CConstaterende datErmelo
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan e240022019

Gemeenteraad 10 juli 2024, gemeente ErmeloBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan De Horsterhoeve32.592 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

4 alinea's met “monumenten”: 618 627 628 629

31

name de actieve mobiliteit wordt door Ermelo gestimuleerd, met de vitaliteit als doel. Bereikbaar Ermelo is een bedrijvige gemeente, in zowel de recreatiesector, zorgsector en er is bijvoorbeeld ook sprake van vracht- en landbouwverkeer. Ook voor bewoners en mensen en bedrijven die zich willen vestigen is bereikbaarheid essentieel. Een uitgebalanceerde verkeersstructuur is onontbeerlijk om de stromen in goede banen te leiden. Binnen de kom van Ermelo en de buurtschappen is 30km per uur de norm. Buiten de bebouwde kom is dit 60km per uur. Op deze manier wordt er duidelijkheid gegeven over het gewenste gedrag, en zal de weginrichting hieraan bijdragen. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie De ontwikkeling bevindt zich op enige afstand van de kern van Ermelo. Desalniettemin wordt er ingezet op goed 'klimaat' voor lopen en fietsen. Voor het overgrote deel van de woningen is het niet mogelijk om met de auto op de Horster-Engweg te komen vanuit het plangebied. Hiervoor dienen automobilisten de gehele Spijkweg uit te rijden. Fietsers en voetgangers kunnen wel een directe doorsteek maken waardoor zij sneller richting de kern Ermelo en het Winkelcentrum Drielanden kunnen komen. Tevens komt er een aansluiting op het fietspad ten zuiden van het plangebied, welke op de Buitenbrinkweg uitkomt.

Hiermee wordt fietsen en lopen gestimuleerd, wat bijdraagt aan het vitaal zijn en blijven. Daarnaast worden er diverse paden binnen het plangebied gerealiseerd, waardoor het wandelen binnen de woonwijk wordt gestimuleerd. Alle wegen in de woonwijk zullen 30 km per uur wegen worden. Hier is tevens rekening mee gehouden met de inrichting van deze wegen. Deze wegen nodigen niet uit tot het harder rijden dan 30 km per uur.

32

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Algemeen

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.

4.2

Bodem

Algemeen Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf. Onderzoek Door PJ Milieu BV is in februari 2022 een verkennend bodem-, asbest in grond- en indicatief asfaltonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 3 bijgevoegd. De conclusies van dit onderzoek worden hierna kort behandeld. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' ten aanzien van het verkennend bodemonderzoek geen stand houdt. In de grond zijn licht verhoogde gehalten aangetoond. In het grondwater zijn licht tot sterk verhoogde gehalten arseen en licht verhoogde gehalten barium aangetoond. Arseen en barium hebben echter een natuurlijke oorsprong (niet veroorzaakt door menselijk handelen). Een nader grondwateronderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Op basis van een indicatieve kwaliteitsbepaling van de aanwezige asfaltverharding (brokken) ter plaatse van het zuidelijke toegangs-/wandelpad is geconcludeerd dat er geen gehalte PAK boven de detectiegrens is aangetoond en wordt derhalve als niet teerhoudend beoordeeld. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' voor het asbest in grondonderzoek ter plaatse van de spoelzone geen stand houdt. Er is geen asbest aangetroffen en/of aangetoond. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen herziening van het bestemmingsplan. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodemof asbest in grondonderzoek te adviseren. Conclusie Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.3

Water

Algemeen Europees- en rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlakte waterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten zijn bereikt. Op Rijksniveau is het Nationaal Waterplan het voornaamste beleidsplan. In december 2009 is dit plan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen

33

overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Regionaal waterprogramma 2021-2027 Het Regionaal waterprogramma beschrijft hoe de provincie Gelderland komende jaren aan de slag gaat met water. Waterschappen houden hier rekening mee in hun Waterbeheerprogramma. Het heeft ook gevolgen voor het toetsen van milieubelastende activiteiten (die mogelijk gevolgen hebben voor watersystemen) en wateractiviteiten, zoals beschreven in de Omgevingswet. Daar waar nodig zet de provincie hulpmiddelen in om onze doelen te bereiken. Dit kan de provinciale Omgevingsverordening zijn, maar bijvoorbeeld ook samenwerkingsovereenkomsten onder andere met waterschappen. Dit beleidsdocument gaat in op de betrokkenheid van de provincie vanuit diverse invalshoeken in op het gebied van water, namelijk: water en ondergrond; drinkwater; waterveiligheid en wateroverlast; natuur; waterkwaliteit. Waterschap Vallei en Veluwe Waterbeheerprogramma Waterschap Vallei en Veluwe Op 22 november 2022 is het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) vastgesteld. Het BOP is de tactische uitwerking van de Blauwe omgevingsvisie (BOVI2050).

Met als overkoepelend thema ‘een waardevolle leefomgeving’, worden de maatschappelijke thema’s klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie en biodiversiteit, gekoppeld aan de drie waterprincipes en geïntegreerd in vier gebiedsprogramma’s. Ermelo valt binnen het gebiedsprogramma Noord Veluwe. In en rondom Ermelo zijn de volgende doelen opgesteld: Kansen benutten voor verbeteren watersysteem en versterken natuurwaarde in zone Veluwe – Wolderwijd-Nuldernauw tussen Ermelo en Putten; Deelnamen en kennis leveren aan klimaatadaptieve maatregelen, geïnitieerd door derden zoals klimaatmantels (bufferen hemelwater) rond stedelijke kernen; Met partners in de kernen lokaal water vasthouden op de flanken (in stedelijk gebied). Keur Waterschap Vallei en Veluwe Op 1 januari 2014 is de nieuwe Keur met de Algemene regels en Beleidsregels van het Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt deze regels vast ter behartiging van de waterschapstaak en het bereiken van de doelstelling zoals genoemd in artikel 2.1 van de Waterwet. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. Watertoets Belangrijk instrument om water belangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Onderzoek Door Arcadis is in 2022 de watertoets gestart. Een proces van informeren, afstemmen en adviseren over relevante waterhuishoudkundige aspecten zodat tijdig (ruimtelijke) kansen en knelpunten worden gesignaleerd. Afstemming heeft plaatsgevonden met de initiatiefnemer, het stedenbouwkundig bureau, de gemeente Ermelo en Waterschap Vallei en Veluwe. Het resultaat van de watertoets is bijgevoegd als Bijlage 4. Aan de hand van de (geohydrologische)

