort geheel is gemist als gevolg van seizoensfluctuaties wordt als klein ingeschat.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
8
1.5
Leeswijzer In deze rapportage worden de bevindingen weergegeven die voortkomen uit de in 2020 uitgevoerde monitoring in het GES-gebied Stadspark + voorpark. Hoofdstuk 1 is het inleidende hoofdstuk met het doel en de opzet van het onderzoek. In hoofdstuk 2 worden voor de structuurkartering en de verschillende soortgroepen zowel de resultaten van de monitoringsronde als de resultaten van de vergelijking en analyse besproken. Het hoofdstuk begint met een analyse van de knelpunten die naar voren zijn gekomen bij de 0meting, de genomen maatregelen en de verwachte effecten hiervan op de biotopen en (doel)soorten in het gebied. Hierna wordt voor zowel de structuurkartering als de verschillende soortgroepen besproken of de resultaten overeen komen met deze verwachtingen. Verder wordt per soortgroep ingegaan op de knelpunten en potenties voor die soortgroep en worden aanbevelingen gedaan. In hoofdstuk 3 worden de belangrijkste resultaten uit de vergelijking en analyse samengevat, wordt aangegeven wat na de nieuwe monitoringsronde nog belangrijke knelpunten zijn voor het gebied en wordt op basis van deze knelpunten per beheerseenheid gericht advies gegeven voor zowel inrichtings- als beheermaatregelen. Factsheet De factsheet voorin het rapport kan gelezen worden als een samenvatting van het onderzoek.
In de factsheet staan de belangrijkste knelpunten die naar voren zijn gekomen bij de 0-meting, de maatregelen die genomen zijn qua beheer en inrichting in de jaren na de 0-meting en beknopt de resultaten van de monitoring. Rechtsboven in elk tekst- of figuurblok wordt verwezen naar de betreffende paragraaf in het rapport waar meer detailinformatie kan worden opgezocht.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
9
2
Resultaten
2.1
Gebiedsbeschrijving Het Stadspark ligt in het zuidoosten van de stad. Tijdens de monitoring in 2020 is de zuidelijke helft gemonitord (58 ha). Het Natuurpark is in 2019 gedaan (Figuur 2.1). In het beheersplan wordt gesproken van een ruimtelijke en functionele driedeling in het park, namelijk (Grontmij 2011): • Springerpark: voor verpozing, rust en in de door Springer ontworpen historische setting onbekommerd genieten; • Natuurpark: voor rust en natuurbeleving; • Park Boulevard: voor cultureel vertier.
Figuur 2.1
Deelparken Stadspark (Grontmij 2011)
Het zuidelijke deel van het Stadspark, Springerpark en Park Boulevard, is vrij formeel van aard. Desondanks is een grote afwisseling van biotopen aanwezig. De gazons worden afgewisseld met groenstroken, boomgroepen en verschillende waterpartijen. Het Stadspark sluit aan op verschillende GES-gebieden. Aan de zuidwestkant sluit het park aan op het GES-gebied Kranenburg en de Roderwolderdijk-Rozenburglaan. Ten zuiden van de rondweg ligt de verbindingszone A7-zuidzijde. In de noordoosthoek sluit het park aan op de verbindingszone Spoorzone zuid (SZ). Als vervolg op de monitoring in 2012 zijn niet of nauwelijks maatregelen genomen om de biodiversiteit te vergroten. Alleen het maaibeleid langs de Concourslaan is aangepast, deze graslanden zijn uit gazonbeheer genomen.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
10
Huidig beheer en inrichting Figuur 2.2 geeft een overzicht van het huidige beheer in het Stadspark + voorpark. Alle vijvers zijn in beheer bij het waterschap. Evenals de grotere watergangen aan de oostkant van de Concourslaan. De smallere watergangen en sloten worden door de gemeente zelf beheerd. De watergangen worden 1x per jaar geschoond. Vrijwel alle graslanden zijn nog in gazonbeheer, met uitzondering van de graslanden langs de Concourslaan, deze worden 2x per jaar gefaseerd gemaaid en afgevoerd. Tabel 2.1
De verschillende beheertypen binnen het gebied Stadspark + voorpark. In Figuur 2.2
is aangegeven waar welk beheer plaatsvindt Beheercode Beheertype 100 sloot 110 schouwsloot 130 vijver 185 natuurlijke oever
Beheer - huidig 1x per jaar schonen 1x per jaar schonen onbekend 1x per jaar gefaseerd maaien. Na drie jaar moet de hele oever een keer gemaaid zijn.
220 220-01 222
recreatief grasveld trapveld bloembollen in recreatief grasveld
245 245-01 270-01
verruigen verruigen berm, bloemrijk
270-02
berm, verschraald hooi
410-03
sierheesters
420 440
perkrozen blokhagen
455
wisselperken
460
vaste planten
470-01
bosplantsoen
1x per week maaien met gazonmaaier gemeente 1x per 2 weken maaien met gazonmaaier gemeente Maaien na zaadzetting en afsterven van de gemeente bollen. Rest van het jaar 1x per week maaien met gazonmaaier braaklegging (geen beheer) gemeente 3x per jaar klepelen, maaisel blijft liggen gemeente 2x per jaar gefaseerd maaien met klepelgemeente zuigmachine 2x per jaar gefaseerd maaien met gemeente cyclomaaier, maaisel 4 dagen lagen liggen dan afvoeren Schoffelen en snoeien van overhangende gemeente takken. 1x per 3 jaar snoeien. geen beheer gemeente 2x per jaar (machinaal) knippen met gemeente heggenschaar Wieden het hele jaar en 1x per jaar afmaaien gemeente (najaar) Wieden het hele jaar en 1x per jaar afmaaien gemeente (najaar) Zaailingen verwijderen, waar mogelijk gemeente oplopende structuur van mantel-zoom
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
Beheerder gemeente waterschap waterschap gemeente
11
Figuur 2.2
Huidig beheer Stadspark + voorpark. Voor uitleg van de verschillende beheertypen zie
Tabel 2.1.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
12
2.2
Analyse knelpunten 0-meting en overzicht genomen maatregelen Tabel 2.2 laat de knelpunten zien die naar voren zijn gekomen bij de 0-meting, de maatregelen die genomen zijn voor wat betreft inrichting en beheer in de jaren na de 0meting en de verwachting voor de nieuwe monitoringsronde op basis van deze gegevens, voor de biotopen en (doel)soorten in het gebied. In paragraaf 2.3 wordt besproken of de resultaten van 2020 overeen komen met deze verwachtingen. Tabel 2.2
Analyse knelpunten 0-meting, genomen maatregelen en de verwachting voor de
nieuwe monitoringsronde Beheereenheid
Knelpunt 2012
Genomen maatregel
Verwachting
Water / Oever
Vijvers hebben zeer steile en grotendeels beschoeide oevers met als gevolg; - slecht ontwikkelde water- en oevervegetatie - ontbreken geschikt habitat voor veel libellen en amfibieën
Er zijn geen maatregelen Geen veranderingen in aantal genomen ter verbetering van de (doel)soorten libellen en vijvers. amfibieën.
