CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6. Quickscan natuurwaarden BOPA Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg (2026.01.16)

Gemeenteraad 26 februari 2026, gemeente BergeijkBij agendapunt: BOPA fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg, Riethoven10.473 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg

Status van het document:

Definitief Datum:

05-12-2025

Sweco Nederland B.V. Onderwerp Projectnummer Klant Auteur Gecontroleerd door Vrijgegeven door Datum Versie

Handelsregister 30129769 Quickscan natuurwaarden 51028754 Accent Adviseurs B.V. Maikel Sieben Mattias van Essen-Kok Sebastiaan Slange 05-12-2025 D2

2/38

Inhoudsopgave 1 2

Inleiding ......................................................................................................................... 5 Gebiedsbeschrijving ...................................................................................................... 6 2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ................................................. 6 2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ....... 8

3 4

Onderzoeksmethodiek ................................................................................................ 10 Aangetroffen en te verwachten beschermde soorten ................................................. 11 4.1 Vogels ............................................................................................................... 11 4.1.1 Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) ......................................... 11 4.1.2 Categorie 5 broedvogels ...................................................................... 12 4.1.3 Overige broedvogels ............................................................................ 12 4.2 Vleermuizen ...................................................................................................... 12 Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie ......................................................... 12 Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie .................................................... 13 Foerageerhabitat ............................................................................................... 13 Vliegroutes ........................................................................................................ 13 4.3 Overige zoogdieren ...........................................................................................

14 4.3.1 Streng beschermde soorten ................................................................ 14 4.3.2 Licht beschermde soorten ................................................................... 15 4.4 Reptielen ........................................................................................................... 15 4.4.1 Levendbarende hagedis, hazelworm en gladde slang ........................ 15 4.4.2 Muurhagedis ........................................................................................ 16 4.5 Amfibieën .......................................................................................................... 16 4.5.1 Streng beschermde soorten ................................................................ 16 4.5.2 Licht beschermde soorten ................................................................... 16 4.5.3 Vissen .................................................................................................. 17 4.6 Ongewervelden ................................................................................................. 17 4.6.1 Libellen ................................................................................................. 17 4.6.2 Vlinders ................................................................................................

18 4.6.3 Overige soorten ................................................................................... 18 4.7 Planten .............................................................................................................. 18 4.8 Specifieke zorgplicht ......................................................................................... 18

5

Toetsing aan soortenbescherming .............................................................................. 20 5.1 Broedvogels ...................................................................................................... 20 5.1.1 Jaarrond beschermde broedvogels ..................................................... 20 5.1.2 Categorie 5 en algemene broedvogels ................................................ 20 5.2 Vleermuizen ...................................................................................................... 21 Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie ......................................................... 21 Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie en vliegroute .............................. 21 5.3 Marterachtigen .................................................................................................. 21 5.4 Reptielen ........................................................................................................... 22 5.5 Vlinders ............................................................................................................. 22 5.6 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën ....................................... 22 5.7 Overige soort(groep)en ..................................................................................... 22

6

Toetsing aan gebiedsbescherming ............................................................................. 23 6.1 Natura 2000....................................................................................................... 23 6.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................. 24

7 8

Houtopstanden ............................................................................................................ 25 Samenvatting en conclusies ........................................................................................ 26

3/38

GERAADPLEEGDE BRONNEN ................................................................................. 28 Bijlage 1 natuurwetgeving en doelen natura 2000 ...................................................... 30 Bijlage 2 natuurwetgeving natuurnetwerk nederland .................................................. 32 Bijlage 3 omgevingswet ............................................................................................... 33 8.1.1 Omgevingswet ..................................................................................... 33 8.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving .............................................................. 34 8.1.3 Besluit activiteiten leefomgeving.......................................................... 35

4/38

1

Inleiding

Sweco heeft van Accent Adviseurs B.V. opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan natuurwaarden aan de Eikestraat en Broekhovenseweg te Riethoven

De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen aanleg van twee fietspaden op de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Omgevingswet zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

