Verslag participatie ambtenaren en ketenpartners 12 juli 2022
Tekst van het document
- MEMO Memo
DATUM KENMERK VAN AAN
18 juli 2022 20220409/23898/ Linda de Jong, Rho Bart Mulder, Gemeente Epe
PROJECT OPDRACHTGEVER
20220409 Uitwerkingskader Zon en WInd Gemeente Epe
BIJLAGE(N)
VERSLAG PARTICIPATIE AMBTENAREN EN KETENPARTNERS 12 JULI 2022 Op dinsdagochtend 12 juli heeft de tweede sessie voor ambtenaren en ketenpartners plaatsgevonden. In de inleidende presentatie door Rho is de aanwezigen verteld op welke manier zij deze ochtend input kunnen leveren op de gebiedsindelingen en de randvoorwaarden van op dit moment belangrijkste bouwstenen: Zon op Land en Erfmolens. Drie groepen, met een mix van ambtenaren en ketenpartners, hebben zich gebogen over posters met de gebiedsindelingen bestaande uit ‘Ja, mits’, ‘Nee, tenzij’ en ‘Nee’. Naast deze gebiedsindelingen werd input gevraagd op de verschillende aspecten per bouwsteen. Aspecten voor Erfmolens Aspecten voor Zon op Land 1. Behoefte / noodzaak 1. Dragende structuren 2. Beperkingen tot eigen opwek 2. Maatvoering 3. Toegestane aantal windturbines 3. Clustering 4. Maximale hoogte 4. Landschappelijke inpassing, 5. Landschappelijke waarden 5. Opstelling 6. Landschappelijke inpassing 6. Nee, tenzij 7. Cultuurhistorische waarden 7. Koppelkansen 8. Ecologische waarden 9. Voldoende afstand tot grote windturbines 10. Voldoende afstand tot hoogspanningsleidingen 11. Aandacht voor ruimtelijke kwaliteit turbines 12. Naast turbines met wieken zijn er ook zogenaamde ‘ridge blade’ op daken mogelijk Het was lastig om in de beperkte tijd alle vragen te beantwoorden. Toch is er veel input opgehaald.
ALGEMEEN Neem het Uitwerkingskader van Zon en Wind van buurgemeenten. Zorg dat je niet het wiel opnieuw uitvindt.
ERFMOLENS GEBIEDSINDELING In alle drie de groepjes werd de vraag gesteld: Moeten we sommige gebieden wel uitsluiten voor erfmolens? De afwegingen hiervoor zijn verschillend, namelijk: - We moeten eerst goed in kaart brengen wat de ecologische beperkingen zijn. Als deze beperkt zijn, zouden erfmolens mogelijk wel toegestaan kunnen worden in natuurnetwerken en groene ontwikkelzones.
-
-
De opgave voor het opwekken van duurzame energie is zo groot, dat we het moeten toejuichen als ondernemers hun eigen energieverbruik zelfstandig willen opwekken. Dat zou dan ook moeten gelden voor erfmolens. Waarschijnlijk is de opbrengt op de Veluweflank wel lager door het glooiende landschap, maar als een boer daar wel erfmolens wil, dan zouden we dat toch juist wel moeten toestaan. Er zijn veel recreatiebedrijven in de Veluweflank. Het energieverbruik van deze bedrijven is erg hoog. Eigen energie opwekken is lastig, omdat het land amper gebruikt kan worden voor Zon op Land, omdat recreatiebedrijven juist geld verdienen met het verhuren van accommodaties op recreatiegrond. Erfmolens zou voor hen een uitkomst kunnen bieden om toch (deels) te voorzien in hun eigen energievraag.
RANDVOORWAARDEN Behoefte/noodzaak Op de markt van erfmolens is te zien dat boeren liever kiezen voor een erfmolen die 10 meter hoger is, maar 30% meer rendement oplevert. Deze hogere opbrengst kan behaald worden zonder daarvoor 30% meer te hoeven betalen. We zouden als randvoorwaarden kunnen stellen dat een agrariër pas een erfmolen mag plaatsen als hij al zonnepanelen heeft geplaatst en/of kan aantonen dat zonnepanelen niet mogelijk zijn op zijn gronden of daken. Beperkingen tot eigen opwek Als we de hoogte van een erfmolen af laten hangen van de energiebehoefte, dan kan er verrommeling in het landschap ontstaan, doordat er molens staan met verschillende hoogtes. Het nadeel van erfmolens toestaan die alleen voorzien in het eigen gebruik van de agrariër, dan kunnen overschotten niet zomaar uitgewisseld worden. Positionering In een van de groepjes gaat de voorkeur uit naar erfmolens toestaan in dezelfde structuur als de landschappelijke structuren. Op deze manier hoeven erfmolens niet persé op het erf te blijven staan, zolang ze bijvoorbeeld de structuur van de weg en/of bomenrij maar volgen. Hiervoor zou dan een afstand vanaf die weg en/of bomenrij moeten worden afgesproken. 20 meter vanaf de weg werd geopperd. In een ander groepje wordt gesteld dat erfmolens nabij schuren, stallen en de boerderij moeten komen.