Vijver in het voorpark bevat veel submerse vegetatie, Deze submerse watervegetatie is gedurende de zomerperiode van 2012 twee maal volledig verwijderd. Dit heeft mogelijk tot gevolg gehad dat een groot deel van de eitjes en jonge larven van diverse libellensoorten is verwijderd.
2.3
Grasland
Groot deel van de graslanden in gazonbeheer met als gevolg; - geen kruidenrijk grasland - te weinig kruiden en waardplanten voor dagvlinders
Er zijn geen maatregelen genomen. Vrijwel alle graslanden zijn nog in gazonbeheer, met uitzondering van de graslanden langs de Concourslaan, deze worden 2x per jaar gefaseerd gemaaid en afgevoerd. -
Lichte toename aantal (doel)soorten dagvlinders en planten doordat graslanden langs de Concourslaan uit gazonbeheer zijn gehaald.
Bosplantsoen
Ontbreken mantelzoomvegetatie met als gevolg; - onvoldoende waardplanten voor dagvlinders (brandnetel, look zonder look, vuilboom - weinig dekking voor grondgebonden zoogdieren
Er zijn geen maatregelen genomen ter verbetering van het bosplantsoen en mantelzoomvegetaties in het gebied.
Geen veranderingen in aantal (doel)soorten grondgebonden zoogdieren.
Resultaten 2020 en Vergelijking 2012-2020 Hieronder worden van de structuurkartering en van de afzonderlijke soortgroepen de belangrijkste resultaten van de monitoring in 2020 besproken en wordt een vergelijking
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
13
gemaakt met de gegevens uit de 0-meting (T0). Daarnaast wordt per soortgroep iets gezegd over de knelpunten en potenties en worden aanbevelingen gegeven voor beheer en inrichting.
2.3.1
Structuurkartering Het zuidelijke deel van het Stadspark, Springerpark en Park Boulevard, is vrij formeel van aard. Desondanks is een grote afwisseling van biotopen aanwezig. De gazons worden afgewisseld met groenstroken, boomgroepen en verschillende waterpartijen. Er hebben geen grote veranderingen plaatsgevonden in de biotoopverdeling tussen 2012 en 2020 (Figuur 2.4 t/m Figuur 2.10). Het aandeel gazon is iets afgenomen doordat de graslanden langs de Concourslaan nu 2x per jaar gemaaid worden. Ter hoogte van het Voorpark zijn de graslanden langs de Concourslaan deels bloemrijk met zeer veel groot streepzaad en daarnaast kruiden als scherpe boterbloem, rode klaver en smeerwortel. De graslanden dreigen echter snel te verruigen, het aandeel ruigtekruiden als akkerdistel is overal ook erg hoog. Ten westen van de Laan 1940-1945 zijn de graslanden langs de Concourslaan sterker verruigd. Aan de westkant van het gebied ligt een grote beschoeide vijver met nauwelijks watervegetatie. De graslanden zijn nog altijd grotendeels in gazonbeheer. Centraal in het gebied ligt de renbaan welke bestaat uit verharding en gazons en in die zin geen ecologische waarde heeft. Langs de Concourslaan waren ten tijde van de T0 monitoring net jonge lindes en grote hoeveelheden stinzen aangeplant. Veelal narcissen, maar ook plaatselijk een diverser mengsel van verschillende soorten.
Het aandeel stinzen is sterk verminderd in vergelijking met 2012. De watergangen langs de Concourslaan hebben een aardenoever met over het algemeen een vrij ruige oevervegetatie. De watergangen ten zuiden van de renbaan zijn beschoeid, liggen erg beschaduwd en bevatten niet tot nauwelijks watervegetatie. Aan de oostkant van het Gasuniegebouw ligt een wat groter water met verschillende eilandjes en een relatief brede oeverzone met soorten als gele lis, moerasspirea, harig wilgenroosje, riet en plaatselijk reuzenberenklauw. Het Voorpark (deel van het park dat ten oosten van de rondweg ligt) was in 2012 voor een deel net heringericht en was zich nog aan het ontwikkelen. Ook dit deel van het Stadspark bestaat voor een groot deel uit gazons omgeven door groenstroken. De vijver in het Voorpark is strak beschoeid. Opvallend was, net als in 2012, de grote hoeveelheid submerse watervegetatie in deze vijver. Aan de oostkant van het Voorpark is 2012 een sloot verbreed en is een natuurlijke oever aangelegd. In 2012 was hier veel submerse watervegetatie aanwezig, maar daarnaast ook emerse en drijvende waterplanten. In 2020 bestond de oever uit een brede rietkraag, waardoor er nauwelijks meer ruimte is voor andere water- en oeverplanten.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
14
Figuur 2.3
De twee bovenste foto’s geven een beeld van de verbrede sloot in het Voorpark
(transect T09). Links de situatie in 2012 en rechts in 2020. De twee onderste foto’s zijn gemaakt langs de Concourslaan, met links de situatie in 2012 en rechts in 2020.
Figuur 2.4
Biotoopontwikkeling in de periode 2012-2020. Voor een beschrijving van de
landschapselementen zie (Bijlage IX).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
15
Figuur 2.5
Resultaten structuurkartering Stadspark + voorpark 2012 (1/3). Voor een beschrijving
van de landschapselementen zie (Bijlage IX).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
16
Figuur 2.6
Resultaten structuurkartering Stadspark + voorpark 2020 (1/3). Voor een beschrijving
van de landschapselementen zie (Bijlage IX).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
17
Figuur 2.7
Resultaten structuurkartering Stadspark + voorpark 2012 (2/3). Voor een beschrijving
van de landschapselementen zie (Bijlage IX).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
18
Figuur 2.8
Resultaten structuurkartering Stadspark + voorpark 2020 (2/3). Voor een beschrijving
van de landschapselementen zie (Bijlage IX).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
19
Figuur 2.9
Resultaten structuurkartering Stadspark + voorpark 2012 (3/3). Voor een beschrijving
van de landschapselementen zie (Bijlage IX).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
20
Figuur 2.10
Resultaten structuurkartering Stadspark + voorpark 2020 (3/3). Voor een beschrijving
van de landschapselementen zie (Bijlage IX).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
21
2.3.2
Vaatplanten Resultaten 2020 Voor het gebied Stadspark en voorpark zijn negentien doelsoorten aangewezen, waarvan er zeven zijn waargenomen. Het betreft voornamelijk voorjaarsbloeiers, waarvan holwortel, vingerhelmbloem en pinksterbloem op diverse plaatsen verspreid rond de grote westelijke vijver en in de bosschages bij de parkeerplaats ten noorden van de drafbaan te vinden zijn. Bosanemoon is beperkt tot laatstgenoemde plek. De dotterbloem is alleen aangetroffen in de vijver bij het gasuniegebouw, terwijl een kleine populatie slangenwortel te vinden is in een sloot in het noordwestelijke deel van het voorpark. In de groenstrook langs de Concourslaan zijn verder enkele exemplaren van de grote ratelaar aangetroffen. Van de begeleidende soorten zijn vier soorten waargenomen (Tabel 2.3, Figuur 2.12 t/m Figuur 2.17). Tabel 2.3 In de tabel staan voor de vaatplanten alle aangewezen doelsoorten en begeleidende soorten voor het gebied Stadspark + voorpark. In de laatste kolom is aangegeven of de soort is waargenomen in de betreffende jaren.
