CConstaterende datBergeijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 13 Toelichting gezondheidsaspecten

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente BergeijkBij agendapunt: Raadsvoorstel herstelbesluit Vlieterdijk 3413.641 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

Toelichting gezondheidsaspecten

Vlieterdijk 34 te Luyksgestel

Van Dun Advies BV Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten T 013-519 9458 Postel 8 5711 ET Someren T 0493 745 015 E info@vandunadvies.nl I www.vandunadvies.nl F 013-519 9727 IBAN NL56 RABO 0152 3051 49 BIC RABONL2U KvK 180 61 619 BTW 809392720B01

Gemeente:

Bergeijk

Plangebied:

Vlieterdijk 34, 5575 AM Luyksgestel

Projectnummer:

09231-013

Datum:

16-07-2020

Opgesteld door:

Van Dun Advies B.V.

Projectleider: Auteur:

P. Monster J.C.P.M. van de Pas

Toelichting gezondheidsaspecten – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel

1

Inhoudsopgave 1.

Inleiding ................................................................................................................................ 3

2.

Algemeen .............................................................................................................................. 4 2.1

Handreiking veehouderij en volksgezondheid .................................................................... 4

2.2

Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden ........................................................ 4

2.3

Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid ................................................. 5

3.

Stappenplan Handreiking veehouderij en volksgezondheid ........................................................ 6

4.

Ontvankelijkheid voor gezondheidstoets .................................................................................. 9

5.

Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid .......................................................39

6.

Conclusie ..............................................................................................................................41

Bijlagen .......................................................................................................................................42

Toelichting gezondheidsaspecten – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel

2

1. Inleiding Initiatiefnemers exploiteren aan de Vlieterdijk 34 te Luyksgestel een pluimveehouderij met daarnaast als neventak een melkrundveehouderij. De gemeente Bergeijk heeft op 15-07-2010 een omgevingsvergunning milieu verleend voor het houden van 125.950 vleeskuikens, 62 stuks melk- en kalfkoeien, 44 stuks vrouwelijk jongvee, 2 volwassen paarden en 60 stuks overig rundvee. Om deze pluimveeaantallen echter daadwerkelijk te kunnen houden diende een nieuwe pluimveestal gebouwd te worden (nr. 6) en de bestaande pluimveestallen (nr. 2, 3 en 4) te worden verlengd. Enkel voor deze nieuwe pluimveestal is een omgevingsvergunning bouw verleend. Deze is inmiddels gerealiseerd. Voor de verlenging van de bestaande pluimveestallen is nooit een vergunning verleend, omdat deze in strijd was met de regels van het bestemmingsplan en de Verordening ruimte NoordBrabant. Om dit ook milieukundig te formaliseren is verzocht om een gedeeltelijke intrekking van de op 15-07-2010 verleende omgevingsvergunning milieu, waar positief op is besloten op 28-6-2018. Sindsdien mogen er in totaal 101.950 vleeskuikens gehouden worden op het bedrijf. Het bedrijf neemt al enige tijd deel aan het concept ‘Goed Nest Kip’. Dit concept gaat uit van een maximale bezetting van 15 vleeskuikens per vierkante meter vloeroppervlak.

Hierdoor worden er momenteel minder dieren gehouden dan is toegestaan conform de vigerende vergunning, namelijk 14.500 vleeskuikens in stal 2, 3 en 4 en 24.800 vleeskuikens in stal 6. Initiatiefnemers hebben echter de wens om ongeveer dezelfde dieraantallen te blijven houden als in de uitgangssituatie. Hierdoor is de wens ontstaan om ten westen van de bestaande bebouwing een nieuwe stal voor huisvesting van 38.168 vleeskuikens te bouwen. Door de bouw van deze nieuwe stal kunnen in totaal 106.468 vleeskuikens, 62 melk- en kalfkoeien, 44 stuks vrouwelijk jongvee, 60 stuks overig rundvee en 2 volwassen paarden gehouden worden op het bedrijf. Ten opzichte van de huidige vergunning worden de huisvestingssystemen van de bestaande pluimveestallen gewijzigd. Stallen 2, 3 en 4 worden voorzien van een luchtmengsysteem voor droging strooisellaag (BWL 2010.13.V6) in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2011.02.V3). Stal 6 wordt eveneens voorzien van een luchtmengsysteem voor droging strooisellaag (BWL 2010.13.V6) in combinatie met het type warmtewisselaar BWL 2012.03.V3. Ook de beoogde nieuwe stal wordt voorzien van een luchtmengsysteem voor droging strooisellaag (BWL 2010.13.V6) in combinatie met het type warmtewisselaar BWL 2018.05. Hier is in de toelichting op het bestemmingsplan nader op ingegaan.

Door het wijzigen van het huisvestigingssysteem in de bestaande stallen en het emissie arm uitvoeren van de beoogde nieuwe stal wordt de fijnstofemissie met de beoogde ontwikkeling gereduceerd ten opzichte van de vergunde situatie. Om de bouw van de nieuwe pluimveestal mogelijk te maken zal een bestemmingsplanprocedure doorlopen moeten worden. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure dienen gezondheidsaspecten afgewogen te worden. In dit rapport wordt verder onderbouwd op welke wijze in de plannen en de bedrijfsvoering van de ondernemer rekening wordt gehouden met de volksgezondheid. Dit rapport maakt dan ook onderdeel uit van de toelichting van het bestemmingsplan.

Toelichting gezondheidsaspecten – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel

3

2. Algemeen Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwekker een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Voordat een vergunning wordt verleend, moet het beoogde initiatief van de veehouderij getoetst worden aan diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Door diverse wetten is voorgeschreven wat de maximale grenswaarden zijn waaraan een veehouderij moet voldoen. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning niet worden verleend. Bij naleving van de milieuwetgeving, het volledig benutten van de technische mogelijkheden en het management van de hygiënebarrière worden de volksgezondheidsrisico’s bij het initiatief tot een minimum beperkt. 2.1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid d.d. 3 maart 2016 is opgesteld in opdracht van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO).

Deze handreiking is tot stand gekomen met medewerking van diverse bestuurlijke organisaties (Provincie, omgevingsdiensten en gemeentes) en de GGD. In deze Handreiking is een stappenplan opgenomen. Op basis van dit stappenplan kan worden vastgesteld of een aanvraag voor advisering aan de GGD moet worden voorgelegd. In het stappenplan zijn de volgende 8 aspecten verwerkt: 1. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv); 2. De Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen (fijnstof); 3. De Verordening ruimte Noord-Brabant; 4. Afstandsadvies GGD Nederland; 5. De wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan; 6. De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; 7. De aanwezigheid van mestbewerking en verwerking; 8. Ongerustheid bij omwonenden. De afwegingsaspecten uit dit stappenplan worden voor de beoogde ontwikkeling in hoofdstuk 3 nader toegelicht. Naast het stappenplan is in bijlage 1 van de handreiking een aanvullend toetsingsinstrument opgenomen in de vorm van de ‘Ontvankelijkheid voor gezondheidstoets’. Aan de hand van dit toetsingsinstrument kan de bedrijfsvoering uitgebreid worden toegelicht. Op het bedrijf worden diverse voorzieningen aangebracht en maatregelen getroffen, die bijdragen aan verlaging van de risico’s voor de volksgezondheid. Deze worden dan ook aan de hand van het toetsingskader uiteengezet, zie hiervoor hoofdstuk 4.

2.2 Onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden Op 7 juli 2016 is het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) gepubliceerd, dat in opdracht van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Economische Zaken (EZ), op advies van de Gezondheidsraad, was uitgevoerd. Uit dit onderzoek wordt duidelijk dat er sprake is van positieve en negatieve gezondheidseffecten ten gevolge van het wonen in de nabijheid van veehouderijen. Als positief wordt beschouwd dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. In de resultaten van dit onderzoek zijn echter geen conclusies getrokken over oorzakelijke kwantitatieve verbanden tussen het optreden van gezondheidsproblemen en blootstelling aan specifieke componenten in diverse stoffen afkomstig van melkvee- en pluimveehouderijen.