5/38

2

Gebiedsbeschrijving

2.1

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie bestaat uit twee tracédelen waar de gemeente Bergeijk voornemens is twee fietspaden te realiseren. Het eerste tracédeel is circa 10 meter breed en circa 1.100 meter lang en is gelegen langs de Broekhovenseweg tussen de Schoolstraat en Wilgerijs, ten noordoosten van Broekhoven (zie figuur 2.1, het meest noordelijk gelegen tracédeel). Het tweede tracédeel is circa 10 meter breed en circa 1.720 meter lang en is gelegen langs de Eikestraat tussen de Bisschop Rijthoviusdreef en de N397, ten zuiden van Walik (zie figuur 2.1, het meest noordelijk gelegen tracédeel). De tracédelen bestaan voornamelijk uit berm, weiland en bos.

Figuur 2.1

Topografische ligging van de onderzoekslocatie (rood, nabij gele pijl).

In figuur 2.2 en 2.3 zijn luchtfoto’s van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.4 t/m 2.9 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

6/38

Figuur 2.2

Luchtfoto van de onderzoekslocatie (rood weergeven), Eikestraat.

Figuur 2.3

Luchtfoto van de onderzoekslocatie (rood weergeven), Broekhovenseweg.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

7/38

Figuur 2.3 Eikestraat nabij kruising met N397, noordelijke kijkrichting.

Figuur 2.4 Eikestraat halverwege, noordelijke kijkrichting.

Figuur 2.5 Eikestraat nabij kruising met Bisschip Rijthoviusdreef, noordelijke kijkrichting.

Figuur 2.6 Broekhovenseweg nabij kruising met Schoolstraat, westelijke kijkrichting.

Figuur 2.7 Broekhovenseweg nabij kruising met Kapelstraat, westelijke kijkrichting.

Figuur 2.8 Broekhovenseweg nabij kruising met Wilgerijs, oostelijke kijkrichting.

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens twee fietspaden te realiseren naast respectievelijk de Eikestraat bij Walik en de Broekhovenseweg bij Broekhoven. Hierbij wordt een strook va zo’n 8 a 10 meter vanaf de bestaande rijbaan bouwrijp gemaakt voor de aanleg van de fietspaden. Hieronder is de toekomstige situatie weergeven van de fietspaden, zie figuren 2.9 t/m 2.14.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

8/38

Figuur 2.9 Situatieschets Eikestraat.

Figuur 2.10 Situatieschets Eikestraat.

Figuur 2.11 Situatieschets Eikestraat.

Figuur 2.12 Situatieschets Eikestraat.

Figuur 2.13 Situatieschets Broekhovenseweg.

Figuur 2.14 Situatieschets Broekhovenseweg

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

9/38

3

Onderzoeksmethodiek

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie.

Het veldbezoek is afgelegd op 5 maart 2025 . Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat.

Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd.

De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

10/38

4

Aangetroffen en te verwachten beschermde soorten

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.

4.1

Vogels

4.1.1

Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (ook beschermd op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn). Op de onderzoekslocatie kunnen op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF de volgende soorten (met jaarrond beschermd nest) potentieel voorkomen op/in de buurt van de onderzoekslocatie: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. De onderzoekslocatie bevat geen (hoge) bebouwing en valt buiten de bebouwde kom. Op basis hiervan kunnen op voorhand nesten van de gierzwaluw, huismus en slechtvalk worden uitgesloten. Verder ontbreken er op en rondom de onderzoekslocatie duidelijke, grote nesten die wijzen op de aanwezigheid van een ooievaar. Hierdoor kan de aanwezigheid van deze soorten op de onderzoekslocatie op voorhand worden uitgesloten.

4.1.1.1

Roofvogels en ransuil

De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en zwarte wouw zijn allen voor hun nest afhankelijk van (hoge) boomopstanden, welke aanwezig zijn op en direct rondom de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie en directe omgeving konden, door de afwezigheid van blad aan de bomen, goed worden geïnspecteerd. Bij deze inspectie zijn geen potentiële nesten ten behoeve van de bovenstaande soorten waargenomen. Wel kunnen nesten van de bovenstaande soorten die nog beginnen de verstoringsafstand ( 300 meter) van de onderzoekslocatie vallen verstoord worden door de voorgenomen werkzaamheden. Om verstoring te voorkomen dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van de bovenstaande soorten uitgevoerd te worden (zie hoofdstuk 5).

