CConstaterende datEpe
Koppel je AI →
Document · PDF

T NL IMRO 0232 VAA032OosthofzUitw-OBP1

Gemeenteraad 26 januari 2023, gemeente EpeBij agendapunt: Vaststelling Lijst ingekomen stukken14.700 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

Uitwerkingsplan | Toelichting

Oosterhof Zuid

Gemeente Epe

Datum: 24 mei 2022 Projectnummer: 190600.01 ID: NL.IMRO.0232.VAA032OosthofzUitw-OBP1

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging plangebied Geldende bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 4 6

2

Planbeschrijving

7

2.1 2.2 2.3

Historische context Huidige situatie Toekomstige situatie

7 8 9

3

Beleid en regelgeving

15

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

15 17 19 21

4

Milieu- en omgevingsaspecten

24

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

24 25 27 28 30 31 34 37 38 40 40

5

Juridische toelichting

42

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

Algemeen Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels De verbeelding

42 42 43 44 45 45

6

Uitvoerbaarheid

46

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

46 46

Bijlagen Bijlage 1: stedenbouwkundig plan en inrichtingsplan Bijlage 2: toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 3: vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 4 t/m 7: verkennende bodemonderzoeken Bijlage 8: akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 9: riolerings- en waterhuishoudkundig plan Bijlage 10: quick scan natuur Bijlage 11: stikstofonderzoek Bijlage 12: nader soortenonderzoek Bijlage 13: archeologisch bureau- en booronderzoek Bijlage 14: verkeerstoets Bijlage 15: verslag inspraak

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de oostrand van Vaassen, gemeente Epe, liggen enkele onbebouwde agrarische percelen. De locatie is aan de noordkant bereikbaar via de Wanstede en aan de zuidkant via de Zichtstede. Er wordt reeds jaren gesproken over het invullen van de percelen ten behoeve van woningbouw. In 2009 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan Oosterhof-Zuid vastgesteld. Hierin is aan de gronden een uit te werken woonbestemming gegeven, welke nu wordt uitgewerkt. Het voornemen bestaat om op deze onbebouwde locatie nieuwbouw te ontwikkelen in de vorm van 83 grondgebonden woningen. In het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Oosterhof Zuid’ is de locatie bestemd als ‘Woongebied - Uit te werken’. Deze bestemming moet worden uitgewerkt tot een woonbestemming, waarbij moet worden voldaan aan een aantal uitwerkingsregels. Voorliggend document voorziet hierin. Voor een deel van de gronden van de uitwerkingsplicht, in combinatie met de adressen Eierstreekweg 35a-37, wordt een separaat bestemmingsplan opgesteld. De beide documenten zijn gelijktijdig en in samenhang opgesteld. Ook zijn diverse onderzoeken gecombineerd. Zo mogelijk worden beide documenten ook in dezelfde periode ter visie gebracht.

1.2

Ligging plangebied Het plangebied is gesitueerd aan de oostzijde van de kern Vaassen, aan de rand van de bebouwde kom. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Wanstede en diens eerstelijnsbebouwing, aan de oostzijde door het buitengebied van Vaassen, aan de zuidzijde door de Zichtstede en eerstelijnsbebouwing van de Eierstreekweg en aan de westzijde door de bebouwing aan de Zichtstede. Op de navolgende afbeeldingen is de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit uitwerkingsplan.

3

Globale ligging plangebied (rode cirkel) in de kern Vaassen (bron: pdok.nl).

Globale begrenzing plangebied (rood omkaderd, bron: pdok.nl).

1.3

Geldende bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt op dit moment het bestemmingsplan ‘Oosterhof Zuid’, zoals vastgesteld op 11 maart 2009 door de gemeenteraad van Epe. Op grond van dit bestemmingsplan geldt voor het plangebied de enkelbestemming ‘Woongebied - Uit te werken’, alsmede de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’.

4

Uitsnede uit verbeelding van het geldende bestemmingsplan met daarop het plangebied globaal rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Woongebied - Uit te werken De voor ‘Woongebied - Uit te werken’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, bijzondere woonvormen, aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten, tuinen, erven, groen, water, wegen, parkeren, speel- en nutsvoorzieningen en straatmeubilair. Daarbij gelden de volgende uitwerkingsregels: a binnen de bestemming mogen ten hoogste 100 woningen worden gebouwd; b de afstand van gevels van nieuw te bouwen woningen tot de achtergevel bestaande woningen minimaal 20 m dient te bedragen; 2 c centraal in gebied een groene brink met een oppervlakte van ten minste 3.000 m wordt aangelegd; d aan de noordoostzijde aansluitend op de Wanstede groenvoorzieningen van ten 2 minste 3.000 m wordt aangelegd; e de hoofdontsluiting van het woongebied voor autoverkeer vanaf de Zichtstede zal plaats vinden; f secundaire ontsluitingen voor autoverkeer vanaf de Wanstede; g voor voetgangers en fietsers een langzaam verkeersstructuur wordt aangelegd met verbindingen tussen de Wanstede, Zichtstede en Eierstreekweg; h binnen de bestemming maximaal 10 gestapelde woningen worden gebouwd en voor het overige uitsluitend grondgebonden woningen worden gebouwd; i binnen de bestemming ten minste 20% van de woningen wordt gebouwd in de sociale sector; j de hoogte van de grondgebonden woningen maximaal 2 lagen en een kap mag bedragen; k de hoogte van gestapelde woningen maximaal 3

lagen met kap mag bedragen;

5

Waarde - Archeologie De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Met deze dubbelbestemming is onder andere geregeld dat archeologisch onderzoek 2 noodzakelijk is bij ontwikkelingen die een grotere omvang kennen dan 100 m die dieper reiken dan 0,3 m onder het maaiveld.

1.4

Leeswijzer Deze toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie en de toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst. Hoofdstuk 4 omvat de toetsing aan de planologische haalbaarheidsaspecten en milieuaspecten. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw van de planregels (Hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 6).