Toelichting gezondheidsaspecten – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel

4

Endotoxine in de (fijn)stof emissie uit intensieve veehouderijen is wel een relevante component gebleken voor luchtwegklachten. Dit resulteert in de volgende negatieve effecten: - Een verhoging van het risico op pneumonie (longontsteking), met name in de nabijheid van pluimveehouderijen; - Verhoogd voorkomen van luchtwegklachten en een verminderde longfunctie in relatie tot dichtheid van veehouderijbedrijven rond de woning, ongeacht het type bedrijf; - Een verlaagde longfunctie na dagen en weken van verhoogde ammoniakconcentraties. De effecten worden waarschijnlijk niet door ammoniak zelf veroorzaakt maar zijn mogelijk het gevolg van omzetting in secundair fijnstof. Het VGO onderzoek maakt duidelijk dat gezondheidseffecten worden veroorzaakt door de combinatie van emissies van fijnstof, aan stofdeeltjes gebonden endotoxine en ammoniak-secundair fijnstof uit de veehouderijen. Endotoxine wordt gezien als een goede indicator voor blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Derhalve wordt een maximale endotoxinewaarde van 30 EU/m3 geadviseerd. De emissie van stofdeeltjes met endotoxine is in zes veel voorkomende stalsystemen met vleesvarkens, leghennen en vleeskuikens gemeten. Met een verspreidingsmodel is berekend of de voorgestelde endotoxinewaarde van 30 EU/m 3 werd overschreden.

De onderzoekers concludeerden dat bij individuele pluimveestallen de geur en fijnstof norm niet kunnen voorkomen dat de door de Gezondheidsraad geadviseerde endotoxinegrenswaarde, onder lokale omstandigheden, wordt overschreden. Op 16 juni 2017 is het vervolgonderzoek van dit VGO-onderzoek gepubliceerd. Dit rapport bevat een nadere analyse van de gegevens met krachtige statistische technieken wat de conclusies uit het hoofdonderzoek bevestigd en steviger onderbouwd. Er zijn sterke aanwijzingen dat (componenten van) fijnstof mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen daarbij niet uitgesloten worden. Uit luchtwegmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of de dichtheid toeneemt. Wat betreft fijnstof is de bijdrage van de veehouderij niet te onderscheiden van de bijdrage van vele andere bronnen, zoals verkeer en (buitenlandse) industrie. 2.3 Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid Door het Rijk, wederom op advies van de Gezondheidsraad, wordt momenteel een landelijk toetsingskader ontwikkeld voor endotoxine. In afwachting hierop is door het ondersteuningsteam van bestuurders van gemeenten in Brabant de notitie ‘Handelingsperspectieven veehouderij en volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld.

Aan de hand van deze notitie kan het risico van de verspreiding van endotoxinen van uitbreidende veehouderijen beoordeeld worden. Gemeenten en provincie willen uit voorzorg voorkomen dat door lopende en nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt overschreden. Daar waar de advieswaarde al wordt overschreden willen ze voorkomen dat de overschrijding toeneemt. Een standstil van de emissie fijnstof-endotoxine is dus gewenst. Bij voorkeur wordt er een reductie van de emissie bereikt. Om de relatie bronsterkte fijnstof en aan te houden afstand om te voldoen aan de adviesgrenswaarde van de Gezondheidsraad van 30 EU/m3 te kunnen berekenen zijn voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens formules afgeleid uit het rapport van Erbrink (2016). Hier wordt nader op ingegaan in hoofdstuk 5. In deze notitie worden geen uitspraken gedaan over uitbreidingen bij melkveehouderijen. Uit eerdere endotoxine onderzoeksrapporten blijkt namelijk dat de fijnstof emissie (PM 10) van rundvee laag is en dat het endotoxine gehalte in dat stof ook laag is. Dit betekend dat de bijdrage van rundveehouderijen aan de cumulatie beperkt is. Daarom wordt de rundveetak van het bedrijf in deze toelichting verder niet meegenomen.

Toelichting gezondheidsaspecten – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel

5

3. Stappenplan Handreiking veehouderij en volksgezondheid De volgende aspecten moeten op basis van het stappenplan, zoals opgenomen in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid d.d. 3 maart 2016, afgewogen worden: 1. Voldoet de ontwikkeling aan de Wgv en de gemeentelijke geurverordening? Uit het onderzoek naar de geurbelasting, bijlage 6 van de toelichting, volgt dat wordt voldaan aan de Wet geurhinder en veehouderij en gemeentelijke geurverordening. De berekende geurbelasting is het hoogst op de woning aan de Vlieterdijk 30, de geurbelasting bedraagt hier 1,1 OUE/m³. De geurhinder op de dichtstbijzijnde woning in de kom, Dorpsstraat 63, bedraagt 1,0 OUE/m³. 2. Voldoet de ontwikkeling aan de Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen (fijnstof)? Voor fijnstof (PM10) geldt een norm van 40 µg/m³ (jaargemiddelde concentratie) en maximaal 35 overschrijdingsdagen met een belasting van 50 µg/m³. De berekende fijnstofconcentratie is in de beoogde situatie het hoogst op de woning aan de Vlieterdijk 38 en bedraagt 21,99 µg/m³ (exclusief zeezoutcorrectie). Het aantal overschrijdingsdagen bedraagt hier 9,1 (tevens exclusief zeezoutcorrectie). Sinds 2015 moet ook voldaan worden aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde PM 2,5concentratie van 25 µg/m³. Uit de ISL3a-berekening voor fijnstof PM2,5 blijkt dat de hoogste concentratie 16,87 µg/m³ bedraagt.

Het luchtkwaliteitsonderzoek naar de beoogde situatie is in bijlage 7 van de toelichting opgenomen. 3. Voldoet de ontwikkeling aan de vereisten uit de Verordening ruimte Noord-Brabant (Vr) op het

gebied van geur en fijnstof?

In de Vr zijn normen opgenomen voor de kans op cumulatieve geurhinder (maximaal 12% voor de bebouwde kom en 20% voor het buitengebied), tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert, en een maximale fijnstofconcentratie (31,2 µg/m³). Indien niet aan deze normen wordt voldaan, is een advies van de GGD nodig. Uit het luchtkwaliteitsonderzoek, bijlage 7 van de toelichting, en het onderzoek naar de geurbelasting, bijlage 6 van de toelichting, blijkt dat kan worden voldaan aan bovenstaande vereisten uit de Verordening ruimte Noord-Brabant op het gebied van geur en fijnstof. 4. Aanvullend op de wettelijke luchtkwaliteitseisen wordt bij een significante toename van de

bijdrage van het bedrijf aan de PM10-concentratie (>1,2 µg/m³) een GGD-advies noodzakelijk geacht. Om de toename van de bijdrage van het bedrijf aan de PM10-concentratie te bepalen is de fijnstofemmissie voor de uitgangssituatie bepaald op basis van de invoergegevens zoals opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting.

In Tabel 1 zijn de fijnstofconcentratie PM10 in de bestaande en beoogde situatie overzichtelijk weergegeven. Hieruit blijkt dat er op alle woningen sprake is van een afname in de bijdrage van het bedrijf aan de fijnstofconcentratie ter plaatse. Deze afname is maximaal op de woning aan de Vlieterdijk 38, min 0,33 µg/m3. Er is dus nergens sprake van een toename van de bijdrage van het bedrijf aan de PM 10concentratiedan groter dan 1,2 µg/m3. Er is dus geen sprake van een significante toename van de bijdrage van het bedrijf aan de PM10-concentratie.