34

gebiedskenmerken en doelstellingen voortkomend uit het vigerend waterbeleid zijn ontwerpmaatstaven geformuleerd. Vervolgens is het ruimtelijk planvoornemen getoetst op de maatstaven met als doel het realiseren van een klimaatbestendig, waterbewust en onderhoudsvriendelijk inrichtingsplan. De conclusies van het watertoetsrapport zijn hieronder samengevat. Vigerend waterbeleid Voor de uitwerking van het ontwerp zijn voor de aspecten riolering, grondwater, waterkwantiteit, -kwaliteit, beheer en onderhoud en klimaat de uitgangspunten gehanteerd gebaseerd op het vigerend beleid van de gemeente (visie Klimaatadaptatie, Klimaatplan, ZAP/BRP), het Waterschap (Keur) en de Regiogemeenten Noord-Veluwe (Klimaatadaptief bouwen Noord-Veluwe). Aanvullend zijn door Arcadis ontwerpmaatstaven toegevoegd ontleend aan de Kennisbank Stedelijk water. Ontwatering De optredende grondwaterstanden bepalen de mate van ophoging om te voldoen aan de ontwateringsnormen. Uitgangspunt is dat grondwaterstanden niet worden verlaagd door het toepassen van drainagemiddelen. Voor het hebben van voldoende ontwatering wordt doorgaans gekeken naar de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Er is echter geen langdurige meting beschikbaar om een GHG te bepalen. Op basis van de nu opgehaalde meetdata, de hoogtekaart en de greppelstructuur is een Representatief Hoogste Grondwaterstand aangenomen (RHG).

De grondwaterstroming loopt af van noordoost naar het zuidwest. De RHG ligt naar verwachting op circa 2,30 m +NAP in het noordoosten tot circa 1,50 m +NAP in het zuidwesten. Aan de hand van de hoogteligging en de isohypsen lijnen valt af te leiden dat er overal voldoende ontwateringsdiepte aanwezig is. De toekomstige hoogtes sluiten goed aan op bestaande hoogteligging, afgeleid uit de inmeting. Voor het plan De Horsterhoeve is dan ook geen sprake van een grootschalige ophoging. Afwatering en berging particulier terrein In lijn met de doelstellingen van het klimaatadaptief inrichten van stedelijk gebied wordt hemelwater op eigen terrein opgevangen en verwerkt. Elke kavel krijgt standaard een infiltratievoorziening met 60 mm inhoud over het bebouwd oppervlak. Het is aan de bouwer/bewoner om alternatieven toe te passen die bijvoorbeeld duurzamer zijn. Te denken valt aan een vegetatiedak of een combinatie met een buffersysteem om hemelwater te benutten. De achtertuinen met terrasverhardingen en eventuele tuinhuisjes verwerken het hemelwater in eigen tuin door natuurlijke infiltratie (via het gazon/plantborders), indien nodig aangevuld met voorzieningen (regenton, infiltratie-unit). De verhardingen in de voortuin (de oprit) kan bovengronds afvoeren naar de openbare ruimte waar het water via de berm, wadi of greppel kan infiltreren en bij hevige neerslag afvoeren.

De bergingsvoorzieningen op eigen terrein krijgen een overloopmogelijkheid naar de openbare ruimte. De overloop dient op of voor de perceelsgrens bovengronds te worden uitgevoerd. Zodra de berging van 60mm benut is kan overtollig hemelwater afvoeren zonder dat overlast op eigen terrein dreigt te ontstaan. Voor de kavels met onvoldoende ruimte voor infiltratie op eigen terrein, bijvoorbeeld het appartementencomplex, worden bergingsgebieden (wadi's) aangewezen die de vereiste 60mm berging over de particuliere verhardingen realiseren. Afwatering openbare ruimte De beoogde opzet van de wijk en de verschillen in hoogte lenen zich goed voor een bovengrondse afvoer van hemelwater. Dit is kostenbesparend (geen tweede rioolbuis) en draagt bij aan het waterbewustzijn. Door zoveel mogelijk af te voeren in het aanliggend groen kan hemelwater wegzakken naar de ondergrond zoals de klimaatvisie voorschrijft. De wegen hebben een afwatering op de berm met aanliggend een greppel. Het hemelwater kan hier direct wegzijgen naar de ondergrond, Bij hevige neerslag vindt er een afvoer plaats naar benedenstrooms waar ruimte is voor een waterberging. Deze waterberging is droogvallend ingericht (wadi) en heeft een overloopmogelijkheid op uiteindelijk de Tweelingbeek. De wegen die niet direct op een naastgelegen berm kunnen afwateren worden in een hol wegprofiel aangelegd

35

met een molgoot in de as van de rijbaan. De molgoot voert het water vervolgens af naar de greppels. In het noorden van het plangebied ligt de Horsterengweg, deze bestaande weg wordt geïntegreerd in het plan. Aan de noordkant grenzen particuliere percelen die behouden blijven en aan de zuidzijde ontstaan nieuwe bouwkavels. De bestaande percelen en rijbaan hebben geen afwateringsvoorziening, anders dan infiltratie op eigen terrein. In de praktijk levert dit overlast in de vorm van plasvorming. Om de bestaande situatie te verbeteren en tegelijkertijd een goede afwatering te realiseren voor de nieuwbouw is gekozen om in de rijbaan naast een (nieuw) vuilwaterriool ook een hemelwaterriool aan te leggen. Dit hemelwaterriool voert af op een wadi, gelegen in de Meent (hoofdentree). De wadi zorgt voor de berging van het aangesloten verhard oppervlak. De wadi krijgt een overloop op een te graven greppel langs de westelijke plangrens met afvoer naar de Tweelingbeek. Deze nieuwe greppel hersteld een greppelstructuur die gedempt blijkt te zijn en waardoor nu plaatselijk wateroverlast wordt ervaren. Voor het binnenterrein van de woonhofjes wordt het hemelwater bovengronds afgevoerd naar de groene openbare randen. Daar waar het hemelwater niet bovengronds kan afvoeren naar het openbaar groen worden voorzieningen getroffen.