6

2

Planbeschrijving

2.1

Historische context 1900 De kern van Vaassen heeft zich ten westen van het plangebied ontwikkeld. Het plangebied zelf was oorspronkelijk onderdeel van de Hafkamper Enk. Dit is een opgehoogd akkercomplex op de zandgrond van de Veluwe. Rondom de enk lagen enkele gehuchten, zoals Het Veen, de Eijerstreek, Hafkamp en De Jonas. Over het hoogste punt van de enk liep de Enkweg, met enkele vertakkingen naar het noorden en zuiden. Eén daarvan liep langs de oostzijde van het plangebied en sloot aan op de (huidige) Zichtstede. Ten zuiden van het plangebied ligt de Dorpse beek, die ten westen van Vaassen ontstaat als spreng van de Veluwe en door het centrum van Vaassen loopt. De beek mondt uit in het Apeldoorns kanaal. De Eierstreekweg is rond 1900 al herkenbaar op de kaart, waar omheen het gehucht de Eijerstreek is ontstaan. 1940 - 1980 Het dorp Vaassen bevond zich nog altijd ten westen van het spoor en het plangebied werd voor de landbouw gebruikt, onder andere ten behoeve van fruitteelt. De lintbebouwing aan de Enkweg breidde zich verder uit richting het oosten. Ook langs de Zichtstede ontwikkelt zich steeds meer lintbebouwing. De verbinding tussen de Zichtstede en de Enkweg is niet langer zichtbaar in de kaart van 1980. 1980-heden Na 1980 breidt Vaassen flink uit door de ontwikkeling van de nieuwbouwwijk de Oosterhof. Deze wijk ligt ten noorden van het plangebied.

Hiervoor is een nieuwe verkeersstructuur aangelegd die op enkele plekken de Enkweg kruist. Ook de Koestraat ten noorden van de Enkweg wordt grotendeels opgenomen in het plan.

Historische ontwikkeling Vaassen met daarop het plangebied globaal zwart omlijnd (bron: topotijdreis.nl)

7

2.2

Huidige situatie Omgeving plangebied Het gebied ten noorden van het plangebied heeft een ander karakter dan het gebied ten zuiden van het plangebied, door de ligging op de overgang van dorps naar meer landelijk wonen. Aan de noordzijde grenst het aan de nieuwbouwwijk Oosterhof. De Oosterhof is een jaren '80 wijk, met een typische ruimtelijke structuur van erven. Vanaf de Wanstede is er een aansluiting op het plangebied. Achterkanten van de woningen zijn naar het plangebied toe gericht, maar vallen niet heel erg op door de aanwezigheid van een houtsingel langs de achtertuinen. Tussen de woningen is een opening naar het plangebied toe die mogelijkheden biedt voor een nieuwe aansluiting. Het gebied ten zuiden van het plangebied heeft een landelijk karakter. De Zichtstede kenmerkt zich door lintbebouwing en ook aan de Eierstreekweg zijn landelijk gelegen boerderijen te vinden. Aan weerszijden van het plangebied in oost-westelijke richting zijn hoofdzakelijk open agrarische kavels gesitueerd. Plangebied Het plangebied zelf is agrarisch gebied waarin de noord-zuid gerichte verkavelingsstructuur nog aanwezig is. Een struweelhaag met enkele grote bomen op de kavelgrens maakt deze verkavelingsrichting herkenbaar in het gebied.

De overige groenstructuren komen voort uit recentere ontwikkelingen, zoals de ontwikkeling van de woonwijk ten noorden van het plangebied, en zijn dus minder waardevol wat betreft de oorspronkelijke landschappelijke karakteristieken. Naast agrarische weides en de struweelhaag valt verder een circa 20 jaar jonge houtopstand centraal binnen het plangebied en een houtsingel aan de noordoostzijde van het plangebied te onderscheiden. In de navolgende afbeeldingen worden impressies gegeven van de huidige situatie van het plangebied.

Impressie huidige situatie plangebied (bron: pdok.nl)

8

Impressies huidige situatie plangebied (bron: SAB)

2.3

Toekomstige situatie De geplande woningbouwontwikkeling ter plaatse van het plangebied bestaat uit maximaal 83 woningen. Voor de inrichting van het plangebied, alsmede de uitgangspunten voor de landschappelijke inrichting, is door SAB een stedenbouwkundig plan 1 en inrichtingsplan opgesteld, welke is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. In het stedenbouwkundig plan is een bouwplan uitgewerkt, welke in de regels behorende bij dit uitwerkingsplan is vastgelegd. Navolgend worden de uitgangspunten en beoogde uitwerking van de ontwikkeling uiteengezet.

2.3.1

Stedenbouwkundig plan en inrichtingsplan Voor de ruimtelijke opzet van het stedenbouwkundig plan zijn op basis van een analyse van het plangebied uitgangspunten geformuleerd. Deze uitgangspunten vormen het kader waarbinnen het stedenbouwkundig plan is opgesteld:

1

SAB (2022). Stedenbouwkundig plan en inrichtingsplan. Oosterhof-Zuid, Vaassen. Projectnummer: 190600. 24 mei 2022. 9

 Een nieuwe verbinding vanaf de Zichtstede vormt de hoofd-ontsluitingsroute. Deze verbinding loopt als een lus door het plangebied. De wegen volgen daarbij de oorspronkelijke verkavelingsstructuren in het gebied. Langs de oostelijke rand van het plan loopt een smalle weg voor bestemmingsverkeer.  Het plan krijgt een groen en landschappelijk karakter, waarin bestaande ecologisch waardevolle structuren worden ingepast. Er zijn twee grote groenzones aanwezig in het plan. Hier kunnen mensen elkaar ontmoeten, kinderen spelen en is er tevens ruimte voor waterberging. Regenwater verzamelt zich in wadi’s in deze groenzones, waarna het kan afstromen via noord-zuid georiënteerde groene assen, richting de Dorpsche beek.  De bestaande struweelhaag blijft behouden en wordt daarmee onderdeel van één van de noord-zuid assen. Zo blijft de bestaande vliegroute voor vleermuizen intact en krijgt het plan een bijzonder groen karakter.  Bestaande bomen worden zoveel mogelijk gehandhaafd en de groenzones worden benut voor de aanplant van nieuwe bomen. De houtsingel grenzend aan de bestaande woonwijk ten noorden van het plangebied wordt aangevuld, zodat er een mooie landschappelijke overgang ontstaat.  De woningen liggen door de gekozen opzet in een aantrekkelijke groene omgeving. Op belangrijke kruisingen van de groenstructuren dragen accenten daaraan bij.