Toelichting gezondheidsaspecten – Vlieterdijk 34 te Luyksgestel

6

Tabel 1: Overzichtstabel fijnstofimmissie uitganssituatie vs. beoogde situatie Adres

X

Bestaande situatie Totaal bron

Y

Beoogde situatie Totaal

GCN

bron

GCN

Verschil Totaal

Vlieterdijk 30 – W

150573

366119

19,06

0,11

18,94

19,02

0,07

18,94

-0,04

Vlieterdijk 30 – T

150559

366103

19,06

0,11

18,94

19,02

0,07

18,94

-0,04

Hondsbosserdijk 1 - W

150166

365368

20,21

0,06

20,15

20,19

0,04

20,15

-0,03

Hondsbosserdijk 1 - T

150180

365374

20,21

0,06

20,15

20,19

0,04

20,15

-0,03

Hondsbosserdijk 5 - W

150564

364941

19,14

0,11

19,03

19,11

0,07

19,03

-0,03

Hondsbosserdijk 5 - T

150616

364958

19,15

0,12

19,03

19,11

0,08

19,03

-0,04

Hondsbosserdijk 9 - W

151420

364481

18,91

0,08

18,83

18,89

0,05

18,83

-0,02

Hondsbosserdijk 9 - T

151423

364515

18,91

0,08

18,83

18,89

0,05

18,83

-0,02

Elsendijk 1 – W

151753

364793

18,94

0,11

18,83

18,91

0,07

18,83

-0,03

Elsendijk 1 – T

151705

364811

18,95

0,12

18,83

18,91

0,08

18,83

-0,04

Vlieterdijk 38 – W

151395

365383

22,32

2,01

20,3

21,99

1,68

20,3

-0,33

Vlieterdijk 38 – T

151386

365384

22,54

2,24

20,3

22,2

1,89

20,3

-0,34

Vlieterdijk 42 – W

151579

365297

20,73

0,43

20,3

20,61

0,31

20,3

-0,12

Vlieterdijk 42 – T

151551

365302

20,79

0,49

20,3

20,66

0,35

20,3

-0,13

Vlieterdijk 33 – W

151720

365319

20,6

0,29

20,3

20,51

0,21

20,3

-0,09

Vlieterdijk 33 – T

151689

365313

20,62

0,32

20,3

20,53

0,22

20,3

-0,09

Schatersdijk 34 – W

151744

366028

19,49

0,22

19,26

19,41

0,15

19,26

-0,08

Schatersdijk 34 – T

151716

366028

19,49

0,23

19,26

19,42

0,15

19,26

-0,07

Schatersdijk 24 – W

151416

366449

19,38

0,12

19,26

19,34

0,08

19,26

-0,04

Schatersdijk 24 – T

151400

366425

19,39

0,13

19,26

19,35

0,08

19,26

-0,04

5. Voldoet de ontwikkeling aan de minimale afstand van 250 meter tussen een veehouderij en de bebouwde kom of specifieke gevoelige bestemming

(scholen, kinderdagverblijven, etc.)?

De bebouwde kom van Luyksgestel ligt op 925 meter afstand. Binnen een afstand van 250 meter liggen geen specifiek gevoelige bestemmingen. 6. Worden binnen de veehouderij geiten gehouden, of een combinatie van varkens en pluimvee, of is de afstand tussen een varkens- en pluimveebedrijf

in de omgeving minder dan 100 meter?

Er worden op het bedrijf pluimvee en rundvee gehouden. De afstand tot de dichtstbijzijnde varkenshouderij in de omgeving is 615 meter. Het betreft het bedrijf gelegen aan de Schatersdijk 34. 7. Wordt er op het bedrijf mest bewerkt? Er vindt op het bedrijf geen mestbewerking plaats.

8. Is bij omwonenden sprake van veel ongerustheid over de volksgezondheid? Indien er veel ongerustheid bestaat over de volksgezondheid moet een GGD-advies gevraagd worden. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of sprake is van een dusdanige ongerustheid dat advisering vanuit de GGD noodzakelijk is. Uit het verleden is geen verontrusting vanuit de omgeving gemeld bij de initiatiefnemer. Uit de omgevingsdialoog is gebleken dat buurtbewoners positief tegenover het initiatief staan. Zij vinden het mooi om te zien dat er een jonge bedrijfsopvolger klaar staat om het familiebedrijf voort te zetten. Zij begrijpen dat het bedrijf dan ook richting de toekomst ingericht moet worden. Het doorlopen van het stappenplan met bovenstaande antwoorden leidt tot de conclusie dat advisering vanuit de GGD niet noodzakelijk is.

4. Ontvankelijkheid voor gezondheidstoets

Informatie ten behoeve van het “Toetsingsinstrument” Dit document beschrijft de informatie die de GGD nodig heeft om een advies te kunnen opstellen over de gezondheidsaspecten die het bevoegd gezag moet meewegen in haar considerans van vergunningaanvragen voor veehouderij. Deze informatie is gebaseerd op het ‘Aanvullend toetsingsinstrument’20 dat de GGD heeft ontwikkeld samen met de gemeenten Oirschot, Reusel-De Mierden en Gemert-Bakel en dat op basis van ervaringen met de gemeente Landerd verder is doorontwikkeld. Hiermee kunnen gezondheidsaspecten worden afgewogen bij besluitvorming over individuele veehouderijbedrijven. Het eindresultaat is een maatschappelijk gedragen en wetenschappelijk onderbouwd toetsingsinstrument bestaande uit een checklist met verschillende gezondheidskundige criteria waarop bedrijfsuitbreidingen van veehouderijen beoordeeld kunnen worden. Voor het doel van dit document zijn de gezondheidskundige criteria opgesplitst in ‘toetsingscriteria’ en ‘maatregelen’. De tabellen ‘toetsingscriteria’ beschrijven de gegevens waarvoor gezondheidskundige advieswaarden worden gehanteerd. In de kolom toelichting staat een korte uitleg over de relevantie voor volksgezondheid. Voor een uitgebreide onderbouwing kunt u het aanvullend toetsingsinstrument raadplegen. De tabellen ‘maatregelen’ bevatten de maatregelen die in het toetsingskader vermeld staan.

Om advies uit te kunnen brengen heeft de GGD graag inzichtelijk wat een ondernemer voor maatregelen met betrekking tot gezondheid toepast op het bedrijf. Dit kan de ondernemer laten zien door middel van een beschrijving van deze maatregelen, en een korte toelichting waarom dergelijke maatregelen wel of niet toegepast zijn. De tabellen ‘maatregelen’ kunnen hier richting aan geven.

20 Aanvullend toetsingsinstrument. Een risico-inventarisatie en –evaluatie voor gezondheid bij veehouderij. Nijdam, et.al, 2013.

I.

Algemeen

Toetsingscriteria algemeen

Toelichting

Invullen door ondernemer

*

Is er een aanvraag voor de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) gedaan, en waarom wel/niet?

Indien een aanvraag is gedaan, deze dan bijvoegen.

Ja, zie bijlage 5 bij de toelichting op het bestemmingsplan.

1

Welke diersoort(en) worden bedrijfsmatig gehouden? Vergunde (huidige) situatie

Als er meerdere diersoorten op één bedrijf zijn kan dit een risico vormen voor de verspreiding van zoönosen. Dit voor zowel de vergunde als aangevraagde situatie. Uitgangspunt is dat er op bedrijfsmatig niveau geen varkens

In de huidige situatie wordt er melkvee en pluimvee op het bedrijf gehouden, in de beoogde situatie wordt het bedrijf uitgebreid met een stal voor het houden van extra pluimvee.

Aangevraagde (toekomstige) situatie

2

Wat is de omvang van het bedrijf (in dieraantallen en emissies)? Vergunde (huidige) situatie Aangevraagde (toekomstige) situatie

en pluimvee op één bedrijf samen gehouden mogen worden in verband met het risico op transmissie en vermenging van influenzavirus. Ook het bedrijfsmatig samenhouden van verwante soorten als rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten) en kleine herkauwers onderling wordt afgeraden (o.a. vanwege Q-koorts), tenzij er sprake is van een gescheiden bedrijfsvoering. Voor de combinatie rundvee en varkens gelden er op dit moment geen zwaarwegende argumenten in kader van infectierisico’s mits er sprake is van een gescheiden bedrijfsvoering.

De gemeente Bergeijk heeft op 15-07-2010 een Het is in het kader van dier- en volksgezondheid belangrijk omgevingsvergunning milieu verleend teneinde de bestaande om te weten hoeveel dieren er op een bedrijf (beroepsmatig) stallen 2, 3 en 4 te verlengen en een nieuwe vleeskuikenstal (nr. gehouden worden, en of er sprake is van een toe- of afname in 6) te realiseren, zodat in totaal 125.950 vleeskuikens gehouden dierenaantallen ten opzichte van de vergunde situatie. Om kunnen worden. Enkel voor de bouw van stal 6 is een inzicht te krijgen in de emissies vraagt de GGD om de omgevingsvergunning bouw verleend. Deze is inmiddels diertabel voor zowel de vergunde als aangevraagde situatie gerealiseerd. Voor de verlenging van de bestaande pluimveestallen is nooit een vergunning verleend, omdat deze in strijd was met de regels van het bestemmingsplan en de destijds vigerende Verordening ruimte Noord-Brabant. Om dit ook milieukundig te formaliseren is verzocht om een gedeeltelijke intrekking van de op 15-07-2010 verleende omgevingsvergunning milieu, waar positief op is besloten op 286-2018. Sindsdien mogen er in totaal 101.950 vleeskuikens gehouden worden op het bedrijf. In de beoogde bedrijfsopzet worden alle vleeskuikens gehouden volgens het ‘Goed Nest Kip’ concept.