Dit kan zijn water passerende bestrating met een onderliggend bergingspakket of een lijngootconstructie. Verder wordt het daadwerkelijk verhard oppervlak tot een minimum beperkt om een groene uitstraling te stimuleren. Hiervoor wordt het parkeren in half verhardingen uitgevoerd als ook de voet- en fietspaden. In onderstaande afbeelding is de beoogde afwateringstructuur weergegeven.

Afwateringsprincipe plan Horsterhoeve

36

Beheer en onderhoud De droogvallende bergingsvoorzieningen in de openbare ruimte (wadi's en greppels) worden door de gemeente Ermelo onderhouden. De openbare bergingsvoorzieningen worden opgenomen in de legger (B of C-status). Op deze manier zijn ze beschermd voor het geval er sprake is van functieverlies door bijvoorbeeld een onvoorziene demping. Het goed functioneren van de voorziening op eigen terrein is een verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar, de gemeente handhaaft. Waterberging openbare ruimte Het plan heeft een groenblauw karakter met veel mogelijkheden om hemelwater van verhardingen op te vangen. De bodem kenmerkt zich over het algemeen door matig grof zand met een doorlatendheid van circa 1,0 m/dag. De grondwaterstanden zitten gedurende het grootste deel van het jaar op meer dan 70 cm en diep genoeg om het hemelwater via de bodem te laten wegzijgen. De bergingsopgave in de openbare ruimte wordt bepaald door het openbaar verhard oppervlak. Particuliere verharding wordt in eerste instantie op eigen terrein verwerkt. In vergelijking met de bestaande verhardingen blijkt er sprake van een toename van 21.700 m2. Deze toename is > 1500 m2, volgens de keur van waterschap Vallei en Veluwe is dan een watervergunning vereist waarbij aantoonbaar 60 mm berging over het nieuw verhard oppervlak wordt gerealiseerd. Dit is gelijk aan de ontwerpmaatstaf van de gemeente.

In onderstaande afbeelding met tabel zijn de afstroomgebieden met verhardingshoeveelheden omgerekend naar de benodigde berging in m3 en m2 bodemoppervlak en vergeleken met het minimaal beschikbaar oppervlak. Geconcludeerd wordt dat er voldoende ruimte beschikbaar is voor het halen van de benodigde waterberging in de openbare ruimte voor de openbare verhardingen.

Afstroomgebieden

In totaal is er sprake van een overcapaciteit. Tegelijkertijd is de bergingscapaciteit van bermpassages en de nieuw te graven greppels niet meegenomen, ook zijn de half verhardingen nog voor 100% meegeteld. Bij de nadere uitwerking kan de overcapaciteit worden benut op het moment dat specifieke kavels (o.a. appartementencomplexen) geen mogelijkheid hebben om hun eigen berging van 60 mm te realiseren. Op basis van de beschikbare restruimte aan openbaar groen en de nog niet meegenomen bergingscapaciteit van bermpassages en greppels levert dit geen problemen op bij de nadere uitwerking. Conclusie De watertoets is in goed overleg met de gemeente Ermelo en het waterschap Vallei en Veluwe doorlopen. De gezamenlijke conclusie is dat vanuit het aspect water geen belemmeringen aanwezig zijn voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.4

Erfgoed

Archeologie

37

Algemeen In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Onderzoek Voor een groot deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

Op deze gronden mag niet worden gebouwd, indien daarvoor dieper dan 0,30 m in de bodem zal worden geroerd en de oppervlakte van het nieuwe bouwwerk of de uitbreiding van het bestaande bouwwerk meer dan 100 m2 bedraagt. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen ontwikkeling (circa 11 hectare met bodemingrepen dieper dan 50 cm -Mv) archeologisch vooronderzoek nodig is. Tevens heeft het bevoegd gezag aangegeven dat het noordelijk deel, zonder dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie', ook meegenomen moet worden in het onderzoek. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Door Transect is in oktober 2022 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5. Hieronder worden de conclusies van dit onderzoek kort behandeld. Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op nederzettingsresten uit het Laat-Paleolithicum B tot en met het Neolithicum en een hoge verwachting op het aantreffen van nederzettingsterreinen en watergerelateerde vondsten uit de Vroege Middeleeuwen D tot en met de Late Middeleeuwen B. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied op de zuidzijde van een dekzandrug, waar tijdens opgravingen reeds een nederzettingsterrein uit de 9e-14e eeuw is vastgesteld.