 Er is een knip voor autoverkeer aanwezig bij de Wanstede, zodat autoverkeer altijd via de Zichtstede het plangebied bereikt. In lijn met de uitwerkingsregels is er een secundaire ontsluiting aanwezig tussen de Wanstede en het plangebied. Dat wil zeggen dat deze ontsluiting enkel toegankelijk is voor langzaam-, calamiteiten- en bestemmingsverkeer.  De Eierstreekweg blijft losgekoppeld van de nieuwe buurt. Een nieuwe fietsverbinding vanaf de Wanstede, langs een noord-zuidas, de Zichtstede en een verlegde verbinding richting de Eierstreekweg zorgt voor een goede ontsluiting voor fietsers. De hiervoor beschreven uitgangspunten zijn navolgend in kaart weergegeven.

Uitgangspuntenkaart beoogde ontwikkeling (bron: SAB)

10

Programma In het stedenbouwkundig plan zijn 83 grondgebonden woningen ingepast, beoogd in een gemengd programma. De dure woningen bevinden zich aan de Zichtstede en aan de buitenrand van het plangebied. De middeldure huur en koop, sociale huur en goedkope koop bevindt zich rondom de centrale groenzone en bij de hofwoningen. Deze opzet zorgt ervoor dat er een overgang ontstaat van het dorpse naar het landelijke karakter. Voor de voorliggende ontwikkeling is overeengekomen dat wordt voorzien in 20% sociale huur, 10% middeldure huur, 20% goedkope koop, 25% middeldure koop en 25% dure koop. De noordwesthoek is een verstopte hoek die door veel achterkanten wordt begrensd. Hier is ruimte voor een bijzonder woningtype. In het ontwerp is hier een woonhof gesitueerd. De woningen hebben een kleine achtertuin en ontlenen kwaliteit aan het wonen in een gezamenlijk hof. De hofwoningen zijn met name geschikt voor senioren en/of starters. Inrichting en openbare ruimte De oorspronkelijke noord-zuid georiënteerde kavelstructuren komen terug in het plan als groenzones waar ook de afvoer van water kan plaatsvinden. De bestaande struweelhaag en meerdere bomen/houtsingels blijven gehandhaafd om het groene karakter te versterken. Centraal in het plangebied ligt een groene brink. Een tweede groenzone ligt aan de noordkant en functioneert als groene buffer naar de bestaande woonwijk.

De groenzone vormt een natuurlijke buffer tussen de bestaande en de nieuwe woonwijk. Naast de waterbergende functie wordt hier een speelplek voor kinderen van 0-12 jaar gerealiseerd (de centrale groenzone is hier eveneens voor geschikt) en is ruimte voor een sportveldje en hondenuitlaatveldje. Door het groen lopen struinpaden. Vanwege de ligging aan de bestaande wijk Oosterhof-Zuid, zal deze groenzone ook een uitstekende uitvalsbasis zijn voor kinderen uit de buurt. De parkeerplaatsen zijn grotendeels in parkeerkoffers nabij de rijwoningen gesitueerd. Aanvullend zijn er langsparkeerplaatsen langs de woonstraten en is er aan de noordzijde van de groene brink een straat met haaksparkeerplaatsen omzoomd door hagen. Een nieuwe fietsverbinding zorgt voor een natuurlijke verbinding tussen de woonwijk ten noorden van het plangebied en de Eierstreekweg. Tevens is een ommetje via de noord-zuidassen, de centrale groenzone en de Zichtstede mogelijk. De openbare ruimte krijgt een bijzonder groen en natuurinclusief karakter en de materialen die worden toegepast hebben een hoogwaardige uitstraling. Navolgende afbeelding toont het stedenbouwkundig plan met daarbij het woningbouwprogramma aangegeven.

11

Stedenbouwkundig plan en programma (bron: SAB)

Beeldkwaliteit en bouwmassa Binnen het plangebied is een ingetogen architectuur beoogd met dorpse en landelijke kenmerken. De architectuur is eigentijds en de detaillering is doordacht. Het kleurenen materialenpalet bestaat uit natuurlijke materialen in gedekte aardetinten. De hoofdmaterialen zijn baksteen in aardse tinten en antraciete, gebakken, (matte) pannendaken met zonnepanelen. Accenten kunnen gemaakt worden met houten geveldelen, rieten kappen. Witte gevelstenen zijn niet toegestaan. Door de ingetogen architectuur staat het groen nadrukkelijk op de voorgrond. De vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen aan de dorpsrand bestaan uit één à twee lagen met een kap en kennen een afwisselende voorgevellijn. De kappen hebben overstekken om het landelijk karakter te versterken. Afwisseling draagt bij aan het dorpse beeld en een asymmetrische opbouw heeft de voorkeur. De rijwoningen aan het centrale groen worden voorzien van één à twee lagen met een kap en de voorgevel bevindt zich minimaal 2,5 meter uit de erfgrens. Een rij bestaat uit maximaal zes woningen, waarbij maximaal drie identieke woningen aan elkaar geschakeld zijn. Daarnaast bestaat variatie in de kapvorm, materialisatie en/of gevelindeling. Het woonhof is halfomsloten beoogd, waarbij mogelijk een Delftse stoep de voorzone vormt. De woningen bestaan uit twee lagen met een lage goot.