Hierdoor worden er in de bestaande stallen minder dieren gehouden, 14.500 vleeskuikens in stal 2, 3 en 4 en 24.800 vleeskuikens in stal 6. Daarbij wordt

3

aan te leveren,. In deze tabel moet worden opgenomen de totale emissie fijnstof, ammoniak, geur in vergunde en bestaande situatie.

Ten bate van de rundveetak mogen 62 melk- en kalfkoeien, 44 stuks vrouwelijk jongvee en 60 overig stuks rundvee gehouden worden in de bestaande stallen. Tevens worden er 2 paarden voor hobbymatig gebruik gehouden. Hier vinden geen wijzigingen aan plaats.

Tot gevoelige bestemmingen worden gerekend woningen (niet zijnde bedrijfswoningen), scholen, zorginstellingen, etc. Het RIVM (Maassen, 2012) concludeert dat door toenemende afstand verdunning van agentia in het milieu plaats vindt waardoor blootstelling lager wordt. Het hanteren van een bepaalde afstand tussen veehouderijbedrijf en woningen heeft daardoor een gunstig effect op de blootstelling van omwonenden aan geur, fijnstof, endotoxinen en zoönotische agentia.

In de beoogde bedrijfsopzet bedraagt de afstand van de stallen tot de dichtstbijzijnde woning ca 60 meter. Dit is een bedrijfswoning behorend bij een veehouderij gelegen in het buitengebied, Vlieterdijk 38. De dichtstbijzijnde bebouwde kom is gelegen op 925 meter van het bedrijf (kom van Luyksgestel).

Hoeveel gevoelige bestemmingen (scholen, zorgboerderijen, kinderdagverblijven en burgerwoningen) liggen in een straal van 250 meter vanaf het bedrijf? Geef dit aan voor zowel de huidige als de aangevraagde situatie,

In de directe omgeving van intensieve veehouderijen is sprake van gezondheidskundig relevante hogere blootstelling aan fijnstof, geur, endotoxinen en mogelijk zoönosen. Modelberekeningen laten zien dat de verhoogde blootstelling aan geur en fijnstof vanaf een afstand van 250 meter vanaf een intensieve veehouderij in de meeste gevallen is gereduceerd tot achtergrondniveau.

Binnen een straal van 1000 meter rondom het bedrijf zijn in zowel de bestaande als de beoogde situatie 6 burgerwoningen gelegen, te weten: - Hutten 2 (907 m); - Dorpstraat 63 (953 m); - Dorpstraat 61 (956 m); - Vlieterdijk 30 (887 m); - Vlieterdijk 23 (940 m); - Hondsbosserdijk (996 m).

Wanneer het initiatief een pluimveehouderij betreft, is de vraag hoeveel gevoelige bestemmingen in een straal van 1000 meter liggen. Wanneer het initiatief een geitenhouderij

Uit het VGO-vervolgonderzoek blijkt dat er sprake is van een Er bevinden zich geen overige gevoelige bestemmingen binnen verhoogde kans op longontsteking binnen 1000 meter van een 1000 meter van het plangebied. pluimveebedrijf en 2000 meter van een geitenhouderij.

Wat is de afstand van het bedrijf tot de meest nabijgelegen gevoelige bestemming, gerekend vanaf het emissiepunt tot de woning? Vergunde (huidige) situatie Aangevraagde (toekomstige) situatie

4

betreft, is de vraag hoeveel gevoelige bestemmingen in een straal van 2000 meter liggen?

4b

Is het bedrijf gelegen in een gebied waarin woningen liggen met meer dan 15 veehouderijen in een straal van 1 kilometer?

Nee Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO onderzoek) komt daarnaast naar voren dat een verlaging van de longfunctie wordt gevonden bij mensen die veel veehouderijen in hun leefomgeving hebben (15 of meer bedrijven binnen een straal van 1 kilometer afstand van een woning). Dit hangt vooral samen met het aantal veehouderijen rond de woning en hangt niet duidelijk samen met specifieke veehouderijtypen. De GGD vraagt om aan te geven hoeveel woningen het betreft die aan het criterium 15 of meer veehouderijen binnen een straal van 1 kilometer voldoen.

4c

Wat is de afstand van het bedrijf tot het meest nabij gelegen veehouderijbedrijf? welk diertype wordt hier gehouden?

4d

Hoe is het bedrijf gelegen ten aanzien van gevoelige bestemmingen (kaart van de omgeving) en nabijgelegen veehouderijen?

Het meest nabij gelegen veehouderijbedrijf is gelegen aan de Vlieterdijk 38 op een afstand van circa 60 meter. Dit betreft tevens een pluimveebedrijf.

De GGD vraagt om een kaart van de omgeving (circa 1000 meter) , omdat zo de ligging van het bedrijf ten opzichte van gevoelige bestemmingen en andere veehouderijen inzichtelijk wordt.

Een kaart van de omgeving is opgenomen in het geurrapport en luchtkwaliteitsonderzoek.

II.

Geur

Gezondheidseffecten Geur kan verschillende gezondheidseffecten oproepen bij de mens: (ernstige) hinder, verstoring van gedrag en activiteiten en stress gerelateerde somatische gezondheidsklachten (bijvoorbeeld hoofdpijn). Het meest voorkomende en beschreven (gezondheids)effect van geur is (ernstige) hinder. De beoordeling van geur is subjectief en individueel bepaald. Hoe hinderlijk mensen een geur vinden hangt onder meer af van de aangenaamheid, de duur, frequentie en intensiteit van de geur. Ook de gewenning, het tijdstip en de vermijdbaarheid van de blootstelling spelen hierbij een belangrijke rol. Uiteraard beïnvloeden ook persoonsgebonden eigenschappen de ervaren hinder. Of de hinder ook tot andere gezondheidsklachten leidt, is persoonsgebonden en afhankelijk van de persoonlijke ‘stressverwerking’ ofwel ‘coping’.

Toetsingscriteria Het uitgangspunt van de GGD is dat het recht op het verspreiden van geur samen dient te gaan met de verantwoordelijkheid om te werken volgens het ALARA-principe: ‘as low as reasonably achievable’. Daarnaast hanteert de GGD bij de beoordeling van geur gezondheidskundige advieswaarden. De maximaal toegestane geurbelasting is (uitgedrukt als effectmaat) maximaal 12% hinder in bebouwde kom (overeenkomend met redelijke goede milieukwaliteit conform bijlage 6/7 Wgv) en maximaal 20 % hinder in het buitengebied (boven 20% is sprake van een (tamelijk) slechte milieukwaliteit conform bijlage t/7 Wgv). Uit de tabel in bijlage 6/7 van de Wet geurhinder en veehouderij kan afgeleid worden welke geurbelasting dan nog acceptabel is afhankelijk van het gebiedstype (concentratie of niet concentratiegebied) en afhankelijk of het gaat om voorgrond- of achtergrondbelasting. In afwachting van de lopende evaluatie Wet Geurhinder en veehouderij hanteert de GGD als gezondheidkundige advieswaarden de waarden uit het recent onderzoek van Geelen et al.21.

1

Toetsingscriteria geur*

Toelichting

Invullen door ondernemer

Overzichtstabel van geur (voorgrond en achtergrond) voor omliggende gevoelige bestemmingen (binnen 2 km) Voor de vergunde (huidige) situatie

Met een overzichtstabel kan de GGD direct zien wat de huidige geurbelasting is en wat de geurbelasting zal zijn in de aangevraagde situatie. Met de tabel wordt inzichtelijk welke gevoelige bestemmingen betrokken

Van de huidige vergunde situatie en beoogde bedrijfsopzet zijn geurberekeningen gemaakt. De invoergegevens en rekenresultaten zijn in bijlage 5 bij de toelichting van het bestemmingsplan terug te vinden.