WNB: beschermingsstatus onder de Wet natuurbescherming, NL=Nationaal beschermde soort (artikel 3.10), EU=Europees beschermde soort (artikel 3.1 of 3.5); RL: nummer = status van soort met vermelding op de Nederlandse Rode Lijst; 0 = uitgestorven op wereldschaal, 1 = in het wild uitgestorven op wereldschaal, 2 = verdwenen uit Nederland, 3 = in het wild verdwenen uit Nederland, 4 = ernstig bedreigd, 5 = bedreigd, 6 = kwetsbaar, 7 = gevoelig (EZ 2015). Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
WNB
RL
Doelsoorten Bosanemoon Brede orchis / Rietorchis Dotterbloem Echte koekoeksbloem Groot blaasjeskruid Grote kaardenbol Grote ratelaar Heen Holwortel Krabbenscheer Lidsteng Moerasviooltje Pinksterbloem Slangenwortel Vingerhelmbloem Wateraardbei Waterdrieblad Waterviolier Wilde kievitsbloem
Anemone nemorosa Dactylorhiza majalis Caltha palustris palustris Silene flos-cuculi Utricularia vulgaris Dipsacus fullonum Rhinanthus angustifolius Bolboschoenus maritimus Corydalis cava Stratiotes aloides Hippuris vulgaris Viola palustris Cardamine pratensis Calla palustris Corydalis solida Potentilla palustris Menyanthes trifoliata Hottonia palustris Fritillaria meleagris
-
7 7 5
•
Begeleidende soorten Geoorde wilg Gevleugeld hertshooi Hop Mattenbies Moerasrolklaver Moeraswederik Watergentiaan Watermunt Waterscheerling Wilde kamperfoelie
Salix aurita Hypericum tetrapterum Humulus lupulus Schoenoplectus lacustris Lotus pedunculatus Lysimachia thyrsiflora Nymphoides peltata Mentha aquatica Cicuta virosa Lonicera periclymenum
-
6 -
•
•
• • •
• • •
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
2012 2020 • •
• • •
• •
• • •
•
•
22
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Overige soorten Ruige weegbree
Plantago media
WNB
RL
-
6
2012 2020 •
In het gebied Stadspark + voorpark is van negen transecten een vegetatieopname gemaakt. Een beschrijving van de transecten is te vinden in Bijlage II en een overzicht van alle aangetroffen soorten is te vinden in Bijlage III.
Figuur 2.11
Langs de grote vijver aan de westkant van het gebied (transect T01) wordt een bredere
strook extensief gemaaid, waardoor het aantal soorten hier sterk is toegenomen. Links de situatie in 2012 en rechts in 2020.
Vergelijking en analyse resultaten Op basis van het meer extensieve beheer van de grasstroken langs de Concourslaan werd een lichte toename van het aantal (doel)soorten verwacht (Tabel 2.2). Het aantal doelsoorten is inderdaad gestegen, maar van de nieuwe soorten komt alleen grote ratelaar op een enkel plekje en in een laag aantal voor in de genoemde groenstroken. Daartegenover staat dat de wilde kievitsbloem hier in 2020 niet meer aangetroffen is. Het totaal aantal waargenomen soorten was, met respectievelijk 200 en 205 soorten, vrijwel gelijk in 2012 en 2020. Lokaal was wel een duidelijke toename van soorten. De grootste stijging van het soortenaantal was te zien in een sloot langs de Concourslaan, maar ook langs de grote westelijke vijver en de sloot van transect T02 is een toename te zien. Door niet helemaal tot de rand van het water te maaien is met name langs de grote vijver een strook met hoger opgaande vegetatie ontstaan waar meer planten een plek hebben gevonden (Figuur 2.11). Van de aangewezen doelsoorten waren bosanemoon, pinksterbloem en slangenwortel in 2012 al aanwezig in het gebied. De bosanemoon wordt in 2020 op andere plaatsen gevonden dan in 2012, maar dit jaar wel op meer plekken dan in 2012. De slangenwortel is in aantal achteruitgegaan op de oorspronkelijke locatie.
Wel is van deze soort een nieuwe groeiplaats gevonden, zij het dat slangenwortel hier slechts met een enkel exemplaar voorkomt. Nieuw gevonden doelsoorten in 2020 zijn holwortel, vingerhelmbloem, dotterbloem en grote ratelaar. Holwortel en vingerhelmbloem kwamen
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
23
vermoedelijk ook in 2012 al wel voor in het gebied, maar waren destijds nog niet aangewezen als doelsoort. De drie soorten die vermeld worden op de Nederlandse Rode Lijst en die in 2012 gevonden werden in dit gebied: tongvaren, ruige weegbree en wilde kievitsbloem zijn dit jaar niet meer aangetroffen. De grote kaardenbol uit 2012 is mogelijk een slipbladkaardenbol geweest. De groeiplaats is dezelfde plek bij transect T09 waar nu slipkaardenbol groeit. Het kan zijn dat de slipbladkaardenbol in 2012 nog niet als soort in beeld was, omdat deze toen nog niet voorkwam in veelgebruikte determinatiewerken. Knelpunten en potenties Knelpunt in het gebied is de verruiging op sommige plekken. Zo heeft langs transect T09 riet de overhand gekregen, terwijl hier op de brede natuurlijke oever met plasdras zone plaats zou kunnen zijn voor een grotere diversiteit aan planten. Ook langs de Concourslaan dreigt de vegetatie te verruigen en hebben ruigtekruiden voor een deel al de overhand. Reuzenberenklauw is een ongewenste exoot die onder andere langs de vijver bij het gasuniegebouw gevonden wordt. Bij de werkzaamheden die plaatsvinden langs dit transect zijn deze niet grondig verwijderd, waardoor de populatie hier verder toe zal kunnen nemen. Mantelzoomvegetaties komen weinig voor in het gebied.