De hoeken van het woonhof krijgen extra aandacht door een verbijzondering van de kap of materialisatie. Dit tezamen maakt dat wordt voorzien in een woningbouwontwikkeling die nadrukkelijk past binnen de ruimtelijke en functionele kenmerken zoals die bestaan rondom c.q. binnen het plangebied. Waarbij zowel op grote als kleine schaal aandacht is voor natuurinclusiviteit en groen.

12

2.3.2

Uitwerkingsregels In de bestemming ‘Woongebied - Uit te werken’ van het vigerende bestemmingsplan ‘Oosterhof Zuid’ zijn de uitwerkingsregels opgenomen waaraan in het uitwerkingsplan moet worden voldaan. Navolgend vindt deze toetsing plaats:  binnen de bestemming mogen ten hoogste 100 woningen worden gebouwd; hieraan wordt voldaan; dit uitwerkingsplan biedt ruimte aan maximaal 83 woningen  de afstand van gevels van nieuw te bouwen woningen tot de achtergevel bestaande woningen minimaal 20 m dient te bedragen; hieraan wordt voldaan; 2  centraal in gebied een groene brink met een oppervlakte van ten minste 3.000 m wordt aangelegd; hieraan wordt voldaan; in de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan heeft de groene brink de bestemming ‘Groen’ gekregen;  aan de noordoostzijde aansluitend op de Wanstede groenvoorzieningen van ten 2 minste 3.000 m wordt aangelegd; hieraan wordt voldaan; in de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan heeft de zone de bestemming ‘Groen’ gekregen;  de hoofdontsluiting van het woongebied voor autoverkeer vanaf de Zichtstede zal plaats vinden; hieraan wordt voldaan, zoals uiteengezet onder 2.3.1;  secundaire ontsluitingen voor autoverkeer vanaf de Wanstede; hieraan wordt voldaan, zoals uiteengezet onder 2.3.1;  voor voetgangers en fietsers een langzaam verkeersstructuur wordt aangelegd met verbindingen tussen de Wanstede, Zichtstede en

Eierstreekweg; hieraan wordt voldaan, zoals uiteengezet onder 2.3.1;  binnen de bestemming maximaal 10 gestapelde woningen worden gebouwd en voor het overige uitsluitend grondgebonden woningen worden gebouwd; hieraan wordt voldaan; er zijn geen gestapelde woningen beoogd in voorliggend plan;  binnen de bestemming ten minste 20% van de woningen wordt gebouwd in de sociale sector;’ hieraan wordt voldaan; in de regels behorende bij dit uitwerkingsplan is het genoemde percentage vastgelegd;  de hoogte van de grondgebonden woningen maximaal 2 lagen en een kap mag bedragen; hieraan wordt voldaan; in de regels behorende bij dit uitwerkingsplan is een maximale goot- en bouwhoogte opgenomen van respectievelijk 6 en 11 meter;  de hoogte van gestapelde woningen maximaal 3 lagen met kap mag bedragen; er zijn geen gestapelde woningen beoogd binnen het plan.

2.3.3

Nabijgelegen ontwikkeling Naast de beoogde ontwikkeling in het plangebied geldt dat ook op een aangrenzende locatie het initiatief bestaat om een ruimtelijke ontwikkeling te realiseren. Het betreft de gronden behorende bij het adres Eierstreekweg 35a-37. Ter plaatse wordt een loonwerkbedrijf geamoveerd en wordt een aantal vrije kavels gerealiseerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zal, daar waar noodzakelijk, met (de effecten van) deze ontwikkeling rekening worden gehouden. Zo wordt voorkomen dat een aan-

13

tal haalbaarheidsaspecten te ‘eng’ wordt beoordeeld. Voor een beschrijving van de exacte plannen op deze locatie wordt verwezen naar het separate bestemmingsplan voor deze ontwikkeling.

14

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie De NOVI Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio's;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1 Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2 Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3 Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Het Rijk zet in de NOVI onder andere in op de energietransitie, duurzaam groeipotentieel, sterke en gezonde steden, combinaties van functies en identiteit. Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige inrichting, waarbij de bestaande (groene) kwaliteiten en kenmerken centraal staan, wordt een bijdrage geleverd aan het realiseren van de Rijksprioriteiten uit de NOVI.

3.1.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bepaalt welke kaderstellende uitspraken van het kabinet bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Ecologische hoofdstructuur (thans Natuurnetwerk Nederland (NNN)), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. 15

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (thans NNN) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de EHS (thans NNN) is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de SVIR en het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het Rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of ande2 re stedelijke voorzieningen’. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Met voorliggend plan worden maximaal 83 woningen opgericht. Hiermee is een toets aan de Ladder voor duurzame ontwikkeling noodzakelijk en is een afzonderlijke rapportage opge3 steld , die als bijlage bij de toelichting is opgenomen. De belangrijkste conclusies worden navolgend beschreven. Kwantitatieve behoefte

2

Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921).

3

SAB (2021). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking. Vaassen, Oosterhof Zuid. Projectnummer: 190600.01. 23 juni 2021. 16

Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling binnen de gemeente Epe, de kwantitatieve woonopgave van de gemeente, de geringe harde plancapaciteit, het feit dat reeds is voorgesorteerd op de onderhavige ontwikkeling en de hoge druk op de woningmarkt in de regio, wordt geconcludeerd dat het toevoegen van woningen past binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het marktgebied. De ontwikkeling pas ook binnen de regionale afspraken over woningbouw. Kwalitatieve behoefte Gelet op de kwalitatieve huishoudensontwikkeling met bijbehorende woonwensen (behoefte aan woningtypen) kan gesteld worden dat het plan met haar diverse woonprogramma aansluit bij de demografische ontwikkelingen in het verzorgingsgebied. Er is in het plangebied immers ruimte voor woningen voor starters, senioren en gezinnen. Dit zijn doelgroepen waarvoor in het woonbeleid is aangegeven dat vraag bestaat. Ook worden diverse concrete bijdragen geleverd aan het realiseren van regionale en gemeentelijke volkshuisvestelijke ambities uit de woonvisie. Tevens worden er concrete ambities waargemaakt op het gebied van betaalbaarheid (sociale huur) en levensloopbestendigheid. Daarbij komt dat het plangebied reeds jaren in het ruimtelijk en volkshuisvestelijk beleid van de gemeente Epe is opgenomen als potentiële ontwikkellocatie voor woningbouw (vertaald in de uit te werken woonbestemming).