Dus clustering van de bebouwing op het erf en niet op de uiterste grenzen van het erf. Innovatie Twee groepen halen de dorpsmolen aan als innovatie waar we rekening mee moeten houden in het Uitwerkingskader. Een initiatief dat compleet gedragen wordt door een dorp en waarvan de opbrengst ook compleet naar het dorp gaat. Een dorpsmolen heeft vaker een hogere as-hoogte dan een erfmolen. Moeten we voor een dorpsmolen ook een hoogte opnemen? Overeenstemming over de vorm en hoogte van een dorpsmolen zou een goede uitkomst zijn uit een proces met het dorp zelf. Ook niet agrarische bedrijven Erfmolens zouden we ook mogelijk moeten kunnen maken bij niet-agrarische bedrijven die solitaire in het landschap staan.
2/5
ZON OP LAND GEBIEDSINDELING In een groepje werd de vraag gesteld: Waarom zijn de Broeklanden in de IJsselvallei ‘nee, tenzij’? Dit zou ‘ja, mits’ moeten zijn. In deze gebieden zitten veel grote agrarische bedrijven. Door de strengere stikstofregels zullen boeren hun bedrijf anders moeten gaan inrichten. Voor hun bedrijven zijn zonneparken juist een goed alternatief of een goede aanvulling. Innovatie om dezelfde grond voor zo veel mogelijk doelen te gebruiken is hierbij belangrijk. In de andere groep werden de volgende opmerkingen gemaakt over de gebiedsindelingen: ● Rondom 14 beken in de Beekdalen zal juist een goede combinatie gemaakt kunnen worden met zonnepanelen en wateropvang. Er liggen hier grote klimaatopgaves. Dit is nu een ‘nee, tenzij’ gebied, maar dit zou best een ‘ja, mits’ gebied kunnen zijn. ● Er zit nog een weidevogelgebied in het noorden van de Broeklanden. Voorstel is om maar een percentage te gebruiken voor Zon op Land en hier extra randvoorwaarden aan te stellen. ● Zon op Land is juist het meest interessant dichtbij de grote energieverbruikers, denk hierbij dan vooral aan bedrijventerreinen. Ook de derde groep ziet juist kansen voor bedrijventerreinen. Zij voegen hieraan toe: laat deze zonneparken direct aansluiten op grootverbruikaansluitingen van grote bedrijven of op een batterij op het bedrijventerrein.
● Wanneer de koppeling wordt gemaakt met recreatie zijn de plekken rondom kernen juist wel weer interessant. In de derde groep ziet nog kansen in de Groene Ontwikkelingszone (niet in de GNN), mits dit goed wordt onderzocht. Mogelijk is hier kleinschalige opwek toch mogelijk. (Graag overleggen met Guido n.a.v. zijn opmerking: ‘beide enkgronden horen dezelfde kleur te hebben’)
RANDVOORWAARDEN Opvallend was dat ieder groepje een belangrijkste randvoorwaarden voor Zon op Land heeft omschreven. Voor de een was dit: Functie volgt ondergrond / waterpeil! Voor de ander was dit: een zonnepark moet altijd worden ingepast in het landschap. Functie volgt ondergrond / waterpeil! De ondergrond bepaald wat er qua duurzame energie opwek op het land mogelijk is. Alles wat er op het land gebeurt moet ten dienste staan aan de ondergrond. Zon op Land moet zorgen dat het systeem van de ondergrond weer in balans komt. De volgorde zou dus moeten zijn: 1. Wat voor ondergrond is dit? 2. Wat heeft deze ondergrond nodig? O.a. bodemkwaliteit / waterberging / biodiversiteit. Het is in alle gevallen belangrijk dat de grond extensief onderhouden wordt. 3. Op welk manier kunnen we die behoefte vervullen in combinatie met het opwekken van duurzame energie via zonnepanelen? Innovaties kunnen hier een belangrijke rol bij spelen. Een zonnepark wordt altijd ingepast in het landschap De zichtbaarheid van het zonnepark is erg locatie afhankelijk. Langs een snelwegweg zal het zonnepark zichtbaar mogen zijn meer in het landschap is waarschijnlijk meer inpassing nodig. Dit zal in overleg met bewoners moeten gebeuren.
3/5
-
-
Het proces is net zo belangrijk (en misschien wel nog belangrijker) als de landschappelijke inpassing. De stappen die genomen moeten worden in het proces, zouden eigenlijk inzichtelijk gemaakt moeten worden in het Kader zon het wind. Er ligt wel een opgave. Dat niet uit het oog verliezen. Bewoners kunnen hun wensen aangeven, een expert moet kijken of met deze wensen de landschappelijke inpassing gemaakt kan worden. Vooraf gestelde randvoorwaarden moeten de bewoners kunnen helpen. Local voor local kan helpen bij het vergroten van het draagvlak.