4.1.1.2

Kerkuil en steenuil

De steenuil en kerkuil hebben een voorkeur voor cultuurlandschappen met allerlei landschapselementen die voor afwisseling zorgen. Meestal broeden deze uilen in speciale nestkasten, schuren en soms in voldoende grote boomholten. Geschikte nestgelegenheden en verblijflocaties voor de steenuil en kerkuil ontbreken op zowel de onderzoeklocatie als in de directe omgeving. Tevens zijn tijdens het veldbezoek geen sporen aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als nestgelegenheid of verblijflocatie door deze soorten. Een deel van de onderzoekslocatie betreft geschikt foerageergebied voor beide soorten. Dit deel van de onderzoekslocatie is echter beperkt van omvang en vormt, door de aanwezigheid van voldoende overig geschikt foerageerhabitat in de directe omgeving, geen essentieel foerageergebied voor steenuil en kerkuil. Negatieve effecten door de voorgenomen plannen ten aanzien van de kerkuil en steenuil zijn dan ook uitgesloten.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

11/38

4.1.1.3

Roek

De roek is een koloniebroeder met slordige nesten in de toppen van hoge bomen. Roekenkolonies bevinden zich vaak in vrijstaande hoge groepen bomen langs wegen, sporen of kanalen. Roekenkolonies zijn makkelijk te herkennen aan de manier van nestelen in kolonies. In de bomen op en nabij de onderzoekslocatie zijn geen dusdanige hoeveelheden nesten aangetroffen dat het een roekenkolonie zou kunnen betreffen. Een roekenkolonie op of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie kan dan ook uitgesloten worden. Negatieve effecten door de voorgenomen plannen ten aanzien van de roek zijn dan ook uitgesloten.

4.1.1.4

Grote gele kwikstaart

De grote gele kwikstaart broedt en foerageert voornamelijk aan oevers van (snelstromende) beken en rivieren, maar ook wel langs stilstaand water. De soort broedt in een nis in een muur of onder een brug, bij boomwortels in oevers of in speciale nestkasten. Dergelijke elementen zijn op de onderzoekslocatie en in de omgeving niet aanwezig. Negatieve effecten door de voorgenomen plannen ten aanzien van de grote gele kwikstaart dan ook uitgesloten.

4.1.2

Categorie 5 broedvogels

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Het gaat hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding op dit punt te voorkomen (zie hoofdstuk 5).

4.1.3

Overige broedvogels

De bebouwing, beplanting en snoeiafval op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan algemene broedvogelsoorten zoals koolmees, merel, kauw en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding op dit punt te voorkomen (zie hoofdstuk 5).

4.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en bosvleermuis.

Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Bij verblijfplaatsen van vleermuizen is onderscheid te maken tussen een zomerverblijf, kraamverblijf, paar/baltsverblijf (die ook als individueel winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden) en massawinterverblijf. Op de onderzoekslocatie zijn geen gebouwen aanwezig waardoor gebouw bewonende vleermuissoorten kunnen worden uitgesloten. Verder zijn er wel bomen aanwezig op de onderzoekslocatie. Boombewonende

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

12/38

vleermuizen kunnen holtes, loshangend schors of klimop gebruiken als mogelijke verblijfplaatsen. Dergelijke elementen zijn ook aangetroffen op de onderzoekslocatie (zie figuren 4.1 en 4.2). Negatieve effecten ten aanzien van boombewonende vleermuizen kunnen op voorhand niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5).

Figuur 4.1 Voorbeeld van een holte in een boom op de onderzoekslocatie.

Figuur 4.2 Voorbeeld van loshangend schors op de onderzoekslocatie.

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie In de nabijheid van de onderzoekslocatie bevinden zich teven bomen met geschikte boomholtes, loshangend schors en/of klimop, welke mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Door de aard van de werkzaamheden kan directe verstoring van vleermuizen echter worden uitgesloten. Tijdens de werkzaamheden dient er wel rekening gehouden te worden met additionele (bouw)verlichting in de richting van deze potentiële verblijfplaatsen (zie hoofdstuk 5).

Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen permanente aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig.

Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie worden zullen mogelijk bestaande vliegroutes (tijdelijk) verdwijnen. Negatieve effecten ten aanzien van vliegroutes voor vleermuizen zijn op voorhand niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 5)

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

13/38

4.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en licht beschermde soorten.

4.3.1

Streng beschermde soorten

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, boommarter, bunzing, damhert, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wezel.

4.3.1.1

Bever

Bevers komen voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. Er liggen geen waterlichamen op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. Negatieve effecten ten aanzien van de bever kunnen op voorhand worden uitgesloten.

4.3.1.2

Marterachtigen

De onderzoekslocatie, uitsluitend tracé deel Eikestraat, vormt geschikt habitat voor marterachtigen, hieronder vallen de steenmarter, boommarter, bunzing, hermelijn en wezel. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Boommarters leven voornamelijk in het bos en heeft zijn verblijfplaatsen in boomholtes, oude holen van de vos of das, tussen takkenwortels of onder takkenhopen. De kleine marterachtigen zoals bunzing, wezel en hermelijn zijn sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages (voornamelijk braamstruwelen) die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren Figuur 4.3 Braamstruweel op de onderzoekslocatie naast de Eikestraat. tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Er zijn verschillende takkenhopen aangetroffen op de onderzoekslocatie die voor marterachtigen als rustplaats kunnen dienen. Tevens is er ook veel braamstruweel (zie figuur 4.3) aanwezig die gebruikt kan worden als migratieroute. Negatieve effecten ten aanzien van de marterachtigen kunnen op voorhand niet worden uitgesloten (zie hoofdstuk 5).

4.3.1.3

Damhert

Damherten leven in roedels en komen vooral voor in loofbossen en gemende bossen met voldoende gras. Een deel van de onderzoekslocatie is geschikt leefgebied voor het damhert. Dit deel van de onderzoekslocatie is echter beperkt van omvang en vervult, door de aanwezigheid van voldoende overig geschikt leefgebied in de directe omgeving, geen essentiële functie voor het damhert. Negatieve effecten ten aanzien van het damhert zijn op voorhand uit te sluiten.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

14/38

4.3.1.4

Das

De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. Een deel van de onderzoekslocatie is potentieel geschikt leefgebied voor de das, door de afwisseling van bos en weilanden. Dit deel van de onderzoekslocatie is echter beperkt van omvang en vervult, door de aanwezigheid van voldoende overig geschikt leefgebied in de directe omgeving, geen essentiële functie voor de das. Ook zijn tijdens het veldbezoek op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving geen burchten, pijpen, loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. De waarnemingen van de das op NDFF hebben betrekking het natuurgebied De Malpie op enkel kilometers afstand. Negatieve effecten ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep zijn niet aan de orde.

4.3.1.5

Eekhoorn

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het ontbreken van bladerdek goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Er zijn geen nesten van eekhoorns aangetroffen, zodat de aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten.

4.3.1.6

Waterspitsmuis

De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Op de onderzoekslocatie of in de directe omgeving is het bovenstaande habitat niet aanwezig. Negatieve effecten ten aanzien van de waterspitsmuis zijn op voorhand uit te sluiten.

4.3.2

Licht beschermde soorten

De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, haas, egel en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat verblijfplaatsen van deze soorten worden verwijderd of beschadigd (zie hoofdstuk 5).

4.4

Reptielen

Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptielen waargenomen: gladde slang, hazelworm, levendbarende hagedis en muurhagedis.