Een mooie overgang tussen bosschages en gazon kan aan nieuwe soorten vaatplanten een plekje bieden en is aantrekkelijk voor insecten en zoogdieren. Aanbevelingen Het riet langs transect T09 deels afmaaien om verdere uitbreiding van het riet te voorkomen en andere planten meer kans te geven. Aanbevolen wordt de verruigde bermen, met name langs de Concourslaan, een keer extra te maaien gedurende enkele jaren, als de vegetatie zijn grootste biomassa heeft. Dit is ongeveer in juni-juli, waarbij het maaisel moet worden afgevoerd. Extra inzaai van grote ratelaar kan helpen om de grassen in toom te houden. Om nog meer nectar aan insecten te bieden en de gazons bloemrijker te maken, wordt aanbevolen gazons in te zaaien met het mengsel ‘nectar onder het maaimes’ van de Cruydt Hoeck. Dit mengsel bestaat uit laagblijvende soorten zoals klaversoorten en kan een belangrijke meerwaarde opleveren zonder dat het extra beheer oplevert. Langs bosschages meer mogelijkheden creëren voor een mooie overgang tussen bosschage en gazon door delen van het gazon extensiever te beheren. Dit kan bijvoorbeeld bij transect T05 en T06. De ondergroei van het bosplantsoen kan interessanter gemaakt worden door de aanplant van voorjaarsbloeiers, zoals lelietje-van-dalen en gewone salomonszegel.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
24
Figuur 2.12
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
vaatplanten in het gebied Stadspark + voorpark. Vaatplanten zijn weergeven in aantalsklassen. Waarnemingen 2012 (1/3).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
25
Figuur 2.13
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
vaatplanten in het gebied Stadspark + voorpark. Vaatplanten zijn weergeven in aantalsklassen. Waarnemingen 2020 (1/3).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
26
Figuur 2.14
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
vaatplanten in het gebied Stadspark + voorpark. Vaatplanten zijn weergeven in aantalsklassen. Waarnemingen 2012 (2/3).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
27
Figuur 2.15
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
vaatplanten in het gebied Stadspark + voorpark. Vaatplanten zijn weergeven in aantalsklassen. Waarnemingen 2020 (2/3).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
28
Figuur 2.16
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
vaatplanten in het gebied Stadspark + voorpark. Vaatplanten zijn weergeven in aantalsklassen. Waarnemingen 2012 (3/3).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
29
Figuur 2.17
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
vaatplanten in het gebied Stadspark + voorpark. Vaatplanten zijn weergeven in aantalsklassen. Waarnemingen 2020 (3/3).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
30
2.3.3
Dagvlinders Resultaten 2020 In 2020 zijn er negen soorten dagvlinders aangetroffen in het Stadspark + voorpark (Tabel 2.5). Over het algemeen zijn de gazons erg vlinderarm. Op gazons met de waardplant pinksterbloem is wel het oranjetipje waargenomen. Dit is tevens de enige waargenomen doelsoort. Geen van de begeleidende soorten is waargenomen (Tabel 2.4, Figuur 2.19 t/m Figuur 2.21). De locaties met de meeste vlinders zijn luw maar zonnig gelegen, zoals transecten T01 en T04. Echter zijn de aantallen ook langs die transecten laag. Tabel 2.4
In de tabel staan voor de dagvlinders alle aangewezen doelsoorten en begeleidende
soorten voor de Stadspark + voorpark. In de laatste kolom is aangegeven of de soort is waargenomen in de betreffende jaren. Voor uitleg WNB en RL zie Tabel 2.3. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
WNB
RL
Doelsoorten Boomblauwtje Eikenpage Groot dikkopje Koevinkje Oranje zandoogje Oranjetipje
Celastrina argiolus Neozephyrus quercus Ochlodes sylvanus Aphantopus hyperantus Pyronia tithonus Anthocharis cardamines
-
7 -
Begeleidende soorten Citroenvlinder Zwartsprietdikkopje
Gonepteryx rhamni Thymelicus lineola
-
-
2012 2020
•
•
•
Vergelijking en analyse resultaten Tijdens zowel de monitoring in 2012 als de monitoring in 2020 is alleen de doelsoort oranjetipje waargenomen. In 2012 is ook de begeleidende soort citroenvlinder gezien. Deze vrij algemene soort is in 2020 niet waargenomen. Vermoedelijk is er een kleine populatie binnen het gebied, waardoor de kans aanwezig is dat hij tijdens de veldbezoeken gemist wordt. Opvallend is dat zowel het aantal soorten als de werkelijke aantallen sterk zijn afgenomen sinds 2012. Alleen de dagpauwoog is toegenomen. Landelijk gezien zijn er een aantal soorten beduidend minder waargenomen in 2020; bont zandoogje, klein geaderd witje, kleine vos en landkaartje (Vlinderstichting, 2020). Mogelijk heeft dit te maken met het warme droge voorjaar, waardoor planten maar kort bloeien en er minder nectar en waardplanten beschikbaar zijn. Ten opzichte van 2012 zijn vooral delen van het voorpark verruigd. Ook de berm langs de Concourslaan, ten noorden van de drafbaan, is verruigd. Dit verkleind de kans op vestiging van een aantal doelsoorten. De doelsoort koevinkje heeft specifieke grassoorten nodig die niet al te vaak gemaaid worden. Het groot dikkopje heeft een kruidenrijke vegetatie nodig met luwe delen, momenteel ontbreekt deze in het gebied. Voor de eikenpage zijn voldoende grote eiken aanwezig.
Zijn leven hoog in de boomtoppen, dit maakt het soms moeilijk om deze soort aan te tonen. Vorig jaar is hij in het noordelijk deel van het stadspark ook niet gevonden. Door Harry Holtsteijn (gemeente Groningen) is de soort in 2020 wel aangetroffen. Er kan dus met zekerheid gezegd worden dat de soort wel voorkomt in het Stadspark.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
31
Figuur 2.18
Eikenpage, op 3 juli 2020 in het noordelijk deel van het Springerpark waargenomen
(Bron: Harry Holsteijn)
Tabel 2.5
Waargenomen dagvlinders en het aantal waarnemingen per soort in 2012 en 2020.