21 Geurhinder van veehouderij nader onderzocht: meer hinder dan Handreiking Wgv doet vermoeden?), Geelen L. et al, 2015 * Indien een BZV aanvraag is gedaan is dit gedeeltelijk ingevuld in de maatlat Geurimpact. De GGD vraagt om uitgebreidere informatie zoals de achtergrondbelasting en de geurbelasting in de huidige situatie.

2

Voor de aangevraagde (toekomstige) situatie

zijn, en hoe de geurbelasting (voor zowel voor- als achtergrond) verandert voor iedere gevoelige bestemming. Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen de belasting in de woonkern en het buitengebied. De waarden worden getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden zoals door de GGD gehanteerd. Ook ondernemers die dieren houden waarvoor geen wettelijke geuremissiefactor is opgesteld wordt gevraagd de achtergrondbelasting weer te geven.

Geef zowel voor de vergunde als aangevraagde situatie aan wat de bijdrage van het bedrijf is met betrekking tot de achtergrondgeurbelasting op de hoogst belaste gevoelige bestemming.

Door inzicht te geven in de mate van bijdrage aan de achtergrondgeurbelasting op de hoogst belaste gevoelige bestemming, wordt duidelijk wat de invloed van het bedrijf is op de geurbelasting in de omgeving.

Zie antwoorden onder 3a+b

In de overzichtstabel voor geur moeten in ieder geval de volgende gegevens aanwezig zijn: 3a

Wat is de voorgrondbelasting geur (in OU/m3) op de hoogst belaste gevoelige bestemmingen in het buitengebied en woonkern? Voor de vergunde (huidige) situatie Voor de aangevraagde (toekomstige) situatie

In de huidige situatie bedraagt de voorgrondbelasting maximaal De voorgrondbelasting is de geurbelasting die de 1,1 Oue/m3. Deze belasting wordt berekend op een woning in het veehouderij veroorzaakt bij de omliggende gevoelige buitengebied, Vlieterdijk 30. In de beoogde bedrijfsopzet blijft de bestemmingen. Het is voor de GGD belangrijk om de voorgrondbelasting op deze woning 1,1 OUe/m3. voorgrondbelasting mee te nemen, omdat deze hinder De voorgrondbelasting op de dichtstbijzijnde woning in de kom, kan veroorzaken bij omwonenden. De mate van Dorpsstraat 63, bedraagt in de huidige situatie 1,0 OUe/m3. In de hinder kan ingeschat worden op basis van de berekende beoogde situatie blijft dit eveneens 1,0 OUe/m3. Voor het volledige onderzoek naar de voorgrondbelasting zie bijlage 6 van geurbelasting. Om het verschil in de voorgrond de toelichting van het bestemmingsplan. geurbelasting in de huidige versus de aangevraagde situatie inzichtelijk te krijgen, dient deze voor beide situaties aangeleverd te worden.

3b

Wat is de achtergrondbelasting geur (in OUE/m3) op de hoogst belaste gevoelige bestemmingen in het buitengebied en woonkern? Vergunde (huidige) situatie Aangevraagde (toekomstige) situatie

In bijlage 6 van de toelichting van het bestemmingsplan is een Met de achtergrondbelasting wordt de cumulatieve onderzoek naar de achtergrondbelasting toegevoegd. Hieruit geurbelasting bedoeld. Alle veehouderijen uit de blijkt dat op alle objecten voldaan kan worden aan de normen omgeving dragen hier aan bij. Ook de gesteld in de Wet geurhinder en veehouderij en de Verordening achtergrondbelasting kan hinder veroorzaken. De ruimte. mate van hinder kan ingeschat worden op basis van de Op een woning gelegen in de bebouwde kom wordt de hoogste berekende geurbelasting. De relatie tussen de achtergrondbelasting berekend aan de Dorpstraat 63 (4,0 OUE/m3). Dit staat gelijk aan een percentage geurgehinderden geurbelasting is verschillend voor de voorgrond- en achtergrondbelasting. Ook voor de achtergrondbelasting van 6%. Op een woning gelegen in het buitengebied wordt de hoogste is het nodig om voor zowel de vergunde als de achtergrondbelasting berekend aan de Schaterdijk 24 (13,0 aangevraagde situatie de OUE/m3). Dit staat gelijk aan een percentage geurgehinderden geurbelasting aan te leveren. van 15%.

Maatregelen Er zijn verschillende maatregelen mogelijk om de geuremissie te beperken. Door de vragen uit de tabel te beantwoorden kan de ondernemer aangeven en onderbouwen welke maatregelen worden genomen binnen het bedrijf. Indien er extra maatregelen worden genomen die niet in de lijst vermeld staan, kunnen deze natuurlijk worden toegevoegd.

1

Maatregelen geur* Wat is de verandering in de geurbelasting (in OU/m3) die plaatsvindt ten gevolge van de ontwikkeling? Indien er toename in geurbelasting plaatsvindt, wordt dan vermeld: Hoeveel extra blootgestelden/ extra overbelaste woningen er zijn? Of deze blootgestelden in de woonkern of het buitengebied wonen? Of er (compensatie)maatregelen worden genomen?

2

Is er sprake van emissiearme huisvesting en stalinrichting? Zo ja, welk type? Zo nee, waarom niet?

Aanvullende informatie Uitgangspunt van de GGD is dat het recht op het verspreiden van geur samen dient te gaan met de verantwoordelijkheid om te werken volgens het ALARA-principe: ‘as low as reasonably achievable’. Indien de geurbelasting redelijkerwijs niet verder verlaagd kan worden, vraagt de GGD om een beschrijving van de maatregelen die de ondernemer neemt om de geurbelasting van zijn bedrijf zo laag mogelijk te houden.

Invullen door ondernemer Uit de berekeningen blijkt wat de effecten van de ontwikkeling zijn op de geurbelasting naar de omgeving. Door het toepassen van een lengteventilatie in combinatie met warmtewisselaars wordt de geurbelasting naar de omgeving beperkt.

Indien er sprake is van traditionele huisvesting, kan het ook met behulp van maatregelen mogelijk zijn de geuremissie te reduceren. Stallen 2, 3 en 4 worden voorzien van een luchtmengsysteem voor droging strooisellaag (BWL 2010.13.V6) in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2011.02.V3). Stal 6 wordt eveneens voorzien van een luchtmengsysteem voor droging strooisellaag (BWL 2010.13.V6) in combinatie met het type warmtewisselaar BWL 2012.03.V3. Ook de beoogde nieuwe stal wordt voorzien van een luchtmengsysteem voor droging strooisellaag (BWL 2010.13.V6) in combinatie met het type warmtewisselaar BWL 2018.05. Hier is in de toelichting op het bestemmingsplan nader op ingegaan.

Maatregelen specifiek voor gesloten stalsystemen

Invullen door ondernemer

3

Zijn de emissiepunten geplaatst aan die zijde van het gebouw waarmee omwonenden het minst belast worden?

De emissiepunten zijn zo ver mogelijk van de dichtstbijzijnde woningen geplaatst.

4

Wat is de hoogte van de emissiepunten? Wat betekent een extra verhoging van dit emissiepunt voor de omwonenden?

Het is mogelijk dat de emissie uit de schoorsteen door gebouwinvloed onvoldoende opstijgt, en daardoor in de directe omgeving van het bedrijf veel geuroverlast veroorzaakt, ondanks eerdere geurberekeningen. Hierdoor kan de situatie ontstaan dat de ondernemer aan alle vergunningen voldoet, maar er desondanks toch geuroverlast ontstaat. In het algemeen geldt dat gebouwinvloed geen rol speelt als de schoorsteen 2,5 keer zo hoog is (vanaf maaiveld) als de hoogste obstakels of gebouwen in de omgeving. De GGD adviseert daarom in knelpuntsituaties om

In de beoogde situatie zijn nokventilatie en warmtewisselaars aanwezig. Voor warmtewisselaars geldt een standaard schoorsteenhoogte, deze kan niet gewijzigd worden. Om de verspreiding zo gunstig mogelijk te maken is in de uitvoering van de nieuwste stallen (6 + 8) reeds rekening gehouden met de uitvoering van het ventilatiesysteem. Doordat er sprake is van een hoge uitlaatopening (6,8 en 7,4 meter) wordt de geurbelasting naar de omgeving beperkt. Verdere verhoging van de uitlaatopening is ruimtelijk niet gewenst.

de gebouwinvloed mee te nemen in de berekeningen en vooral om ook de mogelijkheden te onderzoeken van het (verder) verhogen van de schoorsteenhoogte.