4.4.1

Levendbarende hagedis, hazelworm en gladde slang

De hazelworm heeft bos- en heideterreinen als voorkeurshabitat. De soort komt verder echter ook voor in open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen. Als schuilplaatsen maakt de soort gebruik van bijvoorbeeld graspollen, boomstronken, strooisel of holen. De levendbarende hagedis heeft heide en hoogveen als voorkeurshabitat, maar komt tevens voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. Het is een vochtminnende soort, welke in voornoemde landschapstypen veel wordt aangetroffen op oevers van vochtige terreindelen. Als schuilplaatsen maakt de soort bijvoorbeeld gebruik van boomstronken, takkenrillen, oude zoogdierholen en gras- en zeggepollen. De aanwezigheid van verschillende microklimaten is hierbij essentieel. De gladde slang komt voor op droge heideterreinen, hoogveengebieden, zand of veen en jonge aanplant op zandgrond. Op basis van het voorgaande is op de onderzoekslocatie geschikt habitat voor hazelworm, levendbarende hagedis en gladde slang aanwezig. Derhalve dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om de

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

15/38

eventuele aanwezigheid van de hazelworm, levendbarende hagedis en gladde slang op de onderzoekslocatie te bepalen (zie hoofdstuk 5).

4.4.2

Muurhagedis

De muurhagedis komt in Nederland in het wild uitsluitend voor in Maastricht. Echter zijn erin Nederland muurhagedissen illegaal uitgezet afkomstig van Midden- en Zuid-Europese populaties. De waarnemingen van muurhagedis nabij de onderzoekslocatie betreffen individuen van niet Nederlandse populaties en genieten niet dezelfde bescherming als de inheemse muurhagedis. Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten ten aanzien van de muurhagedis.

4.5

Amfibieën

Volgens gegevens van de NDFF en de Verspreidingsatlas zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: alpenwatersalamander, kleine watersalamander, gewone pad, heikikker en bruine kikker.

4.5.1

Streng beschermde soorten

De alpenwaterslamander heeft weinig eisen aan zijn voorplantingswater en is alleen niet te vinden in visrijk of snelstromend water. Daarin tegen heeft de heikikker sterke voorkeur voor heide en veengebieden en komt met name voor in natuurgebieden. De sloot op de onderzoekslocatie staat bij het waterschap niet aangegeven als een primaire of secundaire watergang, er wordt vanuit gegaan dat deze in droge periodes droog staat. Verder ontbreekt het aan geschikt oppervlaktewater in de directe omgeving. De waarnemingen van de heikikker zijn gebonden aan nabij gelegen natuurgebieden de Malpie en Cartierheide op een aantal kilometers afstand. De alpenwatersalamander kan incidenteel voorkomen in vijvers van nabijgelegen tuinen, incidenteel kan er alpenwatersalamander op voorkomen op de onderzoekslocatie. Omdat niet geheel uitgesloten kan worden dat incidenteel een zwervend individu van de alpenwatersalamander op de locatie kan worden aangetroffen, dient er rekening gehouden te worden met de zorgplicht (zie hoofdstuk 5).

4.5.2

Licht beschermde soorten

Voor de te verwachten algemene soorten zoals de kleine water salamander, gewonde pad en bruine kikker geldt op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Omgevingswet, waardoor een omgevingsvergunning bij verstoring niet noodzakelijk is. Echter is het wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht (zie hoofdstuk 5).

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

16/38

Figuur 4.5 Sloot gelegen aan de Broekhovenseweg.

4.5.3

Vissen

De sloot op de onderzoekslocatie betreft alleen afwatering en staat hoogstwaarschijnlijk ruime tijd van het jaar droog. Tevens wordt er op basis van de voorgenomen werkzaamheden maar slecht een klein deel van de sloot gedempt. Er zijn geen negatieve effecten ten aanzien van vissen te verwachten.

4.6

Ongewervelden

4.6.1

Libellen

Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebieden zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

17/38

4.6.2

Vlinders

Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. De onderzoekslocatie ligt in het verspreidingsgebied van de volgende beschermde vlindersoorten: bruine eikenpage, gentiaanblauwtje, grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, teunisbloempijlstaart en veldparelmoervlinder. Nu zijn de volgende vlindersoorten bijna exclusief te vinden in natuurgebieden door de afhankelijkheid van zeldzame waardplanten of bijzondere habitateisen: bruine eikenpage, gentiaanblauwtje, grote vos, grote weerschijnvlinder, kommavlinder, veldparelmoervlinder. Deze soorten worden niet verwacht op de onderzoekslocatie vanwege het ontbreken van natuurgebieden op de onderzoekslocatie. Voor de iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart geldt dat deze regelmatig buiten natuurgebieden worden aangetroffen en de waardplanten algemeen zijn. De iepenpage heeft vochtige bossen, parken en bosranden als habitat. De waardplant voor de iepenpage betreft de iep. De kleine ijsvogelvlinder heeft vochtige gemengde bossen als habitat, waarbij kamperfoelie en sneeuwbes als waardplanten dienen.