Het aantal in de tabel is de som van het aantal waarnemingen over het hele seizoen. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
2012 2020
Doelsoorten Oranjetipje
Anthocharis cardamines
7
Begeleidende soorten Citroenvlinder
Gonepteryx rhamni
2
Overige soorten Atalanta Bont zandoogje Dagpauwoog Gehakkelde aurelia Groot koolwitje Icarusblauwtje Klein geaderd witje Klein koolwitje Kleine vos Landkaartje Witje
Vanessa atalanta Pararge aegeria Aglais io Polygonia c-album Pieris brassicae Polyommatus icarus Pieris napi Pieris rapae Aglais urticae Araschnia levana Pieris
5 16 2 5 8 1 76 58 7 24 3
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
2
5 4 10 2 1 2 17 2
32
Knelpunten en potenties Evenals in 2012 is het aandeel mantelzoomvegetatie nog te laag. Dit is essentieel voor vele soorten dagvlinders en andere insecten. Ook diverse nectar- en waardplanten zoals brandnetel, look-zonder-look en braam groeien in dit habitat. De ontwikkeling van mantelzoomvegetaties is essentieel voor een verbetering van het gebied. Ook het aandeel kruiden is erg laag, met name vanwege de gazons die in gebruik zijn als recreatiegebied. Het gebied is echter zo groot, dat er de mogelijkheid is om in de toekomst zowel dagvlinders als recreanten ruimte te bieden. Aanbevelingen Zowel in het oosten als in het westen kunnen mantelzoomvegetaties ontwikkelt worden. Met name als de bosschage een groot deel van de dag in de zon staat (op het zuiden) is dit erg aantrekkelijk voor insecten. De mantelzoomvegetatie kan aansluiten op gazons door middel van een kruidenrijke rand van minimaal 1,5 meter breed. Van deze rand moet jaarlijks een ander deel blijven overstaan waarin eieren, poppen en rupsen (afhankelijk van de soort dagvlinder) kunnen overwinteren. Aanbevolen wordt om in het voorjaar later te beginnen met het maaien van de gazons, waardoor een soort als pinksterbloem tot bloei kan komen. Waar dit niet mogelijk is kan mogelijk plaatselijk om pinksterbloemen heen worden gemaaid. Dit creëert meer leefgebied voor de doelsoort oranjetipje.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
33
Figuur 2.19
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
dagvlinders, amfibieën en libellen in Stadspark + voorpark. Per transect is aangegeven welke soorten in 2012 (grijs) en welke in 2020 (zwart) zijn waargenomen (1/3)
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
34
Figuur 2.20
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
dagvlinders, amfibieën en libellen in Stadspark + voorpark. Per transect is aangegeven welke soorten in 2012 (grijs) en welke in 2020 (zwart) zijn waargenomen (2/3)
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
35
Figuur 2.21
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
dagvlinders, amfibieën en libellen in Stadspark + voorpark. Per transect is aangegeven welke soorten in 2012 (grijs) en welke in 2020 (zwart) zijn waargenomen (3/3)
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
36
2.3.4
Libellen Resultaten 2020 In 2020 zijn 21 soorten libellen aangetroffen in het kerngebied Stadspark + voorpark (Tabel 2.7). Drie van de vier doelsoorten zijn waargenomen; de blauwe glazenmaker, glassnijder en de vroege glazenmaker. De vroege glazenmaker was met 16 waarnemingen de meest waargenomen doelsoort. Drie van de vier begeleidende soorten zijn waargenomen. Alleen de zwarte heidelibel ontbrak (Tabel 2.6, Figuur 2.19 t/m Figuur 2.21). Kenmerkend voor het gebied is een hoge recreatiedruk. Insecten die voorkomen in de stad zijn over het algemeen weinig verstoringsgevoelig. Een bijzondere waarneming dit jaar was een mannetje sierlijke witsnuitlibel bij de ovale vijver in het voorpark (T08), vermoedelijk een zwerver. Deze habitatrichtlijn-soort is een primeur voor de stad. Rond 1970 stierf de sierlijke witsnuitlibel uit in Nederland. Sinds 2011 is er in de Weerribben-Wieden echter weer een populatie aanwezig. Sinds een paar jaar is de soort bezig met een opmars door de rest van Nederland. In de provincie Groningen is alleen sinds 2018 een populatie bekend bij Veendam. Dit is vooral te danken aan de sterk verbeterde waterkwaliteit in veel gebieden. De waarneming in het Stadspark in Groningen is dan ook een goed teken voor de waterkwaliteit van het Stadspark. De libel is specifiek aangetrokken door de goed ontwikkelde onderwatervegetatie van waterranonkel (Figuur 2.22).
Bij dit transect zijn tevens de meeste soorten waargenomen (17 in totaal). Tabel 2.6
In de tabel staan voor de libellen alle aangewezen doelsoorten en begeleidende
soorten voor Stadspark + voorpark. In de laatste kolom is aangegeven of de soort is waargenomen in de betreffende jaren. Voor uitleg WNB en RL zie Tabel 2.3. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
WNB
RL
Doelsoorten Blauwe glazenmaker Glassnijder Noordse witsnuitlibel Vroege glazenmaker
Aeshna cyanea Brachytron pratense Leucorrhinia rubicunda Aeshna isoceles
-
-
• • • •
• •
Begeleidende soorten Azuurwaterjuffer Variabele waterjuffer Viervlek Zwarte heidelibel
Coenagrion puella Coenagrion pulchellum Libellula quadrimaculata Sympetrum danae
-
-
• • • •
• • •
Overige soorten Sierlijke witsnuitlibel
Leucorrhinia caudalis
EU
2
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
2012 2020
•
•
37
Figuur 2.22
De ovale vijver in het Voorpark (transect T08) waar de sierlijke witsnuitlibel is gezien.
Het water kleurt in de zomer wit van de bloemen van de stijve waterranonkel.
Vergelijking en analyse resultaten In vergelijking met 2012 zijn er in 2020 vijf soorten minder gezien, in 2012 ging het in bijna alle gevallen om lage aantallen, dit kan duiden op zwervers. Dit geldt ook voor de doelsoort Noordse witsnuitlibel die in 2012 één keer is waargenomen. De begeleidende soort zwarte heidelibel werd in 2012 nog 34 keer waargenomen. De zwarte heidelibel plantte zich in 2012 nog voort bij de vijver in het Voorpark (T08) en de destijds verbrede sloot met natuurlijke oever (T09). De sloot bij T09 is sindsdien compleet verruigd en momenteel ongeschikt voor deze soort. De vroege glazenmaker is duidelijk toegenomen. Een nieuw waargenomen soort in 2020 is de sierlijke witsnuitlibel. De soort is één keer waargenomen wat ook duidt op een zwervend exemplaar. De plek waar hij is waargenomen, zou geschikt kunnen zijn voor de soort vanwege de goed ontwikkelde onderwatervegetatie van waterranonkel.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
38
Tabel 2.7
Waargenomen libellen en het aantal waarnemingen per soort in 2012 en 2020. Het
aantal in de tabel is de som van het aantal waarnemingen over het hele seizoen. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
2012 2020
Doelsoorten Blauwe glazenmaker Glassnijder Noordse witsnuitlibel Vroege glazenmaker
Aeshna cyanea Brachytron pratense Leucorrhinia rubicunda Aeshna isoceles
1 4 1 6
Begeleidende soorten Azuurwaterjuffer Variabele waterjuffer Viervlek Zwarte heidelibel