5

In hoeverre zijn lokale geografische aspecten (gebouwinvloed) meegenomen voor het bepalen van de geuroverlast? (zoals de relatie met gebouwhoogte en ligging van het bedrijf t.o.v. de bebouwing in relatie tot de heersende windrichting in beeld in de geurmodellering)

Deze uitgebreidere modellering biedt meer inzicht in de lokale verspreiding van geur en biedt inzicht in mogelijke knelpunten. Zie vorige punt.

Voor de berekening van de geurverspreiding is gebruik gemaakt van het programma V-stacks. In dit rekenprogramma wordt rekening gehouden met de gebouwinvloeden, meteorologie en terreinruwheid.

6

Loopt de ventilatie-uitstroom verticaal in plaats van horizontaal?

Een verticale uitstroom zorgt ervoor dat geur en fijnstof zich meer verspreidt in de omgeving t.o.v. horizontale uitstroom.

Bij alle pluimveestallen is sprake van verticale uitstroom.

7

Is de opslag brijvoeder en bewerking brijvoeder/brijvoerkeuken aangesloten op een aparte luchtwasser? Zo ja, welk type luchtwasser?

Vraag advies over de effectiviteit luchtwassers. In de praktijk blijkt tevens dat in brijvoercomponenten een ander soort bacterie voorkomt die een negatieve invloed kan hebben op de werking van de bacteriën in een biologische luchtwasser. Gevolg is dat de geur vanuit de dierverblijven niet meer of minder wordt gereduceerd.

Er wordt op het bedrijf geen brijvoer gebruikt.

Er zijn inmiddels veel technieken beschikbaar die verder reduceren dan de BBT die vallen onder het Besluit emissiearme huisvesting. Maakt het bedrijf gebruik van dergelijke technieken?

Voor de reductie van geur zijn in de pluimveehouderij geen geschikte technieken beschikbaar. In onderhavige situatie worden wel technieken toegepast die de emissies van ammoniak en fijnstof reduceren.

Zo nee, waarom niet?

8

Wordt er gebruik gemaakt van technieken die maximale emissiereductie brengen, en waarom wel/niet?

9

Worden BBT ook ingezet voor de bestaande (nietemissiearme) gebouwen (in plaats van intern salderen), en waarom wel/niet?

10

Is een sluis aangebracht en onderdruk gecreëerd bij het openen van de deuren, en waarom wel/niet?

Door het aanbrengen van een sluis en het creëren van onderdruk wordt verspreiding naar de omgeving zoveel mogelijk voorkomen.

11

Wordt de inzet en het gebruik van de luchtwassers inzichtelijk gemaakt, met behulp van computergestuurde monitoringsystemen, en waarom wel/niet? Inzichtelijk maken van de inzet en gebruik van luchtwassers, met behulp van computergestuurde monitoringsystemen.

De luchtwasser dient 100% van de tijd te voldoen. Er worden geen luchtwassers geplaatst. Elektronische monitoring van nieuwe luchtwassers is wettelijk verplicht per 1-1-2013. Voor bestaande luchtwassers per 1-1-2016.

Alle stallen zijn emissiearm. Er wordt niet intern gesaldeerd.

Om de ventilatie van de stallen zo optimaal mogelijk te houden is het niet wenselijk om deuren open te laten staan. Via de aanwezige tussenruimtes is er een sluis gerealiseerd zodat te allen tijde voldoende onderdruk in de stal aanwezig is voor een goede ventilatie.

Maatregelen specifiek voor diersoorten waar geen emissiefactoren zijn vastgesteld 12

Wat is de afstand tot de dichtsbijgelegen gevoelige bestemming en de bebouwde kom wanneer dieren zonder (wettelijke) emissiefactor worden gehouden? Wordt er voldaan aan de afstanden uit de Maatlat Duurzame veehouderij, en waarom wel/niet?

De GGD hanteert vanuit gezondheidskundig oogpunt een minimale afstand voor melkvee van 100 meter en voor nertsen 200 meter22. (VNG) Afstanden houden geen rekening met cumulatie van meerdere bedrijven. Bij grote veehouderijen (bv 150 of meer melkkoeien) wordt gemeenten geadviseerd een grotere vaste afstand aan te houden en een dergelijke staffeling in haar beleid op te nemen.

Communicatie omgeving 13

Is er een omgevingsdialoog gehouden?

14

Hoe worden activiteiten (zoals mest rijden/mixen)

Invullen door ondernemer Voor rundvee en paarden zijn bij ministeriële regeling geen geuremissiefactoren opgenomen. Conform artikel 4.1 van de Wet gelden voor deze bedrijven vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De afstand dient minimaal 100 m tot objecten binnen de kom en 50 m naar objecten buiten de kom te bedragen. De afstand tussen de dierenverblijven voor het rundvee en de paarden en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object, Vlieterdijk 38 is minimaal 199 m.

Invullen door ondernemer Indien dit het geval is de beschrijving bijvoegen.

Ja, het verslag hiervan is als bijlage 8 aan de toelichting op het bestemmingsplan toegevoegd. Bij het houden van vleeskuikens is sprake van “pieken” van geur. De laatste weken van de mestronde is de geuruitstoot relatief hoog. Bij het laden van de kuikens en het afvoeren van de mest is de geuruitstoot ook even hoger, maar dat is kortstondig. Mestrijden/mixen ten behoeve van de drijfmest afkomstig van het rundvee vindt slechts enkele malen per jaar plaats. Omliggende gronden zijn in eigendom van de ondernemer. Indien nodig worden hier afspraken over gemaakt met omwonenden.

aangekondigd bij de bewoners in de lokale omgeving?

15

Hoe worden afspraken gemaakt over activiteiten, zoals tijdstippen van uitrijden mest en rekening houden met weersomstandigheden?

Initiatiefnemer spreekt omwonenden regelmatig. Regelmatig brengt hij hen op de hoogte van voorgenomen activiteiten.

16

Wat voor een klachtenprotocol heeft het bedrijf? Is de ondernemer het aanspreekpunt voor (geur)klachten, en waarom wel/niet?

Bij klachten vanuit omwonende is de ondernemer altijd bereid om in gesprek te gaan en de klacht op te lossen (indien mogelijk).

17

Wordt er bij aanhoudende klachten samen met de gemeente een klachtenanalyse uitgevoerd (met bijbehorend onderzoek, bijvoorbeeld geurrendementsmetingen, elektronische monitoring en eventuele optimalisatie die daarin mogelijk is)?

Door het uitvoeren van een klachtenanalyse wordt duidelijk wat mensen als hinderlijk ervaren (beleving van omwonenden) en zijn gerichtere maatregelen mogelijk.

22 Https://vng.nl/onderwerpenindex/milieu-en-mobiliteit/externe-veiligheid/bedrijven-en-milieuzonering, richtafstandenlijst tabel 1

Voor de beoogde bedrijfsopzet zal een vergunning worden verleend door de gemeente Bergeijk. In deze vergunning zijn voorschriften opgenomen om te garanderen dat wordt voldaan aan de geurnormen. Indien er klachten zijn kan worden bekeken hoe de klacht kan worden voorkomen.

III.

Fijn stof- endotoxine

Gezondheidseffecten Veehouderijen leveren een belangrijke bijdrage aan verhoging van fijnstofbelasting zowel regionaal als lokaal. Uit het VGO onderzoek blijkt dat een verminderde longfunctie samen lijkt te hangen met concentraties fijnstof en ammoniak. Met name de samenhang met ammoniak impliceert een relatie tussen veehouderij en longfunctie (bij alle deelnemers, onafhankelijk van eventuele luchtwegaandoeningen, wordt een verminderde longfunctie gevonden bij een verhoogde concentratie ammoniak in de lucht). Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt door omzetting in secundair fijnstof. In de nabijheid van veehouderijbedrijven zijn verhoogde concentraties endotoxinen gemeten die tot effecten op de luchtwegen kunnen leiden23, 24 en 25. Of dergelijke blootstelling ook leidt tot specifieke effecten op de gezondheid van omwonenden is nog beperkt onderzocht. De studies wijzen met name op het meer voorkomen van zelf gerapporteerde klachten van luchtwegen, verminderd welbevinden, acute klachten van ogen, neus en bovenste luchtwegen gerelateerd aan aanwezigheid van veehouderijbedrijven of hogere blootstelling aan fijnstof of endotoxinen.