1. Dragende structuren Het opwekken van wind- en zonne-energie moeten we zo veel mogelijk langs snelwegen realiseren. Echter, waak voor eentonigheid van de beleving van het ‘snelweglandschap’ voor de gebruikers van de snelweg. Met andere woorden: zorg voor onderbrekingen zodat het niet alleen een ‘industrieel’ landschap is dat langs de snelwegen wordt gerealiseerd. 2. • • • • •
• • •
Maatvoering 50 ha tot 2030. Zorg voor driekwart grootschalig en een kwart kleine parkjes. In de nabijheid van bewoond gebied niet te groot en een goede inpassing van groot belang. Wat ‘goede inpassing’ is kan in voorschriften worden vastgelegd én onderdeel zijn van de procesparticipatie. Langs snelwegen en in de nabijheid van bedrijventerreinen grotere parken toestaan. Bij industrie (nu op de kaart aangeduid als een zone niet geschikt voor zon… (klopt dat)) zonneparken wel mogelijk maken en afname elektriciteit koppelen aan de energieopgave van de industrie (met andere woorden: zonneparken rechtstreeks aansluiten op de grootverbruikersaansluiting van de industrie). Aansluiten op perceelopbouw (met andere woorden: neem de perceelgrenzen in acht om zonneparken mogelijk te maken). Dit zorgt voor een nette ordening en geen lappendeken/lapjeskat. Bij grotere kavel is aansluiting op de perceelopbouw minder relevant. Liever niet een standaard maatvoering voorschrijven. Laat een Omgevingsparticipatie leidend zijn voor de uiteindelijke maatvoering.
3. Clustering Een zonnepark kan ruimtelijk zijn verspreid doordat er houtwallen/sloten/wegen/enz. tussen de velden liggen, maar technisch kunnen al die velden tot één groot park aan elkaar gekoppeld / geclusterd zijn. Het andere groepje zegt juist dat als we voor spreiding kiezen er ook afstand tussen de parken nodig is, zodat ze ook echt gespreid liggen in het landschap. Dit groepje kiest voor spreiding voor alle landschapstypen. Een deelnemer voegde toe: ‘Als we de wetten van de natuur volgen is spreiding de norm’. 4. Landschappelijke inpassing Het is goed om per gebied een percentage panelen / groen te bepalen als randvoorwaarden. Een max. aantal hectare is niet nodig, het gaat om de verhouding panelen / groen. Als de panelen tijdelijk zijn is het belangrijk dat het geïnvesteerde groen (deels) blijft, ook nadat de panelen verdwijnen. Ook hiervoor kan een percentage worden afgesproken. Voorbeeld percentages zonnepanelen t.o.v. groen zouden kunnen zijn: • Oude bouwlanden: 60% panelen – 40% groen • Natte heideontginningen: 75% panelen - 25% groen • Beekdalen: 40% panelen – 60% groen
4/5
Een andere groep zegt dat het belangrijk is om rekening te houden met de landschapsbeleving. Dit punt heeft o.a. betrekking op de hoogte van de installaties. Op hogere gelegen gronden een lagere installatie toestaan dan op lagere gelegen gronden. Waarom: een hogere installatie op hoger gelegen gronden heeft impact op de zichtlijnen en landschapsbeleving. Deze groep voelt ook niks voor ‘schaamgroen’. De derde groep stelt dat voor alle gebieden geldt dat aansluiting moet worden gevonden bij de gebiedskenmerken en het proces dat met inwoners doorlopen moet worden. 6. Nee, tenzij gebieden De koppeling van innovatie bij ‘nee, tenzij’ gebieden is goed. Echter bij ‘ja, mits’ gebieden zal innovatie ook gestimuleerd moeten worden. 7. Koppelkansen Ook de andere groep stelt dat dubbelgebruik een minimale vereiste zou moeten zijn, liever multigebruik. Bij grondcompensatie kan gedacht worden aan de teelt van biobased bouwmaterialen. Innovatie mag niet ten koste van alles. Veel mensen willen de zonneparken niet zien, ook niet bij innovatie. Overleg met de omgeving is hierin belangrijk. Dubbel grondgebruik in combinatie met landbouw kan effect hebben op het landschap. Bijvoorbeeld doordat de panelen hoger worden. Dubbel grondgebruik is geen vrijbrief andere randvoorwaarden los te laten. In een groep werd de vraag gesteld: ‘Wat is de tijdspanne.
1 jaar, 10 jaar? Door innovatie kan de ruimtevraag anders worden de komende 10 jaar. Hoe wordt hiermee omgegaan in het kader Zon en Wind?’
5/5