Dit maakt dat de ontwikkeling voorziet in een kwalitatieve behoefte van het verzorgingsgebied. Ligging binnen bestaand stedelijk gebied Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling voorziet in een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Conclusie De nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling volledig binnen bestaand gebied wordt gerealiseerd. Het plan voldoet daarmee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en is niet in strijd met het Rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld.  Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.  Schoon en welvarend. Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. 17

Onderdeel van de omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s:  Energietransitie: van fossiel naar duurzaam.  Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer.  Circulaire economie: sluiten van kringlopen.  Biodiversiteit: werken met de natuur.  Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.  Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio.  Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. 3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland In de Omgevingsverordening Gelderland staan regels beschreven, welke ervoor moeten zorgen dat de Omgevingsvisie Gelderland ook daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. De omgevingsverordening dient dan ook als een juridisch instrument en beperkt zich tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Daarmee dient de omgevingsverordening als een toetsingskader bij het opstellen van nieuwe ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan of een uitgebreide afwijkingsprocedure. De omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. verordening voorziet ten opzichte van de omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De omgevingsverordening oriënteert zich net zo breed als de omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Actualisatie omgevingsverordening Op 15 april 2021 hebben Gedeputeerde Staten het ontwerp voor de Omgevingsverordening vastgesteld. Dit ontwerp heet ook wel actualisatieplan 8. Naar verwachting nemen Provinciale Staten in november 2021 een besluit over deze actualisatie. Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied meerdere thema’s raakt. Zo ligt het plangebied in zijn geheel binnen een intrekgebied. In een bestemmingsplan krijgen intrekgebieden geen bestemming die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt. Onderhavig plan voldoet hieraan en vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

18

Verder is het thema ‘woon- en leefomgeving’ van belang. Voor nieuwe woonlocaties stelt de Omgevingsverordening Gelderland (artikel 2.1 en 2.2) dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts worden toegestaan wanneer dit past in de regionale woonagenda. De onderliggende woningbouwontwikkeling is meegenomen in de woningbouwprogrammering en maakt onderdeel uit van de plannen die zijn opgenomen in de regionale woonagenda. Ten slotte ligt het plangebied binnen een Nationaal Landschap (Veluwe). Een plan voor gronden binnen een Nationaal landschap, maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten. Onderhavig plangebied ligt in het deelgebied ‘Gradiënt Oost-Veluwe’. De kernkwaliteit van dit deelgebied leest als volgt: Fraaie en beleefbare gradiënt van Veluwe naar IJssel: van besloten boslandschap in het westen via kleinschalig met houtwallen (ten westen van het Apeldoorns kanaal) naar grootschalige openheid in het oosten. Er ligt een zorgvuldig stedenbouwkundig plan en inrichtingsplan ten grondslag aan onderhavige ontwikkeling. Daarin zijn de bestaande (groene) kwaliteiten zoveel als mogelijk geïntegreerd in het ontwerp.

Dit tezamen maakt dat het plan in lijn met het gestelde in de Omgevingsvisie en -verordening. Conclusie Het provinciaal beleid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Addendum Woonagenda Cleantech Regio De gemeente Epe maakt deel uit van de Cleantech Regio waarbinnen de samenwerkende gemeenten op regionaal niveau afspraken maken. Dit gebeurt onder meer op het gebied van woningbouw in de regionale woonagenda. Bij de vaststelling van de Woonagenda Cleantech Regio 2018 - 2023 is afgesproken dat deze wordt geëvalueerd en herijkt. Dat is ook nodig omdat er een aantal nieuwe thema’s spelen en gemeenten tegen de grenzen van de huidige afspraken aanlopen. Op basis van de evaluatie is vastgesteld dat een herijking zoals bedoeld in 2018 (een bijstelling op basis van nieuwe woningmarktcijfers) niet voldoende is om recht te doen aan alle veranderingen op het speelveld wonen. Op de korte termijn geeft een pragmatische herijking goede handvatten voor het woonbeleid, maar om voor de langere termijn goed in te kunnen spelen op de veranderende beleidswensen moet een nieuwe Woonagenda ontwikkeld worden. Dat is vooral nodig om invulling te geven aan de hogere groei-ambitie en de wens om een andere positie in te nemen in de landelijke verstedelijkingsopgave. De evaluatie en herijking is vastgelegd in het Addendum Woonagenda Cleantech Regio (d.d. 6 november 2020). Korte termijn: inzetten op versnelling woningbouw 2020-2022 De huidige Woonagenda biedt (na een herijking) voor de komende paar jaar nog voldoende basis voor de regionale samenwerking.