Coenagrion puella Coenagrion pulchellum Libellula quadrimaculata Sympetrum danae
689 189 25 34
299 106 23
Overige soorten Blauwe breedscheenjuffer Bloedrode heidelibel Bruine glazenmaker Bruinrode heidelibel Gewone oeverlibel Gewone pantserjuffer Grote keizerlibel Grote roodoogjuffer Heidelibel Houtpantserjuffer Kleine roodoogjuffer Lantaarntje Paardenbijter Platbuik Sierlijke witsnuitlibel Smaragdlibel Steenrode heidelibel Vuurjuffer Watersnuffel
Platycnemis pennipes Sympetrum sanguineum Aeshna grandis Sympetrum striolatum Orthetrum cancellatum Lestes sponsa Anax imperator Erythromma najas Sympetrum Lestes viridis Erythromma viridulum Ischnura elegans Aeshna mixta Libellula depressa Leucorrhinia caudalis Cordulia aenea Sympetrum vulgatum Pyrrhosoma nymphula Enallagma cyathigerum
51 2 6 5 10 1 7 219 18 746 358 388 142 9
87
3 89 35 47
2 5 16
1 18 25 5 225 73 26 492 26 1 1 1 9 4
Knelpunten en potenties Het dichtgroeien van de sloot langs T09 kan hebben bijgedragen aan het verdwijnen van de zwarte heidelibel uit het stadspark. Dit is eigenlijk een algemeen knelpunt in veel gebieden. Onderhoud is van groot belang om wateren geschikt te houden voor libellen. De vijver in het voorpark vormt, ondanks zijn beschoeide oevers, een zeer interessant biotoop. Dit vanwege de uitbundig groeiende submerse vegetatie in de vorm van waterranonkel. Vermoedelijk heeft het water ook een andere, betere oorsprong dan bijvoorbeeld het water in de grote vijver ten westen van de chinees Ni Hao. Ook het landbiotoop is van belang voor libellensoorten. Het ontbreken van een goed landbiotoop is op verschillende plekken in het gebied een knelpunt. Het aandeel mantelzoomvegetaties is vrij laag, door de harde overgang van gazon naar de bosschages. Een gazon trekt veel minder insecten aan dan een variëteit aan kruiden. Bovendien is het voor libellen lastiger om geschikte luwe plekken te vinden om te rusten of om uit te harden na het uitsluipen.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
39
Aanbevelingen Een geleidelijke overgang van water naar land met een gevarieerde water- en oevervegetatie, vormt een ideaal voortplantingsbiotoop voor vele soorten libellen. Een rijke submerse vegetatie biedt aan de larven een geschikte leefomgeving. Om te voorkomen dat tijdens het schonen van de watergangen een groot deel van de eitjes en jonge larven van diverse libellensoorten worden verwijderd, is het van belang om bij het schonen van de watervegetatie tenminste de helft van de watergang of de vijver ongemoeid te laten en de hier aanwezige vegetatie in het volgende jaar te verwijderen. Zodoende blijft altijd een deel van de eieren en jonge larven behouden en kan het aantal libellen snel toenemen. De sloot in het voorpark (T09) moet worden uitgediept zodat hij weer water bevat. Bovendien moet de sterk verruigde oever hier grondig worden aangepakt. Maaien is vermoedelijk lastig vanwege de grote keien die hier liggen. Door een geleidelijke overgang van water naar land te behouden bij de sloot kunnen veel soorten profiteren. Mogelijk is dit ook een optie bij de grote vijver ten westen van Ni Hao (bij transect T01). Mocht een flauwe oever zonder beschoeiing geen optie zijn, kan ook plaatselijk voor de oever een ondiepte gecreëerd worden. Een zogenaamde vooroever. Een andere optie is een eiland midden in de vijver.
Hierdoor blijft het strakke karakter van de oevers rondom wel behouden, maar wordt er toch geschikt voortplantingsbiotoop gecreëerd (flauwe oevers van het eiland).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
40
2.3.5
Amfibieën en reptielen Resultaten 2020 Vier soorten amfibieën zijn aangetroffen in het gebied Stadspark + voorpark; bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Daarnaast zijn enkele groene kikkers waargenomen die niet tot op soort gedetermineerd konden worden en gerekend zijn tot het groene kikkercomplex (Tabel 2.8, Tabel 2.9, Figuur 2.19 t/m Figuur 2.21). Enkele bruine kikkers werden buiten een transect waargenomen, waardoor ze niet in de tabellen weergegeven worden. Opvallend is dat de poelkikker dit jaar niet is waargenomen. Tabel 2.8
In de tabel staan voor de amfibieën alle aangewezen doelsoorten en begeleidende
soorten voor Stadspark + voorpark. In de laatste kolom is aangegeven of de soort is waargenomen in de betreffende jaren. Voor uitleg WNB en RL zie Tabel 2.3. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
WNB
RL
2012 2020
Doelsoorten Poelkikker
Pelophylax lessonae
EU
6
•
Begeleidende soorten Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander
Pelophylax klepton esculentus Rana temporaria Bufo bufo Lissotriton vulgaris
NL NL NL NL
-
• • •
•
Overige soorten Groene kikker complex
Pelophylax esculentus synklepton
NL
-
•
•
• •
Vergelijking en analyse resultaten Het aantal waargenomen amfibieën is sterk afgenomen in vergelijking met 2012. Er zijn geen beheer- of inrichtingsmaatregelen uitgevoerd die deze verandering kunnen verklaren. Het was wel steeds erg druk in het Stadspark. Meerdere malen tijdens het onderzoek waren er wandelaars die hun hond lieten zwemmen in de vijvers of de grotere watergangen. Dit kan mogelijk een reden zijn dat er minder amfibieën zijn gezien. Daarnaast was er ook directe verstoring door de mensen zelf, het gaat hier dan om recreanten die bijvoorbeeld langs het water liggen. Het aantal groene kikkers is het sterkst afgenomen, waarbij de poelkikker in 2020 in zijn geheel niet is aangetroffen. De kans is aanwezig dat onder de niet gevangen groene kikkers, die niet gedetermineerd konden worden, toch de poelkikker aanwezig is. Van de gewone pad zijn ook veel minder exemplaren waargenomen dan in 2012. Mogelijk dat het aantal exemplaren van de gewone pad is onderschat doordat de pad een meer verborgen leefwijze heeft en hierdoor een veel lagere trefkans heeft dan de andere amfibieën. De kleine watersalamander is in 2020 wel aangetroffen in een transect (T07). In 2012 werd een exemplaar van de kleine watersalamander aangetroffen, buiten een transect, onder een boomstam ten noorden van de parkeerplaats aan de Concourslaan.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
41
Tabel 2.9
Waargenomen amfibieën en het aantal waarnemingen per soort in 2012 en 2020. Het
aantal in de tabel is de som van het aantal waarnemingen over het hele seizoen. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
Doelsoorten Poelkikker
Pelophylax lessonae
Begeleidende soorten Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander
Pelophylax klepton esculentus Rana temporaria Bufo bufo Lissotriton vulgaris
2012 ei juv
-
ad
2020 ei juv
ad
- 100
-
-
-
- 137 - 100 1 100 - 21 -
-
5 -
8 4 2
- 1000
-
-
15
Overige soorten
Groene kikker complex
Figuur 2.23
Pelophylax synklepton
esculentus
-
Links een groene kikker. Rechts een houtril. Op sommige plekken zijn boomstammen
en takken neergelegd. Deze vormen een prima rust en schuilplek voor amfibieën.