Voor de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen C is sprake van een lage verwachting, aangezien het plangebied op dat moment in een veenmoeras ligt. Uit de Nieuwe tijd worden uitsluitend sporen van agrarisch landgebruik en terreininrichting verwacht. Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat tot de maximaal geboorde diepte van 260 cm - Mv (0,13 m +NAP) dekzand is aangetroffen, dat in grote delen van het terrein verspoeld is geraakt. Er is echter nog sprake van een hooggelegen deel van het terrein, dat aansluit op de reeds bekende vindplaats te noordoosten van het plangebied. In de top van het (verspoelde) dekzand en in de Almere afzettingen kan sprake zijn van archeologische resten uit de Vroege Middeleeuwen D tot en met de Late Middeleeuwen B. Daarbij zal aan de noordzijde van het plangebied naar verwachting sprake zijn van hoofdzakelijk grondsporen en vondstcomplexen, aan de zuidzijde van het plangebied zullen hoofdzakelijk verspreide watergerelateerde vondsten worden aangetroffen, afhankelijk van de exacte landschappelijke ligging. Dor de beperkte erosie van het dekzand is de verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum B tot en met het Neolithicum echter in zijn geheel naar een lage verwachting bij te stellen. In het gehele plangebied is sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten.

De aard van de aan te treffen resten varieert echter in het plangebied. Ter plaatse van de zone met de hoge verwachting op het aantreffen van nederzettingsresten (circa 4,0 ha) adviseert Transect tot het uitvoeren van een karterend en waarderend onderzoek, gericht op de aanwezigheid en aard van eventuele archeologische vindplaatsen. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven. Ter plaatse van de zone met een hoge verwachting op het aantreffen van watergerelateerde vondsten (7,4 ha)

38

adviseert Transect ook tot het uitvoeren van een aanvullend karterend onderzoek. Dit onderzoek kan gezien de verwachting op het aantreffen van verspreide grote vondsten en een specifieke landschappelijke context waarin deze worden aangetroffen, het beste worden uitgevoerd in de vorm van een aantal lange, smalle proefsleuven verspreid over het terrein. Selectieadvies regio archeoloog Uit overleg met de regio archeoloog blijkt dat de dubbelbestemming archeologie zoals deze is opgenomen in het vigerend bestemmingsplan niet juist is. Het noordelijke deel van het plangebied, momenteel zonder dubbelbestemming archeologie, heeft juist een hoge archeologische verwachting. Het zuidelijke deel van het plangebied, met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', heeft juist een lage archeologische verwachting. Proefsleuvenonderzoek Het proefsleuvenonderzoek is in januari 2024 uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 6 bijgevoegd. Tijdens dit onderzoek zijn in het noordoostelijke deel van het onderzoeksgebied sporen en vondsten aangetroffen die dateren in de periode van de 11e -13e eeuw. De sporen en vondsten sluiten aan bij die van een opgraving uit 2010. Die opgraving vond plaats direct ten noorden van de vindplaats die nu is aangetroffen. In de opgraving uit 2010 lijkt de vindplaats in zuidelijke richting begrenst te zijn.

Dit zou onderschreven worden door de aanwezigheid van een veelvoud aan greppels. Nu blijkt uit het sleuvenonderzoek dat er toch meer structuren van de nederzetting aanwezig zijn. Het archeologisch onderzoeksbureau Transect adviseert om rond het cluster 3 in het noordoostelijke deel een vlakdekkende opgraving uit te voeren. Op deze manier wordt een compleet beeld verkregen van de aanwezige vindplaats. De regioarcheoloog die namens de gemeente Ermelo optreedt, heeft dit advies overgenomen. Inmiddels heeft de opdrachtgever de werkzaamheden tot een opgraving in gang gezet. In 2024 zal de opgraving uitgevoerd gaan worden aan de hand van een door de gemeente goedgekeurd PvE. Vanwege de geplande opgraving kan de dubbelbestemming archeologie voor het hele te ontwikkelen plangebied achterwege blijven.

Conclusie Het aspect archeologie vormt, na het opgraven van cluster 3 geen belemmering voor de realisatie van het

39

onderhavige bestemmingsplan. Cultuurhistorie Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelingsen gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland De provincie Gelderland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven. De provincie beoogt hiermee de identiteit van de Gelderse regio's te behouden door cultuurhistorische elementen herkenbaar te maken en in stand te houden. Daarnaast zet ze in op een constante ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden door uitvoering te geven aan programma's en projecten. Onderzoek Uit de verwachtingskaart erfgoed van Provincie Gelderland blijkt dat in het plangebied geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig zijn. In het plangebied vindt een herinrichting plaats met behoud en versterking van aanwezige waarden en karakteristieken van de landschappelijke omgeving. Voorliggend plan zorgt dan ook niet voor een aantasting van bestaande cultuurhistorische waarden in het plangebied en omgeving.

Conclusie Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische gewaardeerde aspecten of monumenten aanwezig. De bebouwing in het plangebied is niet aangewezen als (rijks)monument en het betreffen geen (bijzondere) karakteristieke gebouwen. Daarnaast zijn ook in de (directe omgeving) geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en worden ook niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige bestemmingsplan.

4.5

Flora en fauna

Algemeen De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door

40

middel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is onder de Wnb vrijwel hetzelfde gebleven. Wel zijn de Beschermde Natuurmonumenten komen te vervallen. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat als naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld moeten worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is vastgelegd in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) en is ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland. Het GNN bestaat enerzijds uit alle gebieden met een natuurbestemming binnen de voormalige Ecologisch Hoofdstructuur (EHS) en anderzijds uit gebieden voor nieuw aan te leggen natuur. Daarnaast maken de reeds gerealiseerde delen van verbindingszones deel uit van het GNN. De gebieden uit de voormalige EHS met een andere bestemming dan natuur zijn ondergebracht in de Groene Ontwikkelingszone (GO), welke is gericht op het versterken van de ecologische samenhang door de aanleg van ecologische verbindingszones.