De teunisbloempijlstaart heeft open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen als habitat. De waardplanten van de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. De onderzoekslocatie betreft geschikt habitat voor de iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart, negatieve effecten ten aanzien van deze soorten kunnen op voorhand niet worden uitgesloten.

4.6.3

Overige soorten

Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig of er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.

4.7

Planten

Aangezien de locatie bestaat uit bosschage, weiland en berm is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie te vinden zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde plantensoorten op de onderzoekslocatie niet te verwachten.

4.8

Specifieke zorgplicht

Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

18/38

Een Rode lijst is een overzicht van levende soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Dit wordt bepaald op basis van zeldzaamheid en/of negatieve trend. De lijsten worden periodiek vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De dier- en plantensoorten zijn onderverdeeld in categorieën. Naast vogels zijn er ook lijsten voor bijen, dagvlinders, haften, kokerjuffers, sprinkhanen, krekels, korstmossen, land- en zoetwaterweekdieren, libellen, mossen, paddenstoelen, platwormen, sprinkhanen en krekels, steenvliegen, vissen en zoogdieren.

In de omgeving zijn verschillende rode lijstsoorten te verwachten zoals de haas, konijn, zwarte rat, verschillende vlindersoorten, plantensoorten en schimmelsoorten. Op basis van de voorgenomen werkzaamheden wordt er niet verwacht dat er een negatief effect op de staat van instandhouding van de betreffende rode lijstsoorten optreedt.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

19/38

5

Toetsing aan soortenbescherming

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

5.1

Broedvogels

5.1.1

Jaarrond beschermde broedvogels

De nesten van de boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en zwarte wouw zijn het gehele jaar beschermd en vallen onder de beschermingscategorie 1 tot en met 4 van vogelnesten. Er zijn geen nesten op de onderzoekslocatie aangetroffen die gebruikt kunnen worden door de betreffende soorten. Wel kunnen binnen de verstoringsafstand (300 meter) rond de onderzoekslocatie nestplaatsen van de betreffende soorten aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Om verstoring en zo overtreding te voorkomen dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen van deze soorten de periode februari tot half augustus worden aangehouden. Dit dient vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol.

5.1.2

Categorie 5 en algemene broedvogels

Voor de categorie 5 en algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen.

Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren.

Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

20/38

5.2

Vleermuizen

Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn.

Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie beschikt over bomen die kunnen dienen als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Bij de voorgenomen plannen wordt een deel van de bomen gekapt. De uitbreiding van de bebouwing zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van boombewonende vleermuizen kunnen leiden tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, zal nader onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Omgevingswet aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis , gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, franjestaart en baardvleermuis. Een dergelijk nader onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, 2021). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project.

Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Omgevingswet naar verwachting niet te vermijden en is daarom een vergunningssaanvraag aan de orde.

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie en vliegroute Voorafgaand aan de werkzaamheden is ten aanzien van verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie en vliegroute voor vleermuizen geen vervolgtraject noodzakelijk. Het is echter wel noodzakelijk dat lichttoename richting de aanwezige bomen in de omgeving tijdens en na de werkzaamheden voorkomen wordt. Deze maatregelen dienen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol.

5.3

Marterachtigen

Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor de boommarter, bunzing, steenmarter, hermelijn en wezel als vaste rust- en is aanvullend onderzoek noodzakelijk. In de provincie Noord-Brabant zijn de boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel beschermde inheemse diersoorten en bovendien zijn deze soorten opgenomen in artikel 11.54 (Bal) (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen). Indien blijkt dat de onderzoekslocatie in gebruik is door de boommarter, bunzing, steenmarter, hermelijn of wezel en verstoring of vernietiging van de rust- en of voortplantingsplaats onvermijdelijk is dienen mitigerende maatregelen genomen te worden en dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

21/38

5.4

Reptielen

De levendbarende hagedis en hazelworm zijn nationaal beschermde diersoorten en zijn opgenomen in artikel 11.54 van de Bal. De gladde slang is een Europees beschermde diersoort en is opgenomen in artikel 11.46 van de Bal. Er wordt verwacht dat de betreffende reptielensoorten zich kunnen schuilhouden in de bosranden op de onderzoekslocatie. Om aan te tonen dat de betreffende soorten wel of niet gebruik maken van de onderzoekslocatie dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm.