Knelpunten en potenties Aangezien het park tevens bedoeld is voor recreatie, zal er altijd een bepaalde mate van verstoring zijn. Honden die te water gaan zorgen voor de meeste verstoring, maar dit zou echter niet direct van invloed moeten zijn op populaties amfibieën. De wateren in dit deel van het Stadspark zijn zeer divers van aard. Vrijwel alle wateren in het onderzochte deel van het Stadspark zijn beschoeid. Natuurvriendelijke oevers zijn slechts zeer sporadisch te vinden. Daarnaast verschilt de hoeveelheid waterplanten enorm. In de vijver ten westen van het Stadsparkpaviljoen (T01) is niet tot nauwelijks watervegetatie aanwezig. Hier is in 2020 ook geen amfibie waargenomen. Bij transect T09 in het voorpark was in 2012 net een natuurlijke oever aangelegd, waardoor het er veelbelovend uit zag. Helaas is de watergang nu volledig dicht gegroeid met riet, waardoor deze evengoed ongeschikt is geworden voor amfibieën. Ook hier zijn geen amfibieën aangetroffen in 2020.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
42
Aanbevelingen De inrichting van het deel van het Stadspark dat is geïnventariseerd (Park Boulevard en Springerpark) is duidelijk aangelegd voor recreatie. Aanbevolen wordt te kijken waar het ondanks de recreatiedruk toch mogelijk is natuurlijke oevers te creëren en enige verruiging toe te laten. Voor de grote vijver aan de westkant (T01) wordt aanbevolen om niet de gehele lengte te beschoeien, maar op enkele plekken ruimte te creëren voor flauwe oevertaluds. Aanbevolen wordt om bij de ovale vijver in het Voorpark (T08) te kijken of er aan de noordzijde van de vijver zonnige, meer open plekken kunnen worden gecreëerd direct aan de waterkant. Achter deze zonnige plekken is ruimte voor verruigging. Als dit her en der toegepast kan worden ontstaan er verschillende microklimaten. Door de hoogopgaande vegetatie te handhaven die nu al aanwezig is hier langs de vijver, liggen de nieuwe open plekken in de luwte en zijn ze minder toegankelijk voor bijvoorbeeld honden. Om de natuurlijke oever in het voorpark (T09) weer geschikt te maken voor onder andere amfibieën moet het riet worden terug gedrongen. Aanbevolen wordt dit te doen door het riet in de zomer te maaien. Dit is een verschralende maatregel omdat het riet in de zomer veel voedingsstoffen in de bovengrondse delen bevat.
Door te maaien én het af te voeren, wordt voorkomen dat de wortelstokken veel reserves opslaan en wordt de plant verarmd. Aanbevolen het riet onder water af te snijden. Zo lopen de (holle) stengels vol water en sterft het riet af (natuurpunt 2020 (i)). Wanneer dit niet mogelijk is, omdat er bijvoorbeeld te weinig water in de watergang staat, dan wordt aanbevolen te maaien voorafgaand aan een natte periode. Door de regen zullen de stengels ook vol lopen met water.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
43
Figuur 2.24
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
grondgebonden zoogdieren en doelsoorten vogels in Stadspark + voorpark. Waarnemingen van 2012 zijn vervaagd en waarnemingen van 2020 zijn onvervaagd weergegeven Elk punt betreft een individu, territorium of verblijfplaats.(1/3)
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
44
Figuur 2.25
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
grondgebonden zoogdieren en doelsoorten vogels in Stadspark + voorpark. Waarnemingen van 2012 zijn vervaagd en waarnemingen van 2020 zijn onvervaagd weergegeven Elk punt betreft een individu, territorium of verblijfplaats.(2/3)
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
45
Figuur 2.26
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
grondgebonden zoogdieren en doelsoorten vogels in Stadspark + voorpark. Waarnemingen van 2012 zijn vervaagd en waarnemingen van 2020 zijn onvervaagd weergegeven Elk punt betreft een individu, territorium of verblijfplaats.(3/3)
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
46
2.3.6
Vogels Resultaten 2020 Het kerngebied Stadspark + Voorpark is gedurende het voorjaar van 2020 vijfmaal bezocht in de ochtend en eenmaal in de avond. Er werden in totaal 55 vogelsoorten waargenomen. Onder deze waarnemingen waren drie doelsoorten en acht begeleidende soorten. De waargenomen doelsoorten betreffen de appelvink, ijsvogel en visdief (Tabel 2.10, Figuur 2.24 t/m Figuur 2.26). Twee paartjes appelvink en één paartje ijsvogel hebben in het gebied gebroed. De waargenomen begeleidende soorten betreffen: boomklever, boomkruiper, fuut, goudvink, grauwe vliegenvanger, scholekster, waterhoen en zwartkop. Van deze soorten heeft alleen de scholekster niet gebroed in het gebied. De groene specht, de ransuil en kerkuil zijn tijdens de zoogdierrondes waargenomen in het stadspark. In veel gebieden zijn ze wel doel- of begeleidende soort en daarom het vermelden waard. Of ze hebben gebroed is niet met zekerheid te zeggen. Er zijn tijdens de avondronde begin juli geen jongen gehoord. Tabel 2.10
In de tabel staan voor de vogels alle aangewezen doelsoorten en begeleidende
soorten voor Stadspark + voorpark. In de laatste kolom is aangegeven of de soort is waargenomen in de betreffende jaren. Voor uitleg WNB en RL zie Tabel 2.3. Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
WNB
RL
Doelsoorten Appelvink Blauwborst Bosuil IJsvogel Nachtegaal Visdief
Coccothraustes coccothraustes Luscinia svecica Strix aluco Alcedo atthis Luscinia megarhynchos Sterna hirundo
EU EU EU EU EU EU
6 6
Begeleidende soorten Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosrietzanger Dodaars Fuut Goudvink Grauwe vliegenvanger Grote lijster Kleine karekiet Rietgors Scholekster Tuinfluiter Waterhoen Zwartkop
Ficedula hypoleuca Sitta europaea Certhia brachydactyla Acrocephalus palustris Tachybaptus ruficollis Podiceps cristatus Pyrrhula pyrrhula Muscicapa striata Turdus viscivorus Acrocephalus scirpaceus Emberiza schoeniclus Haematopus ostralegus Sylvia borin Gallinula chloropus Sylvia atricapilla
EU EU EU EU EU EU EU EU EU EU EU EU EU EU EU
7 -
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
2012 2020 •
• •
• •
• •
• •
• • •
•
• • • •
• • •
47
Vergelijking en analyse resultaten Opvallend is de toename van het aantal aangetroffen doelsoorten. In 2012 is geen van de doelsoorten aangetroffen, terwijl in 2020 drie doelsoorten zijn waargenomen, waarvan er twee in het gebied hebben gebroed (appelvink en ijsvogel). In het gebied hebben sinds 2012 geen veranderingen plaatsgevonden die dit kunnen verklaren. Wel laten zowel appelvink als ijsvogel landelijk een toename zien (Sovon 2020 (i)). Voor de ijsvogel kan dit te maken hebben met de milde winters. Voor de appelvink kan de veroudering van het bos een rol spelen bij zijn toename. In 2012 zijn negen en in 2020 zijn acht begeleidende soorten aangetroffen. De in 2012 aangetroffen grote lijster en tuinfluiter zijn in 2020 niet waargenomen. Het landschap is met name voor de tuinfluiter geschikt. De grote lijster zingt erg vroeg in het jaar (februari/maart), waardoor de trefkans kleiner is dan voor andere vogelsoorten. In 2020 zijn grauwe vliegenvangers waargenomen die niet in 2012 zijn waargenomen. Dit is een zeer heimelijke soort, die makkelijk gemist kan worden tijdens de inventarisatie. Knelpunten en potenties De doelsoorten blauwborst, nachtegaal en bosuil zijn niet aangetroffen in het zuidelijk deel van het Stadspark dat in 2020 is gemonitord. Het Stadspark is momenteel ongeschikt voor de blauwborst.