Op basis van de regionale principes voor woningbouwprogrammering uit de Woonagenda 2018 sturen gemeenten op een lokaal woningbouwprogramma dat gericht is op het versterken van de woonkwaliteit. 19

Daarnaast gaan de gemeenten samen aan de slag met de thema’s betaalbaarheid en huisvesting arbeidsmigranten. Op basis van de Primos woningbehoefteprognose 2020 wordt de nieuwe bandbreedte vastgesteld voor de omvang van de regionale bouwopgave en als richtpunt voor het lokale programma. Vooral bij kleine gemeenten is de prognose niet altijd nauwkeurig en waar nodig corrigeren we die met maatwerkafspraken. De woningvraag is toegenomen en ligt nu ongeveer 40% hoger dan in 2018 verondersteld was. De inzet is gericht op het op stoom houden (versnellen) van de woningbouw en nieuwe bouwplannen voorbereiden als antwoord op de krapte op de woningmarkt. Om invulling te kunnen geven aan de extra woningvraag zullen er naast inbreidings- en transformatielocaties nieuwe uitleglocaties nodig zijn. Lange termijn: herpositionering Uit deze evaluatie blijkt dat er bij (bijna) alle gemeenten een wens is om in te zetten op een hogere groei-ambitie ter behoud en versterking van de vitaliteit van de kernen, dorpen en steden. De gestegen woningbehoeftecijfers (+40% ten opzichte van Woonagenda 2018) geven een basis voor die extra groei, maar daar bovenop speelt de discussie over een substantiële schaalsprong die hoger is dan die autonome groei.

Voor dat laatste zal werk gemaakt moeten worden van de herpositionering van de Cleantech Regio in landelijke verstedelijkingsopgave met een nadrukkelijkere rol voor de regio bij de opvang van landelijke woningbehoefte. Die schaalsprong is geen doel op zich maar moet (samen met onder andere de economische-, infrastructurele- en duurzaamheidsopgaven) bijdragen aan het versterken van de vitaliteit van de steden, dorpen, kernen en landelijk gebied voor de langere termijn. Nieuwe uitleglocaties Om te voorzien in voldoende plancapaciteit en om voldoende tempo in de woningbouw te houden moeten naast inbreidings- en transformatielocaties nieuwe uitleglocaties ontwikkeld worden. Een belangrijk deel van de woningbouwplannen waarmee wordt voorzien in de woningbehoefte ligt op inbreidings- en transformatielocaties. Gemeenten spannen zich in om deze te realiseren in lijn met de uitgangspunten voor zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik uit de regionale Woonagenda. Maar dit zijn vaak complexe plannen waardoor de realisatie onzeker is. Ook geven dergelijke locaties niet altijd de mogelijkheid om alle gewenste type woonprojecten te realiseren. Zo is de gemeente Epe op zoek naar locaties voor betaalbare sociale huur.

Bij de meeste gemeenten zijn de potentiële inbreidingslocaties (vrijkomende scholen, bedrijven et cetera) al meegenomen in het programma en is er beperkte extra capaciteit op de inbreidingslocaties te verwachten. Gemeenten willen op zoek naar nieuwe uitleglocaties om voldoende plancapaciteit beschikbaar te hebben. Zeker in combinatie met een extra groeiambitie voldoet het aanbod op de inbreidingslocaties niet. Alle gemeenten hebben het voornemen om een nieuwe uitleglocatie te (onder)zoeken of zijn al gestart met de voorbereiding hiervan. De lokale woonopgaven In de Woonagenda 2018 is een van de uitgangspunten de diversiteit aan woonmilieus en opgaven in de verschillende delen van de regio. Op basis daarvan zijn specifieke lokale speerpunten geformuleerd en wordt gemeenten, onder andere met maatwerkafspraken, de ruimte gegeven om deze op te pakken. Voor de gemeente Epe gelden hierbij dat de gemeente als plattelandsgemeente tussen twee steden groeit met nieuwe inwoners van buiten de gemeente. Nieuwe mensen brengen nieuwe dynamiek. De

20

wijk Klaarbeek is versneld gerealiseerd en ook andere woningbouwprojecten lopen vlot, er is groot animo voor koopprojecten. Met de lokale Woonagenda is de inzet gericht op gezinnen en senioren, evenals betaalbaar bouwen en een extra stimulans in de sociale huursector. De vitaliteit van de kernen in combinatie met het behoud van het voorzieningenniveau is een belangrijk uitgangspunt. Het huidige woningbouwprogramma is de basis maar daar bovenop is een plus per kern nodig om voorzieningen in stand te houden. De vergrijzing neemt toe, vooral ook in de kleine kernen. Er zijn nieuwe locaties beschikbaar in Vaasen en Epe om de bovenlokale vraag op te vangen, specifiek gericht op gezinnen met kinderen. Op korte termijn zijn daarvoor al uitbreidingslocaties te realiseren. Voor de kern Epe wordt daarbij gezocht naar extra locaties voor sociale woningbouw. Epe wil graag in gesprek over het voorzien in de bovenlokale vraag. De woningbouw kan versneld worden, maar daarvoor is wel extra capaciteit nodig voor de te doorlopen procedures en onderzoek en mogelijk een aanjager vanuit het provinciehuis en ondersteuning vanuit het Actieplan Wonen. Voorstel voor herijking Voorstel is om de inzet voor de komende twee jaar te richten op het op stoom houden (versnellen) van de woningbouw en het in voorbereiding nemen van nieuwe bouwplannen.

Als indicatie van de omvang is voor de gemeente Epe voor de periode tussen 2020 en 2030 een bandbreedte vastgesteld van 1.025 - 1.350 woningen. Toetsing Wanneer de harde plancapaciteit in de gemeente Epe wordt afgezet tegen de regionale kwantitatieve woningbouwafspraken (1.025-1.350 woningen) is er nog voldoende ruimte om woningbouwontwikkelingen toe te voegen aan de harde plancapaciteit. Met voorliggend initiatief wordt een woningbouwontwikkeling mogelijk gemaakt ter plaatse van gronden waar reeds is voorgesorteerd op woningbouw, waarbij zich kansen voordoen om te versterken op het gebied van klimaatadaptie, sociale veiligheid, leefbaarheid en duurzaamheid en waarbij draagvlak wordt versterkt voor voorzieningen. Er wordt onder andere voorzien in een groene, natuurinclusieve openbare ruimte met een natuurlijk watersysteem. Tevens wordt gedeeltelijk voorzien in woningbouw die geschikt is voor senioren (woonhof). Zo draag dit initiatief bij aan het realiseren van verschillende ambites uit de regionale woonagenda. Conclusie Onderhavig plan is in lijn met het gestelde in het regionale beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Epe De gemeente Epe is een bijzonder mooie gemeente. Er is veel om dankbaar voor te zijn: veel groen, veel natuur en binnen de gemeente zijn mooie dorpen met hun eigen karakter. Daar willen we zorgvuldig mee omgaan. Tegelijkertijd zijn er veel uitdagingen en er moet veel gebeuren: de vraag naar voldoende woningen in een gezonde en sociale leefomgeving, de behoefte aan ruimte voor recreatie, economische groei en diverse duurzaamheidsambities. Dit alles samengenomen vraagt om een integrale aanpak met behoud van de kwaliteiten en waarden die we hebben. De gemeente wil