De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming, heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet Natuurbescherming vanaf 1 januari 2017 bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming, de door de betreffende provincie gekozen soorten uit het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en met alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Onderzoek Quickscan natuurtoets Door Buro Ontwerp & Omgeving in mei 2022 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft de ‘Veluwerandmeren’, dat gelegen is op een afstand van circa 240 meter ten noordwesten van het projectgebied . Andere Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand zijn de Veluwe (ca. 3,4 km) en Arkemheen (ca. 6,7 km). Gezien het type werkzaamheden en de ligging van het projectgebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn er geen negatieve effecten als oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door trilling, geluid en mechanische effecten. Door het gebruik van werktuigen kunnen er wel indirecte gevolgen zijn door stikstofdepositie vanuit de lucht. Omdat drie Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand van het plangebied liggen vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen van deze gebieden. Om eventuele effecten van de stikstofuitstoot op nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk te maken is een AERIUS-berekening uitgevoerd (zie paragraaf 4.6). Het plangebied ligt op circa 240 meter afstand van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en circa 230 meter van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het GNN en de GO bij de werkzaamheden niet aangetast.

41

Soortenbescherming Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het plangebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Alle onderstaande soorten dienen nader onderzocht te worden. Vleermuizen: Tijdens het veldbezoek zijn invliegopeningen aangetroffen in gebouwen die vleermuizen toegang kunnen bieden tot potentiële verblijfplaatsen. Het gaat bijvoorbeeld om openingen onder kantpannen, houten voorschotten, nokvorsten en langs dakranden. Daarnaast kunnen de eikenopstanden behoren tot een vliegroute of essentieel foerageergebied. Bunzing: De randen van het plangebied behoren mogelijk tot de functionele leefomgeving van de bunzing door de aanwezigheid van heggen. Indien de heggen worden verwijderd kunnen negatieve effecten op de bunzing niet worden uitgesloten. Eekhoorn: Tijdens het veldbezoek werd een eekhoornnestkast aangetroffen in de eikenopstanden naast een schuur. Indien de eekhoornkast en de omliggende eikenopstanden worden verwijderd kunnen negatieve effecten op de eekhoorn niet worden uitgesloten. Steenuil: Tijdens het veldbezoek werd een potentiële nestlocatie aangetroffen in een elzensingel vlak buiten de oostelijke grens van het plangebied. Hierdoor behoren delen van het plangebied mogelijk tot het functioneel leefgebied van de steenuil.

Gierzwaluw: Tijdens het veldbezoek zijn invliegopeningen aangetroffen in gebouwen die gierzwaluwen toegang kunnen bieden tot potentiële nestlocaties. Het gaat bijvoorbeeld om openingen onder kantpannen en onder dakpannen langs de kilgoot. Indien de gebouwen worden gesloopt zou dit kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming als deze als nestplaats fungeren voor gierzwaluwen. Huismus: Tijdens het veldbezoek zijn invliegopeningen aangetroffen in gebouwen die huismussen toegang kunnen bieden tot potentiële nestlocaties. Daarnaast kunnen huismussen eventueel tot broeden komen in de hooibalen die zijn opgeslagen bovenin de hooimijten en onder de voorste blikken pannen van enkele bungalows. Indien de gebouwen worden gesloopt zou dit kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming als deze als nestplaats fungeren voor huismussen. Stofzaad: Op basis van openbare verspreidingsgegevens blijkt dat het strikt beschermde stofzaad eventueel voor kan komen in de omgeving van het plangebied. De soort groeit onder meer in duineikenbossen. Gezien de aanwezigheid van een eikenopstand op een zandrug is de aanwezigheid van de soort niet op voorhand uit te sluiten. Indien de eikenopstanden verwijderd worden kunnen negatieve effecten niet worden uitgesloten.

Nader onderzoek ecologie Er is, na aanleiding van de quickscan natuurtoets, een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd in en rondom het plangebied. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Van de eerder genoemde soorten zijn drie zomerverblijven en vijf paarverblijven van de gewone dwergvleermuis, één rust-of verblijfplaats van de steenmarter, één rust- of nestplaats van de steenuil en twaalf nestlocaties van de huismus gevonden. Tevens is het plangebied een functioneel leefgebied van de steenuil. Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming voor de gewone dwergvleermuis, steenmarter, steenuil en huismus is een activiteitenplan opgesteld. Deze is als Bijlage 9 bijgevoegd. Tot slot heeft provincie Gelderland op 25 mei 2023 een definitief besluit genomen om de ontheffing te verlenen. Dit besluit is opgenomen als Bijlage 10. Tot slot is er tevens nader onderzoek uitgevoerd ter plaatse van één erfpachtwoning die gesloopt zal worden. Dit nader onderzoek is gecombineerd met het nader onderzoek ter plaatse van de elzensingel en is bijgevoegd als Bijlage 12. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen nest- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis zijn gevonden. Gewijzigde positie rotonde In verband met de gewijzigde positie van de rotonde dienen een aantal elzen in een elzensingel te worden verwijderd.

Ten behoeve hiervan is een separate quickscan ecologie uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11. Hieronder worden de conclusies van dit onderzoek kort behandeld. De eventuele aanwezigheid van de steenmarter en de bunzing dienen nader onderzocht te worden. In de elzensingel is dicht struweel aanwezig die voldoende dekking kan bieden om te kunnen dienen als rust- of verblijfplaats voor de steenmarter. Tevens biedt de locatie beschutte ruimtes onder vegetatie en kan daarom

42

functioneren als rustplaats voor de bunzing. Nader onderzoek Vanwege de mogelijke aanwezigheid van de steenmarter en de bunzing, is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de positie van de nieuw aan te leggen rotonde. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 12. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen nest- of verblijfplaatsen van de steenmarter of bunzing zijn vastgesteld. Op basis van het onderzoek kunnen negatieve effecten op de marterachtigen worden uitgesloten met betrekking tot de onderzochte elzensingel. Geluidscherm Spijkweg Tussen de Rijksweg A28 en de Spijkweg zal een geluidscherm worden gerealiseerd. De locatie betreft een 2 à 3 meter brede berm met ruigte en een met vegetatie begroeid hekwerk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt het bestaande hekwerk met klimopbegroeiing verwijderd. In het plangebied zijn ook diverse jonge iepen en espen aanwezig. Deze blijven behouden of zullen worden verplant. Vanwege de geplande ontwikkeling is een quickscan ecologie uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 13 bijgevoegd. Hieronder worden kort de conclusies van dit onderzoek behandeld. Gelet op de geschiktheid van het plangebied voor de steenmarter en bunzing is nader onderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van het plangebied voor deze soorten te kunnen bepalen.

Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. Om de aanwezigheid van de soorten aan te kunnen tonen wordt minimaal zes weken onderzoek gedaan. Indien buiten de actieve periode onderzoek wordt gedaan moet een onderzoeksperiode van minimaal twaalf weken worden gehanteerd. Onderzoek naar de bunzing vindt plaats aan de hand van een combinatie van onderzoeksmethoden, namelijk met cameravallen en marterboxen. Voor de steenmarter is geen onderzoeksprotocol beschikbaar, maar waarnemingen van deze soort kunnen worden gedaan met de cameravallen die voor de bunzing worden geplaatst. Tevens worden er dassenrasters en dassentunnels gerealiseerd. Nader onderzoek Vanwege de mogelijke aanwezigheid van de bunzing, steenmarter en wezel is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de positie van het nieuw aan te leggen geluidscherm. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 14. Uit dit onderzoek blijkt dat de steenmarter en bunzing niet zijn aangetroffen. Wel werd de wezel met regelmaat vastgesteld. Vrijwel alle waarnemingen van deze soort werden gedaan in het noordelijke deel van het plangebied.

Hierdoor dient er vanuit te worden gegaan dat de werkzaamheden zorgen voor het verlies van een rust- of voortplantingsplaats van de wezel, alsmede dat de functionele leefomgeving van deze soort (al dan niet tijdelijk) wordt aangetast. Activiteitenplan Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is voor de wezel een activiteitenplan opgesteld. Dit activiteitenplan is bijgevoegd als Bijlage 15. Het activiteitenplan geeft aan welke (voorzorgs)maatregelen moeten worden getroffen. Tegelijkertijd wordt een ontheffing aangevraagd bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland). Verwacht wordt dat deze ontheffing wordt verleend. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

4.6

Stikstof

Algemeen Gezien de huidige stikstofproblematiek is het noodzakelijk voorafgaand aan de te volgen procedures de gevolgen voor de stikstofdepositie in beeld te brengen. Middels een stikstofdepositie onderzoek is de exacte depositie van het project op de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk maakt.

43

Onderzoek Het is niet op voorhand uit te sluiten of er sprake is van een significante toename van stikstof-depositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. De uitvoering van een stikstofdepositieonderzoek is daarom noodzakelijk en moet middels AERIUS-berekening uitgevoerd worden. Door Creaft Advies is in oktober 2023 een AERIUS-berekening uitgevoerd, welke is bijgevoegd als Bijlage 16. Aanlegfase Het huidige camping-/ bungalowpark wordt beëindigd in het kader van deze ontwikkeling. Er is sprake van een vergunde situatie van voor de aanwijsdatum van het Natura 2000 gebied Veluwe en er is sprake van een directe samenhang. Ook zou de activiteit direct weer hervat kunnen worden. Hiermee kan derhalve intern gesaldeerd worden. Op grond van deze interne saldering is ook dan geen sprake van significante effecten. De conclusie is dat in de aanlegfase, van zowel de woningen als de rotonde en het geluidscherm, geen sprake is van significant negatieve effecten. Significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Gebruiksfase Op basis van de stelregels van de Provincie Gelderland en de Omgevingsdienst Noord Veluwe zijn lijnbronnen ten behoeve van verkeer van toekomstige bewoners ingevoerd. Er is een gedetailleerd overzicht van lijnbronnen gemaakt, welke per huizenblok uiteenvalt.

Het verkeer in de gebruiksfase leidt met toepassing van interne saldering niet tot significante effecten. De conclusie is dat in de gebruiksfase geen sprake is van significant negatieve effecten. Significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. Conclusie Op grond van de uitgevoerde Aerius-berekeningen blijkt dat zowel in de aanlegfase als gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op het Natura 2000 gebied Veluwe (en/of andere gebieden). Er is dan ook per definitie geen sprake van significant negatieve effecten en een nadere (passende en/of ecologische) beoordeling op grond van artikel 2.7:1 jo. 2.8:1 Wnb is dan ook niet aan de orde. Het bevoegd gezag kan derhalve medewerking verlenen aan het vaststellen van het bestemmingsplan en/of de afgifte van de Omgevingsvergunning. Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

4.7

Akoestiek

Algemeen De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door industrie, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en gezoneerde industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Onderzoek Voor het initiatief is door Buro Ontwerp & Omgeving in maart 2024 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 17 bijgevoegd. Selectie van geluidsbronnen In de omgeving van de nieuwe woningen liggen geen spoorlijnen en gezoneerde bedrijventerreinen zijn in de

44

nabijheid van de nieuwe woning niet aanwezig. Het plangebied ligt dan ook niet in de zones van spoorlijnen en gezoneerde bedrijventerreinen. Akoestisch onderzoek naar spoorlijnen en gezoneerde bedrijventerreinen is dan ook niet nodig. Ten westen van de nieuwe woningen ligt de A28. Deze snelweg heeft vier rijstroken. De zone van deze weg bedraagt 400 meter op basis van de Wgh. Een deel van de nieuwe woningen ligt dan ook in de zone van de snelweg. Ten oosten van de snelweg ligt de Spijkweg. Deze weg ligt in buitenstedelijk gebied en heeft twee rijstroken. De zone van de Spijkweg bedraagt 250 meter op basis van de Wgh. Een deel van de woningen ligt dan ook in de zone van de Spijkweg. Het plangebied wordt ontsloten op de Spijkweg en in oostelijke richting door twee ontsluitingswegen. Deze ontsluitingswegen krijgen een 30 km/uur-regime. Formeel geldt voor deze weg volgens de Wgh geen onderzoeksplicht, omdat de maximaal toegestane snelheid 30 km/uur bedraagt. De verkeersintensiteiten op deze twee ontsluitingswegen zijn dusdanig dat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet kan worden uitgesloten. Daarom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de ontsluitingswegen. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk naar de geluidhinder afkomstig van de A28, de Spijkweg en de ontsluitingswegen.