Deze soort komt het meest voor in grote waterrijke gebieden zoals met rietmoerassen en moerasbos zoals het Lauwersmeer. Dit habitat zou in het klein nagebootst kunnen worden in het Stadspark. Momenteel is alleen in het oosten van het Stadspark wat riet aanwezig. De breedte van deze rietkraag is echter te klein om broedgelegenheid te bieden aan rietvogels. De nachtegaal leeft in gebieden met goed ontwikkelde struiklagen. Door uitbreiding van het struikgewas kan het gebied in potentie geschikt worden voor nachtegaal. Met name in het Stadspark is een groot, ondoordringbaar struikgewas van belang vanwege de vele honden. Het stadspark vormt geschikt leefgebied voor de bosuil. Mogelijk ontbreekt het deze soort aan geschikte nestgelegenheid. Visdiefjes broeden in de stad op daken of op kunstmatige vlotjes in het water. Omdat momenteel beide niet in het stadspark aanwezig zijn, ontbreekt de soort als broedvogel. Aanbevelingen Voor de blauwborst en de bosrietzanger kan een klein rietmoeras gecreëerd worden in een deel van de vijver ten westen van Ni Hao. Voor de blauwborst en bosrietzanger is een kleine bosschage in het riet essentieel, bijvoorbeeld van wilgen die zeer bestendig zijn tegen natte voeten.
Om voor bezoekers het open karakter van het park te behouden, kan ervoor gekozen worden dit rietmoeras in het midden van de vijver te plaatsen óf langs een oever die toch al ontoegankelijk is voor mensen (omdat er al bosschages op de oever staan). Een dergelijk eiland in het midden van de vijver biedt ook andere vogelsoorten zoals eenden een rustig broedgebied waar honden en recreanten niet bij kunnen. Onderhoud (bijvoorbeeld eens in de twee of drie jaar) is van groot belang om te voorkomen dat het riet geheel overwoekerd wordt door wilgen. Ook de rietgors, kleine karekiet en rietzanger zullen
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
48
worden aangetrokken door dit nieuwe habitattype. Door de rietkraag van de ovale vijver met de fontein in het Voorpark een paar meter uit te laten breiden (desnoods plaatselijk of aan één zijde), wordt broedgelegenheid geboden aan diverse rietvogels. De bosschages kunnen plaatselijk worden verbeterd voor de nachtegaal door de aanplant van liguster. Deze soort blijft in de winter meestal groen en is daardoor van toegevoegde waarde voor veel kleine zangvogels. Ook een groot, dicht bramenstruweel met een ondergroei van brandnetel kan de Nachtegaal aantrekken. Feit blijft dat het met deze soort landelijk gezien niet goed gaat. Daardoor is vestiging niet voor de hand liggend. Om de vestiging van uilen te bevorderen kunnen enkele uilenkasten geplaatst worden voor de bosuil en/of kunstnesten voor de ransuil. Hiervoor zijn enkel grote bomen geschikt, zoals grote eiken of naaldbomen (ransuil). De voedselsituatie voor roofvogels en uilen kan worden verbeterd door de verbetering van mantelzoomvegetaties langs de rand van bosschages. Hierin vinden muizen geschikt leefgebied. Voor de visdief kunnen, als experiment, één of meerdere vlotjes geplaatst worden in de vijver ten westen van Ni Hao. De kans is echter aanwezig dat de vogels de rustigere nabijgelegen daken verkiezen boven het drukke stadspark.
Er zijn regelmatig zwemmende honden, die doorgaans dicht bij de kant blijven, maar toch kan deze vorm van verstoring te al veel zijn. Mogelijk kan de gemeente samenwerken met de voetbalvereniging (sportpark Velocitas), renbaan en kantoren in het Voorpark om op hun daken geschikte broedplekken te maken voor visdiefjes. Dit kan door het plaatsen van grind, een klein opstaand randje en buizen waarin jonge visdiefjes kunnen schuilen bij slecht weer of bij gevaar van roofvogels als kraaien en meeuwen.
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
49
Figuur 2.27
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
vleermuizen in Stadspark + voorpark. Waarnemingen van 2012 zijn vervaagd en waarnemingen van 2020 zijn onvervaagd weergegeven (1/3).
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
50
Figuur 2.28
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
vleermuizen in Stadspark + voorpark. Waarnemingen van 2012 zijn vervaagd en waarnemingen van 2020 zijn onvervaagd weergegeven (2/3)
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
51
Figuur 2.29
Verspreidingskaart van doelsoorten, beschermde soorten en Rode lijstsoorten
vleermuizen in Stadspark + voorpark. Waarnemingen van 2012 zijn vervaagd en waarnemingen van 2020 zijn onvervaagd weergegeven (3/3)
Monitoring GES Groningen 2020 – Stadspark + voorpark
52
2.3.7
Zoogdieren Resultaten 2020 Vleermuizen In het zuidelijk deel van het Stadspark en het Voorpark zijn vier doelsoorten waargenomen (Tabel 2.11, Figuur 2.27 t/m Figuur 2.29). Passerende watervleermuizen zijn aangetroffen ten noordoosten van de Stadsparkvijver en van de parkeerplaats aan de Concourslaan. Boven de Stadsparkvijver foerageerden een meervleermuis, maximaal vijf watervleermuizen en twee tot drie rosse vleermuizen. Boven de vijver ten noorden van het onderzoeksgebied foerageerden af en toe ook twee rosse vleermuizen. Aan de zuidoever van deze vijver, op de grens van het onderzoeksgebied, staat een gewone es met een ronde vleermuiskast en een natuurlijke holte. In die holte bevond zich in juni een kraamkolonie van 19 rosse vleermuizen. In april zat een groep van zes dieren in een ronde kast nabij de parkeerplaats aan de Concourslaan. In deze omgeving passeerden ook in juni en juli rond de avond- en ochtendschemering drie tot vier rosse vleermuizen. Die werden waargenomen boven de Concourslaan en de drafbaan. Het totale aantal rosse vleermuizen in het gebied ligt daarmee rond de 25. Verspreid over het gebied waren tien tot vijftien foeragerende ruige dwergvleermuizen aanwezig. Hiervan baltsten in september vijf mannetjes in of nabij bomen in het park en één net buiten het park in een gebouw. Er waren drie overige vleermuissoorten aanwezig (Tabel 2.11).