21

via de omgevingsvisie samen met haar inwoners komen tot gedragen, evenwichtige en integrale oplossingen voor ruimtelijke en maatschappelijke opgaven. De gemeente formuleert vier opgaven, die niet los van elkaar te zien zijn:  duurzame toekomst;  gezondheid, zorg en welzijn;  goed wonen;  ondernemen. Voor wat betreft goed wonen wordt de opgave als volgt geformuleerd: Het bouwen van voldoende woningen voor de juiste doelgroep en op de juiste plek is onze uitdaging. Ook is het gewenst om passende woningtypes te ontwikkelen. We streven daarom naar een diversiteit aan woonvormen om een goed balans te creëren in de behoefte van de verschillende doelgroepen. Toetsing

Bron: gemeente Epe

Onderhavig plangebied is in de ontwerp Omgevingsvisie aangewezen als voorkeursgebied woningbouwopgave. Ter plaatse van deze gebieden heeft de gemeente de ambitie om woningen te realiseren voor alle leeftijden en doelgroepen. Met voorliggend plan wordt voorzien in woningbouw in verschillende segmenten, waarmee verschillende doelgroepen worden aangesproken. Daarnaast wordt in de Omgevingsvisie bij nieuwbouw ingezet op groen (bomenstructuur en een groene ondergrond) en blauw (ruimte voor water). Met voorliggend plan wordt voorzien in groene aders, het verbeteren van de biodiversiteit en het inspelen op de klimaatopgave. Zo worden daken benut voor zonnepanelen, wordt regenwater afgekoppeld, worden nestgelegenheden in de gevels verwerkt en zorgen klimplanten voor verkoeling. Dit tezamen maakt dat nadrukkelijk wordt bijgedragen aan de ambities zoals geformuleerd in de Omgevingsvisie.

22

3.4.2

Woonagenda gemeente Epe 2019-2023, Mijn Thuis De gemeente geeft in haar gemeentelijke woonagenda aan te streven naar verhoging van de woningbouwproductie op korte termijn. Daarmee wil de gemeente de huidige behoefte faciliteren, de te verwachten huishoudensgroei opvangen en de huidige druk op de woningmarkt verminderen. Verder wordt aangesloten op de kwantitatieve afspraken vanuit de regionale woonagenda. Voor nieuwe woningbouwinitiatieven zijn in de gemeentelijk woonagenda kaders opgesteld, bestaande uit kwantitatieve en kwalitatieve aspecten. Kwantitatief is het volgende afgesproken: a De in de regionale Woonagenda geschatte woningbehoefte voor de gemeente Epe hanteren wij als graadmeter om te bepalen aan hoeveel woningbouwplannen wij als gemeente ruimte geven. b Wij richten ons in eerste instantie op de kwalitatieve opgave bij het programmeren: 1 bij de invulling van een woningbouwlocatie zijn niet de aantallen leidend maar de wijze waarop de bouw bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en leidt tot een behoeftegerichte invulling (passend bij de lokale vraag en gericht op huisvestingsmogelijkheden voor doelgroepen en/of een verrijking van de huidige woonvoorraad). 2 het ontwikkelen van transformatielocaties geven we prioriteit.

c Bij uitbreidingslocaties stemmen wij de programmering af met de gemeenten in de Cleantech Regio en de Provincie Gelderland, volgens de afspraken in de regionale Woonagenda 2018. Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in woningbouw op gronden die grotendeels een uit te werken woonbestemming kennen. Daarmee is reeds voorgesorteerd op de komst van woningen ter plaatse. Tevens geldt dat in paragraaf 3.3.1 (alsmede in de Ladder voor duurzame verstedelijking) een motivering is opgenomen dat er voldoende ruimte is binnen de regionale kwantitatieve afspraken om nieuwe woningbouwprojecten toe te voegen aan de harde plancapaciteit. Ook in kwalitatieve zin kan gesteld worden dat het plan met haar diverse woonprogramma aansluit bij de demografische ontwikkelingen in het verzorgingsgebied. Er is in het plangebied immers ruimte voor woningen voor starters, senioren en gezinnen. Dit zijn doelgroepen waarvoor in het woonbeleid is aangegeven dat vraag bestaat. Ook worden diverse concrete bijdragen geleverd aan het realiseren van regionale en gemeentelijke volkshuisvestelijke ambities uit de woonvisie. Verder worden er concrete ambities waargemaakt op het gebied van betaalbaarheid (sociale huur) en levensloopbestendigheid. Ten slotte wordt Oosterhof-Zuid specifiek genoemd als woningbouwplan in de Woonagenda.

Dit maakt dat reeds is voorgesorteerd op de onderhavige ontwikkeling in het woonbeleid. Conclusie Voorliggend initiatief is in lijn met het gemeentelijk beleid.

23

4

Milieu- en omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het uitwerkingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven) gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een uitwerkingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s cultuurhistorie, archeologie, bodem, ecologie, externe veiligheid, geluid, luchtkwaliteit, milieuzonering, water, het Besluit milieueffectrapportage en verkeer en parkeren.