Toetsingscriteria De norm voor PM10 ligt op 40 µg/m3 en maximaal 35 overschrijdingsdagen met een belasting van 50 µg/m3 . Vanuit de GGD wordt als toetsingswaarde 31,2 µg/m3 gehanteerd (advieswaarde waarin 35 dagen overschrijding met 50 µg/m3 is verrekend met 40 µg/m3). Daarnaast wordt er getoetst aan de strengere advieswaarden die door de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) zijn opgesteld (PM2,5: gemiddeld 10 µg/m3 ; PM10: gemiddeld 20 µg/m3 ). Vanaf 2015 moet ook voldaan worden aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde PM2,5 -concentratie van 25 μg/m3. Voor 2020 is de streefwaarde 20 μg/m3 . Zoals de Gezondheidsraad ook concludeert, is de norm voor PM10 en PM2,5 niet een goede parameter om de blootstelling van veehouderijbedrijven te toetsen. Bovendien treedt ook onder de PM10-norm gezondheidseffecten op. Daarom hanteert de GGD in dezen het voorzorgbeginsel en acht elke toename van de bijdrage van het bedrijf aan PM10 concentratie ten opzichte van de huidige situatie niet wenselijk. Voor endotoxinen is een advieswaarde door de gezondheidsraad voorgesteld. Deze bedraagt 30 EU/m3. Met behulp van de door het Ondersteuningsteam opgestelde handreiking is het voor varkens- en pluimveehouderijen op basis van de fijnstofemissie mogelijk de richtafstand te bepalen waarbinnen de advieswaarde voor endotoxine volgens deze toets wordt overschreden.

23 Heederik DJJ, IJzermans CJ. (Redactie) Mogelijke effecten van intensieve-veehouderij op de gezondheid van omwonenden: onderzoek naar potentiële blootstelling en gezondheidsproblemen. IRAS Universiteit Utrecht, NIVEL, RIVM, 7 juni 2011. 24 Emissies van endotoxinen uit de veehouderij, Ogink, N, et al. 2016 25 Veehouderijen en gezondheid omwonenden (VGO), Maassen K, et al, 2016

1

Toetsingscriteria fijnstof

Toelichting

Invullen door ondernemer

Overzichtstabel van fijnstof (PM10 en PM 2,5) op omliggende gevoelige bestemmingen (binnen 2 km) voor de huidige situatie Vergunde (huidige) situatie

Deze tabel geeft inzicht in de fijnstofbelasting in de vergunde versus de aangevraagde situatie. En ook welke gevoelige bestemmingen betrokken zijn, en hoe de fijnstof belasting (voor zowel voor- als achtergrond) verandert voor iedere gevoelige bestemming.

In de aanvraag omgevingsvergunning zijn berekeningen gemaakt om de verspreiding van fijnstof (PM10 en PM2,5) in de beoogde situatie inzichtelijk te maken. De rekengegevens hiervan zijn als in bijlage 7 bij de toelichting van het bestemmingsplan toegevoegd. Ten behoeve van dit toetsingsinstrument is tevens de verspreiding van fijnstof PM10 in de bestaande situatie inzichtelijk gemaakt. De rekengegevens hiervan zijn terug te vinden in de bijlagen bij deze toelichting.

Aangevraagde (toekomstige) situatie

In de overzichtstabel van fijnstof moeten in ieder geval de volgende gegevens aanwezig zijn: 1a

Wat is de totale fijnstof (PM10 en PM 2,5) 3 concentratie (in µg/m ) op de hoogste belaste gevoelige bestemmingen? Voor de vergunde (huidige) situatie Voor de aangevraagde (toekomstige) situatie

1b

Wat is de bijdrage van het bedrijf aan de fijnstof 3 (PM10) concentratie (in µg/m )? Voor de vergunde (huidige) situatie Voor de aangevraagde (toekomstige) situatie

De totale fijnstof (PM10) concentratie bestaat uit de bijdrage van het bedrijf aan de fijnstof concentratie plus achtergrondconcentratie fijnstof. Door de totale fijnstof (PM10) concentratie aan te leveren voor vergunde en aangevraagde situatie worden de veranderingen in het gebied inzichtelijker. Vanuit de GGD wordt als toetsingswaarde 31,2 3 µg/m gehanteerd (advieswaarde waarin 35 dagen 3 overschrijding met 50 µg/m is verrekend met 40 3 µg/m )

De hoogste concentratie aan fijnstof in de vergunde en beoogde situatie wordt berekend op de woning aan de Vlieterdijk 38. De berekende belasting bedraagt in de huidige situatie 22,32 µg/m3 en in de beoogde situatie 21,99 µg/m3.

Een toename van de fijnstof concentratie kan leiden tot een toename van effecten op de luchtwegen. De bijdrage van het bedrijf aan de fijnstof (PM10) concentratie moet dus worden aangeleverd voor zowel de vergunde situatie als de aanvraag.

De hoogste bronbijdrage van de veehouderij wordt eveneens berekend op de woning aan de Vlieterdijk 38 en bedraagt 2,01 µg/m3 in de huidige situatie en 1,68 µg/m3 in de beoogde situatie.

2

Voor varkenshouderijen en pluimveehouderijen: Hoeveel woningen liggen in de huidige en beoogde situatie binnen de richtafstand voor endotoxine, berekend op basis van de fijnstofemissie (huidig en beoogd).

Voor endotoxinen is een advieswaarde door de gezondheidsraad opgesteld. Deze bedraagt 30 3 EU/m . Met behulp van de handelingsnotitie toetsingskader endotoxine 1.0 van het Ondersteuningsteam is voor varkens en pluimvee de richtafstand te bepalen waarbinnen de advieswaarde endotoxine wordt overschreden. Binnen deze afstand hebben omwonenden een verhoogd risico op gezondheidseffecten ten gevolge van de blootstelling aan endotoxinen.

In de huidige situatie liggen er twee bedrijfswoningen binnen de richtafstand voor endotoxinen en in de beoogde situatie nog één bedrijfswoning. Dit wordt nader uiteen gezet in hoofdstuk 5 van deze toelichting.

Maatregelen Voor elk agrarisch bedrijf geldt dat het belangrijk is om, mét de uitstoot van fijnstof, ook de daaraan gekoppelde biologische agentia te beperken. Met het recht om de voorgestelde activiteiten uit te voeren komt ook de verantwoordelijkheid om te werken volgens het ALARA-principe: ‘as low as reasonably achievable’. De ondernemer dient te onderbouwen welke maatregelen genomen worden om de uitstoot te beheersen volgens het ALARA-principe. Door de vragen uit de tabel te beantwoorden kan de ondernemer aangeven en onderbouwen welke maatregelen worden genomen binnen het bedrijf. Indien er extra maatregelen worden genomen die niet in de lijst vermeld staan, kunnen deze natuurlijk worden toegevoegd. Maatregelen fijnstof

Aanvullende informatie

Invullen door ondernemer

1

Wordt het aantal dieren in traditionele huisvestingsystemen verminderd (bijv. door oude stal niet meer te gebruiken voor veehouderij na gereedkomen nieuwe stal of oude stal aan te passen aan nieuwe eisen), en waarom wel/niet?

Minder dieren in traditionele, niet-emissiearme huisvesting leidt tot minder blootstelling van omwonenden aan fijnstof/ micro-organismen.

2

Welke maatregelen worden genomen om de uitstoot van fijnstof / micro-organismen te reduceren? Enkele voorbeelden zijn:

Maatregelen die op fijnstof- en geurreductie zijn gericht, zullen ook de kans op uitstoot van microorganismen verkleinen. Een ondernemer kan zelf de Maatlat duurzame veehouderij - eisen

Stallen 2, 3 en 4 worden voorzien van een luchtmengsysteem voor droging strooisellaag (BWL 2010.13.V6) in combinatie met een warmtewisselaar (BWL 2011.02.V3). Stal 6 wordt eveneens voorzien van een luchtmengsysteem voor droging strooisellaag (BWL 2010.13.V6) in combinatie met het type warmtewisselaar BWL 2012.03.V3. Ook de beoogde nieuwe stal wordt voorzien van een luchtmengsysteem voor droging strooisellaag (BWL 2010.13.V6) in combinatie met het type warmtewisselaar BWL 2018.05. Hier is in de toelichting op het bestemmingsplan nader op ingegaan. Om de emissie van fijnstof te reduceren worden er op alle stallen emissiereducerende technieken toegepast in de vorm van warmtewisselaars, BWL 2012.03.V3 met een emissiereductiefactor van 13%, BWL2011.02.V4 met een emissiereductiefactor van 31% en BWL 2018.05 met een emissiereductiefactor van 50%.