Resultaten Om de geluidsbelasting bij de nieuwe woningen te verlagen wordt een geluidsscherm van 4,5 meter hoog en 520 meter lang tussen de A28 en de Spijkweg gerealiseerd. Door het geluidsscherm tussen de A28 en de Spijkweg wordt bij de woningen worden voldaan aan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB ten gevolge van de A28. Op basis van de Wgh is de verlening van hogere waarden mogelijk ten gevolge van de A28. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van de Spijkweg. Aangezien bij de nieuwe woningen, na het treffen van de maatregelen, wordt voldaan aan de hoogst toelaatbare geluidsbelasting uit de Wgh is de realisatie van de woningen vanuit akoestisch oogpunt zonder meer mogelijk. De geluidsbelastingen liggen binnen de geluidsnormen uit de Wgh. Op grond van de Wgh zijn de optredende geluidsbelastingen dan ook acceptabel. Daarnaast moet er nog worden gekeken naar de cumulatieve geluidsbelasting. De cumulatieve geluidsbelasting is van belang voor de berekening van de vereiste gevelisolatie. Volgens het Bouwbesluit 2012 moet een akoestische binnenwaarde van 33 dB bij wegverkeerslawaai worden gegarandeerd. De hoogste cumulatieve geluidsbelastingen (LCUM) is 61 dB. De minimaal benodigde gevelwering is 28 dB. De minimale gevelwering van een standaard gevelconstructie bedraagt, op grond van het Bouwbesluit 2012, 20 dB.

In een aanvullend bouwakoestisch onderzoek moet worden onderzocht of aanvullende gevelmaatregelen nodig zijn om de binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit 2012 te halen. Verlening hogere waarden Het doel van de Wgh en het gemeentelijke geluidsbeleid is geluidhinder te voorkomen. Maatregelen om de voorkeursgrenswaarde te bereiken zijn bijvoorbeeld het toepassen van stil wegdek op de A28, het vergroten van de afstand tussen de woningen en de weg of het toepassen van dove gevels. Het is niet mogelijk of gewenst om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In het gemeentelijke geluidbeleid ‘Beleidskader Geluid en Bestemmingsplannen’, d.d. juni 2007, ligt de nadruk op het voorkomen van geluidhinder. Echter de verlening van hogere waarden is mogelijk wanneer de geluidsbelasting niet kosteneffectief is terug te brengen naar de voorkeursgrenswaarden, dan wel dat er overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard zijn. Op basis van het gemeentelijke geluidbeleid en de Wgh kan de gemeente Ermelo een hogere waarde verlenen afkomstig van de A28. De verlening van de hogere waarde vindt plaats in een aparte hogere waarde-procedure gelijktijdig met de ruimtelijke procedure.

De gemeente Ermelo heeft voor de verlening van hogere waarden gemeentelijk geluidsbeleid vastgesteld. In het

45

gemeentelijke geluidsbeleid worden de volgende eisen gesteld voor de verlening van hogere waarden: Geluidsluwe gevel: Bij het overgrote deel van de woningen is er sprake van een geluidsluwe gevel (gevel die voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB). Bij 60 grondgebonden woningen en ongeveer 45 appartementen is er geen sprake van een geluidsluwe gevel in het stedenbouwkundige ontwerp. In de definitieve ontwerp van de woningen zal aandacht zijn voor het geluid afkomstig van het wegverkeer, zodat bij zoveel mogelijk woningen sprake is van een geluidsluwe gevel. Woningindeling: Bij alle woningen is de cumulatieve geluidsbelasting, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh, maximaal 53 dB. Daarmee wordt voldaan aan de indelingseis uit het gemeentelijke geluidsbeleid aangezien deze indelingseis geld voor woningen waarbij de 53 dB wordt overschreden. Buitenruimte: Op basis van het gemeentelijke geluidsbeleid is er sprake van een geluidsluwe buitenruimte wanneer de geluidsbelasting maximaal 53 dB [geluidsluwe gevel (48 dB) + 5 dB). Op basis van de stedenbouwkundige schets zijn de geluidsluwe buitenruimten bepaald. De buitenruimte bij de grondgebonden woning is de tuin en de waarneemhoogte van 1,5 meter is daarom representatief. De buitenruimte bij de appartementen is het balkon de buitenruimte.

Bij de appartementencomplexen is op iedere verdieping dan ook een waarneempunt gerealiseerd. Bij het grootste deel van de circa 266 woningen wordt voldaan aan de vereisten uit het gemeentelijke geluidsbeleid. Bij een deel van de woningen (57 grondgebonden woningen en ongeveer 45 appartementen) hebben geen geluidsluwe gevel (gevel die voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB). De gemeente Ermelo kan gemotiveerd afwijken van het gemeentelijke geluidsbeleid. Het afwijken van het geluidsbeleid omdat er sprake is van de volgende zwaarwegende reden. De behoefte aan woningen in de gemeente Ermelo is uitermate hoog, dit terwijl er binnen de gemeente maar weinig geschikte locaties beschikbaar zijn voor woningbouw. Door de ligging midden op de Veluwe en daarmee te midden van Natura 2000 maakt dat maar weinig gronden aangewend kunnen worden voor woningbouw. Om die reden is er in mei 2021 een motie aangenomen door de gemeenteraad van Ermelo. De motie constateert dat er voor de korte-, middellange- en lange termijn blijvend woningen nodig zijn voor verschillende doelgroepen in Ermelo. Gezien het beperkte aanbod aan woningbouwlocaties en de grote behoefte aan woningen en het feit dat de locatie in de huidige situatie reeds bebouwd is, is reden om in deze specifieke situatie af te wijken van het gemeentelijke geluidsbeleid.