5.5

Vlinders

De iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart zijn Habitatrichtlijn-soorten conform artikel 5.1 van de Omgevingswet. Het is verboden deze soorten opzettelijk te doden of te vangen of om de vaste voortplantings- of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Doordat tijdens het veldbezoek niet kon worden uitgesloten dat er op de onderzoekslocatie waardplanten van iepenpage (iep), teunisbloempijlstaart (teunisbloem, wilgenroosje, kattenstaart en basterdwederik) en ijsvogelvlinder (kamperfoelie) aanwezig zijn dient er in het voorjaar een inspectie te worden uitgevoerd. Indien uit deze inspectie blijkt dat er waardplanten van de bovenstaande soorten aanwezig zijn op de onderzoekslocatie dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.

5.6

Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal) in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.

5.7

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

22/38

6

Toetsing aan gebiedsbescherming

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.

6.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Leenderbos, Groote Heide en De Plateau bevindt zich op circa 700 meter afstand van de onderzoekslocatie (zie figuur 6.1).

Figuur 6.1

Ligging van de onderzoekslocatie (rood weergeven) ten opzichte van Natura 2000 (geel/groen weergeven).

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de werkzaamheden op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000-activiteit’ ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

23/38

6.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie loopt tot gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. In figuur 6.2 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 6.2

Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. De wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels een effectenonderzoek Natuurnetwerk Brabant nader moeten worden onderzocht.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

24/38

7

Houtopstanden

In art. 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap.

De te kappen bomen op de onderzoekslocatie vallen onder artikel 11.111 (Bal), waardoor een meldingsplicht geldt voorafgaand aan de kap. Tevens draagt de rechthebbende zorg voor de herbeplanting van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen van de houtopstand. Wanneer het niet mogelijk is om dezelfde grond te herbeplanten dient herbeplanting op andere grond plaats te vinden, indien de herbeplanting voldoet aan de gestelde regels artikel 11.130 (Bal).

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

25/38

8

Samenvatting en conclusies

Sweco heeft in opdracht van Accent Adviseurs B.V een quickscan natuurwaarden uitgevoerd aan de Eikestraat en Broekhovenseweg te Riethoven. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen aanleg van twee fietspaden op de onderzoekslocatie en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens twee fietspaden te realiseren naast respectievelijk de Eikestraat bij Walik en de Broekhovenseweg bij Broekhoven. Hierbij wordt een strook va zo’n 8 a 10 meter vanaf de bestaande rijbaan bouwrijp gemaakt voor de aanleg van de fietspaden. Eikestraat. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 8.1. In tabel 8.2 zijn de effecten op beschermde gebieden en houtopstanden weergegeven. In de tabellen is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.

In de tabellen is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Tabel 8.1

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.

Soortgroep

Broedvogels

Vleermuizen

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Omgevingsv ergunning

Bijzonderheden / opmerkingen*

algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden moet buiten het broedseizoen uitgevoerd worden

jaarrond beschermd

ja

nee, mits1

nee

nee

1

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

ja

mogelijk

- onderzoek naar verblijfplaatsen van boombewonende soorten

werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden

- geen additionele verlichting richting aanwezige bomen foerageergebied

ja

nee 2

nee

nee

voldoende alternatief in de omgeving beschikbaar

nee

nee

2

vliegroutes

ja

nee, mits

geen additionele verlichting richting aanwezige bomen

Grondgebonden zoogdieren

streng beschermd

ja

mogelijk

ja

mogelijk

aanvullend onderzoek naar marterachtigen

licht beschermd

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van konijn, haas, egel en diverse muizensoorten

Amfibieën

steng beschermd

nee

nee, mits3

nee

nee

3

licht beschermd

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van kleine water salamander, gewone pad en bruine kikker

Reptielen

ja

mogelijk

ja

mogelijk

aanvullend onderzoek naar gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

ja

mogelijk

ja

mogelijk

aanvullend onderzoek naar iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

aandacht voor zorgplicht ten aanzien van incidenteel voorkomende alpenwatersalamander

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

26/38

Tabel 8.2

Overzicht effecten t.o.v. beschermde gebieden en houtopstanden en te nemen vervolgstappen.