Aangepast strooisel bij pluimvee. Aanpassing lichtschema’s. Oliefilm drukleidingen Droogfilterwand Ionisatiefilter Warmtewisselaar

hanteren. Hiervoor is een subsidiemaatregel beschikbaar. Per diercategorie kunnen maatregelen variëren. Voorbeeld: Winkel et al. (2012) keken naar vijf technieken om de concentratie fijnstof in stallen te verlagen. Drie technieken bereikten een duidelijke vermindering in de concentratie: • IC-ionIC: een systeem dat stofdeeltjes een elektrische lading geeft (36% reductie); • lienippel: een systeem dat olie aanbrengt op de huid van de varkens; de stofdeeltjes worden aan de olie gebonden (28%); • flimmerfilter: een filtersysteem (23-49%).

3

Worden technieken (luchtwassers) met maximale emissiereductie ingezet, in combinatie met de inzet van emissiearme systemen, en waarom wel/niet?

Het rendement in emissiereductie wat met een luchtwasser behaald kan worden hangt af van het type. Met combiluchtwassers worden de hoogste rendementen behaald (circa 80%) terwijl met waterwassers of chemische luchtwassers de rendementen veel lager zijn (circa 30-35%). De reductie van luchtwassers staat ter discussie. In praktijkmetingen zijn grote bandbreedtes gemeten.

Bij pluimveehouderijen is het technisch nog niet mogelijk om luchtwassers goed te laten werken. Op het bedrijf worden alternatieve maatregelen genomen om de emissie vanuit de stallen te beperken. Deze maatregelen zijn beschreven onder punt 2.

4

Wordt er gebruik gemaakt van technieken (BBT’s) die maximale emissiereductie brengen, en waarom wel/niet? Inzet luchtwasser

Er is geen gezondheidskundige drempelwaarde 3 voor fijnstof. De norm van 40 µg/m (gecorrigeerd voor het aantal toegestane overschrijdingsdagen 3 31,2 µg/m ) beschermt onvoldoende tegen gezondheidseffecten. Daarom adviseert de GGD om te sturen op

Zie punt 2.

Inzet technieken in de stal (zie boven).

maximale emissiereductie, ook al voldoet het bedrijf zonder BBT ook aan de norm.

5

Wordt de inzet en het gebruik van de luchtwassers inzichtelijk gemaakt, met behulp van computergestuurde monitoringsystemen, en waarom wel/niet?

De luchtwasser dient 100% van de tijd te voldoen. Er worden geen luchtwassers geplaatst. Elektronische monitoring van nieuwe luchtwassers is wettelijk verplicht per 1-1-2013. Voor bestaande luchtwassers per 1-1-2016.

6

Wordt de ventilatie-uitlaat verhoogd, en waarom wel/niet? Stroomt de ventilatie-uitlaat verticaal uit, en waarom wel/niet?

Er is sprake van verticale uitstroming waardoor er een betere Door verhoging en verticale uitstroom van de lucht verspreiding van fijnstof plaatsvind. Dit komt de concentratie in treedt er een grotere verdunning op van de de directe omgeving van het bedrijf ten goede. concentraties op leefniveau. Als de uitstroomopening van 5 meter naar 10 meter wordt verhoogd wordt de fijnstofconcentratie op 50 meter afstand ca. 7x, op 100 meter ca. 3x en op 250 meter ca. 1,5x zo laag. Kanttekening is wel dat stoffen hiermee, hoewel in lagere concentraties, verder verspreid worden in de leefomgeving.

IV.

Zoönosen

Gezondheidseffecten Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Per diersoort kunnen verschillende ziekten voorkomen die zich via de lucht verspreiden naar mensen, via direct contact tussen dier en mens of via voedsel. Voor omwonenden zijn vooral de via de lucht overdraagbare aandoeningen van belang. De belangrijkste zijn Q-koorts en influenza (vogelgriep, varkensgriep). De aanwezige veehouderijen zorgen voor een (mogelijke) verhoogde blootstelling aan via de lucht overdraagbare zoönosenverwekkers en antibioticaresistente bacteriën die leiden tot een verhoogd risico op infectieziekten of onbehandelbare infecties. Het is nog niet goed inzichtelijk vanaf welke concentraties of binnen welke afstand tot aan veehouderijen het risico verhoogd is. Alleen bij een uitbraak met Q-koorts is er, op basis van wetenschappelijk onderzoek, een verhoogd risico op besmetting en ziekte bij omwonenden, in relatie tot afstand van woonhuis en melkgeitenhouderijen tot een afstand van 5 kilometer26. Verder zijn er aanwijzingen dat bij enkele zoönosenverwekkers zoals Coxiella burnetti (veroorzaker Q-koorts), Campylobacter (veroorzaker darminfecties) en veegerelateerde MRSA, de bedrijfsgrootte een risicofactor is voor de werknemers binnen het bedrijf zelf om besmet te raken.

Of deze bedrijfsgrootte ook een risico is voor besmetting bij omwonenden is onbekend, behalve bij Q-koorts.

Maatregelen

Mogelijk kan ook bedrijfsmanagement effect hebben op verspreiding naar de omgeving, bijvoorbeeld wanneer veehouders de stallen schoonspuiten naar buiten, stallen openen bij aanvoer/afvoer dieren, of stallen en ventilatiesystemen niet goed onderhouden. Om de infectierisico’s voor mensen in direct contact te verminderen kunnen op twee niveaus maatregelen genomen worden: de aanwezigheid van zoönoseverwekkers bij de dieren verminderen en transmissie van dier naar mens tegengaan. Met behulp van diverse maatregelen kan de verspreiding en uitstoot van deze zoönosenverwekkers en bacteriën voorkomen dan wel beheerst worden. Om een inschatting te kunnen maken van de risico’s, is het nodig dat de afdeling Infectieziektenbestrijding van de GGD weet welke maatregelen er op dit gebied door de ondernemer genomen worden. Het is hierbij belangrijk dat de maatregelen zo precies mogelijk beschreven worden.

26 Maassen CBM, van Duijkeren E, van Duynhoven YTHP, Dusseldorp A, Geenen P, de Koeijer AA, Koopmans MPG, Loos F, Jacobs-Reitsma WF, de Jonge R, van de Giessen AW. Infectierisico's van de veehouderij voor omwonenden. RIVM Rapport 609400004, 2012.

Maatregelen zoönosen27, 28

Aanvullende informatie

Invullen door ondernemer

Huisvesting 1

Wordt er een huisvestingsysteem gebruikt dat gericht is op beheersing van introductie en verspreiding van micro-organismen, en waarom wel/niet?

Beschrijving van huisvesting systeem. Bij sommige huisvesting systemen in de kans op insleep en verspreiding veel minder dan bij andere stallen; bijvoorbeeld dichte en open stallen/ emissiearme stalsystemen.

Op het bedrijf is sprake van een traditioneel huisvestingsysteem voor het houden van melkvee en paarden. Deze dieren worden tevens beweid. De vleeskuikens worden gehouden in stallen met een luchtmengsysteem voor droging van de strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar. De vleeskuikenstallen worden dicht uitgevoerd en er is geen sprake van een uitloop voor de vleeskuikens waardoor de ziekteinsleep wordt beperkt.

2

Is de professionele expertise van een dierenarts betrokken bij het stalontwerp (ontwikkeling van stal en huisvestingssysteem), en waarom wel/niet?

De dierenarts heeft kennis van preventie van dierziekten.

Een dierenarts komt regelmatig op het bedrijf. Bij het ontwerp van de stal is overleg gevoerd met verschillende specialisten op verschillende takken zoals klimaat, stalontwerp, voer- en watergebruik en ook diergezondheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=GemeenteBergeijk&id=49f59ca0-538b-4ee8-8c72-367a17b6c7c2