4.1

Milieueffectrapportage Algemeen Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk om na te gaan of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EUrichtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Toetsing Onderhavig plan betreft de realisatie van woningbouw. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r..

Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd en een herontwikkeling wordt als wijziging in de zin van het Besluit m.e.r. beschouwd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk:  een oppervlakte van 100 hectare of meer;  een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen;  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het plan blijft ver onder de indicatieve drempelwaarden en daarmee kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de om-

24

standigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen:  de kenmerken van het project;  de plaats waar de activiteit plaatsvindt;  de kenmerken van het potentiële effect. 4

Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Conclusie Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.2

Bodem Algemeen Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit kan worden aangetoond met een actueel bodemonderzoek. De geschiktheid is ook voldoende aangetoond als uit het vooronderzoek, op basisniveau conform NEN 5725, blijkt dat de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en er geen risico’s voor het toekomstige gebruik te verwachten zijn. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning mogelijk een actueel onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Hiernaast geldt dat de gemeente bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In het Besluit bodemkwaliteit wordt hergebruik van licht verontreinigde grond mogelijk gemaakt. De gemeente Epe heeft hiervoor beleid opgesteld dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan. Toetsing Omdat dit bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt moet de kwaliteit van de bodem inzichtelijke zijn.

Ter plaatse van deze nieuwe ontwikkelingen is bodemonderzoek uitgevoerd. De bodem is op basis van de uitgevoerde onderzoeken geschikt voor de toekomstige functie.

4

SAB (2022). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Vaassen, Oosterhof Zuid. Projectnummer: 190600.01. 18 maart 2022. 25

Verdeeld over een viertal rapportages is voorzien in verkennende bodemonderzoeken ter plaatse van het plangebied. Navolgende afbeelding toont het onderzoeksgebied van de verschillende rapportages.

Onderzoeksgebieden rapportages (bron: Nikkels) 5

Geel De bovengrond is licht verontreinigd met kwik en koper. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties koper en zink en licht tot matig verhoogde concentraties barium gemeten. Gezien het ontbreken van en duidelijke bron als gevolg van historische bedrijfsactiviteiten en de bevindingen in het overig plangebied wordt nader grondwateronderzoek op barium niet noodzakelijk geacht. Zintuiglijk zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De bodem is analytisch niet op asbest onderzocht. Gezien de bevindingen tijdens de uitvoering van het onderzoek is asbest onderzoek conform NEN 5707 niet noodzakelijk. 6

Zwart De boven en ondergrond zijn niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. In het grondwater zijn voor de onderzochte stoffen geen verhoogde concentraties gemeten. De bodem is analytisch op asbest onderzocht. Daarbij is plaatselijk 0,7 mg/kg.ds gemeten. Dit is ruim onder de waarden voor nader onderzoek en interventiewaarde van respectievelijk 50 mg/kg.ds en 100 mg/kg.ds.

5

Boluwa (2020). Verkennend bodemonderzoek. Eierstreekweg 37 te Vaassen. Projectnummer 20288. 17 december 2020.

6

PJ Milieu BV (2020). Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek. Kenmerk: 20036202A. 6 juli 2020. 26

7

Paars De bovengrond is over het algemeen licht verontreinigd met kwik en plaatselijk ook met koper. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik, lood en PCB. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte barium gemeten. Zintuiglijk zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De bodem is analytisch op asbest onderzocht. Daarbij is plaatselijk 0,3 mg/kg.ds gemeten. Dit is ruim onder de waarden voor nader onderzoek en interventiewaarde van respectievelijk 50 mg/kg.ds en 100 mg/kg.ds. Blauw, groen en rood

8

Perceelnummers 3757 en 3832 De boven- en ondergrond zijn niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties zink en barium gemeten. Zintuiglijk zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De bodem is analytisch niet op asbest onderzocht. Gezien de bevindingen tijdens de uitvoering van het onderzoek is asbest onderzoek conform NEN 5707 niet noodzakelijk. Van de percelen 3837 en 3838 binnen het plangebied is na de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek circa 0,15 meter ontgraven en hergebruikt op de percelen grenzend aan het plangebied (Sectie C perceelnummers 3835, 3836, 3837 en 3838). Perceelnummers 3938, 3835 en 3836 De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met koper en PAK. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium en zink en licht tot matig verhoogde concentraties koper gemeten. Gezien het ontbreken van en duidelijke bron als gevolg van historische bedrijfsactiviteiten en de bevindingen in het overig plangebied wordt nader grondwateronderzoek op koper niet noodzakelijk geacht. Zintuiglijk zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. De bodem is analytisch niet op asbest onderzocht. Gezien de bevindingen tijdens de uitvoering van het onderzoek is asbest onderzoek conform NEN 5707 niet noodzakelijk.

Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vorm het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het uitwerkingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch

7

PJ Milieu BV (2020). Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek. Kenmerk: 20036201A. 6 juli 2020.

8

Boluwa (2019). Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek. Eierstreekweg 35A/Zichtstede te Vaassen. Projectnummer: 20098. 24 april 2019. 27

onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of de geluidbelasting binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De voorkeursgrenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. Voor spoorweglawaai bedraagt de voorkeursgrenswaarde 55 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en wethouders zijn binnen de grenzen van haar eigen beleid en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in geluidgevoelige functies in de vorm van wo9 ningen. In dit kader is voorzien in een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai . Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat van elke individueel te onderscheiden weg geen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Op basis van de resultaten wordt daarmee voldaan aan de Wet Geluidhinder en een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontrei-

9

SAB (2022). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Vaassen, Oosterhof Zuid. Projectnummer: 190600.01. 2 maart 2022. 28

niging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.

Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen 3 dan 1,2 µg/m . In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van maximaal 83 nieuwe woningen in dit uitwerkingsplan valt ook binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek niet noodzakelijk is. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12191395/1