Gebiedsbescherming

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

700 m

mogelijk

ja

mogelijk

vervolg onderzoek stikstofdepositie

Natuurnetwerk Nederland

0m

mogelijk

ja

mogelijk

effectenonderzoek

Houtopstanden

ja

n.v.t.

n.v.t.

mogelijk

meldingsplicht

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

Conclusie Op basis van onderhavige quickscan natuurwaarden dient voor uitvoering van de voorgenomen plannen middels nader onderzoek meer informatie te worden verkregen over de mogelijk essentiële functie van de onderzoekslocatie ten aanzien van steenmarter, wezel, bunzing, hermelijn, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, franjestaart, baardvleermuis, levendbarende hagedis, gladde slang, hazelworm, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart. Additionele verlichting dient vermeden te worden richting te behouden bomen rondom de onderzoekslocatie. Maatregelen dienen te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Tevens dient bij wijzigingen van de voorgenomen plannen contact opgenomen te worden met een deskundig ecoloog. Om verstoring ten aanzien van jaarrond beschermde broedvogels te voorkomen dient er buiten het broedseizoen gewerkt te worden, deze maatregel dient opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol. Globaal kan voor het broedseizoen van deze soorten kan de periode februari tot half augustus worden aangehouden. Aangaande algemene broedvogels dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht ten aanzien van de alpenwatersalamander en algemene soorten. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden dient er een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd te worden. Omtrent het Natuurnetwerk Nederland dient er een effectenonderzoek uitgevoerd te worden. Aangaande beschermde houtopstanden geldt er een meldingsplicht en is mogelijk tevens een vergunningplicht van toepassing

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer: 51028754 Datum: 05-12-2025

Versie D2

27/38

GERAADPLEEGDE BRONNEN (BIJ12 (2023a). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ BIJ12 (2023b). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/ BIJ12 (2024). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/wpcontent/uploads/2024/04/Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-versie-2.0.pdf BIJ12 (2017b). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/onderwerp/natuurinformatie/kennisdocumenten-soorten-natuurbescherming/

Bij12 (2024) Kennisdocument Kleine marterachtigen Bunzing – Hermelijn – Wezel. Opgehaald van https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/01/Kennisdocument-kleine-marterachtigen-v1-1-2.pdf

Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.

Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 5 maart 2025 van https://www.natura2000.nl/gebieden.

Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied *, periode 2019-2024. NDFF. Geraadpleegd op 5 maart 2025 van https://ndff-ecogrid.nl.

Ravon (z.d.). Soorten. Geraadpleegd op 5 maart 2025 van https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie

Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 5 maart 2025 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten.

Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 5 maart 2025 van https://www.verspreidingsatlas.nl/.

Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol.

Vlinderstichting (z.d.) Vlinders. Geraadpleegd op 5 maart 2025 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders

Vogelbescherming (z.d.). Vogelgids. Geraadpleegd op 5 maart 2025 van https://www.vogelbescherming.nl/

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer 51028754 Datum 05-12-2025

Versie D2

Zoogdiervereniging (z.d.) Zoogdiersoorten. Geraadpleegd op 5 maart 2025 van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten

Provinciale bronnen Noord-Brabant www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant)

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer 51028754 Datum 05-12-2025

Versie D2

Bijlage 1 natuurwetgeving en doelen natura 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000.

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit.

Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub e Ow).

Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Sweco | Rapport quickscan natuurwaarden Fietspad Eikestraat-Broekhovenseweg Projectnummer 51028754 Datum 05-12-2025

Versie D2

Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van:

 

 

De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=7cbee922-0df5-46b7-9497-5ed0e742213d