Conclusie Het aspect akoestiek vormt, na het treffen van maatregelen en het verlenen van hogere waarden, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

4.8

Luchtkwaliteit

Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet

46

langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming.

Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Onderzoek Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Desalniettemin is er met behulp van de NIBM-tool een berekening gemaakt of de bijdrage van het extra verkeer als gevolgd van de ontwikkeling invloed heeft op de luchtkwaliteit.

NIBM-tool

Door Goudappel (Bijlage 21) is berekend dat er op een weekdaggemiddelde circa 1.700 verkeersbewegingen plaatsvinden. In de stikstofberekening (Bijlage 16) is berekend hoeveel vrachtverkeer per etmaal zich van en naar het plangebied begeven. Op basis van de het aantal woningen bedragen deze: 266 woningen * 0,02 = 5,32 vrachtwagens (licht + zwaar). Op het totaal van 1.700 verkeersbewegingen komt dit neer op circa 0,3%. Om deze reden is het aandeel vrachtverkeer in de NIBM-tool dan ook op 0,3% gezet. Uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is dan ook geen nader onderzoek benodigd. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling in het plangebied niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. De monitoringstool geeft

47

inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2020 en 2030. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario's laten in de toekomst een afname van concentraties zien. Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen. Gezien een deel van de ontwikkeling binnen 300 meter van een Rijksweg plaatsvindt, dient er getoetst te worden aan de grenswaarden. Het rekenpunt dat het dichtst bij het plangebied ligt (Rekenpunt: 15876469) kent de volgende gemeten waarden voor NO2 en PM10 in 2020: NO2 : 16,906 µg/m3 PM10 : 15,712 µg/m3 Voor beide verbindingen geldt een grenswaarde van 40 µg/m3. De hoeveelheid NO2 en PM10 in het plangebied blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's.

Conclusie Voorgenomen ontwikkeling draagt niet bij aan de (verslechtering) van de luchtkwaliteit. Daarnaast voldoet de blootstelling op locatie aan de geldende grenswaarden. Derhalve kan worden geconcludeerd dat luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Bedrijven en milieuzonering

Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het plangebied mogelijk is. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd.

De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies. Onderzoek Gezien de huidige functies en de omliggende functies kan het gebied worden getypeerd als 'gemengd gebied'. Het gehele gebied Horst-Noord kan worden gezien al gemengd gebied, vanwege de verschillende functies (wonen, agrarisch, recreatie, natuur). Tevens loopt de Rijksweg A28 langs het plangebied. Om deze reden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd. Hinderveroorzakende functies in het plangebied Binnen het plangebied wordt de bestemming 'Maatschappelijk' toegekend aan de Meent. Het is nog niet geheel duidelijk welke functie er exact wordt gegeven aan deze locatie. De locatie zal in ieder geval voorzien in een

48

maatschappelijke functie voor de wijk, waarbij gedacht kan worden aan een buurthuis of ontmoetingsplek. De functie zal binnen milieucategorie 1 of 2 vallen. Milieucategoriën 1 en 2 zijn goed mengbaar met woonfuncties. Om deze reden wordt er geen hinder verwacht vanuit de maatschappelijke functie op de omliggende woningen. De nieuwe woningen binnen het plangebied kunnen worden aangeduid als milieuhindergevoelig. Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied Rondom het plangebied liggen verschillende (agrarische) bedrijven en inrichtingen. Om die reden is in juli 2022 door Buro Ontwerp & Omgeving een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 18. Hieronder worden de conclusies van dit onderzoek kort behandeld. Geconcludeerd wordt dat er voor wat betreft de palingrokerij aan de Buitenbrinkweg 48B wordt voldaan aan de richtafstanden. De grens van het plangebied ligt op circa 360 meter van de palingrokerij, waar de grootste richtafstand 300 meter bedraagt. Voor het windmolenpark Horst en Telgt geldt op basis van de VNG-publicatie een richtafstand van 300 meter. De grens van onderhavig plangebied ligt op circa 1.500 meter van de dichtstbijzijnde windmolen af. Er wordt daarmee voldaan aan de richtafstanden voor een 'rustige woonwijk'.

In de afgelopen jaren is de kennis omtrent eventuele hinder vanuit windmolens echter vergroot. De aspecten die voornamelijk voor hinder kunnen zorgen zijn slagschaduw en geluid. Voor de woningen die buiten de 5-uur (per m2) contour liggen, kan met zekerheid gesteld dat aan de voorheen geldende normen uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Uit onderzoek blijkt dat de slagschaduw ter plaatse van onderhavig plangebied maximaal 4 uur per jaar bedraagt. Hiermee speelt slagschaduw geen rol van betekenis voor onderhavig plan. Volgens het Activiteitenbesluit wordt het geluidniveau vanwege een windturbine of een combinatie van windturbines dat optreedt op de gevels van gevoelige bestemmingen en geluidgevoelige terreinen, getoetst aan de waarden Lden=47 dB en Lnight=41 dB. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidniveaus in onderhavig plangebied ruimschoots voldoen aan deze waarden. Geluidniveaus in onderhavig plangebied zullen minder dan 36 dB bedragen. Hiermee ondervinden de nieuw te realiseren woningen geen hinder van het windmolenpark, en belemmeren de nieuw te realiseren woningen ook het windmolenpark niet. Voor het recreatiepark aan de Horster-Engweg geldt een richtafstand van 50 meter. De grens van het plangebied ligt op 0 meter afstand. Formeel gezien wordt niet aan de richtafstanden tot het kampeerterrein voldaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14203842/1